CConstaterende datZandvoort
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage 2b. Archeologische beleidskaart Zandvoort

Gemeenteraad 17 februari 2026, gemeente ZandvoortBij agendapunt: Wijziging omgevingsplan gemeente Zandvoort38.452 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 4 van 5

Binnen deze waarnemingslocaties zijn ook de waarnemingen van de lokale amateur-archeologen verwerkt. Dit geldt niet voor de vele, niet in Archis geregistreerde, waarnemingen uit het archief van de gemeente Haarlem. Onderzoek naar de data binnen dit archief heeft in totaal 23 extra waarnemingslocaties opgeleverd. Er zijn tijdens de inventarisatie geen aanvullende waarnemingen gebaseerd op oude topografische kaarten toegevoegd. Er is voor gekozen deze puntlocaties apart op de historische relictenkaart te plaatsen, maar dan als historische punten. Deze punten zijn derhalve niet opgenomen in de vindplaatsen catalogus. Hierbij moet gedacht worden aan stellingen uit de Tweede Wereldoorlog en enkele locaties die middels aanvullend onderzoek naar oud topografisch kaartmateriaal zijn achterhaald (kerken, buitenhuizen, erven, etc.). Hiervoor zijn aparte kaarten vervaardigd, beide voorzien van een eigen catalogus. Om alle bekende waarnemingen om te kunnen zetten in een archeologische informatiekaart zijn de betreffende waarnemingen geanalyseerd, waarbij onderscheid is gemaakt in waarnemingslocaties en de waarnemingen op die locaties. Een waarnemingslocatie betreft de in ARCHIS of de gemeentelijk archeologie-database opgegeven puntlocatie waar vondsten zijn gedaan. Een dergelijke waarnemingslocatie heeft een uniek catalogusnummer met een x- en ycoördinaat.

Een waarnemingslocatie kan echter uit meerdere vondsten (waarnemingen) bestaan. Voor onderhavig onderzoek zijn de waarnemingen zoals in ARCHIS weergegeven in vindplaatsen omgezet. Een vindplaats vertegenwoordigt een locatie waar één of meerdere vondsten zijn aangetroffen uit één of meerdere aaneengesloten archeologische perioden. Indien duidelijk was dat aangrenzende waarnemingen uit dezelfde periode dan wel een opeenvolgende periode tot dezelfde vindplaats behoren, zijn ze geclusterd tot één vindplaats.164 In het geval dat op dezelfde locatie twee (of meer ) waarnemingen aanwezig zijn uit verschillende, niet aaneengesloten perioden, is de waarneming opgesplitst in twee vindplaatsen. Een vindplaats zoals op de archeologische informatiekaart weergegeven betreft eveneens een puntlocatie met een x- en y-coördinaat. Het verschil met een 162

Dit is in opdracht van de gemeente Haarlem door BAAC uitgevoerd. De gegevens zijn vervolgens verwerkt in de database zoals opgesteld voor onderhavig onderzoek. 163 Zolang de database nog niet is verwerkt in ARCHIS zal de database leidend zijn. De gemeente zal dit kenbaar maken in haar beleid. 164 Hierbij moet bijvoorbeeld worden gedacht aan waarnemingen op hetzelfde adres, of gerelateerd aan dezelfde locatie (bijvoorbeeld een kerk).

Project V-19.0130B

74

waarnemingslocatie uit ARCHIS is echter dat een vindplaats kan bestaan uit meerdere (ARCHIS-) waarnemingslocaties uit dezelfde (of opeenvolgende) periode(s) als deze laatste zich op geringe afstand van elkaar bevinden en duidelijk is dat het dezelfde vindplaats betreft. 165

Tabel 5.1 Waarnemingslocaties in de gemeente Zandvoort. Omschrijving Aantal waarnemingslocaties ARCHIS 26 waarnemingen ARCHIS 87 waarnemingen gemeentelijk archief 23 vervallen waarnemingen 24 totaal aantal waarnemingen 86 totaal aantal vindplaatsen na analyse waarnemingen 24 Uit tabel 5.1 blijkt dat het aantal waarnemingslocaties, het aantal daadwerkelijke waarnemingen en het aantal vindplaatsen dat na analyse van de waarnemingen overblijft, niet met elkaar overeen komt. Dit is onder andere het gevolg van de opzet van ARCHIS. De waarneming vormt de basis binnen dit systeem. Hierbij komt het echter regelmatig voor dat binnen één waarneming meerdere vondsten zijn gedaan uit dezelfde maar ook uit verschillende archeologische perioden. Een dergelijke locatie kan derhalve gedurende meerdere perioden bewoond zijn geweest (bijvoorbeeld gedurende de bronstijd en de Romeinse tijd). In ARCHIS krijgt een dergelijke waarneming één waarnemingsnummer terwijl hier in principe sprake is van meer dan één waarneming. Vandaar dat het kan voorkomen dat in ARCHIS 26 waarnemingslocaties aanwezig zijn terwijl hier feitelijk 87waarnemingen zijn gedaan die kunnen duiden op vindplaatsen in verschillende perioden. Niet al deze waarnemingen zijn betrouwbaar. Een aantal is door derden vaak vele jaren na de vondst in het Archis bestand geplaatst.

Aangezien de exacte locatie van de vondst niet meer was te achterhalen zijn dergelijke administratief geplaatste waarnemingen op afgeronde coördinaten geplaats. Derhalve zijn alle waarnemingen met coördinaten afgerond op 100 en 1000 m uit de database gefilterd. Ook komt het voor dat ergens onderzoek is gedaan zonder dat er vondstmateriaal is aangetroffen, terwijl hieraan wel een waarnemingsnummer is gekoppeld. Ook dergelijke waarnemingen zijn uit de database gefilterd. Tevens is gebleken dat een groot deel van de in de archieven van de gemeente Haarlem aangetroffen ‘nieuwe’ waarnemingslocaties onbruikbaar is. Dit wordt voornamelijk veroorzaakt door de onnauwkeurigheid van de betreffende waarnemingen. Zo wordt veel gesproken over stuifkuilen in de duinen, waarbij wel een toponiem wordt gegeven, maar geen exacte coördinaten. Ook bevinden zich hier vondsten tussen die qua ouderdom onmogelijk in situ vondsten kunnen zijn. Dergelijke vondsten zijn niet weergegeven op de archeologische informatiekaart. In totaal zijn zo 24 waarnemingen komen te vervallen. Een ander gevolg van de opzet van ARCHIS is dat de mogelijkheid bestaat dat zich in ARCHIS ter plaatse van één feitelijke vindplaats meerdere waarnemingslocaties bevinden.

Dit kan bijvoorbeeld het gevolg zijn van het feit dat vondsten behorende tot één vindplaats onafhankelijk van elkaar zijn aangemeld door verschillende personen over verschillende jaren. Ondanks dat het eigenlijk één vindplaats betreft krijgt iedere melding in ARCHIS een uniek eigen waarnemingslocatienummer. In de analyse zijn alle waarnemingslocaties die in feite één vindplaats representeren echter samengevoegd. Al met al is op deze wijze het aantal waarnemingen gereduceerd tot in totaal 24 vindplaatsen. In de catalogus (bijlage 12B) wordt per vindplaats een overzicht gegeven van de afzonderlijke waarnemingen waaruit de vindplaats bestaat, inclusief ARCHIS-waarnemingsnummer en archeologische

165

75

Peildatum: 20 mei 2019.

Archeologische beleidskaart Gemeente Zandvoort

hoofdperiode(n). In deze lijst zijn ook de vervallen waarnemingen opgenomen. Hieraan is geen catalogusnummer toegekend. In tabel 5.2 zijn de vindplaatsen per archeologische periode weergegeven. Hierbij valt op dat het totaal aantal vindplaatsen (38) niet overeenkomt met het totaal van 24 vindplaatslocaties. Dit is het gevolg van het feit dat voor veel waarnemingen geldt dat de betreffende vondst niet specifiek aan één periode kan worden toegekend. Dit houdt impliciet in dat dezelfde vondst in meerdere perioden mee geteld wordt. Nadere uitwerking van de vindplaatsen, bijvoorbeeld op basis van nog niet uitgewerkt onderzoek, kan in dergelijke gevallen leiden tot een nauwkeuriger datering. Tabel 5.2

Waarnemingen verdeeld naar archeologische periode. Aantal waarnemingen totaal % Periode (N=38) Bronstijd 1 2,6 IJzertijd 9 23,7 Romeinse tijd 3 7,9 Middeleeuwen 15 39,5 Nieuwe tijd 10 26,3

Een vergelijking van de waarnemingen per periode levert een goed beeld op van de bewoningslocaties door de tijd heen. Binnen de grenzen van het plangebied komen volgens de gegevens uit Archis waarnemingen uit alle archeologische perioden voor, ook de perioden paleolithicum-neolithicum. In hoofdstuk 3 (Landschappelijke ontwikkeling) is echter uiteengezet dat het landschap binnen de gemeente Zandvoort relatief jong is. De oudste sedimenten dateren uit de bronstijd. Navenant kunnen binnen de gemeente Zandvoort dan ook alleen in situ vondsten voorkomen vanaf de bronstijd. De te oude vondsten betreffen vondsten die van elders zijn aangevoerd, bijvoorbeeld als gevolg van het opspuiten van zand of het aanleggen van schelppaden. Dit is slechts in drie gevallen voorgekomen. Deze fouten zijn gecorrigeerd. Uit tabel 5.2 blijkt dat de verdeling van de waarnemingen over de verschillende perioden niet gelijkmatig is. Zo is de bronstijd duidelijk ondervertegenwoordigd met slechts 2,6 % van de vindplaatsen, terwijl de ijzertijd relatief goed vertegenwoordigd is met 23,7 %. Ook de Romeinse tijd is relatief slecht vertegenwoordigd met 7,9 %, terwijl de middeleeuwen juist zeer goed zijn vertegenwoordigd (39,5 %). Ook de nieuwe tijd is goed vertegenwoordigd met 26,3 %.

De goede vertegenwoordiging van de middeleeuwen en nieuwe tijd kan verklaard worden middels het feit dat het vondstmateriaal uit deze perioden overal binnen de gemeente vanaf het maaiveld kan worden aangetroffen en daarmee relatief makkelijk vindbaar is. De oudere vindplaatsen bevinden zich op de oude duinen en deze zijn binnen de gemeente Zandvoort grotendeels afgedekt met een (dik) pakket jonge duinafzettingen. Daarmee is de kans op het aantreffen van vondstmateriaal uit deze perioden veel kleiner. 5.2.2 Archeologische monumentenkaart De archeologische monumentenkaart (AMK) is een product van de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed (RCE) in samenwerking met de provincies. Op de kaart staan terreinen weergegeven waarvan de archeologische waarde is vastgesteld. De AMK-terreinen zijn onder te verdelen in twee groepen;  

Terreinen met de status van Rijksmonument. Deze terreinen zijn beschermd op basis van de Erfgoedwet (2016). Terreinen van archeologische waarde. Deze terreinen hebben geen wettelijke bescherming. Deze terreinen zijn onder te verdelen in terreinen

Project V-19.0130B

76

van archeologische waarde, terreinen van hoge archeologische waarde en terreinen van zeer hoge archeologische waarde.166 Van enkele terreinen in de categorie ‘archeologische waarde’ is de waarde nog niet vastgesteld. Deze terreinen zijn zonder toetsing opgewaardeerd vanuit de voormalige categorie ‘archeologische betekenis’. Voor de archeologische informatiekaart zijn de contouren van de AMK-terreinen als GIS-bestand verkregen van de RCE. Binnen de gemeente Zandvoort zijn 3 AMKterreinen aanwezig. Twee van deze AMK-terreinen betreffen gebieden van hoge archeologische waarde. Het gaat hierbij om een terrein in de Waterleidingduinen (Witte Veld) waar sporen van bewoning uit de ijzertijd zijn aangetroffen (monumentnummer 11082) en de historische kern van Zandvoort (monumentnummer 13897). Het derde AMK-terrein betreft een terrein behorende tot de categorie ‘archeologische waarde’ (monumentnummer 13895) en betreft een zone rondom de protestantse kerk.

5.3 Inventarisatie van overige bronnen 5.3.1 Archeologische onderzoeken Een belangrijke bron van informatie vormen de resultaten van archeologische onderzoeken die in het gebied hebben plaatsgevonden. In ARCHIS staan de locaties van dergelijke onderzoeken geregistreerd. Op de archeologische informatiekaart zijn de contouren van deze onderzoeken uit ARCHIS gebruikt. Ook voor het vervaardigen van de beleidskaart (zie hoofdstuk 7) zijn de onderzoeksmeldingen uit Archis gebruikt. Voor deze kaart zijn de resultaten van het uitgevoerde onderzoek van belang, aangezien reeds geheel opgegraven en derhalve vrijgegeven gebied niet nogmaals onderzocht hoeft te worden. Dit is echter wel afhankelijk van de diepte van de opgraving. Alleen als duidelijk is dat op grotere diepte landschappelijk gezien geen begraven resten meer aanwezig kunnen zijn, is een reeds onderzocht terrein vrijgegeven. Tevens moet hierbij ook rekening worden gehouden met de mogelijkheid dat de opgravingen zich soms beperken tot alleen de locaties waar de bodem ook daadwerkelijk verstoord gaat worden, terwijl het onderzoek bijvoorbeeld het gehele perceel omvatte. In dat geval blijft de dubbelbestemming ‘archeologie’ op het niet opgegraven deel van het perceel bestaan. 167

In totaal waren op de peildatum 38 onderzoeken uitgevoerd binnen het plangebied. Van twee van deze onderzoeksgebieden is de conclusie dat het betreffende terrein kan worden vrijgegeven, dan wel vanwege het feit dat geen archeologie is aangetroffen, dan wel vanwege het feit dat het een begeleiding betrof en de binnen het terrein aanwezige vindplaats geheel in kaart is gebracht. Van de overige 36 onderzoeken moest worden vastgesteld dat de onderzochte gebieden niet konden worden vrijgegeven. De reden hiervoor is in een aantal gevallen dat vervolgonderzoek is aanbevolen dat (nog) niet is uitgevoerd, maar van een aantal is simpelweg niet bekend wat het selectiebesluit is geweest. Er is voor gekozen om dergelijke terreinen waar dus al wel onderzoek heeft plaatsgevonden maar waarvan niet genoeg gegevens bekend zijn, niet vrij te geven. Er is een database vervaardigd waarin alle onderzoek staan weergegeven (bijlage 12F).

166

De RCE houdt de AMK sinds 2014 niet meer bij. Het huidige AMK-bestand betreft derhalve een statisch bestand. 167 20 mei 2019.

77

Archeologische beleidskaart Gemeente Zandvoort

5.3.2 Historische bronnen Historische topografische kaarten vormen een belangrijke bron in verband met de verwachte archeologische resten van de op dit kaartmateriaal afgebeelde gebouwen en structuren. Zo zijn veel gegevens van de eerste kadastrale kaarten uit de periode 1817-1832 gebruikt. Deze kaarten zijn voor het gehele gebied gegeorefereerd en vervolgens zijn diverse elementen als puntobject dan wel als lijn- of vlakelement gedigitaliseerd. De begrenzing van de historische kern van Zandvoort is gebaseerd op de eerste kadastrale kaarten. Daarnaast zijn historische elementen zoals kerken, buitenplaatsen en boerenerven gedigitaliseerd. Deze data is weergegeven op de historische relictenkaart (bijlage 4). Naast de eerste kadastrale kaarten zijn verscheidene kaarten zoals weergegeven op de site van Topotijdreis 168 geraadpleegd. Ook is veel historisch kaartmateriaal verzameld via de site van het Noord-Hollands Archief.169 De historische elementen zoals weergegeven op de historische relictenkaart zijn van nummers voorzien. Deze corresponderen met de nummers in bijbehorende catalogus (bijlage 12C). Van de historische kern van Zandvoort is een uitsnede gemaakt met een schaal van 1:3.000. Deze zijn in bijlage 5 weergegeven. e

Voor het achterhalen van militaire relicten uit de 20 eeuw (met de nadruk op de Tweede Wereldoorlog) is gebruik gemaakt van verschillende bronnen (zie paragraaf e 4.9.1). Er is voor gekozen om de ligging van de Militaire relicten uit de 20 eeuw in een aparte kaart weer te geven (bijlage 6). Ook op deze kaart zijn de weergegeven gebieden genummerd. Deze corresponderen met de nummers in bijbehorende catalogus (bijlage 12E).

168 169

www.topotijdresi.nl Noord-Hollands Archief 2020.

Project V-19.0130B

78

6

Archeolandschappelijke eenhedenen archeologische verwachtingskaart

6.1 Inleiding De archeologische informatiekaart en de historische relictenkaart (bijlagen 2 en 4) zoals besproken in het vorige hoofdstuk, geven een goed beeld van de locaties van de binnen de gemeente bekende archeologische vindplaatsen. Een dergelijke kaart toont echter slechts puntlocaties en is niet vlakdekkend omdat hij geen uitspraken doet over de te verwachten archeologische waarden in die delen waar (nog) geen archeologische resten zijn waargenomen. Dit is echter wel noodzakelijk om nog onontdekte archeologische vindplaatsen te kunnen beschermen. Hét instrument om de nog niet ontdekte archeologie binnen de gemeente Zandvoort niet verloren te laten gaan, is een archeologische verwachtingskaart, gekoppeld aan beleid. Een dergelijke kaart geeft door middel van vlakken (verwachtingszones, archeologische monumenten) en symbolen (vindplaatsen) een vlakdekkend beeld van de bekende en de verwachte archeologische waarden binnen de gemeente. Voor de totstandkoming van een dergelijke verwachtingskaart is gebruik gemaakt van een verwachtingsmodel. Er bestaan drie typen modellen. Een model dat is gebaseerd op kwantitatieve gegevens wordt een inductief model genoemd. Er bestaan ook modellen waarbij gebruik gemaakt wordt van een hypothetische benadering (een zogenaamd deductief model). Het derde type model betreft het hybride-model.

Een dergelijk model maakt gebruik van zowel inductieve als 170 deductieve data. In de praktijk wordt bij veel archeologische verwachtingsmodellen gebruik gemaakt van een hybride-model. Zo ook het model waarop de verwachtingskaart voor de gemeente Zandvoort is gebaseerd. In dit hoofdstuk zullen de verschillende archeolandschappelijke eenheden worden besproken. Tevens zal het gebruikte model worden behandeld. Tot slot zal het eindresultaat, namelijk de verwachtingskaart, kort worden besproken. Ook zullen de beperkingen van een archeologische verwachtingskaart worden besproken.

6.2 De Archeolandschappelijke eenhedenkaart Het landschap was vroeger in veel grotere mate van invloed op het bewoningspatroon van de mens dan tegenwoordig. Het vormde een belangrijke factor in de keuze voor een vestigingsplaats. De ligging van archeologische vindplaatsen correleert dan ook in hoge mate met het (paleo)landschap. Om uitspraken te kunnen doen over de archeologische verwachting in een bepaald gebied is het dan ook noodzakelijk een goed beeld te hebben van het ontstaan van het landschap. Het gebruikte model is hier dan ook op gebaseerd. De basis van de kaart is een landschapsanalyse op schaal 1:10.000. In de hier volgende paragrafen zullen eerst de gebruikte bronnen kort worden besproken waarna de verschillende eenheden op de kaart aan bod zullen komen.

170

79

Wheatley & Gillings 2002.

Archeologische beleidskaart Gemeente Zandvoort

6.2.1 Bodemkaarten Zoals in hoofdstuk 2 al uiteen is gezet wordt bij de vervaardiging van archeologische verwachtingskaarten over het algemeen gebruik gemaakt van (gedetailleerde) bodemkaarten. Dit vanwege de sterke relatie tussen landschappelijke ligging van archeologische sites en het aanwezige bodemtype. In het verleden is gebleken dat bepaalde bodemtypen een goede indicatie zijn voor het voorspellen van de aanwezige (tot nu toe niet ontdekte) archeologische waarden. In het geval van de gemeente Zandvoort is het gebruik van de bodemkaart echter minder relevant. Vanwege de relatief geringe ouderdom van het landschap bestaat het grondgebied van Zandvoort voornamelijk uit vaaggronden. Deze vaaggronden hebben zich gevormd in het jonge duinlandschap dat grote delen van de gemeente Zandvoort bedekt. Vaaggronden zijn bodems met een zeer beperkte bodemontwikkeling, wat onder andere het gevolg is van de korte tijd waarin de bodem is blootgesteld aan bodemvormende processen. Dergelijke bodems zijn vanwege de geringe vruchtbaarheid over het algemeen minder geschikt voor bewoning. Afgaande op de bodemkaart zou het grootste deel van de gemeente Zandvoort derhalve minder geschikt zijn voor bewoning. Dit is echter niet het geval. De bodemkaart is daarom in het geval van de gemeente Zandvoort niet goed bruikbaar bij het vervaardigen van de archeolandschappelijke eenhedenkaart.

Dit vanwege het feit dat bij de totstandkoming van de bodemkaart slechts de bovenste 1,20 m is gekarteerd. Op deze wijze wordt voorbij gegaan aan het feit dat zich in de Jonge Duinen en eronder, in de top van de Oude Duinen, nog begraven bodems (kunnen) bevinden. Zeker de bodems in de top van het Oude Duinzand zijn archeologisch heel relevant omdat hier bewoning uit de periode late bronstijd tot en met de vroege middeleeuwen aanwezig kan zijn. 6.2.2 Geomorfologische kaart Voor de gemeente Zandvoort is één geomorfologische kaart beschikbaar. Het betreft de geomorfologische kaart van Nederland 1:50.000. 171 De geomorfologische kaart geeft de landschapsvormen weer die aan het maaiveld zichtbaar zijn. Daarmee gaat ook deze kaart voorbij aan het feit dat binnen de gemeente Zandvoort een groot areaal aan begraven landschappen aanwezig is, namelijk de Oude Duinen, welke gedurende de late middeleeuwen en ook het begin van de nieuwe tijd zijn overstoven met een (dik) pakket Jonge Duinen. Derhalve is ook dit kaartmateriaal minder geschikt om te komen tot een archeolandschappelijke eenhedenkaart. Desalniettemin is deze kaart wel geraadpleegd om de ligging van de Jonge Duinen te kunnen karteren. 6.2.3 Geologische kaart Voor de gemeente Zandvoort is een geologische kaart beschikbaar. Het betreft de 172 Vereenvoudigde geologische kaart van Haarlem en Omgeving 1:50.000.

Deze geologische kaart geeft landschapsvormen weer die aan het maaiveld zichtbaar zijn, maar geeft ook informatie over de diepere ondergrond. Zo zijn gebieden in kaart gebracht waar zich veen op oude duinafzettingen bevinden, begraven onder een pakket Jonge Duinen. Daarnaast wordt middels enkele dwarsprofielen inzicht gegeven in de bodemopbouw, waarbij ook de Oude Duinen zijn weergegeven. De top van de Oude Duinen is het relevante archeologische niveau. Vandaar dat de vorming van het landschap op basis van deze kaart beter is te reconstrueren dan middels de geomorfologische kaart. Daarbij is tevens gebruik gemaakt van de vele geologische boringen die binnen de gemeente Zandvoort zijn geplaatst. Dergelijke boringen zijn via het Dinoloket te raadplegen.173 Na analyse van deze boringen is vastgesteld dat de top van de Oude Duinen zich binnen de gemeente Zandvoort vanaf een hoogte van 6,0 m + NAP en lager kan bevinden. Dit komt goed overeen 171

DLO-Staring Centrum/RGD 1993. RGD 1995. 173 www.dinoloket.nl. 172

Project V-19.0130B

80

met de bevindingen binnen de aangrenzende gemeente Bloemendaal. Voor deze gemeente is vastgesteld dat de top van de top van de Oude Duinen zich op een hoogte van 5,5 m + NAP bevindt.174 Op basis van de landschapsanalyse kan achterhaald worden welke locaties in welke perioden geschikt waren voor bewoning. De landschapsbenamingen van zowel de geomorfologische als de geologische kaart zijn gebruikt als basis voor de benaming van de landschapseenheden binnen de gemeente Zandvoort, uitgebreid met enkele extra eenheden.

Figuur 6.1. Uitsnede van de vereenvoudigde geologische kaart van Haarlem en omgeving (RGD 1995).

De Vereenvoudigde geologische kaart van Haarlem en Omgeving is voor het maken van een landschaps- en archeologische verwachtingskaart te grootschalig. Eenheden die voor de archeologie zeer belangrijk zijn, zoals begraven Oude Duinen of plekken waar het Oude Duinlandschap (mogelijk) aan het oppervlak ligt, zijn vanwege de grotere schaal niet aangegeven. Vandaar dat voor de vervaardiging van de 174

81

Bosman 2011.

Archeologische beleidskaart Gemeente Zandvoort

archeolandschappelijke eenhedenkaart op een schaalniveau van circa 1:10.000 is gewerkt door gebruik te maken van de combinatie van alle landschappelijke bronnen (waaronder verscheidene archeologische onderzoeken en boringen van het Dinoloket) en het AHN. 6.2.4 Actueel Hoogtebestand Nederland Het Actueel Hoogtebestand Nederland (AHN) vormt een belangrijke bron voor de landschapsanalyse. Het kan ook zeer geschikt zijn om bepaalde historische dan wel archeologische sporen in het landschap mee te traceren.

Figuur 6.2. De hoogtekaart voor de gemeente Zandvoort op basis van het AHN-3. Met bruin, oranje en geel zijn de hoger gelegen (opgestoven) gebieden aangegeven, met groen en blauw de lager gelegen gebieden.

Het Actueel Hoogtebestand is een rasterkaart met rasters van 5 bij 5 m die de hoogte van het maaiveld met een nauwkeurigheid van ± 5 cm weergeeft. Op het 175 AHN is hellingcompensatie uitgevoerd. Hierdoor worden lokale reliëfverschillen 175

Waldus en van der Velde 2006.

Project V-19.0130B

82

176

duidelijker zichtbaar. De hoogte kan in GIS relatief worden ingesteld, waardoor per gebied de hoogteverschillen zeer nauwkeurig te zien zijn (zie figuur 6.2). Sinds 2015 is een verbeterede versie van het AHN beschikbaar (AHN-3), waarmee microreliëf nog beter zichtbaar kan worden gemaakt. Deze verbeterde versie is bij het vervaardigen van de kaart gebruikt. De landschappelijke eenheden zijn in de basis bepaald aan de hand van de 177 bestaande geologische kaart. Aan de hand van deze kaart was echter geen onderscheid te maken in gebieden waar zich (mogelijk) Oude Duinafzettingen aan het oppervlak bevinden. Om dit wel te kunnen bewerkstelligen is gebruik gemaakt van het AHN. Zoals in paragraaf 6.2.3 uiteen is gezet, is met behulp van reeds geplaatste geologische boringen bepaald dat de top van de Oude Duinen ten tijde van voor de afdekking met jong duinzand op een hoogte van 6,0 m + NAP of lager gelegen heeft. Met behulp van het AHN zijn alle gebieden binnen de gemeente Zandvoort die zich op een hoogte van 6,0 m + NAP of lager bevinden, in kaart gebracht. Dit zijn de gebieden waar (in theorie) Oude Duinen, dan wel Oude Duinen afgedekt met veen aan het oppervlak kunnen liggen. In de overige gebieden (daar waar het terrein zich op een hoogte van meer dan 6,0 m + NAP bevindt), is het Oude Duinlandschap afgedekt met een pakket jong duinzand.

De analyse van het AHN is derhalve van grote toegevoegde waarde geweest bij de totstandkoming van de archeolandschappelijke eenhedenkaart. Om eventuele verstoringen op te sporen is naast bestaand kaartmateriaal en andere bronnen tevens gebruik gemaakt van het AHN. Opvallende terreinverlagingen zijn als verstoord gekarteerd. 6.2.5 Historische kaarten De huidige bebouwde kom is op veel kaartmateriaal niet gekarteerd. Als gevolg hiervan is voor dergelijke gebieden geen informatie beschikbaar over de (oorspronkelijke) landschappelijke situatie. Om toch informatie te krijgen over de oorspronkelijke landschappelijke situatie ter plaatse van de bebouwde kom is tevens gebruik gemaakt van historische kaarten, waaronder de kadastrale kaart uit 1832 en de topografische kaart uit circa 1850. Aan de hand van dit kaartmateriaal is een globale reconstructie gemaakt van het landschap binnen de huidige (maar buiten de toenmalige) bebouwde kom van Zandvoort. Zo is op dat oude kaartmateriaal globaal zichtbaar of er een duin of een kom gelegen was. Overigens is dit op het AHN ook nog goed zichtbaar, aangezien bij het vervaardigen van het AHN rekening is gehouden met de aanwezigheid van bebouwing. 6.2.6 Landschappelijke gegevens uit archeologische rapporten In enkele archeologische onderzoeken zoals uitgevoerd binnen de gemeente is een landschapsreconstructie vervaardigd.

Daar waar bruikbaar zijn deze overgenomen op de landschappelijke eenhedenkaart.178 6.2.7 Bodemverstoringen Voor het vervaardigen van een goede verwachtingskaart is het uiteraard van belang om een inventarisatie te maken van bekende bodemverstoringen. Op dergelijke plekken kan het bodemarchief dermate verstoord zijn geraakt dat eventuele archeologische vindplaatsen geheel of gedeeltelijk zijn verstoord. Dergelijke locaties dienen op de verwachtingskaart te worden weergegeven aangezien de verwachting op vindplaatsen hier gering is. Om na te gaan of, en zo ja waar, bodemverstoringen binnen de gemeente Zandvoort aanwezig zijn, is gebruik gemaakt van de volgende bronnen;  het Actueel Hoogtebestand Nederland

176

Geografisch Informatie Systeem. RGD 1995. 178 Van Eijk 2006, De Jong & Numan 2002, Salomons 2012. 177

83

Archeologische beleidskaart Gemeente Zandvoort

 

Geomorfologische kaart Bestaande archeologische onderzoeken

Het Actueel Hoogtebestand Nederland. Middels deze kaart is het mogelijk om opvallende laagtes met scherpe begrenzingen en lineaire structuren in het landschap te traceren. Hierbij moet echter rekening gehouden worden met het feit dat natuurlijke en door menselijk handelen veroorzaakte laagtes niet altijd van elkaar te onderscheiden zijn.

Geomorfologische kaart Nederland. Ook op de geomorfologische kaart (schaal 1:50:000) staan enkele afgravingen weergegeven. Na controle met het AHN zijn deze op de kaart ingetekend.

Bestaande archeologische onderzoeken. Uit enkele archeologische onderzoeken zoals uitgevoerd binnen de gemeente is bekend dat de bodem lokaal is afgegraven/vergraven.179 Daar waar het grootschalige verstoringen zou betreffen, zouden deze bruikbaar zijn om de verstoringen weer te geven op het kaartmateriaal. De in de rapporten aangetroffen verstoringen betreffen echter allen dermate kleine verstoringen, dat er voor is gekozen deze niet op het kaartmateriaal weer te geven. Middels de bij onderhavig onderzoek gebruikte bronnen zijn slechts in beperkte mate bodemverstoringen in kaart gebracht. Een goede methode om meer bodemverstoringen in kaart te kunnen brengen zou een archiefonderzoek naar (grote) bodemsaneringen en bodemverstoringen als gevolg van nieuwbouw kunnen zijn. Dit is echter zeer arbeidsintensief. Het zou te veel tijd kosten om voor onderhavig project alle bodemverstoringen voor recente bouwplannen te achterhalen en op de kaart te zetten. Dergelijk onderzoek dient dan ook deel uit te maken van het archeologisch onderzoek voor toekomstige bouwplannen. De gemeente kan overwegen om bodemverstoringen als gevolg van nieuwbouwplannen en saneringen structureel bij te houden in een database. Het gaat hierbij dan om dermate diepe verstoringen dat geen sprake meer kan zijn van begraven archeologische niveaus.

Een dergelijke database kan dan meegenomen worden bij een volgende update van de archeologische verwachtingskaart.

6.3 Archeolandschappelijke eenheden De gemeente Zandvoort kan op basis van geogenese, geomorfologie en bodemgesteldheid getypeerd worden als een duinlandschap, waarbij onderscheid is te maken tussen twee subtypen binnen het duinlandschap. Een smalle strook grenzend aan zee betreft het strand. Het betreft een vlakke strook die richting zee afloopt. Verreweg het grootste deel van de gemeente bestaat echter uit Jonge Duinen. Dit deel van het duinlandschap is vervolgens opgedeeld in verschillende eenheden. In totaal zijn zo zes landschappelijke eenheden onderscheiden. In de nu volgende paragrafen zullen deze eenheden kort worden besproken. 6.3.1 Strand Binnen de gemeente Zandvoort bevindt zich tussen de zee en de duinen een smalle strook strand. Het oppervlakte van het strand varieert dagelijks, al naar gelang het eb of vloed is. Het strand betreft de zone tussen de duinvoet en de gemiddelde laagwaterlijn. Het strand is van groot belang voor de kustverdediging. Hierbij geldt dat een breed en hoog strand de duinen beter beschermt dan een smal strand. Bij een smal strand is het effect van de golfslag hoger omdat de golven minder worden 179

Blom 2013, Moerman 2014, Sophie 2018, Spoelstra & Kaptein 2011, Vaars 2017, Van Eijk 2006, Van der Roest 2010.

Project V-19.0130B

84

afgeremd. Vandaar dat men weggespoeld zand tegenwoordig door middel van zandsuppletie weer aanvult. Het strand betrof om begrijpelijke redenen geen aantrekkelijke vestigingsplaats. Echter, aangezien de ligging van het strand in de loop van de geschiedenis niet constant is geweest (zie hoofdstuk 3), zouden ter plaatse van de huidige locatie van het strand in theorie begraven vindplaatsen kunnen voorkomen. Dit is echter niet het geval. Zoals in hoofdstuk 3 reeds uiteen is gezet, heeft sinds de middeleeuwen een sterke kusterosie plaatsgevonden waarbij de kust als gevolg van erosie tot enkele kilometers oostwaarts is opgeschoven tot de huidige kustlijn. Hierbij is veel zand geërodeerd, een proces wat ook ter plaatse van het huidige strand nog gaande is. Eventuele vindplaatsen zijn hierbij opgeruimd. Binnen het strandlandschap zijn de volgende eenheden onderscheiden;  strand  zee 6.3.2 Duinen Het strand grenst aan de oostzijde aan de duinen. De duinen binnen de gemeente Zandvoort behoren tot de Jonge Duinen, deze duinen zijn ‘pas’ sinds de middeleeuwen gevormd. Jonge Duinen kunnen enkele tientallen meters hoog zijn. Zoals in hoofdstuk 3 al uiteen is gezet kan binnen de Jonge Duinen onderscheid worden gemaakt in een aantal duingeneraties, waarbij de oudere duinen zich het meest landinwaarts bevinden en de jongste het dichtst aan zee.

De Jonge Duinen zijn afgezet op de in de ondergrond gelegen Oude Duinen. De Oude Duinen bestaan uit langgerekte zandruggen van meestal maar enkele meters hoog en zijn enkele duizenden jaren eerder dan de jonge duinen gevormd op strandwallen. De Jonge Duinen vormden voor de laat middeleeuwse mens geen aantrekkelijke vestigingsplaats. Dit was het gevolg van het dynamische karakter van het landschap gedurende de late middeleeuwen, de periode waarin de Jonge Duinen werden gevormd. Ook gedurende de nieuwe tijd, toen het duinlandschap min of meer vast lag, vormden de Jonge Duinen geen gunstige vestigingsplaats. De grond was arm en akkerbouw was moeilijk. Buiten de historische kern van het vissersdorp Zandvoort bevonden zich dan ook maar enkele boerenerven. De Oude Duinen werden voor het ontstaan van de Jonge Duinen intensiever gebruikt door de mens. Deze duinen zijn veel ouder waardoor bodemvorming een kans heeft gehad en de bodem daardoor geschikter was voor akkerbouw. De lager gelegen, nattere delen binnen het oude duinlandschap waren waarschijnlijk minder aantrekkelijk voor bewoning, maar kunnen wel gebruikt zijn voor landbouwdoeleinden. Ook is het mogelijk dat in dergelijke natte, veenrijke gebieden knuppelpaden lagen die de verschillende hogere delen van het landschap met elkaar verbonden.

Ook kunnen losse vondsten gerelateerd aan de jacht en houtkap en rituele deposities aanwezig zijn. Hierbij moet men denken aan bijlen, muntschatten en dergelijke. Zoals op de archeolandschappelijke eenhedenkaart zichtbaar is, is een groot deel van het oude duinlandschap begraven onder een (dik) pakket jong duinzand. Als gevolg hiervan kunnen eventuele vindplaatsen extra goed geconserveerd zijn. Binnen het duinlandschap zijn de volgende eenheden onderscheiden;  Oude duinen aan/nabij het oppervlak  Jonge duinen op Oude duinen  Oude duinen afgedekt met veen  Jonge duinen op veen op Oude duinen 6.3.3 Verstoringen Binnen de gemeente Zandvoort zijn veel kleine meertjes en vijvers aanwezig. Het gaat hierbij om door de mens gegraven laagtes. In enkele gevallen, zoals ter plaatse van de grote gegraven watergangen in het waterleidingduinen, is duidelijk dat

85

Archeologische beleidskaart Gemeente Zandvoort

eventueel aanwezige vindplaatsen bij de aanleg zijn verstoord. Van vele afgravingen (veelal ten behoeve van zandwinning) is echter niet bekend tot welke diepte de bodem is ontgraven.

6.4 De archeologische verwachting 6.4.1 Indicatieve Kaart Archeologische Waarden De landelijk vervaardigde Indicatieve Kaart van Archeologische Waarden laat op basis van een statistische relatie de kans op het aantreffen van archeologische waarden binnen een bepaalde bodemeenheid van de archeoregio zien.

Figuur 6.3 Uitsnede van de IKAW voor de gemeente Zandvoort.180 De oranjerode kleur betreft gebieden met een hoge verwachting. De gebieden met een oranje kleur hebben een middelhoge verwachting. De gebieden met een lichtgele kleur (strand) hebben een lage verwachting.

180

RCE 2008; versie 3.0.

Project V-19.0130B

86

Voor grote delen van Nederland, zoals de pleistocene zandgronden met een betrekkelijk eenvoudige geologische, geomorfologische en bodemkundige structuur, levert een dergelijke relatie een vrij goed beeld op, al bestaat hier enige 181 discussie over. Bij de totstandkoming van de IKAW voor Zandvoort en omgeving is echter gebruik gemaakt van de geologische kaart als basis, net als het geval is bij de totstandkoming van de archeologische verwachtingskaart in onderhavig rapport. Een groot nadeel van deze IKAW is echter dat deze gebaseerd is op de kaartmateriaal met een schaal van 1:50.000, zonder dat getracht is een gedetailleerder beeld te verkrijgen door bijvoorbeeld het AHN te gebruiken. Dit betekent dat de IKAW op gemeentelijk niveau een te generaliserend karakter heeft. Ook is op deze kaart geen rekening gehouden met het feit dat een groot deel van het grondgebied binnen de gemeente Zandvoort is afgedekt met een (dik) pakket jong duinzand waarvan de archeologische relevantie gering is. Er is bovendien geen rekening gehouden met afgravingen die het archeologisch niveau kunnen hebben verstoord. Bovendien is in de toelichting van de IKAW opgenomen dat ook bij een lage archeologische indicatieve waarde archeologisch onderzoek 182 noodzakelijk is om het kaartbeeld te verfijnen.

Het geadviseerde onderzoek betreft in eerste instantie een bureauonderzoek, waarbij de, bij het vervaardigen van de IKAW, ontbrekende bronnen worden geraadpleegd, zoals historische kaarten, vondstwaarnemingen en hoogtegegevens. Vanuit de RCE wordt daarom geadviseerd om de landelijk vervaardigde IKAW alleen te gebruiken bij een 183 kaartschaal kleiner of gelijk aan 1:50.000. De verwachtingskaart in bijlage 8 heeft een detailniveau van circa 1:10.000 en is gevrijwaard van bovenstaande nadelen van de IKAW. 6.4.2 Het verwachtingsmodel Voor dit model is gebruik gemaakt van algemeen geaccepteerde aannamen met betrekking tot locatiekeuzefactoren binnen het duinlandschap van Nederland. Deze kennis over (pre-)historische locatiekeuze factoren is deductief. Daarnaast is echter ook gebruik gemaakt van analyses van de bekende waarnemingen binnen de gemeente Zandvoort in relatie tot de landschappelijke ligging van deze waarnemingen. Dit betreft inductieve informatie. In het geval van de gemeente Zandvoort is het inductieve model echter minder betrouwbaar, gezien de geringe hoeveelheid vindplaatsen (slechts 24, zie paragraaf 5.2.1). De statistische onderbouwing is derhalve slecht. Daarnaast kleven er nog enkele bezwaren aan deze laatste methode. Zo kan worden afgevraagd of de huidige verspreiding van de waarnemingen daadwerkelijk representatief is voor de werkelijke verspreiding.

Het archeologisch relevante niveau (grens oude duinen/jonge duinen) bevindt zich in het grootste deel van de gemeente Zandvoort op grote diepte en zal derhalve niet vaak worden aangetroffen (amateur-archeologen, bouwwerkzaamheden etc). Daarbij komt dat een aanzienlijk deel van het grondgebied van de gemeente deel uit maakt van de Amsterdamse Waterleidingduinen, een gebied waar als gevolg van de drinkwaterwinning weinig tot geen bouwactiviteiten plaatsvinden. Er zullen dus ook relatief weinig vindplaatsen worden aangetroffen door professionele archeologen, aangezien relatief weinig onderzoek wordt uitgevoerd. Zoals in paragraaf 6.3 is beschreven, is de gemeente Zandvoort onder te verdelen in zes landschappelijke eenheden. Er is bij de analyse gekeken naar de verdeling van de waarnemingen over deze verschillende eenheden. Om vervolgens tot een verwachting te kunnen komen, is een model gebruikt waarin het percentage waarnemingen in een bepaalde landschappelijke eenheid is vergeleken met het percentage van die eenheid binnen het onderzoeksgebied. Het uitgangspunt hierbij 181

Kamermans et al. 2009. Deeben 2008. 183 Deeben 2008, Kamermans et al. 2009. 182

87

Archeologische beleidskaart Gemeente Zandvoort

is dat een bepaalde landschappelijke eenheid een hoge waardering krijgt wanneer er meer waarnemingen in die eenheid aanwezig zijn dan op basis van een evenredige verdeling over de verschillende landschappelijke eenheden verwacht mag worden. Indien er minder waarnemingen aanwezig zijn, scoort de eenheid laag. De richtlijn hierbij is dat wanneer het verschil in percentages (waarnemingoppervlakte landschappelijke eenheid) kleiner is dan 0, de betreffende eenheid een lage waardering krijgt. Indien de waarde tussen 0 – 5 ligt, scoort de eenheid middelhoog en bij een waarde groter dan 5 heeft de landschappelijke eenheid een hoge waardering. Naast deze inductieve waardering is op basis van regionale kennis tevens een deductieve waardering aan de eenheden toegekend. Uiteindelijk is op basis van de inductieve en deductieve gegevens een uiteindelijke verwachting uitgesproken. In tabel 6.1 is een voorbeeld weergegeven van deze werkwijze voor de ijzertijd.

Tabel 6.1 Verwachting per archeolandschappelijke eenheid voor de ijzertijd. H = hoog, M = middelhoog, L = laag % (vindplaatsen)

% opp. Landschappelijke eenheid

verschil

verwachting inductief

verwachting deductief

Jonge duinen op Oude duinen

6

66,7

36,6

30,1

H

H

H*

Jonge duinen op veen op Oude duinen

2

22,2

19,2

3,1

M

M

M**

Oude duinen

1

11,1

17,8

-6,7

L

H

H

Veen op Oude duinen

0

0

1,6

-1,6

L

M

M

Strand

0

0,0

1,8

-1,8

L

L

L

Zee

0

0

23

-23

L

L

L

* **

Verwachting

aantal vindplaatsen

Landschappelijke eenheid

De hoge verwachting geldt alleen voor de top van de begraven Oude duinen vanaf een hoogte van 6,0 m + NAP of lager. De middelhoge verwachting geldt alleen voor de top van de begraven Oude duinen vanaf een hoogte van 6,0 m + NAP of lager.

Op bovenstaande wijze zijn analyses uitgevoerd voor het totale aantal waarnemingen en voor de waarnemingen per periode. Het beeld dat hieruit naar voren komt, toont een vestigingsvoorkeur voor verschillende landschappelijke eenheden door de tijd heen. Hierbij moet echter nogmaals worden opgemerkt dat het inductieve model in het geval van Zandvoort minder betrouwbaar is vanwege het geringe aantal van 24 vindplaatsen. Derhalve weegt het deductieve model het zwaarst. In tabel 6.2 zijn de uitkomsten van alle analyses met betrekking tot de relatie waarneming-landschappelijke eenheden uiteengezet. Door de verschillende toegekende waarden per landschappelijke eenheid door de tijd heen naast elkaar te zetten is gekomen tot een uiteindelijke waardering per landschappelijke eenheid. Vanwege de geringe hoeveelheid waarnemingen is de waardering voornamelijk gebaseerd op deductieve informatie.

Project V-19.0130B

88

Tabel 6.2 Verwachting per landschappelijke eenheid. H = hoog, M = middelhoog, L = laag. Bronstijd

IJzertijd

Romeinse tijd

Vroege Middeleeuwen

Late Middeleeuwen

Nieuwe tijd

Alle waarnemingen

Toegekende 184 verwachting

Jonge duinen op Oude duinen

H

H

H

H

M

M

H

H*

Jonge duinen op veen op Oude duinen

M

M

M

M

M

M

M

M**

Oude duinen

H

H

H

H

H

H

H

H

Veen op Oude duinen

M

M

M

M

M

M

M

M

Strand

L

L

L

L

L

L

L

L

Zee

L

L

L

L

L

L

L

L

Landschappelijke eenheid

* **

De hoge verwachting geldt alleen voor de top van de begraven Oude duinen vanaf een hoogte van 6,0 m + NAP of lager. De middelhoge verwachting geldt alleen voor de top van de begraven Oude duinen vanaf een hoogte van 6,0 m + NAP of lager.

6.4.3 De gaafheid van vindplaatsen Er zijn verschillende factoren die van invloed zijn op de conditie waarin een eventuele vindplaats zich bevindt. Het betreft de aard van de archeologische resten, de verwering van archeologische resten en de aanwezigheid van bebouwing.

De aard van archeologische resten Bij archeologische vindplaatsen kan onderscheid gemaakt worden tussen vindplaatsen waar tevens grondsporen zijn aangetroffen en vindplaatsen waarbij alleen vondsten (mobilia) zijn aangetroffen. De laatste groep betreft voornamelijk vuursteen-vindplaatsen van rondtrekkende jagers/verzamelaars uit de steentijden. In het geval van de gemeente Zandvoort is hier echter geen sprake van, gezien de geringe ouderdom van het landschap. In het geval van een vindplaats waar tevens grondsporen zijn aangetroffen, betreft het voornamelijk resten van de meer plaatsgebonden (landbouwende) culturen vanaf het neolithicum (in het geval van Zandvoort vanaf de bronstijd). Dergelijke vindplaatsen zijn minder gevoelig voor verstoringen, aangezien naast mobilia ook nog grondsporen aanwezig zijn. Hierbij is de diepte van de grondsporen uiteraard wel van belang. De grondsporen van de vroege landbouwers (neolithicum – ijzertijd) zijn over het algemeen minder diep en daarmee gevoeliger voor erosie/verstoring dan grondsporen uit latere tijden, aangezien de funderingen en (afval)kuilen in die perioden veelal dieper werden ingegraven.

Verwering Sommige archeologische vindplaatsen zijn gevoeliger voor erosie dan andere. Dit hangt niet alleen samen met de aard van de archeologische resten en de diepte van de grondsporen, maar ook met de verweringsgevoeligheid van het materiaal 184

89

Gebaseerd op zowel inductieve als deductieve informatie.

Archeologische beleidskaart Gemeente Zandvoort

waaruit de vondsten bestaan. Van organisch materiaal blijft in die delen van het landschap die boven de grondwaterspiegel gelegen zijn niets over. Steenbouw is veel beter bestand tegen erosie dan bijvoorbeeld leembouw. Hardgebakken aardewerk is beter bestand tegen verwering dan zacht gebakken aardewerk en andere sterk vergankelijke materialen. Zure regen, landbouwactiviteiten en vorst kunnen dergelijk materiaal aantasten en zelfs volledig opruimen. Prehistorisch aardewerk is over het algemeen zacht gebakken. Dit kan een oorzaak zijn van het feit dat binnen de gemeente tot op heden geen bronstijd aardewerk is aangetroffen. Het gebruik van vuursteen nam in de metaaltijden sterk af. Het kan derhalve voorkomen dat mobilia behorende tot vindplaatsen uit de metaaltijden geheel zijn verdwenen, waardoor een dergelijke vindplaats zo goed als onvindbaar is geworden (grondsporen worden bij oppervlaktekarteringen en/of booronderzoeken niet of nauwelijks aangetroffen). Ook van metaal gemaakte artefacten zijn gevoelig voor verwering. Zo is het gebruik van drijfmest (gier) vanwege de hoge zuurgraad zeer schadelijk voor metalen voorwerpen. Dit zal binnen de gemeente Zandvoort echter geen rol spelen, gezien de afwezigheid van landbouwgrond.

Bebouwing Ook de huidige bebouwing binnen de gemeente Zandvoort is van invloed op de gaafheid van eventuele archeologische vindplaatsen. Bebouwing kan namelijk zowel 185 verstorend als beschermend werken. Bij moderne bouwwerkzaamheden is het gebruikelijk om het gehele oppervlak van de nieuwbouw te funderen. Hierbij wordt veelal de toplaag van de bodem afgegraven. Indien op een dergelijke nieuwbouwlocatie geen moderne ophooglaag is aangebracht, dan is het goed mogelijk dat indien zich ter plaatse een archeologische vindplaats bevindt, deze zal worden verstoord. Zeker indien ook kelders zijn aangelegd. 186 Bebouwing kan echter ook een beschermende werking hebben. Zo werden bij ‘nieuwbouw’ daterend uit de periode voor 1950 veelal alleen de muren gefundeerd. Verstoring van eventueel aanwezige archeologische vindplaatsen onder dergelijke bebouwing is minimaal (tenzij ook hier sprake is van de aanleg van kelders). Het is derhalve niet zo dat gebieden waar bebouwing aanwezig is per definitie een lage trefkans op archeologie hebben. Binnen de historische kernen kunnen in potentie juist veel vindplaatsen aanwezig zijn, grotendeels onder bestaande bebouwing.

6.4.4 De verwachtingskaart De archeologische verwachtingskaart (zie bijlage 8) is het resultaat van het samenvoegen van de onderscheiden archeolandschappelijke eenheden en de koppeling van de archeologische verwachting aan die eenheden op basis van het in paragraaf 6.4.2 beschreven model. Het resultaat is een vlakdekkend beeld van de verwachte archeologische waarden binnen de gemeente Zandvoort, onderverdeeld in verscheidene verwachtingszones. De archeologische verwachtingszones zijn gebaseerd op het ontwikkelde verwachtingsmodel. In totaal zijn zes zones te onderscheiden die samen een vlakdekkend kaartbeeld vormen:  Zones met een hoge archeologische verwachting. Die verwachting is gebaseerd op het model, maar ook op de aanwezigheid van een historisch element, op de aanwezigheid van vondsten in de directe nabijheid of op relicten uit WOII;  Zones met een hoge archeologische verwachting vanaf een hoogte van 6,0 m + NAP en lager;  Zones met een middelhoge archeologische verwachting; 185

Met moderne nieuwbouw wordt de periode vanaf de tweede helft van de 20ste eeuw bedoeld. 186 Hierbij dient te worden opgemerkt dat de locatie van de nieuwbouw van belang is. Nieuwbouw ter plekke van de jonge duinen hoeft geen negatieve gevolgen te hebben voor eventueel begraven archeologie, afhankelijk van de diepte waarop de archeologisch relevante bodemlaag zich bevindt.

Project V-19.0130B

90

  

Zones met een middelhoge archeologische verwachting vanaf een hoogte van 6,0 m + NAP en lager; Zones met een lage archeologische verwachting; Zones zonder archeologische verwachting (verstoord);

Bij zones met een hoge archeologische verwachting gaat het om terreinen, waar op basis van het gebruikte model een grote kans bestaat op het aantreffen van archeologische resten. Ook terreinen waarvan op basis van vondsten en/of historische elementen in de nabije omgeving (vrijwel) vaststaat dat zich archeologische resten in de ondergrond bevinden, vallen onder deze verwachting. Dit geldt tevens voor die gebieden waarbinnen relicten uit de Tweede Wereldoorlog worden verwacht (er is geen onderscheid gemaakt in gebieden met een zeer hoge verwachting). Binnen grote delen van de gemeente is sprake van een bodemopbouw waarbij de Oude duinen zijn afgedekt met een (dik) pakket Jonge duinen. Hierbij is aan de top van de Oude duinen een hoge archeologische verwachting toegekend. Op basis van analyses van reeds uitgevoerd archeologisch onderzoek en reeds bekende geologische boringen, is vastgesteld dat de top van de Oude Duinen op een hoogte vanaf 6,0 m + NAP en lager verwacht kunnen worden (zie paragraaf 6.2.3). Vandaar dat onderscheid is gemaakt tussen gebieden met een hoge archeologische verwachting en gebieden met een hoge archeologische verwachting vanaf een hoogte van 6,0 m + NAP en lager. Bij zones met een middelhoge archeologische verwachting betreft het gebieden met een middelhoge kans op het aantreffen van archeologische resten.

Dit soort terreinen zijn op basis van het model minder gunstig gelegen voor bewoning dan de terreinen met een hoge verwachting, maar gunstiger dan de terreinen met een lage verwachting. In het geval van Zandvoort betreft het gebieden welke voorafgaand aan het ontstaan van de Jonge Duinen wat lager gelegen waren en waar zich veen heeft kunnen ontwikkelen. Dergelijke wat nattere gebieden werden in het verleden afgedaan als minder relevant, aangezien het algemene idee was dat de mens zich voornamelijk op de hogere en drogere delen van het landschap vestigde. Hoewel deze redenering ook momenteel nog algemeen geaccepteerd wordt, is men zich echter gaan realiseren dat dit niet per definitie betekent dat de natte gebieden in het geheel niet relevant zijn. Juist in dergelijke milieus kunnen bijzondere archeologische datasets aanwezig zijn. Het blijkt dat juist de natte delen in het landschap veelal werden gebruikt voor rituele doeleinden, waaronder dierlijke of 187 zelfs menselijke offers. Daarnaast kunnen in natte gebieden archeologische resten voorkomen die buiten de natte gebieden juist niet gebruikelijk zijn. Hierbij moet gedacht worden aan afvaldumps of aan resten van bouwwerken die in verband kunnen worden gebracht met het controleren van de waterhuishouding (stuwen en oeverbeschoeiing).

Een gunstige omstandigheid van de natte delen van het landschap is dat deze gebieden vrijwel de enige zijn waar de kans op het voorkomen van goed geconserveerd organisch materiaal vrij groot is. Hierbij moet niet alleen gedacht worden aan archeologische resten, maar ook aan pollen en macroresten. Dergelijke resten kunnen in combinatie met archeologische indicatoren bijdragen aan goede landschapsreconstructies. Al deze bijzonderheden leiden ertoe dat de voormalige nattere delen binnen de gemeente Zandvoort als belangrijke archeologische archieven moeten worden beschouwd. Ook in deze gevallen zijn er gebieden die zijn afgedekt met een (dik) pakket Jonge duinafzettingen. Vandaar dat ook hier onderscheid is gemaakt tussen gebieden met een middelhoge archeologische verwachting en gebieden met een middelhoge archeologische verwachting vanaf een hoogte van 6,0 m + NAP en lager.

187

91

Bradley 1990; Rensink 2008.

Archeologische beleidskaart Gemeente Zandvoort

Ter plaatse van zones met een lage archeologische verwachting bestaat een kleine kans op het aantreffen van archeologische resten. In het geval van Zandvoort gaat het hier om het strand en het deel van de gemeente bestaande uit de zee. Hier dermate veel erosie opgetreden dat eventueel aanwezige archeologische resten niet meer (in situ) aanwezig zijn. Zoals in paragraaf 3.2.2 uiteen is gezet, is een indicatief model van het archeologisch potentieel van de Noordzeebodem ontwikkeld. Volgens dit model heeft de bovenste 30 meter van de zeebodem binnen de gemeente Zandvoort in potentie kans op de aanwezigheid van vondstmateriaal uit het midden-paleolithicum.188 De indicatieve kaart van het archeologisch potentieel van de Noordzeebodem is echter (nog) niet nauwkeurig genoeg om bruikbaar te zijn voor de ontwikkeling van onderhavige beleidskaart. Dat wil niet zeggen dat nooit archeologische vondsten zullen worden aangetroffen op het strand. Er kunnen artefacten vanuit de verder zeewaarts gelegen delen van de Noordzee aanspoelen. De bodem van de Noordzee vertegenwoordigt verder uit de kust het oude maaiveld gedurende de laatste ijstijd (de Noordzee lag destijds droog). Er kunnen derhalve paleolithische en (vroeg-) mesolitische vondsten aanspoelen.

Ook kan het voorkomen dat dergelijk vondstmateriaal op de stranden terecht komt als gevolg van het opspuiten van zand vanuit de Noordzee (zandsuppletie). Tot slot zijn er nog zones zonder archeologische verwachting. Dit zijn gebieden waarvan bekend is dat er geen archeologische resten zijn te verwachten. Dit kan zijn omdat bekend is dat de bodem ter plaatse dermate diep is verstoord, dat geen archeologische resten meer aanwezig zullen zijn. In aanvulling hierop zijn nog twee zones toegevoegd aan de verwachtingskaart. Dit betreft zones waarvan bekend is dat er verstoring heeft plaatsgevonden, maar waarvan niet bekend is tot welke diepte deze verstoring reikt. Hierbij moet worden gedacht aan lokale zandwinningen, of de aanleg van sloten. Ook ophoging van het terrein is weergegeven. Deze duidingen moeten worden gezien als een ‘waarschuwing’ dat er rekening gehouden moet worden met het feit dat ter plaatse verstoring heeft plaatsgevonden, maar dat niet direct kan worden geconcludeerd dat geen archeologie meer aanwezig zal zijn. Hiervoor zal eerst moeten worden vastgesteld of de verstoring tot in het archeologisch niveau reikt.

6.5 Beperkingen Hoewel de gegevens die gebruikt zijn voor het vervaardigen van de verschillende lagen met de grootste nauwkeurigheid zijn verzameld en verwerkt, kunnen deze natuurlijk nooit volledig zijn en zijn daarom zo nauwkeurig als de bronnen waar ze uit komen. Daarom is het van belang te weten welke betekenis er aan de op de kaart weergegeven gegevens moet worden gehecht. Bij het gebruikte model kan een kanttekening worden geplaatst. Ten eerste betreft het relatief weinig vondsten, waardoor het inductieve model minder betrouwbaar is. Daarnaast is een deel van de vondsten binnen de gemeente door amateurarcheologen aangetroffen. Zij beperken zich voornamelijk tot oppervlaktekarteringen en zijn derhalve gebonden aan gebieden waar in het verleden afgravingen hebben plaatsgevonden (zoals bijvoorbeeld het meertje van Burdet of stuifkuilen in de duinen). Hiermee is het terrein wat afgezocht kon worden zeer beperkt. Daarnaast is een groot deel van het archeologisch relevante niveau (top Oude Duinen) binnen de gemeente afgedekt met een (dik) pakket jonge duinafzettingen. Vindplaatsen op een dergelijk begraven niveau zullen niet snel door amateur-archeologen worden ontdekt, simpelweg omdat zij geen gravend onderzoek uitvoeren. Daarbij komt dat voor dit model gebruik is gemaakt van locatiekeuzefactoren die gebaseerd zijn op economische motieven. Archeologische 188

Vonhögen-Peeters et al. 2016.

Project V-19.0130B

92

resten die niet of nauwelijks gebonden zijn aan bepaalde landschappelijke eenheden vallen buiten dit model. Hierbij moet gedacht worden aan depots, offergiften, wegen, greppels en (in mindere mate) grafvelden. Hoewel aan een terrein een bepaalde verwachting kan zijn toegekend, betekent het geenszins dat de bodem ter plaatse intact is. Ontgrondingen, afgravingen en de aanleg van funderingen voor gebouwen, kabels en leidingen hebben veelal geleid tot (lokale) bodemverstoringen. Dit is vaak gebleken bij de verschillende archeologische vooronderzoeken die hebben plaatsgevonden binnen de bebouwde kom. Het lokale karakter van dergelijke bodemverstoringen maakt het echter onmogelijk al deze bodemverstoringen op de kaart aan te geven. Bij een archeologisch vooronderzoek dient te worden bepaald in hoeverre de bodemopbouw nog intact is of niet. Tevens dient te worden opgemerkt dat de verwachting de kans weergeeft op het aantreffen van archeologische waarden. Een grotere dichtheid aan archeologische vindplaatsen brengt een hogere trefkans met zich mee dan een lage dichtheid. Dit betekent dat het bij archeologisch onderzoek in een zone met een hoge verwachting kan voorkomen dat geen archeologische resten worden aangetroffen, terwijl in een zone met een lage verwachting de aanwezigheid van archeologische resten niet volledig is uit te sluiten.

De kans op het aantreffen van resten in een zone met een lage verwachting is echter beduidend lager dan in een zone met een hoge verwachting.

93

Archeologische beleidskaart Gemeente Zandvoort

Project V-19.0130B

94

7

Archeologie en beleid

7.1 Inleiding Het doel van de archeologische monumentenzorg (AMz) is om de in de bodem aanwezige archeologische vindplaatsen ter plaatse (in situ) te behouden als kennisbron voor toekomstige generaties. Door de archeologische monumentenzorg te koppelen aan de ruimtelijke ordening wordt een instrument gecreëerd waarmee kan worden vastgesteld welke gebieden op een voor het culturele erfgoed zo veilig mogelijke manier kunnen worden ontwikkeld. In gebieden waar archeologische vindplaatsen worden verwacht, zal uit inventariserend onderzoek moeten blijken of zich ter plaatse ook daadwerkelijk behoudenswaardige vindplaatsen bevinden. Is dat niet het geval, dan kan men beginnen met de geplande bouwwerkzaamheden, zonder dat rekening hoeft te worden gehouden met archeologisch erfgoed. Blijkt uit het inventariserend onderzoek dat zich ter plaatse van het plangebied wel een (behoudenswaardige) archeologische vindplaats bevindt, dan zou deze conform de wetgeving behouden moeten worden voor toekomstige generaties. Gezien de grote druk op de bodem is dit niet altijd haalbaar. Vandaar dat dergelijke vindplaatsen zorgvuldig worden onderzocht om op die manier informatie te vergaren over het verleden.

Het is hierbij essentieel dat deze informatie zorgvuldig in rapportages en databases wordt vastgelegd voor (eventueel) toekomstig onderzoek en toekomstige generaties en dat het verhaal van de locatie voor een groot publiek toegankelijk wordt gemaakt. Naast het behouden van de archeologische vindplaatsen in de bodem als kennisbron is ook het behoud en het bewustmaken van de aanwezigheid van de nog bestaande cultuurhistorische elementen in het landschap een belangrijk onderdeel van de AMz. De archeologische beleidskaart kan hier een grote bijdrage aan leveren. In hoofdstuk 6 is uiteengezet hoe de archeolandschappelijke eenheden- en archeologische verwachtingskaart tot stand zijn gekomen en welke argumentatie is gebruikt om te kunnen komen tot de benoeming van de verschillende verwachtingen. In dit hoofdstuk wordt nader ingegaan op het gemeentelijk beleid. Daarbij zal de uit de verwachtingskaart gedestilleerde beleidskaart worden besproken, waarbij zal worden behandeld hoe met terreinen van een bepaalde archeologische verwachting omgegaan dient te worden in het ruimtelijk beleid. Dit beleid is van evident belang om het doel van de verwachtingskaart, namelijk om te komen tot een juiste en zorgvuldige omgang met (mogelijke) archeologische waarden in de bodem, te kunnen bereiken.

Ook zal worden ingegaan op de verschillende archeologische onderzoeksmethoden die gevolgd moeten worden indien behoud niet mogelijk is.

7.2 Archeologiebeleid in de gemeente Zandvoort In hoofdstuk 1 is ingegaan op de wettelijke verantwoordelijkheid ten aanzien van het archeologisch erfgoed van het Rijk, de provincie en de gemeente. In deze paragraaf wordt ingegaan op het beleid dat de gemeente Zandvoort momenteel

95

Archeologische beleidskaart Gemeente Zandvoort

voert met betrekking tot archeologisch erfgoed en het beleid dat zij in het nieuwe omgevingsbeleid zal gaan voeren. 7.2.1 Werkwijze tot op heden De gemeente Zandvoort werkte voor 2012 in de geest van het verdrag van Malta. De werkwijze is in de Erfgoedverordening van Zandvoort uit 2010 vastgelegd en in 2012 189 geactualiseerd. In deze actualisatie is de archeologische beleidsadvieskaart als bijlage opgenomen.

Figuur 7.1 De archeologische beleidskaart van de gemeente Zandvoort zoals opgenomen in de bijlage van de erfgoedverordening van de gemeente Zandvoort uit 2012.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/16481794/1