Bijlage 2b. Archeologische beleidskaart Zandvoort
Tekst van het document
Zoals bij de ijzertijd al is beschreven (par. 4.4), is een vondst in de Poststraat (catalogusnr. 20) moeilijk te duiden en langs het Noordoosterkanaal 97 (catalogusnr. 3) blijkt geen sprake te zijn van een akkerlaag. De enige Romeinse vondst is bekend in het uiterste noordoosten van de gemeente (catalogusnr. 21). Het gaat om enkele fragmenten aardewerk die in 1954 met een geologische waarneming zijn verzameld. In 1957 is het aardewerk gedetermineerd en is destijds e e gedateerd in de 1 en 2 eeuw na Chr. De stratigrafische herkomst van deze scherven is niet met zekerheid vast te stellen. Men vermoedt dat de vondsten afkomstig zijn van onder een veenlaag. Dit veen ligt op Oud duinzand en is afgedekt met Jong 98 duinzand. 94
Monument 11082. Salomons 2013, 17. 96 Van der Velde 2017a, 109-111. 97 Salomons 2013, 17. 98 De Jong 2001, 58-61. 95
51
Archeologische beleidskaart Gemeente Zandvoort
Dat er in de regio wel degelijk menselijke activiteit was gedurende de Romeinse tijd, blijkt uit de aanwezigheid van het fort bij Velsen en verscheidene vondsten uit deze periode binnen de gemeente Haarlem, al geldt ook voor de gemeente Haarlem dat het aantal vondsten uit deze periode relatief gering is.
Figuur 4.3 Archeolandschappelijke eenhedenkaart met daarop de bekende vindplaatsen uit de Romeinse tijd.
Van Heeringen en Van der Velde noemen als kennislacune de vroeg-Romeinse tijd in zijn algemeenheid. Deze lacune is in feite een voortzetting van de kennislacune van de ijzertijd. Een belangrijk thema is bovendien de vraag of de bewoners ten noorden en ten zuiden van de Romeinse grens een gedeelde culturele identiteit hadden. Van de midden-Romeinse tijd is meer bekend, maar voor de laat-Romeinse tijd is er juist minder informatie. Dit staat in schril contrast met Midden- en OostNederland waar in deze periode sprake lijkt van een groei van de omvang van en het aantal nederzettingen. Belangrijke vraag in deze is dan ook hoe dit verschil is te verklaren.
4.6 Vroege Middeleeuwen (450 – 1050 na Chr.) In de derde en vierde eeuw na Chr. werden de aanvallen van de Germanen steeds heviger, wat uiteindelijk heeft geleid tot de val van het Romeinse rijk in het begin van de vijfde eeuw na Chr. Het gebied waar Zandvoort binnen ligt viel de eerste
Project V-19.0130B
52
paar eeuwen na de val van het Romeinse Rijk binnen het gebied van de tot de Friezen.
Figuur 4.4 Archeolandschappelijke eenhedenkaart met daarop de bekende vindplaatsen uit de vroege middeleeuwen. e
Later, vanaf de tweede helft van de 8 eeuw, kwam het onder controle van de Franken. Nederland maakte vanaf die periode onderdeel uit van het keizerlijke rijk van Karel de Grote (742-814 na Chr.). Over de periode tussen de val van het Romeinse rijk en de vorming van het rijk van Karel de Grote is weinig bekend. Wel is duidelijk dat er in heel Nederland een sterke afname van de bevolking optrad aan het eind van de Romeinse tijd en daarmee ook het aantal nederzettingen. Pas in de de loop van de 7 eeuw nam de bevolkingsdichtheid weer toe. Vanaf die periode groeiden sommige van de nederzettingen uit tot volwaardige dorpen en steden. Door het Frankische rijk werden pogingen gedaan de bevolking tot het christendom te bekeren en kwam er een feodaal systeem waarbij belastingen moest worden betaald. Hierdoor ontstond tevens een meer hiërarchische sociale structuur. e Na het uiteenvallen van het Frankische Rijk, kwam in de tweede helft van de 9 99 eeuw het Graafschap Holland tot ontwikkeling. Het grondgebied van de huidige gemeente Zandvoort viel vanaf die periode derhalve binnen het Graafschap Holland.
99
53
Van der Velde 2017b, 150.
Archeologische beleidskaart Gemeente Zandvoort
Van het duinlandschap van Zandvoort en het gebied ten zuiden hiervan, ten noorden van de Rijn, is net als de voorgaande periode archeologisch gezien relatief weinig bekend. Dit kan te maken hebben met een lage onderzoeksintensiteit. Het is ook goed mogelijk dat eventuele archeologische resten door Jonge Duinen zijn 100 afgedekt. Dat Jonge Duinen archeologische resten in de duinen kunnen afdekken, blijkt uit de vondst van een vroegmiddeleeuwse nederzetting in Bloemendaal. Het betreft de nederzetting Groot Olmen. Deze nederzetting was bewoond vanaf de e e 101 tweede helft van de 5 tot in de 9 eeuw en werd afgedekt door Jonge Duinen. De vroegste bewoning van deze nederzetting vond plaats in een bosrijk landschap. Als gevolg van ontbossing en overexploitatie is het bos geleidelijk aan verdwenen en e is het landschap overstoven, waarna in de 9 eeuw de nederzetting is verlaten. Ploegsporen geven aan dat er in gebied afwisselend werd gewoond en geakkerd.102 Zandvoort was in deze periode mogelijk minder aantrekkelijk om te bewonen dan bijvoorbeeld de nabij gelegen hoger liggende strandwallen ten oosten van het gebied, doordat het landschap aan het einde van de Romeinse tijd vernatte (par. 3.1.4), waardoor veenvorming optrad. Vervolgens overstoof het landschap vanaf het einde van de vroege middeleeuwen, waardoor Jonge Duinen tot ontwikkeling kwamen.
In de tussentijd is waarschijnlijk wel sprake geweest van bewoning in het Zandvoorts duingebied, al zijn hier geen duidelijke aanwijzingen voor. De vroegmiddeleeuwse nederzetting in Bloemendaal toont in ieder geval aan dat er in deze periode weldegelijk in het duingebied gewoond werd. Aanwijzingen voor middeleeuwse en mogelijk vroegmiddeleeuwse bewoning zijn er in de vorm van aardewerk dat in een drietal stuifkuilen is aangetroffen (catalogusnr. 22, 23 en 24). Eén stuifkuil bevatte uitsluitend vroegmiddeleeuws aardewerk (Mayen). In de twee andere stuifkuilen is zowel vroeg- als laatmiddeleeuws aardewerk en aardewerk uit de nieuwe tijd aangetroffen. In het Jonge Duinzand is een akkerlaag waargenomen (catalogusnr. 17). Door het ontbreken van vondstmateriaal is deze akker niet exact te dateren, maar een datering aan het einde van de vroege middeleeuwen is niet uit te sluiten. In paragraaf 4.4 is al beschreven dat de datering en interpretatie van een vondst in de Poststraat moeilijk te duiden is (catalogusnr. 20). Langs het Noordoosterkanaal 103 (catalogusnr. 3) blijkt geen sprake te zijn van een akkerlaag. Uit de Oogst voor Malta is gebleken dat er voor de vroege middeleeuwen een behoorlijke hoeveelheid informatie beschikbaar is over nederzettingen en over akkers en verkaveling. Maar er is nog geen samenhangend verhaal van te maken. Over het grafbestel is nauwelijks iets bekend.
Wat er aan kennis beschikbaar is, roept ‘grotere’ vragen op als de relatie van de vroegmiddeleeuwse nederzettingen met de latere dorpskernen. De beschikbare kennis over verkaveling, dorpsvorming en de inrichting van geesten vraagt ook om een koppeling met andere vakgebieden 104 zoals de historische geografie. Het Oogst voor Malta rapport over dorpsvorming is daarom een goede stap in die richting, omdat ook de historische geografie meegenomen is in het onderzoek. Ook in dit onderzoek komen dezelfde beperkingen naar voren. Er is nog weinig kennis over de ontwikkelingen van historische dorpskernen en de relatie met de omliggende gronden is niet bekend. Wat betreft de rurale bebouwing beperkt archeologisch onderzoek zich in veel gevallen tot de bebouwing zelf. De erfinrichting en, breder, de omliggende landerijen, blijven vaak buiten zicht. En omdat er zoveel andere factoren van belang zijn in de dorpsvorming zoals politieke, economische en sociale, is het noodzakelijk 105 om ook andere vakgebieden erbij te betrekken. 100
Van der Velde 2017b, 148-149, afb. 6.1-2, 167. Van der Velde 2017b, 168. 102 De Koning 2012a, De Koning 2012b. 103 Salomons 2013, 17. 104 Van Heeringen & Van der Velde 2017, 200-202. 105 Verspay et al. 2018, 289. 101
Project V-19.0130B
54
4.7 Late Middeleeuwen en Nieuwe tijd (1050 – heden) Voor de late middeleeuwen geldt dat hier regionaal gezien meer over bekend is dan over de voorgaande perioden. Het aantal geschreven bronnen neemt toe en ook het aantal vondsten uit deze periode is, zeker in de regio, veel groter. De toename van de bevolkingsdichtheid die was ingezet in de voorgaande periode zette door. De bestaande gehuchten en dorpen in de regio namen toe in omvang. Voor het grondgebied van de gemeente Zandvoort geldt dat het dorp Zandvoort in deze periode ontstaat (zie paragraaf 4.8).
Figuur 4.5 Archeolandschappelijke eenhedenkaart met daarop de bekende vindplaatsen uit de late middeleeuwen.
In figuur 4.5 is de verspreiding van de vindplaatsen uit de late middeleeuwen zichtbaar. Uit figuur 4.5 blijkt dat bewoning van de historische kern van Zandvoort in de late middeleeuwen nauwelijks wordt onderbouwd met vindplaatsen uit deze periode. Slechts drie van de negen vondsten komen uit de historische kern. Een van de vondsten (catalogusnr. 2) betreft een aantal fragmenten aardewerk, aangetroffen tijdens een archeologisch onderzoek aan de Prinsesseweg. Het blijkt de de hier om een natuurlijke laagte te gaan die vermoedelijk tussen de 17 en de 19 eeuw gediend heeft als stortplaats voor huishoudelijk afval, maar waarin ook laat middeleeuws aardewerk is aangetroffen.106 Tevens is tijdens graafwerkzaamheden 106
55
Molenaar 2007.
Archeologische beleidskaart Gemeente Zandvoort
bij de aanleg van een grindbak tegen het huidige kerkschip van de Hervormde Kerk de de 15 -eeuwse fundering aangetroffen (catalogusnr. 15). Tot slot zouden tijdens rioolwerkzaamheden aan de Poststraat grafkelders en paalresten zijn aangetroffen. Hiervan is de datering echter onzeker (catalogusnr. 20). Een verklaring voor het geringe aantal vondsten uit de late middeleeuwen in de historische kern van Zandvoort is het gebrek aan archeologisch onderzoek. Buiten de historische kern zijn nog zes waarnemingen bekend. Zo zijn bij geologisch onderzoek begin jaren zeventig verscheidene fragmenten aardewerk aangetroffen in de Amsterdams Waterleidingduinen ter hoogte van het AMK-terrein 11082 (zie paragraaf 4.4).107 Daarnaast is in een tweetal stuifkuilen aardewerk aangetroffen zonder dat duidelijk is hoe deze vondsten geduid moeten worden (catalogusnr. 22 en 24). Tot slot is een oude akkerlaag in Jonge Duinafzettingen waargenomen. Deze akkerlaag is echter niet met vondstmateriaal te dateren, een laatmiddeleeuwse datering is niet met zekerheid vast te stellen (catalogusnr. 17). De ontwikkelingen die in de middeleeuwen waren ingezet zetten zich voort in de nieuwe tijd. De bevolkingsdichtheid nam nog steeds toe met een steeds groter worden druk op het landschap als gevolg. De bevolkingsgroei werd voornamelijk
Figuur 4.6 Archeolandschappelijke eenhedenkaart met daarop de bekende vindplaatsen uit de nieuwe tijd.
107
Catalogusnummers 11, 12 en 13.
Project V-19.0130B
56
opgevangen in de al bestaande gehuchten en dorpen, als gevolg waarvan deze zich begonnen uit te breiden. Dit gold voor Zandvoort echter pas vanaf het einde van de de 19 eeuw. Het landbouwareaal breidde zich steeds verder uit en er kwamen nieuwe industrieën op. De ontwikkeling van nieuwe technieken kwam in een stroomversnelling wat een grote impact op de bevolking had. Als gevolg van nieuwe technieken in de landbouw nam de opbrengst per hectare toe waardoor aan de toegenomen vraag kon worden voldaan. Deze ontwikkelingen in de landbouw hadden voor Zandvoort echter geringe gevolgen. Er werd wel aan akkerbouw gedaan, maar slechts op zeer kleine schaal. Het duinlandschap was gewoonweg niet geschikt voor intensieve landbouw. Er werd begonnen met het op grote schaal winnen van zand. De Zanderij nabij Overveen is hier een voorbeeld van. De winning van dergelijke materialen gebeurde in de voorgaande eeuwen ook al, zij het op veel kleinere schaal. Na de Tweede Wereldoorlog nam de groei van de dorpen en steden in de regio, net als elders in Nederland, verder toe. Binnen de gemeente Zandvoort heeft dat tot een sterke groei van het dorp Zandvoort geleid. Ook de landbouw intensiveerde na 1950. Dit kwam vooral tot uitdrukking in grootschalige ruilverkavelingprojecten die het aangezicht van het landschap in sommige delen van de regio sterk hebben veranderd.
Binnen de gemeente Zandvoort is hier echter geen sprake van, aangezien landbouw na de Tweede Wereldoorlog geen rol van betekenis meer speelde. In figuur 4.6 is de verspreiding van de vindplaatsen uit de nieuwe tijd zichtbaar. Uit figuur 4.6 blijkt dat ook uit deze periode maar weinig waarnemingen bekend zijn binnen de historische kern van Zandvoort. Slechts vier van de tien vondsten komen uit de historische kern . Tijdens een archeologisch onderzoek ter plaatse van de Poststraat 7-11 is, naast wat botmateriaal van een kat, roodbakkend geglazuurd aardewerk uit de nieuwe tijd aangetroffen (catalogusnr. 1). Een andere waarneming betreft de reeds genoemde vondst van een aantal fragmenten aardewerk, aangetroffen tijdens een archeologisch onderzoek aan de Prinsesseweg (catalogusnr. 2). Het blijkt hier om een natuurlijke laagte te gaan die vermoedelijk de de tussen de 17 en de 19 eeuw gediend heeft als stortplaats voor huishoudelijk 108 afval. Tijdens archeologisch onderzoek op de hoek van het Kerkplein en het Raadhuisplein is een puinlaag met baksteen en houtskool aangetroffen (catalogusnr. 19). Tot slot zouden tijdens rioolwerkzaamheden aan de Poststraat grafkelders en paalresten zijn aangetroffen. Hiervan is de datering echter onzeker (catalogusnr. 20).
Een verklaring voor het geringe aantal vondsten uit de nieuwe tijd binnen de historische kern van Zandvoort is de geringe hoeveelheid archeologische onderzoeken. Buiten de historische kern zijn nog zes waarnemingen bekend. Zo is tijdens e graafwerkzaamheden een wegdek uit omstreeks begin 20 eeuw aangetroffen nabij de buitenplaats Groot Bentveld (catalogusnr. 4). Daarnaast is in een tweetal stuifkuilen aardewerk aangetroffen uit de nieuwe tijd. Het is onduidelijk of het hier gaat om sporen van bewoning of om afval dat van elders afkomstig is (catalogusnr. 22 en 24). Tot slot is er nog de al eerder genoemde oude akkerlaag in Jonge Duinafzettingen. Deze akkerlaag zal ergens in de periode vroege middeleeuwen tot en met de nieuwe tijd dateren, maar zonder vondstmateriaal en met de huidige gegevens is dit niet met zekerheid te bepalen (catalogusnr. 17). Naast de hierboven genoemde waarnemingen zijn nog twee noemenswaardige waarnemingen uit de nieuwe tijd bekend binnen de gemeente Zandvoort. Voor de kust liggen namelijk twee scheepswrakken. Het meest zuidelijke wrak is van het schip St. Nicolas, in de volksmond bekend als De Olieman, dat op 1 januari 1880 gestrand is (catalogusnr. 14). Het schip hoorde thuis in de haven van St. John (Canada). Het schip kwam vast te zitten op een zandbank. De bemanning werd 108
57
Molenaar 2007.
Archeologische beleidskaart Gemeente Zandvoort
109
gered, maar men vergat het stakelvuur goed te doven. De wind deed het vuur opnieuw oplaaien met als gevolg dat uiteindelijk het hele schip is afgebrand. De zee was over enkele kilometers bedekt met brandende olie, zodoende de naam ‘De Olieman’. De resten van dit schip waren door extreem laag water op 13 december 110 2008 zichtbaar. Ten noorden van De Olieman ligt nog een scheepswrak. Het betreft vermoedelijk de resten van Bark Luigio Radivo (catalogusnr. 18). Dit schip zou op 31 januari 1892 zijn gestrand. In het Algemeen Handelsblad van 26 oktober 1895 is het wrak 111 genoemd :
De stompe wrakton,112 op het wrak van het beZ. Zandvoort gezonken schip “Luigio Radivo”, is niet aanwezig en zal niet meer gelegd worden. Ligging ongeveer: 52°20’42” N.b. en 0°22’46”W.l. In Archis3 is te lezen dat dit schip in 1979 en 1983 zichtbaar was bij laag water en dat het in april 1985 deels is vrij gegraven en onderzocht door scheepsarcheoloog 113 Van Gortelo. Dit onderzoek staat beschreven op de website van Oud Zandvoort. In het onderzoek wordt de naam van het schip echter niet genoemd. Uit de Oogst voor Malta blijkt dat de kennisleemtes vooral bij het rurale landschap en de Tweede Wereldoorlog te vinden zijn. De archeologie van de stad (zoals bijvoorbeeld Haarlem) is goed bekend. Voor de archeologie van buiten de stad en van de meest recente periode was lange tijd minder interesse. Gebouwen uit de late middeleeuwen en nieuwe tijd zijn niet altijd meer te herkennen. Bewoningslocaties komen daarom minder goed in beeld. In het verleden kwam dergelijke bebouwing vaak, net als molens en verdedigingswerken, slechts als bijvangst aan de orde. 114 Tegenwoordig is er meer aandacht voor in de archeologie. Voor het thema dorpsvorming verwijzen we naar de opmerkingen die hierover zijn gemaakt in paragraaf 4.6.
4.8 De historische kernen binnen de gemeente Zandvoort Met een bijdrage van H. Willems De gemeente Zandvoort heeft in zijn huidige vorm twee woonkernen: Zandvoort en, ten oosten hiervan tegen Aerdenhout aan, Bentveld. Ten noorden en zuiden bevinden zich duingebieden. In de duinen liggen enkele stukken akkerland, waarop soms ook bebouwing tot stand is gekomen. Deze bebouwing staat als ‘historisch punt’ aangemerkt op de historische relictenkaart (bijlage 4). Deze locaties zijn vastgesteld op basis van bebouwing die op de eerste kadastrale kaart van 1832 is ingetekend. De informatie over deze historische relicten is verwerkt in de catalogus van historische objecten (catalogusnummers 1 t/m 9, bijlage 12C). Drie terreinen zijn aangemerkt als buitenplaats: Groot Bentveld, het Groot Badhuis en de renbaan. De informatie over deze buitenplaatsen is verwerkt in de catalogus van buitenplaatsen (catalogusnummers I t/m III, bijlage 12D). De buitenplaatsen staan ook aangegeven op de historische relictenkaart. Bij het schrijven van deze paragraaf zijn verschillende kaarten en afbeeldingen geraadpleegd via verschillende archieven en collecties van o.a. het Noord-Hollands
109
Stakelvuur komt van stakelen; dit is het geven van een noodsignaal met bijvoorbeeld een fakkel (bron: etymologiebank.nl). 110 Zandvoort op foto (geraadpleegd 18 februari 2020). 111 Delpher (geraadpleegd 18 februari 2020). 112 Een wrakton is een ton die aanwijst dat een schip is gezonken. 113 Oud Zandvoort (geraadpleegd 18 februari 2020). 114 Van Heeringen & Van der Velde 2017, 200.
Project V-19.0130B
58
Archief en de Collectie Teylers Museum. Voor overige informatie zijn diverse websites geraadpleegd, bijvoorbeeld van diverse historische verenigingen.
Zandvoort Van Zandvoort is de oudste vermelding bekend uit 1304. Het is aannemelijk dat de nederzetting al enige tijd bestond op het moment dat het voorkomt in historische bronnen. Molenaar noemt een oudste vermelding in 1295. 115 Men vermoedt zelfs e een vroeg-12 -eeuwse oorsprong, maar dit is niet met archeologische resten te ondersteunen. De nederzetting heette Sandevoerde. Het duingebied ter plaatse was destijds moerassig. Ter plaatse van het huidige Zandvoort zal een doorwaadbare plaats zijn geweest, vanaf waar het achterland bereikbaar was vanaf de zee. Het achtervoegsel -voerde verwijst naar een voorde; een doorwaadbare plaats. Zandvoort ligt in de duinen, pal langs de kust. De doorwaadbare plaats zal de reden zijn dat het dorp Zandvoort zich op die plek heeft ontwikkeld. Vissers konden hun vangst hier aan land brengen, verwerken en verder het land in transporteren. Dergelijke bedrijvigheid trok anderen aan waardoor de nederzetting, het dorp, kon groeien. De ligging van Zandvoort in het duingebied lijkt atypisch in de dorpsvorming in het Hollandse kustgebied. Uit het Oogst voor Malta-onderzoek naar dorpsvorming in de middeleeuwen en de vroege nieuwe tijd is naar voren gekomen dat er vroegmiddeleeuwse nederzettingen in de duinen tot ontwikkeling zijn gekomen.
Verdroging en uitputting van het land, waardoor de zandverstuivingen ter plaatse werden versterkt, hebben er echter toe geleid dat deze nederzettingen uiteindelijk zijn verlaten. Dit is ook gebleken uit archeologisch onderzoek net buiten de gemeentegrens, in Bloemendaal (zie paragraaf 4.5). Deze vroegmiddeleeuwse de nederzetting in de duinen is in de 9 eeuw verlaten. Het algemene beeld is, dat men daarna de veengebieden ging ontginnen. Door het inklinken van het veen de werden uiteindelijk ook deze gebieden onbewoonbaar en vertrok men in de 12 eeuw weer naar de hoger gelegen strandwallen, waar nieuwe nederzettingen tot 116 ontwikkeling kwamen. In het geval van Zandvoort is dat echter niet gebeurd. Tot 1722 was het gebied in handen van de heren van Brederode. Daarna kwam het onder invloed van de Staten van Holland. De inwoners van het dorp leefden van de visvangst en, in mindere mate, van de landbouw. Het dorp werd in de late middeleeuwen en vroege nieuwe tijd onder andere geteisterd door de pest, 117 oorlogsgeweld (de Tachtigjarige Oorlog) en watersnoden. de
In de 19 eeuw ontstonden er andere bronnen van bestaan. In het Verenigd Koninkrijk kwam het zeebaden op; de Zandvoortse arts dr. Mezger introduceerde 118 dit gebruik in Zandvoort. In 1828 werd het Groot Badhuis in gebruik genomen. Dit badhuis lag direct ten westen van het dorp, in de duinen. Na meerdere de ste uitbreidingen in de 19 en vroege 20 eeuw is het badhuis in 1943 afgebroken 119 voor de aanleg van de Atlantikwall. In 1881 werd het eerste station Zandvoort geopend als eindpunt van de spoorlijn uit Haarlem. Bij de opening van de spoorweg in 1881 lag het station noordelijker, nabij het in 1881 gebouwde Kurhaus. Ook dit gebouw overleefde de Tweede
115
Molenaar 2007. Verspay et al. 2018, 207-209. 117 Van der Aa, 1851, dl 13, 83-86; Molenaar 2007, 10 (met verwijzing aldaar naar Haartsen e.a. 116
2001); Noord-Hollands archief (2020); Wikipedia (Zandvoort); Zandvoort-Holland (geschiedenis). 118 Buitenplaats cat. III. 119 Wikipedia (Zandvoort); Zandvoort-Holland (Hotel Groot Badhuis).
59
Archeologische beleidskaart Gemeente Zandvoort
120
Wereldoorlog niet. Via een tramverbinding, in eerste instantie elektrisch voortbewogen, maar al snel door paarden voortgetrokken, kon het dorp bereikt worden. Enkele jaren later zou de halte Zandvoort Dorp geopend worden. Eens per week deed een internationale trein uit Bazel Zandvoort Bad aan. Deze trein bracht tal van bemiddelde en bekende buitenlanders naar Zandvoort. In 1908 werd het 121 nieuwe, nog bestaande, kopstation geopend, dat dichter bij het dorp ligt. De historische kern van Zandvoort is een terrein met een hoge archeologische 122 waarde. De grenzen van de historische kern zijn voor deze verwachtingskaart de aangepast (zie hoofdstuk 6). In de vroege 19 eeuw bestond Zandvoort uit een kerk met globaal ten noordwesten hiervan bewoning langs enkele parallelle straten. Deze straten zijn momenteel nog als zodanig herkenbaar. Het betreft de huidige straten de Kleine Krocht, het Gasthuisplein en het Wagenmakerspad, het Raadhuisplein, het Kerkplein en de Kosterstraat, de Kerkstraat en het Kerkpad. De straten zijn gericht op de Noordzee. Aangrenzend in de duinen lagen verspreid de meerdere percelen met bebouwing. Er staan op het kaartmateriaal uit begin 19 eeuw geen wegen ingetekend naar deze bebouwing. De toegangsweg naar het Groot Badhuis kwam vanuit het oosten en is om het dorp heen geleid.
Figuur 4.7 Diverse zichten op de Hervormde Kerk. 1609-1614: kopergravure, Claes Jansz. Visscher; 1726-1731: tekening, toegeschreven aan Abraham de Haan; 1782: tekening, Hendrik Tavenier; 1890: foto, fotograaf onbekend (bron: Noord-Hollands Archief, collectie Kennemerland).
De kerk, van de Nederlands Hervormde gemeente, is een gebouwd rijksmonument. 123 Het grootste deel van de kerk dateert uit 1848-1849. Van de oudere kerkfasen resteren nog een laatmiddeleeuwse kerktoren en een grafkapel uit 1728. Deze grafkapel is van de familie Loot; Paulus Loot was de ambachtsheer van Zandvoort. In de ondergrond zijn resten van funderingen (van voorgangers van de kerk) en 124 begravingen aanwezig. Het terrein is daarom ook een archeologisch monument. Voor deze verwachtingskaart is de omtrek van dit monument aangepast (zie
120
Zandvoort-Holland (Het Kurhaus). Wikipedia (Zandvoort). 122 Monumentnummer 13897. 123 Monumentnummer 401939. 124 Monumentnummer 13895, archeologische waarde, historisch relict 1. 121
Project V-19.0130B
60
hoofdstuk 6). De funderingen van de kerk zijn waargenomen tijdens niet125 archeologische graafwerkzaamheden in 2000 (cat. 15). In het noorden van de historische kern van Zandvoort lagen, verspreid in de duinen, enkele grote percelen met bebouwing, waaronder een Rooms Katholieke 126 schuilkerk. Omdat men het katholicisme niet in de openbaarheid mocht belijden, werd dit in een schuilkerk gedaan. Deze schuilkerk werd vanuit de statie Overveen bediend. De statie Overveen is vermoedelijk in 1692 gesticht. Het is niet bekend wanneer de schuilkerk werd gebouwd. Na de Franse Revolutie (1795) mochten er weer openbare diensten plaatsvinden. In 1851 werd Zandvoort een zelfstandige statie, waarna in 1854 een nieuw kerkgebouw in gebruik werd genomen aan de 127 Haarlemmerstraat. Het gebouw van de schuilkerk bestaat nog, maar is dus niet meer als kerk in gebruik. Thans is Café Neuf (Pakveldstraat-Haltestraat) erin 128 gevestigd. Op de andere percelen in de omgeving van de schuilkerk stonden (pak)huizen, die omgeven waren met een erf en stukken grond. De grond was bijvoorbeeld in gebruik als ‘aardappelenland’ of ‘weide als droogveld ’. In drie gevallen was het (pak)huis in bezit van een (of meerdere) visverkoper(s). Deze percelen zijn niet als zodanig herkenbaar in de huidige bebouwing. Zandvoort maakte gedurende de Tweede Wereldoorlog deel uit van de Atlantikwall (zie paragraaf 4.9).
De bouw van de Atlantikwall heeft voor Zandvoort tot heel veel schade geleid. De Duitse bezettingsmacht heeft alle gebouwen in een strook van 100 tot 150 meter breed en 2,5 kilometer lang direct langs de kust gesloopt. Hierbij is ruim een kwart van alle woningen in Zandvoort verloren gegaan. Daarnaast zijn ook nog eens 121 andere gebouwen zoals de watertoren, hotels, restaurants, winkels en bedrijven gesloopt. Daarnaast beval de bezetter een deel van de bevolking om huis en haard te verlaten en daarbij hun huizen te strippen van sanitair, water, gas en elektriciteit. Als gevolg van het weer en diefstal zijn deze woningen in verval geraakt. Op deze manier waren er als gevolg van de bezetting ten tijde van de bevrijding 1600 woningen en gebouwen in meer of mindere mate beschadigd.129
Figuur 4.8 Zicht op de voorzijde (oostzijde) van het gasthuis in Zandvoort in 1879 (bron: NoordHollands Archief, collectie Provinciale Atlas – Foto’s). 125
Roefstra 2001, 68-69. Historisch relict 2. 127 Noord-Hollands Archief (285 R.-K. Parochie Overveen). 128 Kerkpagina (heilige Agatha). 129 www.zandvoortsebunkerploeg.nl 2020. 126
61
Archeologische beleidskaart Gemeente Zandvoort
Al deze schade is na de oorlog hersteld. Dit heeft de nodige herinrichtingen tot gevolg gehad. Als gevolg hiervan hebben meerdere gebouwen na de Tweede Wereldoorlog plaats moeten maken voor wederopbouwwoningen. Een goed voorbeeld hiervoor is het Gasthuishofje aan het Wagenmakerspad, dat een 130 gebouwd Rijksmonument betreft. Het hofje bevatte woningen voor oudere inwoners van Zandvoort, die hun woning tijdens de bezetting waren kwijtgeraakt. Het Gasthuishofje dankt zijn naam aan het voormalige Oude Mannen- en 131 Vrouwengasthuis dat tot 1929 op het aangrenzende Gasthuisplein stond. Het 132 gasthuis zou in 1583 zijn gesticht. Twaalf oudere mannen en vrouwen kregen er gratis inwoning. De bebouwing van dit gasthuis staat ingetekend op de eerste kadastrale kaart van 1832. Het huidige Gasthuisplein is vrij van bebouwing. Resten van het Oude Mannen- en Vrouwengasthuis kunnen nog in de bodem bewaard zijn gebleven.
Bentveld Bentveld is thans een klein dorp dat ligt in de gemeenten Zandvoort en Bloemendaal. De naam Bentveld stamt oorspronkelijk van ‘buntveld’. Dit is ontleend aan het buntgras dat daar veel groeide. De huidige bebouwing bestaat vooral uit fraaie vrijstaande huizen en villa's zoals ook in het aangrenzende Aerdenhout te 133 vinden zijn. Bentveld is ontstaan uit het landgoed Groot Bentveld. De naam Bentveld is rond 960 voor het eerst genoemd in historische bronnen, als bezit van de Sint-Maartenskerk in Utrecht. Er zijn verder geen (archeologische) gegevens bekend die ons informeren over bewoning uit de middeleeuwen en de vroege nieuwe tijd. De huidige bebouwing is vanaf 1625 gebouwd. In 1660 is Bentveld omschreven als een hofstede met boomgaard, boerderijen en circa 25 ha zaai- en weiland, vijvers, 134 e grachten en een valbrug voor het huis. De bezittingen strekken zich begin 19 135 eeuw uit over grote delen van het duingebied. De gronden om het landgoed e 136 heen zijn in de eerste helft van de 20 eeuw verkocht voor de bouw van villa’s. Het landgoed bestaat tegenwoordig uit een hoofdgebouw en enkele bijgebouwen 137 en een park. Groot Bentveld is een beschermd Rijksmonument.
Historische relicten buiten de dorpskern Ten oosten van de dorpskern van Zandvoort bevond zich de boerderij ‘Kostverloren’.138 De geschiedenis van dit huis is beschreven door F. Bloeme.139 De boerderij is bekend uit een verkoopakte uit 1728 en lag midden in het duingebied. de In de vroege 19 eeuw is de boerderij opgetekend op de eerste kadastrale kaart van 1832. Het bestond destijds uit een huis met weiland en een aardappelenland. In de de ste late 19 en de 20 eeuw is hier een wandelpark ontwikkeld. Van de boerderij is tegenwoordig niets meer te zien of te herkennen. Alleen de straatnaam, de Kostverlorenstraat, herinnert nog aan de boerderij. Deze straat doorkruist de ste landerijen die voorheen aan de boerderij toebehoorden. Tot het midden van de 20 eeuw is de vorm van de voormalige boerderij met bijbehorende landerijen nog herkenbaar op de kaart. Daarna zijn de percelen geleidelijk aan opgenomen in de woonwijk en bebouwd.
130
Monumentnummer 530899. Historisch relict 3. 132 Noord-Hollands Archief (3061 Ambachts- en Gemeentebestuur van Zandvoort), Van der Bos et al. (red), 2005. 133 Buitenplaats cat. II. 134 https://nl.wikipedia.org/wiki/Bentveld; Van der Aa, 1840, dl 2, 281. 135 RCE 2019b. 136 Buitenplaatsen in Nederland (Groot Bentveld, februari 2020). Bertram 2005. 137 Monumentnummer 40314. 138 Historisch relict 5. 139 Zandvoort vroeger (februari 2020). 131
Project V-19.0130B
62
de
In de duinen langs de kust stond in de vroege 19 eeuw een vuurboet (vuurbaak of 140 later een vuurtoren). Dit is een meestal vierhoekig stenen gebouw op een hoge duintop. Op de vuurboet werd ’s avonds een vuur gestookt als oriëntatie voor de schepen op zee, vaak alleen als er schepen uit het dorp op zee waren.141 De vuurboet van Zandvoort staat ingetekend op de eerste kadastrale kaart van 1832 en is de de afgebeeld op een ets uit de vroege en late 17 eeuw. In de 19 eeuw is de vuurboet afgebroken. Het is onduidelijk wanneer dit is gebeurd. Op een kadastrale kaart uit de 1838 staat de vuurboet nog op dezelfde plek afgebeeld. Later in de 19 eeuw staat 142 er een vuurtoren iets meer naar het noorden. Deze vuurtoren is in 1907 gesloopt, waarna er op dezelfde locatie in 1912 een watertoren verrees. Deze watertoren is in 143 1943 door de Duitsers opgeblazen.
Figuur 4.9 Zicht op de vuurboet van Zandvoort.1611-1612, ets van Claes Jansz. Visscher (bron: Collectie Teylers Museum).1684, ets van Coenraet Decker (1650-1685) (bron: Noord-Hollands Archief, collectie Provinciale Atlas – Prenten en Tekeningen). de
In de duinen ten zuiden van Zandvoort lag in het midden van de 19 eeuw een 144 ellipsvormige draf- en renbaan. De baan was 1400 m lang en 15 m breed. Om de baan was een aarden wal opgeworpen. De renbaan heeft gefunctioneerd in de periode 1844-1852. Daarna werden de wedstrijden verplaatst naar Haarlemmerhout 145 en werd dit duingebied in 1853 een drinkwaterreservoir voor Amsterdam. De ligging van de renbaan is ingetekend op de eerste kadastrale kaart van 1832. Dit suggereert dat de baan al wat langer bestaat. De kadastrale nummers van de baan (399 t/m 402) staan niet ingeschreven in de OAT. Het is daarom ook mogelijk dat de de baan midden 19 eeuw op de kaart is bijgetekend en dat de beschrijving van de percelen ergens anders is genoteerd. De renbaan is niet meteen ontmanteld. Lange tijd is de baan nog op topografische kaarten ingetekend. In 1949 zijn alleen nog de ‘ruïnes’ van de baan opgetekend; de restanten van de aarden wal, die om de baan was opgeworpen, zijn dan nog opgenomen in de kaart. De naam van het gebied, ‘renbaanveld’, herinnert nog aan het bestaan van de renbaan. de
Ten westen van de renbaan lag in de vroege 19 eeuw een huis met erf, weiland en 146 de 147 aardappelenland. Rond het midden van de 19 eeuw heet dit erf ‘het Paradijs’. In 1949 blijkt ook dit erf te zijn verdwenen. Het erf is de naamgever van dit gebied: het Paradijsveld.
140
Historisch relict 4. Van der Bos et al. (red), 2005. 142 Topotijdreis 2020. 143 De vuurtoren en watertoren staat niet op de Relictenkaart. 144 Buitenplaats catalogusnr. II. 145 Nationaal Draf- en rensport museum (februari 2020, Zandvoort). 146 Historisch relict 11. 147 Topotijdreis 2020. 141
63
Archeologische beleidskaart Gemeente Zandvoort
Rondom Groot Bentveld zijn hebben in het verleden nog vier objecten gelegen die hier vermeld moeten worden (catalogusnrs. 6-9). Het gaat om een Vinkenbaan (catalogusnr. 9), boerderij Den Blink (catalogusnr. 8) en nog twee niet nader omschreven gebouwen (catalogusnrs. 6 en 7). Alle bebouwing met de bijbehorende percelen, behalve nummer 6 (huis en erf), zijn aan Groot Bentveld te linken. Een vinkenbaan betrof een plek waar men kleine zangvogels (waaronder vinken) ving. de de Dergelijke vogels werden in de 17 tot en met de 19 eeuw als lekkernij beschouwd. Vinkenbanen kwamen voor op de buitenplaatsen in het duingebied. de De Vinkenbaan staat niet meer op laat-19 -eeuws kaartmateriaal. Boerderij Den Blink is in 1949 niet meer op kaarten afgebeeld. De bebouwing die in de catalogus is de opgenomen nummer 7 staat niet meer op laat-19 -eeuws kaartmateriaal. Het erf dat op de relictenkaart is weergegeven met nummer 6 is in 1926 niet meer op de kaart afgebeeld. Het gebouw dat op de relictenkaart staat weergegeven met nummer 10 staat niet omschreven in de OAT. Waarschijnlijk is het een jongere toevoeging aan het kaartblad. De economische bedrijfsvoering in Zandvoort en omgeving was gericht op de visserij. Daarnaast waren in de duinen ook veel aardappelvelden te vinden. Dit is te zien aan de beschrijvingen bij de eerste kadastrale kaart van 1832.
Huis- en grondeigenaren staan omschreven als visser, visverkoper of visdrager. Stukken grond in de duinen staan omschreven als aardappelenland. Hoe de bebouwing bij de aardappelvelden eruit zag, is niet bekend. Gaat het om gebouwen die in dezelfde traditie als de boerderijen die elders in de regio, op de strandwallen en in de veenweidegebieden, zijn gebouwd, of passen de gebouwen in de huizenbouwtraditie in het dorp? In een aantal gevallen staat de bebouwing als pakhuis omschreven. In dit geval ligt een bouwtraditie vergelijkbaar met het dorp voor de hand. De bedrijfsvoering en de daarvoor benodigde ruimte (bebouwing) is anders dan bij de traditionele boerderijen met een gemengde agrarische bedrijfsvoering of een in veeteelt gespecialiseerd bedrijf. Het Malta-onderzoek naar de ontwikkeling van boerderijen in de late middeleeuwen en de vroege nieuwe tijd 148 lijkt daarom niet, of in ieder geval minder, relevant voor Zandvoort.
4.9 De Militaire geschiedenis van Zandvoort N. Warmerdam 4.9.1 Werkwijze en verantwoording geraadpleegde bronnen Zandvoort kent een lange geschiedenis van militair gebruik met een hoogtepunt in ste ste de 20 eeuw. In de 20 eeuw kreeg ons land te maken met drie grote conflicten (de Eerste Wereldoorlog, Tweede Wereldoorlog en de Koude Oorlog), die zowel in het landschap als in de bodem een grote hoeveelheid en verscheidenheid aan sporen hebben nagelaten. Door de vaak specifieke aard van deze structuren is er voor de archeologische verwachtingskaart van de gemeente Zandvoort een aanvullende verwachting opgesteld voor dit erfgoed. De ligging van het militair erfgoed, in dit geval nagenoeg allemaal gerelateerd aan de Tweede Wereldoorlog, e is weergegeven op een aparte kaart, namelijk de kaart ‘Militaire relicten uit de 20 eeuw (bijlage 6). Om een zo volledig mogelijk beeld van de ooit aanwezige militaire structuren te verkrijgen zijn, zo ver deze aanwezig zijn, primaire bronnen geraadpleegd. Voor de mobilisatie van 1914-1918 zijn de tekeningen en bestekken van de Nederlandse Genie bekeken, samen met de latere defensie-inventarisaties van de gebouwde werken. De basis voor het opstellen van de verwachting voor de Tweede Wereldoorlog vormen door de Duitse bezetter vervaardigde bronnen die het 148
Schabbink 2015.
Project V-19.0130B
64
militaire gebruik en de inrichting van het landschap op verschillende schaalniveaus over een langere tijdsdiepte tonen. De informatie van deze kaarten en bijbehorende tekstdocumenten zijn aangevuld en geverifieerd met verzetsbronnen, geallieerde luchtfoto's uit 1944 en 1945 en naoorlogse opmetingen van steunpunten en militaire objecten. Elke bron kent specifieke beperkingen in het gebruik, waardoor deze combinatie van bronnen noodzakelijk is om een zo gespecifieerd en correct mogelijk beeld te verkrijgen van de ooit aangelegde militaire structuren en de inrichting en gebruik hiervan. De individuele beperkingen van bronnen wordt onder andere bepaald door de functie en doel, vervaardigingsdatum, omstandigheden waarin deze bron is opgesteld (bijvoorbeeld onder tijdsdruk) en de opsteller/vervaardiger zelf. Dit geldt ook voor de Duitse kaarten die als primaire bron voor de inrichting van de verdediging van een bepaald gebied kunnen worden gezien. Deze bronnen tonen vaak, naar gelang het doel en functie, slechts een klein deel van het totale gebruik of inrichting van een gebied binnen een bepaalde periode. Een aanvulling met Britse luchtfoto’s van de RAF, die onder wisselende omstandigheden zijn gemaakt en verzetsbronnen met een wisselende betrouwbaarheid en detailniveau bieden hierbij dan ook een goede aanvulling.
De volgende archieven zijn geraadpleegd bij het opstellen van de verwachting: -
Bundesarchiv-Militärarchiv (BArch-MA) in Freiburg im Breisgau Nationaal Archief (NL-HaNA) Nationaal instituut voor Militaire Historie (NIMH) National Archives (NARA) (De Kriegstachebücher van het Duitse LXXXVII Armee-Korps) National Collection of Aerial Photography (NCAP), online https://ncap.org.uk/ Wageningen University Library. Geoportal: RAF aerial photographs Noord-Hollands Archief/beeldbank
Daarnaast zijn de websites van IKME en de Zandvoortse Bunkerploeg geraadpleegd.149
Ondergronds en bovengronds erfgoed Bij militaire complexen is de scheidslijn tussen ondergronds (archeologisch) en bovengronds (gebouwd) erfgoed niet hard te trekken. Beide zijn zeer nauw met elkaar verweven. Een voorbeeld zijn de vele steunpunten binnen de Duitse Atlantikwall. Deze steunpunten bestaan in veel gevallen uit bunkers die onderdeel uitmaken van een complex dat verder reikt dan deze bouwwerken alleen. Rondom en tussen deze structuren liggen meters aan gegraven open loopgraven, wapenopstellingen en prikkeldraadversperringen die slecht op kaarten of luchtfoto’s herkenbaar zijn of enkel archeologisch bewaard zijn gebleven. Toch is het vaak het gebouwde erfgoed dat binnen deze complexen de meeste aandacht krijgt, terwijl deze structuren juist hun waarde verkrijgen door deze in het omringende landschap en als ensemble te zien en te bestuderen. Door de sterke noodzaak om militair erfgoed integraal te benaderen en te onderzoeken is bij het opstellen van de verwachting rekening gehouden met zowel zichtbaar erfgoed, als niet zichtbaar archeologisch erfgoed.
Niet ingetekende structuren op de kaart Op de verwachtingskaart zijn complexen en krijgshandelingen ingetekend die een duidelijke archeologische weerslag kennen of hebben. Dit betekent dat niet alle locaties waar militaire activiteiten hebben plaatsgevonden zijn weergeven. De redenen zijn divers. Zo zijn op de verwachtingskaart geen Deckungslöchern (mangaten) langs wegen ingetekend daar deze generiek zijn, bedoeld waren voor 149
65
www.IKME.nl, 2020, www.zandvoortsebunkerploeg.nl 2020.
Archeologische beleidskaart Gemeente Zandvoort
kortstondig schuilen, langere tijd ongebruikt open hebben gelegen, niet bij gevechtshandelingen zijn betrokken en in de meeste gevallen op locaties van bestaande wegtracés liggen en bij recente ontwikkelingen zijn verstoord. De informatiewaarde is op deze locaties dan ook gering. Ook de vele inkwartieringsadressen en in Zandvoort aanwezige hoofdkwartieren of andere militaire burelen zijn vanwege het kortstondige gebruik en de minimale archeologische weerslag (binnen bestaande gebouwen) niet als archeologische verwachting aangemerkt. Vliegtuigcrashes zijn als belangrijke verwachting wel op de kaart ingetekend, als er op basis van de beschikbare bronnen een specifieke crashlocatie of buffer kon worden bepaald. Niet alle crashsites hebben een even grote archeologische weerslag. Al tijdens de oorlog zijn crashlocaties vaak (gedeeltelijk) geruimd. In de praktijk blijkt echter dat hierbij niet alle resten zijn geborgen, bijvoorbeeld als de resten zich te diep bevonden of dit vanwege tijdsgebrek of terreinomstandigheden/bodemgesteldheid niet gedaan kon worden. Het kon hierdoor voorkomen dat enkel de grote, en aan het oppervlak gelegen, kostbare metalen delen en de vliegeniers (voor zover mogelijk) werden geborgen om de krater vervolgens dicht te schuiven. Op de bekende en begrensde crashlocaties is archeologisch onderzoek dan ook waardevol.
In de meeste gevallen zijn de beschikbare gegevens te summier om een buffer aan te kunnen duiden waarbinnen de restanten en sporen van de crashes kunnen worden aangetroffen. Deze staan daarom niet op de kaart. Ook versperringen zoals mijnenvelden zijn niet op de kaart weergeven. De velden zijn na de oorlog geruimd en de werkzaamheden hebben in bijna alle gevallen slechts zeer oppervlakkige sporen nagelaten. Ondanks het zorgvuldig intekenen van de uit militair historische bronnen bekende resten, kunnen er binnen de lege zones losse, kleinere en/of kortstondig gebruikte/aangelegde structuren aanwezig zijn die niet in de geraadpleegde of beschikbare bronnen zijn teruggevonden. Het kan onder andere gaan om veldgraven, crashlocaties waarvan de locatie niet specifiek geduid kon worden, dumplocaties, losse wapenopstellingen die op luchtfoto’s niet zichtbaar zijn en tijdelijke of civiele schuilkelders die niet op kaarten zijn ingetekend. 4.9.2 Mobilisatie 1914-1918 Met het uitbreken van de Eerste Wereldoorlog ontstond er voor ons land ondanks de neutraliteit een aanzienlijke oorlogsdreiging. Nederland werd in 1914 dan ook massaal gemobiliseerd en in staat van verdediging gebracht. Circa 200.000 mannen werden tijdens de oorlog opgeroepen om hun dienstplicht bij het leger te 150 vervullen.
De oude linies met hun forten en redoutes, waaronder de Stelling van Amsterdam en de Nieuwe Hollandse Waterlinie (hoofdverdedigingslinie van ons land), werden bemand en er werden vele plannen gemaakt om de zones tussen, achter en voor deze forten verder te versterken en in te richten door middel van 151 batterijen en (versterkte) infanteriesteunpunten. Deze aanpassing en versterking van de verdediging was noodzakelijk omdat de inundaties en de forten slechts een dunne verdedigingsschil vormde die vertrouwde op de hierin gelegen forten. Een groot deel van de belangrijkste verdedigingswerken was in 1914 echter alweer verouderd en kwetsbaar voor het artillerievuur van de nieuwe, mobiele stukken geschut. Ook de kustzone moest worden versterkt. De kustartillerie en –verdediging bestond uit deels verouderde forten en batterijen die hoofdzakelijk ter bescherming van de riviermondingen, waterwegen en havens waren ingericht. Hierdoor waren de belangrijke waterwegen beschermd, maar bleven er tussen deze forten en batterijen grote gaten over waar een eerste verdediging ontbrak. Toen de oorlog uitbrak werden er in augustus 1914 daarom snel enkele nieuwe batterijen ingericht. Veel moet hierbij niet worden
150 151
Will 2011, 103. NL-HaNA, Genie-archieven, 2.13.45.
Project V-19.0130B
66
voorgesteld. De constructies hadden een semipermanente inrichting met 152 onderkomens en munitiebergplaatsen uit hout en aarde.
Kustversterking 1914-1918 Tussen 1916 en 1918 nam de verdediging echter meer concrete vormen aan. Er werden in deze periode onder andere groepsschuilplaatsen en verdedigingswerken uit beton gebouwd. Deze betonnen bouwwerken moesten de troepen een veilige schuilplaats bieden tijdens vuurgevechten en verliezen verminderen door de verminderde trefkans (decentralisatie). Daarnaast waren deze bouwwerken een stuk duurzamer en efficiënter dan de aarden- en houten verdedigingswerken. Tussen de verschillende kustbatterijen kwamen in deze periode verschillende kleinere infanteriesteunpunten te liggen. De steunpunten die tussen IJmuiden en Hoek van Holland werden aangelegd, waren erg karakteristiek en bestonden in de meeste gevallen uit twee betonnen, scherfvrije groepsschuilplaatsen die elk plaats boden aan circa 20 militairen. De dichtheid van deze infanterieverdediging was echter nog steeds laag. De tussenruimte tussen de steunpunten bedroeg circa één tot anderhalve kilometer. Binnen de gemeente Zandvoort lagen vijf posities met twee van deze groepsschuilplaatsen. Een groot deel van deze schuilplaatsen is later tijdens de Tweede Wereldoorlog geïntegreerd in de Atlantikwall, de Duitse verdedigingslinie 153 langs de westgrens van het Derde Rijk.
Op de kaart met Militaire relicten uit de e 20 eeuw (bijlage 6) is ook de enige positie weergeven die niet is opgenomen binnen de ingetekende Duitse verdediging (catalogusnr. 68).
Figuur 4.10 Een voorbeeld van een scherfvrije, betonnen groepsschuilplaats net ten zuiden van Zandvoort (N. Warmerdam, BAAC). Deze is gedurende WOII opgenomen in de Atlantikwall.
4.9.3 De Tweede Wereldoorlog; de Atlantikwall Zandvoort lag tijdens de oorlog binnen Stützpunktgruppe Zandvoort en viel hiermee binnen de verdediging van de Atlantikwall. De Atlantikwall was de kustverdedigingslinie die gedurende de Tweede Wereldoorlog door de Duitse bezetter gefaseerd werd aangelegd langs de westgrens van het Derde Rijk. Geografisch gezien betekende dit dat de kust vanaf de Noordkaap in Noorwegen tot de grens van Frankrijk en Spanje (golf van Biskaje) werd voorzien van ontelbare veldversterkingen en bouwwerken: een grens met een lengte van circa 5.000 kilometer. Hoewel de kust al in 1940 werd bewaakt, begint de geschiedenis van de 152 153
67
Verbeek 1988, 57-64. https://www.fortificatieforum.nl/viewtopic.php?f=26&t=4712&start=30
Archeologische beleidskaart Gemeente Zandvoort
verdedigingslinie zoals wij die nu kennen, met de kolossale bunkers en tienduizenden kilometers aan loopgraven en prikkeldraadversperringen, pas eind 1941. Op 14 december 1941 werd het bevel gegeven tot een meer permanente verdedigingslinie. Deze linie stond aanvankelijk bekend onder de naam ´ Neue Westwall´, afgeleid van de eerdere Westwall die langs de Frans-Duitse grens werd gebouwd. De noodzaak van een verdedigingslinie langs de nieuwe westgrens van het Derde Rijk kwam doordat de Duitse luchtmacht eind 1940, ondanks verwoede pogingen, de luchtslag om Engeland verloor en Groot Brittannië als een gevaarlijke vijand voor een nog onvoldoende beschermde kust aanwezig bleef. Toen ook de Duitse opmars in Rusland in de winter van 1941-1942 na een eerdere snelle opmars tot een halt kwam, dreigde een gevreesde tweefrontenoorlog en werd de inrichting van een beter uitgebouwde linie een bittere noodzaak. Pas in 1942 kreeg de linie de naam ‘Atlantikwall’, welke als de verdediging na onder andere de mislukte aanval van een versterkte Canadese brigade op Dieppe opnieuw sterk werd uitgebreid. Deze naam werd nu ook ingezet als krachtmiddel in de Duitse propagandamachine. De naam ´Atlantikwall´ deed een lange aaneengesloten muur van verdedigingswerken vermoeden, maar dit was in de praktijk niet zo.
De verdediging bestond uit vele losstaande en zelfstandig opererende (bunker)stellingen (steunpunten), die verschilden in opbouw, omvang en sterkte. De Duitsers noemden deze steunpunten Stützpunkten (Stp.) en Widerstandsnester (Wn.). De gebieden tussen deze steunpunten werden gedicht en beschermd door artillerie (overlappende schootsvelden) en de aanleg van versperringen zoals mijnenvelden, prikkeldraadversperringen, tankmuren en –grachten. De verdediging 154 was hierdoor in zekere zin toch ´gesloten´. Deze steunpunten rondom dorpen, steden of belangrijke strategische objecten, zoals havens, werden organisatorisch en strategisch samengevoegd tot strak afgebakende verdedigingsgebieden. Deze gebieden waren in volgorde van zwaarte als volgt georganiseerd: Festung, Verteidigungsbereich, Stützpunktgruppe en Freie Küste. Met uitzondering van de Freie Küste waren de eerder genoemde verdedigingsgebieden zowel aan de zee- als de landzijde (See- en Landfront) versterkt met steunpunten die met elkaar waren verbonden door middel van een volledig gesloten en verbonden keten van versperringen, zoals tankgrachten, muren, prikkeldraadversperringen, steile duinwanden en mijnenvelden. Binnen deze twee fronten kwamen daarnaast nog een veelvoud aan ondersteunende steunpunten om een verdediging in de diepte te kunnen creëren.
Stützpunktgruppe Zandvoort Zandvoort en een deel van de Amsterdamse Waterleidingduinen kwamen binnen een dergelijk Stützpunktgruppe te liggen. Dit was noodzakelijk omdat Zandvoort niet alleen kwetsbaar was door de aanwezigheid van de boulevard en (spoor)wegen die naar de belangrijke steden in het achterland voerden, maar tevens aan de belangrijke Amsterdamse Waterleidingduinen grensde. Laatstgenoemd duingebied was van belang vanwege het winnen van drinkwater voor een groot deel van de regio en was zodoende onmisbaar. Bij de planning en inrichting van de verdediging werd het landschap zo goed mogelijk benut. Zo vormde het netwerk van waterwinkanalen in het zuidelijke deel van het verdedigingsgebied niet alleen een bron van schoon drinkwater, maar diende het tevens als bestaande antitankhindernis. Steunpunten werden hier onder andere aangelegd op plaatsen waar de vijand langs of om een kanaal heen zou kunnen trekken, waar wegen landinwaarts leiden of waar waterwegen elkaar kruisen of oversteekbaar zijn 155 (dammen en bruggen). Waar mogelijk werden hoge en overzichtelijke punten in het duinlandschap benut, zodat vanuit de stelling een groot gebied met vuur kon worden bestreken. Waar geen kanalen als tankgracht konden dienen, werden 154 155
Warmerdam, Reinders & Rijpsma 2018. Warmerdam 2016.
Project V-19.0130B
68
betonnen tankmuren, drakentandversperringen en kunstmatig opgeworpen steile duinwanden gebruikt die verder werden versterkt door het leggen van mijnenvelden en het plaatsen van prikkeldraadversperringen.
Figuur 4.11 Een zogenaamde betonnen Ringstand voor een mitrailleurschutter bij Stützpunkt XXXLX Luftwaffe Funksende Anlage ‘Zander’(N. Warmerdam, BAAC).
De losse steunpunten bestaan daarnaast niet alleen uit betonnen of bakstenen bunkers. Een groot deel van de verdediging bestond uit veldversterkingen, of zogenaamde zachte resten. Dit zijn onder andere vele kilometers aan loopgraven en wapenopstellingen, zoals mitrailleursnesten die uit aarde, hout en andere minder duurzame materialen zijn opgetrokken.
Een vrij schootsveld Zoals al eerder werd genoemd vormde de boulevard een kwetsbare plek in de verdediging van de Stützpunktgruppe. De bebouwing lag hier direct aan het strand waardoor de aanleg van verdedigingswerken en steunpunten zware hinder ondervond en de troepen niet over een overzichtelijk en vrij schootsveld konden beschikken. De oplossing werd, net als bij veel andere kustplaatsen, gevonden in de grootschalige sloop van delen van de bebouwing. Ook Zandvoort ontkwam niet aan de Duitse sloopwoede. De eerste grootschalige evacuatie vond plaats in het eind van 156 1942, waarna de sloop kort daarop in 1943 volgde. Over de gehele lengte van de 157 boulevard werd een zone met een diepte van circa 100 tot 150 meter gesloopt.
156 157
69
Mellink 2016. Wageningen University Geoportal: RAF aerial photographs, photo 3057, 1944/09/10.
Archeologische beleidskaart Gemeente Zandvoort
Figuur 4.12 De afbraak van huizen nabij de Zandvoortse boulevard en duin, voor het vrije schootsveld. De watertoren staat hier nog. Deze zou later ook worden opgeblazen (Kurtz, Mej. Dr. G.H., Noord-Hollands Archief / beeldarchief, NL-HlmNHA_1100_KNA006008369).
4.9.4 De Tweede Wereldoorlog; vliegtuigcrashes Tijdens de oorlog kwam de dreiging voor de Duitse militairen aan de kust niet alleen vanuit zee of land, maar ook vanuit de lucht. Honderden geallieerde jagers en bommenwerpers vlogen bijna dagelijks over het kustgebied om acties in Nederland en Duitsland uit te voeren. Tabel 4.1 De binnen Zandvoort bekende crashlocaties158
Cat nr.
Locatie
-
Strand van Zandvoort ter hoogte van het Grand Hotel Strand van Zandvoort 100 m zuiden van Loos
-
type
Datum
Nat.
Oorzaak
He 111
25-1-1941
Duits
Geraakt door scheepsluchtafweer, noodlanding
Ju 88
4-9-1941
Duits
Noodlanding, brand in de motor
Tussen Haarlem en Zandvoort
Fw 190
3-5-1945
Duits
Luchtgevecht
Zandvoort
Fw 190
16-7-1943
Duits
Buiklanding
Vondellaan Zandvoort
Spitfire
3-11-1943
Brits
Neergeschoten door Duitse jagers
Haarlemmerstraat 66
Bf 109
3-11-1943
Duits
Luchtgevecht
Nabij de weg Haarlem-Zandvoort
Bf 109
3-11-1943
Duits
Luchtgevecht
Amsterdamse waterleidingduinen, Kromboomsveld
Halifax
13-04-1945
Brits
Onbekend
-
69
-
70
158
Geborgen Geen archeologische weerslag, enkel noodlanding
Geen archeologische weerslag, enkel noodlanding Niet op kaart weergeven, exacte locatie kan op basis van de bekende bronnen niet nauwkeurig worden bepaald Geen archeologische weerslag, enkel noodlanding Geheel geborgen Beperkte archeologische weerslag, resten zijn tijdens de oorlog grotendeels geruimd Niet op kaart weergeven, exacte locatie kan op basis van de bekende bronnen niet nauwkeurig worden bepaald Deels geborgen, delen van het toestel kunnen nog in de bodem worden aangetroffen
crashdatabase SGLO, 2019.
Project V-19.0130B
70
Het gevolg was dat de stellingen en de steden, waaronder Zandvoort, te maken kregen met luchtgevechten, bombardementen en beschietingen van jachtvliegtuigen als ze in duikvlucht met hun mitrailleurs of boordkanonnen over kwamen. Ook voor de geallieerde vliegers waren de risico’s echter enorm groot. Bij Zandvoort waren binnen de Atlantikwall diverse luchtafweerbatterijen aanwezig die de overkomende toestellen zwaar onder vuur namen. Het Nederlandse luchtruim werd verder verdedigd door Duitse jagers die toestellen onderschepten en onder vuur namen. Door deze gevechtsacties crashten er ongekend veel geallieerde, maar ook Duitse toestellen op Nederlands grondgebied. In de gemeente Zandvoort is een aantal crashes bekend. Van de 27 toestellen die binnen en nabij de gemeente Zandvoort zijn gecrasht, zijn er 19 in de Noordzee terechtgekomen. Van de andere crashlocaties is vaak alleen de globale locatie 159 bekend. Voor een overzicht wordt verwezen naar tabel 4.1. Van de twee locaties die wel nauwkeurig zijn gedocumenteerd, is de locatie op de WO-II relictenkaart weergegeven. Het betreft de catalogusnummers 69 en 70. 4.9.5 De Koude Oorlog Duitsland speelde net na de oorlog geen rol meer als militaire grootmacht. De machtsverhoudingen binnen Europa begonnen hierdoor te verschuiven. Onder andere Rusland zag de mogelijkheid om aan een expansiepolitiek te beginnen.
De Sovjet-Unie vergrootte het grondgebied al snel door de Baltische staten en delen van Finland, Polen, Duitsland, Roemenië en Tsjecho-Slowakije bezet te houden en steun te leveren aan de communistische regimes. Met deze expansie ontstond er in Oost-Europa een zeer sterke grootmacht die een nieuwe dreiging vormde voor West-Europa. De West-Europese landen waren nog volop bezig met de wederopbouw en waren hierdoor verdeeld, kwetsbaar en deels afhankelijk van steun van onder andere de Verenigde Staten. Er ontstond de noodzaak en wens om passend op deze expansiedrift van de Sovjet-Unie te reageren. Deze reactie kwam er in de vorm van verschillende (defensie)verdragen en pacten, waaronder de NoordAtlantische Verdragsorganisatie (NAVO). De verschillende verdragen zorgden er op hun beurt voor dat ook de verschillende communistische regimes een gelijkend pact sloten, het Warschaupact. Er was hiermee een tweedeling in Europa ontstaan die onder andere door deze pacten en de verschillen in ideologie voor een machtsstrijd en onoverkoombaar verschillen tussen beide kampen zou zorgen. De Koude Oorlog 160 was hiermee ingeluid. Zandvoort lag tijdens de Koude Oorlog niet binnen een verdedigingslinie. In de duinen werden de oude Duitse complexen wel als mogelijke interessante complexen gezien en hergebruikt waar dit kon en praktisch was.
159 160
71
Verliesregister SGLO, 2019. Beekmans & Schilt 1998.
Archeologische beleidskaart Gemeente Zandvoort
Project V-19.0130B
72
5
Archeologische informatiekaart
5.1 Inleiding De archeologische verwachtingskaart vormt een instrument voor het archeologiebeleid ten aanzien van de planvorming binnen de gemeente. De eerste stap om te kunnen komen tot een archeologische verwachtingskaart is een inventarisatie van de op dit moment bekende vindplaatsen binnen de gemeentegrenzen van Zandvoort. Middels een archeologische informatiekaart (bijlage 2) kan een goed beeld verkregen worden van de hoeveelheid bekende archeologische vindplaatsen, de verspreiding ervan en de verdeling over de verschillende perioden. Er is voor gekozen om de belangrijkste historische elementen en structuren niet op deze kaart weer te geven maar op een aparte kaart, namelijk de historische relictenkaart (bijlage 4). De informatie van beide kaarten is essentieel in het opstellen van een verwachtingsmodel. Zo kan middels analyses worden nagegaan of de vondsten zijn gebonden aan bepaalde geomorfologische eenheden. Een dergelijke analyse leidt vervolgens tot een verwachtingsmodel. Echter, de archeologische informatiekaart en de historische relictenkaart vertellen tezamen primair de bewoningsgeschiedenis van de gemeente.
5.2 Inventarisatie van de bekende vindplaatsen de
ste
Al vanaf eind 19 , begin 20 eeuw is in Nederland op zowel professionele wijze als door amateur-archeologen archeologisch onderzoek gedaan. Men vond wat bijzonders en bracht het naar iemand binnen de gemeente waarvan men wist dat deze persoon hier interesse voor had. De vondsten werden soms voorzien van een beschrijving van het soort vondst en de locatie waar het was aangetroffen en 161 verdwenen vervolgens vaak in de privé-collectie . Pas na de oprichting van de Rijksdienst van het Oudheidkundig Bodemonderzoek in 1947, de voorloper van de huidige Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed (RCE), werd de registratie van vondsten landelijk verwerkt in een database. Eerst op papier, later ook digitaal (ARCHIS). Dit systeem is afhankelijk van de bereidwilligheid van de vinder van een archeologische vondst om de vondst ook daadwerkelijk te melden bij de RCE. Ondanks de wettelijke verplichting dit te doen, gebeurt dit niet altijd. Derhalve bestaat de kans dat het raadplegen van ARCHIS niet alle bekende vindplaatsen zal opleveren. Bovendien is het noodzakelijk dat de aangemelde vondsten vervolgens correct in ARCHIS worden verwerkt. Ook dat gebeurt niet altijd. Dat is wel gebleken tijdens het controleren van de data uit ARCHIS. Zo bleek het relatief vaak voor te komen dat het toponiem niet overeen kwam met de coördinaten.
Daarnaast bleek dat lang niet alle bij de gemeente Haarlem bekende waarnemingen binnen de gemeente Zandvoort al in ARCHIS geregistreerd waren.
161
Soms werden de vondsten echter gemeld bij het RMO te Leiden alwaar het werd geregistreerd. Dit ‘oude’ register is bij de ontwikkeling van ARCHIS opgenomen in het digitale bestand.
73
Archeologische beleidskaart Gemeente Zandvoort
Omdat het voor het vervaardigen van de verwachtingskaart van groot belang is dat de database de juiste informatie bevat, is lopende het project in overleg met de archeologen van de gemeente Haarlem besloten om de database, gebaseerd op de data uit ARCHIS, te controleren met de gegevens zoals bekend bij de gemeente Haarlem. Op deze wijze is een betrouwbare database ontwikkeld. 162 Het is van belang om toekomstige vindplaatsen in deze digitale database verwerken, zodat de database ‘up to date’ blijft.163 Ook is het aan te raden om bestaande vindplaatsen te actualiseren indien dat mogelijk is. Hierbij kan worden gedacht aan het aanpassen van de database naar aanleiding van bijvoorbeeld het uitwerken van oud onderzoek, waarbij een vindplaats mogelijk nauwkeuriger gedateerd kan worden of het complextype nader gespecificeerd kan worden. Er is in overleg met de opdrachtgever geen beroep gedaan op lokale amateurarcheologen, heemkundeverenigingen en historische kringen. Dit vanwege het feit dat er reeds een zeer goede samenwerking bestaat tussen de lokale amateurarcheologen en de gemeente, waarbij alle vondsten die worden gedaan door amateur-archeologen in Archis worden geregistreerd. 5.2.1 Waarnemingen In totaal zijn binnen de gemeente Zandvoort 26 in ARCHIS geregistreerde waarnemingslocaties bekend.