Bijlage 2b. Archeologische beleidskaart Zandvoort
Tekst van het document
Gemeente Zandvoort Archeologische verwachtings- en beleidskaart
Auteur: drs. M.J. van Putten et. al.
Status: definitief BAAC Rapport V-19.0130B
december 2020
Archeologische Beleidskaart Gemeente Zandvoort
1
Project V-19.0130B
2
Colofon ISSN: Auteur(s):
Cartografie: Redactie: Copyright:
1873-9350 drs. M.J. van Putten drs. J.M.J. Willems drs. M.A. Tolboom ma. N. Warmerdam drs. M.J. van Putten drs. K. Leijnse Gemeente Zandvoort / BAAC bv te ‘s-Hertogenbosch
Autorisatie (senior archeoloog):
drs. K. Leijnse
27-11-2020
© BAAC, ’s-Hertogenbosch (2020) BAAC aanvaardt geen aansprakelijkheid voor eventuele schade voortvloeiend uit de toepassing van de adviezen of het gebruik van de resultaten van dit onderzoek.
BAAC bv Onderzoeks- en adviesbureau voor Bouwhistorie, Archeologie, Architectuur- en Cultuurhistorie Graaf van Solmsweg 103 5222 BS ‘s-Hertogenbosch Tel.: (073) 61 36 219 Fax: (073) 61 49 877 E-mail: denbosch@baac.nl
3
Postbus 2015 7420 AA Deventer Tel.: (0570) 67 00 55 Fax: (0570) 61 84 30 E-mail: deventer@baac.nl
Archeologische beleidskaart Gemeente Zandvoort
Project V-19.0130B
4
Administratieve gegevens
5
Provincie:
Noord-Holland
Gemeente:
Zandvoort
Datum opdracht:
5 april 2019
Datum rapportage:
21 december 2020
Uitvoerder:
BAAC bv, vestiging 's-Hertogenbosch Graaf van Solmsweg 103 5222 BS 's-Hertogenbosch tel. 073-6136219
Projectleider:
drs. M.J. van Putten m.vanputten@baac.nl
Auteurs:
BAAC-projectnummer:
drs. M.J. van Putten drs. M. Tolboom ma. N. Warmerdam drs. J.M.J. Willems V-19.0130B
Beheer documentatie:
BAAC bv te 's-Hertogenbosch
Opdrachtgever:
Gemeente Zandvoort
Archeologische beleidskaart Gemeente Zandvoort
Project V-19.0130B
6
Inhoud Administratieve gegevens
5
Inhoud
7
1
Inleiding 1.1 Aanleiding 1.1.1 Aanleiding tot het laten opstellen van de beleidsadvieskaart 1.2 Wettelijk kader 1.2.1 Algemeen 1.2.2 Monumentenwet 1988 en Wamz 1.2.3 De Erfgoedwet 1.2.4 De Omgevingswet 1.2.5 Verantwoordelijkheden Rijk, Provincie en Gemeente 1.3 Archeologie en ruimtelijke ordening 1.4 Gemeentelijk archeologiebeleid 1.5 Gemeentelijk archeologische verwachtings- en beleidskaart 1.6 Ligging van het gebied 1.7 Leeswijzer
11 11 11 12 12 12 13 14 15 16 17 18 19 19
2
Onderzoeksopzet 2.1 Inleiding 2.2 Archeologische inventarisatie 2.3 Archeolandschappelijke eenhedenkaart 2.4 Archeologische verwachtingskaart 2.5 Verstoringen en gebieden met geringe informatie 2.6 De archeologische beleidskaart 2.7 Beperkingen van een verwachtingskaart
21 21 21 22 23 24 25 25
3
Landschappelijke ontwikkeling 27 3.1 Landschappelijke ontwikkeling 27 3.1.1 Inleiding 27 3.1.2 Ontstaanswijze landschap in vogelvlucht 27 3.1.3 Pleistoceen 28 3.1.4 Holoceen 29 3.1.5 De Jonge Duinen nader belicht 36 3.2 Reconstructie van het landschap voor verschillende archeologische perioden 39 3.2.1 Inleiding 39 3.2.2 Laat-Paleolithicum (35.000 - 8.800 voor Chr.) 40 3.2.3 Mesolithicum - Neolithicum (8.800 – 2.000 voor Chr.) 40 3.2.4 Bronstijd – vroege middeleeuwen (2.000 voor Chr. – 1050 na Chr.) 42 3.2.5 Late-middeleeuwen en Nieuwe Tijd (1050 na Chr. tot heden) 43 3.3 Bodem 43 3.3.1 Inleiding 43 3.3.2 Kalkhoudende duinvaaggronden 44 3.3.3 Kalkhoudende vlakvaaggronden 45 3.3.4 Kalkhoudende enkeerdgronden 45
7
Archeologische beleidskaart Gemeente Zandvoort
3.3.5
Beekeerdgronden
46
4
Bewoningsgeschiedenis 4.1 Inleiding 4.2 Paleolithicum – neolithicum (35.000 – 2.000 voor Chr.) 4.3 Bronstijd (2.000 – 800 voor Chr.) 4.4 IJzertijd (800 – 12 voor Chr.) 4.5 Romeinse Tijd (12 voor Chr. – 450 na Chr.) 4.6 Vroege Middeleeuwen (450 – 1050 na Chr.) 4.7 Late Middeleeuwen en Nieuwe tijd (1050 – heden) 4.8 De historische kernen binnen de gemeente Zandvoort 4.9 De Militaire geschiedenis van Zandvoort 4.9.1 Werkwijze en verantwoording geraadpleegde bronnen 4.9.2 Mobilisatie 1914-1918 4.9.3 De Tweede Wereldoorlog; de Atlantikwall 4.9.4 De Tweede Wereldoorlog; vliegtuigcrashes 4.9.5 De Koude Oorlog
47 47 48 48 50 51 52 55 58 64 64 66 67 70 71
5
Archeologische informatiekaart 5.1 Inleiding 5.2 Inventarisatie van de bekende vindplaatsen 5.2.1 Waarnemingen 5.2.2 Archeologische monumentenkaart 5.3 Inventarisatie van overige bronnen 5.3.1 Archeologische onderzoeken 5.3.2 Historische bronnen
73 73 73 74 76 77 77 78
6
Archeolandschappelijke eenheden- en archeologische verwachtingskaart 6.1 Inleiding 6.2 De Archeolandschappelijke eenhedenkaart 6.2.1 Bodemkaarten 6.2.2 Geomorfologische kaart 6.2.3 Geologische kaart 6.2.4 Actueel Hoogtebestand Nederland 6.2.5 Historische kaarten 6.2.6 Landschappelijke gegevens uit archeologische rapporten 6.2.7 Bodemverstoringen 6.3 Archeolandschappelijke eenheden 6.3.1 Strand 6.3.2 Duinen 6.3.3 Verstoringen 6.4 De archeologische verwachting 6.4.1 Indicatieve Kaart Archeologische Waarden 6.4.2 Het verwachtingsmodel 6.4.3 De gaafheid van vindplaatsen 6.4.4 De verwachtingskaart 6.5 Beperkingen
79 79 79 80 80 80 82 83 83 83 84 84 85 85 86 86 87 89 90 92
Archeologie en beleid 7.1 Inleiding 7.2 Archeologiebeleid in de gemeente Zandvoort
95 95 95
7
Project V-19.0130B
8
8
7.2.1 Werkwijze tot op heden 7.2.2 Voormalig instrumentarium 7.2.3 Bevoegd gezag, nieuw instrumentarium 7.2.4 Verplichtingen en keuzemogelijkheden 7.3 Het archeologische traject 7.3.1 Algemeen 7.3.2 Bureauonderzoek (stap 1) 7.3.3 Inventariserend Veldonderzoek (stap 2) 7.3.4 Behoud (stap 3) 7.3.5 Behoud ex situ 7.3.6 Vrijgeven 7.4 De beleidskaart 7.4.1 Algemeen 7.4.2 Categorie 1 7.4.3 Categorie 2 7.4.4 Categorie 3a 7.4.5 Categorie 3b 7.4.6 Categorie 4a 7.4.7 Categorie 4b 7.4.8 Categorie 5 7.5 Toevalsvondsten 7.6 Vergunningen en vrijstellingen 7.7 Conclusie
96 97 97 98 101 101 102 102 104 106 106 106 106 108 109 110 110 110 111 111 112 112 113
Geraadpleegde bronnen
117
Bijlagen Bijlage 1 Bijlage 2 Bijlage 3 Bijlage 4 Bijlage 5 Bijlage 6 Bijlage 7 Bijlage 8 Bijlage 9 Bijlage 10 Bijlage 11 Bijlage 12
Bijlage 13 Bijlage 14
9
– overzicht van geologische en archeologische tijdvlakken – archeologische informatiekaart – archeologische informatiekaart; details historische kern – historische relictenkaart – historische relictenkaart; details historische kern e – Militaire relicten uit de 20 eeuw – archeolandschappelijke eenhedenkaart – archeologische verwachtingskaart – archeologische verwachtingskaart; details historische kern – beleidskaart – beleidskaart; details historische kern – catalogus A AMK-terreinen B vindplaatsen C historische punten D buitenplaatsen E conflict archeologie F onderzoeken – stappenplan – samenvatting onderzoeksrichtlijnen
Archeologische beleidskaart Gemeente Zandvoort
Project V-19.0130B
10
1
Inleiding
1.1 Aanleiding 1.1.1 Aanleiding tot het laten opstellen van de beleidsadvieskaart De Erfgoedwet is op 1 juli 2016 van kracht geworden. Deze wet bundelt de bestaande wet- en regelgeving voor behoud en beheer van het cultureel erfgoed in Nederland. Het betreft daarbij zowel het roerend als onroerend erfgoed. Samen met de Omgevingswet, die naar verwachting in 2021 zal worden geïmplementeerd, maakt de Erfgoedwet een integrale bescherming van het cultureel erfgoed mogelijk. Met de Erfgoedwet en de Omgevingswet is archeologie een verplicht en geïntegreerd onderdeel van het ruimtelijke besluitvormingsproces geworden. Er is sprake van decentralisatie van taken en verantwoordelijkheden, waarbij de gemeente verantwoordelijk is voor het behoud van het archeologische erfgoed binnen de gemeentegrenzen. Archeologie moet worden meegewogen bij het opstellen van gemeentelijke bestemmingsplannen. Om dit te kunnen bewerkstelligen dienen gemeenten een gemeentelijk archeologiebeleid te ontwikkelen. Hiervoor moeten de gemeenten het bekende en verwachte archeologisch bodemarchief onderbouwd in kaart brengen. Vervolgens dient dit archeologisch bodemarchief middels een dubbelbestemming ‘waarde archeologie’ te worden gekoppeld aan het aanleg-, sloop- en/of bouwvergunningstelsel. Dit aanleg-, sloop- en/of bouwvergunningstelsel dient vervolgens te worden opgenomen in de gemeentelijke omgevingsplannen.
De gemeente Zandvoort is ambtelijk gefuseerd met de gemeente Haarlem. Dit houdt in dat de ambtenaren werk doen voor beide gemeenten. In het kader van de nieuwe omgevingsvisie Zandvoort die door een projectteam wordt opgesteld, worden de archeologen die voor de gemeente Haarlem de archeologische monumentenzorg uitvoeren, hierbij betrokken. Voor de omgevingsvisie en het omgevingsplan is een archeologische verwachtingen-en waardenkaart, alsmede een beleidskaart nodig. In dit kader is aan BAAC (onderzoeks- en adviesbureau voor Bouwhistorie, Archeologie, Architectuurhistorie en Cultuurhistorie) opdracht verleend om een archeologische inventarisatie uit te voeren, waarna een archeologische verwachtings- en beleidskaart voor het gehele grondgebied van de gemeente is opgesteld. Het doel van onderhavig onderzoek is inzicht te krijgen in de aanwezige archeologische waarden én in de kans dat archeologische resten in de ondergrond aanwezig zijn binnen de gemeentegrenzen van Zandvoort om zo te kunnen komen tot een goed onderbouwd gemeentelijk archeologiebeleid. Om tot een archeologische verwachting te komen, zijn de reeds bekende archeologische vindplaatsen en historische relicten binnen de gemeente Zandvoort geïnventariseerd.
Deze vindplaatsen zijn vervolgens vanuit landschappelijk, bodemkundig en geomorfologisch oogpunt geanalyseerd om te kunnen komen tot een archeologische verwachting voor de gehele gemeente. Vervolgens is aan de verschillende verwachtingszones beleid gekoppeld. Dit is op de beleidskaart weergegeven. Waar van toepassing is het onderzoek uitgevoerd conform de
11
Archeologische beleidskaart Gemeente Zandvoort
1
Kwaliteitsnorm Nederlandse Archeologie (KNA), versie 4.1. In hoofdstuk 2 wordt uitgebreid op de gebruikte onderzoeksopzet ingegaan.
1.2 Wettelijk kader 1.2.1 Algemeen Het Europese verdrag inzake de bescherming van het archeologisch erfgoed (beter bekend als het Verdrag van Valletta of Malta, 1992) is in 1998 door de Tweede en Eerste Kamer goedgekeurd. De daaropvolgende implementatie van het verdrag van Malta in de Nederlandse wetgeving heeft in 2007 geleid tot de Wet op de archeologische monumentenzorg (Wamz) die per 1 september van dat jaar van kracht is geworden. Deze wet gaf aan welke wetten gewijzigd dienden te worden, met als belangrijkste de Monumentenwet 1988. De implementatie heeft daarnaast geleid tot aanpassing van enkele andere wetten op aanpalende werkvelden die voor de archeologie relevant zijn, zoals bijvoorbeeld de Ontgrondingenwet, de Woningwet, de Wet ruimtelijke ordening en de Wet algemene bepaling omgevingsrecht (Wabo). Deze wetgeving beoogde dat zo goed en zo vroeg mogelijk rekening wordt gehouden met de aanwezigheid óf mogelijke aanwezigheid van archeologische waarden in de bodem. De Wamz had twee belangrijke uitgangspunten:
Het streven naar behoud van archeologische resten in hun originele context in de bodem (‘in situ’), of, als dit niet mogelijk is, door opgraving en documentatie (‘ex situ’). Degene die nieuwe ontwikkelingen met mogelijk bodemverstorende ingrepen tot stand brengt, is verantwoordelijk voor de inventarisatie en een verantwoord beheer van de bekende en te verwachten archeologische resten in de ondergrond (volgens het principe ‘de verstoorder betaalt’).
1.2.2 Monumentenwet 1988 en Wamz Voor het inwerking treden van de Wet op de archeologische monumentenzorg (Wamz) was de bescherming van monumenten, waartoe ook archeologische monumenten behoren, en stads- en dorpsgezichten geregeld via de Monumentenwet 1988. Dat was ook na het inwerking treden van de Wamz nog het geval. Met het inwerking treden van de Wamz was echter ook sprake van de bescherming van te verwachten archeologische waarden. De uitgangspunten bij de (herziene) Monumentenwet 1988 (na inwerkingtreding Wamz) waren:
1
Het aansluiten op de Wet ruimtelijke ordening door te stellen dat bij vaststelling van een bestemmingsplan rekening gehouden dient te worden 2 met archeologie. Hierbij wordt vanuit de wet 100 m als vrijstellings/ondergrens ten aanzien van de onderzoeksverplichting voor ‘projecten' gehanteerd. In ditzelfde artikel staat echter vermeld dat de gemeenteraad een hiervan afwijkende beargumenteerde andere oppervlakte kan vaststellen; Beleidsuitgangspunt dient behoud en bescherming van het archeologisch erfgoed in situ te zijn door het treffen van technische en/of planologische maatregelen waardoor archeologische waarden in de bodem kunnen worden behouden. Indien dit niet mogelijk is, dan dienen behoudenswaardige vindplaatsen te worden opgegraven; in uitzonderlijke gevallen kunnen in plaats van een opgraving de werkzaamheden archeologisch worden begeleid; Provincies hebben de bevoegdheid om zogenoemde archeologische attentiegebieden aan te wijzen. Dit betreft gebieden binnen het
CCvD 2016.
Project V-19.0130B
12
grondgebied van de provincie die archeologisch waardevol zijn of naar verwachting archeologisch waardevol zijn en die binnen geldende bestemmingsplannen onvoldoende bescherming genieten. Voor die gebieden dient de desbetreffende gemeente binnen een nader vast te stellen termijn een nieuw bestemmingsplan op te stellen, waarbij rekening wordt gehouden met de aanwezige en/of verwachte archeologische waarden. Het verhalen van de kosten verbonden aan het veiligstellen van archeologische waarden op de initiatiefnemer van de geplande ruimtelijke ingreep. Met andere woorden, de verstoorder betaalt; Introductie van marktwerking voor de uitvoering van archeologisch werk en controle van de kwaliteit hiervan middels de introductie van een 2 kwaliteitssysteem;
Het eerste uitgangspunt (aansluiting op de Wet ruimtelijke ordening/Wabo) had (en heeft nog steeds) de meeste gevolgen voor de gemeenten, aangezien hiervoor een gemeentelijke verwachtings- en beleidskaart noodzakelijk is. Ook voor de initiatiefnemer heeft dit punt gevolgen. De bescherming van aanwezige en/of verwachte archeologische waarden wordt namelijk geregeld door het opnemen van regels in het bestemmingsplan ten aanzien van de afgifte van omgevingsvergunningen. In dergelijke regels worden bepaalde voorwaarden gesteld aan het verlenen van vergunningen (bijvoorbeeld een onderzoeksplicht op het gebied van archeologie). De aanvrager van een vergunning zal aan de voorwaarden moeten voldoen voordat de vergunning wordt verleend. Het idee was om de uitvoering van de Wamz zoveel mogelijk te laten aansluiten bij de al bestaande regelgeving met betrekking tot de afgifte van de omgevingsvergunningen op het gebied van bijvoorbeeld milieu en flora en fauna. Op deze wijze diende voorkomen te worden dat de burger geconfronteerd werd met onnodige kosten en tijdverspilling. Zoals in paragraaf 1.2.4 uiteen is gezet, is men echter tot de conclusie gekomen dat de wet- en regelgeving te versnipperd is. Met de implementatie van een nieuwe wet, de Omgevingswet, wordt dit beter geregeld.
Een volgend uitgangspunt van de Wamz dat consequenties had (en nog steeds heeft) voor de initiatiefnemer is het uitgangspunt dat de verstoorder betaalt. Zoals hierboven uiteen is gezet, kan de gemeente de initiatiefnemer van bodemverstorende activiteiten middels een omgevingsvergunning, een afwijking op grond van de Wet ruimtelijke ordening of een besluit ter voorbereiding waarvan een milieueffectrapportage is uitgevoerd, verplichten tot archeologisch onderzoek. De kosten voor dit onderzoek komen voor rekening van de initiatiefnemer. 1.2.3 De Erfgoedwet De bestaande wet- en regelgeving voor behoud en beheer van het cultureel erfgoed in Nederland is per 1 juli 2016 gebundeld in de Erfgoedwet. Daarnaast is een aantal nieuwe bepalingen aan de Erfgoedwet toegevoegd. Samen met de nog te implementeren nieuwe Omgevingswet3 maakt de Erfgoedwet een integrale bescherming van het cultureel erfgoed mogelijk. De Monumentenwet (1988, geactualiseerd in 2007) komt hiermee te vervallen. Voor het onroerend cultureel erfgoed is de implementatie van de Erfgoedwet en de toekomstige implementatie van de Omgevingswet van belang. Het deel van de Monumentenwet 1988 dat direct raakt aan de fysieke leefomgeving, zal opgaan in de Omgevingswet.
2 3
13
Kwaliteitsnorm Nederlandse Archeologie (KNA, meest actuele versie). Naar verwachting in 2021.
Archeologische beleidskaart Gemeente Zandvoort
De essentie van de Erfgoedwet is nog steeds dat waardevolle archeologische resten zoveel mogelijk in de bodem behouden blijven. In een zo vroeg mogelijk stadium van de ruimtelijke planvorming dient daarom rekening te worden gehouden met het aspect archeologie. De uitgangspunten uit het Verdrag van Valletta (of Malta) blijven ook in de Erfgoedwet de basis voor de omgang met de archeologische monumentenzorg. Er zijn echter wel enkele veranderingen danwel aanvullingen doorgevoerd. De belangrijkste verandering ten opzichte van de Wamz betreft de vervanging van de opgravingsvergunning door een wettelijk geregelde certificering voor bedrijven die archeologisch onderzoek uitvoeren. Het is sinds de invoering van de Erfgoedwet verboden om zonder certificaat opgravingen te verrichten.4 Met deze certificering moeten alle opgravende partijen zich aan dezelfde kwaliteitsnormen houden. Ook gemeenten die in eigen beheer archeologische opgravingen willen doen, hebben hiermee te maken. Bedrijven en organisaties die professioneel archeologische opgravingen uitvoeren, kunnen kiezen uit verschillende certificerende instellingen om een certificaat aan te vragen (paragraaf 5.1, art. 5.1 t/m 5.6 van de Erfgoedwet). Het verbod op het verrichten van een opgraving zonder certificaat zou een grote impact hebben op de activiteiten van amateur-archeologen.
In de Erfgoedwet staan daarom voorwaarden vermeld waaronder het is toegestaan om op te graven zonder certificaat. Zo mogen verenigingen van vrijwillige archeologen zelfstandig opgraven op locaties waar de gemeente heeft vastgesteld dat de archeologie niet behoudenswaardig is. Verenigingen van vrijwillige archeologen moeten de start van een opgraving melden bij de RCE, de vondsten overdragen aan het archeologisch depot van de provincie of de betreffende gemeente en rapporteren over hun bevindingen aan de RCE. Ook voor metaaldetectie is een uitzondering in de Erfgoedwet opgenomen. Wanneer een detectoramateur een vondst uit de grond haalt, wordt dat namelijk beschouwd als een opgraving. Hiervoor zou de detectoramateur dan een certificaat in bezit moeten hebben. Omdat de detectoramateurs een waardevolle bijdrage leveren aan de ontwikkeling van archeologische kennis, is echter besloten dat een dergelijke eis buitenproportioneel is. Bodemverstoring van de bovenste dertig centimeter van de bodem (bouwvoor) is derhalve toegestaan. Op deze regel geldt een aantal uitzonderingen, bijvoorbeeld dat metaaldetectie niet is toegestaan op een archeologisch gemeentelijk, provinciaal of rijksmonument. Deze uitzondering geldt overigens ook voor verenigingen van vrijwillige archeologen.
Een tweede verandering ten opzichte van de Wamz is dat het maritieme archeologische erfgoed beter in de Erfgoedwet is ingekaderd. Zo is bijvoorbeeld metaaldetectie onder water, het zogenaamde magneetvissen, verboden in de Erfgoedwet. Voor de gemeente Zandvoort moet hierbij voornamelijk gedacht worden aan de (bekende) scheepswrakken in de Noordzee. Een derde wijziging in de regelgeving ten opzichte van de Wamz is dat de excessieve kostenregeling is geschrapt. Ter compensatie hiervan ontvangen gemeenten bestuurslastenvergoeding en een structurele extra tegemoetkoming excessieve kosten in het Gemeentefonds. Daarnaast is er een nationaal fonds opgezet voor archeologische opgravingen van bijzondere (inter)nationale betekenis.5 1.2.4 De Omgevingswet Het omgevingsrecht bestaat nu nog uit tientallen wetten en honderden regelingen voor ruimte, wonen, infrastructuur, milieu, natuur en water. Al deze wetten en regelingen hebben hun eigen uitgangspunten, procedures en eisen. De rijksoverheid is van mening dat de wetgeving daardoor te ingewikkeld geworden is. Dat kan
4
Aangezien ook archeologisch booronderzoek onder opgraven wordt gerekend, valt booronderzoek ook onder de certificering. 5 RCE 2016.
Project V-19.0130B
14
gevolgen hebben, bijvoorbeeld dat het langer duurt dan nodig is om een project op te starten. De rijksoverheid heeft daarom besloten om het omgevingsrecht makkelijker te maken en samen te voegen in één wet, de Omgevingswet. De nieuwe Omgevingswet moet gaan zorgen voor een samenhangende aanpak van de leefomgeving, ruimte voor lokaal maatwerk en betere en snellere besluitvorming. Daarnaast zal participatie worden bevorderd. Bijvoorbeeld door burgers en ondernemers zo goed mogelijk te betrekken bij de ontwikkeling van de leefomgeving.6 De implementatie van de Omgevingswet heeft echter de nodige vertraging opgelopen. De verwachting is dat de nieuwe wet in 2021 zal ingaan. Een aantal bestaande wetten zullen in hun geheel opgaan in de Omgevingswet. Dit betreft bijvoorbeeld de Wet Ruimtelijke Ordening. Van de (herziene) Monumentenwet 1988 zullen alle onderdelen over omgevingsrecht overgeheveld worden naar de Omgevingswet. Dit betreft een belangrijk deel van de monumentenzorg, namelijk de omgang met archeologie in de fysieke leefomgeving.7 Zo zullen vergunningen tot wijziging, sloop of verwijdering van rijksmonumenten onder de Omgevingswet komen te vallen. Maar ook verordeningen, bestemmingsplannen, vergunningen en ontheffingen op het gebied van archeologie komen onder de nieuwe wet te vallen. Dat zelfde geldt voor de bescherming van stads- en dorpsgezichten.
Eén van de uitgangspunten van de wet is dat decentrale overheden al hun regels over de leefomgeving bijeenbrengen in één gebiedsdekkende regeling. Gebiedsgericht beleid is dus het uitgangspunt voor de nieuwe Omgevingswet. Het omgevingsplan zal voor de gemeenten de gebiedsdekkende regeling moeten gaan vormen. Het omgevingsplan biedt daarmee één integrale, inhoudelijk op elkaar afgestemde set van regels die van toepassing zijn op een locatie. Ook de regelgeving die van toepassing is op archeologie hoort daar bij. In het geval van archeologie zal het hierbij gaan om een actuele beleidskaart met bijbehorende beleidsregels. De beleidskaart (aangevuld met de bestemmingsplanregels) kan bij het inwerking treden van de Omgevingswet worden opgenomen in het omgevingsplan. Hierbij is het wel van belang dat de beleidskaart goed is onderbouwd. 1.2.5 Verantwoordelijkheden Rijk, Provincie en Gemeente
Verantwoordelijkheden Rijk Sinds de wetgeving uit 2007 is er een decentralisatie van taken van de landelijke en provinciale overheden naar de lokale overheden opgetreden. Daarmee is de rol van bevoegde overheid voor gemeenten versterkt, aangezien de gemeenten vanaf toen mede verantwoordelijk zijn voor de (mogelijk aanwezige) archeologische waarden op hun grondgebied. De rijksoverheid heeft echter nog de nodigde verantwoordelijkheden, bijvoorbeeld wanneer monumentale, archeologische of cultuur landschappelijke waarden van nationaal of internationaal belang in het geding zijn. Ook wanneer het Rijk initiatiefnemer is bij projecten blijft zij verantwoordelijk voor het archeologische belang. In het geval van projecten waarvoor een milieu effect rapportage (m.e.r.) dient te worden opgesteld, heeft het Rijk een wettelijke adviesrol. Het Rijk kan gebieden aanwijzen tot beschermd (archeologisch) rijksmonument en kan vergunningen verlenen tot wijziging, afbraak of verwijdering van een dergelijk archeologisch rijksmonument. Het Rijk is tevens verantwoordelijk voor de instandhouding van een centraal archeologisch informatiesysteem (Archis). Tot slot kan het Rijk werk stilleggen. De Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed (RCE) en de Erfgoedinspectie zijn de instanties die (namens de minister van OCW) verantwoordelijk zijn voor bovenstaande taken.
6 7
15
www.rijksoverheid.nl 2020. www.rijksoverheid.nl 2020.
Archeologische beleidskaart Gemeente Zandvoort
Verantwoordelijkheden Provincie Sinds de invoering van de Wamz heeft ook de provincie een aantal verantwoordelijkheden ten aanzien van het archeologische erfgoed toegekend gekregen. Zo is de provincie het bevoegd gezag in het geval van gebieden die onder de Ontgrondingenwet vallen, bij m.e.r. -procedures of in het geval van gebieden die een bovenlokaal karakter hebben (bijvoorbeeld de aanleg van provinciale wegen, landinrichtingsprojecten, waterberging, etc.). De provincie is volgens de wet ook eigenaar van alle vondsten en de opgravingsdocumentatie van archeologisch onderzoek binnen de provincie Noord-Holland. Derhalve is de provincie ook verantwoordelijk voor het beheer, instandhouding en ontsluiting van deze archeologische vondsten en opgravingsdocumentatie. In dit kader is het ‘Huis van Hilde’ te Castricum opgericht. In dit archeologische depot wordt het archeologische erfgoed van de provincie beheerd. De provincie hecht eraan haar verantwoordelijkheid als depothouder op dusdanige wijze in te vullen dat de archeologiecollectie in het ‘Huis van Hilde’ ook voor toekomstige generaties een middel en bron van (wetenschappelijke) studie zal kunnen zijn. De provincie is bevoegd om op verzoek van een gemeente een gemeentelijk depot aan te wijzen binnen de gemeentegrenzen. Daarbij zullen eisen worden gesteld aan bewaarcondities en beheer.
De gemeente Haarlem is, net als bijvoorbeeld de gemeenten Alkmaar, Hoorn en Amsterdam, een voorbeeld van een gemeente met een eigen depot voor bodemvondsten.
Verantwoordelijkheden Gemeenten Gemeenten hebben onder de huidige wetgeving, en behouden ook na de implementatie van de Omgevingswet, een belangrijke rol bij het behoud en het beheer van het ondergrondse cultureel erfgoed. Gemeenten zijn namelijk verplicht bij bodemingrepen van enige omvang rekening te houden met zowel de bekende archeologische waarden als de te verwachten archeologische resten. In de praktijk zal dit meestal gebeuren bij de toetsing van vergunningsaanvragen in het kader van de Omgevingswet, nieuwe planologische ontwikkelingen en bestemmingsplanprocedures. Het bestemmingsplan (vanaf de implementatie van de omgevingswet ‘het omgevingsplan’) moet voorzien zijn van een archeologische paragraaf, waaruit de waarde die aan archeologie wordt gehecht in het bestemmingsplan blijkt. Op de plankaart staat de archeologische verwachting op basis van de beleidskaart aangegeven evenals alle terreinen die als archeologisch monument of gebied van archeologische verwachtingswaarde zijn aangemerkt. In de bestemmingsplanregels zijn archeologie-regels opgenomen waaraan voldaan moet worden. De gemeente heeft een loketfunctie voor initiatiefnemers en dient aan te geven wanneer er een plicht tot archeologisch vooronderzoek bestaat of onder welke voorwaarden een omgevingsvergunning verleend kan worden.
In de regels van het bestemmingsplan dienen zaken als onderzoeksplicht en de voorwaarden waaraan voldaan moet worden voordat een vergunning wordt afgegeven te worden beschreven.
1.3 Archeologie en ruimtelijke ordening Een vroegtijdige inventarisatie van archeologische waarden is in het belang van zowel de initiatiefnemers van een project met bodemverstorende activiteiten als de planontwikkeling. Bij vroegtijdige opsporing kunnen de archeologische waarden immers nog ingepast worden, zodat de kosten voor bijvoorbeeld een opgraving (behoud ex situ) vermeden kunnen worden. Tevens zullen archeologische waarden dan behouden blijven voor toekomstige generaties. Een tijdige opsporing voorkomt dat de daadwerkelijke ontwikkeling van te bebouwen of ontgraven gebieden vertraagd wordt. Het behoud van archeologische waarden brengt bewoners en gebruikers meer historisch besef over hun omgeving bij. Inpassing van bestaande
Project V-19.0130B
16
archeologische waarden in een plan kan een gebied cultuurhistorische identiteit verlenen en daarmee kwaliteit toevoegen aan de openbare ruimte. Bij inpassing kan bijvoorbeeld gedacht worden aan bescherming en behoud van archeologische waarden op een vindplaats (behoud in situ) door er een plantsoen of speelweide overheen aan te leggen. Een eerder gepland gebouw op diezelfde locatie zou bijvoorbeeld in een ander deel van het plangebied gerealiseerd kunnen worden. Behoud kan ook worden gerealiseerd door technische maatregelen te nemen die bodemverstorende ingrepen voorkomen (bv. ophoging, funderen op staal). Naast archeologische waarden moet hierbij ook worden gedacht aan bestaande cultuurhistorische waarden De bodem wordt vaak verstoord in gebieden die planologisch (her)ontwikkeld gaan worden en/of die een nieuwe bestemming krijgen, bijvoorbeeld van natuurgebied naar bedrijventerrein. Dat betekent dat archeologische waarden een grote rol spelen in de procedures bij ruimtelijke ordening. Het betreft vergunningaanvragen voor infrastructurele werken, ontgrondingen en allerhande klein- en grootschalige bouw- of natuurontwikkelingsprojecten die de bodem dieper dan de tot dan toe gebruikelijke verstoringsdiepte van de bovengrond zullen roeren.
Ook grootschalige verlagingen van het grondwaterpeil kunnen mogelijk bedreigend zijn voor het archeologisch erfgoed, omdat door oxidatie van organisch materiaal in de bodem grondsporen kunnen vervagen en kwetsbare materialen als hout, textiel, botresten en leer sneller zullen vergaan. Daarmee verdwijnt informatie die van belang kan zijn voor de interpretatie en reconstructie van archeologische vindplaatsen bij latere opgravingen.
1.4 Gemeentelijk archeologiebeleid Indien uit het gemeentelijk beleid blijkt dat een archeologisch onderzoek is gewenst, dan dient dergelijk onderzoek te worden uitgevoerd conform een Plan van Aanpak (PvA) of een door de gemeente goedgekeurd Programma van Eisen (PvE) 8 dat aan de Kwaliteitsnorm Nederlandse Archeologie (laatste versie) voldoet. Uitzondering hierop vormt de uitvoering van een bureauonderzoek zonder gravend onderzoek. In dat geval is geen PvA noodzakelijk. Naast de richtlijnen van de KNA kan een gemeente ook (aanvullende) richtlijnen opstellen waar het onderzoek aan moet voldoen. Ook deze richtlijnen dienen in het PvA of PvE te worden opgenomen. Op deze wijze wordt voorkomen dat een gecertificeerd uitvoerend bureau het PvE niet kan uitvoeren omdat het niet KNA conform is geschreven. De gemeente kan het PvE zelf opstellen, of, indien de benodigde kennis niet in huis is, dit laten doen. Dit kan door het inhuren van gecertificeerde bedrijven. Dit zelfde geldt voor het goedkeuren van PvE’s die door particulieren worden ingediend. Hoewel niet wettelijk verplicht, is het aan te raden om tevens PvA’s voorafgaand aan het onderzoek door de gemeente goed te (laten) keuren.
Op deze wijze kan voorkomen worden dat een initiatiefnemer het onderzoek opnieuw moet laten uitvoeren nadat de bevindingen van het booronderzoek zijn gerapporteerd omdat het gebruikte PvA niet correct was. De initiatiefnemer laat vervolgens het onderzoek op basis van het goedgekeurde PvA of PvE uitvoeren door een (gecertificeerd) archeologisch bedrijf. Dit resulteert in een rapport waarin een advies is opgenomen (bijvoorbeeld; geen vervolgonderzoek noodzakelijk). De gemeente dient dit rapport te toetsen op de inhoud, maar dient ook na te gaan of het onderzoek conform de richtlijnen van de KNA en het PvA/PvE is uitgevoerd. Indien het rapport voldoet aan alle eisen dient men het in het rapport beschreven advies om te zetten in een besluit. Het besluit mag afwijken van het advies, mits daar gegronde redenen voor zijn. Ook voor het toetsen van archeologische rapporten geldt dat wanneer binnen de gemeente de benodigde
8
Dit is een wettelijke verplichting. Het recht tot goedkeuring van het PvE door de gemeente is in de Kwaliteitsnorm Nederlandse Archeologie (KNA) verankerd.
17
Archeologische beleidskaart Gemeente Zandvoort
kennis ontbreekt, het toetsen kan worden uitbesteed. In hoofdstuk 7 zal nader worden ingegaan op het gemeentelijke beleid. Naast het beschermen van archeologie binnen de gemeentegrenzen, kan de gemeente de bekende archeologische en cultuurhistorische waarden ook gebruiken voor andere doeleinden. Onderzoek naar archeologisch erfgoed levert verhalen op over de geschiedenis van de gemeente. Door dergelijke verhalen voor een groot publiek kenbaar of beleefbaar te maken, kan het historisch besef van de inwoners van de gemeente worden versterkt. Het kenbaar maken van de verhalen van het archeologische erfgoed kan op tal van manieren. Er kan gedacht worden aan het aanleggen van historische en archeologische fiets- of wandelroutes. Ook het plaatsen van educatieve informatieborden ter plaatse van historische en archeologische monumenten, of ter plaatse van bijvoorbeeld de binnen de gemeente nog aanwezige resten uit de Tweede Wereldoorlog, kunnen het verhaal van het archeologische erfgoed verspreiden.
1.5 Gemeentelijk archeologische verwachtings- en beleidskaart Iedere gemeente dient dus over voldoende kennis te beschikken aangaande de archeologie op haar eigen grondgebied, voordat bodemverstorende werkzaamheden al dan niet kunnen worden toegestaan. De Erfgoedwet, samen met de nog te implementeren Omgevingswet, verplicht gemeenten niet alleen om de bekende archeologische waarden, maar ook de te verwachten archeologische waarden binnen hun gemeentelijke grenzen te inventariseren. Essentieel onderdeel hierin vormen de archeologische verwachting- en beleidskaarten. Deze kaarten vormen een cartografische onderbouwing van de (verwachte) voorraad archeologie binnen de gemeente en het archeologische beleid dat hierop is gebaseerd. De beleidskaart wordt in het bestemmingsplan/omgevingsplan geïntegreerd. Beide kaarten dienen actueel gehouden te worden. Het rapport behorende bij de archeologische verwachting- en beleidskaart dient als inhoudelijke onderbouwing van het beleid en kan worden gebruikt bij het toetsen van PvE’s en onderzoeksrapporten. Aangezien in de wet is opgenomen dat informatie over het erfgoed toegankelijk dient te zijn, kan het rapport en de kaart bijvoorbeeld via het internet openbaar worden gemaakt. Geïnteresseerde burgers kunnen het op deze wijze gemakkelijk inzien.
Hierbij kan worden besloten om bepaalde delen van het rapport, bijvoorbeeld de catalogus, niet vrij te geven. Dit om schatgraverij te voorkomen. Bij onderhavig onderzoek is getracht om met de beschikbare middelen en tijd een zo uitgebreid mogelijke inventarisatie van de bekende archeologische waarden, maar ook van de te verwachten archeologische waarden, uit te voeren om te komen tot een archeologische verwachting- en beleidskaart waarmee de gemeente kan voldoen aan de Erfgoed- en Omgevingswet. Het uitgangspunt hierbij is dat zodra bekend is wat er binnen de gemeentelijke grenzen aanwezig is en verwacht kan worden, het mogelijk wordt een voor burgers en private partijen transparant beleid te formuleren met betrekking tot de inventarisatie, de selectie van te behouden archeologische waarden, het behoud en het beheer van archeologische waarden. Dit beleid is het uitgangspunt bij het nemen van weloverwogen beslissingen bij de vergunningsprocedures. De archeologische verwachting- en beleidskaart van de gemeente Zandvoort is tot stand gekomen vanuit de ambtelijke samenwerking tussen de gemeente Zandvoort en de gemeente Haarlem en is door BAAC vervaardigd. De inhoudelijke regie bij de totstandkoming van de archeologische verwachting- en beleidskaart lag bij de archeologen van de gemeente Haarlem.
Project V-19.0130B
18
1.6 Ligging van het gebied Het onderzoeksgebied betreft het gehele grondgebied van de gemeente Zandvoort en beslaat een oppervlak van circa 4.397,1 ha. Figuur 1.1 geeft het gemeentelijk grondgebied weer, inclusief de ligging van de verschillende kernen.
Figuur 1.1 Het grondgebied van de gemeente Zandvoort.
De gemeente telt twee kernen, te weten de dorpen Zandvoort en Bentveld. In het noorden en oosten grenst de gemeente Zandvoort aan de gemeente Bloemendaal. In het zuiden vormen de gemeenten Noordwijk en Noordwijkerhout de buurgemeenten. In het westen grenst de gemeente aan de Noordzee. Alle aangrenzende gemeenten maken gebruik van hun eigen archeologische beleidskaart.9
1.7 Leeswijzer In onderliggende rapportage staan de resultaten van het onderzoek beschreven. Dit rapport vormt derhalve de onderbouwing van de archeologische verwachting en de landschapsreconstructie zoals deze in de als bijlage toegevoegde kaarten zijn weergegeven. In hoofdstuk 2 wordt aangegeven welke bronnen zijn gebruikt bij het tot stand komen van de diverse kaarten. In hoofdstuk 3 wordt de ontwikkeling van het natuurlijke landschap geschetst waarbij ook wordt aangegeven hoe het landschap er in de verschillende archeologische perioden uitzag en welke bodemkundige eenheden relevant waren voor de bewoningsgeschiedenis. In hoofdstuk 4 wordt globaal de bewoningsgeschiedenis van het gebied beschreven. Daarbij worden achtereenvolgens de verschillende relevante archeologische perioden behandeld. Bij middeleeuwen en nieuwe tijd is zoveel van het landschap en de bewoningsgeschiedenis bekend dat hier wat nader op kan worden ingegaan. Daarbij worden ook de twee dorpskernen beschreven. In dit hoofdstuk is tevens een paragraaf gewijd aan het militaire erfgoed binnen de gemeente Zandvoort, waarbij de nadruk gelegen is op de Tweede Wereldoorlog. Vervolgens komt de inventarisatie van de bestaande archeologische waarden binnen de gemeente aan bod (hoofdstuk 5), op basis waarvan de archeologische informatiekaart is gemaakt
9
De tijdens dit project vervaardigde kaarten zijn vergeleken met de kaarten van naastgelegen gemeenten.
19
Archeologische beleidskaart Gemeente Zandvoort
(bijlage 2). In hoofdstuk 6 wordt uitgelegd hoe de archeolandschappelijke eenhedenkaart en de verwachtingskaart (bijlagen 7 en 8) tot stand zijn gekomen. Vervolgens wordt in hoofdstuk 7 ingegaan op het beleidskader dat is gekoppeld aan de beleidskaart. Tenslotte is er een lijst met de geraadpleegde bronnen zoals literatuur, kaartmateriaal en websites. De vindplaatsen en objecten die in de tekst worden genoemd en op de verschillende kaarten staan afgebeeld zijn voorzien van een nummer. Dit nummer verwijst naar een lijst met objecten die als bijlagen zijn toegevoegd. Hierin worden alle vindplaatsen genoemd die reeds bekend zijn (bijlage 12B) of op basis van historische en cartografische bronnen vermoed worden (bijlagen 12C en 12D). Ook voor alle binnen de gemeente aanwezige AMK-terreinen is een catalogus (bijlage 12A). Er is tevens een catalogus voor de militaire relicten binnen de gemeente (bijlage 12E) als ook voor de binnen de gemeente uitgevoerde archeologische onderzoeken (bijlage 12F).
Project V-19.0130B
20
2
Onderzoeksopzet
2.1
Inleiding
Om tot een gemeentelijke archeologische verwachtings- en beleidskaart te komen is het onderzoek opgesplitst in een aantal fasen. In de eerste fase is een inventarisatie gemaakt van de binnen de gemeente bekende archeologische waarden. Dit heeft geresulteerd in een archeologische informatiekaart. Tevens is in deze fase een historische relictenkaart gemaakt, waarbij historische elementen zijn ingetekend op basis van historisch kaartmateriaal. Ook is een aparte kaart gemaakt met betrekking tot relicten uit de Tweede Wereldoorlog. Vervolgens is een inventarisatie gemaakt van de landschappelijke en geomorfologische opbouw van het gebied, waarbij de onderverdeling van het landschap in verschillende geomorfologische zones een belangrijke rol speelt (fase 2). Dit heeft geresulteerd in een archeolandschappelijke eenhedenkaart. De inventariserende fasen 1 en 2 vormen een hulpmiddel om te kunnen komen tot het opstellen van een archeologisch verwachtingskaart (fase 3). Deze kaart is namelijk opgesteld op basis van de relatie tussen landschappelijke ligging en de locatie van archeologische waarden, gecombineerd met locatiekeuzefactoren. Tot slot is aan de verschillende verwachtingseenheden een bepaald beleid gekoppeld, waarmee een archeologische beleidskaart is ontstaan (fase 4). In de navolgende paragrafen wordt per fase een uitgebreide beschrijving van de werkwijze weergegeven.
2.2
Archeologische inventarisatie
Allereerst is een overzicht gemaakt van de bekende archeologische waarnemingen en vondstmeldingen binnen de gemeente Zandvoort. Hiervoor zijn diverse bronnen geraadpleegd, waaronder het ARCHeologisch Informatie Systeem (ARCHIS) van de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed (RCE), gegevens uit het analoge en digitale archief archeologie van de gemeente Haarlem en gegevens uit de literatuur. Alle bekende waarnemingen zijn geanalyseerd op betrouwbaarheid (mogelijk alleen administratief geplaatst, mogelijk inmiddels verstoord). De gegevens zijn verzameld in een database en op de archeologische informatiekaart (bijlage 2) weergegeven. Ook de bekende archeologische waarden zijn op de archeologische informatiekaart weergegeven. Het gaat hierbij om AMK-terreinen.10 Daarnaast zijn de binnen de gemeente uitgevoerde archeologische onderzoeken op de archeologische informatiekaart geplot. Er is een aparte historische relictenkaart gemaakt waarop de historische elementen binnen de gemeente Zandvoort zijn weergegeven (bijlage 4). Hierbij moet gedacht worden aan laat- en postmiddeleeuwse elementen als dorpskernen, kerken, erven, buitenplaatsen, etc. De grenzen van de historische kern van Zandvoort zijn gebaseerd op de eerste kadastrale kaarten uit het begin van de
10
21
Dit betreft terreinen waarvan de archeologische waarde middels onderzoek is vastgesteld.
Archeologische beleidskaart Gemeente Zandvoort
de
11
19 eeuw. Ook de bebouwing in het buitengebied zoals deze aanwezig was op dat kaartmateriaal is weergegeven. e Daarnaast is een aparte kaart vervaardigd waarop de militaire relicten uit de 20 eeuw zijn weergegeven (bijlage 6). Het betreft voornamelijk relicten uit de Tweede Wereldoorlog. Deze kaart is door een specialist conflictarcheologie opgesteld.12 Voor de inventarisatie van deze gegevens is gebruik gemaakt van een verscheidenheid aan bronnen (zie paragraaf 4.9). Alle bekende vindplaatsen en terreinen zijn geprojecteerd op de topografische ondergrond, waarbij elke archeologische vindplaats dan wel cultuurhistorische relict genummerd is. Deze nummers verwijzen naar een database waarin de verschillende terreinen kort worden beschreven. Op deze wijze is een betrouwbaar overzicht van de tot nu toe bekende archeologische waarden en tal van historische elementen binnen de gemeente Zandvoort gecreëerd
2.3
Archeolandschappelijke eenhedenkaart
In fase 2 is de landschappelijke en geomorfologische opbouw van het gebied geanalyseerd. De archeologische verwachting in een gebied kan namelijk worden opgesteld aan de hand van de landschappelijke kenmerken van een gebied. Immers, mensen hadden in het verleden een sterke voorkeur voor bepaalde delen in het landschap. Met name overgangsgebieden tussen hooggelegen, droge locaties en laaggelegen natte locaties waren ideale plekken voor bewoning. Hier had men op korte afstand beschikking over (drink)water en ook voedsel was hier volop aanwezig. Relatief hoog gelegen terreinen in een laag gelegen en natte omgeving zoals strandwallen en duinen in de kustzone zijn daarom vanuit archeologisch oogpunt interessant. Daarnaast zijn ook de (hooggelegen) jonge (middeleeuwse) stuifduinen van belang, aangezien dergelijke jonge duinen het oudere duinlandschap afdekken. Een dergelijk stuifpakket heeft een conserverend effect op eventueel aanwezige onderliggende archeologische resten, die buiten bereik liggen van oppervlakkige bodemverstoringen als ploegen en graafwerkzaamheden in het kader van natuurverbetering. Vanwege de sterke relatie tussen landschappelijke ligging en bodemtype wordt bij de vervaardiging van archeologische verwachtingskaarten over het algemeen gebruik gemaakt van (gedetailleerde) bodemkaarten en geomorfologische kaarten.
In het verleden is gebleken dat bepaalde bodemtypen een goede indicatie zijn voor het voorspellen van de aanwezige (tot nu toe niet ontdekte) archeologische waarden. Een bepaald bodemtype kan dus in grote mate voorspellend zijn voor het al dan niet aanwezig zijn van archeologische waarden, zodat aan dat bodemtype een bepaalde archeologische verwachting kan worden toegekend. Zo is ook de landelijke Indicatieve Kaart van Archeologische Waarden (IKAW) voor de dekzandlandschappen grotendeels gebaseerd op de bodemkaart met schaal 1:50.000. In het geval van de gemeente Zandvoort is het gebruik van de bodemkaart echter minder relevant. Vanwege de relatief geringe ouderdom van het landschap (jonge duinen gevormd gedurende de middeleeuwen en de nieuwe tijd) bestaat het grondgebied van Zandvoort voornamelijk uit vaaggronden (bodems met een zeer beperkte bodemontwikkeling). Dergelijke bodems zijn vanwege de geringe vruchtbaarheid over het algemeen minder geschikt voor bewoning. Afgaande op de bodemkaart zou het grootste deel van de gemeente Zandvoort derhalve minder geschikt zijn voor bewoning. De binnen de gemeente aangetroffen vindplaatsen vertellen echter een ander verhaal. Dit is het gevolg van het feit dat bij de bodemkarteringen slechts de bovenste 120 centimeter wordt behandeld.
Zoals reeds vermeld bestaat het plangebied echter grotendeels uit Jonge Duinen waarvan de dikte kan oplopen tot enkele tientallen meters. Dit Jonge Duinzand (waarin 11 12
RCE 2019b. ma. N. Warmendam, werkzaam bij BAAC.
Project V-19.0130B
22
vaaggronden zijn ontwikkeld) bedekt een ouder duinlandschap. Op dit oudere (premiddeleeuwse) landschap heeft wel degelijk bewoning plaatsgevonden. Vandaar dat bij de totstandkoming van de archeolandschappelijke eenhedenkaart van de gemeente Zandvoort gebruik is gemaakt van de Vereenvoudigde Geologische Kaart van Haarlem en Omgeving,13 in combinatie met het Actueel Hoogtebestand van Nederland. In hoofdstuk 6 zal hier nader op worden ingegaan. Om te kunnen komen tot een zo gedetailleerd mogelijke archeolandschappelijke eenhedenkaart voor de gemeente Zandvoort is gebruik gemaakt van de volgende bronnen: -
Bodemkaart, schaal 1:50.000;14 Geomorfologische kaart, schaal 1:50.000;15 Vereenvoudigde Geologische Kaart van Haarlem en Omgeving, schaal 1:50.00016 Actueel Hoogtebestand Nederland, versie 3: Landschappelijke gegevens die vermeld staan in de diverse archeologische rapporten; Literatuur over de ontwikkeling van het landschap gedurende het Holoceen.
Bovenstaande gegevens hebben geresulteerd in een vereenvoudigde kaart waarop de verschillende landschappelijke eenheden zijn aangegeven die van invloed zijn geweest op de bewoningsgeschiedenis. Op de Archeolandschappelijke eenhedenkaart (bijlage 7) is het duinlandschap binnen de gemeente Zandvoort onderverdeeld in zes eenheden.
2.4
Archeologische verwachtingskaart
Om te kunnen komen tot een archeologische verwachtingskaart is een analyse gemaakt waarbij is onderzocht waar de bekende archeologische waarnemingen op deze nieuw gemaakte landschapseenhedenkaart zich bevinden. Zoals in paragraaf 2.3 al kort is genoemd liggen archeologische vindplaatsen namelijk niet willekeurig verspreid door het landschap, maar blijken ze veelal te liggen in landschappelijke zones die in het verleden geschikt waren voor bewoning. Hierdoor zijn gebieden aan te wijzen waar veel archeologische vindplaatsen dicht bij elkaar liggen, terwijl in andere gebieden tot op heden nauwelijks archeologische resten zijn gevonden. Op basis van kennis over de relatie tussen het nederzettingspatroon en het landschap kunnen voorspellingen worden gedaan over de plaatsen waar nederzettingen aangetroffen kunnen worden. Dergelijke voorspellingen zijn vooral belangrijk voor de perioden tot de late middeleeuwen, waarvoor historische bronnen (zeer) schaars zijn (Romeinse tijd/vroege middeleeuwen) of ontbreken (prehistorie) en cartografische bronnen geheel ontbreken. Voor de late middeleeuwen zijn meer historische bronnen beschikbaar (al is uit deze periode geen kaartmateriaal beschikbaar) terwijl voor de nieuwe tijd relatief veel historische bronnen en kaartmateriaal beschikbaar is.
De analyse heeft geleid tot een archeologische verwachtingskaart waarbij vlakdekkend en op perceelsniveau zichtbaar is welke archeologische verwachting er geldt voor een bepaald terrein. Deze verwachting is een weergave van het verwachtingsmodel dat op basis van de voorgaande fasen is opgesteld. Op de gebruikte modellen zal in hoofdstuk 6 uitgebreid worden ingegaan. Het verschil 13
RGD 1995. Staring Centrum 1992. 15 DLO-Staring Centrum/RGD 1993. 16 RGD 1995. 14
23
Archeologische beleidskaart Gemeente Zandvoort
tussen de verschillende verwachtingszones is een verschil in dichtheid van te verwachten archeologische vindplaatsen. In een zone met een hoge archeologische verwachting is, op basis van de huidige kennis binnen de archeologische wetenschap, een grotere dichtheid aan archeologische vindplaatsen te verwachten dan in zones met een lage verwachting. De verwachtingszones doen echter geen uitspraak over de potentiële waarde van eventuele vindplaatsen. Deze waarde is namelijk afhankelijk van verscheidene parameters, zoals de gaafheid van de vindplaats maar ook de mate waarin het type vindplaats binnen de regio voorkomt. Met behulp van de verwachtingen per landschapseenheid is de ‘Archeologische verwachtingskaart’ tot stand gekomen (bijlage 8). De archeologische verwachtingskaart bestaat uit de archeologische verwachtingslaag, geprojecteerd op de topografische ondergrond. De archeologische verwachtingslaag is onderverdeeld in zes zones, te weten;
2.5
een zone met een hoge verwachting. Hieronder vallen de gebieden waar vondstmateriaal in de directe nabijheid is aangetroffen, waar historische elementen aanwezig zijn, waar relicten uit de Tweede Wereldoorlog worden verwacht en gebieden die op basis van het model een hoge verwachting toegekend hebben gekregen. een zone met een hoge verwachting vanaf een hoogte van 6,0 m + NAP en lager een zone met een middelhoge verwachting (op basis van het model) een zone met een middelhoge verwachting vanaf een hoogte van 6,0 m + NAP en lager een zone met een lage verwachting een zone zonder verwachting (verstoord)
Verstoringen en gebieden met geringe informatie
De verwachtingskaart betreft de archeologische verwachting in de situatie waarbij de oorspronkelijke ondergrond niet is aangetast. Door allerlei graafwerkzaamheden in het recente verleden zoals ontgrondingen, afgravingen, egalisatie en bebouwing is de oorspronkelijke ondergrond, en daarmee de mogelijk aanwezige archeologische resten, plaatselijk verstoord. Waar mogelijk zijn deze gebieden op de verwachtingskaart weergegeven. Hierbij is onderscheid gemaakt in verschillende maten van verstoring. Zo zijn gebieden onderscheiden waar geen archeologie meer wordt verwacht als gevolg van deze verstoringen. In dit geval betreft het voornamelijk de tot grote diepte afgegraven waterwegen, maar ook terreinen waar al opgravingen hebben plaatsgevonden. Er zijn echter ook verscheidene gebieden onderscheiden waarvan bekend is dat het terrein is afgegraven, maar waarvan onduidelijk is of hierbij het archeologisch relevante niveau is verstoord. Dit betreft voornamelijk ontgravingen in de Jonge Duinen. Om deze verstoringen in kaart te kunnen brengen zijn de volgende gegevens gebruikt; -
-
Actueel Hoogtebestand Nederland: Op het AHN-3 zijn terreinen met onnatuurlijke lineaire of rechthoekige structuren zichtbaar die lager liggen dan omringende terreinen. Dit betekent dat de bodem in dergelijke percelen afgegraven of geëgaliseerd is. gegevens die staan aangegeven op de bodem- en geomorfologische kaart.
Zoals vermeld is het op basis van de beschikbare gegevens in veel gevallen niet mogelijk na te gaan in welke mate de graafwerkzaamheden invloed hebben gehad op de eventuele archeologische resten. Zo kunnen dieper gelegen resten ter plaatse van de jonge duinen soms toch nog goed bewaard zijn gebleven. Om die reden
Project V-19.0130B
24
hebben de verstoringsgegevens geen invloed op de archeologische verwachting. De informatie kan echter wel van nut zijn bij het bepalen van de werkwijze die noodzakelijk is bij het opsporen van eventuele archeologische resten.
2.6 De archeologische beleidskaart Aan zowel de bekende archeologische waarden als de verwachtingszones (bv. middelhoge verwachting) is in fase 4 een beleid gekoppeld, resulterend in een beleidskaart (bijlage 10). Middels deze beleidskaart kan worden nagegaan hoe om te gaan met terreinen van een bepaalde archeologische waarde/verwachting in het ruimtelijk beleid, zodat eventueel aanwezige archeologische waarden in de bodem op een juiste en zorgvuldige manier worden behandeld. De archeologische beleidskaart moet gebruikt worden als dubbelbestemming op de bestemmingskaart/omgevingsplankaart. De beleidskaart is grotendeels een rechtstreekse afgeleide van de archeologische verwachtingskaart. De verschillende landschappelijke eenheden zijn op basis van hun gemeenschappelijke verwachting samengevoegd tot een aantal categorieën waaraan beleid is gekoppeld. Er is echter een aantal categorieën toegevoegd. Het betreft hier uiteraard de gebieden met een bekende archeologische waarde (AMKterreinen). Maar ook zijn enkele historische elementen aan deze kaart toegevoegd. Sommige cultuurhistorische waarden (zoals bijvoorbeeld de historische kern, maar ook puntlocaties als kerken) zijn (potentiële) archeologische vindplaatsen. Vandaar dat cultuurhistorie en archeologie niet los van elkaar kunnen worden gezien.
Zo zijn op de beleidskaart zones gemarkeerd met een bepaalde archeologische verwachting, gebaseerd op de aanwezigheid van een cultuurhistorisch element. Hierbij moet bijvoorbeeld worden gedacht aan een zone rond een kerk of een oud erf waarvan vermoed wordt dat deze een middeleeuwse oorsprong heeft. De beleidskaart is onderverdeeld in een achttal categorieën waaraan beleid is gekoppeld. Het betreft de volgende categorieën, geprojecteerd op de topografische ondergrond: -
-
Categorie 1; deze categorie bestaat uit een bufferzone rondom de huidige protestantse kerk in Zandvoort (middeleeuwse oorsprong). Categorie 2; deze categorie bestaat uit de zones met een hoge verwachting op relicten uit de Tweede Wereldoorlog, het AMK-terrein en een bufferzone rond alle bekende relevante vindplaatsen, zoals waarnemingen, historische erven, buitenplaatsen en de voormalige renbaan. Categorie 3a; deze categorie bestaat uit de gebieden met een hoge verwachting. Categorie 3b; deze categorie bestaat uit de gebieden met een hoge verwachting, afgedekt met een (dik) pakket jonge duinen. Categorie 4a; deze categorie bestaat uit de gebieden met een middelhoge verwachting. Categorie 4b; deze categorie bestaat uit de gebieden met een middelhoge verwachting, afgedekt met een (dik) pakket jonge duinen. Categorie 5; deze categorie bestaat uit gebieden met een lage verwachting, vrijgegeven terreinen en afgegraven gebieden.
Per bovenstaande eenheid is het betreffende beleid beknopt op de kaart weergegeven.
2.7 Beperkingen van een verwachtingskaart De in onderhavig rapport beschreven archeologische landschaps- en verwachtingskaart en de hiervan afgeleide beleidskaart zijn met de grootst mogelijke zorgvuldigheid tot stand gekomen en zijn gebaseerd op de huidige archeologische kennis. Zo is bijvoorbeeld middels archiefonderzoek veel moeite 25
Archeologische beleidskaart Gemeente Zandvoort
gedaan om de ARCHIS-gegevens aan te vullen met vindplaatsen die (nog) niet waren geregistreerd. Dit wil echter niet zeggen dat hiermee alle bekende vindplaatsen ook daadwerkelijk zijn gelokaliseerd. Mogelijk zijn in het verleden amateur-archeologen actief geweest die inmiddels zijn overleden en waarvan de collecties in de vergetelheid zijn geraakt. Mogelijk is tijdens werkzaamheden een vindplaats blootgelegd, zonder dat dit is doorgegeven aan het bevoegd gezag. Dit soort eventueel verlies aan data is niet te voorkomen, ook al gezien de beperkte hoeveelheid tijd die beschikbaar is voor een dergelijk onderzoek. Dit houdt impliciet in dat de verwachtingskaart ook niet 100% betrouwbaar kan zijn. Het woord verwachting zegt het ook al, het betreft een zo goed mogelijk onderbouwde verwachting. Zonder een waardestellend veldonderzoek kan niet met zekerheid worden vastgesteld of er wel of geen archeologische waarden in de bodem aanwezig zijn. De verwachtingskaart is een instrument om eventuele archeologische waarden zo goed mogelijk te beschermen. Het kan echter voorkomen dat in een gebied, waaraan om allerlei beargumenteerde redenen een lage verwachting is gekoppeld, tijdens bouwwerkzaamheden toch belangrijke archeologische waarden aanwezig blijken te zijn.
Bijvoorbeeld omdat er sprake is van kennislacunes, als gevolg waarvan de huidige theorieën niet altijd volledig genoeg zijn om tot de juiste verwachting te kunnen komen. Ook de aanwezigheid van bebouwing in de dorpen maken het ‘voorspellen’ van de aanwezigheid van archeologische resten erg moeilijk. Dit geldt eveneens voor het voorspellen van de gaafheid van een eventuele archeologische vindplaats. In de dorpskernen kan namelijk sprake zijn van verstoring vanwege de aanwezige bebouwing. De mate van deze verstoring kan tijdens het bureauonderzoek mogelijk middels een bouwdossieronderzoek achterhaald worden. Dit is tijdens onderhavig onderzoek niet op perceels-/adresniveau uitgevoerd. De aanwezigheid van archeologische resten en de gaafheid hiervan kan dus alleen op basis van archeologisch onderzoek worden vastgesteld. Het is goed om hiervan bewust te zijn bij het gebruik van een archeologische beleidskaart. Planontwikkelingen waarbij bodemverstorende activiteiten zullen plaatsvinden, dienen vanuit archeologisch oogpunt bij voorkeur voornamelijk in gebieden met een lage tot geen verwachting te worden gepland. Zoals hierboven is uiteengezet betekent dit echter niet dat op dergelijke locaties geen archeologische resten aanwezig zijn. De verwachting is dat de kans op archeologie hier minder groot is dan in zones met een middelhoge of hoge archeologische verwachting.
Project V-19.0130B
26
3
Landschappelijke ontwikkeling
3.1 Landschappelijke ontwikkeling 3.1.1 Inleiding De bodemopbouw is sterk gerelateerd aan het landschap waar men zich bevindt. De afzettingen waarin de bodem is gevormd (moedermateriaal) en de grondwaterstand hebben grote invloed op de bodemvorming. De verspreiding van archeologische vindplaatsen vertoont over het algemeen een duidelijke relatie met het landschap en de bodemgesteldheid. Bewoning vindt voornamelijk plaats op de hoger gelegen en daarmee de drogere delen van het landschap. In de periode dat de mensen als jagers en verzamelaars leefden (paleolithicum tot neolithicum, bijlage 1), vormden met name de overgangen in het landschap gunstige bewoningslocaties, vanwege de aanwezige biodiversiteit. In de periode dat mensen als landbouwers leefden (neolithicum tot en met nieuwe tijd, bijlage 1), was naast de beschikbaarheid van water ook de natuurlijke bodemvruchtbaarheid belangrijk voor locatiekeuze en de meer permanente vestiging van nederzettingen. De gemeente Zandvoort bevindt zich geheel binnen de archeoregio ‘Het Hollands Duingebied’.17 Een archeoregio is een regio met vergelijkbare landschappelijke en archeologische kenmerken.
De gebieden binnen een archeoregio kunnen bij de bepaling van de archeologische verwachting onderling vergeleken worden.18 Komen in een gebied veel vindplaatsen op een bepaald bodemtype of op een bepaalde landschapsvorm voor, dan geldt dat meestal ook voor de overige gebieden binnen de archeoregio. De provincie Noord-Holland heeft, los van de nationale archeoregio’s, enkele ‘regio’s van archeologisch belang’ aangewezen. De gemeente Zandvoort valt geheel binnen de regio ‘Het Zuidelijk Duingebied’.19 Om te kunnen komen tot een archeologische verwachtingskaart dient eerst inzicht te worden verkregen in de landschappelijke ontwikkeling van het gebied voor de verschillende archeologische perioden. In het licht van bovenstaande zal in de volgende paragrafen worden ingegaan op het ontstaan van het landschap binnen de gemeente Zandvoort. Tevens zullen de meest voorkomende bodems binnen de gemeentegrenzen kort worden behandelt. 3.1.2 Ontstaanswijze landschap in vogelvlucht Het huidige landschap van West Nederland, en daarmee ook het grondgebied van de gemeente Zandvoort, is ontstaan gedurende het Holoceen, de laatste 11.650 jaar van de geologische geschiedenis. Dat wil echter niet zeggen dat er in de periode hiervoor, het Pleistoceen, niets is gebeurd. Van dat oude landschap is binnen de gemeente Zandvoort aan het oppervlak echter niets meer te herkennen.