CConstaterende datZandvoort
Koppel je AI →
Document · PDF

Collegebesluiten 20 januari - 29 april 2026

Raadscommissie 19 mei 2026, gemeente ZandvoortBij agendapunt: Overzichten30.039 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 3 van 4

De gemeenten uit deze drie deelregio’s onderzoeken vanuit gelijkwaardige posities waar in de komende jaren meer samenwerking en eventueel uitruil mogelijk is, voor die gevallen waarvan dat logisch is. Dit leidt niet tot een gedwongen ‘redistributie’ waarbij het aantal urgent woningzoekenden gelijk over de gemeenten wordt verspreid. 1. Risico’s en kanttekeningen 4.1 Risico’s 1. De Wet Versterking regie volkshuisvesting is nog niet vastgesteld, uitwerking van de kaders voor woningbouwprogrammering kunnen nog wijzigen. De wet is nog niet vastgesteld. Zo staat nu aangegeven dat gemeenten die nu weinig sociale huur hebben, en onder het landelijk gemiddelde zitten, 30% sociale huurwoningen in hun woningbouwprogrammering moeten opnemen en gemeenten die hier boven zitten meer dan 40% betaalbare koop- en midden huurwoningen moeten toevoegen. Als uitgangspunt geldt dat binnen de woningbouwregio er gezamenlijk voor gezorgd wordt dat 30% sociaal een minimum is, primair op deelregio niveau, maar zeker ook regionaal op woningbouwniveau. Afwijking naar beneden betekent dat andere regio’s of gemeenten meer moeten doen. Dit kan alleen in gezamenlijk overleg, primair binnen de deelregio en pas daarna eventueel tussen deelregio’s. De verwachting is dat de gemeente Zandvoort na vaststelling van de Wet Versterking regie volkshuisvesting 30% sociaal in het nieuwbouwprogramma moet toevoegen.

Vooralsnog komt dit overeen met de het uitgangspunt 30%-35%-15%-20% dat de gemeente Zandvoort hanteert. De komende periode worden op MRA-niveau nog aanvullende afspraken gemaakt hierover. Wel kan het zijn dat bij het realiseren (en afspraken) van teveel sociale huurwoningen (meer dan 30%), door het

Kenmerk: 2026/66260

6/8

Rijk gekort kan gaan worden op toekomstige subsidiemogelijkheden. Met het aantreden van de nieuwe regering kan het wetsvoorstel nog vertragen c.q. aangepast worden op onderdelen. Het coalitie akkoord 2026-2030 ‘Aan de slag’ staat het volgende: “Bij nieuwe Woondeals streven we naar 2/3 betaalbaar, waarvan 30% sociale huur en 25% betaalbare koop. Dit kan per regio verschillen. Ook in relatief dure regio’s zoals de Randstad is een woningtekort en zal meer geïnvesteerd en gebouwd moeten worden”. Mogelijk kan dit betekenen dat er maatwerk in regio’s kan worden toegepast. 4.2 Kanttekeningen n.v.t. 2. Consequenties en uitvoering 5.1 Financiën De keuze voor de woningbouw- en woningmarktregio heeft vooralsnog geen financiële consequenties. 5.2 Communicatie De communicatie, om te komen tot een keuze van een woningbouwregio en een woningmarktregio, verloopt momenteel via de provincie Noord-Holland. 5.3 Participatie De provincie heeft de gemeenten om advies gevraagd over de vorming van de woningbouw- en woningmarktregio, voordat de provincie deze regio’s vaststelt. De gemeente Zandvoort heeft samen met de regiogemeenten Zuid-Kennemerland/IJmond hierover gesproken (meebeslissen). Daarnaast is er met de regionale corporaties het gesprek hierover gevoerd (meedenken). De zorgpartijen zijn daarbij ook geïnformeerd (meeweten).

Op basis van deze gesprekken zijn de portefeuillehouders Volkshuisvesting, gehoord de portefeuillehouders zorg en welzijn, tot een eenduidig advies gekomen binnen het portefeuillehoudersoverleg Volkshuisvesting Zuid-Kennemerland/IJmond. Dit advies is ingebracht in het PHO MRA Bouwen en Wonen van 29 januari jl. Dit advies wordt nu door elk college apart geformaliseerd. 5.4 Juridisch De keuze voor een woningbouw- en woningmarktregio komt voort uit de Nationale Woon- en Bouwagenda. Het juridisch instrumentarium hiervoor is vastgelegd in het Wetsvoorstel Versterking regie volkshuisvesting. Een van de instructies hieruit is dat de provincie, na overleg met de gemeenten (colleges van Burgemeester en Wethouders), de woningbouw- en woningmarktregio afbakent. Bovendien dient bij het inwerkingtreding van de Wet Versterking regie volkshuisvesting de woningbouwregio in de omgevingsverordening geïmplementeerd te zijn. Hetzelfde geldt voor een besluit van Gedeputeerde Staten over de woningmarktregio.

Kenmerk: 2026/66260

7/8

5.5 Planning De provincie heeft aan de gemeenten, waaronder de gemeente Zandvoort, gevraagd zo spoedig mogelijk een advies te geven over de vorming van de woningbouw- en woningmarktregio. De provincie, gehoord de gemeenten (met collegebesluiten), neemt een voorgenomen besluit over de woningbouwregio en woningmarktregio. De provincie dient haar omgevingsverordening eind maart gaan aanpassen om deze eind 2026 vastgesteld te hebben. Hier moet helder verwoord staan wat de woningbouwregio wordt. De verdere uitwerking naar prijssegmenten binnen de woningbouwregio wordt de komende periode verder besproken. Nadat de Wet Versterking regie volkshuisvesting in werking treedt, zal de woningbouwregio en woningmarktregio van kracht zijn. 6. Bijlagen n.v.t.

Kenmerk: 2026/66260

8/8

Collegebesluit

Onderwerp Evaluatie elektrisch laden voertuigen in de openbare ruimte door kabelgoten en het vervolg Nummer Portefeuillehouder Programma/beleidsveld Afdeling Auteur Telefoonnummer Email Kernboodschap

2025/552468 Bluijs, G.J. 4.3. Leefomgeving BBOR O. Belhachemi obelhachemi@haarlem.nl Begin 2024 is bij 10 adressen in Zandvoort als proef (onder voorwaarden) een kabelgoot in de openbare ruimte aangelegd. Dit als invulling van de motie vreemd ‘Laadpalen’ van 26 maart 2024 (Motie vreemd laadpalen - 26 maart 2024). Hierin werd gevraagd een pilot te starten met kabelgoottegels in de bestrating, zodat de kabels niet over de straat lopen. Na een jaar moest een evaluatie plaatsvinden over de impact en het functioneren van de goten. Het is nu het moment om het functioneren van dergelijke kabelgoten te evalueren. Hiervoor hebben wij onder meer deelnemers, omliggende bewoners, handhaving en de verkeerspolitie gevraagd naar hun bevindingen. Dit gebeurde door de deelnemers en omwonenden digitaal uit te nodigen om een reactieformulier in te vullen. Het functioneren hiervan wordt positief beoordeeld door deze partijen, met uitzondering van enkele omwonenden. Het college kiest er echter voor om geen nieuwe kabelgoten meer aan te leggen of bestaande uit te breiden, maar in plaats daarvan het gebruik van goedgekeurde kabelmatten toe te staan. Deze keuze is gebaseerd op de flexibiliteit, lagere aanlegen onderhoudskosten, beperkte inzet van ambtelijke capaciteit, eenvoudige verwijderbaarheid en de betere aansluiting bij het tijdelijke karakter van VPA’s.

Daarnaast hebben kabelmatten minder ruimtelijke impact en verkleinen zij het risico op precedentwerking en claims op vaste voorzieningen. Deze keuze sluit ook aan bij een landelijke ontwikkeling waarbij steeds meer gemeente dezelfde afweging maken. Op basis van de Algemene plaatselijke verordening is het laden vanaf eigen terrein niet toegestaan. Een kabel die over de weg ligt kan immers zorgen voor onveiligheid of onbruikbaarheid van de weg. Het college is bevoegd tot besluitvorming over de vaststelling van regels waarmee het gebruik van een laadkabel over de weg wel is toegestaan. Deze worden opgenomen in: ’Nadere

Kenmerk: 2025/552468

1/11

regels elektrisch laden van voertuigen in de openbare ruimte vanuit een private laadvoorziening’ en hebben betrekking op onderwerpen die vallen onder artikel 2:10 van de Algemene Plaatselijke Verordening (APV). Behandelvoorstel voor de raad

Het college stuurt het collegebesluit ter kennisname naar de raad.

Relevante eerdere besluiten Besluit college d.d. 3 maart 2026

Motie vreemd laadpalen - 26 maart 2024 Het college van burgemeester en wethouders besluit: 1. Geen nieuwe kabelgoten meer aan te leggen, maar de gerealiseerde kabelgoten te handhaven en de gebruikers hiervoor geen kosten in rekening te brengen 2. De nadere regels elektrisch laden van voertuigen in de openbare ruimte vanuit private laadvoorziening Zandvoort 2026 vast te stellen de secretaris,

de burgemeester,

1. Aanleiding Begin 2024 is bij 10 adressen in Zandvoort als proef (onder voorwaarden) een kabelgoot in de openbare ruimte aangelegd. Dit als invulling van de motie vreemd ‘Laadpalen’ van 26 maart 2024. Hierin werd gevraagd een pilot te starten met kabelgoottegels in de bestrating, zodat de kabels niet over de straat lopen en de wildgroei van verschillende, niet goed functionerende, kabelmatten gestopt kon worden. Na een jaar moest een evaluatie plaatsvinden met de 10 deelnemers en de omwonenden. Aanvullend hierop zijn ook de verkeerspolitie, Spaarnelanden, handhaving gevraagd naar het functioneren van de kabelgoten. De meerderheid stond positief tegenover het gebruik van kabelgoten met uitzondering van enkele omwonenden. Toch kiest het college ervoor om geen nieuwe kabelgoten meer aan te leggen of bestaande uit te breiden, maar in plaats daarvan het gebruik van goedgekeurde kabelmatten toe te staan.

Steeds meer gemeenten kiezen er recentelijk voor om het gebruik van kabelmatten toe te staan als vorm van een Verlengde Private Aansluiting (VPA) voor het opladen van elektrische voertuigen in de openbare ruimte. Gemeenten zoals Heemstede, Haarlem, Amersfoort, Zaanstad, Schagen, Alphen aan den Rijn, ’s-Hertogenbosch, Haarlemmermeer en Nieuwegein hebben deze lijn inmiddels gevolgd. Deze ontwikkeling zet zich landelijk voort in een stijgende lijn.

Kenmerk: 2025/552468

2/11

De keuze voor het toelaten van kabelmatten is mede ingegeven door de voordelen die deze voorziening biedt ten opzichte van andere VPA-vormen, zoals kabelgoten en kabelarmen. Kabelmatten zijn relatief flexibel inzetbaar, hebben beperkte tot geen claim op ambtelijke capaciteit (leges, vergunningen en overige) kennen lagere aanleg- en onderhoudskosten, zijn eenvoudig te verwijderen en passen beter bij het tijdelijke karakter van VPA’s. Daarnaast beperken zij de ruimtelijke impact in de openbare ruimte en verminderen zij het risico op precedentwerking en claims op vaste voorzieningen. Het college van de gemeente Zandvoort sluit aan bij deze ontwikkeling. Het college kiest ervoor om kabelgoten niet verder uit te breiden of nieuw aan te leggen, maar ruimte te bieden aan het gebruik van een goedgekeurde kabelmat, mits wordt voldaan aan nader te stellen voorwaarden op het gebied van veiligheid, toegankelijkheid en beheer van de openbare ruimte. Via de gemeentesite zou deze informatie beschikbaar komen. Handhaving kan dan o.b.v. deze nadere regels en de voorwaarden van de kabelmatten handhaven. VPA’s zijn een relatief nieuwe ontwikkeling. Iedere gemeente dient hierin een eigen afweging te maken ten aanzien van het al dan niet toestaan en de wijze waarop deze voorzieningen worden gereguleerd.

Het voornemen is om het beleid rondom kabelmatten na een periode van drie jaar te evalueren en, indien nodig, bij te stellen.

2. Beoogd resultaat Het college besluit: 1. Geen nieuwe kabelgoten meer aan te leggen, maar de gerealiseerde kabelgoten te handhaven en de gebruikers hiervoor geen kosten in rekening te brengen.

2. De nadere regels elektrisch laden van voertuigen in de openbare ruimte vanuit een private laadvoorziening op nemen en vast te stellen.

Beoogd resultaat Met het vaststellen van nadere regels op grond van artikel 2:10 van de APV wordt duidelijkheid geboden over het gebruik van een verlengde private aansluiting voor het opladen van elektrische voertuigen in Zandvoort. Hierdoor wordt het mogelijk om een elektrisch voertuig vanaf eigen terrein op een veilige en gereguleerde wijze te laden. Dit draagt bij aan het stimuleren van elektrisch rijden en levert een bijdrage aan de vermindering van de CO2 -uitstoot van het gemotoriseerde verkeer binnen de gemeente Zandvoort. Door een flexibel systeem te faciliteren zijn Europese en landelijke ontwikkelingen rondom verlengde private aansluitingen makkelijker te volgen.

Kenmerk: 2025/552468

3/11

3. Onderbouwing voorstel 3.1. De kabelmat biedt een acceptabel alternatief voor de kabelgoot De kabelmat kent op meerdere onderdelen duidelijke voordelen ten opzichte van de andere soorten VPA’s waaronder de kabelgoot die toegepast was het afgelopen jaar tijdens de pilot en bijvoorbeeld een laadarm: -

De kabelmat is financieel toegankelijker voor inwoners, waardoor de investeringsdrempel lager is en de terugverdientijd korter. De investering voor een kabelmat bedraagt circa € 50,– , terwijl de investering voor een kabelgoot gemiddeld € 773,– bedraagt. Dit bedrag bestaat uit kabelgoottegels (€ 200,–), aanlegkosten (€ 200,–) en een inschatting van legeskosten (€ 373,– ). Ongeacht de keuze voor een VPA maken gebruikers vooraf gemiddeld € 1.800,– aan kosten. Hieronder vallen onder andere het verzwaren van de netaansluiting (circa € 300,–) en het realiseren van een oplaadpunt (circa € 1.500,–). De genoemde bedragen zijn indicatief en gebaseerd op ervaringen in andere gemeenten.

-

De toepassing van kabelmatten vraagt geen ambtelijke inzet, aangezien geen vergunningplicht geldt en de administratieve lasten ook niet optreden. Er vindt namelijk geen aanvraagproces plaats, waardoor geen ambtelijke capaciteit benodigd is in vergelijking met een kabelgoot of kabelarm waar dit wel benodigd is.

-

De oplossing is flexibel en zonder infrastructurele ingrepen toe te passen, waardoor deze eenvoudig kan worden beëindigd of aangepast bij beleidswijzigingen. We zien de afgelopen jaren dynamische ontwikkelingen van laadinfrastructuur die continu doorgaan.

-

De kabelmat is niet permanent aanwezig in het straatbeeld en belemmert daarmee geen toekomstige ruimtelijke ontwikkelingen, zoals herinrichting of vergroening van straten.

-

De kabelmat veroorzaakt minder claimgedrag op parkeerplaatsen, doordat geen vaste of permanente voorziening wordt aangebracht. Dit voorkomt conflicten en gevoel van ongelijkheid wat bij buurtbewoners kan ontstaan.

-

Er zijn geen onderhoudsverplichtingen of bijkomende kosten voor de gemeente. Ook voor de gebruikers zijn de kosten lager, ze hoeven immers geen leges en aanlegkosten van de laadgoot te betalen.

-

Door het stellen van duidelijke nadere regels kan de toegankelijkheid van het trottoir worden geborgd en kan gericht worden gehandhaafd op gebruik en kwaliteit.

-

De kabelmat sluit goed aan bij het tijdelijke karakter van de regeling en kan eenvoudig worden verwijderd en, indien gewenst, elders opnieuw worden ingezet.

Kenmerk: 2025/552468

4/11

3.2. Anticiperen op toekomstige ontwikkelingen in laadinfrastructuur Een ander belangrijk uitgangspunt bij de keuze voor de kabelmat is de verwachting dat de laadinfrastructuur zich de komende jaren sterk zal blijven ontwikkelen, waardoor een flexibele en minder kostbare oplossing de voorkeur heeft. Hierdoor kan efficiënter en sneller kan worden ingespeeld op nieuwe ontwikkelingen binnen de laadsector. Laadinfrastructuur is namelijk een sector die zich continu ontwikkelt en waarvan wordt verwacht dat deze ontwikkelingen zich de komende jaren in hoog tempo zullen voortzetten. Hierbij kan onder meer worden gedacht aan bidirectioneel laden (de auto geeft stroom terug), publiek laden met een individueel energiecontract, de verdere groei van het snellaadnetwerk, slimme laadtechnieken en de doorontwikkeling van batterijcapaciteit en -efficiëntie. Deze ontwikkelingen leiden tot veranderingen in de wijze en intensiteit van laden en markeren een transitiefase voor elektrisch vervoer. In deze fase is het onzeker of VPA-oplossing op de langere termijn noodzakelijk blijven. Gelet hierop is het wenselijk om aan het toestaan van VPA’s een tijdelijke termijn te verbinden, van drie jaar. Na afloop van deze termijn kan worden beoordeeld in hoeverre de ontwikkelingen binnen de laadinfrastructuur zich hebben doorgezet en of de VPA-oplossing nog passend is binnen het dan geldende kader.

Het hanteren van een tijdelijke termijn heeft gevolgen voor de keuze van de meest geschikte VPA-oplossing. Investeringen dienen binnen een relatief korte periode te kunnen worden terugverdiend en de toegepaste oplossing moet eenvoudig te verwijderen zijn. Daarbij verdient het de voorkeur dat het gebruikte materiaal elders opnieuw kan worden ingezet, met het oog op duurzaamheid en doelmatig gebruik van middelen. Het toepassen van kabelgoten sluit minder goed aan bij deze uitgangspunten, waar de afgelopen pilot van een jaar is uitgevoerd. De kabelmat sluit daarentegen beter aan bij de gestelde randvoorwaarden, 3.3. Toepassing van kabelmatten als VPA-oplossing mogelijk binnen CROW-richtlijnen en Toegankelijk Zandvoort proef CROW, het kennisinstituut voor infrastructuur, openbare ruimte, verkeer en vervoer, ontwikkelt richtlijnen voor een veilige en duurzame inrichting van de fysieke leefomgeving. In dit kader zijn concept-richtlijnen opgesteld voor de toegankelijkheid van VPA’s. Hierin wordt aangegeven dat kabelmatten onder voorwaarden als oplossing toepasbaar kunnen zijn. Tegelijkertijd kunnen kabelmatten in de praktijk hinder en struikelgevaar opleveren, met name voor gebruikers van rolstoelen, rollators en kinderwagens. Toepassing van kabelmatten vereist daarom het stellen van duidelijke randvoorwaarden.

CROW heeft hiervoor eisen opgesteld, onder meer ten aanzien van hoogte, profiel en zichtbaarheid. Door deze richtlijnen te hanteren kan per situatie worden beoordeeld of toepassing van kabelmatten verantwoord is en geen onevenredige hinder of onveilige situaties veroorzaakt. Om te bepalen welk type kabelmat het meest geschikt is voor toepassing in de openbare ruimte, is een proef uitgevoerd in samenwerking met de ambassadeurs van Platform Toegankelijk Zandvoort. Tijdens

Kenmerk: 2025/552468

5/11

deze proef zijn verschillende kabelmatten getest die onderling verschilden in dimensionering, profiel en zichtbaarheid. Daarnaast zijn natte weersomstandigheden gesimuleerd door de kabelmatten te bevochtigen met water, om het gebruik onder realistische omstandigheden te beoordelen. Verschillende hulpmiddelen, waaronder een rolstoel, rollator en een tweewielig segway werden ingezet. Uit de proef blijkt dat een kabelmat als VPA-oplossing kan worden toegepast, mits deze voldoende zichtbaar is en stabiel blijft bij gebruik door onder andere rolstoelgebruikers. Daarbij is vastgesteld dat de hoogte van de kabelmat beperkt moet blijven, het toepassen van een zogenoemde kabelbrug wordt als onwenselijk beschouwd vanwege de negatieve effecten op de toegankelijkheid. De variant met een rubberen kabelmat met een bovenzijde van stofmateriaal is hierbij de voorkeur, vanwege de stroefheid en het gebruiksgemak voor voetgangers en gebruikers van hulpmiddelen. Een aandachtspunt hierbij is dat dit type kabelmat bij natte weersomstandigheden relatief lang vochtig kan blijven. Op basis van de resultaten van de praktijkproef wordt geconcludeerd dat het toestaan van kabelmatten in de openbare ruimte mogelijk is, mits hieraan duidelijke voorwaarden worden verbonden. De uitkomsten van de proef zijn verwerkt in de voorwaarden die zijn opgenomen in de nadere regels.

Deze nadere regels zijn opgenomen in bijlage A. Indien in de praktijk blijkt dat niet aan deze voorwaarden wordt voldaan, kan handhavend worden opgetreden.

Figuur 1 voorbeeld van een kabelmat en platte kabel

Figuur 2 proef met Toegankelijkheid Zandvoort

Kenmerk: 2025/552468

6/11

4. Risico´s en kanttekeningen 4.1 Risico´s 1. Minder grip op stroomnet Het toestaan van verlengd privaat laden via particuliere aansluitingen vermindert de sturingsmogelijkheden van de gemeente en het netbeheer op het lokale elektriciteitsnet. Publieke laadvoorzieningen zijn aangesloten op slimme infrastructuur, waardoor laadsessies centraal kunnen worden gemonitord en aangestuurd. Dit maakt het mogelijk om piekbelasting te beperken, laadtijden te spreiden en congestie op het netwerk te voorkomen. Bij laden via particuliere aansluitingen ontbreekt deze centrale regie grotendeels, waardoor het risico op gelijktijdige belasting van het net toeneemt, met name in de avonduren wanneer de netbelasting hoog is. Dit kan leiden tot overbelasting van het laagspanningsnet en mogelijk tot versnelling van netverzwaring. Indien het VPAbeleid in de toekomst leidt tot knelpunten op het elektriciteitsnet, kan het college besluiten het beleid te heroverwegen en zo nodig in te trekken, met inachtneming van een minimale looptijd van drie jaar.

4.2 Kanttekeningen 1. Niet voor elke bewoner toe te passen Niet iedere inwoner van Zandvoort kan gebruikmaken van een eigen laadkabel. Het toepassen van laden met een eigen kabel is uitsluitend toegestaan wanneer zich tussen de woning en het parkeervak enkel een trottoir bevindt. Situaties waarin zich groenstroken, fietspaden of waterlopen, tussen woning en parkeervak bevinden, komen hiervoor niet in aanmerking. Hierdoor is de regeling toepasbaar op een deel van de woonstraten binnen de gemeente en kan slechts een beperkt aantal inwoners hiervan profiteren. Overige inwoners blijven aangewezen op openbare laadvoorzieningen. Om die reden blijft het uitgangspunt dat laden met een eigen kabel de verdere uitrol en ontwikkeling van publieke laadinfrastructuur niet mag belemmeren. Indien blijkt dat hiervan sprake is, wordt de regeling voor laden met een eigen kabel ingetrokken. Deze vorm van laden blijft ondergeschikt aan de verdere uitrol van openbare laadvoorzieningen, in lijn met de nog vast te stellen Strategische Laadvisie van Zandvoort.

2. Laadtarief i.r.m. publieke laadvoorzieningen kunnen toenemen De gemeente participeert in de regionale concessie van MRA-e en profiteert daarbij van de schaalvoordelen die deze samenwerking biedt, waardoor gunstige laadtarieven kunnen worden

Kenmerk: 2025/552468

7/11

gerealiseerd. De introductie van laden via particuliere aansluitingen heeft echter invloed op de marktpositie en het verdienmodel van exploitanten van openbare laadinfrastructuur. Het is aannemelijk dat bij een toekomstige aanbesteding onderscheid kan worden gemaakt tussen gemeenten die het gebruik van private laadvoorzieningen toestaan en gemeenten die dit niet doen, aangezien particuliere aansluitingen een concurrerende werking hebben op het publieke laadnetwerk. Dit kan leiden tot hogere tarieven bij openbare laadpunten, hetgeen ongunstig is voor het streven om elektrisch vervoer voor een brede doelgroep toegankelijk en betaalbaar te houden. Om deze reden geldt als uitgangspunt dat verlengd privaat laden de aanleg en het gebruik van openbare laadvoorzieningen niet mag beperken. Mede hierom is gekozen voor het toepassen van kabelmatten. Indien zich alsnog een nadelig scenario voordoet, kan de regeling zonder complexe aanpassingen worden beëindigd, met inachtneming van de vastgestelde minimale looptijd van drie jaar.

3. Handhaven van het gebruik van type mat De handhaafbaarheid van het gebruik van kabelmatten vormt een aandachtspunt bij de uitvoering van deze regeling. Aangezien deze vorm van laden slechts een beperkt onderdeel uitmaakt van het totale handhavingsdomein met de rangordes, zal het toezicht in de praktijk voornamelijk passief van aard is. Toezicht vindt plaats tijdens de reguliere uitvoeringsrondes van de handhaving. Daarbij wordt in eerste instantie gehandhaafd door bewoners te waarschuwen en met hen in gesprek te gaan indien een kabelmat niet op de juiste wijze in de openbare ruimte is aangebracht conform de nadere regels. Indien dit in uitzonderlijke gevallen niet leidt tot een gedragsverandering, kan worden overgegaan tot het opleggen van een boete.

4.

De platte kabel en kabelmat zijn maar bij een beperkt aantal leveranciers beschikbaar

De platte kabel en de kabelmat die voldoen aan de vastgestelde voorwaarden zijn momenteel bij een beperkt aantal leveranciers verkrijgbaar. Dit biedt kansen voor lokale ondernemers in Zandvoort om in te spelen op deze ontwikkeling. Er wordt geen financiële bijdrage geleverd aan de ontwikkeling, productie of verkoop van deze VPA-varianten.

5. Uit de enquêteresultaten blijkt dat de deelnemers en omwonenden overwegende positief zijn over de pilot. Voor de evaluatie van het gebruik van de tien kabelgoten zijn na afloop van de pilot enquêtes afgenomen, op basis van bewonersbrieven die naar de tien deelnemers zijn gestuurd. Daarnaast zijn circa 200 directe omwonenden in de straten waar de kabelgoten aanwezig zijn benaderd om online de

Kenmerk: 2025/552468

8/11

enquête in te vullen. De resultaten laten zien dat de gebruikers tevreden zijn en dat ook de meerderheid van de omwonenden positief is. Bewoners (7 resp.) - Alle gebruikers zijn tevreden over het gebruik van de kabelgoot: 71% is zeer tevreden en 29% tevreden. - Tijdens het laden maakt 86% altijd gebruik van de kabelgoot en 14% gebruikt deze soms. - Wat betreft de frequentie gebruikt 57% de kabelgoot drie of meer keer per week. - 86% van de gebruikers ervaart nauwelijks tot geen overlast bij het gebruik van de kabelgoot. - 43% ondervindt geen moeite met het schoonmaken van de kabelgoot en 14% ervaart hier wel moeite mee, de overige gebruikers zijn hier nog niet mee in aanraking gekomen. - Ongeveer de helft van de gebruikers heeft de laadmomenten aangepast sinds de invoering van de kabelgoot. - Overige opmerkingen: De kabelgoot wordt overwegend positief beoordeeld, wel wordt als aandachtspunt genoemd dat het schoonmaken van de kabelgoot lastig kan zijn. Omwonenden (14 resp.) - Bekendheid kabelgoot: 100% wist dat er iemand een kabelgoot heeft in de straat. - Zichtbaar gebruik: 64% ziet de kabelgoot vaak gebruikt worden en 36% soms . - Moment van gebruik: 71% ziet wisselend gebruik per dag en 29% vooral in de avond/nacht .

- Parkeren op kabelgoot: 64% parkeert hier niet, 7% vanwege schaarste, 14% omdat het een vrije parkeerplaats is / dichterbij en 15% alleen als er geen andere plek is . - Auto’s zonder laden op de laadplek: 72% ziet dit soms , 21% vaak en 7% bijna nooit . - Ervaren parkeerdruk door aanwezigheid kabelgoot: 79% ervaart geen extra parkeerdruk, 14% wel en 7% weet het niet. - Interesse in elektrische auto: 29% heeft al een elektrische auto, 36% overweegt aankoop binnen 1–2 jaar, 14% twijfelt en 21% heeft geen interesse. - Interesse in een kabelgoot: 64% heeft interesse, 14% geen interesse en 22% weet het nog niet. - Overige opmerkingen: De kabelgoot wordt door een groot gedeelte goed ontvangen. Duidelijk wordt wel dat omwonenden vinden dat de aanwezigheid van kabelgoot zorgt voor schijneigendom van de parkeerplaats aan 1 specifieke bewoner en dit is een aspect dat als negatief wordt ervaren. Aanvullend hierop zijn partijen als, de handhaving en verkeerspolitie, positief over het gebruik van de laadgoot, er zijn geen klachten of conflicten bekend. Daarentegen ziet de uitvoerende organisatie MRAE-E Laadwerk dit wel als een ongewenste ontwikkeling in de openbare ruimte.

Kenmerk: 2025/552468

9/11

5. Consequenties en uitvoering 5.1 Financiën Aan de uitvoering van dit voorstel zijn geen realisatiekosten voor de gemeente verbonden. De uitvoering brengt uitsluitend inzet van ambtelijke capaciteit met zich mee bij de afdeling Handhaving voor het toezicht op en de handhaving van de vastgestelde voorwaarden. Dit wordt meegenomen in de dagelijkse toezicht rondes in de openbare ruimte. 5.2 Communicatie Bij de inwerkingtreding van de nadere regels wordt informatie over de toegestane wijze van verlengd privaat laden gepubliceerd op de gemeentelijke website. De nadere regels worden bekendgemaakt via het elektronisch gemeenteblad op Overheid.nl en zijn daar permanent raadpleegbaar. 5.3 Participatie VPA’s kunnen de toegankelijkheid van trottoirs voor minder valide verkeersdeelnemers negatief beïnvloeden, met name bij toepassing van kabelmatten. Om te beoordelen of gebruik hiervan verantwoord is, is samen met de ambassadeurs Toegankelijkheid Zandvoort onderzoek uitgevoerd waarbij verschillende kabelmatten en platte kabels zijn getest. Op basis hiervan zijn, in lijn met de CROW-richtlijnen, randvoorwaarden vastgesteld voor toepassing. Deze zijn opgenomen in bijlage A.

5.4 Juridisch Artikel 2:10 van de Algemene Plaatselijke Verordening (APV) bevat een algemeen verbod op het plaatsen van voorwerpen op, aan of boven de weg, indien daardoor de bruikbaarheid of veiligheid van de weg wordt belemmerd. Onder de weg wordt mede verstaan het trottoir. Dit betekent dat het aanbrengen van kabels over of boven het trottoir of de rijbaan in beginsel niet is toegestaan. Het derde lid van artikel 2:10 biedt het college de bevoegdheid om nadere regels vast te stellen ten aanzien van het gebruik van laadkabels ten behoeve van laadvoorzieningen. Met gebruikmaking van deze bevoegdheid worden nadere regels vastgesteld, waarin de technische eisen en gebruiksvoorwaarden zijn opgenomen waaraan de platte laadkabel en de kabelmat dienen te voldoen. Hiermee wordt geborgd dat de veiligheid, toegankelijkheid en bruikbaarheid van de openbare ruimte gewaarborgd blijven. De nadere regels worden na vaststelling op de voorgeschreven wijze bekendgemaakt. Met ingang van de datum van publicatie is het gebruik van de platte laadkabel en kabelmat toegestaan, mits wordt voldaan aan de daarin opgenomen voorwaarden. Tegen deze nadere regels staat geen bezwaar of beroep open, nu sprake is van algemeen verbindende voorschriften.

Kenmerk: 2025/552468

10/11

5.1 Planning Na vaststelling van het besluit worden de nadere regels voor het gebruik van de platte laadkabel en kabelmat gepubliceerd. Tegelijkertijd wordt via de gemeentelijke website en communicatiekanalen informatie gedeeld d.m.v. een verwijslink over de toegestane manier van verlengd privaat laden en de bijbehorende voorwaarden. In het uitvoeringsprogramma van de strategische Laadvisie wordt een evaluatiemoment opgenomen, waarbij de werking en effecten van deze regeling worden beoordeeld. Deze evaluatie vindt niet eerder plaats dan in 2028 en wordt gebruikt om te bepalen of voortzetting, aanpassing of beëindiging van de regeling wenselijk is, mede in het licht van toekomstige ontwikkelingen. 6. Bijlagen De volgende bijlagen worden meegestuurd: A. Nadere regels elektrisch laden voertuigen in de openbare ruimte vanuit private laadvoorziening Zandvoort 2026

Kenmerk: 2025/552468

11/11

Collegebesluit

Onderwerp Actualiseren Budgethoudersregeling gemeente Zandvoort 2019 Nummer Portefeuillehouder Programma/beleidsveld Afdeling Auteur Telefoonnummer Email Kernboodschap

Behandelvoorstel voor de raad

Relevante eerdere besluiten Besluit college d.d. 10 maart 2026

2026/86566 Bluijs, G.J. 7.3. Overhead CC Jongkees, P.H.G. pjongkees@haarlem.nl Per 2026 wordt er een nieuw financieel systeem geïmplementeerd. In verband daarmee is een beperkt aantal kleinere aanpassingen in de Budgethoudersregeling nodig. De aanpassingen zijn technisch en raken niet aan de sturing, verantwoordelijkheden en bevoegdheden van directie, afdelingsmanagers/budgethouders en procesmanagers. In lijn met artikel 26 aanhef en onder 1d van de Financiële Verordening gemeente Zandvoort 2024 wordt de geactualiseerde Budgethoudersregeling ter informatie aan de raad aangeboden. Budgethoudersregeling gemeente Zandvoort 2019 (2019/219053) Het college van burgemeester en wethouders besluit: 1. Met terugwerkende kracht tot 1 januari 2026 vast te stellen het Besluit tot wijziging van de Budgethoudersregeling gemeente Zandvoort 2019. de secretaris,

de burgemeester,

1. Aanleiding Vanwege de implementatie van een nieuw financieel systeem per 1 januari 2026 is het nodig de Budgethoudersregeling op een aantal punten aan te passen.

Kenmerk: 2026/86566

1/5

2. Beoogd resultaat Een geactualiseerde Budgethoudersregeling die aansluit bij de werkwijze van het nieuwe financieel systeem en de werkwijze uit de praktijk. Er wordt verdere efficiency gerealiseerd in het inkoopproces door meer te gaan sturen op het aangaan van de verplichting en daar het autorisatieproces op in te richten. Dit betekent concreet minder kans op fouten en snellere factuurverwerking. 3. Onderbouwing voorstel Het gaat om de volgende aanpassingen: 3.1. Werkwijze hoofdbudgethouderschap sluit aan bij huidige praktijk In de huidige budgethoudersregeling is de algemeen directeur hoofdbudgethouder. Als vervanger kunnen directieleden fungeren. De praktijk is tot nu toe zo ingeregeld dat facturen boven de € 50.000 voor fiattering naar de domeindirecteuren voor “hun/haar” domein werden doorgezet. De algemeen directeur wordt dus niet alleen vervangen door de directieleden maar het hoofdbudgethouderschap is feitelijk domeingewijs verdeeld onder de directieleden. In de geactualiseerde regeling is hierop aangesloten. Het hoofdbudgethouderschap is verdeeld onder de directieleden. Het is daarbij aan de algemeen directeur om directieleden als hoofdbudgethouder aan te wijzen (voor nu wordt de huidige verdeling gecontinueerd).

De nieuwe spelregel houdt rekening met de taakverdeling binnen de directie en is in lijn met het Organisatiestatuut waarin is geregeld dat de directie gezamenlijk de verantwoordelijkheid draagt voor de gehele organisatie met de algemeen directeur als eindverantwoordelijke. Ook programmadirecteuren kunnen als budgethouder worden aangewezen. 3.2 Er wordt efficiency gerealiseerd door goedkeuring van facturen eerder in het proces Er wordt verdere efficiency gerealiseerd in het inkoopproces door meer te gaan sturen op het aangaan van de verplichting en daar het autorisatieproces op in te richten. Nieuw is dat prestatieverklaring een expliciete rol wordt. In het geval een contract/inkooporder is goedgekeurd door de budgethouder en een andere medewerker heeft de prestatieverklaring afgegeven, dan kan de factuur (mits deze past binnen de verplichting) direct betaalbaar worden gesteld. Hoe werkt dit in de praktijk? De nieuwe regeling kent de term inkoopverzoek. Een inkoopverzoek wordt door de budgethouder aangemaakt bij het aangaan van de verplichting. Bij vastleggen van de verplichting wordt getoetst of het rechtmatig is, of er voldoende krediet is, of het past binnen een project- of programmaplan en of de inkoop- en aanbestedingsregels worden toegepast. Als dat zo is, wordt het inkoopverzoek digitaal goedgekeurd conform de autorisatiebevoegdheden.

Hierdoor ontstaat automatisch een inkooporder (is: een in het financieel systeem vastgelegde verplichting tot betaling). Als er vooraf een verplichting is vastgelegd door middel van een inkooporder en goedgekeurd door de budgethouder, volstaat bij facturering de goedkeuring van degene die kan vaststellen dat de prestatie is geleverd. Bij een match van de factuur met de reeds goedgekeurde inkooporder, wordt de factuur dan automatisch betaalbaar gesteld.

Kenmerk: 2026/86566

2/5

Uit oogpunt van doelmatigheid zijn er de volgende voordelen: -

-

-

Geen dubbele checks: vermeden wordt dat een factuur opnieuw wordt beoordeeld door de budgethouder terwijl dezelfde verplichting al eerder is goedgekeurd; Geen discussie of noodzaak tot uitzoeken bij factuurbetaling. Als de budgethouder heeft geautoriseerd voor het aangaan van de verplichting en de prestatieverklaarder bevestigt dat de prestatie is geleverd, kan er worden betaald Snellere factuurverwerking: als de verplichting én de prestatieverklaring al vaststaan, hoeft de factuur alleen nog administratief gecontroleerd te worden. Dit verkort de doorlooptijd aanzienlijk en vermindert vertragingen in betalingen. Minder risico op fouten: door het proces te structureren rond verplichtingen en prestatieverklaringen, wordt het risico op ongeautoriseerde uitgaven kleiner. Alleen facturen die niet binnen een goedgekeurde verplichting vallen, worden verwerkt. Als een inkooporder achteraf te laag blijkt, wordt deze voor het meerdere opgehoogd en aanvullend voor het hogere bedrag goedgekeurd door budgetbeheerder/budgethouder.

3.3 Verplichtingen aangaan door een ander dan de budgethouder wordt onmogelijk Facturen worden centraal gecodeerd. In het huidige systeem is het mogelijk dat een verplichting wordt aangegaan door iemand anders dan de budgethouder. Als hierover niet was gecommuniceerd, zag de budgethouder dit pas op het moment dat voor betaling moest worden geaccordeerd. Het nieuwe financieel systeem maakt dit technisch onmogelijk. De term routecodes verdwijnt. Er wordt mandaat per afdeling ingeregeld per product. Als een ander dan de budgethouder op dit product wil boeken, zal een inkoopverzoek moeten worden aangemaakt dat de budgethouder moet accorderen. De grip neemt dus toe. 3.4. Grens voor autorisatie door hoofdbudgethouder wordt opgetrokken In de huidige regeling kan een budgethouder tot maximaal € 50.000 inclusief BTW op eigen titel; facturen betalen. Boven dit bedrag is autorisatie door de hoofdbudgethouder noodzakelijk. Voorstel is dit bedrag aan te passen naar € 50.000 exclusief BTW. Bij kostprijsverhogende BTW tekent de budgethouder dan tot maximaal € 60.500 op eigen titel. Reden voor aanpassing is primair een systeemtechnische: het nieuwe financieel systeem rekent ex BTW. Omdat de gemeente het leeuwendeel (naar schatting meer dan 90%) van de BTW via het btw-compensatiefonds kan terugvorderen, wordt deze aanpassing gedaan. 4. Risico’s en kanttekeningen

4.1 Risico’s 4.1.1. Vervanging zelf regelen In de regeling 2019 is het zo geregeld dat bij afwezigheid van de budgethouder werd teruggevallen op de hoofdbudgethouder als er geen vervanger was aangewezen. Hetzelfde geldt voor

Kenmerk: 2026/86566

3/5

budgetbeheerders en procesmanagers. Bij het nieuwe financieel systeem zet een budgethouder de out of office aan en geeft in het systeem aan welke andere (hoofd)budgethouder als vervanger optreedt. Dit vergt discipline van budgethouder en – beheerders. Als men vergeet de out of office aan te zetten en de vervanging te regelen, kan er geen taak zoals betaling worden uitgevoerd (dan moet als noodgreep centraal via de applicatiebeheerder aanpassing plaatsvinden). Dit is kwetsbaar – ook bij langduriger uitval door ziekte- maar onvermijdelijk gelet bij de keuze voor Civitas. In de communicatie bij de uitrol zal dit aspect nadrukkelijk aandacht (moeten) krijgen. In het nieuwe financieel systeem is zichtbaar wie als vervanger of als budgetbeheerder fungeren. De vervangingsmogelijkheden op zichzelf (wie vervangt wie) veranderen niet. Als budgethouder laten vervangen door een budgetbeheerder is -net als in de huidige regeling- niet mogelijk dus een budgethouder kan alleen vervangen worden door een andere budgethouder of de hoofdbudgethouder. 4.2 Kanttekeningen 4.2.1 Relatie met mandaatregeling De Budgethoudersregeling regelt welke functionaris bevoegd is voor een budget en financiële verplichtingen kan aangaan middels het accorderen van inkooporders. De bevoegdheid voor het aangaan van juridische verplichtingen naar derden wordt geregeld in de mandaatregeling.

Dit verandert niet ten opzichte van de niet-geactualiseerde Budgethoudersregeling 2019.

5. Consequenties en uitvoering De geactualiseerde Budgethoudersregeling gaat met terugwerkende kracht per 1 januari 2026 in. Er is voor terugwerkende kracht gekozen omdat vanaf 1 januari 2026 het financieel pakket is ingericht conform de nieuwe budgethoudersregeling. In algemene zin kan daarmee gesteld worden dat de budgethouders werken volgens de nieuwe regels. Niet alleen de opzet maar ook de werking is derhalve vanaf 1-1-26 -op een enkele uitzondering na- in lijn met de regeling en daarmee is terugwerkende kracht van belang. Nb De enkele uitzondering betreft de werkwijze voor inkooporders. De nieuwe regeling gaat uit van een inkooporder boven de € 500 terwijl in de niet-geactualiseerde Budgethoudersregeling 2019 een bedrag van € 5.000 gold. 5.1 Financiën Nvt 5.2 Communicatie Over de gevolgen van het nieuwe financiële pakket voor de budgethouders wordt gecommuniceerd via instructievideo’s en de Insite pagina. Verder zijn er trainingen. 5.3 Participatie Nvt.

Kenmerk: 2026/86566

4/5

5.4 Juridisch In artikel 26 eerste lid aanhef en onder d van de Financiële Verordening gemeente Zandvoort 2024 is geregeld dat er een budgethoudersregeling moet zijn, met daarin: “ een Budgethoudersregeling: de verantwoordelijkheden en bevoegdheden van door het college aangewezen medewerkers, om binnen de hun, via de begroting en kredieten, gegeven machtiging overeenkomsten aan te gaan tot levering van goederen, aanneming van werk en/of verlening van diensten aan en/of door de gemeente Zandvoort”. Met deze budgethoudersregeling wordt hieraan voldaan. 5.5 Geheimhouding Nvt 5.6 Planning

6. Bijlagen Bijlage 1 Besluit tot wijziging Budgethoudersregeling gemeente Zandvoort 2019 Bijlage 2 gewijzigde Budgethoudersregeling gemeente Zandvoort 2019 (met wijzigingen vermeld) Bijlage 3 gewijzigde Budgethoudersregeling gemeente Zandvoort 2019 Bijlage 4 Was wordt tabel bij Besluit tot wijziging Budgethoudersregeling gemeente Zandvoort 2019

Kenmerk: 2026/86566

5/5

Collegebesluit

Onderwerp Afzien van huurprijsherziening strandpaviljoens per 1 januari 2026 Nummer Portefeuillehouder Programma/beleidsveld Afdeling Auteur Telefoonnummer Email Kernboodschap

Behandelvoorstel voor de raad Relevante eerdere besluiten Besluit college d.d. 17 maart 2026

2026/102069 Bluijs, G.J. en Carree, L. 4.4. Overige beheertaken VG Muller, B.F. 06-39814591 bmuller@haarlem.nl De gemeente ziet af van een tussentijdse huurprijsherziening per 1 januari 2026 omdat er bredere ontwikkelingen rond het strand spelen die nog onvoldoende concreet zijn, maar wel invloed zullen hebben op toekomstige afspraken. In de tweede helft van 2025 hebben gemeente en paviljoenhouders een verkenning uitgevoerd, maar daarbij geconcludeerd dat een herziening uitsluitend van de huurprijs op dit moment niet wenselijk is. Partijen willen de tijd nemen om de huurovereenkomsten op een later moment integraal en zorgvuldig te herzien, waarbij meer onderdelen worden betrokken dan alleen de huurprijs. Hier zal op tijd mee gestart moeten worden. Een eerstvolgende natuurlijk moment voor de herziening is ultimo 2030 ,wanneer huurcontracten expireren. Dat wordt dan ook gehanteerd als (uiterlijk) moment van plaatsvinden van de herziening. Ter kennisname

Niet van toepassing Het college van burgemeester en wethouders besluit: 1. In afwijking van artikel 4.6 van de vigerende huurovereenkomsten af te zien van de huurprijsherziening per 1 januari 2026 voor de strandpaviljoens, omdat de ruimtelijke, infrastructurele en beleidsmatige ontwikkelingen rondom de strandzone nog onvoldoende concreet zijn en een herziening op dit moment niet aansluit op de natuurlijke contractuele termijn en de wens tot een integrale herijking. 2. De bestaande huurprijzen en de reguliere indexering te continueren conform de lopende huurovereenkomsten, zodat stabiliteit en voorspelbaarheid voor ondernemers behouden blijven. 3. De periode tot de natuurlijke contractuele termijn te benutten voor een integrale herziening van de basis huurovereenkomst, waarin alle relevante afspraken en uitgangspunten in samenhang worden bezien en uitgewerkt, in

Kenmerk: 2026/102069

1/5

samenspraak met het bestuur van de paviljoenhouders en met inzet van externe expertise waar nodig. 4. De exploitanten via het bestuur van paviljoenhouders schriftelijk te informeren over dit besluit en het vervolgproces, zodat duidelijkheid bestaat over het besluit, het tijdpad en de gezamenlijke voorbereiding van de integrale herziening. de secretaris,

de burgemeester,

1. Aanleiding De gemeente heeft op basis van artikel 4.6 van de modelhuurovereenkomst de mogelijkheid om de huurprijs van de strandpaviljoens per 1 januari jl. te herzien. Voor een mogelijke herziening zijn in de tweede helft van 2025 gesprekken gevoerd met het bestuur van de paviljoenhouders. In deze gesprekken is verkend welke gezamenlijke uitgangspunten zouden kunnen dienen voor een eventuele huurprijsherziening per 1 januari 2026. Hierbij is gebruikgemaakt van een extern adviseur met specifieke kennis van strandexploitatie en marktconformiteit. Uit deze verkenning bleek dat er op en rondom het strand meerdere beleidsmatige, ruimtelijke, operationele en infrastructurele ontwikkelingen spelen die nog onvoldoende concreet zijn. Hierdoor kan een huurprijsherziening niet zorgvuldig en consistent worden onderbouwd. Ook sluit een herziening op dit moment niet aan bij de natuurlijke expiratie van de huurovereenkomsten, wat afbreuk doet aan voorspelbaarheid en juridische helderheid. Gemeente en bestuur van paviljoenhouders hebben daarom gezamenlijk uitgesproken dat een integrale herziening van de gehele huurovereenkomst, in plaats van een tussentijdse aanpassing van de huur, de voorkeur heeft. Deze aanpak maakt het mogelijk om alle afspraken in samenhang te actualiseren, beter af te stemmen op toekomstige ontwikkelingen en tijdig te komen tot duidelijkheid voor alle betrokkenen. 2.

Beoogd resultaat Het besluit om nu niet te herzien: • biedt stabiliteit en voorspelbaarheid voor ondernemers; • voorkomt juridisch en beleidsmatig onduidelijke afspraken zolang ruimtelijke kaders nog niet vaststaan; • maakt een gedragen, integrale herziening mogelijk, in lijn met de voorkeur van paviljoenhouders;

Kenmerk: 2026/102069

2/5

• • •

versterkt samenwerking, voorkomt conflict en creëert ruimte voor gezamenlijke uitgangspunten; maakt het proces doelmatig, doordat slechts één integraal traject nodig is; zorgt dat toekomstige afspraken uitvoerbaar en rechtmatig zijn, ruim vóór de natuurlijke contracttermijn en implementatie.

3. Onderbouwing voorstel 1. De huurprijs kan niet zorgvuldig worden herzien zolang ruimtelijke en infrastructurele ontwikkelingen onduidelijk zijn. In de strandzone lopen meerdere ruimtelijke, infrastructurele en beleidsmatige trajecten die nog niet zijn uitgewerkt. Denk aan bereikbaarheid, strand- en duinrandonderhoud, mogelijke herstructurering van strandpercelen en boulevards, en keuzes over het aantal seizoens- en jaarrondpaviljoens en exploitatiemogelijkheden. Deze ontwikkelingen kunnen de komende jaren leiden tot wijzigingen in demarcatie, gebruik, intensiteit en inrichting. Een herziening nu zou leiden tot mogelijk inconsistente of later onhoudbare afspraken. 2. Negatief advies extern adviseur. De externe adviseur heeft aangegeven dat een afzonderlijke huurprijsherziening in deze fase niet passend is, omdat relevante uitgangspunten nog ontbreken en ontwikkelingen onzeker zijn. Ook wordt geadviseerd om de huurprijsherziening te laten aansluiten op een contractueel natuurlijk moment en tevens onderdeel te maken van een integrale herziening. 4. Draagvlak blijft gewaarborgd door gezamenlijke voorbereiding. Een herziening nu kan leiden tot discussie over marktconformiteit en uitgangspunten, wat de relatie met paviljoenhouders onder druk zet. De voorkeur van paviljoenhouders is een integrale, toekomstbestendige herziening.

Door af te zien van dit momentum van tussentijdse herziening blijft samenwerking behouden en ontstaat ruimte om gedeelde uitgangspunten zorgvuldig vast te leggen. 5. Uitvoeringslasten blijven beheersbaar met één integraal traject. Een herziening nu én een integrale herziening later zou leiden tot dubbel werk, hogere advieskosten en risico op inconsistenties. Door nu geen herziening door te voeren, blijft de uitvoeringslast beheersbaar en wordt onrust voorkomen.

Kenmerk: 2026/102069

3/5

4. Risico’s en kanttekeningen 4.1 Risico’s 1. Ruimtelijke ontwikkelingen kunnen de inhoud van de integrale herziening beïnvloeden. Ontwikkelingen rond strand, bereikbaarheid en voorzieningen zijn nog in beweging. De kans van optreden van dit risico wordt gezien als gemiddeld met mogelijke aanpassing of vertraging van de herziening als gevolg. Als beheersmaatregel voor dit risico vindt periodieke afstemming met betrokken beleidsvelden, portefeuillehouder en coördinator strand plaats. 2. Onrust bij paviljoenhouders bij onvoldoende communicatie. Onduidelijkheid over planning kan tot zorgen of discussie leiden. De kans van optreden van dit risico wordt gezien als gemiddeld met druk op samenwerking als gevolg. Als maatregel wordt gezorgd voor tijdige en duidelijke communicatie via bestuur paviljoenhouders. 3. Capaciteitsdruk bij voorbereiding integrale herziening. Het traject vraagt inzet van meerdere disciplines. De kans van optreden van dit risico wordt gezien als gemiddeld met kans op vertraging als gevolg. Maatregel: planning en waar nodig externe expertise. 4.2 Kanttekeningen 1. Herziening nu was juridisch mogelijk, maar inhoudelijk niet wenselijk. Door onduidelijke ruimtelijke kaders, ontbreken gedeelde uitgangspunten en negatief extern advies is een herziening nu minder passend. 2. Eén integraal traject voorkomt dubbel werk en inconsistenties.

Een alternatieve werkwijze waarbij de huur nu herzien wordt en later integraal bepaald wordt is overwogen maar leidt tot hogere uitvoeringslast en meer risico’s. 3. Succes vraagt om strakke processturing. De integrale herziening raakt meerdere disciplines; heldere planning en afstemming zijn noodzakelijk. 5. Consequenties en uitvoering 5.1 Financiën Een herziening zou mogelijk een beperkte meeropbrengst (enkele tienduizenden euro’s) opleveren, maar deze is onzeker door verwachte bezwaren en onderhandelingen. De opbrengst weegt niet op tegen relationele risico’s. Daarnaast zouden substantiële kosten voor extern advies opnieuw moeten worden gemaakt. De huidige huurprijzen blijven ongewijzigd, behoudens de jaarlijkse contractuele indexering. De lasten voor beheer, toezicht en contractmanagement worden met de huidige huurinkomsten,

Kenmerk: 2026/102069

4/5

inclusief indexering, gedekt voor de komende contractjaren. Er ontstaat daarmee geen financieel tekort en het besluit heeft geen negatieve impact op de exploitatie van gemeentelijk vastgoed. Er zijn geen verdere financiële gevolgen. 5.2 Communicatie • •

Schriftelijke informatie aan paviljoenhouders via het bestuur. Focus op transparantie, tijdpad en gezamenlijke voorbereiding.

5.3 Participatie Geen. Juridisch • • •

•

Wettelijke grondslag: uitvoering van de bestaande privaatrechtelijke huurovereenkomsten voor gemeentelijk vastgoed (Burgerlijk Wetboek, Boek 7, Huurrecht). Artikel 4.6 geeft de gemeente de mogelijkheid tot herziening; het college wijkt hiervan gemotiveerd af. Bezwaar en beroep zijn niet van toepassing op privaatrechtelijke besluiten, maar partijen kunnen civielrechtelijke stappen zetten bij geschil. Nu afzien van een herziening verkleint dit risico aanzienlijk. Uitvoeringshandeling: schriftelijke communicatie aan paviljoenhouders en voorbereiding integrale herziening.

Geheimhouding • Niet van toepassing 5.4 Planning Maart/April 2026 – Communicatie Schriftelijke communicatie aan alle exploitanten via het bestuur van paviljoenhouders over het collegebesluit en het vervolgproces. 2028 – Processtart integrale herziening Te beginnen met een startoverleg met bestuur paviljoenhouders over aanpak, scope en procesafspraken. 6. Bijlagen Geen

Kenmerk: 2026/102069

5/5

Collegebesluit

Onderwerp Vaststellen Uitvoeringsplan Werkcentrum 2026 Nummer Portefeuillehouder Programma/beleidsveld Afdeling Auteur Telefoonnummer Email Kernboodschap

2026/121595 Bluijs, G.J. 3.1. Werk WI Hofman, D.D.

Behandelvoorstel voor de raad

Het college stuurt het collegebesluit ter kennisname naar de raad.

Relevante eerdere besluiten

•

dhofman@haarlem.nl Zandvoort werkt samen met regiogemeenten, UWV, onderwijs, werkgevers- en werknemersorganisaties in het Werkcentrum in de arbeidsmarktregio ZuidKennemerland & IJmond. Het Werkcentrum is de plek waar werkzoekenden, werkenden en werkgevers terecht kunnen met vragen over werk en personeel. De Wet ‘structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen’ (SUWI) vraagt van elke arbeidsmarktregio om een Werkcentrum te organiseren. Via het Werkcentrum wordt de regionale werkzoekendendienstverlening en werkgeversdienstverlening van gemeenten en UWV ontsloten. Kerntaken van het Werkcentrum zijn het doorverwijzen van bezoekers naar de juiste dienstverlening, het bieden van loopbaanadvies en het matchen tussen werkgevers en werkzoekenden. Ook adviseert het Werkcentrum werkgevers bij het in dienst nemen van mensen met een afstand tot de arbeidsmarkt. Op deze manier draagt de regionale dienstverlening bij aan een duurzame arbeidsmarktpositie voor kwetsbare mensen. Op 18 februari 2026 heeft het Regionaal Beraad Arbeidsmarkt (RBA) ingestemd met het uitvoeringsplan van het Werkcentrum Zuid-Kennemerland en IJmond voor 2026. Met dit besluit stelt het college dit uitvoeringsplan vast.

• •

Uitvoeringsplan werkgeversdienstverlening (WSP) 2025 Zuid-Kennemerland en IJmond (2025/ 351635) vastgesteld in het college van 15 april 2025 Uitvoeringsplan werkgeversdienstverlening (WSP) 2024 Zuid-Kennemerland en IJmond (2024/546098) vastgesteld in het college van 16 april 2024 Uitvoeringsplan werkgeversdienstverlening (WSP) 2023 Zuid-Kennemerland en IJmond (2023/213871) vastgesteld in het college van 14 maart 2023

Kenmerk: 2026/121595

1/6

Besluit college d.d. 31 maart 2026

Het college van burgemeester en wethouders besluit: 1. Het uitvoeringsplan Werkcentrum 2026 vast te stellen. de secretaris,

de burgemeester,

1. Aanleiding De krapte op de arbeidsmarkt is structureel en leidt ertoe dat steeds meer werkgevers kampen met een personeelstekort. Door o.a. de vergrijzing en de klimaat- en energietransitie ontstaan in sommige beroepsgroepen overschotten en in andere juist tekorten. Bovendien veranderen technologische en economische ontwikkelingen de werksoorten en behoeften in de arbeidsmarkt. De kwalitatieve en kwantitatieve mismatch is dus groot en ondanks de krapte heeft een kwetsbare groep mensen geen vaste plek op de arbeidsmarkt. Deze mensen hebben extra hulp nodig. Daarom schrijft de Wet ‘structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen’ (SUWI) voor dat gemeenten en UWV in de arbeidsmarktregio gezamenlijke werkgevers- en werkzoekendendienstverlening organiseren. Deze dienstverlening wordt gebundeld in het Werkcentrum, de uitvoeringsorganisatie van de regio. Het Werkcentrum staat in verbinding met de (reguliere) arbeidsmarktdienstverlening van gemeenten, UWV, onderwijs, werknemers- en werkgeversorganisaties. Het Werkcentrum is dé plek in de regio waar werkzoekenden, werkenden en werkgevers terecht kunnen met al hun vragen over werken, leren, loopbaan en personeel. Het Werkcentrum werkt volgens het ‘no wrong door’-principe.

De gidsen, loopbaanadviseurs en werkgeversadviseurs van het Werkcentrum gaan in gesprek over de loopbaan- of andere hulpvraag en bieden informatie over arbeidsmarktkansen, vacatures, personeelsvraagstukken en scholingsmogelijkheden. Als er meer nodig is, verwijzen de gidsen door naar de partij die eindverantwoordelijk is voor de arbeidsmarktdienstverlening. Een bezoeker die een WW-uitkering ontvangt, wordt bijvoorbeeld doorverwezen naar UWV indien het algemene adviesgesprek niet toereikend is voor de hulpvraag. Ook ondersteunt het Werkcentrum de werkgevers in de regio bij vraagstukken rond personeel en arbeidsmarkt, waaronder begeleiding bij het in dienst nemen van mensen met een afstand tot de arbeidsmarkt. In juni 2024 is het Werkcentrum in de arbeidsmarkregio Zuid-Kennemerland en IJmond (ZKIJ) van start gegaan met een aantal spreekuren en een website voor de werkzoekendendienstverlening. Het Werkcentrum heeft in 2025 994 mensen verder geholpen op de arbeidsmarkt, waarvan 48 mensen een door het Werkcentrum bekostigde opleiding of oriëntatietraject hebben gevolgd.

Kenmerk: 2026/121595

2/6

De werkgeversdienstverlening (georganiseerd in het Werkgeversservicepunt, WSP) heeft in 2025 325 mensen met een afstand tot de arbeidsmarkt bemiddeld naar werk. Gedurende 2025 is het Werkcentrum verder doorontwikkeld naar de opdracht van het Rijk en de wensen van de arbeidsmarktregio. Vanaf 1 januari 2026 is ook de regionale werkgeversdienstverlening van het Werkgeversservicepunt (WSP) ondergebracht in het Werkcentrum. Inmiddels heeft de arbeidsmarktregio ZKIJ een structureel ingericht regionaal gedragen Werkcentrum: een lerend fundament om steeds een stapje verder uit te bouwen. Jaarlijks wordt het uitvoeringsplan van het Werkcentrum vastgesteld door de colleges van de regiogemeenten en de rayonmanager van UWV, zoals vastgelegd in besluit SUWI. Gezamenlijke instemming van het uitvoeringsplan gebeurt in het Regionaal Beraad Arbeidsmarkt (RBA) door de wethouders van de regiogemeenten en de rayonmanager van UWV. Het uitvoeringsplan Werkcentrum voor 2026 heeft de instemming van het RBA en wordt nu voorgelegd aan het college voor vaststelling. In het uitvoeringsplan zijn afspraken vastgelegd over organisatie en proces, de inhoud van de werkzoekenden- en werkgeversdienstverlening, zoals de inzet van instrumenten en voorzieningen, beoogde resultaten, de aansluiting tussen werkgevers- en werkzoekendendienstverlening, scholing en de begroting voor het komende jaar.

Het uitvoeringsplan is gebaseerd op het arbeidsmarktbeleid van gemeenten en UWV in de context van landelijke en regionale ontwikkelingen. 2. Beoogd resultaat Het uitvoeringsplan Werkcentrum 2026 is het handvat voor gemeenten en UWV om vanuit bestuurlijke en beleidsmatige keuzes richting te geven aan de werkzoekenden- en werkgeversdienstverlening in het Werkcentrum van de arbeidsmarktregio Zuid-Kennemerland en IJmond. Met deze gezamenlijke opdracht dragen gemeenten en UWV bij aan een geharmoniseerde dienstverlening zodat meer mensen met een afstand tot de arbeidsmarkt aan het werk worden geholpen en gehouden. 3. Onderbouwing voorstel 1. Met het vaststellen van het uitvoeringsplan van het Werkcentrum voldoen gemeenten en UWV aan de wet SUWI. Volgens het besluit SUWI dienen de colleges van burgemeester en wethouders in de arbeidsmarktregio en het UWV jaarlijks één gezamenlijk uitvoeringsplan vast te stellen voor de uitvoering van het Werkcentrum. Met het uitvoeringsplan krijgt een gedeelde regionale visie en een heldere rolverdeling vorm in één gezamenlijke opdracht. Deze opdracht biedt extra structuur voor besluitvorming, monitoring en (bij)sturing op resultaten. Hierdoor kan snel worden gestuurd op actuele ontwikkelingen op de regionale arbeidsmarkt met een focus op mensen voor wie het vinden van werk niet vanzelfsprekend is.

Kenmerk: 2026/121595

3/6

2. Het uitvoeringsplan Werkcentrum 2026 voldoet aan de doelstelling van de samenwerkingspartners. In het uitvoeringsplan Werkcentrum 2026 staan afspraken over de inzet van instrumenten en voorzieningen, zoals het stimuleren van inclusief werkgeverschap onder andere door advies over verschillende instrumenten en subsidies en over jobcarving. Daarnaast bevat het uitvoeringsplan afspraken over de beoogde resultaten, zoals het aantal plaatsingen van werkzoekenden uit verschillende doelgroepen, zoals mensen met een WW-, Wajong- of WIA-uitkering, mensen met een Participatiewet-uitkering en mensen die vallen onder de banenafspraak. In het uitvoeringsplan staan ook afspraken over de organisatie, het proces en de begroting. 3. Het uitvoeringsplan Werkcentrum 2026 heeft de goedkeuring van het Regionaal Beraad Arbeidsmarkt (RBA). Voordat het uitvoeringsplan wordt voorgelegd aan de colleges van de regiogemeenten en rayonmanager UWV voor vaststelling stemt het RBA met het plan in. Op 18 februari 2026 is het RBA akkoord gegaan met het uitvoeringsplan Werkcentrum 2026. Dit laat zien dat het uitvoeringsplan past binnen bestuurlijke en beleidsmatige keuzes in 2026 en dat er regionaal draagvlak bestaat voor de manier waarop het Werkcentrum invulling geeft aan de dienstverlening in de regio. 4. De begroting Werkcentrum 2026 is te realiseren binnen de gemeentelijke financiële kaders.

De begroting van het Werkcentrum voor 2026 is opgesteld vanuit verschillende financieringsbronnen: de begroting van de regionale arbeidsmarkt, en middelen vanuit UWV, gemeenten, werkontwikkelbedrijven, vakbonden en meer. De regionale begroting wordt onder andere gevoed met Rijksmiddelen bedoeld voor arbeidsmarktregio’s en loopt via de P&C cyclus van de centrumgemeente Haarlem. De financiële middelen die in het uitvoeringsplan Werkcentrum vanuit Zandvoort voor 2026 zijn opgenomen, bestaan uit een bijdrage aan de loopbaanadviesfunctie en een bijdrage aan de werkgeversdienstverlening. De kosten voor de loopbaanadviesfunctie worden door de regiogemeenten gezamenlijk gedragen en verdeeld op basis van inwonersaantal. Zandvoort draagt hiervoor € 4.501,82 bij, gedekt uit programma 3 Werk, gedurende 2026 en 2027. De financiële bijdrage aan de werkgeversdienstverlening maakt zoals voorgaande jaren deel uit van de begroting van Spaarne Werkt. De begroting van Spaarne Werkt voor 2026 is door de Gemeenschappelijke Regeling aangenomen, na positieve zienswijze van de gemeenteraad op 10 juni 2025. Daarmee is het aandeel binnen het Werkcentrum voor Zandvoort reeds in de begroting van Zandvoort opgenomen. 4. Risico’s en kanttekeningen 4.1 Risico’s Zie aanleiding.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/16891197/1