CConstaterende datZaltbommel
Koppel je AI →
Document · PDF

Toelichting Rondgang II Vaststelling

Raadsvergadering 4 juli 2024, gemeente ZaltbommelBij agendapunt: Gewijzigde vaststelling bestemmingsplan ''Gameren, De Rondgang II''17.119 woorden

Open het PDF bij iBabs ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 3

Ook de onttrekking van grondwater zoals voor bronneringen valt onder het vergunningenstelsel. Op de Leggers zijn de waterstaatswerken aangegeven. Rivierengebied Klimaatbestendig, Samen aan de slag! Regionale Adaptatiestrategie (vastgesteld in Raad Zaltbommel juni 2021) Met deze strategie maken gemeenten, waterschap, provincie en andere stakeholders in het Rivierengebied op regionaal niveau inzichtelijk of en zo ja waar extra inzet nodig is om vanaf 2020 klimaatadaptief te handelen en in 2050 te zijn. Het gaat om wateroverlast, droogte, hitte en risico 27

op overstromingen, waarvoor Rivierenland gevoelig tot zeer gevoelig is. De strategische lijnen zijn het vergroten van bewustwording en kennis, op een andere manier (durven) denken en samenwerken, eerst de urgente opgaven aanpakken en koppelen aan andere opgaven en verbinden van verschillende schaalniveaus. De volgende ambities voor 2050 zijn gesteld: Leefbare kernen, aantrekkelijke groene en leefbaar waar het goed wonen, werken en recreëren is. Duurzame logistiek en bedrijvigheid, met groen en water als bouwstenen. Voorbereid zijn op situaties waar infra tijdelijk kan uitvallen. Vitale en toekomstbestendige land- en tuinbouw, bestand tegen klimaatverandering. Robuust en aantrekkelijk rivierenlandschap. Lokaal adaptatieprogramma. Gemeente Zaltbommel. Gemeente Zaltbommel (vastgesteld september 2021) Dit document bevat beleidsuitgangspunten, ambities en prioriteiten voor het lokale traject voor klimaatadaptatie. In 2020 is een stresstest uitgevoerd met modelberekeningen en analysen voor droogte en hitte. Voor wateroverlast volgt nog een verdiepende stresstest. Zaltbommel geeft de voorkeur aan stimuleren in plaats van reguleren. Bij nieuwbouw wordt wel gereguleerd om problemen in de toekomst voor te zijn. Beleidskeuzen hiervoor moeten worden belegd in Omgevingsvisies en –plannen.

Gestreefd wordt bijvoorbeeld voor beleid voor: groen dak op een plat dak bij nieuwbouw, eventueel in combinatie met zonnepanelen. bestaande groenstructuren als uitgangpunt inpassen in nieuwe ontwikkelingen. Zo wordt waardevol groot/robuust groen behouden; ontwikkelen van een handreiking klimaatinclusief bouwen in 2023, samen met de regio. hanteren van een groennorm per nieuwbouwwoning en maximaal verhardingspercentage van een perceel nieuwbouw binnen de bebouwde kom. Omgevingsvisie Bommelerwaard (vastgesteld oktober 2022) In de Omgevingsvisie geven de gemeenten Zaltbommel en Maasdriel de kaders aan voor toekomstige veranderingen en ontwikkelprojecten. Uitgangspunt daarbij is “ja, mits” en participatie van de omgeving. Het gaat immers om een fijne leefomgeving voor iedereen. De gemeenten vinden het belangrijk dat initiatieven aansluiten bij de waarden en kernkwaliteiten, aangegeven op de BommelerWaardenkaart. Voor het plangebied Rondgang II is dit “open kommen”. Dit zijn de lager gelegen rivierkomvlakten. Gemeente Zaltbommel ziet deze open kommen in haar visie vooral geschikt voor de grondgebonden veehouderij. Op de BommelerVisiekaart staat plangebied Rondgang II wel als “Onderzoeksrichting uitbreiding bedrijventerrein”. Water en Rioleringsplan Bommelerwaard 2017-2021.

Gemeente Zaltbommel en Gemeente Maasdriel, maart 2017 Dit plan verwoordt de ambities voor water en riolering voor de gemeenten, een uitvoeringsplan dat hieruit voortvloeit en de kostendekking. Voor nieuwbouw eisen de gemeenten in lijn met wet- en regelgeving een gescheiden inzameling van vuil water en hemelwater voor. Om foutaansluitingen te voorkomen legt de gemeente bij een nieuwe huisaansluiting op het gescheiden stelsel twee ontstoppingsputten aan en controleert ze de aansluiting. Het omgaan met afvalwater vanaf bedrijven is verder geregeld in het Activiteitenbesluit. 28

In gebieden met een hoge grondwaterstand moeten passende maatregelen worden getroffen om grondwateroverlast te voorkomen. Permanent afvoeren van grondwater mag niet. Voor nieuwbouw hanteren de gemeenten de volgende ontwateringseisen: 1 m bij bebouwing met kruipruimte en ontsluitingswegen 0,3 m bij bebouwing zonder kruipruimte 0,7 m bij erftoegangswegen 0,4 m bij tuinen en groenvoorzieningen Samen door één Buis, vertrekpunt voor samen werken aan riolering en stedelijk water. Waterschap Rivierenland, januari 2019. Met deze nota beoogt het waterschap samen met de gemeenten lozingen van afvalwater en hemelwater zodanig te beheersen dat watersysteemdoelen op doelmatige wijze (blijven) worden bereikt. De nota is ook door (praktisch) alle gemeenten ondertekend. Voor een nieuwbouwontwikkeling kan het door het adviesbureau worden gebruikt bij het opstellen van een rioleringsplan.

5.1.3 Waterkeringen & waterveiligheid Huidige situatie De primaire waterkering langs de Waal met haar beschermingszones ligt ruim buiten het plangebied Rondgang II, op meer dan 1 km afstand.

Fig. 5.1 Ligging plangebied, geheel perceel 1592 tussen de ijsbaan en bedrijven aan de Rondgang.

29

Fig. 5.2 Legger Waterkeringen, blauwe vlak is plangebied

Het plangebied ligt in de Bommelerwaard, een poldergebied tussen Maas en Waal. Op de Atlas voor de Leefomgeving geeft de Rijksoverheid aan wat de maximale waterdiepte is bij overstromingen. Dan gaat het om een doorbraak van primaire waterkeringen, zoals langs de Waal. De kans is weliswaar klein (gemiddelde kans van voorkomen ca 1/1.000 per jaar), maar Rondgang Gameren moet rekening houden met een waterdiepte van ruim 5,5 meter (zie ook overstroomik.nl of basisinformatie-overstromingen.nl). Droge verdiepingen zijn er zeer beperkt in de buurt. Al is dat voor bedrijfsbebouwing ook minder noodzakelijk dan voor woongebied. Toekomstige situatie De planontwikkeling heeft geen invloed op de waterkering. Het plangebied ligt op in de rivierkomvlakte, dus relatief laag. Bij een overstroming met kleine kans maakt dat echter weinig verschil met andere delen van de Bommelerwaard, gezien de grote maximale waterdiepte. In geval van overstromingen kan geëvacueerd worden naar verder weg gelegen hogeren gronden.

5.1.4 Grondwater en bodemdaling Huidige situatie Het maaiveldniveau in het plangebied varieert van NAP+1,25 tot +1,6 m. Het zomerpolderpeil in peilvak BOM320 bedraagt NAP+0,80 m (met marge van +20 cm). Volgens een kaart uit de klimaatatlas op de website van het waterschap is de Gemiddeld Hoogste Grondwaterstand (GHG) zeer hoog, namelijk 0,2 m tot 0 minus het huidige maaiveld. In het plangebied komt lichte kwel voor.

30

Fig. 5.3 Gemiddeld hoogste grondwaterstand

Volgens de modelinformatie in het Bro-loket bestaat de ondergrond uit een ca 5 meter dikke laag klei (Holocene afzettingen), met daaronder vooral zand (grof, matig fijn en fijn, Formatie van Kreftenheye, mogelijk een klein deel grindig van Formatie van Beegden), tot zeker 25 meter minus maaiveld. Daaronder fijn en kleiig zand van de formatie van Sterksel. Vooral veen en klei zijn gevoelig voor bodemdaling. Volgens de Atlas van de Leefomgeving is het plangebied in geringe mate gevoelig voor bodemdaling (ca 1 mm/jr). Het plangebied ligt niet in een grondwaterbeschermingsgebied (bron Omgevingsverordening Gelderland). Toekomstige situatie Voor een klimaatrobuuste ontwikkeling van het plangebied is ophoging noodzakelijk. Bij voorkeur wordt gewerkt met een gesloten grondbalans. Nagegaan wordt nog of de vrijkomende grond (klei) bij het graven van extra oppervlaktater, kan worden verwerkt in de ophoging (o.a. afhankelijk van funderingswijze). Naar verwachting is nog extra aanvoer van ophogingsmateriaal nodig. De in het Water- en Rioleringsplan aangegeven ontwateringsdiepten worden gehanteerd. In het plan zijn geen kelders voorzien. Bij opstellen van dit bestemmingsplan is de verwachting dat het plangebied circa 60 cm wordt opgehoogd tot ca NAP+2,0 m voor wegen en parkeren. Voerpeil van bebouwing komt dan op minimaal NAP+2,2 m.

5.1.5 Oppervlaktewater en waterberging Huidige situatie Het plangebied ligt in de polder Bommelerwaard, in peilgebied BOM320. Het zomerpeil is NAP+0,80 m, het winterpeil wat lager met NAP+0,60 m. Voor het peilbeheer wordt een marge van 20 cm zowel naar boven als beneden aangehouden om te kunnen inspelen op weersveranderingen. De afvoer uit 31

dit peilgebied is naar het westen, naar peilgebied BOM300. De watergang op de westgrens van het plangebied ligt in peilgebied BOM300. Het peil is daar 20 cm lager met Zomerpeil NAP+0,60 m en winterpeil NAP+0,40 m en de marges naar boven en beneden zijn 25 cm. In droge perioden kan water worden ingelaten.

Fig. 5.4 Kaart waterstanden peilgebieden polder Bommelerwaard

Het plangebied wordt omgeven door water. Aan de westzijde ligt A/Primair-water 007804, aan de zuidzijde A-water 130313, aan de oostzijde B/Secundair-water 033792, B-water 033797 deelt het plangebied in tweeën en aan de noordzijde ligt C/Tertiair-water 085335.

32

Fig. 5.5 Legger Wateren Waterschap Rivierenland. Groene vlakken langs wateren zijn beschermingszones

Op leggerwateren is de Keur van toepassing, met bijbehorende regels. A-wateren worden door het waterschap onderhouden. Aanliggende perceeleigenaren zijn verantwoordelijk voor onderhoud van b-wateren, zoals verwijderen van waterplanten of verstoppingen van duikers. Het waterschap controleert dit jaarlijks. De beschermingszones zijn nodig om nu en in de toekomst goed onderhoud te kunnen uitvoeren. De Keur legt daarom voor deze zones beperkingen op (obstakelvrije zone). De klimaateffectatlas Regio Rivierenland geeft een indicatie van wateroverlast bij verschillende pieksituaties. Met de huidige maaiveldhoogtes is het plangebied gevoelig voor wateroverlast. De hoge grondwaterstanden en de vele greppels (noordzuid-richting) in het plangebied wijzen hier ook al op. Versnelde afvoer van neerslag van nieuw verhard oppervlak moet worden gecompenseerd, zodat de kans op overstroming vanuit oppervlaktewater niet toeneemt. Met de omvorming van grasland naar bedrijventerrein (stedelijk gebied) krijgt het gebied een hoger beschermingsniveau en is het 33

gebied niet meer beschikbaar voor waterberging bij extremen (>T10), ter bescherming van het bestaande stedelijk gebied. Het waterschap hanteert hiervoor de volgende vuistregels: Bij compensatie in open water (leggerwateren) is de waterbergingsopgave 436 m³/ha. De toelaatbare peilstijging waarmee gerekend mag worden bedraagt hier 0,3 m. Bij compensatie in wadi’s is de waterbergingsopgave 664 m³/ha. Berging telt alleen mee boven de gemiddeld hoogste grondwaterstand, tot aan maaiveld, met een maximum diepte van 40 cm. De Beleidsregels maken onderscheid naar wadi’s met lediging via infiltratie (bodem minimaal 50 cm boven GHG) en met alleen waterberging (geknepen afvoer van 1,5l/s/ha met een ledigingstijd van 96 uur, ledigingstijd is leidend). Recent heeft afdeling Hydrologie bij het waterschap echter een nieuwe richtlijn gegeven voor wadi’s. In alle gevallen moet grondverbetering worden toegepast (meestal 20 cm mengsel tunnelcompost en drainagezand, 20 cm drainage zand) en daaronder een afvoerende drain met knijpconstructie en een ledigingstijd van maximaal 96 uur (liever 48 uur). Dempen van wateren moet 1 op 1 worden gecompenseerd. Toekomstige situatie In de bijlage Waterbalans (d.d. 11 aug. 2023, zie bijlage IV) staat de cijfermatige onderbouwing voor de toename van verhardingen en de waterbergingscompensatie.

De oppervlakteveranderingen door de planontwikkeling staan in onderstaande tabel. Voor de berekening van de watercompensatie is ervan uitgegaan dat het uitgeefbaar bedrijventerrein en de wegen 100% verhard zijn. Oppervlakteverdeling

Huidige situatie m²

Toekomstig m²

Uitgeefbaar bedrijven Wegen

0 0

30.702 4.635

Onverhard (groen)

48.855

7.258

Wadi Water te dempen/graven Waterberging Water behouden (oostgrens) Totaal

0 700

2.250 2.310 2.400 350 49.905

350 49.905

Met een te graven oppervlak open water van 2310+2400=4.710m² (bergende schijft 30 cm) en wadi met een totaal oppervlak van 2.250m² (bergende schijf 25 cm) voldoet het plangebied aan de wateropgave bij de beoogde verhardingstoename in het plan. Ook de demping van de B-watergang in het plangebied wordt hiermee gecompenseerd. Het zuidelijk deel van het plangebied is primair voor waterberging aangewezen. Dit ligt in het verlengde van de waterberging bij het bestaande bedrijventerrein. Helaas kan dit gebied niet geheel als permanent open water worden ingericht, omdat hier recent een ondergrondse hoogspanningsleiding is aangelegd (zie bestemmingsplan Zuilichem, Mertstraat transformatorstation, vastgesteld 11 november 2021). De leidingbeheerder heeft voorwaarden meegegeven voor de zakelijk rechtstrook. Waar de leiding de N322 kruist, ligt de leiding diep en mag gegraven worden (tot 135m vanaf de oostelijke perceelsgrens). Verder westelijk mag niet gegraven 34

worden. Een wadi kan daar wel, aangezien het plangebied wordt opgehoogd en de bodem van de wadi boven het huidige maaiveld komt. De B-watergang op de oostgrens van het plan wordt verbreed naar 16 m. Ook de C-watergang aan de noordzijde wordt verbreed. De duikers in de C-watergang worden vervangen door grotere duikers rond 470mm. De verbindingen tussen de huidige c-watergang (noordzijde plangebied) naar het westen en het oosten worden verbroken. Overal wordt rekening gehouden met ruimte voor onderhoud van 4 m breed uit de insteek. Om het water optimaal vast te houden is het voorstel om een V-stuw aan te leggen tussen de Bwatergang en de A-watergang in de zuidoosthoek van het plangebied. De wadi watert af naar de waterberging en ook tussen de nieuwe waterberging in het zuiden en de B-watergang wordt een knijpconstructie aangelegd. De knijpconstructies wordt nader gedetailleerd in het kader van de aanvraag watervergunning, gericht op opstuwing tot 30 cm in het plangebied in een T10-situatie. Randvoorwaarde is dat geen ontoelaatbare peilstijgingen buiten het plangebied optreden. Een negatieve invloed op de waterhuishouding in Rondgang I wordt niet verwacht. Het hemelwater van Rondgang I gaat immers naar een eigen waterberging, die via een knijpconstructie afvoert op de Awatergang. De A-watergang verandert niet.

De wadi wordt voorzien van een noodoverlaat (slokop of drempel) op circa 10 cm onder maaiveldniveau, met afvoer naar de open-water berging. De wadi ledigt via een grondverbetering (40 cm) en een drain onder de bodem van de wadi ook richting open waterberging. Het water wordt in eerste instantie zoveel mogelijk richting wadi afgevoerd.

5.1.6 Afvalwater en riolering Huidige situatie Het plangebied is nu nog agrarisch gebied en niet aangesloten op riool. Toekomstige situatie Conform het beleid wordt het plangebied voorzien van een verbeterd gescheiden rioolstelsel voor inzameling van vuilwater en schoon hemelwater. Dit pas bij de beoogde milieucategorie 3 bedrijven voor het nieuwe bedrijventerrein. Vuilwater en de eerste millimeters regenwater van verhardingen worden afgevoerd naar de rioolwaterzuiveringsinstallatie. De hoeveelheid vrijkomend afvalwater wordt in dit stadium geschat. Naar verwachting komen er geen bedrijven met een groot waterge- of verbruik. Stichting RioNed geeft aan dat voor bedrijfsafvalwater geen defaultwaarden (kentallen) beschikbaar zijn. Ook Gemeente Zaltbommel heeft hiervoor geen kentallen. Volgens RioNed is 0,5m³/u/ha bruto oppervlak wel een gebruikelijke norm voor bedrijven zonder speciaal watergebruik. Dat maakt de prognose 1,6 m³/u (0,5m³/u/ha*3,07 ha). Volgens Gemeende Zaltbommel kan de uitbreiding Rondgang II afvoeren op het gemaaltje bij het huidige bedrijventerrein, dat staat aan de kant van de nieuwe uitbreiding. Dat gemaal heeft nog overcapaciteit. Dat gemaaltje voert af naar de kern Gameren. Kern Gameren voert via waterschapsgemaal Gameren naar RWZI Zaltbommel. De RWZI kan de extra DWA-belasting aan. Op 35

basis van beleid Samen door een Buis vereist het waterschap wel dat de gemeente het extra aanbod compenseert door elders in het gebied verhard oppervlak af te koppelen van het riool. Schoon hemelwater wordt afgevoerd naar de wadi, waterberging en/of het oppervlaktewater in en om het plangebied. Riolering, hemelwaterstelsel, wadi, ontwatering en watersysteem met knijpconstructies worden nader uitgewerkt in een nog op te stellen Waterhuishoudings- en rioleringsplan, in overleg met de gemeente en het waterschap. In principe worden geen uitlogende materialen toegepast waar ze in aanraking kunnen komen met afstromend hemelwater. Daar waar dit wel het geval worden deze voorzien van een coating (zoals zink voor een dakgoot). Op die manier wordt verontreiniging van bodem en water voorkomen.

5.1.7 Waterkwaliteit, ecologie en onderhoud Huidige situatie De waterkwaliteit en ecologie van de huidige sloten zijn niet bekend. Wel zijn scores van de KRWwaterlichamen beschikbaar voor nabijgelegen wateren. Over het algemeen zijn de scores voor biologie en ecologie ‘ontoereikend’. De onderdelen vis en macrofauna scoren wel goed. De oevers van de sloten rond het plangebied hebben een natuurlijk talud, geen natuurvriendelijke oevers. Toekomstige situatie Nieuw open water dat wordt gegraven voor het plan, en de verbreding van bestaande wateren worden allemaal voorzien van oever met taludhelling van 1:2. Onderhoud wordt uitgevoerd vanaf de kant. Bij een goede uitvoering van het verbeterd gescheiden rioolstelsel en bewust gebruik, zal de waterkwaliteit en ecologie van de wateren niet veranderen. Bedrijven moeten werken en inrichten volgens de regels van het Activiteitenbesluit. Het type inrichting/bedrijf bepaalt de benodigde extra maatregelen. Een voorbeeld is een olieafscheider voor een garagebedrijf. De nieuw te graven waterberging aan de zuidzijde van het plangebied krijgt zoveel mogelijk organische vormen, zodat veel oeverlengte ontstaat met voor de biodiversiteit interessante overgangen tussen land en water. Bij het ontwerp is ermee rekening gehouden dat het water overal vanaf de kant kan worden onderhouden (en met draaicirkels).

De nieuwe waterberging en de wadi worden als B-water toegevoegd op de Legger Wateren van Waterschap Rivierenland. Onderhoud van alle nieuw te graven wateren (B- en C) komt bij de gemeente, als toekomstig eigenaar van het openbaar gebied.

5.1.8 Klimaatadaptatie Huidige situatie Klimaatverandering vraagt voorbereiding en aanpassing. Klimaatverandering leidt tot meer kans op hitte, langduriger droogte, maar ook extremere (zomer) piekbuien en grotere kans op overstromingen (zowel lokaal als regionaal). Overstroming, wateroverlast en bodemdaling zijn in de voorgaande paragrafen al aan de orde gekomen. Wat betreft hitte ligt de planlocatie nu op een relatief koele plek. Gezien het landelijke karakter is er nauwelijks sprake van hitte-eiland effect. 36

Hitte(eiland)vorming wordt beperkt door (de verdamping bij) groen, bomen en water, terwijl meer verstening juist voor meer hitte zorgt. Binnen bebouwd gebied kunnen bomen, schaduwplekken en goede luchtstroming /wind in de buitenruimte ervoor zorgen dat hitte minder wordt ervaren. Volgens de klimaateffectatlas is het plangebied niet of nauwelijks droogtegevoelig. Toekomstige situatie Het verhard oppervlak neemt in het plangebied toe en dus leidt het plan in theorie tot een hogere hittekans. Het wateroppervlak neemt ook toe, wat de hogere hittekans door verstening wat tempert. De omgeving blijft verder landelijk, waardoor van hitte-eiland effect nauwelijks sprake is.

5.1.9 Conclusie Met het bestemmingsplan wordt 3,1 ha uitgeefbaar bedrijventerrein ontwikkeld. In deze waterparagraaf is beschreven dat het ontwerp rekening houdt en wordt aangepast aan de bodemen waterhuishoudkundige omstandigheden (ophoging maaiveld, waterberging toevoegen). Uit de waterparagraaf blijkt dat geen negatieve effecten te verwachten zijn op de omgeving, onder andere door graven van voldoende open water en aanleg van een wadi. Voor verschillende activiteiten is een watervergunning nodig, zoals voor het dempen en graven van water en de aanleg van meer dan 500 m² nieuw verhard oppervlak. Waterhuishouding en riolering in het plangebied worden nader gedetailleerd in een nog op te stellen plan, in overleg met de gemeente en waterschap. Daarin wordt ook de te realiseren knijpconstructie in het plangebied gedetailleerd. De Keur van Waterschap Rivierenland met de bijbehorende regels dient als toetsingskader voor de verdere uitwerking en realisering van het plan.

5.2

Leidingen Zoals in de waterparagraaf aangegeven, ligt in het zuidelijk deel van het plangebied een ondergrondse hoogspanningsleiding (zie bestemmingsplan Zuilichem, Mertstraat transformatorstation, vastgesteld 11 november 2021). De leidingbeheerder heeft voorwaarden meegegeven voor de zakelijk rechtstrook. Waar de leiding de N322 kruist, ligt de leiding diep en mag gegraven worden (tot 135 m vanaf de oostelijke perceelsgrens). Verder westelijk mag niet gegraven worden. Een wadi kan daar wel, aangezien het plangebied wordt opgehoogd en de bodem van de wadi boven het huidige maaiveld komt. Uit een voor deze locatie uitgevoerde klic-melding blijkt dat binnen het plangebied geen overige bijzondere leidingen aanwezig zijn welke een belemmering zouden kunnen vormen voor realisatie van het project. Bij het verrichten van graafwerkzaamheden zal met de aanwezige leidingen rekening worden gehouden. Verder is het perceel niet gelegen binnen een straalpadzone. Conclusie Er zijn geen leidingen aanwezig die een belemmering vormen voor dit plan. 37

5.3

Bedrijven en zonering

5.3.1 Algemeen De scheiding van milieubelastende en milieugevoelige functies is noodzakelijk in het kader van een goede ruimtelijke ordening. Op die manier wordt voorkomen dat bij nieuwe ontwikkelingen sprake kan zijn van hinder en gevaar bij woningen en andere gevoelige functies en wordt voldoende zekerheid geboden aan bedrijven dat zij hun activiteiten duurzaam binnen aanvaardbare voorwaarden kunnen uitoefenen. De milieuhinder van bedrijven dient te worden geanalyseerd op hun invloed op mogelijke ontwikkelingen. Indien milieubelastende functies in het plangebied mogelijk worden gemaakt, dient de invloed op de omgeving inzichtelijk te zijn. Om te beoordelen of de afstanden tussen de milieubelastende activiteit en de milieugevoelige functie acceptabel is, kan worden aangesloten bij de richtafstanden zoals opgenomen in de VNG-brochure (‘Bedrijven en Zonering’).

5.3.2 Toetsing Voor de projectlocatie is onderzocht met welke milieugevoelige objecten rekening moet worden gehouden. Hierover het volgende. Middels dit bestemmingsplan wordt een bedrijventerrein mogelijk gemaakt waarbinnen bedrijven mogelijk zijn met (maximaal) milieucategorie 3.2. De VNG-brochure geeft voor bedrijven uit milieucategorie 3.2 een richtafstand van 100 meter tussen milieugevoelige en milieubelastende functies.

Fig. 5.6 Overzicht milieugevoelige objecten 38

In figuur 5.6 zijn de relevante objecten aangeduid: a. Woonwijk Jan Coolenhof (rode pijl) De afstand van de Rondgang II tot deze woonwijk bedraagt meer dan 200 meter. Daarmee wordt voldaan aan de richtafstand. b. Woning Middelkampseweg 28 (groene pijl) De afstand van de Rondgang II tot deze woning bedraagt eveneens meer dan 200 meter. Daarmee wordt voldaan aan de richtafstand. c. Woningen Elskampseweg 4 en 6 (oranje pijl) Figuur 5.7 bevat een kaartje met daarin de kortste afstand vanaf het bouwvlak van het bedrijfsperceel aan de Elskampseweg 6 tot aan het bouwvlak van het nieuwe bedrijventerrein (nummer 6 ligt iets dichterbij de Rondgang II dan nummer 4). Daaruit blijkt dat deze afstand 100 meter bedraagt. Ook deze afstand is voldoende, waarbij het volgende wordt overwogen. De VNG-brochure geeft voor bedrijven uit milieucategorie 3.2 een richtafstand van 100 meter. Dan gaat het over de (geadviseerde, dus geen harde norm) afstand van de bestemming ‘Bedrijf’ tot aan de gevel van nabijgelegen woningen. En dan wordt er ook nog uitgegaan van de gebiedscategorie ‘rustige woonwijk’. Het is de vraag of de bedrijfswoningen aan de Elskampseweg 4 en 6 in een gebied ligt dat als ‘rustige woonwijk’ kan worden aangemerkt.

Eerder zou onderbouwd kunnen worden dat het hier om ‘gemengd gebied’ gaat, omdat er een provinciale weg naast ligt, en omdat er sprake is van buitengebied, met agrarische functie(s). Bij ‘gemengd gebied’ moet namelijk uitgegaan worden van een richtafstand van 50 meter (in plaats van 100 meter). Maar ingeval toch van een ‘rustige woonwijk’ wordt uitgegaan, dan nog wordt voldaan aan de richtafstand van de VNG-brochure. Kortom: de komst van het bedrijventerrein zal het woon- en leefklimaat ter plaatse van de woning aan de Elskampseweg 4 en 6 niet aantasten. Voorts is het van belang dat het agrarische bedrijf aan de Elskampseweg 6 niet in de bedrijfsvoering / - milieuruimte mag worden beperkt door de komst van het bedrijventerrein. Dat betekent dat er getoetst moet worden aan de Wet geurhinder en veehouderij (Wgv), en eveneens aan de gemeentelijke geurverordening. In de gemeentelijke geurverordening zijn voor een aantal specifieke gebieden afwijkende geurnormen opgenomen. Voor het gebied waarin de locatie is gelegen gelden echter dezelfde normen als uit de Wgv. Wel zijn de vaste afstanden uit de Wgv middels de gemeentelijke geurverordening voor wat betreft de afstand tussen het emissiepunt van een dierenverblijf en de gevel van een gevoelig object gehalveerd.

Dat houdt in dat de afstand tussen het emissiepunt van een dierenverblijf en de gevel van een gevoelig object minimaal 50 meter moet bedragen als het gevoelige object binnen de bebouwde kom is gelegen en minimaal 25 meter als het gevoelige object buiten de bebouwde kom is gelegen. De minimale afstanden tussen de gevel van een dierenverblijf en de gevel van een gevoelig object zijn echter niet gewijzigd. Hieronder in een overzicht:

39

De Rondgang II en het perceel aan de Elskampseweg 6 ligt buiten de bebouwde kom. Dat betekent dat er een wettelijke afstand geldt van 50 meter. Daar wordt ruimschoots aan voldaan, zo blijkt uit figuur 5.7 (hieronder).

Fig. 5.7 Overzicht afstand Elskampseweg 6 tot toekomstige bedrijventerrein

5.3.3 Conclusie Gelet op al het voorgaande kan worden geconcludeerd dat met de komst van het bedrijventerrein de Rondgang II in Gameren het woon- en leefklimaat ter plaatse van omliggende milieugevoelige objecten niet in onaanvaardbare mate wordt aangetast. Tevens wordt het agrarische bedrijf aan de Elskampseweg 6 te Gameren met de komst van het bedrijventerrein Rondgang II niet in haar bedrijfsvoering belemmerd. Uit het oogpunt van millieuzonering bestaan er dus geen belemmeringen.

5.4

Bodem

5.4.1 Algemeen Ontwikkelingen kunnen pas plaatsvinden als de bodem, waarop of waarin deze ontwikkelingen gaan plaatsvinden, geschikt is of geschikt is gemaakt voor het beoogde doel. Bij nieuwbouwactiviteiten dient de bodemkwaliteit door middel van onderzoek in beeld te zijn gebracht. In het algemeen geldt dat nieuwe bestemmingen bij voorkeur op een schone bodem dienen te worden gerealiseerd. Op 1 juli 2008 is het Besluit bodemkwaliteit (volledig) in werking getreden. Het doel van dit besluit is om de bodem beter te beschermen en meer ruimte te bieden voor nieuwe bouwprojecten. Ook 40

geeft het Besluit gemeenten en provincies meer verantwoordelijkheid om de bodem te beheren. In het Besluit bodemkwaliteit is ook het Bouwstoffenbesluit geïntegreerd. Dit besluit heeft alleen betrekking op steenachtige bouwstoffen. Andere materialen worden in de praktijk ook toegepast als bouwstof, maar deze vallen niet onder dit Besluit.

5.4.2 Onderzoek Voor de locatie is een onderzoek uitgevoerd door Verhoeven Milieutechniek BV (Diverse verkennende (bodem)onderzoeken, Middelkampseweg (perceel P 1592) te Gameren, d.d. 8 september 2022, zie bijlage V). Het onderzoek bestaat uit een verkennend bodemonderzoek en een verkennend waterbodemonderzoek, inclusief historische onderzoeken, ter plaatse van de Middelkampseweg ong. (perceel P1592) te Gameren. Verhoeven Milieutechniek BV komt tot de volgende conclusies. §

Met de uitgevoerde onderzoeken is de milieuhygiënische kwaliteit van de (water)bodem ter plaatse van de Middelkampseweg (perceel P1592) ong. te Gameren in voldoende mate onderzocht.

§

Zintuiglijk en analytisch zijn geen verontreinigingen (NEN, OCB en PFAS) aangetroffen als gevolg van de voormalige watergangen en voormalige boomgaard. Daarnaast is het slib in de watergang verspreidbaar op aangrenzend perceel en toepasbaar elders.

§

Vanuit milieuhygiënisch oogpunt bestaan er geen bezwaren tegen de voorgenomen onroerend goed transactie en toekomstige herontwikkeling.

§

Bij eventuele civieltechnische graafwerkzaamheden in de grond is geen veiligheidsklasse van toepassing volgens de CROW400.

§

Voor de volledigheid wordt opgemerkt dat rekening moet worden gehouden met de resultaten van voorliggende onderzoeken en dienen bij ontgraven, afvoeren en toepassen elders altijd de regels van de Regeling en het Besluit bodemkwaliteit van toepassing zijn en mogelijk aanvullende keuringen en onderzoeken worden verlangd. Daarnaast kunnen gebiedsspecifiek zowel strengere als minder strenge eisen gelden.

Conclusie Gelet op de uitgevoerde onderzoeken is de grond uit oogpunt van milieuhygiëne geschikt voor de realisatie van de uitbreiding van het bedrijventerrein de Rondgang II.

5.5

Externe veiligheid Externe veiligheid beschrijft de risico's die ontstaan als gevolg van opslag of handelingen met gevaarlijke stoffen. Dit kan betrekking hebben op inrichtingen (bedrijven) of transportroutes. Bij de realisatie van (beperkt) kwetsbare objecten zoals onder meer woningen, dient de invloed van deze aspecten in beeld te worden gebracht. 41

Fig. 5.8 Uitsnede Risicokaart Nederland (projectlocatie: zie rode pijl)

Planspecifiek In de directe omgeving van de planlocatie zijn geen risicobronnen aanwezig. Het plan voorziet ook niet in de vestiging van nieuwe Bevi-bedrijven of daarmee vergelijkbare risicobedrijven. Het aspect externe veiligheid is niet van toepassing voor deze locatie. Conclusie Het aspect externe veiligheid vormt geen belemmering voor de voorgenomen ontwikkeling.

5.6

Geluid Wat betreft het onderwerp geluid is het van belang om na te gaan in hoeverre de uitbreiding van het bedrijventerrein gevolgen heeft voor wegverkeerslawaai dat effecten kan hebben op geluidgevoelige functies in de directe omgeving. Tevens is het van belang om de geluidsemissie te onderzoeken van de nieuwe bedrijfsactiviteiten. Van Kooten Akoestisch Advies heeft hier onderzoek naar gedaan (Notitie Akoestisch Onderzoek, d.d. 14 november 2023, zie bijlage VI). Uit dit onderzoek blijkt het volgende. Ter plaatse van de woningen die langs de Middelkampseweg liggen bedraagt het verschil in geluidsbelasting tussen de situatie met planontwikkeling De Rondgang II en autonome ontwikkeling 0,97 dB tot 1,80 dB. De hoogst voorkomende geluidbelasting bedraagt afgerond 57 dB. Voordat deze waarde wordt vergeleken met de voorkeursgrenswaarde van de Wet geluidhinder dient de aftrek van artikel 110g van de Wet geluidhinder te worden toegepast. Voor de Middelkampseweg (50 km/uur weg) bedraagt genoemde aftrek 5 dB. De geluidsbelasting na aftrek bedraagt derhalve te hoogste 52 dB. Langs de Prins Willem Alexanderstraat is de toename met 0,13 dB tot 0,46 dB geringer. De toename van het verkeerslawaai is hier verwaarloosbaar te noemen. 42

Alleen voor de woning De Hoef 7 is er zowel sprake van een toename van de geluidsbelasting van meer dan 1,5 dB als een overschrijding van de voorkeursgrenswaarde van 48 dB van de Wet geluidhinder. In beginsel kan de geluidsbelasting vanwege de Middelkampseweg met circa 3 dB worden gereduceerd door de aanleg van een stiller wegdektype. Het is echter de verwachting dat de wegbeheerder deze maatregel in deze situatie niet zal treffen. De maatregel zou namelijk bedoeld zijn voor slechts 1 woning, waarvan de geluidbelasting in betrekkelijk geringe mate (maximaal 3 dB) boven de voorkeursgrenswaarde van de Wet geluidhinder uitkomt. In stedelijk gebied komen dergelijke (en nog aanzienlijk hogere) geluidsbelastingen vaak voor. Bij geluidsbelastingen van 56 á 57 dB zijn binnenniveaus in woningen over het algemeen nog zeer gematigd, waardoor er sprake is van een acceptabel woon- en leefklimaat. Gezien bovenstaande zal de gemeente Zaltbommel de eindsituatie aanvaardbaar achten. Het is dan ook niet nodig om maatregelen te treffen die de geluidsbelasting langs de Middelkampseweg reduceren. Conclusie Van Kooten Akoestisch Advies concludeert dat het onderzochte plan voor de realisatie van het bedrijventerrein Rondgang II in de omgeving geen onaanvaardbare toename van het verkeerslawaai tot gevolg heeft.

Dit is onderzocht door voor de peiljaren 2025 en 2035 de situatie met planontwikkeling te vergelijken met de geluidsbelasting in de autonome ontwikkeling. De effecten van het plan kunnen aanvaardbaar worden geacht.

5.7

Luchtkwaliteit De Wet milieubeheer bevat de regelgeving met betrekking tot luchtkwaliteit. In artikel 5.16 is bepaald dat bestuursorganen bevoegdheden, zoals het vaststellen van een bestemmingsplan of het verlenen van een omgevingsvergunning, mogen uitoefenen wanneer sprake is van één van de volgende gevallen: a. er is geen sprake van een (dreigende) overschrijding van de grenswaarden; b. de concentratie van de desbetreffende stoffen in de buitenlucht verbetert of blijft tenminste gelijk; c. het plan draagt ‘niet in betekenende mate’ bij aan de concentratie van de desbetreffende stoffen in de buitenlucht; d. de ontwikkeling is opgenomen in een vastgesteld programma, zoals het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL). Een uitwerking van de regelgeving met betrekking tot het begrip ‘niet in betekende mate’ is vastgelegd in het ‘Besluit niet in betekende mate bijdragen (luchtkwaliteitseisen)’ en de ‘Regeling niet in betekenende mate bijdragen (luchtkwaliteitseisen)’. 43

Voor ontwikkelingen die ‘niet in betekenende mate’ bijdragen aan de luchtverontreiniging is een toets aan de grenswaarden niet nodig. In de Regeling zijn categorieën van gevallen benoemd die in ieder geval als ‘niet in betekenende mate’ worden aangemerkt en waarvoor toetsing aan de grenswaarden dus zonder meer achterwege kan blijven. Er is volgens deze regeling geen onderzoek nodig voor ‘woningbouwlocaties, indien een dergelijke locatie, in geval van één ontsluitingsweg, netto niet meer dan 1.500 nieuwe woningen omvat, dan wel, in geval van twee ontsluitingswegen met een gelijkmatige verkeersverdeling, netto niet meer dan 3.000 woningen omvat’. Planspecifiek Voor dit plan is een luchtkwaliteitsonderzoek uitgevoerd door Van Kooten Akoestisch Advies (Notitie Onderzoek Luchtkwaliteit, d.d. 3 juni 2023, zie bijlage VII). Het luchtkwaliteitsonderzoek is uitgevoerd door de bestaande stofconcentraties van NO2 en PM10 en de worst-case effecten van het plan op de luchtkwaliteit in de omgeving inzichtelijk te maken. Gebleken is dat met realisatie van het plan overal met ruime marges wordt voldaan aan de wettelijke grenswaarden voor luchtkwaliteit. Het onderzochte plan voor de realisatie van het bedrijventerrein Rondgang II ontmoet geen bezwaren vanuit de gestelde luchtkwaliteitseisen. Conclusie Uit het oogpunt van luchtkwaliteit bestaat er gelet op het voorgaande geen belemmering.

5.8

Flora en fauna

5.8.1 Inleiding Vanuit de huidige natuurwetgeving is de initiatiefnemer bij ruimtelijke ingrepen verplicht op de hoogte te zijn van de in het projectgebied mogelijk voorkomende beschermde natuurwaarden. Het plan dient aan de Wet Natuurbescherming getoetst te worden. De Wet Natuurbescherming regelt de bescherming van gebieden en van diersoorten en plantensoorten. Deze natuurwetgeving kan mogelijk beperkingen opleggen aan de voorgenomen sloop- en nieuwbouwactiviteiten. De Wet natuurbescherming heeft als doel de volgende gebieden te beschermen: Het Natuurnetwerk Nederland; Bijzondere provinciale natuurgebied; Bijzondere provinciale landschappen; Nationale parken; Bijzondere nationale natuurgebieden; Natura 2000-gebieden. Voorts gelden er ingevolge de Wet Natuurbescherming algemene verboden tot het verwijderen van beschermde plantensoorten van hun groeiplaats, het beschadigen, vernielen, wegnemen of verstoren van voortplantings- of vaste rustplaatsen of verblijfplaatsen van beschermde diersoorten of het opzettelijk verontrusten van een beschermde diersoort. Voor activiteiten die een bedreiging kunnen vormen voor deze beschermde soorten, moet ontheffing worden gevraagd. Vooral wanneer er soorten voorkomen uit de zogenaamde ‘strenge’ categorie (Bijlage 4 van de Habitatrichtlijn en de 44

bedreigde soorten van de diverse Rode Lijsten), kan dit een belemmering vormen voor het plan. Dit is het geval wanneer een plan significant nadelige effecten kan hebben voor deze soorten.

5.8.2 Natuurtoets Gelet op het voorgaande is een natuurtoets uitgevoerd door Blom Ecologie (Quickscan Wet Natuurbescherming, Rondgang ong. te Gameren, d.d. 1 april 2022, zie bijlage VIII). In deze Quickscan wordt het volgende geconcludeerd: §

De beoogde ruimtelijke ingreep leidt niet tot overtreding van verbodsbepalingen omtrent houtopstanden in het kader van de Wet natuurbescherming. Er dienen enkele algemene maatregelen worden getroffen ten aanzien van de algemene zorgplicht, foeragerende vleermuizen en algemene broedvogels. Om negatieve effecten omtrent gebiedsbescherming uit te sluiten, dient vooraf een berekening door middel van de AERIUS-Calculator uitgevoerd te worden.

§

Voorafgaand aan de werkzaamheden dient met aanvullend onderzoek te worden vastgesteld of de te dempen watergang een relevante functie heeft voor de grote modderkruiper (soortenbescherming). Indien er sprake is van overtreding van verbodsbepalingen van de Wet natuurbescherming kan bevoegd gezag onder voorwaarden een ontheffing verlenen. De voorwaarden betreffen: er is geen andere bevredigende oplossing, er is sprake van een wettelijk belang en er wordt geen afbreuk gedaan aan de gunstige staat van instandhouding van de soort (een robuust en ruim maatregelenpakket van tijdelijke en permanente voorzieningen wordt hiertoe voorgesteld en uitgevoerd). Wegens het voorgaande onderzoek is er geen reden om aan te nemen dat eventueel benodigde ontheffingen, mits de juiste maatregelen worden getroffen, er sprake is van een gedegen alternatievenafweging en een wettelijk belang kan worden aangevoerd, niet verkregen zouden kunnen worden.

Conclusie Uit de quick-scan ecologie bleek dat voor de beoogde ruimtelijke ingreep aanvullend onderzoek naar de grote modderkruiper dient te worden uitgevoerd worden. Inmiddels zijn er vervolgonderzoeken uitgevoerd. Allereerst het Aanvullend onderzoek Rondgang ong. te Gameren, Aanvullend onderzoek naar grote modderkruiper middels e-DNA in het kader van de Wet natuurbescherming (d.d. 16 mei 2022, zie bijlage IX). Uit dit onderzoek bleek dat de er DNA van de grote modderkruiper in de watergang aanwezig was waardoor de aanwezigheid van deze soort niet uitgesloten kan worden. Echter wegens het ontbreken van habitatkenmerken is het mogelijk dat het aanwezige DNA in de watergang resultaat is van één of enkele passerende individuen. Derhalve adviseert Blom Ecologie de watergang nogmaals te bemonsteren middels een schepnet en elektrisch visapparaat, om vast te stellen welke functie de watergang heeft voor de grote modderkruiper. Mogelijk kan naar aanleiding hiervan negatieve effecten, alsmede overtreding Wet natuurbescherming, voorkomen worden door het treffen van maatregelen. 45

Dat betekent dat voorafgaande aan het dempen van de watergang, deze bemonsterd dient te worden middels een schepnet en een elektrisch visapparaat. Hiermee dient vastgesteld te worden welke functie de watergang heeft voor de grote modderkruiper. Dit onderzoek heeft ook plaatsgevonden (Aanvullend onderzoek grote modderkruiper, Rondgang ong. te Gameren, Blom Ecologie, d.d. 30 juni 2022, zie bijlage X). Tijdens dit onderzoek zijn geen individuen aangetroffen van de grote modderkruiper. Uit de resultaten van het aanvullend onderzoek blijkt dat de te dempen sloot binnen de planlocatie geen functie heeft voor de grote modderkruiper. Het dempen en sterk vergraven van de watergangen zal derhalve niet leiden tot negatieve effecten op de soort, mits de Algemene zorgplicht in acht wordt genomen. Een ontheffing in het kader van de Wet natuurbescherming is daardoor niet noodzakelijk. Het onderzoek beperkte zich in beginsel tot de grote modderkruiper. Tijdens het onderzoek van juni 2023 is tevens gelet op individuen, nesten en/of verblijflocaties van andere soorten in de planlocatie. Er is één (oud) nest van de meerkoet aangetroffen binnen de planlocatie. Gezien het veldbezoek binnen het broedseizoen heeft plaatsgevonden, kan uitgesloten worden dat het nest dit jaar door de soort gebruikt kan worden.

Zoals beschreven staat in de Vogelrichtlijn zijn alle vogels in Nederland beschermd tijdens het broedseizoen. Indicatief betreft het broedseizoen de periode 15 maart t/m 15 juli. Om overtreding van de Wet natuurbescherming te voorkomen dienen werkzaamheden die mogelijk leiden tot verstoring of aantasting van nesten buiten het broedseizoen uitgevoerd te worden. Tijdens de werkzaamheden dient rekening gehouden te worden met de Algemene zorgplicht. Voorafgaand de werkzaamheden dient, om het doden van individuen te voorkomen, de te dempen watergang afgevist te worden door een ecologisch deskundige. Conclusie Voor de uitvoering van de ingreep is geen ontheffing Wnb nodig (tabel 4.1). Er gelden in het kader van de Wnb geen verdere vervolgstappen

5.8.3 Onderzoek stikstofdepositie Om daadwerkelijk uit te kunnen sluiten dat er negatieve effecten zijn op Natura2000-gebieden heeft Walraven Advies een onderzoek stikstofdepositie uitgevoerd (Stikstofdepositie-onderzoek (aanlegfase en gebruiksfase), d.d. 28 april 2023, geactualiseerd d.d. 9 november 2023, zie bijlage XI). In dit onderzoek wordt het volgende geconcludeerd. §

§

Uit de projectberekeningen ‘Aerius projectberekening Rondgang II(aanlegfase)’ & ‘Aerius projectberekening Rondgang II(gebruiksfase)’ voor de aanleg- en gebruiksfase, uitgevoerd met Aerius-Calculator, blijkt dat de activiteiten voor de aanlegfase en gebruiksfase niet leiden tot een andere of hogere stikstofdepositie van meer dan 0,00 mol N per hectare per jaar stikstofdepositie op de omringende Natura 2000−gebieden. De aanlegfase geeft een hoogste bijdrage van 0,03 mol/ha/jr over het rekenjaar 2024. Omdat er gesaldeerd kan worden (rekenjaar 2023) met de huidige stikstofdepositie welke 46

§

§

een hoogste bijdrage kent van 0,05 mol/ha/jr is er een grootste afname van 0,02 mol/ha/jr in de aanlegfase. Hiervoor is de berekening voor de aanlegfase met referentiesituatie ook uitgevoerd met een verschilberekening. De gebruiksfase geeft een hoogste bijdrage van 0,01 mol/ha/jr over het rekenjaar 2025. Omdat er gesaldeerd kan worden (rekenjaar 2023) met de huidige stikstofdepositie welke een hoogste bijdrage kent van 0,05 mol/ha/jr is er een grootste afname van 0,03 mol/ha/jr in de gebruiksfase. Hiervoor is de berekening voor de gebruiksfase met referentiesituatie ook uitgevoerd met een verschilberekening. De gebruiksfase vind aansluitend aan de aanlegfase plaats. Daardoor kan er ook gesaldeerd worden met de referentiesituatie.

Conclusie Gelet op het bovenstaande geldt er geen vergunningplicht in het kader van de Wet natuurbescherming en kunnen significant negatieve effecten op Natura 2000− gebieden worden uitgesloten.

5.9

Explosieven Op een onbekend aantal plaatsen in Nederland liggen nog bommen, granaten en andere munitie uit de Tweede Wereldoorlog. Tot op heden worden bij grond- en waterwerkzaamheden nog nagenoeg dagelijks niet-gesprongen conventionele explosieven gevonden. Ook in en boven de Bommelerwaard hebben tijdens de Tweede Wereldoorlog allerlei oorlogshandelingen plaatsgevonden waarbij niet tot ontploffing gekomen explosieven en munitie is achtergebleven. Onder Conventionele Explosieven (CE) wordt verstaan: elk explosief dat niet als geïmproviseerd, nucleair, biologisch of chemisch kan worden aangemerkt. CE worden ook wel aangeduid als NietGesprongen Explosieven (NGE). Volgens een mondiale, militaire inschatting is van al het materieel dat gedurende de Tweede Wereldoorlog (1940-1945) verschoten of afgeworpen is, ondergronds 10% en onder water 15% niet tot ontploffing gekomen. Wanneer deze explosieven bij werkzaamheden worden aangetroffen, kunnen deze gevaar opleveren voor de werknemers en de publieke veiligheid. Daarnaast kunnen deze vondsten een zware belasting voor het milieu vormen. Werkgevers zijn volgens ARBO-wetgeving verantwoordelijk voor het veilig kunnen uitvoeren van werkzaamheden door werknemers binnen onze gemeente.

Daarom zijn zij verplicht om bij ruimtelijke ontwikkelingen historisch vooronderzoek te doen om de kans op de aanwezigheid van niet gesprongen CE met zekerheid te kunnen uitsluiten. In 2016 heeft de gemeente Zaltbommel een historisch vooronderzoek en explosievenkansenkaart voor de gehele gemeente laten opstellen. Op deze kaart zijn alle risicogebieden of wel ‘verdachte’ gebieden op het gebied van niet gesprongen CE aangegeven. Planspecifiek Op basis van de Explosievenkansenkaart Bommelerwaard van 10 juni 2016 bevindt de projectlocatie zich in ‘verdacht’ gebied op basis van geschutsmunitie (verschoten) en afwerpmunitie. Den Ouden Bodac BV heeft een explosievenonderzoek uitgevoerd op de locatie (Detectierapportage, Passieve non realtime oppervlaktedetectie Rondgang II te Gameren, d.d. 18 juni 2022, zie bijlage XII). 47

Uit dit onderzoek bleek dat bij (grondroerende)werkzaamheden men rekening dient te houden met de mogelijkheid dat niet ontplofte explosieven kunnen worden aangetroffen. Gezien het bovenstaande werd aanbevolen om ter plaatse van waar daadwerkelijk de grond geroerd zal gaan worden de significante objecten te benaderen, identificeren en veiligstellen / verwijderen. Den Ouden Bodac BV heeft eveneens een vervolgonderzoek uitgevoerd (Proces-verbaal van oplevering Opsporen Ontplofbare Oorlogsresten Rondgang II te Gameren, d.d. 3 maart 2023, zie bijlage XIII). Het advies van Den Ouden Bodac BV luidt dat binnen de in de revisietekening vrijgegeven dimensies grondroerende werkzaamheden zonder aanvullende maatregelen, in relatie tot ontplofbare oorlogsresten, kunnen worden uitgevoerd (binnen de groen gearceerde gebieden op de revisietekening). De in de revisietekening van het onderzoek in oranje weergegeven gebieden zijn niet nader door Den Ouden Bodac B.V. onderzocht. Dit betrof de destijds de zogenaamde C- en Dgebieden uit de eerder uitgevoerde passieve non realtime oppervlaktedetectie. Wanneer hier grondroerende werkzaamheden worden gepland dan adviseert Den Ouden Bodac BV de partij die deze werkzaamheden gaat uitvoeren het protocol toevalstreffer te laten hanteren voor dit gebied.

Dit protocol is als bijlage 3 toegevoegd aan het proces-verbaal van oplevering, welke als bijlage XI is bijgevoegd bij deze toelichting. Conclusie Uit het voorgaande blijkt dat wat betreft de kans op de aanwezigheid van explosieven er geen belemmeringen aanwezig zijn voor de realisatie van het project.

5.10

Vormvrije m.e.r.-beoordeling

5.10.1 Inleiding Op 1 april 2011 is het gewijzigde Besluit milieueffectrapportage in werking getreden. Een belangrijke wijziging betreft het indicatief maken van de drempelwaarden in onderdeel D (betreft de m.e.r.beoordeling) van de bijlage bij het Besluit milieueffectrapportage. Concreet betekent dit dat, ook wanneer ontwikkelingen onder de in bijlage D opgenomen drempelwaarden blijven, het bevoegd gezag zich er nog steeds van moet vergewissen of activiteiten geen aanzienlijke milieugevolgen kunnen hebben. Voor elk besluit of plan dat betrekking heeft op activiteit(en) die voorkomen op de D-lijst die beneden de drempelwaarden vallen, moet daarom een toets worden uitgevoerd of belangrijke nadelige milieugevolgen kunnen worden uitgesloten. Deze zogenaamde vormvrije m.e.r.-beoordeling kan tot twee conclusies leiden: belangrijke nadelige milieugevolgen zijn uitgesloten: er is geen m.e.r.(-beoordeling) noodzakelijk; belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu zijn niet uitgesloten: er moet een m.e.r.beoordeling plaatsvinden of er kan direct worden gekozen voor m.e.r.

48

De toetsing in het kader van de vormvrije m.e.r.-beoordeling dient te geschieden aan de hand van de selectiecriteria in bijlage III van de EU-richtlijn milieueffectbeoordeling. In deze bijlage staan drie hoofdcriteria centraal: 1. 2. 3.

de kenmerken van het project; de plaats van het project; de kenmerken van de potentiële effecten.

5.10.2 Vormvrije m.e.r.-beoordeling Een milieueffectrapportage is niet aan de orde voor dit plan. Een vormvrije m.e.r.-beoordeling is niet benodigd om tot deze conclusie te komen. Bij onderhavig plan is een vormvrije m.e.r.-beoordeling slechts noodzakelijk als deze een ‘stedelijk ontwikkelingsproject’ vertegenwoordigt als bedoeld in categorie 11.2 van onderdeel D van de bijlage bij het Besluit milieueffectrapportage. Aangezien de omvang van het project ruimschoots onder de drempelwaarden van activiteit D.11.2 blijft, kan er worden volstaan met een vormvrije m.e.r.-beoordeling. De voorgeschreven procedure is dat de vormvrije m.e.r.-beoordeling middels een m.e.r.aanmeldnotitie (artikel 7.16 Wm) aangeboden te worden aan het bevoegd gezag, op basis waarvan zij een m.e.r.- beoordelingsbesluit moet nemen. Hierover het volgende. Deze paragraaf, alsmede de inhoud van de toelichting (vooral voor zover betrekking hebbend op milieuaspecten), kan worden beschouwd als zogenaamde ‘m.e.r.-aanmeldnotitie’. Deze ‘m.e.r.aanmeldnotitie’ beschrijft de gevolgen van de voorgenomen activiteit voor het milieu en geeft een conclusie over de noodzaak tot een m.e.r.-procedure. Een vormvrije m.e.r.-beoordeling betekent, dat er géén MER wordt opgesteld, tenzij er sprake is van belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu. Het uitgangspunt is dus: 'Nee, tenzij....'.

De 'belangrijke nadelige gevolgen' moeten worden beoordeeld op basis van het toetsingskader van bijlage III van de Europese Richtlijn Milieueffectbeoordeling (85/337/EEG en latere wijzigingen). Bijlage III noemt drie hoofdthema's: 1. 2. 3.

de kenmerken van de activiteit (waaronder omvang, verontreiniging, hinder en risico van ongevallen); de plaats van de activiteit (in relatie tot de kwetsbaarheid van het milieu); de kenmerken van het potentiële effect (waaronder het bereik, de orde van grootte en waarschijnlijkheid van het effect).

Ad. 1 De kenmerken van de activiteit Het bouwplan voor de Rondgang II te Gameren bestaat uit het uitbreiden van een bestaand bedrijventerrein Rondgang I. In paragraaf 3.2 van deze toelichting is het plan nader beschreven. Er is geen sprake van cumulatie met andere projecten. De ontwikkeling van de voorziene activiteiten legt geen bijzonder beslag op natuurlijke hulpbronnen. Tijdens de bouwwerkzaamheden is grondverzet nodig. Tijdens de gebruiksfase zal gas, elektriciteit en water nodig zijn. 49

Tijdens de realisatiefase en gebruiksfase vindt er geen productie van stoffen plaats die leiden tot gevaarlijke of milieubelastende (afval)stoffen. Bij zowel de aanleg als bij de ingebruikname van de woningen, zijn ten aanzien van de productie van afvalstoffen voornamelijk de aspecten bodem, geluid en luchtkwaliteit van belang. Deze aspecten zijn nader beschreven in hoofdstuk 5 van deze toelichting. De ontsluiting van het perceel vindt plaats via de Middelkampseweg. De vergroting van het bedrijventerrein zal een aanvaarbare toename met zich meebrengen wat betreft het aantal motorvoertuigbewegingen. Zowel tijdens de bouw als daarna zijn de aspecten waterhuishouding, bodem, verkeer, geluid, ecologie, archeologie en luchtkwaliteit van belang. Deze aspecten zijn hierboven nader beschreven. Het beoogde plan zorgt niet voor een toename van risico’s voor de omgeving. Er worden naar huidig inzicht geen extra gevaarlijke stoffen geproduceerd, opgeslagen of vervoerd. Op de planlocatie neemt de bebouwde oppervlakte iets toe. De huidige brandweervoorzieningen in het gebied zijn voldoende voor de bestrijding ingeval van calamiteiten. In paragraaf 5.5 van deze toelichting wordt nader ingegaan op aspecten omtrent externe veiligheid. Ad 2. De plaats van het project Voor wat betreft de plaats van het project wordt verwezen naar paragraaf 1.2 van deze toelichting. Ad 3.

De kenmerken van het potentiële effect Dit hoofdstuk van de toelichting bevat tevens een verantwoording van de milieu(hygiënische) aspecten die voor het bouwplan Rondgang II relevant kunnen zijn. Daarbij wordt ook ingegaan op de milieutechnische consequenties die verwezenlijking van het project zowel binnen het projectgebied als daarbuiten kan hebben. Conclusie Uit deze vormvrije m.e.r.-beoordeling blijkt dat er geen sprake is van bijzondere omstandigheden ten aanzien van de kenmerken en locatie van onderhavig plan die zouden kunnen leiden tot belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu ter plaatse. Voor de aan de orde zijnde milieuaspecten geldt dat er geen nadelige effecten optreden, dan wel dat deze effecten met mitigerende maatregelen worden beperkt, zodat wordt voldaan aan de geldende wet- en regelgeving. Geconcludeerd kan worden dat er geen m.e.r.(-beoordeling) noodzakelijk is.

5.11

Archeologie en cultuurhistorie

5.11.1 Archeologie De Erfgoedwet verplicht gemeenten om bij het opstellen van o.a. nieuwe bestemmingsplannen rekening te houden met mogelijke archeologisch waardevolle vindplaatsen. De gemeenteraad van 50

Zaltbommel heeft in zijn vergadering van 7 juli 2011 beleid vastgesteld hoe het aan die wettelijke verplichtingen invulling wenst te geven. Daarvoor zijn onder andere verschillende archeologische (beleids)kaarten vastgesteld. Daarnaast zijn vrijstellingsgrenzen vastgesteld die aangeven of in een specifiek geval (aanvullend) archeologisch onderzoek noodzakelijk is als de bodem bij een bepaalde (bouw)activiteit wordt verstoord. Op basis van de door de gemeenteraad vastgestelde beleidskaart (zie afbeelding hierna) geldt voor de projectlocatie voor het grootste gedeelte dat er geen archeologische waarden zijn. Voor slechts een heel klein gedeelte (zie figuur 5.9, de punt van de blauwe pijl), geldt ‘Waarde Archeologie – 4’, wat betekent dat er een vrijstellingsgrens geldt van 2.500 m2 en een diepte van 150 cm. Dit betekent dat er geen archeologisch onderzoek nodig is. Voor het gedeelte met ‘Waarde Archeologie – 4 is een dubbelbestemming in de planregels opgenomen.

Fig. 5.9 Uitsnede Archeologische beleidskaart (projectlocatie: rode pijl)

Conclusie Gelet op het voorgaande vormt archeologie geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van dit plan. Indien bij de uitvoering van de werkzaamheden onverwacht toch archeologische resten worden aangetroffen, dan is conform de Erfgoedwet aanmelding van de desbetreffende vondsten bij de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap c.q. de Gemeente Zaltbommel verplicht.

5.11.2 Cultuurhistorie Menselijke ingrepen hebben voor kenmerkende en waardevolle cultuurhistorische waarden gezorgd. In de gemeente Zaltbommel zijn waardevolle elementen aanwezig die een natuurlijke geschiedenis hebben en die een door de mens gevormde geschiedenis hebben. De gemeente Zaltbommel heeft een cultuurhistorische inventarisatie uitgevoerd naar zowel waardevolle structuren, gebieden en dorpsgezichten als afzonderlijke elementen. Dat heeft geresulteerd in een 51

inventarisatiekaart die op 7 juli 2011 door de gemeenteraad is vastgesteld. Belangrijke cultuurhistorische waarden zijn: § § § § § § §

De aan de rivieren gerelateerde oeverwallen met bebouwingsstructuren; De wetering Capreton; De Nieuwe Hollandse Waterlinie; Rijksbeschermde stads- en dorpsgezichten (Zaltbommel en Nederhemert-Zuid); Gemeentelijk beschermd dorpsgezicht (Gameren); Gemeentelijke en rijksmonumenten; Historische buitenplaatsen (Huis Brakel).

Planspecifiek In of in de nabijheid van het plangebied zijn geen waardevolle cultuurhistorische waarden aanwezig.

52

6

JURIDISCHE PLANOPZET

6.1

Algemeen Dit bestemmingsplan bestaat uit een (digitale) verbeelding, regels en een toelichting. De verbeelding en regels vormen tezamen het juridisch bindende gedeelte van het bestemmingsplan. Beide planonderdelen dienen in onderlinge samenhang te worden bezien en toegepast. Op de verbeelding wordt aangegeven welke bestemming gronden hebben. Dit gebeurt via een bestemmingsvlak. Voor het op de verbeelding aangeven bestemmingsvlak gelden de gebruiksmogelijkheden zoals die in de bijbehorende regels worden gegeven. Die toegekende gebruiksmogelijkheden kunnen op twee manieren nader worden ingevuld: a. Via een dubbelbestemming. Een dubbelbestemming is, zoals de naam al zegt, een bestemming die óók aan de gronden wordt toegekend. Voor gronden kunnen dus meerdere bestemmingen gelden. Er geldt altijd één ‘enkelbestemming’ (dat is dé bestemming) en soms geldt er een ‘dubbelbestemming’ (soms zelfs meerdere). In het voorschrift van de dubbelbestemming wordt omschreven wat er voor de onderliggende gronden geldt aan extra regels in aanvulling, of ter beperking, van de mogelijkheden van de onderliggende bestemmingen. b. Via een aanduiding. Een aanduiding is een teken op de verbeelding. Dat teken kan bestaan uit een lijn, een figuur, of een lettercode et cetera. Via een aanduiding wordt in de regels ‘iets’ geregeld.

Dat ‘iets’ kan betrekking hebben op extra mogelijkheden of extra beperkingen voor het gebruik en/of de bebouwing en/of het aanleggen van werken. Aanduidingen kunnen voorkomen in een bestemmingsvoorschrift, in meerdere bestemmingsregels en kunnen ook een eigen voorschrift hebben. De toelichting heeft geen rechtskracht, maar vormt niettemin een belangrijk onderdeel van het plan. De toelichting van dit bestemmingsplan geeft een weergave van de beweegredenen, de onderzoeksresultaten en de beleidsuitgangspunten die aan het bestemmingsplan ten grondslag liggen. Tot slot is de toelichting van wezenlijk belang voor een juiste interpretatie en toepassing van het bestemmingsplan.

6.2

Methodiek

6.2.1 Verbeelding Op de verbeelding hebben alle gronden binnen het plangebied een bestemming gekregen. Binnen een bestemming kunnen nadere aanduidingen zijn opgenomen. Deze aanduidingen hebben alleen een juridische betekenis als in de regels aan de betreffende aanduiding een gevolg wordt verbonden. Een aantal aanduidingen heeft juridisch gezien geen betekenis en is uitsluitend opgenomen ten behoeve van de leesbaarheid van de verbeelding (bijvoorbeeld topografische gegevens).

6.2.2 Regels De regels zijn verdeeld over 4 hoofdstukken: 53

1. Inleidende regels. In dit hoofdstuk worden begrippen verklaard die in de regels worden gebruikt (artikel 1). Dit gebeurt om een eenduidige uitleg en toepassing van de regels te waarborgen. Ook is bepaald de wijze waarop gemeten moet worden bij het toepassen van de regels (artikel 2). 2. Bestemmingsregels. In dit tweede hoofdstuk zijn de regels van de bestemmingen opgenomen. Dit gebeurt in alfabetische volgorde. Per bestemming is het toegestane gebruik geregeld en zijn bouwregels opgenomen. Als er dubbelbestemmingen zijn worden die ook in dit hoofdstuk opgenomen. Die komen, ook in alfabetische volgorde, achter de bestemmingsregels. Iedere artikel kent een vaste opzet. Eerst wordt het toegestane gebruik geformuleerd in de bestemmingsomschrijving. Vervolgens zijn bouwregels opgenomen. Aansluitend volgen afwijkingsbevoegdheden met betrekking tot bouw- en/of gebruiksregels. Ten slotte zijn eventueel omgevingsvergunningplichtige werken en/of wijzigingsbevoegdheden opgenomen. Belangrijk om te vermelden is dat naast de bestemmingsregels ook in andere artikelen relevante informatie staat die mede gelezen en geïnterpreteerd moeten worden. Alleen zo ontstaat een volledig beeld van hetgeen is geregeld. 3. Algemene regels. In dit hoofdstuk zijn regels opgenomen met een algemeen karakter. Ze gelden dus voor het hele plan.

Het zijn achtereenvolgens een antidubbeltelbepaling, een regel met betrekking tot bestaande afmetingen, afstanden en percentages (zo worden de bouwwerken die afwijken van de regeling in het bestemmingsplan ‘positief’ bestemd), algemene gebruiksregels, algemene aanduidingsregels, algemene afwijkings- en wijzigingsregels, algemene procedureregels (deze hangt samen met de afwijkingsregels in het bestemmingsplan) en een regel die de verhouding tot de gemeentelijke bouwverordening regelt. 4. Overgangs- en slotregels. In het laatste hoofdstuk zijn respectievelijk een overgangsregels en een slotregel opgenomen. Hoewel het hier in wezen ook algemene regels betreft, zijn deze vanwege hun meer bijzondere karakter in een apart hoofdstuk opgenomen.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij iBabs is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/14272430/1