CConstaterende datZeist
Koppel je AI →
Document · PDF

01.00-23RV042 Bijlage 1.0 Toelichting bestemmingsplan Griffensteijn

Raad 3 oktober 2023, gemeente ZeistBij agendapunt: Vaststellen van Bestemmingsplan Griffensteijn20.416 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 3

Duurzaamheid door ruimtelijke kwaliteit: het duurzaam renoveren van een woonwijk is een integrale opgave, waarbij het niet alleen gaat om energieprestaties, maar ook om ruimtelijke en 'sociale' duurzaamheid. Ruimtelijke kwaliteit betekent in dit geval dat bewoners een prettige leefomgeving beleven en dat zij die ook goed kunnen gebruiken. Niet alleen nu, maar ook in de (verre) toekomst. Dit betekent bijvoorbeeld dat in de stedenbouwkundige opzet van de wijk en de (maatvoering van) openbare ruimtes in de wijk voldoende flexibiliteit zit om veranderend gebruik van toekomstige generaties te kunnen faciliteren. 2. Duurzaamheid en energie: voor de te realiseren nieuwbouw gelden onder andere de op dit moment gangbare eisen inzake energie en het Bouwbesluit. De gemeente heeft aangegeven dat het beleid is om nieuwe woningen Nul-op-de-meter (NoM) te realiseren. Dit geldt niet voor sociale woningbouw, wel zal onderzocht worden wat haalbaar is. De prestatie-afspraken tussen de gemeente Zeist en Woongoed Zeist worden hier aangehouden. Vanzelfsprekend wordt voldaan aan de geldende wet- en regelgeving. 3. Natuurinclusief bouwen: de nieuwbouw gaat voldoen aan de criteria van natuurinclusief bouwen uit het SMP. 4. Duurzaamheid in de openbare ruimte: de duurzaamheid van de openbare ruimte zal integraal bekeken worden, waarbij de diverse onderdelen goed op elkaar worden afgestemd: i.

De openbare ruimte biedt aanleiding elkaar te ontmoeten en is geschikt voor jong en oud en er is aandacht voor beleving.

26

ii. iii. iv.

Duurzame mobiliteit wordt gefaciliteerd (laadpalen, goede langzaamverkeersverbindingen etc.). Klimaatadaptief ontwerp door schaduwwerking, minimale verharding, materiaalgebruik en mogelijkheden voor infiltratie. Het vergroten van de biodiversiteit maakt onderdeel uit van de ontwerpopgave.

Planspecifiek Omdat de kadernota het vertrekpunt voor de uitwerking van de toekomstige situatie vormt is navolgend per uitgangspunt weergegeven op welke manier dit vormgegeven is of gaat worden. a.

b.

c.

Stedenbouw 1. Planstructuur: met de herontwikkeling blijft het stratenpatroon en de bebouwingsstructuur gelijk. De structuur van Griffensteijn blijft daarmee ongewijzigd. 2. Stratenpatroon: het stratenpatroon van het plangebied blijft ongewijzigd. Wel zijn er enkele kleine aanpassingen nodig aan paden en ontsluitingen, onder andere ten behoeve van het parkeerhof achter Ridderschapslaan 1 t/m 19. 3. Bouwblok en rooilijnen: er is niet getornd aan de bestaande rooilijnen, ondanks dat er 8 woningen worden toegevoegd. Dit is onder andere bereikt door een deel van de woningen smaller en dieper terug te bouwen. 4. Ridderschapslaan 1 t/m 19 oneven: dit blokje wordt gesloopt en krijgt minder diepe tuinen, om zo het parkeerhof met bijbehorende ontsluiting te kunnen realiseren. 5. Bouwhoogte: de bebouwing wordt voorzien van twee bouwlagen. 6. Parkeren en verkeer: i. Parkeren: voor de 8 extra woningen worden 14 parkeerplekken gerealiseerd in een nieuwe parkeerkoffer op het binnenterrein. Haakse parkeerplaatsen langs de openbare weg passen immers niet in de kenmerkende Griffensteijnse straatprofielen. ii. Verkeer: de verkeersstructuur van de bestaande straten blijft in de herstructurering ongewijzigd. 7. Groenstructuur: de rooilijnen en bouwblokken blijven gelijk aan de bestaande situatie, waardoor de groenstructuren ongewijzigd blijven. Plantsoenen, bomen en blokhagen blijven behouden.

Beeldkwaliteit 1. Relatie met de rest van Griffensteijn: in de beeldkwaliteit van onderhavige ontwikkeling komen elementen uit zowel de stijl van architect Berghoef uit de jaren vijftig als uit de systeembouw terug. 2. Sociale woningbouw in een villa-achtige setting: Woongoed Zeist past de maatstaven van tegenwoordig toe door met de huidige bouwmethoden sociale woningbouw te realiseren. Daarbij worden de volgende uitgangspunten voor de bouwmethode gehanteerd. i. eenvoudige volumes van 2 bouwlagen met een kleine kap; ii. de doelgroepen, één- en tweepersoonshuishoudens en gezinnen, leiden tot boven-benedenwoningen en eengezinswoningen; iii. lineair opgebouwde rijen die de structuur van de woonstraten versterken; iv. hoofdzakelijk horizontale opbouw van de volumes; v. subtiele variatie in de strenge structuur (bijvoorbeeld varierende massa, situering of gevelopeningen en plasticiteit). vi. gebruik van industriële materialen, (refererend naar) systeembouw, repeterende bouwkundige of architectonische middelen. Duurzaamheid en energie 1. Duurzaamheid door ruimtelijke kwaliteit: in de ruime opzet van de wijk resteert voldoende ruimte en flexibiliteit voor toekomstige ontwikkelingen. 2. Duurzaamheid en energie: voor de te realiseren nieuwbouw gelden onder andere de op dit moment gangbare eisen inzake energie en het Bouwbesluit.

De gemeente heeft aangegeven dat het beleid is om nieuwe woningen Nul-op-de-meter (NoM) te realiseren. Inmiddels gaat het nieuwe overigens uit van 'energieleverend'. Dit geldt niet voor dit project, wel zal onderzocht worden wat haalbaar is. De prestatie-afspraken tussen de

27

3. 4.

Gemeente Zeist en Woongoed Zeist worden hier aangehouden. Vanzelfsprekend wordt voldaan aan de geldende wet- en regelgeving. Natuurinclusief bouwen: de nieuwbouw gaat voldoen aan de criteria van natuurinclusief bouwen uit het SMP. Duurzaamheid in de openbare ruimte: de duurzaamheid van de openbare ruimte zal integraal bekeken worden, waarbij de diverse onderdelen goed op elkaar worden afgestemd: i. De ruimte achter de woningen wordt ingericht als parkeren en verblijfsruimte. Ook de ruime opzet van de Ridderschapslaan en Jacoba van Beierenlaan zorgt voor ruimte voor ontmoeting. ii. Het plangebied biedt voldoende ruimte voor lopen en fietsen. Ondersteunende voorzieningen voor elektrische auto's zijn niet voorzien. iii. Hemelwater dat op de daken van en op verharding bij de woningen valt wordt in de bodem geïnfiltreerd. Tevens is beoogd gevelbegroeiing op de kopgevels te plaatsen, wat zorgt voor waterretentie en verkoeling. iv. Om de biodiversiteit te vergroten worden er nestkasten in de dakrand en eventueel in de kopgevels aangebracht. Daarnaast wordt er gevelbegroeiing toegepast op de kopgevel.

Er kan geconcludeerd worden dat het plan in lijn is met de in de kadernota geformuleerde uitgangspunten.

28

4 Milieu- en omgevingsaspecten 4.1 Milieueffectrapportage De milieueffectrapportage (m.e.r.) is een hulpmiddel om bij diverse procedures het milieubelang een volwaardige plaats in de besluitvorming te geven. Een m.e.r. is verplicht bij de voorbereiding van plannen en besluiten van de overheid over initiatieven en activiteiten van publieke en private partijen die belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu kunnen hebben. De m.e.r. is wettelijk verankerd in hoofdstuk 7 van de Wet milieubeheer. Naast de Wet milieubeheer is het Besluit m.e.r. belangrijk om te kunnen bepalen of bij de voorbereiding van een plan of een besluit de m.e.r.-procedure moet worden doorlopen. Bij toetsing aan het Besluit m.e.r. zijn er vier mogelijkheden: a. b.

c.

d.

het plan of besluit is direct m.e.r.- plichtig; het plan of besluit bevat activiteiten uit kolom 1 van onderdeel D, en ligt boven de (indicatieve) drempelwaarden, zoals beschreven in kolom 2 ‘gevallen’, van onderdeel D. Het besluit moet eerst worden beoordeeld om na te gaan of er sprake is van m.e.r.-plicht: het besluit is dan m.e.r.beoordelingsplichtig. Voor een plan in kolom 3 ‘plannen’ geldt geen m.e.r.-beoordelingsplicht, maar direct een (plan-)m.e.r.-plicht; het plan of besluit bevat wel de activiteiten uit kolom 1, maar ligt beneden de drempelwaarden, zoals beschreven in kolom 2 ‘gevallen’, van onderdeel D: er dient in overleg met de aanvrager van het bijbehorende plan of besluit beoordeeld te worden of er aanleiding is voor het uitvoeren van een m.e.r.-beoordeling (als sprake is van een besluit) of het direct uitvoeren van een m.e.r. (als sprake is van een plan). Deze keuze wordt uiteindelijk in het bijbehorende plan of besluit gemotiveerd; de activiteit(en) of het betreffende plan en/of besluit worden niet genoemd in het Besluit m.e.r.: er geldt geen m.e.r.(-beoordelings)plicht.

Sinds 16 mei 2017 geldt er een directe werking van het Europees recht. Daarom is per 7 juli 2017 het gewijzigde Besluit m.e.r. in werking getreden. In de gewijzigde Besluit m.e.r. staat de nieuwe procedure voor de vormvrije m.e.r.-beoordeling. Voor elke aanvraag, waarbij een vormvrije m.e.r.-beoordeling aan de orde is, moet:

• •

door de initiatiefnemer een aanmeldingsnotitie worden opgesteld; het bevoegd gezag binnen 6 weken een m.e.r.-beoordelingsbesluit nemen. Dit besluit hoeft niet in de Staatscourant gepubliceerd te worden.

De artikelen 7.16 tot en met 7.20a Wm zijn in de nieuwe wetgeving voor alle in het Besluit m.e.r. genoemde activiteiten van de D-lijst van toepassing. Sinds 1 januari 2021 geldt voor gevallen onder de drempelwaarden (kolom 2) van onderdeel D van de bijlage bij het Besluit mer (informele mer-beoordeling) dat niet al bij de aanvraag om het merbeoordelingsplichtige besluit een mer-beoordelingsbesluit hoeft te worden gevoegd. De mer-beoordeling kan worden uitgevoerd, nadat de aanvraag is gedaan. De aanvraag moet worden afgewezen als uit de merbeoordeling blijkt dat een m.e.r. nodig is. De beslissing over de mer-beoordeling kan worden gemotiveerd bij het mer-beoordelingsplichtige besluit (een afzonderlijke mer-beoordelingsbesluit is derhalve niet nodig). Planspecifiek Uit toetsing aan het Besluit m.e.r. volgt dat het besluit tot vaststelling van voorliggend bestemmingsplan onder mogelijkheid c valt. Het besluit bevat namelijk wel een activiteit uit kolom 1 (de aanleg, wijziging of uitbreiding van een stedelijk ontwikkelingsproject met inbegrip van de bouw van winkelcentra of parkeerterreinen), maar er wordt niet voldaan aan de gegeven drempelwaarde van 2000 of meer woningen. De voorgenomen ontwikkeling omvat namelijk het vervangen van 90 bestaande woningen en het per saldo

29

toevoegen van 8 woningen. Er kan daarmee volstaan worden met een vormvrije m.e.r.-beoordeling. Deze vormvrije m.e.r.-beoordeling kan tot twee uitkomsten leiden: a. b.

belangrijke nadelige milieugevolgen zijn uitgesloten: er is geen m.e.r noodzakelijk; belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu zijn niet uitgesloten: er is een m.e.r. noodzakelijk.

Om dit inzichtelijk te maken is in de planvoorbereiding een aanmeldingsnotitie vormvrije m.e.r.-beoordeling opgesteld. Hieruit komt naar voren dat er geen belangrijke nadelige milieugevolgen optreden. Burgemeester en wethouders van de gemeente Zeist hebben op basis van deze aanmeldingsnotitie op 20 december 2023 besloten dat er geen m.e.r. nodig is. De aanmeldingsnotitie is bijgevoegd als bijlagen bij toelichting bijlage 2.

4.2 Bodem In het kader van een ruimtelijk plan dient aangetoond te worden dat de kwaliteit van de bodem en het grondwater in het plangebied in overeenstemming zijn met het beoogde gebruik. Dit is geregeld in de Wet bodembescherming. De bodemkwaliteit kan namelijk van invloed zijn op de beoogde functie van het plangebied. Indien sprake is van een functiewijziging is een bodemonderzoek noodzakelijk. Planspecifiek Bij een planologische functiewijziging naar een gevoeliger bodemgebruik dient aangetoond te worden dat de bodem geschikt is voor het beoogde gebruik. In de huidige situatie is het plangebied reeds in gebruik ten behoeve van wonen en is ook als zodanig bestemd. Een bodemonderzoek is daarmee in dit kader niet vereist. Wel is in het plangebied een voormalige sloot aanwezig. Deze deellocatie is verdacht op het voorkomen van bodemverontreiniging. Gelet op de omvang van het plangebied versus de omvang van de sloot is het niet de verwachting dat een eventuele bodemverontreiniging en saneringskosten de financiële haalbaarheid van het plan belemmeren.

4.3 Luchtkwaliteit In de Wet Milieubeheer gaat paragraaf 5.2 over luchtkwaliteit. Deze paragraaf vervangt het Besluit Luchtkwaliteit 2005 en staat ook wel bekend als de ‘Wet luchtkwaliteit’. De Wet luchtkwaliteit introduceert het onderscheid tussen 'kleine' en 'grote' projecten. Kleine projecten dragen 'niet in betekenende mate' (NIBM) bij aan de verslechtering van de luchtkwaliteit. Een paar honderd grote projecten dragen juist wel 'in betekenende mate' bij aan de verslechtering van de luchtkwaliteit. Het gaat hierbij vooral om bedrijventerreinen en infrastructuur (wegen). Wat het begrip 'in betekenende mate' precies inhoudt, staat in een de algemene maatregel van bestuur ‘Niet in betekenende mate bijdragen’ (Besluit NIBM). Op hoofdlijnen komt het erop neer dat 'grote' projecten die jaarlijks meer dan 3 % bijdragen aan de jaargemiddelde norm voor fijn stof (PM10) en stikstofdioxide (NO2) (1,2 μg/m³) een 'betekenend' negatief effect hebben op de luchtkwaliteit. 'Kleine' projecten die minder dan 3 % bijdragen, kunnen doorgaan zonder toetsing. Dat betekent bijvoorbeeld dat lokale overheden een woonwijk van minder dan 1.500 woningen niet hoeven te toetsen aan de normen voor luchtkwaliteit. Deze kwantitatieve vertaling naar verschillende functies is neergelegd in de 'Regeling niet in betekenende mate bijdragen'.

Een belangrijk onderdeel voor de verbetering van de luchtkwaliteit is het Nationale Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL). Binnen dit NSL, dat sinds 1 augustus 2009 in werking is, werken het Rijk, de provincies en gemeenten samen om de Europese eisen voor luchtkwaliteit te realiseren. Planspecifiek De voorgenomen ontwikkeling bestaat uit de sloop van de bestaande woningen, geschikt maken van de gronden en de aanleg van de nieuwe woningen. Het project is aan te merken als een project van 'niet in

30

betekenende mate'. Toetsing van het aspect luchtkwaliteit is daardoor, op grond van artikel 4 van de Regeling NIBM, niet noodzakelijk. In het kader van een goede ruimtelijke ordening is met behulp van de 'Atlas leefomgeving' gekeken naar de luchtkwaliteit in en rondom het plangebied. De achtergrondconcentraties over 2020 van fijnstof (PM10 en PM2,5) en stikstofdioxide (NO2) nabij het plangebied bedragen respectievelijk maximaal 16,3 μg/m³, 9,0 μg/m³ en 13,6 μg/m³. Daarmee wordt ruimschoots voldaan aan de wettelijke grenswaarden van 40 μg/m³ voor fijnstof PM10 en stikstofdioxide en 25 μg/m³ voor fijnstof PM2,5. Het aspect luchtkwaliteit vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van de voorgenomen ontwikkeling. Gesteld wordt dat het aspect luchtkwaliteit geen belemmering vormt voor de uitvoerbaarheid van de voorgenomen ontwikkeling.

4.4 Geluid De mate waarin het geluid, het woonmilieu mag belasten, is geregeld in de Wet geluidhinder (Wgh). De kern van de wet is dat geluidsgevoelige objecten worden beschermd tegen geluidhinder uit de omgeving. In de Wgh worden de volgende objecten beschermd (artikel 1 Wgh):

• •

woningen; geluidsgevoelige terreinen (bij algemene maatregel van bestuur als zodanig aangewezen terrein dat vanwege de bestemming of het gebruik daarvan bijzondere bescherming tegen geluid behoeft);

•

andere geluidsgevoelige gebouwen (bij algemene maatregel van bestuur als zodanig aangewezen gebouw dat vanwege de bestemming of het gebruik daarvan bijzondere bescherming tegen geluid behoeft, niet zijnde een woning).

Het beschermen van deze geluidsgevoelige objecten gebeurt aan de hand van vastgestelde zoneringen. De belangrijkste geluidsbronnen die in de Wet geluidhinder worden geregeld zijn: industrielawaai, wegverkeerslawaai en spoorweglawaai. De meest voorkomende vorm van geluidhinder is degene die wordt veroorzaakt door het wegverkeer. Zo stelt de wet dat in principe de geluidsbelasting op woningen de voorkeursgrenswaarde van 48 dB niet mag overschrijden. De voorkeursgrenswaarden is de waarde die zonder meer kan worden toegestaan. Indien nieuwe geluidsgevoelige functies worden toegestaan, stelt de Wet geluidhinder de verplichting akoestisch onderzoek te verrichten naar de geluidsbelasting ten gevolge van alle wegen, met uitzondering van 30 km/uur wegen, op een bepaalde afstand van de geluidsgevoelige functie(s). Indien na akoestisch onderzoek blijkt dat de grenswaarden van de gevelbelasting worden overschreden dient er een ontheffing te worden verkregen via een hogere voorkeursgrenswaarde procedure. De maximale ontheffingswaarde voor nieuw te bouwen woningen in stedelijk gebied is 63 dB. Beleidsregel hogere waarden Wet geluidhinder, gemeente Zeist De gemeente kan hogere geluidsniveaus bij nieuwe geluidsgevoelige bestemmingen zoals woningen niet altijd voorkomen. In deze beleidsregel zijn voorwaarden geformuleerd waarbinnen de gemeente deze hogere waarden toestaat.

De uitvoering wordt voor een deel door de Wet geluidhinder opgelegd en voor een deel door de gemeente ingevuld. Planspecifiek Een woning wordt in het kader van de Wet geluidhinder gezien als een gevoelig object. Doordat met voorliggend plan de realisatie van woningen is beoogd, dient beschouwd te worden of de geluidsbronnen uit de Wet geluidhinder belemmeringen vormen voor de planontwikkeling. Wegverkeer In de omgeving van het plangebied bevinden zich verschillende 30 km/u wegen. Daarmee heeft niet getoetst te worden aan de Wet geluidhinder, maar is in het kader van een goede ruimtelijke ordening toch

31

een akoestisch onderzoek wegverkeer uitgevoerd (Adviesburo VanderBoom, 22-139, d.d. 15 juni 2022, zie bijlagen bij toelichting bijlage 3). Uit dit onderzoek blijkt dat de geluidbelasting door wegverkeer op alle 30 km/u wegen samen ten hoogste 46 dB na aftrek van 5 dB ex art 110-g Wgh bedraagt. De voorkeursgrenswaarde van 48 dB wordt ook door de geluidbelasting van 30 km/u wegen niet overschreden. Bij het toetsen of sprake is van een goede ruimtelijke ordening is aangesloten bij het toetsingskader van de Wgh en het beleid van de gemeente. Omdat de geluidbelasting door alle wegen samen lager is dat de voorkeursgrenswaarde van 48 dB kan zonder maatregelen aan dit toetsingskader kan worden voldaan. Voor het aspect geluid zal sprake zijn van een goede ruimtelijke ordening als voor de woning daarnaast wordt voldaan aan de eisen voor de geluidwering conform het Bouwbesluit. De hoogste geluidbelasting op de gevels van de woningen bedraagt 51 dB zonder aftrek. Voor de geveldelen met een geluidbelasting van ten hoogste 53 dB zonder aftrek zijn geen voorzieningen noodzakelijk. De benodigde karakteristieke geluidwering GA;k voor de gevels van de woningen bedraagt 20 dB, wat de minimale waarde conform het Bouwbesluit is. Railverkeer- en industrielawaai In de nabijheid van het plangebied zijn geen spoorwegen en/of geluidgezoneerde industrieterreinen aanwezig.

Wel is geluid van omliggende bedrijven nog steeds van belang in het kader van milieuzonering. Deze toetsing van plaats in toelichting paragraaf 4.6. Conclusie Het aspect geluid vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van voorliggend plan. De mogelijke geluidhinder van de nabijgelegen school is wel een aandachtspunt (zie toelichting paragraaf 4.6).

4.5 Ecologie Bij ruimtelijke ingrepen dient rekening te worden gehouden met de natuurwaarden ter plaatse. Daarbij wordt onderscheid gemaakt tussen gebiedsbescherming en soortenbescherming. Gebiedsbescherming kan volgen uit de aanwijzing van een gebied. Wat betreft soortenbescherming is per 1 januari 2017 de Flora- en faunawet samen met de Boswet en Natuurbeschermingswet vervangen door de Wet natuurbescherming (Wnb). Onder de Wet natuurbescherming vervallen de tabellen 1, 2 en 3 waarin de beschermde soorten zijn opgenomen. Tevens zijn er circa 200 soorten niet langer beschermd en worden enkele bedreigde soorten toegevoegd. De soortenbescherming binnen de Wet natuurbescherming is opgedeeld in de volgende beschermingsregimes: Vogelrichtlijnsoorten, Habitatrichtlijnsoorten en andere soorten. Voor alle beschermde soorten geldt een ontheffingsplicht. Het bevoegd gezag (de provincie) kunnen voor de soorten die zijn opgenomen in het ‘beschermingsregime andere soorten’ vrijstellingbesluit nemen en hierin onderscheid maken tussen meer en minder strikt beschermde soorten. Daarnaast geldt voor iedereen in Nederland altijd, dus ook los van het voorliggende beoogde ruimtelijke project, dat de zorgplicht nageleefd moet worden bij het verrichten van werkzaamheden. Voor menig soort geldt dat indien deze zorgplicht nagekomen wordt een bepaald beoogd project uitvoerbaar is.

Soortmanagementplan Zeist De aanleiding voor het opstellen van een Soortenmanagementplan (hierna: SMP) wordt gevormd door enerzijds de gewenste verduurzaming van de woningvoorraad en anderzijds de belemmeringen die bescherming van soorten soms oplevert bij werkzaamheden als renovatie ten behoeve van energietransitie, planmatig onderhoud en herontwikkeling (sloop en/of nieuwbouw). Om ervoor te zorgen dat de benodigde werkzaamheden geen vertraging oplopen is een SMP opgesteld. Dit zorgt ervoor dat tegelijkertijd de bescherming van kwetsbare diersoorten gewaardborgd blijft. Op basis van het SMP heeft de gemeente Zeist voor huismus, gierzwaluw en gebouwbewonende vleermuizen ontheffing van de Wet natuurbescherming gekregen. Hierdoor kunnen wij initiatiefnemers machtigen om gebruik te maken van het SMP. Op die manier kunnen gebouweigenaren noodzakelijke projecten uitvoeren, zonder dat zij daarvoor een ontheffing van de Wet natuurbescherming nodig hebben.

32

Planspecifiek De herontwikkeling van een woonlocatie kan effecten sorteren op soorten en gebieden die bescherming onder de Wet natuurbescherming genieten. Navolgend worden de effecten van voorliggend initiatief beschouwd. Soortenbescherming De gemeente Zeist heeft de initiatiefnemer gemachtigd een beroep te doen op het SMP. Herontwikkeling is immers een van de genoemde doelen in het SMP. Er is bij voorliggend plan besloten over te gaan op herontwikkeling vanwege het lage rendement van de bestaande woningen en de beperkte mogelijkheden dit te verbeteren. Een van de voorwaarden aan het gebruik van het SMP is het treffen van maatregelen om de schade aan beschermde diersoorten te beperken en onvermijdelijke schade extra te herstellen. Om hieraan tegemoet te komen is samen met een ecoloog bekeken welke natuurinclusieve maatregelen benodigd zijn bij voorliggend plan. De maatregelen zijn vastgelegd in een werkprotocol. Uit de kaart bij het SMP bleek dat in het plangebied enkele nesten van huismussen aanwezig zijn. Daarom worden in de beoogde woningen nestkasten in de dakrand en de kopgevels verwerkt. Dit is weergegeven op navolgende afbeelding.

Impressie beoogde woningen met nestkasten

Gebiedsbescherming De planlocatie maakt geen deel uit van een beschermd gebied en/of locatie betreffende Natura 2000, Beschermd natuurmonument, Wetland, Nationaal Park, Nationaal Landschap of het Natuurnetwerk Nederland. Op een afstand van circa 10,5 km ligt het Natura 2000-gebied Oostelijke Vechtplassen. Negatieve effecten op de instandhoudingsdoelstellingen van Natura 2000-gebieden kunnen vanwege de omvang van het project echter niet uitgesloten worden. In dat kader is een AERIUS-berekening uitgevoerd voor zowel de gebruiks- als de aanlegfase (Buro SRO, d.d. 7 april 2023, zie bijlagen bij toelichting bijlage 4). Hieruit blijkt dat de stikstofdepositie ten gevolge van het project geen significante effecten op Natura 2000gebieden heeft. Voor de overige effecten (trillingen, geluid, optische verstoring, etc.) geldt dat de afstand tot de omliggende Natura 2000-gebieden per definitie te groot is om negatieve effecten te veroorzaken. Ten aanzien van het Natuurnetwerk Nederland geldt dat externe werking geen toetsingskader is. Het plan is in het kader van gebiedsbescherming uitvoerbaar. Conclusie Geconcludeerd kan worden dat de bepalingen van de Wet natuurbescherming geen belemmeringen vormen voor voorliggend initiatief.

33

4.6 Bedrijven en milieuzonering Het aspect bedrijven en milieuzonering gaat in op de invloed die bedrijven kunnen hebben op hun omgeving. Deze invloed is afhankelijk van de afstand tussen een gevoelige bestemming en de bedrijvigheid. Milieugevoelige bestemmingen zijn gebouwen en terreinen die naar hun aard bestemd zijn voor het verblijf van personen gedurende de dag of nacht of een gedeelte daarvan (bijvoorbeeld woningen). Daarnaast kunnen ook landelijke gebieden en/of andere landschappen belangrijk zijn bij een zonering tot andere, minder gevoelige, functies zoals bedrijven. Bij een ruimtelijke ontwikkeling kan sprake zijn van reeds aanwezige bedrijvigheid en van nieuwe bedrijvigheid. Milieuzonering zorgt er voor dat nieuwe bedrijven een juiste plek in de nabijheid van de gevoelige functie krijgen en dat de (nieuwe) gevoelige functie op een verantwoorde afstand van bedrijven komen te staan. Doel hiervan is het waarborgen van de veiligheid en het garanderen van de continuïteit van de bedrijven als ook een goed klimaat voor de gevoelige functie. Milieuzonering beperkt zich tot milieuaspecten met een ruimtelijke dimensie zoals: geluid, geur, gevaar en stof. De mate waarin de milieuaspecten gelden en waaraan de milieucontour wordt vastgesteld, is voor elk type bedrijvigheid verschillend.

De 'Vereniging van Nederlandse Gemeenten' (VNG) geeft sinds 1986 de publicatie 'Bedrijven en Milieuzonering' uit. In deze publicatie is een lijst opgenomen, met daarin de minimale richtafstanden tussen een gevoelige bestemming en bedrijven. Indien van deze richtafstanden afgeweken wordt dient een nadere motivatie gegeven te worden waarom dat wordt gedaan. Het belang van milieuzonering wordt steeds groter aangezien functiemenging steeds vaker voorkomt. Hierbij is het motto: 'scheiden waar het moet, mengen waar het kan'. Het scheiden van milieubelastende en milieugevoelige bestemmingen dient twee doelen:

•

het reeds in het ruimtelijk spoor voorkomen of zoveel mogelijk beperken van hinder en gevaar bij gevoelige bestemmingen;

•

het bieden van voldoende zekerheid aan de milieubelastende activiteiten (bijvoorbeeld bedrijven) zodat zij de activiteiten duurzaam, en binnen aanvaardbare voorwaarden, kunnen uitoefenen.

Planspecifiek Met de beoogde ontwikkeling worden er woningen gerealiseerd, die in het kader van milieuzonering gezien worden als een gevoelige functie. Er dient getoetst te worden of bedrijven in de omgeving niet beperkt worden in hun mogelijkheden en er ter plaatse van de woningen sprake is van een goed woon- en leefklimaat. Rondom het plangebied bevinden zich, gebaseerd op de geldende bestemmingsplannen, voornamelijk woonbestemmingen en enkele maatschappelijke bestemmingen. Gezien deze beperkte diversiteit aan bestemmingen is het gebied aan te merken als monofunctioneel woongebied. In een dergelijk gebied dienen de reguliere richtafstanden aangehouden te worden. In navolgende tabel zijn de relevante bedrijfslocaties weergegeven. Bedrijf

Adres

Milieucat.

Richtafstand (m)

School

Laan van Cattenbroek 76 Filips van Bourgondielaan 2 Cornelis Schellingerlaan 110

2

30

Kortste afstand tot plangebied 0m

1

10

57 m

n.v.t.

n.v.t.

42 m

Snackbar Speeltuin

Montessorischool Griffensteyn Direct ten zuiden van het plangebied bevindt zich de Montessorischool Griffensteyn. Een school wordt in de VNG-richtafstandenlijst als milieubelastende functie aangemerkt. Er dient daarom beschouwd te worden of de school een belemmering vormt voor een goed woon- en leefklimaat bij de beoogde woningen.

34

De school is een inrichting in de zin van de Wet milieubeheer en moet zich houden aan de voorschriften van het Activiteitenbesluit. De richtafstand, die volgt uit de VNG-brochure, voor voorliggend initiatief bedraagt 30 m voor het aspect geluid. Omdat een deel van de woningen binnen deze richtafstand valt dient beschouwd te worden of dit belemmeringen vormt voor de voorgenomen ontwikkeling. Stemgeluid van spelende kinderen wordt in het Activiteitenbesluit buiten beschouwing gelaten, waardoor de school niet wordt belemmerd in haar bedrijfsvoering. Wel dient een goed woon- en leefklimaat bij de beoogde woningen te worden aangetoond. In dit kader is een akoestisch onderzoek industrielawaai uitgevoerd (Adviesburo VanderBoom, 22-251, d.d. 24 december 2022, zie bijlagen bij toelichting bijlage 5). Navolgend zijn de conclusies van dit onderzoek beschreven.

Rekenmodel met rekenpunten (bron: Adviesburo VanderBoom)

- Resultaten Volgens stap 2 van het toetsingskader voor geluid is inpassing mogelijk indien het langtijdgemiddelde beoordelingsniveau niet hoger is dan de richtwaarde van 45 dB(A) in de dagperiode. Deze richtwaarde voor het langtijdgemiddelde beoordelingsniveau wordt onder de gebruikte uitgangspunten bij de woningen overschreden. De richtwaarde voor het maximale geluidniveau van 65 dB(A) wordt onder de gebruikte uitgangspunten overschreden. - Ruimtelijke toets De geluidbelasting door spelende kinderen op de nabijgelegen nieuwe woningen is onvoldoende laag om een goed (aanvaardbaar) woon- en leefklimaat te garanderen. - Maatregelen en binnenniveaus Om de geluidbelasting op de nieuwe woningen ten gevolge van de school te reduceren zijn de volgende maatregelen denkbaar:

• •

Beperken van de bron (emissie); dit is geen realistische optie aangezien de school al aanwezig is. Beperken van de geluidoverdracht naar de omgeving: dit kan door bijvoorbeeld aan de noordzijde van het schoolplein een afscherming te plaatsen; daarmee zullen echter vooral de tuinen en de woonlaag op de begane grond worden beschermd. De geluidbelasting op de nieuwe woningen op verdiepingshoogte neemt pas af bij grote schermhoogtes (> 3-4 m).

35

•

Beperking binnenniveaus: bij hoge gemiddelde en maximale geluidniveaus buiten op de gevel kunnen de binnenniveaus worden gegarandeerd. Conform het Activiteitenbesluit mogen de (maatgevende) maximale geluidniveaus binnen overdag niet hoger zijn dan 55 dB(A); dat vergt dus een geluidwering van de hoogst belaste gevel (punt 5) van minimaal 80 – 55 = 25 dB(A), hetgeen haalbaar is (mechanische ventilatie, goede beglazing en kierdichting). Uitgaande van een goede geluidwering zal dan sprake zijn van een goed woon- en leefklimaat.

- Stap 3 en 4 VNG brochure Wanneer stap 3 wordt genomen (zie hoofdstuk 1) dan ontstaat er 5 dB(A) geluidruimte, maar kan nog niet aan de richtwaarden worden voldaan. Dat kan wel in stap 4. Cumulatie van geluid moet dan ook in beschouwing worden genomen. - Dove gevels Een gevel waarin geen te openen delen aanwezig zijn en die een karakteristieke geluidwering heeft die gelijk is aan het verschil tussen de geluidbelasting en 33 cq 35 dB(A) of een gevel met te openen delen niet grenzend aan een geluidgevoelige ruimte heten dove gevels (Wet geluidhinder) en kunnen buiten toetsing aan de grenswaarden uit het Activiteitenbesluit vallen. Dit kan van toepassing zijn op bijvoorbeeld de rekenpunten 5 en 8. - Concrete maatregelen Uit de rapportage blijkt dat het langtijdgemiddelde beoordelingsniveau op de nieuwe woningen op 5 m hoogte overdag maximaal 60 dB(A) bedraagt. Wanneer de punten 5 en 8 buiten beschouwing worden gelaten (kopgevels) ligt de geluidbelasting op hooguit 58 dB(A). De maximale geluidniveaus liggen overdag – zonder deze kopgevels – op 78 dB(A). Om deze niveaus te beperken kan een afscherming worden geplaatst aan de noordzijde van het schoolplein, tussen de bestaande gebouwen. Het effect van deze afscherming is doorgerekend en beschreven in een notitie (VanderBoom, 22-251, d.d. 5 december 2022, zie bijlagen bij toelichting bijlage 6).

Een afscherming heeft vooral effect op de achtergevels en tuinen van een aantal woningen bij de punten 6 en 7. Daar daalt de geluidbelasting op 1.5 m hoogte tot (ruim) onder de 50 dB(A). Ook de piekniveaus dalen daar fors tot ruim onder de 70 dB(A). Voor de overige punten en op 5 m hoogte heeft de afscherming vrijwel geen effect. Omdat een afscherming een duidelijk positief effect heeft op de geluidbelasting op de achtergevels en in tuinen van de woningen die het dichtst bij de school liggen, wordt het realiseren van een geluidscherm vastgelegd in voorliggend bestemmingsplan middels een voorwaardelijke verplichting. Op begane grondniveau ligt de geluidbelasting bij een minimaal 2 m hoge afscherming in geen enkel punt (buiten punten 5 en 8) hoger dan 53 dB(A) en de piekniveaus niet hoger dan 76 dB(A) (punt 4). Om aan de binneneisen van 35 en 55 dB(A) voor respectievelijk LAr,lt en LAmax te voldoen is een geluidwering van 21 dB(A) voldoende; dit kan met eenvoudige geluidwerende maatregelen worden gerealiseerd: dubbel glas, goede kierdichting en (wellicht) geluidgedempte ventilatie. Op 5 m hoogte is een geluidwering van 23 dB(A) voldoende. Ook dit kan met eenvoudige geluidwerende maatregelen worden gerealiseerd.

Om zeker te stellen dat deze maatregelen getroffen worden is in voorliggend bestemmingsplan middels een voorwaardelijke verplichting vastgelegd dat de binnenwaarden bij de woningen moeten voldaan aan de geluidniveaus uit artikel 2.17 van het Activiteitenbesluit. Omdat de gevels met rekenpunten 5 en 8 op korte afstand van het schoolterrein staan, en de geluidbelasting op 5 m hoogte hier nog boven de richtwaarde ligt, wordt ervoor gekozen deze gevels uit te voeren als dove gevel. Ook dit is vastgelegd in de voorwaardelijke verplichting. Met voornoemde maatregelen kan nog niet worden voldaan aan de grenswaarden uit stap 1, 2 en 3 van de VNG. Bij een hogere geluidbelasting dan aangegeven in stap 3 is buitenplanse inpassing veelal niet mogelijk. Desalniettemin kan het bevoegd gezag tot inpassing overgaan (stap 4), maar dit dient goed te worden onderzocht, onderbouwd en gemotiveerd. Tevens dient de cumulatie met eventueel reeds aanwezige geluidbelasting worden betrokken. Uit het akoestisch onderzoek wegverkeerslawaai, dat aan bod is gekomen in toelichting paragraaf 4.4, bleek dat de geluidbelasting door wegverkeer op alle 30 km/u wegen samen ten hoogste 46 dB na aftrek van 5 dB ex art 110-g Wgh bedraagt. De geluidbelasting door de school is daarmee in alle punten maatgevend. Volgens de methode Miedema ligt de cumulatieve geluidbelasting dan ca.

1-2 dB(A) hoger dan alleen de geluidbelasting van de school. Er zijn geen normen

36

voor cumulatieve geluidbelasting, maar deze ligt daarmee maar beperkt hoger dan de geluidbelasting van de school. Omdat daarnaast de beoogde situatie in stedenbouwkundige structuur grotendeels overeenkomt met de huidige situatie wordt de hogere geluidbelasting dan aangegeven in stap 3 aanvaardbaar geacht. Bovendien komen veel van de huidige bewoners weer op dezelfde plek te wonen. Zij zijn bekend met het geluid van de school. Verder worden de toekomstige bewoners van de woningen in de geluidcontour van de school goed geïnformeerd over het geluid. Speeltuin Griffensteijn Een speeltuin is geen inrichting zoals bedoeld in de VNG-richtafstandenlijst of het Activiteitenbesluit. Desalniettemin dient een dergelijke functie beschouwd te worden in het kader van een goede ruimtelijke ordening. In de praktijk komen de effecten van speeltuinen hoofdzakelijk neer op overlast van stemgeluid. Er bevinden zich reeds woningen op zeer korte afstand van de speeltuin, ook tussen het plangebied en de speeltuin. Gezien dit gegeven, en het feit dat de beoogde woningen op ruime afstand liggen, is er geen overlast van de speeltuin te verwachten. Conclusie Gezien het bovenstaande kan geconcludeerd worden dat het aspect bedrijven en milieuzonering een belemmering vormt voor de beoogde ontwikkeling.

Om te borgen dat er voldaan wordt aan het Activiteitenbesluit en om de geluidbelasting te reduceren zijn in voorliggend bestemmingsplan twee dove gevels, maatregelen aan de gevel en een geluidwerende schutting verplicht gesteld.

4.7 Externe veiligheid Sommige activiteiten brengen risico's op zware ongevallen met mogelijk grote gevolgen voor de omgeving met zich mee. Externe veiligheid richt zich op het beheersen van deze risico's. Het gaat daarbij om onder meer de productie, opslag, transport en het gebruik van gevaarlijke stoffen. Dergelijke activiteiten kunnen een beperking opleggen aan de omgeving. Door voldoende afstand tot de risicovolle activiteiten aan te houden kan voldaan worden aan de normen. Aan de andere kant is de ruimte schaars en het rijksbeleid erop gericht de schaarse ruimte zo efficiënt mogelijk te benutten. Het ruimtelijk beleid en het externe veiligheidsbeleid moeten dus goed worden afgestemd. De wetgeving rond externe veiligheid richt zich op de volgende risico’s:

• • •

risicovolle (Bevi-)inrichtingen; vervoer gevaarlijke stoffen door buisleidingen; vervoer gevaarlijke stoffen over weg, water of spoor.

Daarnaast wordt er in de wetgeving onderscheid gemaakt tussen de begrippen kwetsbaar en beperkt kwetsbaar en plaatsgebonden risico en groepsrisico. Kwetsbaar en beperkt kwetsbaar Kwetsbaar zijn onder meer woningen, onderwijs- en gezondheidsinstellingen, kinderopvang- en dagverblijven en grote kantoorgebouwen (>1.500 m²). Beperkt kwetsbaar zijn onder meer kleine kantoren, winkels en horeca. De volledige lijst wat onder (beperkt) kwetsbaar wordt verstaan is in het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) opgenomen. Plaatsgebonden risico en groepsrisico Het plaatsgebonden risico wordt uitgedrukt in een contour van 10-6 als grenswaarde. Het realiseren van kwetsbare objecten binnen deze contour is niet toegestaan. Het realiseren van beperkt kwetsbare objecten binnen deze contour is in principe ook niet toegestaan. Echter, voor beperkte kwetsbare objecten is deze 10-6 contour een richtwaarde. Mits goed gemotiveerd kan worden afgeweken van deze waarde tot de 10-5 contour.

37

Het groepsrisico is gedefinieerd als de cumulatieve kansen per jaar dat ten minste 10, 100 of 1.000 personen overlijden als rechtstreeks gevolg van hun aanwezigheid in het invloedsgebied van een inrichting en een ongewoon voorval binnen die inrichting waarbij een gevaarlijke stof betrokken is. Het groepsrisico wordt niet in contouren vertaald, maar wordt weergegeven in een grafiek. In de grafiek wordt de groepsgrootte van aantallen slachtoffers (x-as) uitgezet tegen de cumulatieve kans dat een dergelijke groep slachtoffer wordt van een ongeval (y-as). Voor het groepsrisico geldt geen grenswaarde, maar een zogenaamde oriëntatiewaarde. Daarnaast geldt voor het groepsrisico een verantwoordingsplicht. Het bevoegd gezag moet aangeven welke mogelijkheden er zijn om het groepsrisico in de nabije toekomst te beperken, het moet aangeven op welke manier hulpverlening, zelfredzaamheid en bestrijdbaarheid zijn ingevuld. Het bevoegd gezag moet tevens aangeven waarom de risico's verantwoord zijn, en de veiligheidsregio moet in de gelegenheid zijn gesteld een brandweeradvies te geven. Hierbij geldt hoe hoger het groepsrisico, hoe groter het belang van een goede groepsrisicoverantwoording.

Planspecifiek Voor de beoordeling of in de omgeving van het plangebied risicovolle inrichtingen, buisleidingen en/of transportroutes voor gevaarlijke stoffen aanwezig zijn is de risicokaart van de Atlas Leefomgeving geraadpleegd. De volgende afbeelding toont een uitsnede van de risicokaart:

Uitsnede Atlas Leefomgeving (plangebied zwarte omkadering).

Uit de risicokaart blijkt dat er in de omgeving van het plangebied geen risicovolle inrichtingen, transportroutes en/of buisleidingen aanwezig zijn. Het aspect externe veiligheid vormt geen belemmering voor onderhavig plan.

4.8 Water Het aspect water is van groot belang binnen de ruimtelijke ordening. Door verstandig om te gaan met het water kan verdroging en wateroverlast (waaronder ook risico van overstromingen e.d.) voorkomen worden en de kwaliteit van het water hoog gehouden worden.

38

4.8.1 Generiek beleid Op Rijksniveau zijn de laatste jaren veel plannen en wetten gemaakt met betrekking tot water. De belangrijkste hiervan zijn het Waterbeleid voor de 21e eeuw, de Waterwet en het Nationaal Waterplan. Waterbeleid voor de 21e eeuw De Commissie Waterbeheer 21e eeuw heeft in augustus 2000 advies uitgebracht over het toekomstige waterbeleid in Nederland. De adviezen van de commissie staan in het rapport 'Anders omgaan met water, Waterbeleid voor de 21ste eeuw' (WB21). De kern van het rapport WB21 is dat water de ruimte moet krijgen, voordat het die ruimte zelf neemt. In het Waterbeleid voor de 21e eeuw worden twee principes(drietrapsstrategieën) voor duurzaam waterbeheer geïntroduceerd:

•

•

Vasthouden, bergen en afvoeren: dit houdt in dat overtollig water zoveel mogelijk bovenstrooms wordt vastgehouden in de bodem en in het oppervlaktewater. Vervolgens wordt zo nodig het water tijdelijk geborgen in bergingsgebieden en pas als vasthouden en bergen te weinig opleveren wordt het water afgevoerd. Schoonhouden, scheiden en zuiveren: hier gaat het erom dat het water zoveel mogelijk schoon wordt gehouden. Vervolgens worden schoon en vuil water zoveel mogelijk gescheiden en als laatste komt het zuiveren van verontreinigd water aan bod.

Waterwet Centraal in de Waterwet staat een integraal waterbeheer op basis van de ‘watersysteembenadering’. Deze benadering gaat uit van het geheel van relaties binnen watersystemen. Denk hierbij aan de relaties tussen waterkwaliteit, -kwantiteit, oppervlakte- en grondwater, maar ook aan de samenhang tussen water, grondgebruik en watergebruikers. Het doel van de Waterwet is het integreren van acht bestaande wetten voor waterbeheer. Door middel van één watervergunning regelt de wet het beheer van oppervlaktewater en grondwater en de juridische implementatie van Europese richtlijnen, waaronder de Kaderrichtlijn Water. Via de Waterwet gelden verschillende algemene regels. Niet alles is onder algemene regels te vangen en daarom is er de integrale watervergunning. In deze integrale watervergunning zijn zes vergunningen uit eerdere wetten (inclusief keurvergunning) opgegaan in één aparte watervergunning. Nationaal Waterplan Op basis van de Waterwet is het Nationaal Waterplan vastgesteld door het kabinet. Het Nationaal Waterplan geeft op hoofdlijnen aan welk beleid het Rijk in de periode 2016 - 2021 voert om te komen tot een duurzaam waterbeheer. Het Nationaal Waterplan richt zich op bescherming tegen overstromingen, beschikbaarheid van voldoende en schoon water en de diverse vormen van gebruik van water.

Het geeft maatregelen die in de periode 2016 - 2021 genomen moeten worden om Nederland ook voor toekomstige generaties veilig en leefbaar te houden en de kansen die water biedt te benutten.

4.8.2 Beleid HDSR en gemeente Zeist Waterbeheerprogramaa 2022-2027 Op 22 december 2021 heeft het algemeen bestuur het 'Waterbeheerprogramma 2022 - 2027' vastgesteld. Het waterbeheerprogramma is een koersdocument, waarbij 'stroomopwaarts' centraal staat, oftewel voorbereiden op de toekomst en pro-actieve samenwerking vanaf het begin van het proces. Het hoogheemraadschap heeft de ambitie om bij de start van ruimtelijke ontwikkelingen water een meer sturende rol te geven voor een toekomstbestendige leefomgeving. Hierbij wordt extra ingezet op de volgende thema's:

• • • •

Zuiver afvalwater, energieneutraal en circulair Robuust en gezond watersysteem in een klmimaatbestendig gebied Waterveilige leefomgeving Waterbewust leven en genieten van water

39

Door verschillende opgaven neemt de druk op de fysieke ruimte toe, waardoor een multifunctioneel ruimtegebruik essentieel is. Door klimaatverandering en maatschappelijke ontwikkelingen veranderen de wateropgaven fundamenteel, wat een andere rol van het hoogheemraadschap vraagt. Het beheergebied van het waterschap is divers, van het natte veenweidegebied in het westen, via het stedelijke middengebied tot de hogere zandgronden in het oosten. Per deelgebied zijn de wateropgaven verschillend. Navolgend staan per deelgebied de belangrijkste opgaven beschreven.

•

•

•

Veenweidegebied. Het veenweidegebied is een door de mens gemaakt landschap. Door veenoxidatie vindt bodemdaling en een hoge CO₂-uitstoot plaats. Het watersysteem kan met name in het Oude Rijngebied de klimaatverandering moeilijk opvangen, hier is een robuuster watersysteem en een meer klimaatbestendige inrichting nodig. Stedelijk middengebied. Het stedelijk middengebied met de steden Utrecht, Nieuwegein, Houten en IJsselstein is een dynamisch gebied. De komende decennia komen hier veel ontwikkelingen en opgaven samen. Ontwerpen met water dient een prominentere rol te krijgen in gebiedsontwikkelingen en de openbare ruimte, zoals bij locatiekeuzes en planvorming van nieuwe bouwlocaties. Kromme Rijngebied en Utrechtse Heuvelrug. Het gebied ten oosten van Utrecht kenmerkt zich door de aanwezigheid van boomgaarden met fruit, de meanderende Kromme Rijn en het Eiland van Schalkwijk. De droge zomers van de afgelopen jaren hebben laten zien dat voor dit gebied een robuuste strategie nodig is om zowel de hoge als de lage delen van het Kromme Rijngebied klimaatbestendig te maken. Het hoogheemraadschap steunt het gericht omzetten van naaldbos in loofbos (verloofing) om de verdamping af te laten nemen en daarmee de verdroging tegen te gaan en de grond- en drinkwatervoorraad toe te laten nemen.

Ruimtelijke adaptatie Het klimaat verandert. Hogere temperaturen, een sneller stijgende zeespiegel, nattere winters, heftigere buien en kans op drogere zomers. Daar moeten we, ook volgens het KNMI, in de toekomst in Nederland rekening mee houden. De verwachting van het KNMI is dat het klimaat in Nederland in 2050 ongeveer overeen zal komen met het huidige klimaat in Zuid-Frankrijk. Maar ook nu al is de klimaatverandering merkbaar. Extreme neerslag, droogte en hitte kunnen leiden tot maatschappelijke ontwrichting. Dit geeft aanleiding om aanpassing van de inrichting van de bebouwde omgeving aan het veranderende klimaat te agenderen en aan te werken. Dit beleid is vorig jaar vastgelegd in de Deltabeslissing voor Nederland. In de deltabeslissing Ruimtelijke adaptatie heeft het Deltaprogramma voorstellen opgenomen om de ruimtelijke inrichting van Nederland klimaatbestendig en waterrobuust te maken. Klimaatverandering heeft effecten op grote schaal maar ook op de kleine schaal van een stad. Door de toenemende hoeveelheid verharding in steden wordt het steeds moeilijker om water makkelijk weg te krijgen. Door het grootschalig verharden van tuinen van particulieren neemt de kans op wateroverlast toe. Alle overheden en marktpartijen zijn daar samen verantwoordelijk voor. De Deltabeslissing Ruimtelijke Adaptatie heeft als doel:

• •

de bebouwde omgeving is in 2050 nog steeds aantrekkelijk om te leven; uiterlijk in 2020 zijn ruimtelijke ingrepen klimaatbestendig opgebouwd en getoetst.

Waterplan Zeist In 2004 is een integraal waterplan voor de gemeente Zeist vastgesteld. Dit plan is een samenwerking tussen gemeente, hoogheemraadschap De Stichtse Rijnlanden, Hydron Midden Nederland en provincie Utrecht. Met dit plan wordt beoogd de effectiviteit en efficiëntie van het water(keten)-beheer in Zeist te verhogen. Dit heeft betrekking op zowel waterkwaliteit als waterkwantiteit.

40

4.8.3 Watertoets De 'watertoets' is een instrument dat waterhuishoudkundige belangen expliciet en op evenwichtige wijze laat meewegen bij het opstellen van ruimtelijke plannen en besluiten. Het is geen technische toets maar een proces dat de initiatiefnemer van een ruimtelijk plan en de waterbeheerder met elkaar in gesprek brengt in een zo vroeg mogelijk stadium. In de waterparagraaf worden de watertoets en de uitkomsten van een eventueel overleg opgenomen. Planspecifiek In het kader van de voorgenomen ontwikkelingen is de digitale watertoets uitgevoerd (dewatertoets.nl, d.d. 14 september 2022). Hoogheemraadschap De Stichtse Rijnlanden (hierna: HDSR) is via deze weg op de hoogte gebracht van de plannen. Uit de digitale analyse blijkt dat er geen grote waterbelangen zijn. De ruimtelijke ontwikkeling voldoet aan de belangrijkste minimale voorwaarde: "het standstill beginsel". Dit beginsel houdt in dat door het plan geen verslechtering van de waterhuishouding ontstaat. Desalniettemin worden navolgend de relevante wateraspecten beschouwd. In de huidige situatie is het plangebied grotendeels verhard door de woningen en bijbehorende tuinverharding. Er wordt beoogd in de toekomstige situatie de ruimte achter de woningen zo groen mogelijk in te richten. Daarmee neemt de oppervlakte aan verhard oppervlak niet toe en is watercompensatie niet vereist.

Naast het uitvoeren van de digitale watertoets is het plan tevens getoetst aan de Handreiking watertoets van HDSR. Hierin geeft het waterschap enkele onderwerpen die het graag ziet in de waterparagraaf. Deze onderwerpen zijn voor voorliggend plan van mindere mate relevant, omdat het gaat om een plangebied waar geen oppervlaktewateren of waterkeringen aanwezig zijn, waardoor het plan geen negatief effect sorteert op deze onderdelen. De afvoer van afvalwater- en hemelwater wordt ontkoppeld. Het afvalwater wordt afgevoerd via het gemeentelijk riool. Er wordt daarbij geen gebruik gemaakt van uitlogende bouwmaterialen. Hierbij zal er voldaan worden aan het gemeentelijk rioleringsplan (GRP). Het GRP Zeist 2016-2021 bevat het gemeentelijk beleid ten aanzien van waterbeheer. Hemelwater infiltreert in de bodem. De gemeente Zeist heeft de ambitie dat ruimtelijke ontwikkelingen voorzien in de aanleg van een waterberging van ten minste 45 liter per vierkante meter bebouwd of anderszins verhard oppervlak. Er is daarom in een waterhuishoudkundig plan beschouwd op welke manier het plan aan deze ambitie kan voldoen (Waterpas, 22.037-RIO-01, d.d. 18 november 2022, zie bijlagen bij toelichting bijlage 7). Uit een gebiedsanalyse en berekeningen zijn maatregelen voor het HWA(hemelwaterafvoer) en DWA- (afvalwater) stelsel voortgekomen.

Het HWA-stelsel bestaat uit verlaagde groenvakken en een HWA-riool. De aansluiting op het gemengde hoofdriool onder de Ridderschapslaan bestaat uit het hemelwater dat via het kolken/verzamelstelsel en de verlaagde groenvakken in het HWA-riool terecht komt. De aanwezigheid van een interne overstort zorgt dat de neerslag tijdelijk op eigen terrein geborgen wordt, wat het gemeentelijk stelsel ten tijde van neerslag ontlast. Het ontworpen stelsel voldoet aan de eis om 45 liter te bergen per vierkante meter verharding. Voor het DWA-stelsel is worden de huisaansluitingen direct aangesloten op het gemengde hoofdriool. Daarbij varieert de aansluiting per woning. De verantwoordelijkheid voor de afvoer van neerslag die valt binnen de woonpercelen ligt bij de verhuurder. De regenpijpen bevinden zich aan de achterzijde van de woningen en blijven boven maaiveldniveau. Door middel van een regenton of groene inrichting kan het water worden opgevangen en geïnfiltreerd in de ondergrond. Vanuit het aspect water zijn er geen belemmeringen voor de uitvoerbaarheid van het voorgenomen plan.

41

4.9 Cultureel erfgoed 4.9.1 Archeologie In 1992 is in Valletta (Malta) het Europees Verdrag inzake de bescherming van het archeologisch erfgoed (Verdrag van Malta) ondertekend. Het Verdrag van Malta voorziet in bescherming van het Europees archeologisch erfgoed onder meer door de risico's op aantasting van dit erfgoed te beperken. Per 1 juli 2016 is de Erfgoedwet ingegaan totdat de Omgevingswet in werking treedt. De Erfgoedwet bundelt bestaande wet- en regelgeving voor behoud en beheer van het cultureel erfgoed in Nederland. Onder andere de Monumentenwet is hierin opgegaan. Op basis van de Erfgoedwet zijn mogelijke (toevals)vondsten bij het verrichten van werkzaamheden in de bodem altijd beschermd. Artikel 5.10 lid 1 van de Erfgoedwet stelt namelijk: 'Degene die anders dan bij het verrichten van opgravingen een vondst doet waarvan hij weet dan wel redelijkerwijs moet vermoeden dat het een archeologische vondst betreft, meldt dit zo spoedig mogelijk bij Onze Minister'. Om praktische redenen kan deze melding gedaan worden bij de gemeente. De melding dient vergezeld te gaan van een foto van de vondst en gegevens over de exacte locatie van de vondst. Daarnaast regelt de wet dat bij verstoring van de ondergrond archeologisch onderzoek noodzakelijk kan zijn voor het bepalen van de aanwezigheid van archeologische resten/monumenten.

Hierbij kunnen beschermingsmaatregelen opgelegd worden zoals behoud in situ of een opgraving voor documentatie en berging van de resten. Gemeenten kunnen middels eigen beleid invulling geven aan bescherming van archeologisch erfgoed. Planspecifiek In het plangebied geldt volgens de gemeentelijke waardenkaart een lage archeologische verwachting, zie onderstaande afbeelding. Dit betekent dat bij bodemingrepen die groter dan 10 ha zijn en dieper dan 30 cm beneden het maaiveld reiken in een vroegtijdig stadium archeologisch onderzoek moet plaatsvinden, zodat de mogelijkheid tot inpassen van eventuele archeologische waarden binnen de planvorming mogelijk blijft. De vrijstellingsgrenzen worden met de voorgenomen ontwikkeling niet overschreden. Een archeologisch onderzoek kan daarmee achterwege blijven.

Archeologische beleidskaart Zeist

Er kan geconcludeerd worden dat het aspect archeologie geen belemmeringen voor de voorgenomen ontwikkeling vormt.

42

4.9.2 Cultuurhistorie Goede ruimtelijke ordening betekent dat er een integrale afweging plaatsvindt van alle belangen die effect hebben op de kwaliteit van de ruimte. Een van die belangen is de cultuurhistorie. Ruimtelijke plannen zijn een belangrijk instrument om cultuurhistorische waarden in een gebied te beschermen. Per 1 januari 2012 is in het kader van de modernisering van de monumentenzorg (MOMO) in het Besluit ruimtelijke ordening van het Rijk opgenomen dat gemeenten bij het maken van ruimtelijke plannen rekening moeten houden met cultuurhistorische waarden. Planspecifiek Uit toelichting paragraaf 1.3 bleek dat het plangebied is voorzien van de dubbelbestemming 'Waarde Cultuurhistorie-2'. Met deze dubbelbestemming is aangegeven dat de cultuurhistorische waarden prioriteit genieten boven de andere bestemmingen en ter bescherming van die waarden een ‘omgevingsvergunning voor de uitvoering van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden’ (voorheen aanlegvergunning) geldt. Het uitvoeren van werken en werkzaamheden, en het bouwen van gebouwen en bouwwerken die niet bijdragen de cultuurhistorische waarde van het gebied is alleen mogelijk als vooraf de Commissie Ruimtelijke Kwaliteit is geraadpleegd en de monumentale belangen niet onevenredig worden geschaad.

De woningen in onderhavig plangebied zijn cultuurhistorisch waardevol doordat ze gerealiseerd zijn tijdens de wederopbouw en karakteristiek zijn voor die tijd. De woningen stammen uit het bouwjaar 1950 en zijn in december 1988 aangewezen als gemeentelijk monument. Niet alleen de woningen zijn cultuurhistorisch waardevol, ook de stedenbouwkundige structuur van het gebied heeft cultuurhistorische waarde. Deze structuren staan dan ook op de lijst van gemeentelijke monumentale structuren. De beschermde status, die vooral op de stedenbouwkundige structuur slaat, is in het geldende bestemmingsplan bevestigd door de dubbelbestemming 'Waarde - Cultuurhistorie-2' toe te kennen. Ter plaatse van de binnentuin is de dubbelbestemming komen te vervallen. De beschermde status heeft immers alleen betrekking op de stedenbouwkundige structuur, en niet op de binnentuin. Ten behoeve van voorliggende ontwikkeling is per besluit van het college van B&W de monumentale status van de woningen verwijderd. Op navolgende afbeelding is een overzicht van de monumentale status van de arbeiderswoningen in de wijk Griffensteijn weergegeven.

Overzicht monumentale status woningen Griffensteijn

43

Doordat de monumentale status van de woningen is opgeheven zijn ingrepen aan de gebouwen toegestaan. Desalniettemin zijn in een kadernotitie de randvoorwaarden vastgelegd (zie toetsing toelichting paragraaf 3.3.7) waaraan het ontwerp van de wijk dient te voldoen. Een van de uitgangspunten is dat de nieuwe woningen in stijl aan moeten sluiten op de bestaande woningen. Op basis van deze notitie is het ontwerp, zoals weergegeven in toelichting paragraaf 2.2, tot stand gekomen. Ondanks dat de woningen geen monumentale status meer hebben, staat de stedenbouwkundige structuur nog steeds op de lijst van gemeentelijke monumentale structuren. Daarom is de dubbelbestemming 'Waarde - Cultuurhistorie-2' gehandhaafd op het gebied tussen de voorgevelrooilijnen van de toekomstige woningen aan de Ridderschapslaan en langs de voorgevelrooilijnen van de woningen aan de Jacoba van Beierenlaan. Er kan geconcludeerd worden dat het aspect cultuurhistorie geen belemmering vormt voor het planvoornemen.

4.10 Verkeer en parkeren Onderdeel van een goede ruimtelijke ordening is het effect van een beoogd nieuw project op de verkeersstructuur en het parkeren in en rondom het plangebied.

4.10.1 Verkeer Voor het maken van een inschatting van de hoeveelheid autoverkeer dat wordt gegenereerd bij ruimtelijke ontwikkelingen, zijn kencijfers verkeersgeneratie ontwikkeld. Onder verkeersgeneratie wordt hierbij verstaan de totale hoeveelheid gemotoriseerd verkeer (exclusief openbaar vervoer) die gedurende een gekozen tijdsperiode naar de beoogde ontwikkeling toe rijdt en hiervan wegrijdt. Het nationale kennisplatform voor infrastructuur, verkeer, vervoer en openbare ruimte (CROW) geeft in publicatie 381 'Toekomstbestendig parkeren, van parkeerkencijfers naar parkeernormen' kencijfers voor verkeersgeneratie. In de richtlijnen wordt onderscheid gemaakt op basis van de functie van de ontwikkeling (wonen, bedrijf, etc.) en op basis van de locatiekenmerken. Zodoende kan bij ruimtelijke ontwikkelingen voor vrijwel elke locatie een goed beeld worden verkregen wat de totale verkeersaantrekkende werking bedraagt. Gemeentelijk beleid Op 20 mei 2021 heeft de gemeenteraad van Zeist de nieuwe Mobiliteitsvisie vastgesteld. In deze visie worden de gemeentelijke ambities op het gebied van mobiliteit uiteengezet, alsook richting gegeven aan de mobiliteitsbehoeften. De belangrijkste knelpunten en uitdagingen liggen in Zeist op het gebied van veiligheid, ruimtegebruik, duurzaamheid, bereikbaarheid en inclusiviteit.

De gemeentelijke speerpunten zijn dan ook gericht op verkeersveiligheid, duurzame mobiliteit, slim omgaan met ruimte en bereikbaarheid met alle vervoerswijzen. Dat alles moet passen in de groene kwaliteiten van Zeist en de mobiliteitsopgaven van de toekomst. De Mobiliteitsvisie doet daarmee strategische uitspraken over de mobiliteit in Zeist. De ambities en speerpunten uit de Mobiliteitsvisie zijn verder uitgewerkt in het ‘Mobiliteitsplan Zeist 20222027’, waarin concrete maatregelen worden vastgelegd voor bijvoorbeeld het vergroten van de verkeersveiligheid, het oplossen van parkeerproblemen of het verbeteren van fietsroutes. Het nieuwe mobiliteitsplan vervangt het Gemeentelijk Verkeers- en VervoersPlan (GVVP 2014-2023) uit 2013. Planspecifiek In de toekomstige situatie zijn er in totaal 98 woningen in het plangebied aanwezig. Voor het berekenen van de toekomstige verkeersgeneratie dient bepaald te worden welke kencijfers van CROW publicatie-381 gehanteerd moeten worden. In de 'Parkeerbeleidsnota Zeist' is bepaald dat voor de gemeente Zeist de normen voor 'matig stedelijk' gebied gehanteerd dienen te worden. In navolgende tabel is op basis van deze normen de verkeersgeneratie berekend.

huur, huis, sociale huur

Aantal 30

44

Norm 4,9

Verkeersbewegingen 147

huur, appartement, midden/goedkoop sociale huur) totale verkeersgeneratie

(incl.

68

3,6

244,8 391,8

Verkeersgeneratie toekomstige situatie

Zoals blijkt uit de tabel bedraagt de toekomstige verkeersgeneratie 391,8 verkeersbewegingen per etmaal. Dit bedraagt geen pure toename, omdat er in de huidige situatie reeds woningen aanwezig zijn in het plangebied. Om de toename te kunnen berekenen is in navolgende tabel de huidige verkeersgeneratie berekend.

huur, huis, sociale huur huur, appartement, midden/goedkoop sociale huur) totale verkeersgeneratie

(incl.

Aantal 26 64

Norm 4,9 3,6

Verkeersbewegingen 127,4 230,4 357,8

Verkeersgeneratie huidige situatie

Wanneer de uitkomsten van de twee tabellen met elkaar worden vergeleken blijkt dat de verkeersgeneratie in de toekomstige situatie (391,8 - 357,8 =) 34 verkeersbewegingen per etmaal groter is. Gezien deze beperkte toename zijn er geen belemmeringen vanuit het aspect verkeer te voorzien; de Ridderschapslaan en de Jacoba van Beierenlaan beschikken naar verwachting over voldoende capaciteit.

4.10.2 Parkeren Het benodigde of gewenste aantal parkeerplaatsen bij ruimtelijke ontwikkelingen kan worden bepaald op basis van parkeerkencijfers of op basis van parkeernormen. Parkeerkencijfers zijn op de praktijk gebaseerde cijfers van de verwachte parkeerbehoefte. Parkeernormen staan voor het aantal vereiste parkeerplaatsen per type bestemming. Op basis van deze parkeernormen wordt parkeerbeleid veelal vormgegeven. Gemeentelijke beleid De gemeente Zeist heeft haar parkeerbeleid vastgelegd in de 'Parkeerbeleidsnota Zeist'. Hierin is bepaald dat voor het bepalen van de parkeereis uitgegaan moet worden van de nieuwe parkeerkencijfers van het CROW (in dit geval publicatie 381). Planspecifiek Voor de 90 reeds aanwezige woningen voldoet de huidige parkeersituatie. Echter dienen voor de acht woningen die toegevoegd worden extra parkeerplaatsen gerealiseerd te worden. Voor het berekenen van het aantal extra parkeerplaatsen worden de parkeernormen uit de CROW-publicatie 381 aangehouden, zoals vastgelegd in de 'Parkeerbeleidsnota Zeist'. De gemeente Zeist hanteert bij het bepalen van de parkeernormen de kencijfers voor matig stedelijk gebied, waarbij de bovengrens van de bandbreedte aangehouden wordt. In navolgende tabel is op basis van deze uitgangspunten de parkeereis berekend.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/13105521/1