CConstaterende datZeist
Koppel je AI →
Document · PDF

01.0-24RV003 BP WA-Hoeve Bijlage 1 Toelichting (gewijzigd)

Raad 23 januari 2024, gemeente ZeistBij agendapunt: Bestemmingsplan WA Hoeve - Historische Middenas28.722 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 3 van 4

Willem Arntsz Hoeve - Historische Middenas

51

brug functioneert op dit moment naar behoren maar is relatief smal en kan daardoor nog slechts beperkt een hogere intensiteit aan fietsers en/of voetgangers aan. Wanneer deze brug aanvullend is naast de andere ontsluitingen kan deze mogelijk alleen gebruikt worden als voetgangersbrug. Hiervoor wordt aanvullend onderzoek uitgevoerd. 4. Momenteel is er een voetgangersverbinding naar het station langs de parkeerplaats bij het spoor. Deze verbinding is ideaal voor voetgangers en fietsers die vanuit het gebied naar het station gaan. Deze verbinding is momenteel echter niet ingericht voor fietsers en voetgangers. Deze verbinding leent zich goed om indien dit nodig blijkt, opgewaardeerd te worden als volwaardige fiets- en voetgangersverbinding naar het station en centrum van Den Dolder. 5. Ecoduct 'Op Hees'. Via het ecoduct kan langzaam verkeer geheel autovrij over het spoor en de N238 van de WA-Hoeve tot het station en het centrum van Den Dolder verplaatsen. Dit is echter wel een korte omweg ten opzichte van de hierboven benoemde ontsluitingen. Wat er dan nog ontbreekt is de aansluiting richting het oosten (bijvoorbeeld Klaarwater). Deze fietsers kunnen gebruik maken van de bestaande fietsinfrastructuur door het bosgebied van Den Dolder.

Kortom, er zijn verschillende mogelijkheden aanwezig om het langzaam verkeer, fietsers en voetgangers, op een goede en veilige manier te ontsluiten. Hiervoor zullen echter wel aanpassingen in de openbare ruimte gedaan moeten worden om de verbindingen en verkeersaansluitingen te optimaliseren of te verbeteren. Hiervoor zal aanvullend onderzoek uitgevoerd worden. Conclusie Het is niet de verwachting dat de ontwikkeling van de HMA op de WA-Hoeve in Den Dolder verkeerskundige problemen met zich mee zal brengen. In de planregels wordt voorzien in voldoende parkeerplaatsen. De ontsluitingen op de N238 worden opnieuw ingericht. De N238 kan de toename van verkeersintensiteiten verwerken. Het bestemmingsplan is daarmee uitvoerbaar ten aanzien van het aspect verkeer.

5.4

Luchtkwaliteit

Wettelijk kader De Wet milieubeheer (Wm) biedt de volgende grondslagen voor de onderbouwing dat een plan voldoet aan de wet- en regelgeving voor luchtkwaliteit: het project leidt niet tot overschrijding van grenswaarden (art. 5.16 lid 1 sub a); het plan draagt niet in betekenende mate bij aan een verslechtering van de luchtkwaliteit (art. 5.16 lid 1 sub c); er worden grenswaarden overschreden, maar ten gevolge van het project is er per saldo sprake van een verbetering van de concentratie van de betreffende stof of blijft de concentratie gelijk (art. 5.16 lid 1 sub b onder 1); er worden grenswaarden overschreden, maar ten gevolge van een door het project optredend effect of een met het plan samenhangende maatregel is er per saldo sprake van een verbetering van de concentratie van de betreffende stof of blijft de concentratie gelijk (art. 5.16 lid 1 sub b onder 2); het project is genoemd of beschreven in, dan wel past binnen of is in elk geval niet strijdig met het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (art. 5.16 lid 1 sub d). Wanneer een plan voldoet aan één van bovenstaande grondslagen, kan het wat luchtkwaliteit betreft doorgang vinden. Advieswaarden WHO Als aan de wettelijke grenswaarden wordt voldaan, is er nog steeds kans op gezondheidsschade door luchtverontreiniging.

De WHO hanteert daarom advieswaarden voor fijn stof (PM10 en PM2,5) die lager zijn dan de wettelijke grenswaarden. De WHO advieswaarden zijn 20 µg/m3 voor PM10 en 10 µg/m3 voor PM2,5. In het onderzoek (Ontwikkeling Willem Arntz Hoeve onderdeel luchtkwaliteit, Royal HaskoningDHV, 3 juli 2020, Bijlage 6 ) blijkt dat de concentraties blijkt dat wordt voldaan aan de WHO advieswaarde voor PM10. Op dit moment wordt nog niet voldaan aan de WHO advieswaarde van PM2,5, maar in de

Willem Arntsz Hoeve - Historische Middenas

52

toekomst wordt de advieswaarde wel behaald. Dit betekent dat er, in ieder geval in de nabije toekomst, sprake is van een gezonde leefomgeving.

Resultaten In het onderzoek luchtkwaliteit is rekening gehouden met de ontwikkeling van de HMA en de NOV en ZOV. Het onderhavige plan omvat de transformatie van verschillende panden en de realisatie van een aantal kavels. Een dergelijke ontwikkeling is niet in de lijst uit de Regeling NIBM opgenomen. Daarom kan hier niet worden volstaan met de aanname dat de ontwikkeling van geringe omvang is en dat de luchtkwaliteit als gevolg hiervan “niet in betekende mate” zal verslechteren. Een nadere motivering is daarom vereist. Voor kleinere ruimtelijke en verkeersplannen die effect kunnen hebben op de luchtkwaliteit heeft het toenmalige Ministerie van VROM in samenwerking met InfoMil een specifieke rekentool ontwikkeld. Daarmee kan op een eenvoudige en snelle manier worden bepaald of een plan niet in betekenende mate bijdraagt (NIBM) aan de concentratie van een stof in de buitenlucht. Het grote voordeel van deze NIBM-rekentool is dat slechts een beperkt aantal invoergegevens nodig is. Alleen het extra aantal voertuigbewegingen en het aandeel vrachtverkeer worden ingevoerd. Voor de overige invoergegevens is in de tool uitgegaan van worst-case. Met beperkte invoergegevens kan dus worden vastgesteld of een plan NIBM is.

Uit de NSL-Monitoringstool blijkt dat de jaargemiddelde concentraties rond het plangebied ruim onder de grenswaarden uit de Wm liggen en dat de concentraties, onder invloed van dalende achtergrondconcentraties en emissiefactoren, in de toekomst verder zullen dalen. De bijdrage van het extra verkeer als gevolg van de ontwikkeling in het plangebied (HMA én NOV+ZOV) is bepaald op basis van worst case uitgangspunten. Er is een aanzienlijke ruimte tussen de heersende concentraties en de grenswaarden uit de Wm. Met de berekende worst case toenames van de concentraties, zal de ontwikkeling van het gebied rond de WA-Hoeve niet leiden tot een benadering of overschrijding van de grenswaarden uit de Wm. Hierdoor is aannemelijk gemaakt dat de ontwikkeling van het HMA op grond van art 5.16, lid 1 sub a voldoet aan de luchtkwaliteitseisen uit de Wet milieubeheer. Conclusie Het aspect luchtkwaliteit vormt geen belemmering voor het bestemmingsplan. Hiervoor is gebruik gemaakt van het uitgevoerde onderzoek luchtkwaliteit. Daarmee wordt het bestemmingsplan uitvoerbaar geacht ten aan zien van het aspect luchtkwaliteit.

5.5

Geluidhinder

Wettelijk kader De Wet geluidhinder (Wgh) biedt een toetsingskader voor het geluidniveau op de gevels van geluidgevoelige bestemmingen, zoals woningen en scholen. De wet kent een ondergrens, de zogenaamde voorkeursgrenswaarde. Wanneer de geluidbelasting lager is dan deze waarde, zijn de voorwaarden die de Wet geluidhinder stelt aan het realiseren van geluidgevoelige bestemmingen niet van toepassing. Daarnaast is er in de wet een bovengrens opgenomen, de maximaal toelaatbare geluidbelasting. Indien de geluidbelasting hoger is dan deze waarde, is het realiseren van geluidgevoelige bestemmingen in principe niet mogelijk. Wanneer de geluidbelasting tussen de voorkeursgrenswaarde en de maximaal toelaatbare geluidbelasting ligt, is het realiseren van geluidgevoelige bestemmingen aan beperkingen gebonden en alleen onder voorwaarden mogelijk. Dit wordt een 'hogere waarde' genoemd ('hoger' in de zin van hoger dan de voorkeursgrenswaarde) en wordt via een formele procedure vastgelegd. Wegverkeerslawaai Op basis van de Wet geluidhinder (Wgh) artikel 74 hebben alle wegen een geluidzone. Uitzondering hierop zijn woonerven en straten met een maximumsnelheid van 30 km/u. De zone is afhankelijk van het aantal rijstroken en of een weg binnen of buitenstedelijk is gelegen.

Willem Arntsz Hoeve - Historische Middenas

53

Voor de bepaling van de maximale vast te stellen geluidbelasting houdt de Wet geluidhinder rekening met de ligging van de geluidgevoelige bestemmingen en wordt onderscheid gemaakt tussen stedelijk en buitenstedelijk gebied. Binnen stedelijk gebied gelden over het algemeen minder strenge normen. In het kort komt het er op neer dat het gebied binnen de bebouwde kom behoort tot het stedelijke gebied, met uitzondering van het gebied binnen de bebouwde kom, dat gelegen is binnen de zone van een autoweg of autosnelweg. In het laatste geval en voor de situatie buiten de bebouwde kom gelden de normen die van toepassing zijn op het buitenstedelijke gebied. Een hoofdweg is, conform deze definitiebepaling van de Wet geluidhinder, altijd gelegen in buitenstedelijk gebied. Indien de geluidbelasting hoger is dan de voorkeurgrenswaarde en maatregelen gericht op reductie van de geluidbelasting onvoldoende doeltreffend zijn of als deze overwegende bezwaren van stedenbouwkundige, verkeerskundige, landschappelijke of financiële aard ontmoeten, zijn burgemeester en wethouders van de gemeente bevoegd tot het vaststellen van een hogere waarde voor de geluidbelasting. De gevels van geluidgevoelige bestemmingen kunnen ook worden uitgevoerd als een blinde of dove gevel (conform artikel 1b lid 5 van de Wgh).

Hiermee vervalt de verplichting om te voldoen aan de voorkeursgrenswaarde, waarbij een kanttekening wordt geplaatst dat de geluidwering van deze gevels ten minste gelijk dient te zijn aan de hoogte van de geluidbelasting minus de maximale binnenwaarde. Ter anticipatie op het steeds stiller worden van motorvoertuigen mag alvorens te toetsen aan de geldende grenswaarden een aftrek worden toegepast op de berekende geluidbelasting. Deze aftrek bedraagt: 2 dB voor wegen waar de maximumsnelheid gelijk is aan of hoger is dan 70 km/uur; 5 dB voor overige wegen. Industrielawaai Een industrieterrein is volgens de Wet geluidhinder een terrein waar zich bedrijven kunnen vestigen die genoemd worden in artikel 40 van de Wet geluidhinder en onderdeel D van Bijlage I behorende bij het Besluit omgevingsrecht (de zogenaamde grote lawaaimakers). Op grond van hoofdstuk V van de Wet geluidhinder is rondom deze terreinen een zone vastgesteld, waarbuiten de etmaalwaarde van het gemiddelde geluidsniveau ten gevolge van alle bedrijven op dat terrein niet hoger mag zijn dan 50 dB(A). De zone is een planologisch aandachtsgebied, waarbinnen regels van kracht zijn, die aan zowel industriële activiteiten als aan woningbouw beperkingen opleggen. De ligging en omvang van de zone wordt met een bestemmingsplan vastgelegd.

In het kader van het bestemmingsplan dient gekeken te worden naar de geluidsbelasting van geluidgevoelige bestemmingen in de omgeving van het industrieterrein. Indien de geluidsbelasting meer dan 50 dB(A) bedraagt, kan de gemeente een hogere waarde vaststellen. De maximale ontheffingswaarde voor nieuwe woningen bedraagt 55 dB(A). Resultaten Het HMA ligt niet in de wettelijke zone van weg- en railverkeer en daarmee behoeft het aspect geluid geen nader onderzoek. Binnen het plangebied zal sprake zijn van een maximale snelheid van 30 km/u. Geluidhinder als gevolg van verkeer kan binnen het plangebied als verwaarloosbaar worden geacht. De verkeersgeneratie als gevolg van de bouwplannen voor de HMA en het Noordelijk en Zuidelijk ontwikkelveld geeft een toename van de geluidsbelastingen vanwege de N238 van 0,4 dB, hetgeen kan worden beschouwd als zeer beperkt. Voor wat betreft industrielawaai is de afstand tot het dichtstbijzijnde industrieterrein ruim 600 meter waardoor hinder als gevolg van industrielawaai niet te verwachten is. Conclusie Het aspect geluid vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van het bestemmingsplan.

5.6

Externe veiligheid

Wettelijk kader Externe veiligheid heeft betrekking op de risico's voor de omgeving vanwege het gebruik, de productie,

Willem Arntsz Hoeve - Historische Middenas

54

opslag en het vervoer van gevaarlijke stoffen. In het geval van een verandering bij de risicobron of in de omgeving daarvan dient een afweging te worden gemaakt over de externe veiligheidssituatie (Wm, Wro, Wabo) Voor dit bestemmingsplan dienen risicobronnen in het plangebied en in de omgeving ervan in kaart gebracht te worden en getoetst te worden aan de risicomaten plaatsgebonden risico en groepsrisico. Er is een externe veiligheidsonderzoek uitgevoerd (Onderzoek externe veiligheid WAH Den Dolder, Royal HaskoningDHV, 27 januari 2021, Bijlage 7). In de volgende AMvB's en circulaires zijn risiconormen opgenomen die relevant zijn vanuit het oogpunt van externe veiligheid bij het vaststellen van een ruimtelijk besluit: Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi). In dit besluit zijn de risiconormen voor risicovolle inrichtingen weergegeven ten aanzien van het plaatsgebonden risico en het groepsrisico. Circulaire effectafstanden externe veiligheid LPG-tankstations voor besluiten met gevolgen voor de effecten van een ongeval. Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt). In dit besluit zijn de risiconormen voor het vervoer van gevaarlijke stoffen over de weg, het spoor en binnenwater opgenomen ten aanzien van het plaatsgebonden risico en het groepsrisico. Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb).

In het Bevb zijn de risiconormen voor het vervoer van gevaarlijke stoffen door buisleidingen opgenomen ten aanzien van het plaatsgebonden risico en het groepsrisico. Vuurwerkbesluit. In dit besluit zijn voor de opslag van consumentenvuurwerk en professioneel vuurwerk veiligheidsafstanden vastgesteld. Circulaire opslag ontplofbare stoffen voor civiel gebruik. In deze circulaire zijn veiligheidszones (A-, B- of C-zone) vastgesteld voor de opslag van ontplofbare stoffen voor civiel gebruik. Binnen deze veiligheidszones worden de aanwezigheid van activiteiten en/ of objecten uitgesloten. Het Activiteitenbesluit milieubeheer: In dit besluit zijn veiligheidsafstanden en risiconormen opgenomen die moeten worden aangehouden ten opzichte van (beperkt) kwetsbare objecten. Veiligheidsafstanden zijn vastgesteld voor onder andere opslagtanks met propaan/propeen, aardgastankstations, en gasdrukmeet- en regelstations. Voor windturbines geldt het plaatsgebonden risico als risiconorm. Onderzoek Onderzocht is in hoeverre externe veiligheid een rol speelt binnen het plangebied. Specifiek moet hierbij worden onderzocht of er risicobronnen zijn die voor de ontwikkeling binnen het plangebied relevant zijn.

Daarbij moeten de volgende twee vragen worden beantwoord: Laat het plangebied risicobronnen toe? en/of; Staat het plangebied kwetsbare of beperkt kwetsbare objecten toe? Indien het antwoord op de eerste vraag ja is, wordt vastgesteld of: De risicobron(nen) onder één van de besluiten of circulaires val(t)(len) en/of; Het invloedsgebied of de veiligheidsafstand van de risicobron over (beperkt) kwetsbare objecten is gelegen. Indien het antwoord op de tweede vraag ja is, wordt vervolgens vastgesteld of: De risicobron(nen) in de omgeving van het plangebied onder één van besluiten of circulaires val(t)(len) uit hoofdstuk 2 en/of; Het invloedsgebied of de veiligheidsafstand over het plangebied valt. Wanneer hiervan sprake is, is de risicobron of het plangebied relevant vanuit het oogpunt van externe veiligheid en moet getoetst worden aan de eisen die vanwege de externe veiligheid worden gesteld. Het plangebied maakt woningen mogelijk. Woningen zijn kwetsbare objecten. Om deze reden wordt de bestemming die het bestemmingsplan mogelijk maakt als externe veiligheid relevant beschouwd. Risicobronnen in het plangebied Het bestemmingsplan maakt geen risicobronnen mogelijk in het kader van externe veiligheid. Risicobronnen in de omgeving Het plangebied maakt conform het Bevi kwetsbare objecten mogelijk.

Met de risicokaart is onderzocht welke risicobronnen in de omgeving van het plan relevant zijn in het kader van externe veiligheid.

Willem Arntsz Hoeve - Historische Middenas

55

Resultaten Voor het plan is de N238 relevant in het kader van externe veiligheid. Conform het Bevt is getoetst aan het plaatsgebonden risico en het groepsrisico. De N238 heeft geen PR10-6 contour en vormt daarmee geen belemmering voor het plan. Het groepsrisico van de N238 ligt onder de 0,1 maal de oriëntatiewaarde en neemt door het plan naar verwachting op basis van de vuistregels HART beperkt toe (minder dan 10%). Een (beperkte) verantwoording van het groepsrisico is verplicht. De Veiligheidsregio Utrecht (VRU) is gevraagd advies uit te brengen op het onderhavige plan. Het advies van de VRU is als bijlage opgenomen in het externe veiligheidsonderzoek. Verantwoording groepsrisico Uit de berekeningen van het groepsrisico blijkt dat deze beperkt toeneemt, derhalve is een beperkte verantwoording van het groepsrisico verplicht. Mogelijkheden rampenbestrijding en zelfredzaamheid In samenwerking met de veiligheidsregio zijn de mogelijkheden voor rampenbestrijding en zelfredzaamheid onderzocht. De mogelijkheden voor de rampenbestrijding en zelfredzaamheid zijn geïnventariseerd naar aanleiding van de maatgevende scenario's voor het transport van brandbare tot vloeistof verdichte gassen. Onderstaande voorzieningen kunnen hier een positieve invloed op hebben: De mogelijkheden voor rampenbestrijding Bluswatervoorzieningen zijn aanwezig in het plangebied.

Het plangebied is goed bereikbaar voor de brandweer, de dichtstbijzijnde kazerne is gelegen naast het plangebied, de opkomsttijden zijn hierdoor beperkt. Specifiek voor transportongevallen met LPG of propaan (fysisch zeer vergelijkbaar) er een incidentbestrijdingsplan LPG is vastgesteld door het Algemeen Bestuur van de VRU (2015). Hierin worden specifieke handelingsperspectieven en afwegingen bij dergelijke incidenten meegegeven aan hulpdiensten en het bevoegd gezag. Het routeringsbesluit van de gemeente Zeist beperkt het doorgaande transport van gevaarlijke stoffen. De mogelijkheden voor zelfredzaamheid Risico-alarmering verloopt via WAS-palen en wordt op termijn vervangen door NL-alert. Risicocommunicatie: Georganiseerd tussen VRU en gemeente. Vluchtroutes en schuilmogelijkheden. Bij vaststelling van dit bestemmingsplan zal de gemeenteraad besluiten dat op basis van bovenstaande het groepsrisico aanvaardbaar is. Conclusie Voor de HMA zijn geen relevante risicobronnen aanwezig. De beperkte toename van het groepsrisico is aanvaardbaar. Daarmee is het aspect externe veiligheid geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van het bestemmingsplan.

5.7

Bodemkwaliteit

Wettelijk kader/inleiding In verband met de uitvoerbaarheid van het bestemmingsplan dient onderzoek verricht te worden naar de (te verwachten) bodemkwaliteit in het plangebied door het raadplegen van beschikbare bodemgegevens. Een nieuwe bestemming mag pas worden toegekend als is aangetoond dat de bodem geschikt is (of geschikt te maken is) voor de nieuwe of aangepaste bestemming. Daar waar sprake is van consoliderend bestemmen van bestaande situaties kan een diepgaand inzicht in de bodemsituatie vooraf achterwege blijven, tenzij een redelijk vermoeden moet bestaan van een saneringssituatie. Bij bouwactiviteiten is ook in het kader van de omgevingsvergunning onderzoek naar de kwaliteit van de bodem benodigd. Het bouwen is alleen toelaatbaar als de bodem geschikt is (of geschikt is gemaakt)

Willem Arntsz Hoeve - Historische Middenas

56

voor het beoogde doel. Daarom dient bij iedere nieuwe bouwactiviteit de bodemkwaliteit door middel van onderzoek in beeld te worden gebracht. De bodemonderzoeken voor eventuele nieuwe (vervangende) bouwactiviteiten mogen niet te oud zijn en moeten een vastgestelde informatiekwaliteit bieden. Indien aan die voorwaarden niet kan worden voldaan, dient aanvullend onderzoek plaats te vinden. Wanneer uit het onderzoek blijkt dat de bodem niet geschikt is voor het beoogde doel, dient vóór aanvang van de bouwwerkzaamheden een bodemsanering te worden uitgevoerd om de bodem wel geschikt te maken, of dient de omgevingsvergunning te worden geweigerd. Onderzoek In 2018 is verkennend bodemonderzoek uitgevoerd (Verkennend bodemonderzoek Vijverhof en omgeving te Den Dolder, Hopman en Peters, 31 oktober 2018, Bijlage 8). Op basis van vooronderzoek blijkt dat er meerdere verdacht locaties zijn bij Ketelhuis, voormalig kolenopslag 't Vijfde Seizoen, ondergrondse tank bij het Hoofdgebouw en een ondergrondse tank bij de Gehoorzaal. Middels veldonderzoek is hier nader onderzoek naar gedaan. Hieruit is gebleken dat er op die locaties geen verontreiniging is aangetroffen. Conclusie Het aspect bodemkwaliteit behoeft geen nader onderzoek en vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van het bestemmingsplan.

5.8

Water

Wettelijk kader / inleiding In Nederland heeft water een eigen plaats gekregen in de ruimtelijke besluitvorming via de watertoets. De watertoets houdt in dat bij het maken van ruimtelijke plannen al in een vroeg stadium bekeken moet worden wat de gevolgen zijn voor water en de ruimtelijke ordening. De watertoets is een proces waarbij overleg wordt gevoerd met de waterbeheerder. De waterbeheerder stelt in dit proces de kaders vast en geeft een wateradvies voor verschillende waterhuishoudkundige aspecten. De watertoets (Watertoets ontwikkeling Willem Arntsz-Hoeve Den Dolder, Royal HaskoningDHV, 18 maart 2021, Bijlage 9) resulteert uiteindelijk in een waterparagraaf, die in de toelichting van het ruimtelijke plan wordt opgenomen. Onderzoek De waterparagraaf is 'een beschrijving van de wijze waarop rekening is gehouden met de gevolgen van het plan voor de waterhuishouding'. In de waterparagraaf neemt de initiatiefnemer het wateradvies op van de waterbeheerder, motiveert de eventuele afwijkingen hiervan en stelt eventuele compenserende of mitigerende maatregelen voor. De waterbeheerder, in dit geval waterschap Vallei en Veluwe, stelt in dit proces normaal gesproken de kaders voor onder andere de wateropgave vast. De wateropgave houdt in dat voldoende bergingscapaciteit wordt gerealiseerd voor compensatie van het verharde oppervlak of het dempen van sloten.

Daarnaast geeft het waterschap aan welk beleid en welke criteria aangehouden moeten worden voor bijvoorbeeld het bergen en lozen van regenwater op de riolering en/of het oppervlaktewater. Resultaten Waterpeil Gelet op de inrichting waarbij bestaande bomen en begroeiing zoveel mogelijk worden behouden en waarbij naast nieuwe te bouwen woningen, monumentale panden worden herbestemd, zal de bestaande maaiveldhoogte zoveel mogelijk worden gehandhaafd. Verder is er, gelet op de grondwaterstanden bij een gemiddelde hoogste grondwaterstand, voldoende ontwateringsdiepte aanwezig. Het plangebied wordt zodanig ingericht dat geen probleemlocaties wordt verwacht bij intensieve regenval. Vuilwaterafvoer In de toekomstige situatie wordt het vuilwater gescheiden ingezameld van het hemelwater afkomstig van daken en verhardingen. Vanaf de perceelsgrens heeft de gemeente een resultaatsverplichting om het geproduceerde afvalwater in te zamelen en af te voeren naar een overnamepunt met het waterschap. Deze ontvangt en zuivert het vuilwater vervolgens. Aangezien deels bestaande en gehandhaafde panden worden herbestemd, wordt naast vuilwaterafvoer

Willem Arntsz Hoeve - Historische Middenas

57

van nieuwe woningen ook het vuilwater van deze panden gescheiden ingezameld van het hemelwater. Middels één of meerdere pompgemalen wordt het vuilwater van de verschillende deelgebieden in afstemming met de gemeente aangeboden op het gemeentelijk rioleringsstelsel. Bij de verdere uitwerking van het plan wordt daarbij rekening gehouden met de afvoer van de woningen aan de noordzijde van het plangebied en de afvoer van de zorginstelling Reinaerde. Beide afvoeren zijn momenteel aangesloten op het bestaande gemengde stelsel in het plangebied. Verder dient bij de nadere uitwerking bekeken te worden of het haalbaar is om het bestaande riolering in de toekomst te hergebruiken als vuilwaterriool. Hemelwaterafvoer Bij nieuwbouw is de initiatiefnemer (projectontwikkelaar, particulier of gemeente) verantwoordelijk voor het gescheiden verwerken van hemelwater en het hydrologisch neutraal houden van de effecten van de ruimtelijke ontwikkeling. Gezien de groene uitstraling van de nieuwe inrichting en het gebrek aan oppervlaktewater in de nabije omgeving van het plangebied, is het voorstel om al het hemelwater op te vangen, te bergen en uiteindelijk te infiltreren in de bodem van natuurlijke laagten binnen (en eventueel net buiten) het plangebied. Het watersysteem krijgt daarbij geen uitlaat op het watersysteem van waterschap Vallei en Veluwe.

Zowel de gemeente als het waterschap hebben verder de voorkeur om hemelwater zoveel mogelijk te verwerken op eigen terrein en waar mogelijk hemelwater terug te brengen in de bodem. Aansluitend op deze visie is het voorstel om de eerste 35,7mm van een regenbui vallend op het verhard oppervlak van de nieuwbouw-percelen, op te vangen en te verwerken op het eigen perceel. Het eventuele resterende deel van de regenbui afkomstig van de percelen zal afgevoerd worden naar het openbaar gebied. Voor wat betreft de te handhaven bestaande bebouwing is het voornemen om de daken zoveel mogelijk af te koppelen van de gemengde riolering. Dit hemelwater zal samen met het hemelwater afkomstig van de verhardingen in het openbaar gebied, zoveel mogelijk bovengronds met behulp van molgoten afgevoerd worden richting de natuurlijke laagten/infiltratiezones. Indien bovengrondse afvoer niet mogelijk is, dan zal het hemelwater ondergronds afgevoerd worden naar de bergingen/infiltratiezones. Benodigde compensatie waterberging Aangezien het voorstel is om al het hemelwater binnen het plangebied te bergen en te infiltreren, is de compenserende beleidsregel voor extra verhard oppervlak vanuit het waterschap hier niet van toepassing. Er zal namelijk geen afvoer van hemelwater plaatsvinden naar het watersysteem van het waterschap.

Er zal echter wel voor gezorgd moeten worden dat hemelwater niet tot overlast leidt binnen en buiten het plangebied. Gezien de klimaatontwikkelingen nemen de buien toe in intensiteit. Binnen het plangebied zal er daarom voldoende bergingsruimte voor water gereserveerd dienen te worden. Voorstel is om hiervoor toch de algemene beleidsregels van het waterschap te hanteren waarin een compenserende waterberging van 600m3 per hectare verhard oppervlak (60mm) wordt voorgeschreven. Hiervan zal bij nieuwbouw, zoals afgesproken met de gemeente en waterschap, de eerste 35,7mm van een regenbui opgevangen en verwerkt worden op het eigen perceel. Deze waterberging kan ingevuld met een statische berging of een dynamische berging waarbij rekening wordt gehouden met infiltratie. Gelet op de bodemopbouw (4m deklaag fijne zanden), de hoge doorlatendheid (Kh) van 4,9m/d plangebied en een GHG van circa NAP +3,05m (2,5m tot 3m-mv), is infiltratie in dit gebied zeer goed mogelijk. Om in deze fase van de planontwikkeling inzicht te krijgen of er in de natuurlijke laagten binnen het plangebied voldoende bergingscapaciteit aanwezig is, wordt in eerste instantie gekeken naar de beschikbare bergingscapaciteit zonder dat de infiltratiecapaciteit daarin is meegenomen. Hierbij wordt meegenomen dat de hemelwaterafvoer zoveel mogelijk bovengronds afgevoerd kan worden naar de natuurlijke laagten.

Om de benodigde compensatie te bepalen is inzicht nodig in de verharde oppervlakken in de toekomstige situatie. Hieronder vallen naast de toekomstige verhardingen en dakoppervlakken van de nieuwbouw, ook de dakoppervlakken van de te handhaven bestaande gebouwen. Aangezien er geen afvoer van hemelwater plaatsvindt naar het watersysteem van het waterschap Vallei

Willem Arntsz Hoeve - Historische Middenas

58

en Veluwe, wordt voor de benodigde waterberging gerekend met het totale toekomstige verhard oppervlak. In tabel 5.5 is een overzicht gegeven van de toekomstige verhardingen per deelgebied binnen het plangebied. Voor de tuinen van de nieuwe woningen is daarbij uitgegaan van percentage van 50% verhard oppervlak (conform beleidsregels waterschap Vallei en Veluwe). Tabel 5.5: Overzicht toekomstige verhardingen per deelgebied binnen plangebied Historische Noordelijk Zuidelijke Middenas ontwikkelveld ontwikkelveld Verhard oppervlak Verhard oppervlak Verhard oppervlak [m2] [m2] [m2] Bestaande 5.190 1.070 bebouwing Uitgeefbaar terrein 3.230 9.105 12.440 waarvan: dakoppervlak 1.080 3.440 6.550 verhard* 2.150 5.665 5.890 Verharding 15.740 4.545 13.740 Totaal verhard 24.160 14.720 26.180 *Conform beleidsregels waterschap Vallei en Veluwe een percentage van 50% gehanteerd voor verharding tuinen nieuwe woningen. In tabel 5.6 is een overzicht gegeven van de benodigde berging op basis van de toekomstige verharding. Hierbij is geen rekening gehouden met infiltratie van hemelwater in de ondergrond. In de tabel is een onderverdeling gemaakt in de benodigde berging op eigen terrein (35,7mm) en benodigde berging in het openbaar gebied.

In de tabel is te zien dat er voor het deelgebied Historische Middenas een totale berging benodigd is van 1.455m3 waarvan 115m3 op eigen terrein gerealiseerd dient te worden. Voor het Noordelijk ontwikkelveld is een totaal benodigde berging berekend van 885m3 waarvan 325 m3 op eigen terrein gerealiseerd dient te worden; voor het Zuidelijk ontwikkelveld is een totale berging benodigd van 1.570m3 (waarvan 445m3 op eigen terrein). Tabel 5.6: Overzicht benodigde statische berging per deelgebied binnen plangebied Noordelijk Zuidelijk Historische ontwikkelveld ontwikkelveld Middenas (HMA) (NOV) (ZOV) Toekomstige verharding 24.160 m2 14.720 m2 26.180 m2 3 3 Benodigde berging op eigen 115 m 325 m 445 m3 terrein (35,7mm)* Benodigde berging openbaar gebied bestaande bebouwing 310 m3 65 m3 0 m3 3 3 (60mm) 80 m 220 m 300 m3 3 3 Uitgeefbaar terrein 950 m 275 m 825 m3 3 3 (24,3mm)** 1.340 m 560 m 1.125 m3 Openbare verharding (60mm) Totaal openbaar gebied Totaal benodigde berging 1.455 m3 885 m3 1.570 m3 (T=100) *betreft het verhard oppervlak uitgeefbaar terrein x 35,7mm; eerste deel van de regenbui wordt op eigen terrein geborgen. **betreft het verhard oppervlak uitgeefbaar terrein x 24,3mm; resterende deel van regenbuien > 35,7mm worden afgevoerd op openbaar gebied. Beschikbare waterberging Gelet op de toekomstige inrichting heeft het de voorkeur om bij de invulling van de benodigde

Willem Arntsz Hoeve - Historische Middenas

59

waterberging in dit plangebied zoveel mogelijk gebruik te maken van bestaande natuurlijke laagten danwel gegraven laagten daar waar mogelijk en wenselijk. De invulling van de waterberging ten behoeve van de Historische Middenas (HMA) en het Noordelijk ontwikkelveld (NOV) zijn daarbij samen bekeken. De benodigde waterberging in de openbare ruimte van deze twee gebieden is 1.900m3 (zie tabel 4). In afbeelding 5.3 is het principe van de hemelwaterafvoer en de laagten/bovengrondse bergingen in deze deelgebieden weergegeven. Het hemelwater wordt zoveel mogelijk bovengronds afgevoerd. Indien bovengrondse afvoer niet haalbaar is (transportafstand >50m), wordt naar ondergrondse afvoeroplossingen gezocht. Voor wat betreft de inzet van de laagte 12 (niet in eigendom) als waterberging is reeds afstemming geweest met Utrechts Landschap; Utrechts Landschap gaat akkoord dat deze locatie wordt gebruikt als waterberging bij intensieve regenbuien. Verder wordt voor de berging van hemelwater een bestaande laagte met een ondergrondse bergingsvoorziening ingezet (laagte 8) en is het voorstel om op één locatie een laagte aan te brengen (laagte 11).

Afbeelding 5.3: Principe hemelwaterafvoer HMA en NOV naar natuurlijke- of gegraven laagten/bovengrondse bergingen In tabel 5.7 is een overzicht gegeven van de beschikbare waterberging in de bestaande natuurlijke laagten. Hierbij is gerekend met een maximale vulling van de berging tot 20cm-het laagste maaiveld in het afvoerend gebied of, indien lager gelegen, een maximale vulling tot 20cm- de laagste dorpelhoogte van de bestaande bebouwing. De beschikbare berging in de nog te ontgraven laagte 11 is in eerste instantie nog niet meegenomen in dit overzicht. Tabel 5.7: Overzicht beschikbare waterberging in bestaande laagte in en net buiten plangebied t.b.v. HMA en NOV Berging in laagte Laagte, zie figuur 13 Opmerkingen [m3] * 2 1.100 Bestaande laagte 3 1.345 Bestaande laagte 4 455 Bestaande laagte

Willem Arntsz Hoeve - Historische Middenas

60

5 6 8 10 11 12

390 900 345 ** 60 Nog nader in te vullen 265

Bestaande laagte Bestaande laagte Bestaande laagte Bestaande laagte Nog te graven laagte Bestaande laagte in eigendom van Utrechts Landschap

Totaal beschibare 4.860 berging Benodigde 1.900 waterberging * gerekend met een maximale vulling van de berging tot 20cm-het laagste maaiveld in het afvoerend gebied of, indien lager gelegen, tot een maximale vulling van 20cm- de laagste dorpelhoogte. **berging inclusief ondergrondse voorziening (ø4000mm, 1,5m hoog) Totaal is er in de deelgebieden HMA en NOV een bestaande berging beschikbaar van 4.860m3 (berging in laagte 11 hierin nog niet meegenomen). Aangezien de bergingslocaties over de deelgebieden HMA en NOV zijn verdeeld, is afvoer vanuit verschillende hoeken van het plangebied mogelijk naar de locaties. Uitgaande van een benodigde berging in het openbaar gebied van 1.900m3 is er voldoende waterberging beschikbaar in de deelgebieden HMA en NOV. Gelet op de bodemopbouw, de hoge doorlatendheid en de GHG binnen het plangebied, is zoals eerder aangegeven infiltratie zeer goed in dit gebied. Verwachting is dat de waterbergingen voor de volgende intensieve bui weer beschikbaar zijn. Aandachtspunt bij de verdere uitwerking van de hemelwaterafvoer en en bovengrondse bergingen bij alle deelgebieden is dat bij hevige buien naastgelegen percelen geen wateroverlast mogen ondervinden. De inrichting van het plangebied moet zodanig uitgewerkt worden dat het water van de woningen en percelen afstroomt.

Hydrologische gevolgen grondwater Er worden geen effecten anders dan aanvulling van het grondwater verwacht bij de uitvoering van deze ontwikkeling. De gemiddelde grondwaterstand ligt in de huidige situatie op ca. NAP +2,55m (3 tot 3,5m-mv). Aanvulling van het grondwater zal geen nadelige gevolgen hebben voor de ontwateringsdiepte van de huidige- maar ook toekomstige bebouwing. De benodigde ontwateringsdiepte woningen met kruipruimte is 0,7m; voor rijbanen is een ontwateringsdiepte van ca. 1m benodigd. Op locaties waar actief geïnfiltreerd wordt, dient de ondergrond voorafgaand gecontroleerd te worden op storende lagen. Indien nodig dienen deze verwijderd danwel doorbroken te worden om stagnatie te voorkomen. Waterkwaliteit In de toekomstige situatie wordt het hemelwater van daken en verhardingen gescheiden ingezameld van het vuilwater en aangesloten op de waterbergingen/infiltratiezones binnen het plangebied. Verwacht wordt dat het hemelwater afkomstig van de daken en verhardingen relatief schoon is. Alleen het hemelwater afkomstig van balkons (vervuild schrobwater) wordt in verband met mogelijke verontreiniging aangesloten op het vuilwaterstelsel. De verhardingen van terrassen van de woningen kunnen direct afwateren in het groen in de tuin. Een eventueel schrobputje is alleen bedoeld voor vervuild water. Toekomstige bewoners moeten zich hiervan bewust zijn.

Watertoets In 2020 heeft over de watertoets afstemming plaatsgevonden met het waterschap Vallei en Veluwe. De door het waterschap meegegeven uitgangspunten zijn verwerkt in dit bestemmingsplan. Conclusie Op basis van bovenstaande kan gesteld worden dat het bestemmingsplan uitvoerbaar is met het oog op water.

Willem Arntsz Hoeve - Historische Middenas

61

5.9

Ecologie

Wettelijk kader De bescherming van natuur in Nederland is vastgelegd in Europese en nationale wet- en regelgeving, waarin een onderscheid wordt gemaakt tussen soortenbescherming en gebiedsbescherming. Voorheen was de soortenbescherming in Nederland geregeld in de Flora- en faunawet en de gebiedsbescherming in de Natuurbeschermingswet 1998. Sinds 1 januari 2017 zijn de Natuurbeschermingswet, Flora- en faunawet en de Boswet opgegaan in één nieuwe wet: de Wet natuurbescherming. Wet natuurbescherming De Wet natuurbescherming heeft tot doel in het wild voorkomende planten- en diersoorten in stand te houden en te beschermen. De wet kent daardoor zowel verbodsbepalingen, gebiedsbescherming als een algemene zorgplicht. De zorgplicht geldt te allen tijde voor alle in het wild levende dieren en planten en hun leefomgeving. De verbodsbepalingen zijn gebaseerd op het 'nee, tenzij'-principe. Alle schadelijke handelingen ten aanzien van beschermde planten- en diersoorten zijn in principe verboden, maar er kan worden afgeweken van de verbodsbepalingen middels ontheffingen. Door middel van gebiedsbescherming wordt een beschermingskader geboden voor de flora en fauna binnen aangewezen beschermde gebieden.

Hieronder vallen de speciale beschermingszones volgens de Europese Vogel- en Habitatrichtlijn, gebieden die deel uitmaken van het natuurnetwerk Nederland (NNN, voormalige EHS), beschermde natuurmonumenten en staatsnatuurmonumenten. Onderzoek Op vier deellocaties in de HMA zal in totaal 1,1 hectare bos worden gekapt ten behoeve van woningbouw en een parkeerplaats. Daarnaast vindt (deels) sloop plaats van een aantal bestaande gebouwen (zie paragraaf 4.1). Ten behoeve van de ontwikkeling is een natuurtoets uitgevoerd (Quickscan flora en fauna in het kader van de Wet natuurbescherming Willem Arntsz Hoeve Den Dolder, Royal HaskoningDHV, 14 juli 2020, Bijlage 10 en Natuurtoets flora en fauna in het kader van de Wet natuurbescherming onderdeel Soortenbescherming Historische Middenas (HMA) Willem Arntsz Hoeve Den Dolder, Royal HaskoningDHV, 1 februari 2021, Bijlage 12). Tijdens een veldbezoek (december 2019) is een habitatgeschiktheidsanalyse gedaan voor beschermde soorten die volgens de eerder uitgevoerde bureaustudie mogelijk voorkomen. De te slopen gebouwen en gebouwdelen zijn zowel van buiten als van binnen gecontroleerd op aanwezigheid en mogelijke verblijfplaatsen van vleermuizen. Vervolgens wordt beoordeeld of het hier ter toetsing voorliggende voornemen geen van de voor deze soorten onder de Wet natuurbescherming geformuleerde verbodsbepalingen overtreedt.

Resultaten Planten Uit de verspreidingsgegevens van de NDFF is gebleken dat er géén onder de Wet natuurbescherming beschermde planten in het plangebied zijn waargenomen. De ontwikkellocaties bestaan uit gemengd bos met voornamelijk den, eik en berk. in de ondergroei komt veel braam en klimop voor, wat ondanks dat het zandgrond betreft, duid op voedselrijke omstandigheden. Beschermde soorten komen vooral voor op extensief beheerde en weinig bemeste akkers en kalkrijke standplaatsen. Daarnaast komen ze voor in (natuur)gebieden met zeer schrale, zwak zure standplaatsen. Dergelijke omstandigheden zijn niet aanwezig binnen het plangebied. Omdat het plangebied is gelegen in een bosgebied met redelijk voedselrijke en verstoorde omstandigheden worden geen beschermde vaatplanten in het plangebied verwacht en kan een overtreding van verbodsbepalingen van de Wnb worden uitgesloten. Vleermuizen Uit de verspreidingsgegevens van de NDFF blijkt dat in en in de omgeving van het plangebied waarnemingen bekend zijn van 5 beschermde vleermuissoorten, de gewone en ruige dwergvleermuis, de rosse vleermuis, de laatvlieger en gewone grootoorvleermuis. De gewone grootoorvleermuis komt verspreid over heel Nederland voor, maar nergens in grote aantallen. De soort is sterk gebonden aan kleinschalig landschap en bosgebieden. De gewone grootoorvleermuis

Willem Arntsz Hoeve - Historische Middenas

62

gebruikt zeer uiteenlopende soorten verblijfplaatsen. Ze worden in de zomer aangetroffen op zolders, achter betimmeringen, daklijsten en vensterluiken, in spouwmuren en onder dakpannen, in holten en spleten in bomen en in nest- en vleermuiskasten. Als winterverblijf worden vooral ondergrondse ruimten gebruikt, zoals grotten, kalksteengroeven, oude steenfabrieken, bunkers, forten, vestingwerken, ijskelders en (kasteel)kelders. Overwinterende gewone grootoorvleermuizen zijn echter ook op zolders en in kerktorens, en een enkele keer in boomholtes gevonden (IKL, 2019). Ruige dwergvleermuizen en rosse vleermuizen zijn typisch boombewonende vleermuizen. Bomen zijn belangrijke verblijfplaatsen voor vleermuizen, zowel in de zomer als in de winter. Allerlei holtes kunnen aantrekkelijk zijn voor vleermuizen, zoals verlaten spechtenholen of holen die door rotting bij een afgebroken tak ontstaan zijn. Laatvliegers en gewone dwergvleermuizen zijn gebouw bewonende vleermuizen. Ze kiezen als onderkomen vaak spouwmuren van woonhuizen. Grijze grootoorvleermuizen hebben een voorkeur voor grote open ruimten zoals kerkzolders. Tijdens het oriënterend veldbezoek zijn alle te slopen gebouwen onderzocht op mogelijke ingangen voor vleermuizen en sporen van vleermuizen (poepsporen) daarbij is in gebouw nr. 20 de centrale keuken een verblijfplaats van gewone dwergvleermuizen aangetroffen.

Gebouwen waar eveneens mogelijke geschikte verblijfplaatsen voor vleermuizen in kunnen voorkomen zijn: 16 Sylvia Borin 20 centrale keuken 22 linnengebouw 23 Jeltje 24 bedrijfsgebouw achter 27 hoofdgebouw 33 oud wier In de bosgebieden die voor de ontwikkeling gekapt zullen worden zijn tijdens het oriënterend veldbezoek bomen met geschikte holten voor vleermuizen waargenomen. Het betrof slechts een oriënterend veldbezoek waarbij niet elke boom is gecontroleerd. Aanvullend onderzoek op de ontwikkellocaties waar bos gekapt wordt is van wetswege noodzakelijk omdat een overtreding van de verbodsbepaling van de Wnb niet op voorhand uit te sluiten is voor vleermuizen. Voor de sloop van 7 van de gebouwen is eveneens van wetswege aanvullend onderzoek noodzakelijk omdat een overtreding van de verbodsbepaling van de Wnb niet op voorhand uit te sluiten is voor vleermuizen. Overige zoogdieren Uit de verspreidingsgegevens van de NDFF blijkt dat in en in de omgeving van het plangebied waarnemingen bekend zijn van 4 beschermde zoogdieren namelijk boommarter, das, eekhoorn en steenmarter. Voor de algemene grondgebonden zoogdieren met een vrijstelling van de verbodsbepalingen bij ruimtelijke ingrepen en geldt alleen de algemene zorgplicht.

Amfibieën Uit de verspreidingsgegevens van de NDFF is gebleken dat er géén onder de Wet natuurbescherming beschermde amfibieën in het plangebied zijn waargenomen. Voortplantingswateren voor amfibieën ontbreken in het plangebied. Ook ontbreekt het landbiotoop voor beschermde soorten binnen het plangebied, zoals open, zandige pionierslocaties. Reptielen Uit de verspreidingsgegevens van de NDFF is gebleken dat er vier onder de Wet natuurbescherming beschermde reptielen in het plangebied zijn waargenomen. Het betreft de zandhagedis, de levendbarende hagedis, de hazelworm en de ringslang. Gezien het grote aantal waarnemingen kan ervan uitgegaan worden dat alle vier de soorten een populatie in of om het plangebied hebben. De zandhagedis en de levendbarende hagedis zijn in het heideterreintje ten oosten van het plangebied waargenomen, vlak bij gebouw 16 Sylvia Borin. Dit heideterreintje is het geschikte leefgebied voor deze soorten. Hoewel het aanliggende bosgebied in het plangebied en rond gebouw 16 minder geschikt is

Willem Arntsz Hoeve - Historische Middenas

63

voor deze soorten is het niet uit te sluiten dat de soorten hier toch ook voorkomen. De hazelworm heeft een groter verspreidingsgebied dat ook in het plangebied ligt. De soort is met name rond gebouw 16 en 20 waargenomen maar ook waargenomen verder westelijk in de historische as, bij 24: het bedrijfsgebouw. De ringslang is minder vaak waargenomen maar wel meer verspreid over het hele terrein ondanks dat er weinig water in de omgeving aanwezig is. Een van de waarnemingen betrof een juveniel wat indiceert dat in de omgeving geschikt voortplantingsbiotoop aanwezig is. De aanwezigheid van dood hout, takenrillen en holen in de grond maakt het plangebied een geschikt leef- en voortplantingsgebied voor de hazelworm en in mindere mate voor de ringslang. Broedvogels Uit de verspreidingsgegevens van de NDFF is gebleken dat er zeer veel onder de Wet natuurbescherming beschermde vogels in het plangebied zijn waargenomen. Het betreft met name algemene soorten van bossen. Daarbij zijn ook twee soorten met jaar rond beschermde nesten, de havik en de buizerd. Tijdens het veldbezoek zijn ook verschillende vogelsoorten waargenomen zoals, koolmees, boomklever, gaai, zwarte kraai en ekster. Ook de buizerd is tijdens het oriënterend veldbezoek waargenomen, een horst is niet gevonden, maar kan mogelijk aanwezig zijn in het plangebied.

Wel zijn verschillende kleinere nestjes van algemene soorten waargenomen en meerdere bomen met holten waarin holenbroeders kunnen broeden. Overtredingen van de verbodsbepaling van de Wnb ten aanzien van vogels vallen niet uit te sluiten. Door de werkzaamheden buiten het broedseizoen (half maart tot half augustus) uit te voeren is echter voor broedvogels zonder jaarrond beschermde nesten een overtreding van de verbodsbepalingen van de Wnb uitgesloten. Dit dient te worden vastgelegd in een ecologisch werkprotocol. Een aanvullende onderzoek naar jaarrond beschermde nesten in het bos is noodzakelijk. Wanneer aanwezigheid van dit soort nesten wordt aangetoond is een aanvraag voor een ontheffing in het kader van de Wnb noodzakelijk. Voor de beschermde soorten zal aanvullend onderzoek uitgevoerd worden. Dit onderzoek richt zich op de volgende soorten: Vleermuizen Reptielen Jaarrond beschermde nesten in bomen Boommarter Eekhoorn Het is in de lijn der verwachtingen dat alle ontheffingen worden verkregen en dat daar waar negatieve effecten optreden, passende en mitigrerende dan wel compenserende maatregelen worden uitgewerkt en/of worden genomen. Natuurnetwerk Nederland Herontwikkeling van het terrein vindt voor een klein gedeelte plaats binnen de bestaande begrenzing van het Natuurnetwerk Nederland (hierna NNN).

Op een aantal locaties zal hierdoor mogelijk sprake zijn van aantasting van de wezenlijke kenmerken en waarden van het NNN. In het kader van dit bestemmingsplan is een nadere onderbouwing (Herontwikkeling Willem Arntsz Hoeve Den Dolder Historische Middenas NNN-toets, Royal HaskoningDHV, 17 maart 2023, Bijlage 11) opgesteld van de mogelijke aantasting van het NNN op de planlocatie en zijn mogelijke maatregelen om de effecten te voorkomen (mitigeren) en maatregelen om een meerwaarde te creëren inzichtelijk gemaakt. De nieuw te ontwikkelen gronden binnen het huidige NNN hebben geen natuurwaarde, vormen daarmee geen aantasting van het NNN en hoeven derhalve niet tot het NNN gerekend te worden. Daarnaast wordt 8.688 m2 gronden met bestaande natuurwaarden toegevoegd aan het NNN. De effecten op NNN zijn weergegeven in tabel 5.8. Tabel 5.8: effecten op het NNN, met + of een – is per saldo de aantasting of meerwaarde aangeduid

Willem Arntsz Hoeve - Historische Middenas

64

Kappen Op vier deellocaties in de HMA zal in totaal 1,1 hectare bos worden gekapt ten behoeve van woningbouw en een parkeerplaats. De te kappen bomen worden conform de afspraken gemaakt in het kader van het programma Hart van de Heuvelrug gecompenseerd worden door de plant van bomen in Kamp van Zeist. Er wordt op deze locatie 18,8 hectare natuur toegevoegd. Deze toevoeging van hectares groen dienen ter compensatie van verschillende bouwontwikkelingen in het programma. Het totale overzicht van rode en groene ontwikkelingen wordt administratief bijgehouden in de zogenaamde rood-groen balans Hart van de Heuvelrug. Deze balans is in evenwicht. Stikstofdepositie Conform de Wet natuurbescherming (Wnb) dient bij nieuwe activiteiten getoetst te worden of binnen nabijgelegen Natura 2000-gebieden significant negatieve effecten als gevolg van stikstofdepositie kunnen optreden. Voor het bestemmingsplan dient aangetoond te worden dat de stikstofdepositie in de aanlegfase (tijdens de realisatie) en de gebruiksfase (na realisatie en bij ingebruikname van de nieuwe functies) geen significant negatieve effecten heeft op Natura 2000-gebieden. Daarvoor is een AERIUS-berekening uitgevoerd (Stikstofdepositie Historische Midden As, Royal HaskoningDHV, 27 februari 2023, Bijlage 13).

De berekeningen laten zien dat er in de aanlegfase geen toename in stikstofdepositie wordt berekend met AERIUS Calculator (0,00 mol N/ha/j). Er kan worden geconcludeerd dat bij het inzetten van Stage IV en elektrisch materieel de emissies als gevolg van de bouwwerkzaamheden geen significant negatieve effecten op de natuurwaarden van de omliggende Natura 2000-gebieden hebben. Het is aannemelijk dat minimaal materieel Stage IV en elektrisch wordt ingezet omdat de materieelinzet volgt uit het uitvoeringsbestek dat onderdeel zal zijn van de uitvoeringscontracten. De herinrichting en nieuwbouw in het gebied rond de WA-Hoeve veroorzaken een blijvende toename in verkeersbewegingen tijdens de gebruiksfase. Het aantal extra verkeersbewegingen van en naar de HMA is gebaseerd op CROW kentallen voor de categorie “Niet-stedelijk buitengebied”. Hierbij wordt onderscheid gemaakt tussen woningtypen en gebruiksfuncties van overige gebouwen (zie bijlage 2 van Bijlage 13). Nieuwbouwwoningen mogen met ingang van 1 juli 2018 niet meer worden aangesloten op het aardgasnet waardoor er tijdens de gebruiksfase geen emissies van gasgestookte installaties zullen optreden. Voor de permanente gebruiksfase wordt geen toename van de stikstofdepositie in Natura 2000-gebieden berekend (0,00 mol N/ha/j).

Tijdens de gebruiksfase van de Willem Arntsz Hoeve in Den Dolder kunnen significant negatieve effecten als gevolg van het plan dan ook worden uitgesloten. Conclusie Tabel 5.9 geeft een beknopte samenvatting van de bevindingen van het nader onderzoek naar beschermde soorten in en rondom het plangebied van de Historisch Middenas (HMA) aan de Vijverhof te Den Dolder, provincie Utrecht. Daarnaast is in het overzicht een samenvatting van de effecten op aangetroffen leefgebiedsfuncties opgenomen. Ook is beschreven of en zo ja op welke wijze negatieve effecten voorkomen kunnen worden door het nemen van maatregelen of dat aanvullende maatregelen nodig zijn om optredende effecten te mitigeren en een ontheffing noodzakelijk is. Tabel 5.9: bevindingen nader onderzoek beschermde soorten

Willem Arntsz Hoeve - Historische Middenas

65

Op basis van dit overzicht moet worden gesteld dat er meerdere maatregelen noodzakelijk zijn om de aanwezige flora en fauna voldoende te beschermen. Ten aanzien van de aanwezigheid van vleermuizen is een ontheffing noodzakelijk. Ten aanzien van grondgebonden zoogdieren moeten voorzorgsmaatregelen worden getroffen. Ten aanzien van reptielen moet eveneens een ontheffing worden aangevraagd. Verder dient er een nader op te stellen activiteitenplan of mitigatieplan te worden uitgewerkt. De werkzaamheden moeten onder begeleiding van een ter zake kundige ecoloog op het gebied van reptielen worden begeleidt en dient er met de werkzaamheden in de zomerperiode rekening te worden gehouden met andere diersoorten. Het is de verwachting dat alle benodigde ontheffingen worden verleend. Uit de natuurtoets blijkt dat er verschillende soorten voorwaarden opgenomen moeten worden om overtredingen van de Wet natuurbescherming te voorkomen. Hier zal opvolging aan gegeven worden. Planologische gebiedsbescherming (NNN) De ontwikkeling van het plangebied zal geen aantasting van de wezenlijke waarden en kenmerken van het NNN veroorzaken. Kappen De te kappen bomen worden gecompenseerd in het plan Kamp Zeist. Stikstofdepositie Voor zowel de aanleg- als de gebruiksfase wordt geen toename van de stikstofdepositie in Natura

Willem Arntsz Hoeve - Historische Middenas

66

2000-gebieden berekend (0,00 mol N/ha/j). Voor het bestemmingsplan vormt stikstofdepositie dan ook geen belemmering.

5.10

Archeologie en cultuurhistorie

Wettelijk kader Erfgoedwet Op 1 juli 2016 is de Erfgoedwet in werking getreden. Deze wet bundelt meerdere wetten en regelingen op gebied van behoud en beheer van cultureel erfgoed, waaronder de Monumentenwet 1988. Het deel van de Monumentenwet dat betrekking heeft op de fysieke leefomgeving gaat over naar de Omgevingswet welke naar verwachting in 2021 in werking treedt. Tot die tijd valt dit onderdeel binnen de overgangsregeling van de Erfgoedwet. Hierin staat dat bij de vaststelling van een bestemmingsplan rekening dient te worden gehouden met de in de grond aanwezige danwel te verwachten monumenten. Erfgoedverordening Zeist 2021 De erfgoedverordening Zeist 2021 biedt onder andere de mogelijkheid tot het aanwijzen van gemeentelijke monumenten, het instellen van een gemeentelijk erfgoedregister (voorheen monumentenlijst) en het instellen van een vergunningsplicht voor het wijzigen van gemeentelijke monumenten. Daarnaast zijn regels gesteld aan het beschermen van mogelijke archeologische waarden. Onderzoek Archeologie Door Vestigia is een archeologisch vooronderzoek uitgevoerd (Archeologisch vooronderzoek in het kader van geplande woningbouw op de locatie Dolderse Hille te Den Dolder gemeente Zeist, Vestigia, 26 mei 2020, Bijlage 14). Daarin zijn eerder uitgevoerde onderzoeken nader bekeken en is de archeologische waarde bepaalt voor de HMA.

Voor de dekzandgebieden, de stuifzandgebieden en de deels bebouwde gebieden (met uitzondering van de huidige bouwvlakken) geldt een middelhoge verwachting voor archeologische resten uit het Mesolithicum tot de Bronstijd en voor de Middeleeuwen/Nieuwe tijd. Dit betreft het hele plangebied met uitzondering van de huidige bebouwde gronden. Voor het gehele gebied zijn de volgende ontheffingscriteria van toepassing: oppervlakte plangebied tot 1000 m2; diepte bodemingreep tot 30 centimeter beneden maaiveld. Indien deze vrijstellingsgrenzen overschreden worden dient inventariserend veldonderzoek (karterende fase) uitgevoerd te worden. Cultuurhistorie In paragraaf 2.1 is reeds ingegaan op het aspect cultuurhistorie. In het plan worden de cultuurhistorische waarden, met name de karakteristieke en monumentale gebouwen en de historisch waardevolle structuren optimaal benut om een echte meerwaarde te leveren aan de ruimtelijke kwaliteit. Conclusie Ter bescherming van mogelijk aanwezige archeologische waarden is voor het gehele plangebied de dubbelbestemming Waarde - Archeologie 2 met bijbehorende vergunningenstelstel opgenomen op de verbeelding en in de planregels. Om de cultuurhistorische waarde van het Willem Arntsz complex veilig te stellen is op een groot deel van het plangebied een dubbelbestemming 'Waarde - Cultuurhistorie' met bijbehorende vergunningenstelsel opgenomen.

Het bestemmingsplan kan uitvoerbaar worden geacht met het oog op de aspecten archeologie en cultuurhistorie.

Willem Arntsz Hoeve - Historische Middenas

67

5.11

Niet gesprongen explosieven

Wettelijk kader In Nederland zijn in de (Eerste en) Tweede Wereldoorlog (WOII) veel munitie en explosieven achtergebleven in de (water)bodem, die niet tot ontploffing zijn gekomen: conventionele explosieven (CE). Op het moment dat in de nabijheid van deze niet-gesprongen explosieven trillingen worden veroorzaakt of grondwerkzaamheden in de bodem worden uitgevoerd, kunnen deze alsnog afgaan. Denk bijvoorbeeld aan werkzaamheden als graven, boren, heien en grondverzet. Dit levert gevaar op voor de veiligheid en gezondheid van werknemers, uitvoerders en andere personen in de omgeving van de werkzaamheden.Om de risico’s van ongewenst afgaan van CE zo veel mogelijk te beperken, is voldoende en goed vooronderzoek (en indien nodig vervolgstappen opsporing) door een deskundige belangrijk. De verantwoordelijkheid voor het onderzoek naar (en de ruiming van) eventuele explosieven ligt in eerste instantie bij de RWS, als opdrachtgever/initiatiefnemer van de graaf- en grondwerkzaamheden. Het opsporen van CE die als gevolg van WOII in de (water)bodem zijn achtergebleven, mag op grond van het Arbobesluit alleen plaatsvinden door bedrijven die hiervoor gecertificeerd zijn. Bijlage XII bij de Arbeidsomstandighedenregeling (Arboregeling bij de Arbowet) bevatte het Werkveldspecifiek certificatieschema voor het systeemcertificaat Opsporen Conventionele Explosieven (WSCS-OCE).

Deze is sinds per 1 januari 2020 vervangen door het Certificatieschema Opsporen Ontplofbare Oorlogsresten (CS-OOO). In het CS-OOO staat beschreven welke bronnen in het vooronderzoek (tenminste) moeten worden geraadpleegd en op welke wijze de beoordeling van het bronnenmateriaal moet plaatsvinden. Hiermee is de ‘minimale onderzoeksinspanning' voor het vooronderzoek omschreven. Onderzoek Door AVG is een Niet-gesprongen explosieven vooronderzoek (Vooronderzoek CE, Willem Arntsz Hoeve Den Dolder, 14-05-2021) naar de aanwezigheid van conventionele explosieven uitgevoerd ter plaatse van de projectlocatie WA-Hoeve. Hier worden in de toekomst diverse bodemingrepen uitgevoerd ten behoeve van de herontwikkeling van het terrein. Dit onderzoek is in zijn geheel in te zien in Bijlage 15. Op basis van de beoordeelde feiten van het vooronderzoek is geconcludeerd dat er geen indicaties zijn voor de mogelijke aanwezigheid van CE in het plangebied van de HMA. Conclusie Er zijn geen indicaties voor de mogelijke aanwezigheid van conventionele explosieven in het plangebied van de HMA. Het bestemmingsplan is dan ook uitvoerbaar met het oog op niet gesprongen explosieven.

5.12

Duurzaamheid

Beleidskader Duurzaam bouwen heeft betrekking op de wijze waarop wordt gebouwd en gesloopt. Aandachtspunten zijn energie en milieu, maar ook gezondheid en toekomstwaarde en gebruikswaarde. Deze eisen worden niet vastgelegd in het bestemmingsplan, maar kunnen wel ruimtelijke gevolgen hebben. Voor duurzaam bouwen is geen wetgevend kader vastgelegd op nationaal niveau. Er zijn alleen eisen opgenomen in het bouwbesluit die worden getoetst bij de aanvragen voor een bouwvergunning. Voor het meetbaar maken van de duurzaamheid op gebouwniveau maakt de gemeente Zeist gebruik van het instrument GPR Gebouw. In het instrument wordt onderscheid gemaakt in de thema's materialen, energie, water, afval, gezondheid en woonkwaliteit. Gebouwontwerpen kunnen getoetst worden aan een van tevoren bepaald ambitieniveau door de maatregelen in te voeren in het digitale instrument GPR Gebouw. De te nemen maatregelen kunnen door de gemeente of ontwikkelaar zelf worden gekozen om een bepaald niveau te bereiken. Dit instrument is toepasbaar voor utiliteitsgebouwen, scholen en woningen. GPR Gebouw geeft per thema een 'rapportcijfer' uiteenlopend van 6 (bouwbesluit niveau/minimaal) tot 10 (zeer goed). Voordat de definitieve afspraken over de bouw van het complex worden gemaakt, wordt een gewenste prestatie per thema bepaald.

Willem Arntsz Hoeve - Historische Middenas

68

Resultaten Voor de WA-Hoeve geldt als gebiedsambitie voor woningen een gemiddelde score van 8,0 tot 8,5, voor overige functies wordt uitgegaan van een score van 7,5 tot 8,0 (GPR Gebouw versie 4.3). Voor de nieuwbouwwoningen op de WA-Hoeve wordt uitgegaan dat ze voldoen aan 'Nul-op-de-meter (NOM)'. Een passende ambitie in een natuurrijke omgeving als deze. Voor deze wijk betekent dit dat deze het groene wonen gaat uitstralen. Er is sprake van milieuvriendelijk bouwen omdat het energieverbruik van de woningen wordt beperkt en daarmee de uitstoot van broeikasgassen. Verder wordt er ingezet op een duurzame energievoorziening voor de WA-Hoeve. Vanwege de monumentale infrastructuur met te behouden lanen is de toepassing van een collectieve warmtekoudeopslag (WKO) als duurzaam energiesysteem niet rendabel te ontwikkelen. Omdat er geen gasaansluiting gerealiseerd wordt bij nieuwbouw, zal worden ingezet op individuele WKO-systemen of mogelijk nieuwere technieken waarmee de energiedoelstellingen behaald worden. Voor de monumentale panden zal op gebouwniveau worden onderzocht op welke wijze deze zo energiezuinig mogelijk kunnen worden geëxploiteerd. Dit kan er in de praktijk op neerkomen dat er een gasaansluiting naar de monumenten wordt aangelegd. Om de biodiversiteit te versterken wordt de nieuwbouw natuurinclusief gebouwd.

Ten behoeve van de inrichting van de openbare en de privégebieden, wordt natuur inclusief ontworpen, waardoor onder andere regenwater zoveel als mogelijk direct kan worden geïntegreerd in de bodem. Conclusie Op de WA-Hoeve wordt zo duurzaam mogelijk ontwikkeld, maar wel passende bij de kenmerken van het het plangebied. Daarmee is in dit bestemmingsplan voldoende inzicht gegeven in de omgang met het aspect duurzaamheid.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/13718910/1