CConstaterende datZandvoort
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage 1 Bestemmingsplan Bentveld

Raadscommissie 14 juni 2022, gemeente ZandvoortBij agendapunt: Bestemmingsplan Bentveld25.816 woorden

Open het PDF bij iBabs ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 3

(vastgesteld)

33

Bestemmingsplan Bentveld

Afbeelding 11: bestemming duinvilla's achter Duinrooslaan

4.1.3

Erfbebouwing

Ten aanzien van de mogelijkheden van erfbebouwing is aangesloten bij de toetsingscriteria voor het verlenen van afwijkingen van het bestemmingsplan die het college op 2 april 2013 heeft vastgesteld ten behoeve van opbouwen, bijbehorende bouwwerken, dakkapellen, het splitsen van grote woningen en aan huis verbonden beroepen en bedrijven. Conform het vigerende bestemmingsplan wordt er voor percelen met een oppervlak van 2000 m2 en groter een uitzondering gemaakt ten aanzien van de maximale oppervlakte aan erfbebouwing. Erfbebouwing mag in principe binnen en buiten het bouwvlak worden opgericht, voortuinen dienen vrij te blijven van bebouwing. Voor duinvilla's geldt een uitzonderingsregel ten aanzien van erfbebouwing. Alle bebouwing dient hier, inclusief de erfbebouwing, binnen het (ruime) bouwvlak te worden opgericht. De volgende oppervlaktes zijn van toepassing:  De gezamenlijke oppervlakte van bijgebouwen, aan- en uitbouwen en overkappingen per bouwperceel mag buiten het bouwvlak niet meer dan 35% van het erf bedragen, met een maximum van 50 m2.  Voor bouwpercelen met een oppervlakte van 2000 m2 en groter wordt een uitzondering gemaakt tot maximaal 100 m2 aan erfbebouwing. Delen van het perceel die zijn bestemd voor natuur worden in dat geval niet meegerekend.

34

(vastgesteld)

Bestemmingsplan Bentveld

4.2

Functioneel

4.2.1

Wonen

Ten aanzien van de bestaande bebouwing staat behoud en zo mogelijk versterking van de woonfunctie en van de huidige kwaliteit van het wonen voorop. Uiteraard is er in het licht van veranderende behoeftepatronen ruimte voor kwaliteitsverbetering en aanpassing van woningen aan de eisen van de tijd. Binnen de bestemming "Wonen" is daarom de regeling van "aan-huis-verbonden beroepen" opgenomen. Dit conform de gemeentelijke regeling die vastgelegd is in de "toetsingscriteria voor het verlenen van afwijkingen van het bestemmingsplan ten behoeve van opbouwen, bijbehorende bouwwerken, dakkapellen, het splitsen van grote woningen en aan huis verbonden beroepen en bedrijven" zoals beschreven in paragraaf 3.3.3. Bepaald is dat de goot- en bouwhoogte van de woningen respectievelijk 6 en 10 meter mag bedragen. De gemeente heeft door middel van de retrospectieve toets onder andere de aanwezige bebouwing op zorgvuldige wijze in beeld gebracht. Op diverse plaatsen is er voor gekozen om strijdige situaties met het vorige bestemmingsplan en met de algemene regels van dit nieuwe bestemmingsplan niet specifiek aan te duiden of te bestemmen. Niet is uit te sluiten dat sinds de laatste vaststelling van het bestemmingsplan met een afwijkingsprocedure legaal bouwwerken tot stand zijn gekomen.

Deze bouwwerken kunnen wat betreft de maatvoering afwijken van de thans in het bestemmingsplan opgenomen maximale goot- en bouwhoogte. Om te voorkomen dat deze legaal tot stand gekomen bouwwerken deels dan wel geheel worden wegbestemd, is in dit plan een regeling opgenomen waarmee alle legale bouwwerken alsnog positief worden bestemd, ongeacht de maatvoering in de regels en op de verbeelding. Dit wordt in de planregels de "bestaande maten-regeling" genoemd. Bramenlaan 12 Voor de woning aan de Bramenlaan 12 wordt het bestaande bouwvlak in zuidelijke richting verschoven. Hiermee wordt de woning beter op het kavel gesitueerd. De afstand van het bouwvlak tot de noordelijke perceelsgrens zal 4,5 meter bedragen. De verplaatsing van het bouwvlak heeft geen nadelige gevolgen voor omliggende percelen.

Afbeelding 12: bouwvlak Bramenlaan 12

(vastgesteld)

35

Bestemmingsplan Bentveld 4.2.2

Niet-woonfuncties

Naast wonen zijn er in het plangebied een aantal percelen met een andere bestemming aanwezig. Deze hebben zich met name geconcentreerd aan de Zandvoortselaan. Het betreft functies als een kantoor, een garagebedrijf, een manegebedrijf en een praktijk voor fysiotherapie. De betreffende niet-woonfuncties worden in het bestemmingsplan positief bestemd, met uitzondering van het manegebedrijf (zie paragraaf 4.3. Er worden geen uitbreidingsmogelijkheden geboden voor de niet-woonfuncties. Het bestemmingsplan biedt de mogelijkheid om deze niet-woonfuncties om te zetten in een woonfunctie. Vanuit stedenbouwkundig oogpunt is een dergelijke ontwikkeling gewenst. Voor de percelen die bestemd zijn als Gemengd wordt de woonfunctie rechtstreeks via de bestemmingsomschrijving toegestaan. Voor de bestemmingen Horeca en Bedrijf worden in de planregels wijzigingsregels opgenomen voor het wijzigen van de bestemming in een woonbestemming. Hier wordt in paragraaf 4.2.3 en 4.2.4 verder op ingegaan. 4.2.3

Horeca

De in het plangebied aanwezige horecavoorzieningen worden gehandhaafd en positief bestemd. Ter voorkoming van ontoelaatbare (milieu-)hinder wordt uitgesloten dat er horeca-activiteiten plaats kunnen vinden, welke (milieu-)hinder voor de omgeving kunnen veroorzaken. Het horeca bedrijf op het perceel Zandvoortselaan 363 heeft een specifieke aanduiding gekregen voor het aldaar aanwezige met een luifel overdekt terras. Tevens is het op basis van het vigerende bestemmingsplan bestaande bouwvlak van vorm gewijzigd (niet vergroot) en is het bestemmingsvlak achter het perceel Zandvoortselaan 361 gewijzigd in de bestemming 'Horeca'. Hiermee wordt tegemoet gekomen aan de wensen ten aanzien van de bedrijfsvoering op het perceel.

Afbeelding 13: bestemming percelen horeca (oranje) en bedrijf (paars) aan Zandvoortselaan In het plan is een regeling getroffen voor het uitoefenen van beroepen aan huis. Dit kan onder voorwaarden worden toegestaan. Uitgangspunt hierbij is dat er geen hinder voor de omgeving mag plaatsvinden en dat het uiterlijk c.q. de uitstraling van de woning c.q. de woonomgeving niet mag worden aangetast. Voor het pand aan de Zandvoortselaan 345-347 is ook een horecabestemming opgenomen. Eén en ander conform het voor dit perceel vigerende bestemmingsplan. De horecabedrijven kunnen via een wijzigingsbevoegdheid gewijzigd worden in een woonbestemming.

36

(vastgesteld)

Bestemmingsplan Bentveld 4.2.4

Bedrijvigheid

Uitgangspunt is dat bedrijfsfuncties op hun huidige locatie moeten kunnen blijven functioneren. In het gebied is één garagebedrijf aan de Zandvoortselaan 365 gevestigd. Het bedrijf wordt in dit bestemmingsplan gehandhaafd. Gelet op de aard van het plangebied en de genoemde uitgangspunten worden er geen nieuwe bedrijven in het plangebied toegestaan. Het bestaande garagebedrijf kan niet uitgroeien naar een hogere milieucategorie, dat is ongewenst in een overwegende woonomgeving. Ten aanzien van dit garagebedrijf is in de nota van uitgangspunten bepaald dat het perceel aan de voorzijde van het bedrijf gebruikt mag worden voor de uitstalling van auto's. Hiermee wordt het bestemmingsplan in overeenstemming gebracht met de bestaande situatie. In de planregels is een wijzigingsbevoegdheid opgenomen voor het wijzigen van deze bestemming naar een woonbestemming.

4.2.5

Natuur

De groene uitstraling van Bentveld is belangrijk en dient behouden te blijven. In dit bestemmingsplan is gekozen voor een bestemmingsregeling waarmee het bestaande groen, zowel particulier als openbaar, behouden blijft. Tevens is er rekening gehouden met de ambitie van het naar binnen trekken van het duingebied. Dit door het behoud van het reliëfrijke karakter van de wijk. Bebouwing binnen bestemming natuur De duinvilla's hebben in het voorgaande bestemmingsplan "Bentveld" een (ruim) bouwvlak voor de woning en bijbehorende bouwwerken gekregen en daar buiten zijn de percelen bestemd als "Natuur". In een aantal gevallen is de bestaande woning echter niet binnen het bouwvlak gelegen maar in de bestemming "Natuur". Dit is een gevolg van de wijze van bestemmen in het vigerende bestemmingsplan. Daar waar bouwvlakken in het voorgaande bestemmingsplan anders zijn aangeduid is in het thans voorliggende bestemmingsplan opnieuw onderzocht of het bouwvlak kan worden aangewezen binnen 10 meter gemeten uit de erfgrens. De gebieden buiten het bouwvlak zijn bestemd als "Natuur". Dit om het bosrijke landschap van het gebied te behouden. Hiermee is echter ook in een aantal gevallen de (toentertijd) bestaande hoofdbebouwing op het perceel buiten het bouwvlak gekomen. De bouwvlakken zijn nu zo op het perceel geprojecteerd dat alle bestaande bebouwing binnen het bouwvlak past.

(vastgesteld)

37

Bestemmingsplan Bentveld 4.2.6

Verkeer en parkeren

Voorafgaand aan het opstellen van dit bestemmingsplan is er een retrospectieve toets uitgevoerd voor het plangebied. Doel van deze retrospectieve toets was om inzicht te krijgen in de situaties in bouw en gebruik die binnen het plangebied bestaan, welke niet in overeenstemming zijn met de vigerende bestemmingsplannen en verleende vrijstellingen. De retrospectieve toets is als bijlage toegevoegd aan de toelichting (bijlage 2). Uit de retrospectieve toets is gebleken dat er op een aantal percelen sprake is van strijdig gebruik van de (voor)tuin. Er worden auto's geparkeerd vóór de voorgevelrooilijn in de bestemming 'Tuin'. Dit is in strijd met het vigerende bestemmingsplan, want parkeren is alleen toegestaan achter (het denkbeeldige verlengde van) de voorgevel van de woning, of op een hiervóór gelegen oprit naar de op hetzelfde perceel aanwezige parkeergelegenheid achter (het denkbeeldige verlengde van) de voorgevel.

In artikel 12, lid 5 van het vigerende bestemmingsplan biedt het college van B&W een mogelijkheid om vrijstelling te verlenen van het bepaalde in lid 1 voor het parkeren op eigen erf voor de voorgevel van de woning of het denkbeeldig verlengde daarvan, indien:  voor de voorgevel of het denkbeeldig verlengde daarvan een tuin aanwezig is met een diepte van tenminste 6 meter;  niet op een andere wijze kan worden geparkeerd op eigen erf;  het pand geen rijksmonument of gemeentelijk monument is;  het veilig en doelmatig gebruik van de weg niet onevenredig wordt geschaad. In dit nieuwe bestemmingsplan is de regeling uit het vigerende bestemmingsplan "Bentveld" overgenomen, parkeren op eigen erf blijft in beginsel alleen toegestaan op de percelen welke voldoen aan de 'Beleidsregels uitwegen' en daarmee aan de relevante bepalingen uit het bestemmingsplan. In het bestemmingsplan wordt de binnenplanse afwijkingsmogelijkheid geconsolideerd. Omdat er in het kader van de reconstructie van de Zandvoortselaan in 2014 uitwegvergunningen zijn verleend aan de woningen aan de Zandvoortselaan wordt het parkeren voor (de voorgevel of het denkbeeldige verlengde daarvan) in deze gevallen toegestaan. Dit wordt op de planverbeelding apart aangeduid.

4.2.6.1 Ruimtelijke ontwikkelingen Zuidlaan 51 en Duinrooslaan 3 Met het op termijn verdwijnen van Manege Stal de Naaldenhof kan het verkeersbeeld ter plaatse wijzigen. In het kader van een goede ruimtelijke ordening is daarom een vergelijking gemaakt tussen de bestaande en toekomstige (7 woningen) situatie. De vergelijking is gemaakt op basis van de CROW cijfers. Bij deze vergelijking zijn eventuele bestaande evenementen van de manege buiten beschouwing gelaten, wat doorgaans resulteert in een aanzienlijke verkeersgeneratie (inclusief zwaarder vervoer in de vorm van trailers etc). Bestaande situatie De CROW gaat voor de verkeersgeneratie van een manege uit van het aantal bezette boxen. Om een reëel (en niet alleen theoretisch) beeld te schetsen is de bestaande situatie uitgesplitst in twee situatie, namelijk een halfvolle bezetting (26 paarden) en maximale bezetting (52 paarden). Toekomstige situatie In de toekomstige situatie worden er maximaal 7 nieuwe woningen gerealiseerd. Voor de woningen wordt gezien de aard, ligging en omvang uitgegaan van de maximale norm van 8,6 verkeersbewegingen. Verschilberekening Op basis van de bestaande en toekomstige situatie is een verschilberekening gemaakt in maximaal te verwachten verkeersgeneratie. Dat resulteert in het volgende beeld.

38

(vastgesteld)

Bestemmingsplan Bentveld

Bestaande situatie Eenheid

Verkeersgeneratie Aantal

Totaal

Manege 1

Per bezette box 4

52

208

Manege 2

Per bezette box 4

26

104

Toekomstige situatie Eenheid Woningen (vrijstaand) Per woning

Verkeersgeneratie Aantal

Totaal

2,8

60,2

7

Verschilberekening 1

- 147,8

Verschilberekening 2

- 43,8

Op basis van de tabel kan geconcludeerd worden dat de normale verkeersgeneratie met minimaal 44 en maximaal 148 bewegingen per etmaal zal afnemen. Een afname van het aantal verkeersbewegingen is zowel voor de bewoners als de omliggende natuur een positieve ontwikkeling. Dit betreft een verschilberekening zonder de invloed van evenementen, in werkelijkheid zal het (positieve) verschil nog groter zijn. Daarbij dient ook nog geconstateerd te worden dat voor woning doorgaans minder zwaar verkeer nodig is, ook dat zal een positief effect hebben op de verkeersgeneratie rondom het plangebied.

(vastgesteld)

39

Bestemmingsplan Bentveld

4.3

Nieuwe ontwikkeling Zuidlaan 51 en Duinrooslaan 3

4.3.1

Zuidlaan 51

Aan de Zuidlaan 51 is momenteel manegebedrijf Stal de Naaldenhof gevestigd. De eigenaar is voornemens om de bedrijfsactiviteiten te beëindigen en de gronden te ontwikkelen naar woningbouw. Het betreft een plan voor de realisatie van vijf vrijstaande woningen. Uitgangspunten en inpassing De bebouwing in dit deel van Bentveld wordt gekenmerkt door karakteristieke villa's op ruime kavels in een boomrijke omgeving. De samenhang in het villagebied komt voornamelijk voort uit de landschappelijke setting, het verkavelingspatroon en de situering van bebouwing ten opzichte van de weg. Er is sprake van afwisseling in afstanden tussen de villa's onderling en ten opzichte van de weg. Er is hierbij een onderscheid te maken tussen de villabebouwing aan de randen waar het woongebied aan het duinlandschap grenst en het "binnen" gebied. De villa's aan de buitenrand hebben grotere kavels waarop over het algemeen grotere woningen zijn gelegen. De bestaande woningpercelen die in de tweede linie, tegen de duinrand liggen, worden direct ontsloten vanaf de openbare weg via een lang erfpad.

Afbeelding 14: verkavelingspatroon Bentveld Op bovenstaande afbeelding is het verkavelingspatroon van Bentveld weergegeven. Te zien is dat de bebouwing aan de Zandvoortselaan (rood) compacter is dan de bebouwing in het middengebied (lichtgroen). De randen van het gebied (donkergroen) kent de laagste bebouwingsdichtheid. In de zuidwest-hoek van het gebied zijn de vijf nieuwe woningen (globaal) geprojecteerd. De lijn van bestaande woningen langs de Duinrooslaan (ten noorden van de manege) wordt doorgetrokken. De vijf nieuwe kavels sluiten in omvang en ritmiek aan op de strook bebouwing waarin ze liggen. Het plan bestaat uit drie vrijstaande woningen in de eerste lijn en twee vrijstaande woningen in de tweede lijn. Op afbeelding 15 zijn de nieuwe kavels en de ligging van de bouwvlakken voor de woningen ingetekend. De nieuwe woningen worden ontsloten via de bestaande ontsluiting van de huidige manege. De tweedelijns woningen worden ontsloten via het eigen erf of via een erfpad. Het huidige einde van de Zuidlaan (openbare weg) wordt doorgetrokken, welke gaat voldoen aan de inrichtingseisen voor de openbare ruimte van de gemeente Zandvoort. Er wordt geen directe ontsluiting gerealiseerd op de Duinrooslaan/ Teunisbloemlaan.

40

(vastgesteld)

Bestemmingsplan Bentveld

Afbeelding 15: de vijf nieuwe woonkavels De bebouwingsmogelijkheden van de nieuwe woningen sluiten aan op de bebouwingsmogelijkheden van omliggende woningen. Dat betekent dat de goothoogte maximaal 6 meter mag bedragen en de bouwhoogte maximaal 10 meter. De nieuwe woningen worden binnen het centraal op de (nieuwe) percelen gelegen bouwvlak gerealiseerd. De bouwvolumes en verschijningsvorm van de te bouwen woningen gaan aansluiten op het aanwezige karakter en beeldkwaliteit van de directe omgeving of deze versterken. De villa's worden gekenmerkt door bouwmassa's die zijn samengesteld uit meerdere bouwdelen. De nieuwe te bouwen afzonderlijke villa's zullen onderling van elkaar verschillen door middel van de hoofdvorm, de gevelgeleding, de kapvormen, de vensters, etc. De villa's hebben daardoor een grote diversiteit in verschijningsvorm. Dit sluit aan op de huidige architectuur en bouwvormen in het gebied. Zoals te zien is op afbeelding 16 (bestaande situatie) en 20 (referentie nieuwe situatie).

Afbeelding 16: bestaande woningbouw Duinrooslaan Bentveld

(vastgesteld)

41

Bestemmingsplan Bentveld

Afbeelding 17: referenties nieuwbouw Ook het particulier groen gaat door middel van waardevolle beplanting een wezenlijk onderdeel vormen van de toekomstige beeldkwaliteit. Het parkeren gaat plaatsvinden op eigen terrein, al dan niet in een (ondergrondse) gebouwde garage. Gezien de grootte van de percelen is hier voldoende ruimte voor. In paragraaf 3.3.8 is dit aspect reeds onderbouwd. Daarnaast sluit dit plan aan bij de gemeentelijke omgevingsvisie , zoals gemotiveerd in paragraaf 3.3.1. De activiteiten van het manegebedrijf worden beëindigd en daarvoor in de plaats worden woningen toegevoegd, die aansluiten bij de huidige stedenbouwkundige opzet van het gebied. De aanwezige woonkwaliteiten worden hierbij gerespecteerd. In hoofdstuk 5 wordt een nadere onderbouwing en motivering gegeven van dit plan met betrekking tot de omgevingsaspecten. Hieruit komt naar voren dat er vanuit deze 'omgevingsaspecten', zoals bodem, geluid, natuur, e.d., geen belemmeringen zijn voor de uitvoering van dit plan.

42

(vastgesteld)

Bestemmingsplan Bentveld 4.3.2

Duinrooslaan 3

In aanvulling op de ontwikkeling aan de Zuidlaan 51 vindt de ontwikkeling van 2 vrijstaande woningen aan de Duinrooslaan 3 plaats. Beide percelen liggen naast elkaar zoals weergegeven op afbeelding 18. Het initiatief is ingediend gedurende de bestemmingsplanprocedure en voldoende concreet uitgewerkt om op te nemen in het bestemmingsplan. De percelen vormen gezamenlijk één ontwikkellocatie. De kavel herindeling vindt plaats in lijn met zowel de bestaande bebouwingsstructuur als de nieuwe bebouwing aan de Zuidlaan 51. Het parkeren gaat plaatsvinden op eigen terrein, al dan niet in een (ondergrondse) gebouwde garage. Gezien de grootte van de percelen is hier voldoende ruimte voor. De ontsluiting van de twee nieuwe kavels plaats zal vinden via het erf van de Duinrooslaan 3. Qua uitgangspunten en stedenbouwkundige inpassing wordt aansluiting gezocht bij de ontwikkeling aan de Zuidlaan 51. De in paragraaf 4.3.1. genoemde uitgangspunten betreffende bouwpatronen, bouwvolumes en bouwmogelijkheden gelden ook voor de Duinrooslaan 3. Qua uiterlijk kunnen de referentiebeelden op afbeelding 17 worden aangehouden

Afbeelding 18 De Duinrooslaan 3 en de naastgelegen manege Zuidlaan 51 In het vorige planologische regime was het bestaande voet- en fietspad wat voorlangs loopt aan de woonkavels aan de Duinrooslaan bestemd als 'Verkeer'. Het pad is echter in de huidige situatie geen doorgaande autoverkeersroute en dit is ook niet gewenst. Dit zou namelijk de luwe ligging van de Duinrooslaan alsmede de Zuidlaan ontnemen en de ruimtelijke kwaliteit verminderen. Het pad dient echter wel geschikt te blijven voor voetgangers en fietsers, onder andere wegens de ligging van de scoutingvereniging aan de Zuidlaan. Om die reden wordt het pad aan de Duinrooslaan herbestemd naar 'Groen', hetgeen beter aansluit bij het gebruik van het pad. Het huidige pad wordt gekenmerkt door een meanderend patroon, waardoor het pad ook deels over particulier terrein loopt en deels over gemeentegrond. Vanuit de bewoners aan de Duinrooslaan is de suggestie gedaan om een recht pad te creëren waarbij er een houtsnipperpad wordt aangelegd vergelijkbaar als elders in Bentveld (zie onderstaand een impressie). Vooralsnog blijft de huidige situatie gehandhaafd, maar mocht de situatie in de toekomst wijzigen dan kan onderstaande impressie als referentie dienen.

(vastgesteld)

43

Bestemmingsplan Bentveld

Afbeelding 19 Impressie houtsnipperpad

4.3.3

Ruimtelijke ontwikkelingen in relatie tot landgoed Groot Bentveld

Tegenover de Zuidlaan 51 en Duinrooslaan 3 is het landgoed Groot Bentveld gelegen. Naar aanleiding van binnengekomen zienswijzen op het ontwerpbestemmingsplan is een aanvullend cultuurhistorisch onderzoek verrichten, een onderzoek dat ingaat op de relatie tussen de planvorming en landgoed Groot Bentveld. Het onderzoek richt zich hoofdzakelijk op de Zuidlaan 51, maar de bredere conclusie zijn op de Duinrooslaan 3 van toepassing. Het volledige onderzoek is toegevoegd als bijlage 3. Het terrein waar de manege op staat, maakte voorheen onderdeel uit van de weilanden aan de westzijde van landgoed Groot Bentveld. Deze weilanden en het naastgelegen huis Den Blink zijn vermoedelijk met de aanleg van het Noordoosterkanaal (1933) gesloopt, waarna de weilanden zijn bebost. Op het onderzochte perceel is in 1966 een manege geopend. Het landgoed was toen al grotendeels verkaveld tot luxe villawijk. Uit het onderzoek blijkt dat de aanleg van het Noordoosterkanaal de herkenbaarheid van de historische opzet en hiërarchie van het westelijke (agrarische) deel van het landgoed sterk heeft aangetast en dat de resterende waarden betrekkelijk klein zijn. Tegen de transformatie naar 5 vrijstaande villa’s op deze locatie bestaat vanuit cultuurhistorisch oogpunt dan ook geen bezwaar. De kwaliteit van de historische Duinrooslaan zou daarbij versterkt kunnen worden.

Ook ten aanzien van de functieverandering van manege naar woningen bestaan vanuit cultuurhistorie geen belemmeringen. Uit het onderzoek blijkt dat de relatie tussen Groot Bentveld en paarden(sport) niet groter was dan verwacht kan worden bij een landgoed van deze omvang en statuur. De historische stallen bij het hoofdhuis hebben reeds de status van rijksmonument. Daarmee is deze waarde vanuit cultuurhistorie bezien voldoende geborgd.

44

(vastgesteld)

Bestemmingsplan Bentveld 4.3.4

Omgevingsvisie Zandvoort

In de omgevingsvisie van Zandvoort ' wordt voor Bentveld o.a. ingezet op het behoud van de groene kwaliteiten in de kern van Bentveld en een zorgvuldige inpassing van nieuwe woningbouw in de groene omgeving. De voorgenomen ontwikkeling aan de Zuidlaan 51 betreft de omzetting van een manege naar een vijftal vrijstaande woning in dezelfde stedenbouwkundige opzet van het gebied. Gelet op de kleinschaligheid van de ontwikkeling, het beperkte aantal te realiseren woningen en de stedenbouwkundige opzet, wordt geconcludeerd dat de ontwikkeling de lage dichtheid niet aantast en ook niet leidt tot een aantasting van de groene uitstraling van de omgeving. In dat licht worden de vijf woningen op eenzelfde wijze bestemd als de reeds aanwezige woningen aan de Duinrooslaan, zodat de toekomstige woningen opgaan in het groene landschap binnen de omgeving. Het doorzicht, voor zover aanwezig, naar het duinlandschap blijft ongewijzigd. De voorgenomen ontwikkeling van de Duinrooslaan 3 betreft het toevoegen van een tweetal woningen op het perceel. Gelet op de grootte van het perceel en de ruimte op het zuidelijk deel van het perceel, de kleinschaligheid van de ontwikkeling en de stedenbouwkundige opzet, wordt geconcludeerd dat ook deze ontwikkeling de lage dichtheid niet aantast en ook niet leidt tot een aantasting van de groene uitstraling van de omgeving.

(vastgesteld)

45

Bestemmingsplan Bentveld

Hoofdstuk 5 5.1

Omgevingsaspecten

Inleiding

Op grond van artikel 3.1.6 van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) moet in de toelichting op het bestemmingsplan een beschrijving worden opgenomen van de wijze waarop de milieukwaliteitseisen bij het plan zijn betrokken. Daarbij moet rekening gehouden worden met de geldende wet- en regelgeving en met de vastgestelde (boven)gemeentelijke beleidskaders. Bovendien is een bestemmingsplan vaak een belangrijk middel voor afstemming tussen de milieuaspecten en ruimtelijke ordening.

5.2

Water

5.2.1

Wettelijk kader

Beleid duurzaam stedelijk waterbeheer Op verschillende bestuursniveaus zijn de afgelopen jaren beleidsnota's verschenen aangaande de waterhuishouding, allen met als doel een duurzaam waterbeheer (kwalitatief en kwantitatief). Deze paragraaf geeft een overzicht van de voor het plangebied relevante nota's, waarbij het beleid nader wordt behandeld. Europa  Kaderrichtlijn Water (KRW) Nationaal  Nationaal Waterplan (NW)  Nationaal Bestuursakkoord Water (NBW)  Waterwet Provinciaal  Provinciaal Waterplan  Provinciale Omgevingsverordening  Provinciale Omgevingsvisie  Waterschapsbeleid Het algemeen bestuur van het Hoogheemraadschap van Rijnland heeft op 9 maart 2016 het nieuwe Waterbeheerplan 'Waardevol Water' (WBP5) vastgesteld. In het WBP5 wordt richting gegeven aan het waterbeheer in de periode 2016 -2021. Daarmee realiseert het Hoogheemraadschap van Rijnland de ambities uit het coalitieakkoord, zodat het gebied nu en in de toekomst goed beschermd wordt tegen overstromingen en wateroverlast, er een goede waterkwaliteit ontstaat, het afvalwater op duurzame wijze wordt gezuiverd en de grondstoffen worden hergebruikt. In het WBP5 staat samen werken met de omgeving aan water centraal. Rijnland wil samen met zijn omgeving werken aan duurzaam en efficiënt waterbeheer tegen zo laag mogelijke maatschappelijke kosten.

Keur en uitvoeringsregels Op grond van de Waterwet is het Hoogheemraadschap van Rijnland als waterschap bevoegd via een eigen verordening, de Keur, regels te stellen aan handelingen die het watersysteem beïnvloeden. Sinds 1 juli 2020 heeft Rijnland een nieuwe Keur. Bij het opstellen van deze Keur heeft Rijnland een andere aanpak gebruikt. Er gelden minder regels voor burgers, bedrijven en Rijnland. Het aantal vergunningen en meldingen is ongeveer gehalveerd. Zo geeft Rijnland verantwoordelijkheid, flexibiliteit en vertrouwen waar dat kan, maar stellen we regels waar dat moe Bij de Keur horen de Uitvoeringsregels. Hierin staan voorwaarden voor allerlei werkzaamheden die bewoners en bedrijven willen uitvoeren bij water en dijken. De Uitvoeringsregels kan een zorgplicht, een Algemene regel en een Beleidsregel bevatten.  De zorgplicht geldt voor eenvoudige werkzaamheden met weinig risico.  In de Algemene regel staan voorwaarden voor activiteiten met een beperkt risico.  In de Beleidsregel staan voorwaarden voor activiteiten met een groter risico. Dan verlenen zij een watervergunning. De Keur en uitvoeringsregels zijn te vinden op: https://www.rijnland.net/loket/vergunningen/keur-alle-regels-op-een-rij/1-wat-is-de-keur-van-rijnland/

46

(vastgesteld)

Bestemmingsplan Bentveld 5.2.2

Plangebied

Bodem en grondwater Het plangebied is gelegen in een grondwaterbeschermingsgebied van de provincie Noord-Holland. De provincie Noord-Holland kent drie zones ten behoeve van de bescherming van drinkwater; waterwingebied (60-dagen zone), grondwaterbeschermingsgebied I (25 jaar zone) en grondwaterbeschermingsgebied II (110/ 200 jaar zone). Binnen grondwaterbeschermingsgebieden gelden diverse gebruiksbeperkingen om het drinkwaterbelang te beschermen, deze zijn beschreven in de provinciale milieuverordening. Het plangebied is grotendeels aangewezen als grondwaterbeschermingsgebied I en voor ene klein deel als grondwaterbeschermingsgebied II. Zie paragraaf 3.2.3. In het nieuwe bestemmingsplan worden geen activiteiten opgenomen die van invloed zijn op de verontreiniging van het grondwater. Watersysteemkwaliteit en ecologie Ter voorkoming van diffuse verontreinigingen van water en bodem geldt een verbod op het toepassen van zink, lood, koper en PAK's-houdende bouwmaterialen. Veiligheid en waterkeringen De duinen behoren tot de primaire waterkeringen die ons land beschermen tegen hoogwater vanuit de zee. De Noordzeekust is helemaal op orde, de basiskustlijn wordt door het Rijk met zandsuppleties op orde gehouden. In 2017 startte de vierde landelijke toetsronde van primaire waterkeringen.

Het plangebied van Bentveld ligt buiten de primaire waterkering, daardoor is het niet nodig om via het bestemmingsplan beschermende maatregelen te nemen tot behoud van de waterkerende functie Riolering en afkoppelen Overeenkomstig het rijksbeleid (de voorkeursvolgorde uit Wm art 29 a en de doelmatigheidsdoelstelling uit het bestuursakkoord waterketen 2007) geeft Rijnland de voorkeur aan het scheiden van hemelwater en afvalwater, mits het doelmatig is. De voorkeursvolgorde voor de omgang met afvalwater houdt in dat het belang van de bescherming van het milieu vereist dat:  het ontstaan van afvalwater wordt voorkomen of beperkt;  verontreiniging van afvalwater wordt voorkomen of beperkt;  afvalwaterstromen worden gescheiden gehouden, tenzij het niet gescheiden houden geen nadelige gevolgen heeft voor een doelmatig beheer van afvalwater;  huishoudelijk afvalwater en afvalwater dat daarmee wat biologische afbreekbaarheid betreft overeenkomt, worden ingezameld en naar een inrichting als bedoeld in artikel 15a van de Wet verontreiniging oppervlaktewateren getransporteerd;  ander afvalwater dan hiervoor bedoeld: 1. zo nodig na zuivering bij de bron, wordt hergebruikt; 2. lokaal, zo nodig na retentie of zuivering bij de bron, in het milieu wordt gebracht. De gemeente kan gebruikmaken van deze voorkeursvolgorde bij de totstandkoming van het gemeentelijk rioleringsplan (GRP).

Deze voorkeursvolgorde is echter geen dogma. De uiteindelijke afweging zal lokaal moeten worden gemaakt, waarbij doelmatigheid van de oplossing centraal moet staan. Het bestemmingsplan is overwegend conserverend van aard en biedt geen directe mogelijkheden om de doelstellingen met betrekking tot riolering en afkoppeling te realiseren. Bij nieuwe ontwikkelingen, die in dit bestemmingsplan mogelijk worden gemaakt, wordt een gescheiden rioleringsstelsel aangelegd. Zorgplicht en preventieve maatregelen voor hemelwater Voor de behandeling van hemelwater wijst het Hoogheemraadschap van Rijnland op de zorgplicht en op het nemen van preventieve maatregelen. Het verdient aanbeveling daar waar mogelijk aandacht te besteden aan maatregelen bij de bron. Preventie heeft de voorkeur boven 'end-of-pipe' maatregelen.

(vastgesteld)

47

Bestemmingsplan Bentveld Uitgangspunt is dat het te lozen hemelwater geen significante verslechtering van de kwaliteit van het ontvangende oppervlaktewater mag veroorzaken en emissie van vervuilende stoffen op het oppervlaktewater waar mogelijk wordt voorkomen. Door bijvoorbeeld:  duurzaam bouwen;  het toepassen van berm- of bodempassage;  toezicht en controle tijdens de aanlegfase en handhaving tijdens de beheerfase ter voorkoming van verkeerde aansluitingen;  het regenwaterriool uit te voeren met (straat)kolken voorzien van extra zand-slibvang of zakputten (putten met verdiepte bodem) op tactische plekken in het stelsel;  adequaat beheer van straatoppervlak, straatkolken en zakputten (straatvegen en kolken/putten zuigen);  het toepassen van duurzaam onkruidbeheer;  de bewoners, gebruikers en beheerders voor te lichten over de werking van de riolering en een juist gebruik hiervan;  het vermijden van vervuilende activiteiten op straat zoals auto's wassen en repareren en chemische onkruidbestrijding. Daar waar ondanks de zorgplicht en de preventieve maatregelen het te lozen hemelwater naar verwachting een aanmerkelijk negatief effect heeft op de oppervlaktewaterkwaliteit, kan in overleg tussen gemeente en waterschap gekozen worden voor aanvullende voorzieningen, een verbeterd gescheiden stelsel of als laatste keus aansluiten op het gemengde stelsel.

Ook kan de gemeente in overleg met het waterschap kiezen voor een generieke 'end-of-pipe'-aanpak. Deze keuze moet dan expliciet gemaakt worden in het GRP. Het bestemmingsplan is overwegend conserverend van aard. Bij nieuwe ontwikkelingen, die in dit bestemmingsplan mogelijk worden gemaakt, zal sprake zijn van een gescheiden rioleringsstelsel.

5.2.3

Conclusie

Het bestemmingsplan heeft vanwege het overwegende conserverende karakter geen negatieve gevolgen voor het waterhuishoudkundige systeem ter plaatse. Bij de verdere uitwerking van de ontwikkelingen, die in dit plan mogelijk gemaakt worden, wordt het beleid van het Hoogheemraadschap van Rijnland in acht genomen.

48

(vastgesteld)

Bestemmingsplan Bentveld

5.3

Bodem

5.3.1

Wettelijk kader

Het is verboden om onder andere nieuwe woningen, maar ook andere kwetsbare bestemmingen, te bouwen op verontreinigde grond. Om deze reden moeten bij een bouwplan (dus: bij een ruimtelijke ontwikkeling) altijd recente gegevens over de kwaliteit van de bodem bekend zijn. Een bodemonderzoek start met een verkennend onderzoek, dat bestaat uit een historisch onderzoek (conform de NEN 5725) en veldwerk (conform NEN 5740). De resultaten van dit onderzoek worden getoetst aan de Wet bodembescherming. Deze wet stelt dat de kwaliteit van de bodem geschikt moet zijn voor het beoogde gebruik van de locatie of het gebied. Indien uit de resultaten van het verkennend onderzoek blijkt dat er geen belemmering bestaat voor het beoogde gebruik, kan een geschiktheidsverklaring worden afgegeven. Indien uit de resultaten blijkt dat er mogelijk een belemmering is wordt nader bodemonderzoek geadviseerd. In een nader bodemonderzoek wordt de omvang, herkomst en de spoedeisendheid van de verontreiniging bepaald. Een omgevingsvergunning wordt afgegeven als de bodem, eventueel na sanerende maatregelen, geschikt is voor het beoogde gebruik. Rol Omgevingsdienst IJmond Omgevingsdienst IJmond adviseert een bodemonderzoek uit te laten voeren voorafgaand aan het indienen van de aanvraag voor een omgevingsvergunning.

Omgevingsdienst IJmond toetst de resultaten van het bodemonderzoek en adviseert hierover aan de gemeente Zandvoort. Het bodemonderzoek moet in principe worden uitgevoerd door de initiatiefnemer van een bouwplan. Als de gemeente initiator is van een project of bouwplan kan de gemeente de Omgevingsdienst IJmond opdracht geven het onderzoek te laten uitvoeren en begeleiden. Bodemkwaliteitskaart/ Bodembeheerplan Om bij ontwikkelingen grondverzet eenvoudiger te maken is in 2016 de Nota bodembeheer en de bodemkwaliteitskaart Regio IJmond vastgesteld. De bodemkwaliteitskaart, die in het kader van het Besluit bodemkwaliteit is opgesteld, kan binnen de gemeenten van de Regio IJmond gebruikt worden als bewijsmiddel voor de milieuhygiënische kwaliteit van zowel een partij vrijkomende grond als voor de kwaliteit van de ontvangende bodem. In de Nota bodembeheer wordt beschreven welke regels en procedures er gelden voor het binnen de gemeenten (opnieuw) toepassen van grond en baggerspecie als bodem, en het daarbij gebruik maken van onderliggende bodemkwaliteitskaart als bewijsmiddel.

5.3.2

Plangebied

Voor het plangebied zijn bij Omgevingsdienst IJmond historische gegevens beschikbaar over de kwaliteit van de bodem. Deze bodemgegevens zijn opgenomen in het Bodeminformatiesysteem van de Omgevingsdienst IJmond. Binnen het plangebied zijn behalve enkele kleine lokale bodemverontreinigingen geen significante bodemverontreinigingen bekend die ontwikkelingen van het gebied in de weg kunnen staan. Verder bodemonderzoek is pas noodzakelijk als de voorgenomen ontwikkelingen daadwerkelijk hun beslag krijgen. Woningbouwontwikkeling manege Ten behoeve van het woningbouwplan ter plaatse van het huidige manegebedrijf is een verkennend bodemonderzoek uitgevoerd door NIPA Milieutechniek B.V. Dit onderzoek is als bijlage 4 opgenomen in deze toelichting. Uit dit onderzoek is gebleken dat de bovengrond ter plaatse van de bebouwing en mestput licht verontreinigd is met lood. In de boven- en ondergrond op het overige terreindeel zijn geen verhoogde gehaltes ten opzichte van de achtergrondwaarde gemeten. Daarnaast is gebleken dat het grondwater een licht verhoogd gehalte aan barium bevat. De uitvoering van een aanvullend of nader onderzoek wordt echter niet zinvol geacht. Tegen de eventuele bebouwing van de onderzoeklocatie zijn geen zwaarwegende milieuhygiënische bezwaren aan te voeren. Het aspect bodem vormt geen belemmering voor deze ontwikkeling.

In vergelijking met de Zuidlaan 51 zijn er ter plaatse van de Duinrooslaan 3 geen activiteiten bekend die mogelijk tot bodemverontreiniging hebben kunnen leiden. Op basis van het onderzoek aan de Zuidlaan 51 en de historie van de Duinrooslaan 3 kan afgeleid worden dat ook hier geen zwaarwegende milieuhygiënische bezwaren zijn tegen woningbouwontwikkeling.

(vastgesteld)

49

Bestemmingsplan Bentveld 5.3.3

Conclusie

Het aspect bodem vormt geen belemmering voor het vaststellen van het bestemmingsplan.

5.4

Archeologie

5.4.1

Wettelijk kader

Wet op de archeologische monumentenzorg Op 1 september 2007 is de Wet op de archeologische monumentenzorg in werking getreden. Hiermee worden de uitgangspunten van het Verdrag van Malta binnen de Nederlandse wetgeving geïmplementeerd. De wet regelt de bescherming van archeologisch erfgoed in de bodem, de inpassing ervan in de ruimtelijke ontwikkeling en de financiering van opgravingen: 'de veroorzaker betaalt'. Voor gebieden waar archeologische waarden voorkomen of waar reële verwachtingen bestaan dat ter plaatse archeologische waarden aanwezig zijn, dient door de initiatiefnemer voorafgaand aan bodemingrepen archeologisch onderzoek te worden uitgevoerd. De uitkomsten van het archeologisch onderzoek dienen vervolgens volwaardig in de belangenafweging te worden betrokken. Het belangrijkste doel is de bescherming van het archeologische in de bodem (in situ) omdat de bodem doorgaans de beste garantie biedt voor een goede conservering. Er wordt uitgegaan van het basisprincipe dat de 'verstoorder' betaalt voor het opgraven en het documenteren van de aangetroffen waarden als behoud in de bodem niet tot de mogelijkheden behoort. Provinciale Leidraad Landschap en Cultuurhistorie De provincie Noord-Holland hanteert het beleidsinstrument "Leidraad Landschap en Cultuurhistorie". Hierin heeft de provincie de archeologische waarden in beeld gebracht.

De waardering zoals vastgelegd in de leidraad geldt als uitgangspunt van beleid.

5.4.2

Plangebied

Er is een bureauonderzoek uitgevoerd naar de aanwezigheid van archeologische waarden in het plangebied. Dit rapport "Bestemmingsplan Bentveld, gemeente Zandvoort" van ADC ArcheoProjecten met nummer 4571 van 30 april 2018 is opgenomen als bijlage 5 bij deze toelichting. Op basis van het bureauonderzoek worden in een zone in het noordwesten van het bestemmingsplangebied bewoningsresten uit de periode vanaf de Bronstijd tot en met de Vroege Middeleeuwen verwacht, vanwege de aanwezigheid van een strandwal die vermoedelijk tussen 2750 en 1500 v. Chr. gevormd is. Het potentieel archeologische niveau bevindt zich naar verwachting in of aan de top van de strandwal en/of in de top van de duinafzettingen van voor de Late Middeleeuwen. Op basis van het bureauonderzoek bevindt de top van deze Oude Duinen zich op een diepte variërend tussen 4 en 6 m +NAP. In geologische boringen in het plangebied lijkt deze top zich in het plangebied echter op 2,0 à 2,5 m +NAP te bevinden. Dit kan echter niet met zekerheid vastgesteld worden, mede omdat de grens tussen Oude en Jonge Duinen in veel gevallen niet duidelijk vast te stellen is. Vandaar dat ook op hogere NAP-hoogtes nog archeologische waarden kunnen voorkomen.

De maximale NAP-hoogte waarop archeologische waarden verwacht worden, ligt op 6 m +NAP, wat naar gelang de dikte van de bovenliggende duinafzettingen overeenkomt met een maaivelddiepte van minstens 2 m tot meer dan 13 m. Een vindplaats uit deze perioden is over het algemeen te herkennen aan een humeuze laag met een strooiing van onder andere aardewerk. Grondsporen zijn direct onder deze humeuze laag te herkennen. De verwachte resten bestaan overwegend uit sporen van bewoning en landbouw. Voor het overige deel van het plangebied geldt dat archeologisch resten van off-site activiteiten uit de periode Bronstijd tot en met Vroege Middeleeuwen kunnen voorkomen. Vanwege de ligging in de lager gelegen strandvlakte worden geen bewoningsresten verwacht. Wel kunnen resten van akkerbouw, zoals perceleringsgreppels of akkerlagen voorkomen. Deze resten worden verwacht in de top van het veenpakket direct onder het duinzand. Deze resten zullen zich dieper dan 3 m +NAP bevinden, wat naar gelang de dikte van de bovenliggende duinafzettingen overeenkomt met een maaivelddiepte van minstens 4 m-mv, oplopend tot 17 m-mv.

50

(vastgesteld)

Bestemmingsplan Bentveld Hoewel de gronden van het bestemmingsplangebied vermoedelijk voor een groot deel tot de landgoederen Groot Bentveld en Klein Bentveld behoord hebben, is de kans op het aantreffen van sporen hiervan relatief laag. Het plangebied was grotendeels in gebruik als bos- en duingebied, met verspreide agrarische percelen. Sporen van tuinaanleg en resten van hoofd- en bijgebouwen zijn niet in het plangebied te verwachten. Voor de zones waar op historische kaarten huizen, erven en tuinen zijn weergegeven geldt een hoge verwachting op het aantreffen van archeologische waarden uit de Nieuwe tijd. Het gaat hierbij om twee locaties ter hoogte van de Langelaan 15 en Duinrooslaan 3. De bebouwing langs de Duinrooslaan is niet weergegeven op kaarten van voor de 19e eeuw, maar huis langs de Langelaan is al aanwezig op kaarten uit de 17e eeuw. De verwachting is dat deze resten zich direct onder het maaiveld bevinden. Archeologische resten uit deze periode zullen overwegend bestaan uit funderingsresten en sporen van erf- en tuininrichting (zoals greppels en paalkuilen). Ook worden vondststrooiingen van aardewerk, botmateriaal, en ander huishoudelijk afval verwacht. Binnen het gehele plangebied kunnen resten voorkomen uit de Tweede Wereldoorlog. In het uiterste noordwesten worden nog resten van een tankmuur verwacht. Deze resten worden verwacht vanaf het maaiveld.

In het overige deel van het plangebied zullen resten uit de Tweede Wereldoorlog vooral bestaan uit losse vondsten zoals munitie. Op basis van het bureauonderzoek wordt geadviseerd om het bestemmingsplan op te delen in drie delen: Waarde Archeologie 1: Dit betreft de delen waar archeologische resten uit de Nieuwe tijd, waaronder resten van een tankmuur uit de Tweede Wereldoorlog en resten van huizen en erfinrichting, verwacht worden vanaf het maaiveld. Geadviseerd wordt hieraan een aanlegvergunning te koppelen bij plannen groter dan 50 m2. Waarde Archeologie 2: Dit betreft het op de strandwal gelegen deel van het plangebied, waar bewoningsresten verwacht worden uit de periode Bronstijd- Vroege Middeleeuwen, dieper dan 6 m +NAP. Geadviseerd wordt hieraan een aanlegvergunning te koppelen bij plannen groter dan 500 m 2 en dieper dan 6 m +NAP. Waarde Archeologie 3: Dit betreft het op de strandvlakte gelegen deel van het plangebied, waar mogelijk resten van landbouw kunnen voorkomen uit de periode Bronstijd- Vroege Middeleeuwen, dieper dan 3 m +NAP. Geadviseerd wordt hieraan een aanlegvergunning te koppelen bij plannen groter dan 1.000 m2 en dieper dan 3 m +NAP.

(vastgesteld)

51

Bestemmingsplan Bentveld

Afbeelding 20: de voorgestelde archeologische regimes Het voorgaande advies uit het bureauonderzoek is in de juridische regeling en op de verbeelding van het bestemmingsplan opgenomen.

52

(vastgesteld)

Bestemmingsplan Bentveld

5.5

Cultuurhistorie

5.5.1

Wettelijk kader

Besluit ruimtelijke ordening Op 1 januari 2012 is het gewijzigde Besluit ruimtelijke ordening (Bro) in werking getreden. In artikel 3.1.6, lid 5 onder a van het Bro is de verplichting voor het opnemen van een beschrijving over de wijze waarop met de in het plangebied aanwezige cultuurhistorische waarden en in de grond aanwezige of te verwachten monumenten rekening is gehouden opgenomen. Het voorstel tot wijziging is een uitvloeisel van de Beleidsbrief Modernisering Monumentenzorg (MoMo) uit 2009. Provinciale Leidraad Landschap en Cultuurhistorie De provincie Noord-Holland hanteert het beleidsinstrument "Leidraad Landschap en Cultuurhistorie". Hierin heeft de provincie de cultuurhistorische waarden in beeld gebracht. De waardering zoals vastgelegd in de leidraad geldt als uitgangspunt van beleid. Provinciale Milieuverordening De provincie Noord-Holland heeft in de PMV regels opgenomen ter bescherming van de aardkundige monumenten. Het doel van het aardkundige monumentenbeleid van de provincie is de duurzame instandhouding van gebieden die extra bescherming behoeven vanwege hun waardevolle bodem en/ of waardevolle elementen die primair bepaald zijn door de bodem.

5.5.2

Plangebied

In de Nota Belvedère (1999) worden vanuit de cultuurhistorie de meest waardevolle gebieden van Nederland geselecteerd: de zogenaamde Belvedère gebieden. De nota is een aanwijzing en voorzet hoe gemeenten met de inrichting van hun grondgebied moeten omgaan wat betreft cultuurhistorie. Het plangebied maakt onderdeel uit van het belvedèregebied Kennemerland. Kenmerkend voor dit belvedè regebied zijn de landschappelijk fraaie landgoederen en oude villawijken die op het oude duingebied zijn gebouwd. Deze waarden dienen beschermd te worden en nieuwe ontwikkelingen dienen ingepast te worden met aandacht voor de cultuurhistorische waarden. Eén van de belangrijkste doelstellingen van dit bestemmingsplan is het behoud van deze karakteristieke waarden van Bentveld. Er zal terughoudend gereageerd worden op nieuwe woningen en ook nieuwbouw door splitsing van kavels wordt vermeden om verdichting tegen te gaan. In het gebied zijn vier gemeentelijke monumenten aanwezig, zie voor een beschrijving hiervan paragraaf 2.1.3. Deze monumenten zijn aangeduid op de verbeelding en in de planregels voorzien van een beschermende regeling. De landgoederen en villagebieden op en langs de binnenduinrand zijn aangemerkt als cultuurhistorisch waardevolle gebieden. Deze worden niet voorzien van een specifieke regeling, maar worden afdoende beschermd door de bestemmingslegging en de bijbehorende planregels.

In paragraaf 4.3.3 is ingegaan op de relatie tussen voorliggend bestemmingsplan en het landgoed Groot Bentveld. In paragraaf 3.2.3 is reeds ingegaan op de bescherming van het aan het plangebied grenzende Aardkundige Monument. Dit bestemmingsplan maakt geen activiteiten mogelijk die het Aardkundige Monument kunnen aantasten.

(vastgesteld)

53

Bestemmingsplan Bentveld

5.6

Ecologie

5.6.1

Wettelijk kader

Wet natuurbescherming Per 1 januari 2017 is de Wet natuurbescherming van kracht. De Wet natuurbescherming vervangt drie actuele wetten, te weten de Flora- en faunawet, de Boswet en de Natuurbeschermingswet 1998. Daarmee zijn gebiedsbescherming en soortbescherming bij elkaar gebracht in één Nederlandse wet. Deze wet beschermt de van nature in Nederland in het wild voorkomende planten en dieren en hun directe leefomgeving, waaronder nesten en holen. De Wet natuurbescherming wijkt in een aantal opzichten af van de Flora- en faunawet; de strekking is echter hetzelfde. In de wet is onder meer bepaald dat beschermde dieren niet gedood, gevangen of verontrust mogen worden en planten niet geplukt, uitgestoken of verzameld mogen worden (algemene verbodsbepalingen). Net als in de Flora- en faunawet is in de Wet natuurbescherming een zorgplicht opgenomen, een algemeen geldende fatsoensnorm voor de omgang met flora en fauna. Deze zorgplicht houdt in dat menselijk handelen zo weinig mogelijk nadelige gevolgen voor flora en fauna mag hebben. De soortbeschermingsbepalingen uit de Europese richtlijnen Vogelrichtlijn (VR) en Habitatrichtlijn (HR) zijn in de Wet natuurbescherming geïmplementeerd: soorten en vegetatietypen waarvoor Natura 2000-gebieden zijn aangewezen, worden beschermd onder de nieuwe Wet natuurbescherming.

Ongeveer 200 soorten verliezen hun bescherming in vergelijking met de eerder vigerende Flora- en faunawet, voornamelijk soorten vaatplanten (muurplanten, orchideeën) en (zee)vissen. De bij de Flora- en faunawet gehanteerde gedragscodes blijven bestaan, zij het dat de lijsten met beschermde soorten wijzigen en aangepast moeten worden. Voor soortbescherming in relatie tot ruimtelijke ingrepen is een aantal artikelen in de nieuwe Wet natuurbescherming van belang:  Zorgbeginsel artikel 1.10 en 1.11: net als bij artikel 2 Ffwet is de intrinsieke waarde van soorten vastgesteld in een doelbepaling en geldt voor alle soorten, los van een beschermingsregime, een zorgplicht. Dit zorgbeginsel is vergelijkbaar met de zorgplicht in de Ffwet. 

Actieve soortbescherming, artikel 1.12. Provincies moeten verplicht beleid opstellen voor de bescherming van soorten, specifiek in hun eigen provincie. Dit beleid is nog in ontwikkeling en de inhoud is nog niet bekend. Er worden in de Wet natuurbescherming drie beschermingsregimes onderscheiden: 1. Soorten van Vogelrichtlijn: Bescherming van alle in het wild levende vogels in de EU, beschreven in artikel 3.1-3.4. Dit beleid verandert deels t.o.v. de. Ffwet. Het begrip "opzettelijk" is bij doden, vangen en verstoring van nesten etc. opgenomen. Hieronder valt ook het begrip "voorwaardelijk opzet". De grote verandering is dat verstoring onder de nieuwe wet is toegestaan, mits de staat van instandhouding van de soort maar niet in het geding komt. Degene die de verstoring begaat, moet dan aantonen dat er geen verstoring van wezenlijke invloed is. Verstoren van broedende vogels (op nest) en eieren blijft verboden. De provincie kan hiervoor vrijstellingen maken en ontheffingen verlenen.

54

(vastgesteld)

Bestemmingsplan Bentveld 2. Soorten van Habitatrichtlijn: Bescherming van dier- en plantensoorten in artikel 3.5-3.9: A. die strikt beschermd zijn op grond van Habitatrichtlijn bijlage IV, Verdrag van Bern bijlage I en II, Verdrag van Bonn bijlage I. In geval van ontheffing of vrijstelling moet aan drie voorwaarden voldaan worden: dat er geen andere bevredigende oplossing bestaat, de handeling noodzakelijk is (diverse redenen mogelijk, waaronder die van groot openbaar belang met redenen van sociale en economische aard) en tot slot alleen wanneer er geen afbreuk gedaan wordt aan de gunstige staat van instandhouding van de soort in haar natuurlijke verspreidingsgebied. B. die streng beschermd zijn op grond van Habitatrichtlijn bijlage V, Verdrag van Bern bijlage III, Verdrag van Bonn bijlage II. Hiervoor moeten maatregelen worden getroffen indien de gunstige staat van instandhouding in het geding is. In geval van ontheffing of vrijstelling moet alleen voldaan worden aan de eis dat de gunstige staat van instandhouding niet in het geding komt. Hiervoor zijn maatregelen verplicht. Ook hier is het opzetvereiste van toepassing, maar in tegenstelling tot vogels is er geen uitzondering dat 'verstoring toegestaan is zolang het niet van wezenlijke invloed is'. Via een AMvB kunnen nog nadere regels gesteld worden.

De provincie kan vrijstellingen maken en ontheffingen verlenen, met in achtneming van de belangen. 3. Andere soorten: Dit zijn de in de bijlage van bij artikel 3.10 van Wet natuurbescherming genoemde soorten. Op deze bijlage staan zoogdieren, amfibieën, reptielen, vissen, dagvlinders, libellen, kevers en vaatplanten. Onderdeel A bevat de fauna, onderdeel B de flora. Deze lijst is een nationale toevoeging en betreft soorten die in principe een landelijke achteruitgang kennen. In praktijk is deze bescherming lichter en verwacht wordt dat ontheffingen vrij gemakkelijk verkregen kunnen worden, aangezien er niet de zwaardere belangen gelden voor de soorten van de Europese richtlijnen. Ruimtelijke ontwikkeling is een geldig belang voor een ontheffing (art 3.10.2 onderdeel a). Opzettelijk verstoren in algemene zin, wordt voor deze groep niet genoemd als verbod. De provincies kunnen voor deze lijst vrijstellingsbesluiten maken. Op dit moment staan ook zeer algemene soorten op deze lijst; mogelijk zal er een vrijstellingsbesluit of AMvB opgesteld worden hoe hier mee om te gaan.

5.6.2

Plangebied

5.6.2.1 Algemeen Het plangebied grenst aan de noord-, zuid- en westzijde aan het Natura 2000-gebied "Kennemerland-Zuid". Dit is een uitgestrekt duingebied aan de zuidkant van het Noordzeekanaal. De overgang tussen de kalkrijke jonge duinen en ontkalkte oude duinen ligt ter hoogte van Zandvoort. Dit levert een soortenrijke en kenmerkende begroeiing op, met duinroosvegetaties in het open duin, duingraslanden, vochtige en droge duinvalleien, plasjes, goed ontwikkelde struwelen en diverse vormen van duinbossen. Vegetaties van vochtige en natte duinvalleien komen met name voor ten zuiden van Zandvoort, waarvan het Houtglob het best ontwikkelde kalkrijke, natte duinvallei is. Het areaal kalkrijk duingrasland is vooral rondom Zandvoort groot. Hier komen over voorbeelden van het zeedorpenlandschap voor. De oudere duinen van het zuidoostelijk gedeelte herbergen goed ontwikkeld kalkarm duingrasland. Ook zijn er in het zuidelijke puntje en ter hoogte van Zandvoort paraboolduincomplexen aanwezig. Het Kennemerstrand is de enige locatie langs de Hollandse vastelandsduinen waar een jonge strandvlakte met embryonale duinen en een uitgestrekte oppervlakte met kalkrijke duinvalleien aanwezig is. Aan de binnenduinrand zijn diverse landgoederen aanwezig.

Hier is een aantal oude buitenplaatsen gelegen, die voor een aanzienlijk deel bebost zijn met naaldbos en loofbos, waaronder oude bossen met rijke stinzeflora.

(vastgesteld)

55

Bestemmingsplan Bentveld

Afbeelding 21: de ligging van het plangebied (binnen rode cirkel) grenzend aan het Natura 2000 gebied Kennemerland-Zuid (geel gekleurd) Het duinengebied heeft een rijke flora en fauna en biedt plaats voor verschillende beschermde soorten. De landgoedbossen in de binnenduinrand bieden plaats aan meerdere vleermuiskolonies. Verder vormt het duingebied het leefgebied van vele andere zoogdiersoorten die wettelijk beschermd zijn. In het duingebied leeft verder de zandhagedis, een soort die sterk afhankelijk is van reliëfrijk, open zand. Deze landelijk bedreigde soort is in het plangebied algemeen te noemen. Alle amfibieën en reptielen worden beschermd door de Wet Natuurbescherming. De vogelbevolking in het duinlandschap is mede door de gevarieerde landschapsstructuur zeer rijk, maar broedvogels in het open duin, zoals de Wulp en Tapuit, zijn schaars geworden. Er komen verschillende soorten voor die voorkomen op de landelijke rode lijst van bedreigde vogels. De broedvogeldichtheid (paren per ha) neemt toe in oostelijke richting, hetgeen vooral te maken heeft met de landinwaarts toenemende structuurrijkdom van de vegetatie. Zeer algemeen zijn struweelvogels als fitis, winterkoning, grasmus en heggenmus.

5.6.2.2 Woningbouwontwikkeling Zuidlaan 51 Ten behoeve van de ontwikkeling van vijf vrijstaande woningen ter plaatse van het huidige manegebedrijf is door Blom Ecologie B.V. een oriënterend onderzoek (quickscan) verricht naar de effecten op de beschermde flora en fauna en/of beschermde natuurgebieden en de mogelijke effecten van de ruimtelijke ingreep. Deze quickscan is opgenomen in bijlage 6 van deze toelichting. De beoogde ingreep betreft in ieder geval het slopen van de bestaande bebouwing en het verwijderen van de bomengroep. Uit de quickscan is gebleken dat in het plangebied of de directe omgeving daarvan beschermde diersoorten van de Wet natuurbescherming voorkomen. De planlocatie heeft aannemelijk geen relevante functie voor beschermde soorten waarvoor geen vrijstelling geldt in het kader van ruimtelijke ontwikkelingen. Mogelijk maken wel vleermuizen gebruik van de locatie tijdens het foerageren en migreren. Daarnaast hebben de planlocatie en de directe omgeving (mogelijk) een functie voor algemeen voorkomende planten, zoogdieren, amfibieën, insecten en vogels. De bomen zijn geschikt als broedlocatie voor algemene broedvogels waar in het broedseizoen rekening mee dient te worden gehouden. Daarnaast ligt de planlocatie naast een Natura 2000-gebied en het Natuurnetwerk Nederland.

Soortbescherming Ondanks dat uit de quickscan is gebleken dat de beoogde ontwikkeling geen negatieve effecten heeft op beschermde soorten binnen en buiten het plangebied is een aanvullend onderzoek naar de zandhagedis uitgevoerd. Het onderzoek is toegevoegd als bijlage 7 aan de toelichting. Tijdens de onderzoekrondes is de zandhagedis niet aangetroffen. Zowel op de planlocatie als in het omliggend bosgebied met open plaatsen zijn geen zonnende of wegschietende individuen aangetroffen.

56

(vastgesteld)

Bestemmingsplan Bentveld Gebiedsbescherming Gelet op de aard van de werkzaamheden, de afstand tot de gebieden en de beoogde situatie is er mogelijk sprake van externe werking op het Natura 2000-gebied. Om uit te kunnen sluiten dat er sprake is van negatieve gevolgen is een ecologische voortoets uitgevoerd. Het volledige onderzoek is toegevoegd als bijlage 8. Uit de ecologische voortoets blijkt dat er geen negatieve effecten te verwachten zijn betreffende de instandhoudingsdoelen van het Natura 2000-gebied ‘Kennemerland-Zuid’ ten gevolge van de beoogde ontwikkelingen. Aanvullend is ook een Aerius berekening uitgevoerd in het kader van de stikstofdepositie, dit onderzoek is toegevoegd als bijlage 9. Op basis van de uitgevoerde berekening kan geconcludeerd worden dat er zowel in de realisatiefase als de gebruiksfase geen toename van de depositie. Aanvullend kan geconcludeerd worden dat de beëindiging van de manege juist leidt tot een afname van stikstofdepositie. Op de planlocatie zijn houtopstanden aanwezig waarvoor bij kap een meldingsplicht (en mogelijk herplantplicht) geldt.

5.6.2.3 Woningbouwontwikkeling Duinrooslaan 3 Ten behoeve van de ontwikkeling van twee vrijstaande woningen op het perceel van de Duinrooslaan 3 is door Blom Ecologie B.V. een oriënterend onderzoek (quickscan) verricht naar de effecten op de beschermde flora en fauna en/of beschermde natuurgebieden en de mogelijke effecten van de ruimtelijke ingreep. Deze quickscan is opgenomen in bijlage 6 van deze toelichting. De Duinrooslaan 3 grenst aan de manege en kan gekenmerkt worden als een bosrijke tuin. Met de beoogde ingreep zullen enkele bomen gekapt worden. Op de planlocatie zijn houtopstanden aanwezig waarvoor bij kap een meldingsplicht (en mogelijk herplantplicht) geldt. Voor de ontwikkeling aan de Duinrooslaan 3 gelden dezelfde conclusies en aanbevelingen als voor de woningbouwontwikkeling op de naastgelegen manege. Aan de Duinrooslaan 3 zijn diverse waarnemingen van uilen bekend, uit onderzoek kan geconcludeerd worden dat dit uitsluitend categorie 5 soorten zoals de bosuil en ransuil zijn. Categorie 5 soorten zijn niet jaarrond beschermd. Rondom de bomen zijn bovendien geen eischalen, braakballen, veren, uitwerpselen of andere sporen aangetroffen die mogelijk aanleiding geven dat een van de te kappen bomen een functie vervult ten aanzien van ransuilen of sperwerachtigen.

Tevens zijn in de directe omgeving ruim voldoende geschikt alternatieven dat de (tijdelijke) afname van enkele bomen geen effect uitoefent op de lokale populaties. Van overtreding van verbodsbepalingen ten aanzien van jaarrond beschermde nestlocaties en essentiële habitatonderdelen is geen sprake. Soortbescherming Ondanks dat uit de quickscan is gebleken dat de beoogde ontwikkeling geen negatieve effecten heeft op beschermde soorten binnen en buiten het plangebied is een aanvullend onderzoek naar de zandhagedis uitgevoerd. Het onderzoek is toegevoegd als bijlage 10 aan de toelichting. Tijdens de onderzoekrondes is de zandhagedis niet aangetroffen. Zowel op de planlocatie als in het omliggend bosgebied met open plaatsen zijn geen zonnende of wegschietende individuen aangetroffen. Gebiedsbescherming Gelet op de aard van de werkzaamheden, de afstand tot de gebieden en de beoogde situatie is er mogelijk sprake van externe werking op het Natura 2000-gebied. Om uit te kunnen sluiten dat er sprake is van negatieve gevolgen is een ecologische voortoets uitgevoerd. Het volledige onderzoek is toegevoegd als bijlage 11. Uit de ecologische voortoets blijkt dat er geen negatieve effecten te verwachten zijn betreffende de instandhoudingsdoelen van het Natura 2000-gebied ‘Kennemerland-Zuid’ ten gevolge van de beoogde ontwikkelingen.

In het kader van de stikstofdepositie wordt geconcludeerd dat er vanwege de beëindiging van de manege op planniveau sprake is van een afname van stikstofdepositie. Het verdwijnen van de manege hangt rechtstreeks en onlosmakelijk samen met het bestemmingsplan. De positieve gevolgen van het verdwijnen van de manege voor de natuur moeten dus bij de beoordeling van het plan worden betrokken. Gelet daarop is geen sprake van een toename van stikstofdepositie in Natura 2000-gebieden.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij iBabs is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/11038084/1