CConstaterende datZandvoort
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage 2b. Archeologische beleidskaart Zandvoort

Gemeenteraad 17 februari 2026, gemeente ZandvoortBij agendapunt: Wijziging omgevingsplan gemeente Zandvoort38.452 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 5

Tijdens de laatste ijstijd (Weichselien) is vanuit de drooggevallen Noordzee door de sterke 17

RCE 2020. Archeoregio: Relatief groot gebied waarbinnen zowel in de wordingsgeschiedenis als in ruimtelijke zin een zeker verband bestaat tussen archeologie en landschap. In Nederland zijn zeventien archeoregio’s gedefinieerd die het geografisch kader vormen voor het onderzoek van het bodemarchief. 19 www.steunpunterfgoednh.nl 2020. 18

27

Archeologische beleidskaart Gemeente Zandvoort

westenwinden veel zand over Nederland afgezet. Dit zand is hierbij als een deken over het toenmalige landschap verspreid. Vandaar dat wordt gesproken van dekzand. De overgang van het Pleistoceen naar het Holoceen (vanaf 11.650 jaar geleden tot heden) kenmerkt zich door een blijvende klimaatsverbetering. De temperaturen stegen als gevolg waarvan het landijs smolt. Dit had weer tot gevolg dat de zeespiegel in rap tempo steeg. Deze zeespiegelstijging gedurende het Holoceen heeft bij het ontstaan van het landschap in dit deel van Nederland een belangrijke rol gespeeld. Gedurende het Holoceen is namelijk een dik pakket sedimenten afgezet op de oudere Pleistocene zanden, variërend van 20 meter tot plaatselijk wel 50 meter. Dit pakket Holocene afzettingen bestaat binnen het grondgebied van de gemeente Zandvoort hoofdzakelijk uit strandwalafzettingen, oude duinafzettingen en jonge duinafzettingen. In figuur 3.1 is de bodemopbouw binnen de gemeente Zandvoort schematisch weergegeven.

Figuur 3.1. Geologisch dwarsprofiel door de Amsterdamse Waterleidingduinenter hoogte van

Zandvoort-Vogelenzang-Heemstede (RGD 1995).

3.1.3 Pleistoceen Gedurende het Pleistoceen (2,5 miljoen jaar tot 11.650 jaar BP20) zijn er verscheidene zeer koude perioden geweest (glacialen/ijstijden), afgewisseld met warmere perioden (interglacialen). Gedurende de voorlaatste ijstijd, het Saalien, was Nederland gedeeltelijk met een dik pakket landijs bedekt. In deze periode werden als gevolg van het zich verplaatsende landijs in verschillende stadia de in de ondergrond aanwezige afzettingen opgestuwd. Het ijs had een dikte van minimaal 21 225 m maar ter hoogte van bijvoorbeeld Groningen was het ijs mogelijk zelfs circa 22 2,5 km dik. Het ijs was in beweging, waardoor op verschillende plaatsen materiaal werd gedeformeerd en/of afgezet. Aan de rand van de ijslobben werden oudere afzettingen door de druk van het ijs opgestuwd tot stuwwallen. Ook binnen het grondgebied van de gemeente Zandvoort is dit het geval geweest. Dit door het landijs gestuwde sediment bevindt zich echter op grote diepte. Binnen de gemeente

20

BP = before present, waarbij 1950 als ‘present’ wordt gerekend. 11.650 jaar BP komt derhalve overeen met 9.700 jaar voor Christus. 21 22

Berendsen 2008. De Mulder et al. 2003.

Project V-19.0130B

28

Zandvoort zijn in enkele diepe geologische boringen op dieptes van circa 36 tot 40 m – NAP gestuwde afzettingen van de Formaties van Urk aangetroffen.23 Ook uit de op het Saalien volgende warmere periode, het Eemien, zijn in de diepe ondergrond van Zandvoort overblijfselen aangetroffen. Het Eemien betreft de warmere periode (interglaciaal) tussen het Saalien en het Weichselein. Dit 24 interglaciaal heeft geduurd van circa 130.000 jaar tot circa 115.000 jaar BP.

Weichselien Hoewel in de laatste ijstijd (Weichselien, 115.000 - 11.650 jaar geleden) het gebied niet bedekt is geweest met ijs, is het klimaat wel van invloed geweest op de vorming van het toenmalige landschap. Er heersten periglaciale condities. De huidige Noordzee bestond niet, aangezien het water voor een groot deel was opgenomen in het landijs van de Scandinavische ijsmassa’s. Met name gedurende de latere perioden van de ijstijd was het klimaat droger dan in voorgaande perioden. Deze droogte in combinatie met een schaars begroeid landschap zorgde ervoor dat de wind vrij spel had, waardoor er op grote schaal zand kon worden afgezet. Dit door de wind afgezette zand wordt dekzand genoemd. In het verleden is de theorie gebezigd dat het dekzand over grote afstanden door de wind werd getransporteerd en dat al het dekzand in Nederland uit het destijds droogliggende noordzeebekken afkomstig is. Voor Zandvoort en omgeving is deze theorie kloppend. Uit mineralogisch onderzoek is echter gebleken dat dit niet voor heel Nederland geldt. 25 De dekzanden bestaan overwegend uit materiaal van lokale herkomst. Het dekzandreliëf bestond voor het grootste gedeelte uit dekzandruggen en dekzandwelvingen. Behalve deze reliëfrijke gebieden zijn er ook gebieden waar het dekzand in de vorm van vlakten is afgezet.

Het dekzandpakket wordt gerekend tot de Formatie van Boxtel.26 Het materiaal bestaat in het algemeen uit fijn zand (mediaan van 150 – 210 mm) met enkele grovere zand- of grindlaagjes.27 Het pleistocene dekzand is in de loop van het holoceen bedekt geraakt met een dik pakket holocene afzettingen en bevindt zich binnen de grenzen van de gemeente Zandvoort op grote diepte (gemiddeld op circa 25 m – NAP, zie figuur 3.1). 3.1.4 Holoceen Rond 11.650 jaar BP verbeterde het klimaat definitief. Tegen het einde van de Late Dryas steeg de gemiddelde jaartemperatuur in korte tijd. Nederland lag in een groot dekzandgebied waar de invloed van de zee nog niet merkbaar was. Zo ook binnen de gemeente Zandvoort. Het maaiveld van het toenmalige (pleistocene) landschap bevond zich echter enkele tientallen meters lager dan het huidige maaiveld. Door de snelle afsmelting van het landijs begon de zeespiegel snel te stijgen en vanaf ongeveer 8000 jaar geleden werd de zee-invloed in West-Nederland merkbaar. Door de stijgende grondwaterspiegel vond vernatting plaats en ontstond veengroei, het zogenaamde Basisveen. In deze periode van relatief snelle zeespiegelstijging gedurende het Atlanticum zijn buiten de huidige kustlijn waarschijnlijk al strandwallen gevormd. De vorming van strandwallen is het gevolg van het feit dat de Noordzee een ondiepe zee betreft, met een overwegend zandige bodem.

Als gevolg van golfwerking en zeestromen kan de Noordzeebodem tot een diepte van 12 meter onder de waterspiegel in beweging komen.28 Dit vrijgekomen sediment wordt vervolgens in de vorm van een strandwal weer afgezet. Als de strandwal hoog genoeg is en regelmatig droog valt, zal een deel van het zand opwaaien tot duinen.

23

Boringen B24F0048 en B24F0178, www.dinoloket.nl. De Mulder et al. 2003. 25 Berendsen 2008. 26 De Mulder et al. 2003. 27 Staring Centrum 1992. 28 Berendsen 2008, Klijn 1981. 24

29

Archeologische beleidskaart Gemeente Zandvoort

Achter deze nog niet aaneengesloten strandwallen werd vanuit zeegaten marien sediment afgezet in de hier aanwezige uitgestrekte lagunes en waddengebieden, bovenop het al aanwezige Basisveen. Deze mariene (veelal zware) kleien worden gerekend tot de Formatie van Naaldwijk, laagpakket van Wormer (zie figuur 3.2).

Figuur 3.2. De ontwikkeling van de kustlijn rond het begin van het Atlanticum, circa 8000 jaar BP (naar Berendsen 2008).

Door de vergaande zeespiegelstijging drong de zee steeds verder oostwaarts op. De kustlijn, die eerst nog ver in de huidige Noordzee lag, schoof steeds verder landinwaarts op en bereikte tussen 6000 en 5000 jaar geleden haar meest oostelijke positie.29 Hierbij zijn de oudere, voor die tijd afgezette strandwallen weer geërodeerd. Op veel plaatsen is ook het basisveen en het onderliggende dekzand

Figuur 3.3. De ontwikkeling van de kustlijn rond het eind van het Atlanticum, circa 5000 jaar BP (naar Berendsen 2008).

door erosie aangetast. Achter de strandwallen ontstonden grote getijdebekkens waarbij zand en klei werd afgezet. Het zand werd met name in de getijdegeulen

29

Berendsen 2008, De Jong & Numan 2002, Klijn 1981.

Project V-19.0130B

30

afgezet.30 Ook dit sediment wordt gerekend tot de Formatie van Naaldwijk, laagpakket van Wormer.31 De zee had grote invloed en dit maakte het gebied niet aantrekkelijk voor bewoning. In figuur 3.3 is dit visueel weergegeven. Vanaf circa 5000 jaar voor heden begon de kust zich te sluiten. Dit proces werd veroorzaakt door een afname van de zeespiegelstijging van meer dan een meter per eeuw naar enkele tientallen centimeters per eeuw. De sedimentaanvoer van de rivieren kwam hierdoor meer in balans met de stijging van de zeespiegel en de kustlijn kon zich stabiliseren en vervolgens weer westwaarts uitbreiden. Deze uitbreidingsfase hield circa 2500 jaar aan en werd veroorzaakt door het steeds opnieuw ontstaan van strandwallen voor de kust. Op deze wijze breidde de kust zich tot een maximum van10 kilometer westwaarts uit (westelijker dan de huidige kustlijn).32 Op de strandwallen ontstonden kleine duintjes die uiteindelijk zo hoog werden dat ze niet meer onder water kwamen te staan en de nieuwe kustlijn vormden. Deze duinen worden Oude Duinen genoemd. Voor deze duinen vormde zich een nieuw strand met langs de waterlijn een nieuwe strandwal. Door dit proces is een reeks strandwallen ontstaan met daartussen de lager gelegen strandvlaktes. De strandwallen met Oude Duinen vormden aantrekkelijke vestigingsplaatsen. Het waren relatief droge gebieden in een verder natte omgeving.

Het is dan ook niet verwonderlijk dat de eerste menselijke activiteiten in deze regio zich op deze Oude Duinen concentreerden.

Figuur 3.4. De ontwikkeling van de kustlijn rond het midden van het Subboreaal, circa 3000 jaar BP (naar Berendsen 2008).

De kustbarrière sloot de zee overigens niet geheel buiten. Er waren nog enkele zeegaten aanwezig waardoor de zee nog regelmatig tot ver in het achterland kon doordringen. Hierbij werden de reeds aanwezige lagunes en wadafzettingen deels geërodeerd. Er werd echter ook weer nieuwe mariene afzettingen (met name zandige klei) afgezet. Een van de zeegaten bevond zich ten zuidwesten van het huidige Castricum. Het betrof de monding van het Oer-IJ. Via deze monding waterde een deel van de Rijn via haar meest noordelijke vertakking af. Als gevolg van de kustafsluiting werd het grote waddengebied achter de strandwallen afgesloten. In dit gebied, met uitzondering van de gebieden rond de zeegaten, nam de invloed van de zee sterk af en konden zich onder invloed van de stijgende grondwaterspiegel uitgestrekte veenmoerassen ontwikkelen. Het 30

Berendsen 2008, Rosing 1995, Rappol en Soonius 1994. De Mulder et al. 2003. 32 Berendsen 2008, Klijn 1981. 31

31

Archeologische beleidskaart Gemeente Zandvoort

veengebied maakte tot in de middeleeuwen deel uit van een veel groter veengebied, een woest landschap dat zich uitstrekte van Vlaanderen tot in noordwest Duitsland. Het veenpakket (Hollandveen) heeft zich lokaal tot een dikte van enkele meters ontwikkeld. Ook op de tussen de strandwallen aanwezige lager gelegen strandvlaktes ontwikkelde zich op uitgebreide schaal veen. Maar ook binnen de Oude Duinen waren de gevolgen van de vernatting merkbaar. Zo is bij verscheidene onderzoeken in de randzone van Oude Duinen naar de strandvlakte in de basis van het oude duin een afwisseling van dunne veenlagen met oud duinzand aangetroffen (zie ook figuur 3.6). In figuur 3.4 is de bovenstaande ontwikkeling schematisch weergegeven. Gedurende de ijzertijd, de Romeinse tijd en de vroege middeleeuwen bevond de kust zich (plaatselijk) tot enkele kilometers buiten de huidige kustlijn (zie figuur 3.4). Dit blijkt onder andere uit het feit dat de resten van het Romeinse fort Brittenburg nu ter hoogte van Katwijk in zee liggen. De Brittenburg betrof zeer waarschijnlijk de meest westelijk gelegen fortificatie van de Limes en bevond zich aan de toenmalige monding van de Oude Rijn.

Er heeft derhalve gedurende de middeleeuwen een sterke kusterosie plaatsgevonden waarbij delen van de oude strandwallen en bijbehorende oude duinen weer zijn afgebroken.33 Hierbij trad een versteiling van de zeebodem op en ontstond een grote aanvoer van zand naar het strand.34 Dit heeft geresulteerd in het ontstaan van de Jonge Duinen vanaf circa 1000/1100 na Chr.35 Het jonge duinlandschap vertoont grote reliëfverschillen. Op veel plaatsen bereiken de jonge duinen hoogtes van 30 tot 50 m + NAP. De Jonge Duinen zijn ter plaatse van Zandvoort in een circa 4 kilometer brede zone over het onderliggende Oude Duinlandschap afgezet, waarbij dit oude landschap als het ware is gefossiliseerd. Als gevolg van het ontstaan van de Jonge Duinen is circa 2,1 miljard 3 m zand aan de kust onttrokken. Dit komt globaal overeen met een kustafbraak van 1 à 2 kilometer.36

Figuur 3.5. De ontwikkeling van de kustlijn gedurende het Subatlanticum, ten tijde van de late middeleeuwen (naar Berendsen 2008).

Vanuit de het zeegat bij Castricum, de monding van het Oer-IJ, is tot de verzanding van dit zeegat gedurende de Romeinse tijd, nog regelmatig klei afgezet over het achter de strandwallen gelegen Hollandveen. Deze klei wordt gerekend tot het 33

De Jong & Numan 2002. Berendsen 2008. 35 De Jong & Numan 2002. 36 Berendsen 2008. 34

Project V-19.0130B

32

Walcheren Laagpakket en wordt ook wel IJ-klei genoemd.37 In figuur 3.5 is dit schematisch weergegeven. Er bestaat nog de nodige controverse over de oorzaak van de kustafbraak. Het kan een gevolg zijn de fluctuaties van de zeespiegel en de ontbossing van de duinstreek welke sinds de Karolingische tijd heeft plaatsgevonden. Een aanvullende hypothese is dat de stormfrequentie gedurende de middeleeuwen hoger was, wat het proces van kusterosie door het verlies van zand naar de duinen versterkt zou kunnen hebben.38 De periode van ruim 1000 jaar tussen het einde van de maximale kustuitbreiding gedurende de ijzertijd tot het ontstaan van de jonge duinen gedurende de late middeleeuwen, kenmerkt zich als een fase van stilstand in duinvorming. Grassen, struiken en bomen kregen de kans te groeien als gevolg waarvan een dunne humuslaag kon ontstaan. Eeuwen van uitloging door regenwater resulterende in de ontwikkeling van een podzolbodem, met uitspoelings- en inspoelingshorizonten. Deze bodem is op veel plaatsen in de Amsterdamse Waterleidingduinen en de Kennemerduinen nog als zodanig herkenbaar, met name daar waar de Oude Duinen het hoogst gelegen zijn.39 In figuur 3.6 is deze bodem in de top van de Oude Duinen middels een bruine kleur weergegeven.

Figuur 3.6. Schematische weergave van de onderlinge ligging en dateringen van de diverse duinafzettingen (naar Jelgersma 1970).

Op de wat lagere plekken ontstond als gevolg van vernatting door de verder stijgende grondwaterspiegel veengroei, veelal op de (in de lagere gelegen delen zwak ontwikkelde) podzolbodem. De bodemvorming en de hierop aanwezige veenlaag zijn duidelijke markers voor de grens tussen het Oude Duinzand en de bovenliggende Jonge Duinen. Zoals in bovenstaand figuur 3.6 zichtbaar is, kan bodemvorming, maar vooral veengroei, op de flanken van de Oude Duinen op meerdere niveaus voorkomen. Een ander gevolg van de bodemvorming is dat de top van de Oude Duinen tot relatief grote diepten is ontkalkt. De droge hooggelegen delen van de Oude Duinen zijn lokaal zelfs tot een diepte van 5 meter ontkalkt.40 Het zand van de Jonge Duinen is echter sterk kalkhoudend. Indien geen bodemvorming/veenlaag aanwezig is op de grens tussen oud en jong duinzand, kan 37

De Mulder et al. 2003. Berendsen 2008. 39 De Jong & Numan 2002. 40 Klijn 1981. 38

33

Archeologische beleidskaart Gemeente Zandvoort

het kalkgehalte ook helpen de grens tussen beide pakketten te markeren. Op grotere diepte is het sediment van de Oude Duinen overigens wel weer kalkrijk. De top van de Oude Duinen tonen een behoorlijk reliëf. Zo heeft een onderzoek ter plaatse van ’t Wed, een gegraven plas in de duinen net ten noorden van de gemeentegrens van Zandvoort, aangetoond dat de top van de Oude Duinen (inclusief bodemvorming) hier varieert van circa 4,0 m + NAP tot maximaal 6,0 m + NAP.41 De geologische boringen zoals weergegeven in Dinoloket bevestigen de maximale hoogte van 6,0 m + NAP.42 Pollenanalyses hebben aangetoond dat zich vanaf de jaartelling bos heeft ontwikkeld op de Oude Duinen. In deze regio betreft het een bos dat zich uitstrekte van het huidige Haarlem tot aan de toenmalige kust.43 Het bos bestond aanvankelijk voornamelijk uit eiken, later werd de beuk overheersend. Vanaf circa 700 na Chr. nam de dichtheid van het bos af (zichtbaar aan de toename van struiken en kruiden in de pollendiagrammen).44 Dit was het gevolg van de kap van bomen.

Aanvankelijk kapte men voornamelijk om aan de vraag naar brandhout te voldoen en in mindere mate om nieuw landbouwareaal te creëren.45 Desalniettemin heeft gedurende de vroege middeleeuwen en daarvoor, dus voor het ontstaan van de Jonge Duinen, wel degelijk op kleinschalige wijze landbouw plaatsgevonden in de Oude Duinen.46 Vanaf de ontwikkeling van de Jonge Duinen degradeerde het bos in de kuststreek in rap tempo. Bij graafwerkzaamheden in de Amsterdamse Waterleidingduinen zijn regelmatig boomstobben onder het jonge duinzand aangetroffen, al dan niet met kap- en brandsporen.47 In deze regio wordt dit oerbos in historische bronnen vermeld als het Haarlemmerhout. Zoals hierboven uiteen is gezet, is vanaf circa 5000 jaar BP tot circa 2500 jaar BP een serie parallel aan elkaar gelegen strandwallen gevormd, waarop zich de zogenaamde Oude Duinen hebben gevormd. De oudste van de strandwallen (met duinen) bevindt zich in deze regio op circa 10 kilometer ten oosten van de huidige kustlijn. Het betreft de strandwal die van Heemstede richting Spaarnwoude loopt.

Deze strandwal is rond 5200 jaar BP gevormd.48 Aangezien deze strandwal relatief weinig is aangetast (bijvoorbeeld als gevolg van afgravingen) en op sommige plekken zelfs nog enigszins zichtbaar is in het huidige landschap, heeft de provincie Noord-Holland deze strandwal tot aardkundig monument aangewezen.49 De volgende, jongere strandwal met Oude Duinen betreft de strandwal van Haarlem. Dit is een grote en relatief brede strandwal die van Velsenbroek tot aan Leiden doorloopt. De strandwal van Haarlem is omstreeks 4800 jaar BP gevormd.50 Als gevolg van de uitbouwende kust bevindt deze strandwal zich op circa 3 kilometer ten westen van de oudere strandwal van Heemstede-Spaarnwoude. Omdat de strandwalafzettingen de relatieve zeespiegelstijging volgden, bevindt de strandwal van Haarlem zich op grotere hoogte ten opzichte van NAP dan de oudere strandwal van Heemstede-Spaarnwoude. De jongere strandwal van BloemendaalSantpoort ligt op haar beurt weer circa twee kilometer ten westen van die van Haarlem en is ook weer wat hoger in het landschap gelegen. Deze strandwal is rond 4000 jaar BP gevormd.51

41

De Jong & Numan 2002. www.dinoloket.nl 2020. 43 Jelgersma et al. 1970. 44 De Jong & Numan 2002. 45 De Jong & Numan 2002. 46 De Jong & Numan 2002. 47 De Jong & Numan 2002. 48 RGD 1995, Dütting, Verniers & Voormolen 2018. 49 Dütting, Verniers & Voormolen 2018. 50 RGD 1995. 51 Bosman 2011. 42

Project V-19.0130B

34

Ten westen van de strandwal van Bloemendaal-Santpoort bevinden zich nog enkele strandwallen in de ondergrond. Zo ook binnen de gemeente Zandvoort. Hier liggen de strandwallen echter dicht op elkaar, zonder duidelijke strandvlakten ertussen. Daaroverheen is een ‘deken’ van oude duinen afgezet, die op hun beurt ook weer moeilijk te koppelen zijn aan de bijbehorende strandwal.52 Toch heeft ook hier wel degelijk veenvorming plaatsgevonden, maar dan in voormalige duinvalleien, niet in strandvlaktes.53 De afzonderlijke strandwallen binnen de gemeente Zandvoort zijn derhalve niet goed van elkaar te onderscheiden. Desalniettemin hebben de Groot et al.54 een globale indeling weten te maken van de ouderdom van de strandwalruggen. De oudste, meest oostelijke gelegen strandwal (inclusief oude duin) binnen de gemeente Zandvoort is volgens de Groot et al. rond 3800 jaar BP, dus gedurende de midden bronstijd, ontstaan. De jongste, waarop Zandvoort is gelegen, dateert uit de late ijzertijd (2200 jaar BP). In figuur 3.7 is dit visueel weergegeven.

Figuur 3.7. Geologisch dwarsprofiel door de Amsterdamse Waterleidingduinenter hoogte van

Zandvoort-Vogelenzang-Heemstede (naar RGD 1995), aangevuld met de ouderdom van de strandwallen (naar De Groot et al. 1994).

Aan het einde van de middeleeuwen en gedurende nieuwe tijd zijn grote delen van de hoger gelegen strandwallen en Oude Duinen afgegraven ten behoeve van zandwinning. Dit zand werd gebruikt voor de uitbreiding van de grote steden zoals Amsterdam en Haarlem. Hierbij zijn deze strandwallen tot ver onder het archeologisch relevante niveau afgegraven. De tot aan het grondwaterniveau afgegraven gebieden werden in cultuur gebracht. De kalkrijke zandgronden bleken uitermate geschikt voor de bollenteelt. Overigens zijn de strandwallen (inclusief de Oude Duinen) in de regio Haarlem/Zandvoort grotendeels gespaard gebleven. Dit is onder andere het gevolg van de hier in overvloed aanwezige buitenplaatsen. Deze waren het eigendom van rijke stedelingen die hun landgoederen niet ten prooi lieten vallen aan de zandwinningen.55

52

Dütting, Verniers & Voormolen 2018. De Jong & Numan 2002. 54 De Groot et al. 1994. 55 Klijn 1981. 53

35

Archeologische beleidskaart Gemeente Zandvoort

Figuur 3.8. Schematische weergave van de intacte en afgegraven strandwallen in de regio Zandvoort rond 1952 (naar Van der Meer 1952).

3.1.5 De Jonge Duinen nader belicht Zoals in de voorgaande paragraaf uiteen is gezet, zijn de Jonge Duinen vanaf circa 1000/1100 na Chr. ontstaan. Dit heeft in een drietal fases plaatsgevonden. Uit onderzoek uit begin jaren zeventig van de vorige eeuw56 is gebleken dat deze fases goed gedateerd kunnen worden. In figuur 3.9 is dit visueel weergegeven.

Figuur 3.9. De morfologie van de Jonge Duinen in de Kennemerduinen (naar Jelgersma et al

1970).

De oudste fase, ook wel aangeduid met Groep I, is ontstaan in de periode tussen 1000 en 1300 na Chr. Deze duinen bevinden zich in het meest oostelijke deel van de zone waarin de Jonge Duinen gelegen zijn. Het betreffen onregelmatig gevormde, minder geaccidenteerde duinen. In eerste instantie vond een egalisatiefase plaats, waarbij de toppen van de Oude Duinen deels werden geërodeerd en de laagten 56

Jelgersma et al 1970.

Project V-19.0130B

36

(deels) werden opgevuld. Vervolgens ontstond onder relatief natte omstandigheden (als gevolg van de stijgende grondwaterspiegel) ook de hogere, duidelijk geprononceerde binnenduinreeks. Deze duinen worden gekenmerkt door een horizontale gelaagdheid. Aan de landzijde vertonen deze duinen vaak een steile binnenduinrand met duintoppen die tot meer dan 30 meter hoogte kunnen reiken. Gedurende de tweede fase (Groep II), welke heeft plaatsgevonden tussen 1300 en 1600 na Chr., is een aantal series van reliëfrijke paraboolduinen afgezet. Dit betrof een periode van grootschalige verstuiving. De duinen van Groep II zijn niet horizontaal gelaagd, maar vertonen een ‘kris-kras’-gelaagdheid. 57 De duinen van deze tweede fase beslaan het grootste deel van de Jonge Duinzone. Binnen de duinen van Groep II is onderscheid te n maken in een Groep II en een Groep IIa, waarbij de duinen van groep IIa gedurende een latere fase van duinvorming, namelijk de fase van Groep III, zijn vervormd.58 Tot slot heeft in de periode na 1600 een derde en laatste fase plaatsgevonden waarin de duinen van Groep III zijn afgezet. Deze fase van duinvorming was minder ingrijpend dan de tweede fase. Gedurende deze fase zijn de wat kleinere paraboolduinen langs de huidige kustlijn afgezet.

De duinen uit Groep III hebben een wat westelijkere oriëntatie dan de hoofdzakelijk zuidwest-noordoost georiënteerde duinen uit Groep II.59 Volgens Jelgersma et al. bereikte deze laatste de fase haar hoogtepunt in de loop van de 18 eeuw. Tussen de hier genoemde drie fasen van (grootschalige) verstuivingen hebben fases bestaan van relatieve rust. Dit komt tot uitdrukking in de aanwezigheid van verscheidene bodems in de Jonge Duinafzettingen. Dit betreffen echter slecht ontwikkelde vaaggronden waarbij slechts dunne humeuze bandjes zichtbaar zijn. Uit historische bronnen is bekend dat ook gedurende die rustige fases wel degelijk verstuiving optrad.60 Het is echter ook niet zo dat gedurende de perioden van verstuiving alleen maar sediment werd afgezet, getuige ook hier de aanwezigheid van zeer dunne humusbandjes.61

Figuur 3.10. De begrenzing van het provinciaal Aardkundig Monument Nationaal Park Zuid-

Kennemerland en de Amsterdamse Waterleidingduinen binnen de gemeente Zandvoort (provincie Noord-Holland 2020).

57

Klijn 1981. De Jong & Numan 2002. 59 Klijn 1981. 60 Klijn 1981. 61 Klijn 1981. 58

37

Archeologische beleidskaart Gemeente Zandvoort

Vanwege het bijzondere en imposante karakter van de duingordel langs de NoordHollandse kust is een aantal grote delen hiervan door de provincie Noord-Holland tot Aardkundig Monument benoemd. Zo ook het duingebied Nationaal Park ZuidKennemerland en de Amsterdamse Waterleidingduinen. Een groot deel van dit Aardkundig Monument van binnen de grenzen van de gemeente Zandvoort (zie figuur 3.10). Vanwege de status van aardkundig monument bestaan er restricties met betrekking tot de toegestane activiteiten binnen dergelijke gebieden. Deze restricties zijn vastgelegd in de Provinciale Omgevingsverordening.62 De Jonge Duinen werden in de middeleeuwen en de nieuwe tijd beschouwd als ‘wildernis’, waar men zonder al te veel restricties gebruik van kon maken. Bomen en struiken werden gekapt om als brandstof te gebruiken, er werden zoden en plaggen gestoken en er werd helmgras gesneden als brandstof, voor touwfabricage of als dakbedekking. Vaak leidden deze activiteiten tot overexploitatie. Het konijn vormde de een andere bedreiging voor het duinlandschap. Het konijn is in de 14 eeuw 63 uitgezet voor de jacht. Er werd goed voor de dieren gezorgd. Zo mochten de slootkanten langs de binnenduinrand niet te steil zijn om verdrinking van konijnen te voorkomen. Men ging zelfs zo ver om gaten voor konijnen te boren.

Katten en honden werden bestreden, aangezien deze als concurrenten in de jacht werden beschouwd. Onder deze condities gedijde het konijn goed, wat tot gevolg had dat de duinen veel schade opliepen. Pas na de intrede van myxomatose in de jaren vijftig van de vorige eeuw, is het ‘konijnenprobleem’ weer enigszins onder controle.64 Ook overbeweiding heeft door de eeuwen heen tot veel schade geleid. Uit historische bronnen is bekend dat lokale overheden al vroeg hebben geprobeerd om de overexploitatie tegen te houden. De oudst bekende verordening waarin het misbruik van het duinlandschap werd verboden en een verplichting tot onderhoud is opgenomen, dateert al uit 1256.65 Men trachtte de verstuivingen tegen te gaan door de duinen te stabiliseren middels helmaanplant, waarbij men zich concentreerde op die delen van het duinlandschap die een zeeweringsfunctie hadden of waar huizen of landerijen door verstuiving werden bedreigd. Het duurde echter tot halverwege de de 19 eeuw, soms zelfs pas tot rond 1900, dat de destijds omvangrijke verstuivingen op grote schaal werden aangepakt. Overheidsinstanties zoals Rijkswaterstaat en Staatsbosbeheer speelden hier een grote rol in. Hierbij was de aanplant van naaldbos van groot belang. De meeste bomen zijn in de periode 19001920 aangeplant.66 Het aanplanten van bomen is op enkele plaatsen echter al eerder de uitgevoerd.

Zo werd aan het eind van de 18 eeuw al naaldbos geplant in de 67 Schapenduinen bij Zandvoort. Een ander vorm van de bescherming van het duinlandschap, in dit geval tegen kustafslag tijdens stormen, is de aanleg van de Zeereep. Deze rechte duinenrij, die langs een groot deel van de Hollandse kust aanwezig is op de overgang van duin de naar strand, is vanaf het midden van de 19 eeuw aangelegd ter versterking van de 68 kust. Ontginning van het jonge duinlandschap voor landbouwdoeleinden begon vermoedelijk niet eerder dan rond 1600 na Chr. De eerste schriftelijke vermeldingen dateren uit 1600, waarbij melding wordt gedaan van kleinschalige landbouw rond de Callantsoog.69 Eind 18 eeuw is op meerdere plekken sprake van kleinschalige akkerbouw in de duinen, maar het blijft beperkt tot kleine gebieden. In 1892 gaf de 62

Dütting, Verniers & Voormolen 2018. Rentenaar 1977. 64 Klijn 1981. 65 Klijn 1981. 66 Klijn 1981. 67 Van Steijn 1933. 68 De Gans 2016. 69 Schoorl 1972. 63

Project V-19.0130B

38

Nederlandse Heidemaatschappij een overzicht van de ontginningen rond het einde de

van de 19 eeuw. Ook toen was het beperkt tot een klein aantal gebieden en was uitsluitend sprake van kleinschalige bedrijvigheid. De Nederlandse Heidemaatschappij concludeerde dat landbouw in de duinen ‘misplaats’ was. Rond 1900 werden veel van de bedrijven opgeheven. Dit hangt mogelijk samen met de verdroging van de duinvalleien als gevolg van de waterwinning.70 de Rond Zandvoort was begin 19 eeuw al wel sprake van de aanwezigheid van enkele boerenerven met kleine akkertjes. Deze akkers betroffen kleine, soms diep vergraven percelen, die werden begrensd door zandwallen. De akkers werden gebruikt voor de teelt van aardappelen en groente en bevonden zich in de lager gelegen delen van het duin en in de duinvalleien. De vegetatie werd verwijderd en de bodem werd geëgaliseerd. Om dichter bij het grondwater te komen werden de akkers afgegraven waarbij het vrijgekomen zand als wallen rondom de akkers werd neergelegd.71 Niet alleen het zand van de Oude Duinen werd gewonnen. Ook de Jonge Duinen zijn op veel plaatsen aangetast als gevolg van zandwinning. Dat begon al vroeg. Zo dateert de zandwinning de Zanderij, nabij Overveen, in elk geval al uit 1798. Ook op tal van plaatsen langs de binnenduinrand werd zand afgegraven. Het zand werd gewonnen ten behoeve van de glasindustrie in Engeland, maar ook voor de stadsuitbreidingen.

In recentere tijden heeft men ook op grote schaal aan zandwinning gedaan in de duinen. Daarnaast heeft men op verschillende locaties recreatieplassen aangelegd. Dit laatste heeft ook ten noorden van Zandvoort plaatsgevonden.72 Binnen de gemeente Zandvoort is een deel van de Jonge Duinen nog voor een ander de doel deels ontgraven. Halverwege de 19 eeuw werd een groot deel van het duingebied binnen de gemeente Zandvoort in gebruik genomen voor waterwinning. De Amsterdamse Waterleidingduinen werden aangelegd. Hierbij werden kanalen aangelegd die in eerste instantie werden gebruikt voor de afvoer van natuurlijk duinwater. Na de tweede Wereldoorlog is men overgegaan op infiltratie van rivier- en ander oppervlaktewater. Hiervoor werden infiltratiebekkens en aan- en afvoerkanalen aangelegd. Hierbij is het natuurlijke reliëf aangetast en zijn grote delen van de bodem omgewerkt.73

3.2

Reconstructie van het landschap voor verschillende archeologische perioden

3.2.1 Inleiding Zoals uit paragraaf 3.1 is gebleken, is het landschap van West-Nederland, en daarmee ook het grondgebied van de gemeente Zandvoort, ontstaan gedurende de laatste 11.650 jaar van de geologische geschiedenis, het Holoceen. Er zijn gedurende deze lange periode veel landschappelijke veranderingen opgetreden, waarbij de relatieve zeespiegelstijging een grote rol heeft gespeeld. Het veranderende landschap is van grote invloed geweest op de mogelijkheden voor de mens om het landschap te gebruiken. Derhalve zal de landschappelijke situatie gedurende enkele archeologische perioden aan de hand van enkele paleografische kaartjes74 in de volgende paragrafen kort uiteen worden gezet.

70

Klijn 1981. De Gans 2016. 72 Klijn 1981. 73 Klijn 1981. 74 Vos & de Vries 2013. 71

39

Archeologische beleidskaart Gemeente Zandvoort

3.2.2 Laat-Paleolithicum (35.000 - 8.800 voor Chr.) Gedurende de laatste ijstijd (Weichselien) lag de zeespiegel circa 40 meter lager dan nu het geval is. De Noordzee bestond niet, het huidige Groot-Brittannië kon vanaf Nederland bereikt worden zonder natte voeten te krijgen. Gedurende het laatste deel van het Weichselien, de Jonge Dryas, heerste er een subarctisch klimaat met o korte, koude zomers (gemiddelde juli temperatuur <10 C) en lange koude winters. Het landschap bestond uit een open, subarctisch parklandschap waar in beperkte mate begroeiing aanwezig was (voornamelijk kruiden en enkele solitaire (dwerg)berken en dennen). Deze situatie is vergelijkbaar met de huidige toendragebieden in Alaska, Canada, Noord-Europa en Rusland. Net zoals de mens in deze gebieden (tot vrij recent) een nomadisch bestaan hadden, leefde de mens gedurende de Jonge Dryas periode als nomaden, waarschijnlijk in kleine groepjes bestaande uit één of meerdere families. Men leefde van de jacht en volgde het wild dat met de seizoenen mee migreerde. Ook binnen het grondgebied van de gemeente Zandvoort zullen destijds mensen hebben gewoond. Het pleistocene landschap is in de loop van het holoceen echter bedekt geraakt met een dik pakket holocene afzettingen en bevindt zich nu op grote diepte (gemiddeld op circa 25 m – NAP).

Bovendien is dit landschap in de loop van de volgende millennia grotendeels verstoord als gevolg van trans- en regressies. De kans op sporen uit deze periode is derhalve zeer gering. In 2016 is door Deltares een indicatief model van het archeologisch potentieel van de Noordzeebodem vervaardigd. Volgens dit model heeft de zeebodem binnen de gemeente Zandvoort in potentie kans op de aanwezigheid van vondstmateriaal uit het midden-paleolithicum.75 Het gaat hierbij echter nadrukkelijk niet om de zeebodem zelf, maar de bovenste 30 meter van het sediment gerekend vanaf de zeebodem. Bovendien is het model gebaseerd op basis van verbreiding van lithologische eenheden, gekarteerd op kaartmateriaal met een schaal van 1:250.000. De makers van dit model benadrukken dan ook dat het indicatieve model een eerste indeling vormt. Zij stellen dat het heel goed mogelijk is dat ‘binnen een lithologische

eenheid specifieke zones kunnen voorkomen die een afwijkend archeologisch potentieel hebben ten opzichte van de rest van die eenheid, bijvoorbeeld vanwege lokaal afwijkende omstandigheden wat betreft erosie, of aan paleolandschappelijke aspecten (geomorfologie). Deze zijn op dit moment nog niet systematisch of in voldoende detail gekarteerd ‘.76 Deze indicatieve kaart van het archeologisch potentieel van de Noordzeebodem is derhalve niet nauwkeurig genoeg om bruikbaar te zijn voor de ontwikkeling van onderhavige beleidskaart. De indicatieve kaart van het archeologisch potentieel van de Noordzeebodem dient de komende jaren te worden verbeterd. Daarvoor is het noodzakelijk meer data te verzamelen middels nog te ontwikkelen nieuwe prospectiemethoden.77 3.2.3 Mesolithicum - Neolithicum (8.800 – 2.000 voor Chr.) Als gevolg van de snelle zeespiegelstijging gedurende het mesolithicum werd de zee-invloed in West-Nederland vanaf ongeveer 8000 jaar geleden merkbaar. In eerste instantie betekende dit dat er zich veen ontwikkelde als gevolg van de grondwaterspiegelstijging. Dit had een serieuze verslechtering van de woonomstandigheden tot gevolg. Later ontstond ter plaatse een waddengebied met schorren en slikken achter verder zeewaarts gelegen strandwallen. Geen aantrekkelijke omstandigheden, al is het in theorie mogelijk dat zich hier mensen hebben gevestigd.

Echter, zelfs als zich mensen hebben gevestigd in dit waddenmilieu, dan is de kans op sporen van deze menselijke activiteiten zeer gering. Als gevolg van de steeds verdergaande zeespiegelstijging schoof de kustlijn steeds verder oostwaarts op en kwam het gebied ter hoogte van de gemeente

75

Vonhögen-Peeters et al. 2016. Vonhögen-Peeters et al. 2016. 77 Peeters et al. 2019. 76

Project V-19.0130B

40

Zandvoort geheel onder water te staan. Hierbij is veel, zo niet al het eerder afgezette holocene sediment weer opgeruimd. In figuur 3.11 is de situatie rond 5500 jaar voor Chr. weergegeven.

Figuur 3.11. De landschappelijke situatie rond 5500 voor Chr. ter plaatse van de gemeente

Zandvoort en omgeving (naar Vos en de Vries 2013).

Zo rond 5000 jaar geleden, aan het begin van het neolithicum, bereikte de kustlijn haar meest oostelijke ligging. De kust begon zich te sluiten en de kustlijn schoof in de daarop volgende 2500 jaar circa 10 kilometer westwaarts op. Er ontstonden strandwallen met daarop (oude)duinen.

Figuur 3.12. De landschappelijke situatie rond 2000 voor Chr. ter plaatse van de gemeente

Zandvoort en omgeving (naar Vos en de Vries 2013). Bewoning ter plaatse van de gemeente Zandvoort was nog niet mogelijk. Op de strandwallen van Heemstede – Spaarnwoude, Haarlem en Bloemendaal – Santpoort was al wel bewoning mogelijk.

Deze strandwallen met (Oude) duinen speelden een belangrijke rol voor de ontwikkeling van menselijke activiteiten in deze regio. Het waren relatief droge gebieden in een verder natte omgeving. De eerste menselijke activiteiten in deze regio dateren dan ook uit het midden-neolithicum en concentreerden zich op de oudste strandwallen in het landschap. Ook al waren de locaties relatief klein, ze

41

Archeologische beleidskaart Gemeente Zandvoort

waren groot genoeg voor kleinschalige landbouw activiteiten op een droog stuk, met voldoende water in de nabijheid.78 Zoals uit figuur 3.12 blijkt, was gedurende het neolithicum nog geen sprake van bewoning binnen de huidige grenzen van de gemeente Zandvoort. Dit gebied stond destijds nog onder water. 3.2.4 Bronstijd – vroege middeleeuwen (2.000 voor Chr. – 1050 na Chr.) De kustuitbreiding duurde ongeveer tot in de late ijzertijd. De oudste strandwal met duinvorming binnen het grondgebied van de gemeente Zandvoort dateert uit de midden-bronstijd, de jongste uit de late ijzertijd (zie figuur 3.7). Het grondgebied van de gemeente Zandvoort vormde in deze periode een dynamisch gebied waar de invloed van de zee nog goed merkbaar was met de vorming van verscheidene strandwallen. Ondanks dat het dynamische karakter van het landschap bewoning mogelijk minder aantrekkelijk maakte, was het landschap binnen de gemeentegrenzen vanaf deze periode bewoonbaar. Dit blijkt ook wel uit de aanwezigheid van de ijzertijdvindplaats in de Amsterdamse Waterleidingduinen (zie hoofdstuk 4). Vanaf de vorming van de jongste strandwal zo rond 200 voor Chr. tot aan de vorming van de Jonge Duinen vanaf circa 1000 na Chr. was het oude duinlandschap binnen de gemeente Zandvoort veel minder dynamisch dan de periode daarvoor. Het landschap stabiliseerde en er ontstond op grote schaal begroeiing.

Er ontwikkelde zich een uitgestrekt bos. De lager gelegen delen van dit oude duinlandschap werden als gevolg van de stijgende grondwaterspiegel wel natter (veengroei), maar desalniettemin lijkt het in deze periode geschikt voor bewoning. Er is binnen de gemeente Zandvoort tot op heden echter maar weinig archeologisch bewijs gevonden voor bewoning gedurende de Romeinse tijd.

Figuur 3.13. De landschappelijke situatie rond 800 na Chr. ter plaatse van de gemeente

Zandvoort en omgeving (naar Vos en de Vries 2013). Bewoning ter plaatse van de gemeente Zandvoort was vanaf de midden- bronstijd mogelijk. In de periode ontwikkelde zich aan de oostzijde van de gemeente een strandwal. In de daarop volgende eeuwen vormden zich tot circa 200 voor Chr. nog enkele strandwallen. In de periode vanaf de jaartelling tot de vorming van de Jonge Duinen rond 1000 na Chr. betrof het een relatief stabiel landschap.

Gedurende de Laat-Romeinse tijd nam de invloed van de mens op het landschap verder af, wat tot in de vroege middeleeuwen heeft geduurd. Dit duidt mogelijk op een ontvolking van het gebied. Een veel gebruikte hypothese voor deze ontvolking van de kuststreek is dat er politieke of sociaal economische oorzaken aan ten grondslag liggen. Deze periode kenmerkt zich namelijk door onrust als gevolg van 78

Bosman 2011.

Project V-19.0130B

42

invallen van Germaanse stammen en het wegvallen van het centrale Romeinse gezag.79 De mogelijkheid bestaat ook dat wel degelijk meer menselijke activiteiten hebben plaatsgevonden in het oude duinlandschap, maar dat deze als gevolg van het feit dat ze nu begraven liggen onder een dik pakket Jonge Duinen, nog niet gevonden zijn. 3.2.5 Late-middeleeuwen en Nieuwe Tijd (1050 na Chr. tot heden) Zoals in paragraaf 3.1.5 uiteen is gezet, kenmerkt de periode vanaf circa 1000 na Chr. zich in deze regio als een periode met grootschalige verstuivingen. Dit heeft geresulteerd in het ontstaan van de Jonge Duinen. De Jonge Duinen zijn in een circa 4 kilometer brede zone over het onderliggende Oude Duinlandschap afgezet. De Jonge Duinen zijn in drie fasen afgezet, met daartussen perioden van relatieve 80 stabiliteit. Het betrof gedurende deze periode een zeer dynamisch landschap waarbij veel veranderingen optraden. Het uitgestrekte bos verdween en de grootschalige verstuivingen zorgden voor veel overlast. Het gebied werd hiermee veel minder aantrekkelijk voor bewoning. Er zijn dan ook nauwelijks aanwijzingen die erop duiden dat het gebied op grote schaal werd gebruikt anders dan voor de brandstofwinning en de jacht. Het dorp Zandvoort heeft mogelijk een vroeg 12 eeuwse oorsprong (zie hoofdstuk 4). Het is derhalve niet zo dat er in het geheel geen menselijke activiteiten plaatsvonden.

Zandvoort betrof echter een vissersdorp en richtte zich derhalve voornamelijk op de zee. Ook nu nog vormt de zee voor het dorp een grote bron van inkomsten. De meeste recreanten komen voor het strand en de zee. Er zijn echter wel degelijk activiteiten ontplooid in de Jonge Duinen. Zo zijn rondom Zandvoort akkertjes bekend. Deze zijn kleinschalig, dateren de voornamelijk uit de 19 eeuw en zijn slechts kort in gebruik geweest. Pas nadat de de Amsterdamse Waterleidingduinen rond het midden van de 19 eeuw in gebruik werden genomen werd er op grote schaal weer gebruik gemaakt van het landschap.

Figuur 3.14. De landschappelijke situatie rond 1500 na Chr. ter plaatse van de gemeente

Zandvoort en omgeving (naar Vos en de Vries 2013).

3.3 Bodem 3.3.1 Inleiding De bodemopbouw is sterk gerelateerd aan het landschap waarin de bodem zich vormt. Het landschap binnen de grenzen van de gemeente Zandvoort is jong. Het 79 80

43

Bosman 2011. 1000-1300 na Chr., 1300-1600 na Chr. en 1600-1750 na Chr.

Archeologische beleidskaart Gemeente Zandvoort

duinlandschap wat hier aan het oppervlak aanwezig is, is slechts enkele honderden jaren oud. Bovendien waren de omstandigheden (verstuivingen) ongeschikt voor uitgebreide bodemvorming. Dat was in veel mindere mate het geval voor het onder de Jonge Duinen begraven oude duinlandschap. Als gevolg van de aanwezigheid van zoetwater in het oude duinlandschap ontstond in de lange periode van relatieve rust (200 voor Chr. – 1000 na Chr.) vegetatie. Het in eerste instantie boomloze landschap evalueerde naar een dichte loofbosbegroeiing. Als gevolg hiervan kon bodemvorming optreden. Deze bodems zijn nu nog in de (diepe) ondergrond aanwezig. 3.3.2 Kalkhoudende duinvaaggronden Zoals op figuur 3.15 zichtbaar is, bestaat een zeer groot deel van het grondgebied 81 van de gemeente Zandvoort uit duinvaaggronden. Dit is ook niet verwonderlijk, aangezien de gemeente nagenoeg geheel uit Jonge Duinen bestaat. Duinvaaggronden zijn relatief jonge, in dit geval kalkrijke bodems zonder of soms met een zeer dunne humushoudende bovengrond (A-horizont tot 10 cm). Deze beige tot bruingeel gekleurde A-horizont ligt direct op de soms nog sterk gelaagde ondergrond die nog weinig door bodemvorming is veranderd (C-horizont). De grondwaterstand is meestal laag, zodat roest en grijze vlekken niet voorkomen. Vanwege de goede ontwatering hebben de zandkorrels ijzerhuidjes.

Een B-horizont is door de korte tijd van bodemvorming echter nog afwezig. De duinvaaggronden 82 liggen ten opzichte van de omliggende landschapseenheden meestal relatief hoog.

Figuur 3.15. Overzicht van de bodemkaart van Nederland voor de gemeente Zandvoort.

Archeologische resten kunnen bij een intact bodemprofiel in theorie worden verwacht op of binnen 30 cm beneden maaiveld. Vanwege de jonge leeftijd van deze bodems is dat vaak niet het geval. In (voormalig) actieve stuifgebieden, waarvan hier zeker sprake is, dient echter rekening te worden gehouden met verschillende sedimentatiefasen, waarbij oudere bodems (en dus leefniveaus) kunnen zijn afgedekt met jongere stuifzanden. Onder een vondstloze C-horizont van dergelijke bodems kunnen dan nog begraven bodems met bewoningssporen en/of oudere vondstniveaus voorkomen. Indien archeologische resten overstoven zijn, dan biedt het stuifzanddek juist bescherming tegen invloeden van bovenaf, wat de gaafheid van vindplaatsen en de conservering van archeologische resten ten goede komt. 81 82

Staring Centrum 1992. De Bakker en Schelling 1989.

Project V-19.0130B

44

Figuur 3.16. Voorbeeld van een begraven bodem in Jonge Duin-afzettingen. Bron; Loopgroep 03 Haarlem.83

In dit specifieke geval betreft de overgang van de jonge duinafzettingen naar de onderliggende oude duinafzettingen de archeologisch relevante bodemlaag. Eventueel aanwezige (slecht ontwikkelde) humeuze laagjes binnen het jonge duin zijn minder relevant, aangezien dit korte adempauzes binnen langdurige verstuivingsperiodes vertegenwoordigd. 3.3.3 Kalkhoudende vlakvaaggronden Samen met de duinvaaggronden bedekken de vlakvaaggronden bijna het gehele oppervlak van de gemeente Zandvoort (zie figuur 3.15). Vlakvaaggronden zijn, in dit geval kalkrijke, zeezandgronden zonder of soms met een zeer dunne humushoudende bovengrond (A-horizont tot 10 cm). Deze beige tot bruingeel gekleurde A-horizont ligt direct op de soms nog sterk gelaagde ondergrond die nog weinig door bodemvorming is veranderd (C-horizont). De grondwaterstand is meestal hoog, zodat roest en grijze vlekken kunnen voorkomen. Vanwege de minder goede ontwatering hebben de zandkorrels geen ijzerhuidjes. Een B-horizont is door de korte tijd van bodemvorming eveneens afwezig. De vlakvaaggronden liggen ten opzichte van de omliggende landschapseenheden meestal relatief laag. Archeologische vondsten kunnen in een vlakvaaggrond bij een intact bodemprofiel in theorie op of binnen 10 cm beneden maaiveld worden verwacht. Bewoningssporen kunnen vanaf de onderzijde van de Ah/Ap-horizont worden verwacht.

Vanwege de jonge leeftijd van deze bodems is dat vaak echter niet het geval. In (voormalig) actieve strandvlakten en stuifzandgebieden dient, net als bij de duinvaaggronden, echter rekening te worden gehouden met verschillende sedimentatiefasen, waarbij oudere bodems (en dus leefniveaus) kunnen zijn afgedekt met jongere duin- of stuifzanden. Ook in dit geval geldt dat de overgang van de jonge duinafzettingen naar de onderliggende oude duinafzettingen de archeologisch relevante bodemlaag betreft. Vanwege de hoge grondwaterstand en natte en kalkrijke omstandigheden is de kans op een goede conservering van grondsporen, organische resten en botmateriaal hoger vergeleken met hoger gelegen en drogere duinvaaggronden. 3.3.4 Kalkhoudende enkeerdgronden Volgens de bodemkaart van Nederland (schaal 1:50.000) bevinden zich met name in het noordelijke deel van de gemeente opvallend grote arealen kalkhoudende enkeerdgronden. Enkeerdgronden zijn zandgronden met een niet-vergraven, dikke 83

45

www.loopgroep03.nl 2020.

Archeologische beleidskaart Gemeente Zandvoort

humushoudende bovengrond (Aa-horizont van minimaal 50 cm dik). Deze dikke humushoudende bovengrond wordt ook wel een plaggendek of esdek genoemd. Dit esdek is ontstaan door het eeuwenlang opbrengen van gemengde plaggen en potstalmest op de akkers. Op een akkercomplex op arme zandgrond konden zo gedurende langere tijd gewassen verbouwd worden, zonder dat de bodemvruchtbaarheid daarbij uitgeput raakte. Dergelijke gronden komen echter vooral voor op de arme pleistocene gronden van oost en zuid Nederland en veel minder in het duingebied. Daar waar ze wel voorkomen in het duingebied van West-Nederland is sprake van zogenaamde geestgronden. Dit betreft voornamelijk bollengronden of zanderijgronden die daar zijn ontstaan door herhaalde diepe grondbewerking. Daarvan is binnen de gemeente Zandvoort geen sprake. Het voorkomen van een dergelijk groot areaal enkeerdgronden binnen de gemeente Zandvoort is derhalve opmerkelijk. Waarschijnlijk zijn bij de bodemkartering abusievelijk bodems tot een enkeerdgrond gerekend waar in werkelijkheid sprake is van zones met venige afzettingen in de top van het Oude Duinlandschap, die als gevolg van menselijk handelen zijn vermengd met jong duinzand. Dat ter plaatse van de aardappelveldjes door menselijk toedoen verrijking van de bodem heeft plaatsgevonden, is ongetwijfeld het geval.

Dit betrof echter zeer kleine percelen, de die, afgaande op kaartmateriaal uit begin 18 eeuw, niet zo ver noordelijk gelegen waren. Het op de bodemkaart gekarteerde areaal aan enkeerdgronden wordt dan ook in twijfel getrokken. 3.3.5 Beekeerdgronden In het uiterste noordoostelijke deel van de gemeente Zandvoort, ter plaatse van de afgraving de Zanderij, is een beekeerdgrond gekarteerd. Dit hangt waarschijnlijk samen met het feit dat de bodem hier volledig is omgewerkt en de aanwezigheid van een water (de Zanderijvaart). Beekeerdgronden zijn kenmerkend voor gebieden met een hoge grondwaterstand, waar de organische stof in de humushoudende bovengrond minder snel wordt afgebroken. Door de aanvoer van organische stof ontstaat na verloop van tijd een bodem met een matig dik humeus dek (15-30 cm). De beekeerdgronden bevatten roestvlekken tot in de bovengrond. De aanwezigheid van roestvlekken duidt op een 84 (zeer) slechte ontwateringstoestand van de ondergrond van deze bodem. Archeologische resten kunnen worden aangetroffen binnen 30 cm beneden maaiveld. De natte tot vochtige bodemgesteldheid zorgt er voor dat eventueel aanwezige archeologische resten (met name organisch materiaal) goed geconserveerd blijven. In dit geval zal echter geen sprake meer zijn van archeologische resten, aangezien het hier een oud zandwinningsgebied betreft en de bodem tot grote diepte is afgegraven.

84

De Bakker en Schelling 1989.

Project V-19.0130B

46

4

Bewoningsgeschiedenis M.A. Tolboom

4.1 Inleiding De vorming van het landschap en de bewoningsgeschiedenis hangen nauw met elkaar samen. De gemeente Zandvoort is gelegen in een relatief jong duinlandschap dat vanaf de midden-bronstijd is ontstaan en dus ook pas vanaf die periode geschikt was voor bewoning. Tot die tijd bestond het grondgebied van de gemeente Zandvoort uit een nat waddengebied en open zee. In theorie kan gedurende bepaalde perioden in de steentijd bewoning hebben plaatsgevonden binnen de gemeentegrenzen, maar als gevolg van latere landschapsvormende processen, met name onder invloed van de Noordzee, zijn dergelijke eventueel aanwezige resten geërodeerd en opgeruimd. In de nu volgende paragrafen wordt de bewoningsgeschiedenis van het duinlandschap per periode beschreven, toegespitst op het grondgebied van de gemeente Zandvoort. Hiervoor dienen de vindplaatsenkaarten per periode en diverse synthesen uit de Oogst voor Malta als basis. De vindplaatsenkaarten staan afgebeeld bij de betreffende periode. De informatie over deze vindplaatsen is verwerkt in een vindplaatsencatalogus, waarin alle relevante vindplaatsen binnen de gemeente Zandvoort zijn genummerd (1 t/m 24, bijlage 12B). De gegevens in deze catalogus zijn (deels) overgenomen uit ARCHIS.

Omdat de dateringen in ARCHIS in een aantal gevallen over meerdere perioden zijn geadministreerd, komen enkele vindplaatsen voor op meerdere vindplaatsenkaarten. Soms zijn in ARCHIS vindplaatsen met alleen losse vondsten toegeschreven aan een nederzetting, terwijl daadwerkelijke nederzettingssporen ontbreken, of uit later uitgevoerd onderzoek blijkt dat er geen sprake is van een nederzetting. Een dergelijke vindplaats is echter nog wel als nederzetting zichtbaar op de vindplaatsenkaart. De niet-genummerde vindplaatsen in deze catalogus zijn niet bruikbaar voor de verwachtingskaart, omdat hiervan niet bekend is waar ze precies zijn aangetroffen, of omdat het vondstmateriaal van een andere locatie afkomstig is. De vondsten zijn bijvoorbeeld meegekomen met opgespoten zand. Hoe de archeologische inventarisatie is uitgevoerd en hoe de vindplaatsenkaarten tot stand zijn gekomen, staat beschreven in hoofdstuk 2. De synthesen uit de Oogst voor Malta zijn in de afgelopen jaren verschenen. Zij beschrijven de meest recente stand van zaken met betrekking tot archeologisch onderzoek op basis van onderzoeksrapporten uit de periode 1998 tot 2013. Naar deze synthesen zal daarom regelmatig worden verwezen. Hieronder staan de relevante synthesen kort beschreven.

Van Heeringen en Van der Velde beschrijven in hun synthese de bewoningsgeschiedenis van het Hollands duingebied vanaf het laat-paleolithicum tot en met 85 de nieuwe tijd. Uit deze synthese zijn voor Zandvoort de paragrafen over het 86 strandwallenlandschap tussen de Rijnmonding en het Oer-IJ estuarium relevant. 85 86

47

Van Heeringen en Van de Velde 2017. Van Heeringen 2017, 82-92; Van der Velde 2017a, 134; Van der Velde 2017b, 165-169, 182.

Archeologische beleidskaart Gemeente Zandvoort

Verspay (et al.) beschrijft de dorpsvorming gedurende de middeleeuwen en de 87 vroege nieuwe tijd. Uit deze synthese is de beschrijving van de dorpsvorming van 88 Limmen relevant. Hoewel de ontwikkeling van Zandvoort niet te vergelijken is met die van Limmen, staan in de synthese enkele algemene processen met betrekking tot dorpsvorming beschreven die belangrijk zijn voor het algemene kader. Fokkens (et al. 2016) gaat in zijn onderzoek in op de archeologische kennis over het laat-neolithicum tot en met het begin van de midden-bronstijd (2.580 – 1.500 voor Chr.). In dit onderzoek komen geen vindplaatsen uit Zandvoort aan bod. Daarom is dit onderzoek niet meegenomen in deze rapportage. De informatie uit het onderzoek is wel relevant als kennisbron over deze periode.

4.2 Paleolithicum – neolithicum (35.000 – 2.000 voor Chr.) De bewoning kenmerkte zich in deze periode door kampementen waar rondtrekkende groepjes mensen zich tijdelijk vestigden. Zij leefden van de jacht op grote en kleine dieren, van vis en van het seizoensgebonden aanbod van de natuur aan planten, fruit en noten. Vuursteen en bot zijn belangrijke grondstoffen om gebruiksvoorwerpen van te maken. Gedurende de nieuwe steentijd (neolithicum) deden zich grote veranderingen voor. In deze periode deden aardewerk, veeteelt en landbouw hun intrede. Hierdoor veranderde langzamerhand de economische (en culturele) levenswijze. Geleidelijk ging men over naar een meer sedentair bestaan. De eerste neolithische landbouwers vestigden zich in het Zuid-Nederlandse lössgebied (circa 5.300 voor Chr.). In de daarop volgende eeuwen verbreidde het neolithisatieproces zich geleidelijk over de rest van Nederland. Door contacten met de boeren in het zuiden namen de jagers-verzamelaars uit het noorden geleidelijk aan aspecten van deze nieuwe manier van leven over. Zo werd niet alleen de akkerbouw en veeteelt, maar ook het gebruik van aardewerk in andere delen van ons land geïntroduceerd. Daarnaast bleef het jagen en verzamelen een belangrijke bron van voedsel, waardoor tijdelijke kampementen voor deze periode nog steeds 89 zijn te verwachten. Van deze bewoning is in Zandvoort niets terug te vinden.

Eventuele resten uit deze periode zijn door jongere processen verspoeld geraakt en opgenomen in de zee. Sporadisch kunnen vondsten uit de Noordzee worden opgebaggerd. Daar waar de kustlijn middels zandsuppleties is aangepast, kunnen derhalve wel degelijk vondsten uit deze perioden worden aangetroffen. Hiervoor geldt echter dat zij niet in situ aanwezig zijn en derhalve geen vindplaats aanduiden. Ook tussen de schelpen op de talrijke aangebrachte schelppaden binnen de gemeente kunnen vondsten uit deze perioden aanwezig zijn. Ook in dit geval geldt dat het geen in situ vondstmateriaal betreft.

4.3 Bronstijd (2.000 – 800 voor Chr.) De overgang van het neolithicum naar de bronstijd heeft zeer geleidelijk plaatsgevonden. Vuursteen en natuursteen blijven belangrijke grondstoffen voor het vervaardigen van artefacten. Nieuw is het toepassen van eerst koper en later ook brons voor het maken van gereedschappen en wapens. De grondstoffen hiervoor waren niet beschikbaar in de directe omgeving en moesten dus van andere plekken worden gehaald. Ten oosten van Zandvoort zijn buiten de gemeentegrens in het neolithicum twee strandwallen tot ontwikkeling gekomen. Deze strandwallen zijn in het laat-

87

Verspay et al. 2018. Verspay et al. 2018, 203-224. 89 Louwe Kooijmans 2005, 249. 88

Project V-19.0130B

48

90

neolithicum bewoond. Het duinlandschap is in westelijke richting uitgebreid en vanaf de midden-bronstijd komt het gebied binnen de gemeentegrens tot ontwikkeling. Er zijn dus bewoningssporen te verwachten vanaf de middenbronstijd. Binnen de gemeentegrens is tot op heden echter (nog) geen vindplaats uit de bronstijd bekend. Het vermoeden van een akkerlaag uit de prehistorie op basis van een booronderzoek (catalogusnr. 3), is niet bevestigd in een daaropvolgend proefsleuvenonderzoek. De akkerlaag lijkt een boomval te zijn. Er zijn verder geen 91 vondsten en sporen aangetroffen die wijzen op menselijk handelen.

Figuur 4.1 Archeolandschappelijke eenhedenkaart met daarop de bekende vindplaatsen uit de bronstijd.

Voor de bronstijd zijn voor Zandvoort en omgeving, zoals hierboven uiteengezet, weinig gegevens bekend. In het algemeen zijn, vergeleken met de voorgaande periode, iets meer gegevens beschikbaar over de bronstijd. Dit is ook geconstateerd 92 in de Oogst voor Malta. Maar veel is ook nog niet bekend. Van Heeringen en Van der Velde noemen als voorbeeld de erfinrichting, huistypologie en het dodenbestel. Ook is weinig bekend over de locatie van de akkers, die wel vaak zijn waargenomen, ten opzichte van de nederzettingen. Tot slot noemen de auteurs ook het inzicht in

90

Van Heeringen 2017, 82, 88. Salomons 2013, 17. 92 Van Heeringen & Van der Velde 2017, 199. 91

49

Archeologische beleidskaart Gemeente Zandvoort

de relatie tussen de strandwaleconomie en de bewoning en activiteiten in het veengebied achter de strandwallen.

4.4 IJzertijd (800 – 12 voor Chr.) De manier van leven in de ijzertijd verschilt niet wezenlijk van dat van de bronstijd. Een belangrijke nieuwe ontwikkeling is het gebruik van ijzer voor het maken van allerlei soorten gebruiksvoorwerpen. De grondstof hiervoor was wel beschikbaar in de directe omgeving. Onze kennis over de ijzertijdbewoning in het duinlandschap is afkomstig uit onderzoeken die buiten de gemeentegrenzen van Zandvoort hebben plaatsgevonden, zoals in Velsen (in het noorden) en de omgeving van Noordwijk (in het zuiden). Uit Velsen is een huisplattegrond bekend en uit de omgeving van 93 Noordwijk zijn nederzettingssporen en akkerlagen met eergetouwkrassen bekend.

Figuur 4.2 Archeolandschappelijke eenhedenkaart met daarop de bekende vindplaatsen uit de ijzertijd.

Er zijn uit de gemeente Zandvoort meerdere vondstmeldingen bekend die in de ijzertijd dateren, maar er zijn geen onomstotelijke nederzettingsterreinen bekend. Zo is het niet duidelijk waarop de melding en interpretatie, in een lokale krant, van

93

Van Heeringen 2017, 89-90.

Project V-19.0130B

50

een ijzertijdvondst is gebaseerd (catalogusnr. 20). In het zuiden van de gemeente bevinden zich, geconcentreerd, meerdere vindplaatsen waar in het verleden ijzertijdaardewerk is gevonden (catalogusnrs. 5, 6, 7, 9, 10). In 1966 is een profiel gedocumenteerd, waarin drie cultuurlagen uit de ijzertijd zijn herkend. De aanwezigheid van ijzertijdaardewerk kan duiden op een nederzettingsterrein, maar nederzettingssporen zijn hier nog niet gezien. Het terrein rondom deze concentratie 94 vindplaatsen heeft een hoge archeologische waarde. De aardewerkvondsten van catalogusnr. 16 zijn te relateren aan cultuurlagen die op deze locatie in een profiel zijn gedocumenteerd. Het vermoeden van een akkerlaag uit de prehistorie op basis van een booronderzoek (catalogusnr. 3), is niet bevestigd in een daaropvolgend proefsleuvenonderzoek. De akkerlaag lijkt een boomval te zijn geweest. Er zijn 95 verder geen vondsten en sporen aangetroffen die wijzen op menselijk handelen. De kennislacunes die bij de bronstijd staan genoemd, gelden ook voor de ijzertijd: de erfinrichting, de huistypologie, het dodenbestel, de akkers in relatie tot de nederzettingen en de strandwaleconomie.

4.5 Romeinse Tijd (12 voor Chr. – 450 na Chr.) Het grootste deel van de Romeinse tijd volgde de grens van het Romeinse Rijk de loop van de Nederrijn, de Kromme Rijn en de Oude Rijn. Deze grens, de limes, kwam e in de eerste helft van de 1 eeuw na Chr. tot stand en werd bewaakt met behulp van forten en wachttorens. Voordat deze grens zich stabiliseerde, hadden de Romeinen ook gebieden ten noorden van deze grens veroverd. In Velsen werd rond 15 voor e Chr. een fort ingericht, dat in gebruik bleef tot rond het midden van de 1 eeuw na 96 Chr. De komst van de Romeinen moet voor veel mensen gedurende de eerste helft van e de 1 eeuw een enorme invloed hebben gehad op het landgebruik en de bestaanswijze. In plaats van produceren voor alleen de eigen behoefte, werd men ook geacht te produceren voor de militairen. Vanaf het moment dat de Romeinse grens zich stabiliseerde, zal de invloed van de Romeinen ten noorden van die grens zijn afgenomen. Zandvoort ligt ten noorden van de limes en ligt dus buiten de directe invloedssfeer van de Romeinen. Overduidelijke vindplaatsen uit de Romeinse tijd zijn er nauwelijks. Handgevormd aardewerk uit de late ijzertijd en inheems aardewerk uit de Romeinse tijd is echter nauwelijks van elkaar te onderscheiden. Losse vondsten handgevormd aardewerk zijn daarom moeilijker aan een van beide perioden toe te schrijven.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/16481794/1