CConstaterende datZaltbommel
Koppel je AI →
Document · PDF

Herstelbestemmingsplan Kerkwijk, Walderhof'

Raadsvergadering 18 september 2025, gemeente ZaltbommelBij agendapunt: Herstelbesluit bestemmingsplan Kerkwijk, Walderhof27.029 woorden

Open het PDF bij iBabs ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 4

Om doorgaand onderhoud van de westelijk gelegen Awatergang waarborgen, komen er dammen met duikers die de nieuwe watergangen met de Awatergang verbinden. De rijroute voor onderhoud door het waterschap blijft zoals in de huidige situatie, met toegang via het erf vanaf de Paradijsweg. De toegang voor onderhoud van het A-water zuidelijk van deelgebied C blijft vanaf de Walderweg. Rondom de B-wateren in de zuidoosthoek is een strook van 4 meter bestemd als ‘Groen’ en voorzien van een aanduiding waarmee het niet mogelijk is om hier bouwwerken op te richten. Hiermee wordt gewaarborgd dat de onderhoudsstroken vrij van obstakels blijven. Het beoogde nieuwbouwplan heeft naar verwachting geen tot weinig invloed op de waterkwaliteit. Gunstig is de onttrekking aan de landbouw, waardoor minder belasting met gewasbeschermingsmiddelen en nutriënten wordt verwacht. Maar ook stedelijk gebied heeft risico’s voor de waterkwaliteit, zoals door foutaansluitingen van riolering, of ongewenste middelen voor onkruidbestrijding. In principe worden geen uitlogende materialen toegepast waar ze in aanraking kunnen komen met afstromend hemelwater. Daar waar dit wel het geval worden deze voorzien van een coating (zoals zink voor een dakgoot). Op die manier wordt verontreiniging van bodem en water voorkomen.

Afvalwater en riolering Huidige situatie Het plangebied is nu nog agrarisch gebied en in die zin niet aangesloten op riool. In het Kerkwijk is hoofdzakelijk een gemengd rioolstelsel aanwezig. Toekomstige situatie Conform het beleid van het waterschap en gemeente wordt het plangebied voorzien van een gescheiden rioolstelsel voor inzameling van vuilwater en schoon hemelwater. Alleen vuilwater wordt afgevoerd naar de rioolwaterzuiveringsinstallatie. Het plangebied krijgt een eigen

‐ 36 ‐

rioolgemaal die het vuilwater in het vrijverval stelsel van Kerkwijk pompt. Via dit stelsel gaat het afvalwater naar het rioolgemaal Kerkwijk. Op basis van de nota Samen door één Buis moet voor het ontwerp worden uitgegaan van een afvalwaterproductie gedurende 12 uren per dag à 10l/inw/h met een woningbezetting van gemiddeld 2,5 personen. Met 85 woningen betekent dat een extra dwa-aanbod naar het gemaal van 2,13 m³/u. Het waterschap heeft bevestigd dat het gemaal de extra aanvoer kan verwerken, zowel in de ontvangstkelder als voor wat betreft pompcapaciteit. Schoon hemelwater wordt afgevoerd naar wadi’s en/of het oppervlaktewater in het plangebied. Riolering, hemelwaterstelsel, wadi, ontwatering en watersysteem met knijpconstructie worden in samenwerking met gemeente en waterschap nader uitgewerkt in een nog op te stellen Waterhuishoudings- en rioleringsplan. Grondwater en bodemdaling Huidige situatie Het maaiveldniveau in het plangebied varieert van NAP+2,1 tot +2,6 m. Het zomerpolderpeil in peilvak BOM557 bedraagt NAP+1,50 m (met marge van +25 cm). De gemiddeld hoogste grondwaterstand bedraagt 0,2 meter beneden maaiveld in de lagere delen van het plangebied tot 0,6 meter beneden maaiveld in de hogere delen. In het plangebied is normaal gesproken geen kwelgebied, alleen in het zuidoostelijk deel bij extreem hoog water op de rivieren.

Het is ook geen wegzijgingsgebied, dus neutraal. Het plangebied ligt op grond van de provinciale omgevingsverordening niet in een grondwaterbeschermingsgebied. Volgens de modelinformatie in het Bro-loket bestaat de ondergrond onder een ca 4 meter dikke laag zwak siltige klei (holocene afzettingen) vooral uit zand (grof en matig grof, Formatie van Kreftenheye), tot zeker 40 meter beneden maaiveld. Daaronder fijn en kleiig zand van de formatie van Sterksel. Volgens de Atlas van de Leefomgeving is het plangebied niet gevoelig voor bodemdaling. Toekomstige situatie Bij voorkeur wordt gewerkt met een gesloten grondbalans. Dat kan als de grond, die vrijkomt bij het ontgraven van extra oppervlaktater en wadi’s, kan worden aangewend voor ophoging. Afhankelijk daarvan wordt nog besloten of gebouwd wordt met of zonder kruipruimten. De in het Water- en Rioleringsplan aangegeven ontwateringsdiepten worden gehanteerd, evenals de droogleggingseisen van het waterschap: 0,7 cm voor maaiveld, 1 m voor straatpeil en 1,3 m voor het bouwpeil. Eventuele kelders (zoals voor onder een appartementengebouw) worden waterdicht aangelegd. Voor een klimaatrobuuste ontwikkeling van het plangebied is enige ophoging van het plangebied noodzakelijk, te weten die delen die bebouwd worden of waar wegen worden aangelegd.

Vooralsnog is de verwachting dat het bouwpeil op ca NAP+3,20 m komt, de kruin van de wegen op ca NAP+2,5 m. In het zuidoostelijk deel is het beoogde bouwpeil NAP+2,95 m. Dat betekent ophogingen van 40 tot 70 cm. Met deze peilen wordt voldaan aan de droogleggingseis van het waterschap (tenminste 1,3m boven het zomerpeil van NAP+1,5m).

Bestemmingsplan “Kerkwijk, Walderhof” – Toelichting

‐ 37 ‐

Klimaatadaptatie Huidige situatie Klimaatverandering vraagt voorbereiding en aanpassing. Klimaatverandering leidt tot meer kans op hitte, langduriger droogte, maar ook extremere (zomer) piekbuien en grotere kans op overstromingen (zowel lokaal als regionaal). Volgens de klimaateffectatlas is het plangebied niet of nauwelijks droogtegevoelig. Wat betreft hitte ligt de planlocatie nu op een relatief koele plek, want in het buitengebied bij veel groen. Gezien het landelijke karakter is er nauwelijks sprake van hitte-eiland effect. Toekomstige situatie Het verhard oppervlak neemt in het plangebied toe en dus leidt het plan in theorie tot een hogere hittekans. Ook neemt de verkoelende werking op het bestaande dorp wat af. Het plangebied wordt echter zeer extensief bebouwd, waarbij veel aandacht voor groen aanwezig is (en daarmee dus ook schaduwwerking). Ook het wateroppervlak neemt toe, wat ook een positief effect op vermindering van hitte heeft en bijdraagt aan de verkleining op overstromingen. Waterkeringen en waterveiligheid Huidige situatie Het plangebied ligt op grote afstand van zowel regionale (langs Afgedamde Maas) als primaire waterkeringen (Maas) en hun beschermingszones. De afstand bedraagt namelijk meer dan 2 kilometer. Het plangebied ligt in de Bommelerwaard, een poldergebied tussen Maas en Waal.

Op de Atlas voor de Leefomgeving geeft de Rijksoverheid aan wat de maximale waterdiepte is bij overstromingen. Dan gaat het om een doorbraak van primaire waterkeringen, zoals langs de Maas. De kans is weliswaar klein (gemiddelde kans van voorkomen ca 1/1.000 per jaar), maar Kerkwijk moet rekening houden met een waterdiepte van ca 5 meter. Droge verdiepingen zijn er in dat geval nauwelijks. Toekomstige situatie Het beoogde woningbouwplan heeft geen invloed op de waterkerende functie van de in de ruime omgeving aanwezige waterkeringen. Het plangebied ligt op het droge land, dus relatief hoger ten opzichte van een groot deel van de Bommelerwaard. Bij een overstroming met kleine kans maakt dat echter weinig verschil, gezien de maximale waterdiepte. In geval van overstromingen kan geëvacueerd worden naar verder weg gelegen hogere gronden. Als dat niet mogelijk is, dan bieden appartementsgebouwen (in de wijde omgeving van het plangebied) vanaf een 3e verdieping verticale evacuatiemogelijkheid. Overleg met de waterbeheerder(s) De gemeente Zaltbommel werkt in overleg met alle betrokken waterbeheerders aan een gemeenschappelijke procedurele en inhoudelijke invulling van de Watertoets. In dit kader is de waterbeheerder betrokken bij de totstandkoming van de voor het bouwplan opgestelde waterparagraaf.

Ook heeft het waterschap in het kader van het wettelijk vooroverleg een reactie gegeven op dit bestemmingsplan. Deze reacties zijn verwerkt in de waterparagraaf.

‐ 38 ‐

4.2

Milieuzonering De Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG) heeft in de uitgave “Bedrijven en Milieuzonering” een handreiking geboden voor het toepassen van milieuzonering in de ruimtelijke planvorming. De milieuzonering zorgt ervoor dat nieuwe milieubelastende activiteiten (bijv. bedrijven) een passende locatie in de nabijheid van milieugevoelige functies (bijv. woningen) krijgen en dat milieugevoelige functies op een verantwoorde afstand van milieubelastende activiteiten gesitueerd worden. Milieuzonering beperkt zich tot milieuaspecten met een ruimtelijke dimensie, te weten: geluid, geur, gevaar en stof. Daarnaast is milieuzonering gericht op nieuwe ontwikkelingen. Het is niet bedoeld voor het beoordelen van bestaande situaties waarbij gevestigde milieubelastende activiteiten en milieugevoelige functies op minder dan de richtafstand van elkaar staan. Met de handreiking kan worden bepaald wat de gewenste richtafstand is tussen de verschillende functies. De beoogde ontwikkeling voorziet in de oprichting van nieuwe milieugevoelige objecten (woningen). Op grond van de geldende bestemmingsplannen zijn in de omgeving van het plangebied diverse hindervolle activiteiten toegestaan die mogelijk voor hinder kunnen zorgen. Het gaat hierbij om (agrarische) bedrijvigheid, paddenstoelenteelt en maatschappelijke voorzieningen.

In alle gevallen gaat het om inrichtingen die in de VNGuitgave "Bedrijven en milieuzonering" worden aangemerkt tot milieucategorie 1 of 2. De grootste hinderafstand bedraagt dan ook 30 meter. Vanwege de toegestane mix aan functies, alsook vanwege de ligging in de nabijheid van hoofdinfrastructuur (N832), mag de omgeving van het plangebied op grond van de VNGuitgave aangemerkt worden als een ‘gemengd gebied’. Hierdoor is het toegestaan om de hinderafstand met één afstandsstap te verkleinen. Voor inrichtingen behorende tot milieucategorie 1 betekent dit, dat de hindercontour wordt verkleind van 10 naar 0 meter. Voor milieucategorie 2-inrichtingen bedraagt de contour dan 10 in plaats van 30 meter. Aan de genoemde hinderafstanden kan worden voldaan. Op grond van de VNG-uitgave wordt gesteld, dat ter plaatse van het plangebied sprake is van een acceptabel woon- en leefklimaat. Daarnaast worden de vergunde rechten van de aanwezige bedrijven niet ingeperkt. Tevens wordt opgemerkt, dat met de beoogde ontwikkeling een agrarische bedrijfsbestemming komt te verdwijnen. Dit heeft een positief gevolg voor het woon- en leefklimaat van omliggende woningen. De VNG-uitgave gaat niet in op het milieuaspect ‘lichthinder’.

Aangezien in de directe omgeving van het plangebied diverse kassencomplexen aanwezig zijn, wordt hier in het kader van een goede ruimtelijke ordening separaat aandacht aan besteed. Vooropgesteld wordt, dat er geen wettelijk vastgelegde ‘lichtnormen’ bestaan. Wel zijn in artikel 4.790 van het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal) specifieke regels opgenomen die gericht zijn op het beperken van lichthinder als gevolg van assimilatieverlichting in kassen. Dit zijn direct geldende regels. Dat wil zeggen dat hier ook aan voldaan moet worden als er geen (nieuwe) woningen in de omgeving aanwezig zijn. De regel dat “de gevel van de kas van zonsondergang tot zonsopgang zo af te schermen dat op een afstand van 10 m van de gevel de lichtvermindering ten minste 95% is en de in de kas gebruikte lampen niet zichtbaar zijn.” geeft voldoende grond om onrechtmatige hinder op een afstand van meer dan 10 meter niet te verwachten. De woningen in het plan Walderhof liggen op een grotere afstand van de kassen. Voor andere typen verlichting geldt de specifieke zorgplicht (artikel 2.11 i.c.m. artikel 2.2 uit het Bal).

Bestemmingsplan “Kerkwijk, Walderhof” – Toelichting

‐ 39 ‐

Deze specifieke zorgplicht schrijft onder andere voor dat degene die een milieubelastende activiteit (bijv. het toepassen van verlichting in kassenbedrijf) verricht zoveel als mogelijk maatregelen moet nemen om het milieu te beschermen en zoveel mogelijk hinder moet voorkomen. Dat betekent dat wat betreft licht, omdat de specifieke zorgplicht altijd geldt (ook al in de bestaande situatie), geen onrechtmatige hinder verwacht hoeft te worden bij de toekomstige woningen van het plan Walderhof. Geconcludeerd wordt dat het aspect ‘lichthinder’ niet leidt tot een onacceptabel woon- en leefklimaat ter plaatse van de beoogde woningen. Het thema 'milieuzonering' leidt niet tot belemmeringen voor de herontwikkeling van het plangebied.

4.3

Geurhinder De Wet geurhinder en veehouderij (Wgv) vormt het toetsingskader voor milieuvergunningen als het gaat om geurhinder van veehouderijen met landbouwhuisdieren. De Wgv maakt onderscheid in dieren met en dieren zonder een vastgestelde geuremissiefactor. Voor dieren zonder een geuremissiefactor geldt ter plaatse van nieuwe woningen een norm van 2 ouE/m3. Voor dieren zonder vastgestelde geuremissiefactor gelden minimumafstanden tot dergelijke objecten (ook wel bekend onder de term 'vaste afstandsdieren'). De Regeling geurhinder en veehouderij (Rgv) bepaald in bijlage 1 voor welke dieren geuremissies zijn vastgelegd. Als het geen bedrijf is waar een geuremissiefactor voor is vastgelegd gelden de volgende eisen:  binnen de bebouwde kom geldt een afstand van 100 meter;  buiten de bebouwde kom geldt een afstand van 50 meter. Tot slot geldt voor zowel dieren met als voor dieren zonder geuremissiefactoren altijd een minimumafstand tussen de buitenzijde van een dierenverblijf en de buitenzijde van een geurgevoelig object. Dit betreft 50 respectievelijk 25 meter voor hetzij binnen dan wel buiten de bebouwde kom. De Wgv kent een omgekeerde werking. Dat wil zeggen dat ook bij plannen die woningbouwlocaties mogelijk maken moet wordt getoetst aan de geurnormen en geurafstanden van de Wgv. Hierbij moet worden beoordeeld of sprake is van een goed woonen leefklimaat.

Uit de jurisprudentie volgt dat bij de beoordeling van het woon- en leefklimaat niet bepalend is of aan de geurnorm wordt voldaan. Waar het om gaat, is of daargelaten de norm - een aanvaardbaar woon- en leefklimaat kan worden gerealiseerd. De gemeente kan voor haar grondgebied afwijkende geurnormen en geurafstanden vaststellen. Deze afwijkende normen en afstanden kunnen zowel strenger als soepeler zijn en deze worden vastgelegd in een gemeentelijke geurverordening. Ook de gemeente Zaltbommel beschikt sinds 2012 over een dergelijke geurverordening. Hierin zijn afwijkende afstandsnormen vastgesteld. In de geurverordening is voor geurgevoelige objecten gelegen binnen de bebouwde een afstandsnorm van 50 meter vastgelegd. Aangezien in de omgeving van het plangebied diverse veehouderijbedrijven aanwezig zijn, zowel intensieve als extensieve, is een geuronderzoek3 uitgevoerd. Hieruit blijkt, dat binnen de geurafstanden (25 en 50 meter) rondom agrarisch bouwblokken geen nieuwe woningen worden gerealiseerd. Daarmee wordt voldaan aan de geurafstand van 50 meter uit het gemeentelijk geurbeleid. 3

‐ 40 ‐

De Milieuadviseur, Onderzoek agrarische geurhinder Walderhof, Kerkwijk, augustus 2024, projectnummer 23071.

De achtergrondbelasting – de gezamenlijke geurbelasting van de binnen een straal van 3 kilometer aanwezige veehouderijen – is berekend op maximaal 3,02 ouE/m3. Dit komt overeen met een goed woon- en leefklimaat. De veehouderij aan de Delwijnsekade 3 heeft hierin het grootste aandeel en is daarmee maatgevend. Voor dit bedrijf is dan ook de voorgrondbelasting berekend. Uit deze berekening volgt, dat ter plaatse van 63 van de beoogde 85 woningen sprake is van een voorgrondbelasting van 2,0 ouE/m3. De overige 22 woningen liggen tussen de 2,0 en 3,0 ouE/m3-contour. Zoals eerder aangegeven zijn de geurnormen uit de Wgv niet langer doorslaggevend voor een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. Vanwege de volgende locatiespecifieke omstandigheden is de berekende voorgrondbelasting van maximaal 3,0 ouE/m3 aanvaardbaar:  Bij 63 van de 85 nieuwe woningen is de voorgrondbelasting maximaal 2,0 ouE/m3. Bij deze 63 woningen is er sprake van maximaal 11% geurgehinderden. De milieukwaliteit is goed tot redelijk goed. 22 van de 85 nieuwe woningen liggen in het gebied tussen de 2,0 en 3,0 ouE/m3-contour. Bij één woning bedraagt de voorgrondbelasting 3,0 ouE/m3, hierbij is er sprake van 15% gehinderden. Dit komt overeen met een matige milieukwaliteit, op basis van de optredende voorgrondbelasting.

 Bij de overige 21 - van de hierboven genoemde 22 woningen - woningen ligt de voorgrondbelasting tussen de 2,0 en 2,8 ouE/m3, hierbij is sprake van tussen 11% en 14% geurgehinderden. Dit komt overeen met een redelijk goede milieukwaliteit, op basis van de optredende voorgrondbelasting. De geplande woningen staan binnen de bebouwde kom en buiten een concentratiegebied. Volgens artikel 6 lid 1 van de Wgv bevindt de bandbreedte van de bij geurverordening vast te stellen voorgrondbelasting binnen de bebouwde kom en buiten een concentratiegebied zich tussen 0,01 ouE/m3 en 8,0 ouE/m3. De maximale geurbelasting van 3,0 ouE/m3 blijft daarmee ruimschoots onder de maximale geldende geurbelasting die bij gemeentelijke geurverordening mag worden vastgesteld. Het plangebied vormt een overgangsgebied tussen de bebouwde kom en het buitengebied. De milieukwaliteit van de woning met een berekende voorgrondbelasting van 3,0 ouE/m3 valt aan de onderzijde van de bandbreedte van de milieukwaliteit ‘matig’ en zit tegen de milieukwaliteit ‘redelijk goed’ aan. Deze woning bevindt zich op de rand van de bebouwde kom en ligt tegen het buitengebied aan. Een matige milieukwaliteit aan de rand van de bebouwde kom wordt aanvaardbaar geacht De veehouderij aan de Delwijnsekade 3 wordt door de beoogde ontwikkeling niet in zijn huidige bedrijfsvoering beperkt.

Wat betreft de uitbreidingsmogelijkheden wordt opgemerkt dat de bouw van nieuwe veestallen en uitbreiding van bestaande stallen niet bij recht is toegestaan. Bovendien zijn er geen concrete uitbreidingsplannen bekend gemaakt. Het beoogde bouwplan voorziet in 85 woningen, bestaande uit een combinatie van sociale huurwoningen, goedkope en (middel)dure woningen. Daarmee wordt een bijdrage geleverd aan de woningbouwbehoefte in Kerkwijk. Dit maatschappelijk belang weegt zwaarder dan het behoud van de eventuele (theoretische) uitbreidingsmogelijkheid van de veehouderij op het perceel Delwijnsekade 3. Geconcludeerd wordt, dat het aspect geurhinder geen belemmering vormt voor de beoogde woningbouwontwikkeling binnen het plangebied.

Bestemmingsplan “Kerkwijk, Walderhof” – Toelichting

‐ 41 ‐

4.4

Geluid Geluidhinder kan ontstaan door verschillende activiteiten. In de Wet geluidhinder zijn geluidsnormen opgenomen voor wegverkeerslawaai, railverkeerslawaai en industrielawaai. Deze normen geven de hoogst acceptabele geluidsbelasting bij geluidsgevoelige functies zoals woningen. Bij het bepalen van de maximaal toegestane geluidsbelasting maakt de Wet onderscheid tussen bestaande situaties en nieuwe situaties. Nieuwe situaties zijn nieuw te bouwen geluidsgevoelige functies of nieuwe geluidhinder veroorzakende functies. Het beoogde ontwikkeling leidt tot de realisatie van nieuwe geluidsgevoelige objecten, namelijk woningen. Omdat deze woningen binnen de toetsingszone van enkele zoneplichtige wegen liggen, is een akoestisch onderzoek4 uitgevoerd. De rekenresultaten worden hieronder uiteengezet. Wegverkeerslawaai Het plangebied ligt binnen de toetsingszone van de volgende wegen: Walderweg (N832), Paradijsweg, Kerkwijksekade en Delwijnsekade. Vandaar dat een akoestisch onderzoek is uitgevoerd. Hieruit blijkt, dat de voorkeursgrenswaarde van 48 dB alleen wordt overschreden door het wegverkeer op de Walderweg. De hoogst berekende geluidbelasting bedraagt namelijk 54 dB, waarmee de maximale ontheffingswaarde van 63 dB niet wordt overschreden. Deze geluidbelasting wordt berekend op de verdiepingshoogte van de westgevels van de drie meest westelijk gelegen woningen binnen het plan.

Op de begane grond bedraagt de geluidbelasting bij deze drie woningen 46–51 dB, waarbij de hoogste geluidbelasting alleen aan de westgevel van de hoekwoning van het blok rijwoningen plaatsvindt. De overige woningen in de eerstelijnsbebouwing langs de Walderweg hebben een geluidbelasting van 39– 49 dB op de begane grond en 46–51 dB op de verdiepingshoogte. De nieuw te realiseren ontsluitingsweg in het plangebied wordt ingericht als een 30km/h-weg. Deze weg valt daardoor buiten het aandachtsgebied van de Wet geluidhinder, waardoor toetsing aan de in deze wet opgenomen normen voor wegverkeerslawaai niet noodzakelijk is. Wel is in het kader van een goede ruimtelijke ordening berekend wat de geluidsbelasting van deze ontsluitingsweg is. Dit blijkt een maximale geluidbelasting van 44 dB te zijn. Wanneer deze belasting wordt vergeleken met de normen uit de Wet geluidhinder ligt de berekende geluidsbelasting ruim onder de in deze wet opgenomen richtwaarde van 48 dB. Daardoor is geen sprake van relevante blootstelling aan geluid van deze nieuwe weg. Ook ter plaatse van de reeds bestaande woningen is geen sprake van een wezenlijke verslechtering van het akoestisch woon- en leefklimaat, aangezien de geluidbelasting als gevolg van het extra verkeer vanaf Walderhof met maximaal 0,4 dB zal toenemen.

Overige geluidsbronnen Het plangebied ligt niet binnen de geluidscontouren van een gezoneerd industrieterrein of van een luchthaven. Ook de toetsingszones van een gezoneerde spoorweg reiken niet tot aan het plangebied. Vandaar dat een nadere beschouwing van deze geluidsbronnen niet aan de orde is. Conclusie De geluidsbelasting vanwege het wegverkeer over de Walderweg overschrijdt de voorkeursgrenswaarde. In de geluidsberekeningen is hierbij rekening gehouden met de 4

‐ 42 ‐

Kraaij Akoestisch Adviesbureau, Akoestisch onderzoek wegverkeerslawaai nieuwbouwplan Walderhof te Kerkwijk, augustus 2024, projectnummer VL.2341.R01_rev2.

verlegging van de komgrens en de aanwezigheid van een 1,8m hoge geluidsscherm. Om te waarborgen dat dit scherm ook daadwerkelijk wordt gerealiseerd, is hiervoor in de planregels een voorwaardelijke verplichting opgenomen. Uit het uitgevoerde akoestisch onderzoek blijkt, dat het treffen van aanvullende geluidsreducerende maatregelen vanuit financieel, stedenbouwkundig en/of akoestisch oogpunt niet redelijk, wenselijk dan wel onvoldoende effectief is. Vandaar dat een ontheffing van de Wet geluidhinder noodzakelijk is. Uit het akoestisch onderzoek blijkt, dat na cumulatie van geluid bij elke woning of appartement minimaal één geluidluwe gevel of buitenruimte aanwezig is (geluidbelasting zonder aftrek minder dan 53 dB). Hierdoor wordt het woon- en leefklimaat ter plaatse van de beoogde woningen vanuit akoestisch oogpunt aanvaardbaar geacht. In voorliggende situatie is dus sprake van een goede ruimtelijke ordening. Vandaar dat een ontheffing van de Wet geluidhinder kan worden verleend. Het aspect ‘geluid’ staat realisatie van de beoogde woningen niet in de weg.

4.5

Luchtkwaliteit Voor een aantal stoffen in de lucht gelden wettelijke grenswaarden die zijn vastgelegd in hoofdstuk 5 van de Wet milieubeheer (de zogenaamde Wet luchtkwaliteit). De normen zijn gesteld ter bescherming van de gezondheid van de mens. De luchtkwaliteit dient in zijn algemeenheid, met uitzondering van de werkplek, bepaald te worden. Het ontstaan van nieuwe knelpunten moet worden voorkomen. De gemeente toetst daartoe nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen expliciet aan de normen uit de Wet luchtkwaliteit. Is de verwachting dat de ontwikkeling zal leiden tot overschrijding van de normen, dan wordt naar een zodanig (technisch en/of planologisch) alternatief gezocht dat wordt voldaan aan de normen. Van bepaalde projecten met getalsmatige grenzen is vastgesteld dat deze ‘niet in betekenende mate’ (NIBM) bijdragen aan de luchtverontreiniging. Deze projecten kunnen zonder toetsing aan de luchtkwaliteitsnormen worden uitgevoerd. Een project draagt ‘niet in betekenende mate’ bij aan de luchtverontreiniging als de grens van 3% van de grenswaarde voor de jaargemiddelde concentratie fijn stof en stikstofdioxide niet wordt overschreden. In de algemene maatregel van bestuur ‘Niet in betekenende mate’ (Besluit NIBM) en de ministeriële regeling (Regeling NIBM) zijn de uitvoeringsregels vastgelegd die betrekking hebben op het begrip NIBM.

Ten aanzien van een woningbouwlocatie is in de regeling gesteld, dat de volgende situaties niet in betekenende mate bijdragen:  Netto niet meer dan 1.500 woningen in geval van één ontsluitingsweg.  Netto niet meer dan 3.000 woningen in geval van twee ontsluitingswegen met gelijkmatige verkeersverdeling. Dit bestemmingsplan maakt de bouw van 85 nieuwe woningen mogelijk. De beoogde ontwikkeling valt daarmee ruimschoots binnen de categorie ontwikkelingen die niet in betekenende mate bijdragen aan de concentratie luchtverontreinigende stoffen. Omdat binnen een straal van 1.000 meter vanaf het plangebied geen nieuwe grootschalige ontwikkelingen plaatsvinden die voor de verkeersontsluiting gebruik maken van dezelfde wegen als de beoogde ontwikkeling, is geen sprake van een gezamenlijke ontsluitingsweg. De anticumulatieregeling is daardoor niet van toepassing. De beoogde ontwikkeling wordt dan ook als niet in betekenende mate beschouwd. Het uitvoeren van een luchtkwaliteitsonderzoek is niet noodzakelijk en het plan voldoet aan de Wet luchtkwaliteit. Uit de monitoringstool van het CIMLK blijkt, dat de huidige NO2-concentratie (jaar 2021) ter hoogte van de dichtstbijzijnde rekenpunten (Walderweg) lager is dan 35 μg/m3. Dit geldt ook

Bestemmingsplan “Kerkwijk, Walderhof” – Toelichting

‐ 43 ‐

voor de PM10-concentratie. Gesteld wordt, dat ter plaatse van het beoogde bouwplan sprake is van een acceptabel woon- en leefklimaat.

4.6

Externe veiligheid Binnen het externe veiligheidsbeleid wordt onderscheid gemaakt tussen plaatsgebonden risico en groepsrisico. Het plaatsgebonden risico zegt iets over de theoretische kans op overlijden op een bepaalde plaats voor een persoon die een jaar lang op die plaats zou staan. Hiervoor geldt dat een kans groter dan 1 op de miljoen per jaar (10-6/jaar) onacceptabel wordt geacht. In tegenstelling tot het plaatsgebonden risico, dat in één getal kan worden uitgedrukt, wordt het groepsrisico door een (grafiek)lijn weergegeven. Naarmate de groep mogelijke slachtoffers groter wordt, moet de kans op zo’n ongeval kleiner zijn. Het invloedsgebied van het groepsrisico bedraagt het 1% letaliteitsgebied. De normen voor het groepsrisico weerspiegelen geen grenswaarde maar een oriënterende waarde. Dit houdt in dat bij de beoordeling van het groepsrisico het lokaal en regionaal bevoegd gezag de mogelijkheid geboden wordt om gemotiveerd van de oriënterende waarde af te wijken. Onderstaande afbeelding betreft een uitsnede van de Atlas leefomgeving, themakaar ‘Veilige leefomgeving’. Hieruit valt op te maken dat de dichtstbijzijnde risicobronnen op ruime afstand van het plangebied liggen.

De kortste afstand tussen het plangebied en een stationaire risicobron bedraagt namelijk zo’n 500 meter (hogedruk aardgasstation aan Aalderwijkerstraat), terwijl de dichtstbijzijnde transportroute (hogedruk aardgastransportleiding met een diameter van 12,76 inch en een werkdruk van 40 bar) op zo’n 550 meter bevindt. Gesteld wordt, dat alle bijbehorende 10-6 plaatsgebonden risicocontouren en eventuele plasbrandaandachtsgebieden zich niet over het plangebied uitstrekken. Dit geldt ook voor de zones die van toepassing zijn bij het transport van gevaarlijke stoffen over de Rijksweg A2, aangezien deze op ruim 2.750 meter afstand van het plangebied ligt. Het aspect ‘externe veiligheid’ staat de beoogde ontwikkeling dan ook niet in de weg.

Afbeelding 11: Uitsnede Atlas leefomgeving, thema Veilige leefomgeving (plangebied globaal zwart omcirkeld).

‐ 44 ‐

4.7

Bodem Het wettelijk kader bij de bepaling van de mate en ernst van bodemverontreiniging wordt gevormd door de Wet bodembescherming (Wbb). Op grond van de mate en omvang van een verontreiniging in grond en/of grondwater wordt bepaald of, conform de Wbb, sprake is van een geval van ernstige bodemverontreiniging. Hierop is de principiële noodzaak tot sanering gebaseerd. In de Wbb wordt op basis van risico’s voor mens en ecosystemen vervolgens onderscheid gemaakt tussen spoedeisende en niet spoedeisende sanering. Als een sanering spoedeisend is, dient hiermee binnen vier jaar aangevangen te worden. Wanneer geen sprake is van een spoedeisende sanering, kan deze worden uitgesteld totdat op de locatie een herinrichting en/of bestemmingswijziging aan de orde is. Op de bodemkwaliteitskaart regio Rivierenland (ontgravingskaart) is de bovengrond (0 tot 0,5 meter beneden maaiveld) ter plaatse van het plangebied aangemerkt als klasse ‘landbouw/natuur’. Dit geldt ook voor de ondergrond (0,5 tot 2,0 m-mv). Dit betekent, dat ten hoogste verontreinigingen tot de achtergrondwaarde te verwachten zijn. Ter plaatse van het plangebied is een bodemonderzoek uitgevoerd5. Uit het vooronderzoek blijkt dat in het onderzoeksgebied een enkele bodembedreigende activiteit heeft plaatsgevonden, te weten het mogelijk gebruik van bestrijdingsmiddelen ten tijde van het gebruik als boomgaard.

Daarnaast zijn mogelijk gedempte sloten aanwezig. De rest van het plangebied wordt als grootschalig onverdacht beschouwd. Het veldonderzoek heeft plaatsgevonden in de periode augustus - september 2023, waarbij in het onderzoeksgebied in totaal 55 boringen zijn verricht. De diepte varieert van circa 0,5 tot 2,0 meter beneden maaiveld (m-mv). Negen boringen zijn afgewerkt met een peilbuis ten behoeve van de bemonstering van het grondwater. Uit de analyseresultaten blijkt, dat in de bovengrond ter plaatse van de voormalige boomgaard gehaltes aan DDE boven de achtergrondwaarde zijn aangetoond. Dit geldt ook voor de somparameter voor OCB’s. Deze verhoogde gehalten zijn te relateren aan het gebruik van bestrijdingsmiddelen. Tevens is in één mengmonster een gehalte aan cadmium gemeten boven de achtergrondwaarde; in één ander mengmonster is sprake van een gehalte aan nikkel boven de achtergrondwaarde. In de overige mengmonsters van zowel boven- als ondergrond zijn geen verontreinigingen aangetroffen. In het grondwater is een gehalte aan barium en 1,1,2-trichloorethaan boven de streefwaarden vastgesteld. Het verhoogde bariumgehalte is aan te merken als natuurlijk verhoogd. De vastgestelde gehalte 1,1,2-trichloorethaan is veroorzaakt door een verhoogde rapportgrens; van een daadwerkelijk verhoogd gehalte is geen sprake.

Geconcludeerd wordt, ter plaatse van de onderzoekslocatie geen verontreinigingen zijn aangetoond die aanleiding geven tot het uitvoeren van nader of aanvullen bodemonderzoek. De bodemkwaliteit ter plaatse van de onderzoekslocatie vormt geen belemmering voor de beoogde bestemmingswijziging. De eventueel bij werkzaamheden vrijkomende grond is op of buiten het onderzoeksterrein herbruikbaar.

5

Bodem-inzicht, Verkennend bodemonderzoek percelen aan de Paradijsweg te Kerkwijk, september 2023, projectnummer B3286.

Bestemmingsplan “Kerkwijk, Walderhof” – Toelichting

‐ 45 ‐

4.8

Archeologie en cultuurhistorie Archeologie Het archeologisch erfgoed wordt binnen Nederland als zeer waardevol beschouwd. De Wet op de Archeologische Monumentenzorg (WaMZ) legt de verantwoordelijkheid voor de bescherming van het archeologische erfgoed bij de gemeente. Zo verplicht de WaMZ om bij de vaststelling van een bestemmingsplan of bij afwijking daarvan rekening te houden met in de bodem aanwezige of te verwachten archeologische waarden. De feitelijke bescherming daarvan krijgt gestalte door het opnemen van regels in het bestemmingsplan ten aanzien van de afgifte van omgevingsvergunningen in die gebieden die als archeologisch waardevol zijn aangemerkt. Zaltbommel heeft in 2011 het als onderdeel van het gemeentelijk archeologiebeleid een archeologische beleidskaart opgesteld. Op deze kaart is nagenoeg het gehele plangebied aangemerkt als ‘waarde-archeologie 2’ (zie afbeelding 12). Het uitvoeren van een archeologisch onderzoek voorafgaand aan het uitvoeren van bodemverstorende werkzaamheden is noodzakelijk, mits deze werkzaamheden een oppervlak beslaan van 100 m2 of meer én dieper gaan dan 30 centimeter beneden huidig maaiveld. Aan de noordwestzijde van het plangebied is de archeologische verwachtingswaarde ‘waardearcheologie 3’ van toepassing.

Hier geldt een onderzoeksverplichting indien het oppervlak van de bodemverstorende werkzaamheden meer dan 2.500 m2 bedragen en dieper reiken dan 30 centimeter beneden maaiveld.

Afbeelding 12: Uitsnede archeologische beleidskaart (plangebied rood omkaderd).

Omdat door de beoogde ontwikkeling de genoemde grenswaarden overschreden zullen worden, is een verkennend archeologisch onderzoek6 uitgevoerd. Uit dit onderzoek blijkt, dat voor het noordelijke deel van het plangebied vanwege de ligging op de stroomgordel van Broek een middelhoge verwachting voor archeologische resten uit het neolithicum-bronstijd (nederzettingsresten, graven e.d.) van toepassing is. In het zuidelijke deel zijn deze afzettingen geërodeerd door de stroomgordel van Bruchem, waarvoor voor deze zone geen

6 BAAC, Gemeente Zaltbommel Plangebied Walderhof te Kerkwijk; Archeologisch bureauonderzoek en

Inventariserend veldonderzoek (verkennende fase), november 2023, BAAC‐rapport V‐23.0353.

‐ 46 ‐

verwachting geldt voor deze periode. Voor het hele plangebied geldt daarnaast vanwege de ligging op de Bruchem stroomgordel een hoge verwachting voor de ijzertijd tot en met de volle middeleeuwen. De bewoning uit de late middeleeuwen en nieuwe tijd bevindt zich ten noorden van het plangebied in de kern van Kerkwijk. Het plangebied was voor zover bekend in gebruik als akker en was onbebouwd. Hoewel uit deze periode wel sporen van ontginning aanwezig kunnen zijn, geldt voor nederzettingsresten e.d. een lage verwachting. Omdat in het gehele plangebied archeologische resten verwacht worden, is een vervolgonderzoek door middel van proefsleuven noodzakelijk. Ter bescherming van eventuele archeologisch resten is in de planregels van dit bestemmingsplan een archeologische dubbelbestemming opgenomen overeenkomstig het provinciaal inpassingsplan “Tuinbouw Bommelerwaard”. Cultuurhistorie Menselijke ingrepen hebben voor kenmerkende en waardevolle cultuurhistorische waarden gezorgd. In de gemeente Zaltbommel zijn waardevolle elementen aanwezig die een natuurlijke geschiedenis hebben en die een door de mens gevormde geschiedenis hebben. De gemeente Zaltbommel heeft een cultuurhistorische inventarisatie uitgevoerd naar zowel waardevolle structuren, gebieden en dorpsgezichten als afzonderlijke elementen.

Dat heeft geresulteerd in een inventarisatiekaart die op 7 juli 2011 door de gemeenteraad is vastgesteld. Belangrijke cultuurhistorische waarden zijn:  De aan de rivieren gerelateerde oeverwallen met bebouwingsstructuren;  De wetering Capreton;  De Nieuwe Hollandse Waterlinie;  Rijksbeschermde stads- en dorpsgezichten (Zaltbommel en Nederhemert-Zuid);  Gemeentelijk beschermd dorpsgezicht (Gameren);  Gemeentelijke en rijksmonumenten;  Historische buitenplaatsen (Huis Brakel). Het plangebied ligt niet binnen één van de hierboven genoemde cultuurhistorisch waardevolle gebieden, dan wel binnen de genoemde beschermde stads- en/of dorpsgezichten. De in deze gebieden aanwezige cultuurhistorische waarden worden door de beoogde ontwikkeling niet aangetast. Ondanks dat de Walderweg niet specifiek als cultuurhistorisch op de inventarisatiekaart is aangegeven, kent deze weg al wel een lange geschiedenis als een van de uitvalswegen van Kerkwijk. Deze historische functie komt door het beoogde bouwplan niet te vervallen. De Paradijsweg ligt er in de huidige vorm sinds 1967 en heeft een jongere geschiedenis. Voor deze tijd betrof het waarschijnlijk een onverharde weg die naar de akkers van het paradijsveld liep.

In de directe omgeving van het plangebied bevinden zich enkele monumentale panden, namelijk:  Aalderwijksestraat 14;  Aalderwijksestraat 2;  Achterstraat 6;  Delwijnsestraat 16  Delwijnsestraat 5  Hogenhofstraat 3;  Kruisstraat 1;  Kruisstraat 3  Walderweg 3.

Bestemmingsplan “Kerkwijk, Walderhof” – Toelichting

‐ 47 ‐

Deze panden zijn als Rijks- c.q. gemeentelijk monument aangewezen vanwege de architectuurhistorische en/of stedenbouwkundige criteria. Aangezien de beoogde ontwikkeling hieraan geen verandering brengt, leidt deze niet tot aantasting van de monumentale waarden.

4.9

Ecologie De Nederlandse natuurbescherming kent drie aspecten, te weten houtopstanden, gebieds- en soortbescherming. Gebiedsbescherming en houtopstanden Eén van de belangrijkste kaders voor gebiedsbescherming wordt sinds 1 januari 2017 gevormd door de Wet Natuurbescherming. Deze wet regelt de bescherming van gebieden die als Natura 2000-gebied zijn aangewezen. Wanneer in of in de directe nabijheid van een dergelijk gebied een activiteit plaatsvindt die leidt tot nadelige gevolgen voor het natuurgebied, dan dient hiervoor een vergunning te worden aangevraagd. Daarnaast bestaan gebieden die deel uitmaken van het Natuurnetwerk Nederland (voorheen Ecologische Hoofdstructuur); deze gebieden worden beschermd via het ruimtelijk ordeningsrecht (Barro en/of provinciale structuurvisies). Uit een uitgevoerde quickscan7 blijkt, dat het plangebied geen deel uitmaakt van een natuurgebied met een beschermde status, zoals Natura 2000, Natuurnetwerk Nederland of Bijzondere Provinciale Landschappen. Deze natuurgebieden liggen op een dusdanige afstand van het plangebied, dat negatieve effecten door de beoogde transformatie niet worden verwacht. Dit geldt ook voor eventuele negatieve effecten als gevolg van stikstofdepositie op de instandhoudingsdoelstelling van Natura 2000-gebieden.

Uit een uitgevoerde stikstofberekening8 blijkt, dat het beoogde bouwplan in de gebruiksfase niet leidt tot een stikstofdepositie groter dan 0,0 mol/ha/jr. In de aanlegfase is sprake van een bijdrage van 0,02 mol/ha/jr over het rekenjaar 2025. Omdat gesaldeerd kan worden (rekenjaar 2023) met de huidige stikstofdepositie, welke een hoogste bijdrage kent van 0,05 mol/ha/jr, is sprake van een afname van 0,03 mol/ha/jr in de aanlegfase. Gelet op het bovenstaande geldt geen vergunningplicht in het kader van de Wet natuurbescherming en kunnen significant negatieve effecten op Natura 2000−gebieden worden uitgesloten. Houtopstanden onder de Wet natuurbescherming betreffen zelfstandige eenheden van bomen, boomvormers, struiken, hakhout of griend, met een oppervlakte van 1.000 m2 of meer, of een rijbeplanting met meer dan 20 bomen. Het is verboden een houtopstand geheel of gedeeltelijk te vellen of te doen vellen, met uitzondering van het periodiek vellen van griend- of hakhout, zonder voorafgaand melding te doen bij gedeputeerde staten. Binnen het plangebied zijn dergelijke houtopstanden niet aanwezig. Soortbescherming Ook het aspect ’soortbescherming’ vindt sinds 1 januari 2017 zijn wettelijk kader in de Wet Natuurbescherming; deze wet beschermt de in deze wet aangemerkte soorten planten en dieren, ongeacht waar deze zich bevinden.

Om de instandhouding van de beschermde soorten te waarborgen moeten negatieve effecten op de instandhouding worden voorkomen. Hiertoe

7 Blom Ecologie, Quickscan Wet natuurbescherming Walderweg e.o. te Kerkwijk, juni 2023, projectnummer 2023‐

0555. 8 Walraven Advies, Stikstofdepositie‐onderzoek (aanlegfase en gebruiksfase) ontwikkellocatie Walderhof te

Kerkwijk, november 2023.

‐ 48 ‐

zijn in de wet verschillende verbodsbepalingen geformuleerd en zijn de soorten onderverdeeld in twee groepen:  strikt beschermde soorten, volgend uit de Vogel- en Habitatrichtlijn;  alle overige beschermde soorten, waaronder die uit de Rode Lijst. Uit de eerder aangehaalde ecologische quickscan blijkt, dat binnen het plangebied de volgende (strikt) beschermde soorten te verwachten zijn:  strikt beschermde grondgebonden zoogdieren;  vogels;  amfibieën. Daarnaast kunnen in het plangebied ook vrijgestelde grondgebonden zoogdieren en amfibieën verwacht worden. Voor deze dieren geldt dat geen ontheffing van de Wet natuurbescherming benodigd is; wel geldt de algemene zorgplicht. In het plangebied worden vanwege het ontbreken van een geschikt leefgebied andere diersoorten niet verwacht. Strikt beschermde grondgebonden zoogdieren Binnen een straal van 2 km is de aanwezigheid bekend van de bunzing, steenmarter en wezel, waarvoor geen vrijstelling geldt voor ruimtelijke ontwikkelingen. Deze marterachtigen komen echter voor in habitatten met veel plekken die dekking bieden, zoals houtwallen, stenenstapels of greppels. Het plangebied is echter open en goed te overzien, vorengenoemde structuren zijn niet aanwezig. Tevens zijn geen geschikte verblijf- of rustplaatsen aanwezig, waardoor het voor de soorten geen geschikt leefgebied is.

De haag aan de westzijde van het plangebied zou wel als migratieroute voor de soorten kunnen dienen. Echter wordt deze bij de beoogde ruimtelijke ingreep niet aangetast. Ook is aan de westzijde van de Walderweg een alternatieve haag aanwezig die parallel loopt aan de bestaande haag. Ook deze kan als alternatieve migratieroute gebruikt worden. Het kan derhalve uitgesloten worden dat er bij de ruimtelijke ingreep essentieel leefgebied voor de bunzing, steenmarter en wezel wordt weggenomen. Vogels In / nabij het plangebied zijn tijdens het veldbezoek enkele algemeen voorkomende vogels waargenomen, zoals houtduif, huismus, huiszwaluw, meerkoet, pimpelmees, scholekster, Turkse tortel, wilde eend en zwarte kraai. De planlocatie voorziet in beperkt voedselaanbod en structuurrijke schuilgelegenheden voor algemene soorten. Omdat in de directe omgeving meer dan voldoende alternatieven voorhanden zijn, is geen sprake van jaarronde bescherming. Effecten worden voorkomen door de werkzaamheden buiten de broedperiode uit te voeren. In (de nabije omgeving) van het plangebied zijn geen nestlocaties van jaarrond beschermde vogels bekend. Gedurende het veldbezoek zijn geen individuen, nesten en/of sporen aangetroffen van deze vogelsoorten aangetroffen.

Vanwege de afwezigheid van bebouwing, bomen en struiken kan de aanwezigheid van in bebouwing en bomen broedende soorten als huismus, gierzwaluw, buizerd, kerkuil, steenuil, sperwer en ransuil uitgesloten worden. Op de planlocatie is gezien het grote aantal alternatieve, soortgelijke percelen in de directe omgeving, geen sprake van essentieel leefgebied van deze vogelsoorten. Amfibieën Binnen een straal van 2 km is de aanwezigheid bekend van de volgende amfibieënsoorten: bastaardkikker, bruine kikker, gewone pad, kamsalamander en kleine watersalamander.

Bestemmingsplan “Kerkwijk, Walderhof” – Toelichting

‐ 49 ‐

Alleen voor de kamsalamander geldt dat deze beschermd is onder de Wet natuurbescherming en dat er geen vrijstelling geldt in het kader van ruimtelijke ontwikkelingen. De kamsalamander komt voor in kleinschalige landschappen met voortplantingswater in de nabije omgeving. Voortplantingswater is vaak vrij groot, halfbeschaduwd, stilstaand en vrij van vis. Het plangebied bestaat uit een agrarisch perceel met weinig structuren. De aanwezige watergangen zijn vrij smal en voor een groot deel volledig beschaduwd door de aanwezigheid van veel riet. Tevens is onder andere een baars in de sloot waargenomen. De aanwezige watergangen zijn daarom niet geschikt als voortplantingswater van de kamsalamander. Vanwege de afwezigheid van structuurrijke elementen en geschikt voortplantingswater, kan de aanwezigheid van de kamsalamander op de planlocatie worden uitgesloten. Conclusie Op basis van de uitgevoerde ecologische onderzoeken wordt geconcludeerd, dat de Wet natuurbescherming de beoogde ontwikkeling niet in de weg staat.

4.10

Duurzaamheid Duurzaamheid is onder andere zodanig bouwen, renoveren en beheren dat, gedurende de hele kringloop van het bouwwerk en de gebouwde omgeving, het milieu en de menselijke gezondheid zo min mogelijk negatieve effecten ondervinden. Het begrip duurzaamheid speelt op verschillende schaalniveaus een rol, zowel op het niveau van de stad, de wijk als het gebouw. Duurzaamheid is een speerpunt van de gemeente Zaltbommel. Het duurzaamheidsprogramma is in juli 2019 door de gemeenteraad vastgesteld en is leidend voor de uitvoering van duurzaamheid binnen de gemeente. De focus hierbij ligt op onder andere de energietransitie en klimaatadaptatie. In het bijbehorende uitvoeringsprogramma zijn per ambitie projecten benoemd die de komende jaren uitgevoerd worden om bij te dragen aan het behalen van de ambities. Het beoogde bouwplan draagt bij aan de gemeentelijke duurzaamheidambities. De beoogde woningen worden namelijk gebouwd conform het op dat moment geldende Bouwbesluit. Dit betekent, dat de woningen in ieder geval moeten voldoen aan de hierin opgenomen duurzaamheidseisen. Hierdoor wordt ten opzichte van de oorspronkelijke bebouwing minder CO2 uitgestoten. De beoogde woningen worden daarnaast gasloos (all-electric) uitgevoerd en voorzien van een warmtepomp en zonnepanelen.

Het is verder aan de eindgebruikers van de woningen om deze naar eigen wens zo energiezuinig mogelijk in te richten, bijvoorbeeld door het toepassen van waterbesparende kranen, het gebruik van ledverlichting, door extra zonnepanelen aan te brengen en/of de gevels en daken te vergroenen. Het plan is daarnaast ook klimaatadaptief en hittebestendig, doordat er veel gras wordt aangelegd, bomen worden geplant, watergangen aangelegd en wadi’s gecreëerd. De natuurlijke omgeving helpt dus om hitte en wateroverlast tegen te gaan en draagt daarmee bij aan klimaatbestendigheid.

4.11

Verkeersaspecten De ontsluiting van de beoogde nieuwbouwwijk zal overwegend plaatsvinden via een nieuwe aansluiting op de Walderweg; alleen de 6 vrijstaande woningen aan de Paradijsweg worden rechtstreeks op deze weg ontsloten. Voor deze splitsing is gekozen, omdat de Paradijsweg te

‐ 50 ‐

smal is om daar het gehele bouwplan op te ontsluiten. Het langzaam verkeer kan vanaf de centrale ontsluitingsweg via een doorsteek de Paradijsweg bereiken. Ter hoogte van de aansluiting van de doorsteek op de Paradijsweg wordt een knip in de Paradijsweg aangebracht. Hierdoor wordt de Paradijsweg vanuit beide richtingen doodlopend en dus afgesloten voor doorgaand gemotoriseerd verkeer. De weg biedt alleen toegang voor gemotoriseerd verkeer met de aangesloten woningen en bedrijven als bestemming. Overig verkeer rijdt via de Kerkwijksekade, Walderweg en de Achterstraat. Hiermee wordt het aantal verkeersbewegingen op de Paradijsweg verminderd. Fietsers en voetgangers in de richting centrum Kerkwijk komen tevens geen vrachtverkeer tegen op het smalste deel van de Paradijsweg. Fietsers hebben nog de mogelijkheid om gebruik te maken van het vrijliggende fietspad lang de Walderweg. Met behulp van een verkeerskundig onderzoek9 is bepaald op welke wijze de aansluiting van de centrale ontsluitingsweg met de Walderweg het best vormgegeven kan worden. Geadviseerd wordt om Walderhof op de Walderweg te ontsluiten met een voorrangskruispunt. Er is hierbij geen noodzaak om dit nieuwe kruispunt met verkeerslichten te regelen.

De wachttijden voor het verkeer dat vanaf de ontsluitingsweg van Walderhof de Walderweg oprijdt, zijn bij de gegeven toekomstige verkeersbelasting zowel tijdens het ochtendspitsuur als het avondspitsuur acceptabel (onder de 15 seconden). Het uitvoeren van het kruispunt als rotonde wordt niet noodzakelijk geacht, vanwege de beperkt beschikbare ruimte en de lage verkeersintensiteiten. De gemeente Zaltbommel heeft in de “Parkeernota Zaltbommel 2018” de parkeernormen vastgelegd, gebaseerd op de CROW-kencijfers. Met uitzondering van de kern Zaltbommel wordt voor het gehele grondgebied wordt uitgegaan van de categorie ‘weinig stedelijk’. Bij de te hanteren parkeernorm wordt in deze gebieden geen onderscheid gemaakt tussen bebouwde kom of buitengebied. Ten aanzien van de woonfunctie wordt onderscheid gemaakt in twee typen:  appartement sociale huur: norm van 1,5 parkeerplaats per woning (pp/w);  grondgebonden woning of appartement: norm van 2,0 pp/w. Deze norm bestaan uit een bewoners- en een bezoekersdeel; laatstgenoemde bedraagt 0,3 pp/w.

Afbeelding 13: Parkeerbalans woningbouwontwikkeling Walderhof.

Uit bovenstaande afbeelding valt op te maken, dat op basis van de geldende parkeernormen de beoogde ontwikkeling van 85 woningen leidt tot een parkeervraag van 155 parkeerplaatsen. Deze worden verspreid over de verschillende deelgebieden aangelegd (zie ook § 3.2), waarbij deze deels op eigen terrein bij de toekomstige woningen zijn voorzien en

9

DTV Consultants, Verkeersontsluiting uitbreidingsplan Walderhof Kerkwijk, oktober 2023.

Bestemmingsplan “Kerkwijk, Walderhof” – Toelichting

‐ 51 ‐

deels in de toekomstige openbare ruimte. Geconcludeerd wordt, dat sprake is van een sluitende parkeerbalans.

4.12

Niet gesprongen conventionele explosieven Tot op heden worden bij grond- en waterwerkzaamheden nog met enige regelmaat bommen, granaten en andere munitie uit de Tweede Wereldoorlog aangetoffen. Ook in en boven de Bommelerwaard hebben tijdens de Tweede Wereldoorlog allerlei oorlogshandelingen plaatsgevonden waarbij niet tot ontploffing gekomen explosieven en munitie is achtergebleven. Volgens een mondiale, militaire inschatting is van al het materieel dat gedurende de Tweede Wereldoorlog (1940-1945) verschoten of afgeworpen is, ondergronds 10% en onder water 15% niet tot ontploffing gekomen. Wanneer deze explosieven bij werkzaamheden worden aangetroffen, kunnen deze gevaar opleveren voor de werknemers en de publieke veiligheid. Daarnaast kunnen deze vondsten een zware belasting voor het milieu vormen. Werkgevers zijn volgens ARBO-wetgeving verantwoordelijk voor het veilig kunnen uitvoeren van werkzaamheden door werknemers binnen onze gemeente. Daarom zijn zij verplicht om bij ruimtelijke ontwikkelingen historisch vooronderzoek te doen om de kans op de aanwezigheid van niet gesprongen explosieven met zekerheid te kunnen uitsluiten. Samen met de gemeente Maasdriel heeft Zaltbommel een explosievenkansenkaart voor de gehele Bommelerwaard laten opstellen. Op deze kaart zijn alle risicogebieden of wel ‘verdachte’ gebieden op het gebied van niet gesprongen explosieven aangegeven.

Uit de explosievenkansenkaart Bommelwaard blijk dat de planlocatie is aangemerkt als ‘verdacht op geschutmunitie (verschoten)’. Ook uit een uitgevoerd vooronderzoek10 blijkt dat in het gehele plangebied kans is op het aantreffen van geallieerde geschutmunitie. Daarnaast is een groot deel van het plangebied ook verdacht op het voorkomen van geallieerde brisantbommen. Vandaar dat opsporingswerkzaamheden naar niet gesprongen explosieven hebben plaatsgevonden. Uit het Proces-verbaal van oplevering11 blijkt, dat in het plangebied één ontplofbare oorlogsrestant is aangetroffen. Het betrof een Amerikaanse brisantpantsergranaat van 76mm zonder ontsteker of explosieve lading. Deze granaat is uit het plangebied verwijderd. Als gevolg van uitgevoerde opsporingswerkzaamheden is nagenoeg het gehele plangebied vrijgegeven; alleen ter plaatse van enkele niet verwijderbare objecten is dit nog niet mogelijk. Indien hier bodemverstorende activiteiten plaatsvinden wordt geadviseerd te werken volgens het protocol voor toevalsvondsten. Het aspect ‘niet gesprongen explosieven’ vormt geen belemmering voor de beoogde woningbouwontwikkeling.

4.13

Besluit m.e.r. Milieueffectrapportage (m.e.r.) is geregeld in hoofdstuk 7 van de Wet milieubeheer (Wm) en in het Besluit m.e.r. In artikel 7.2 Wm wordt het doorlopen van de m.e.r.-procedure gekoppeld aan bepaalde in het Besluit m.e.r. opgenomen plannen en besluiten die verbonden zijn aan de eveneens in het Besluit m.e.r. weergegeven activiteiten. Het Besluit m.e.r. bevat hiertoe bijlagen, waarbij vooral de onderdelen C en D van belang zijn. Onderdeel C bevat activiteiten, plannen en besluiten waarvoor het maken van een m.e.r. verplicht is.

10

Expload, Update vooronderzoek ontplofbare oorlogsresten Walderhof te Kerkwijk, november 2023, projectnummer 230730000. 11 AES, Proces-verbaal van oplevering Opsporen ontplofbare oorlogsresten Walderhof – Kerkwijk, juni 2024.

‐ 52 ‐

Activiteiten, plannen en besluiten waarvoor een m.e.r.-beoordeling benodigd is, staan in onderdeel D. Voor beide onderdelen wordt per activiteit de drempelwaarden beschreven. Voor dit ruimtelijke onderbouwing is gekeken naar activiteiten die een m.e.r.(beoordelings)plicht kennen. Hierbij is één activiteit gevonden die mogelijk m.e.r(beoordelings)plichtig is, te weten:  D11.2: de aanleg, wijziging of uitbreiding van een stedelijk ontwikkelingsproject met inbegrip van de bouw van winkelcentra of parkeerterreinen, bij een oppervlakte van 100 hectare of meer aaneengesloten gebied en dat 2.000 woningen of meer omvat of een bedrijfsvloeroppervlakte van 200.000 m2 of meer betreft. Het beoogde bouwplan behelst de bouw van maximaal 85 woningen. Daarmee blijft de omvang ruim onder de drempelwaarden genoemd in onderdeel D11.2. De beoogde ontwikkeling is daarom niet plan m.e.r.-plichtig. De drempelwaarden in onderdeel D van het Besluit m.e.r. zijn echter indicatieve waarden. Dit betekent concreet dat het bevoegd gezag dient na te gaan of de beoogde activiteit daadwerkelijk geen belangrijke nadelige milieugevolgen kan hebben. Op grond van artikel 2, lid 5 van het Besluit m.e.r. is daarom een zogenaamde vormvrije m.e.r.-beoordeling nodig. Als blijkt dat er mogelijk belangrijke milieugevolgen zijn, is alsnog een milieueffectrapport noodzakelijk.

Hierbij dient rekening gehouden te worden met de criteria zoals die zijn opgenomen in bijlage III van de EU richtlijn milieubeoordeling projecten:  Kenmerken project / activiteit: de omvang van het beoogde bouwplan betreft het realiseren van maximaal 85 woningen. Daarmee zit de beoogde ontwikkeling ruim onder de drempelwaarde van 2.000 woningen. De gronden in de directe omgeving zijn voor diverse stedelijke functies in gebruikt. Daarnaast is het mogelijk om binnen het plangebied een 9 meter hoog kassencomplex met een omvang van 50.000 m2 te realiseren. De beoogde herontwikkeling heeft met betrekking tot verkeer geen significant effect; de omliggende wegen worden nu ook reeds door andere aanwezige functies gebruikt. Het plan voldoet ruimschoots aan de wettelijke bepalingen voor de luchtkwaliteit en kan zonder verdere maatregelen worden uitgevoerd.  Plaats van het project / activiteit: de beoogde ontwikkeling leidt formeel gezien tot nieuw ruimtebeslag. Zoals hiervoor aangegeven, is op grond van het geldende juridisch planologisch kader toegestaan om binnen het plangebied een 9 meter hoog kassencomplex met een omvang van 50.000 m2 te realiseren. Een dergelijke ontwikkeling heeft een zeer negatieve impact op de omgeving en de beleving van het landschap.

Met de beoogde woningbouwontwikkeling wordt juist een geleidelijke overgang van het dorp Kerkwijk naar het buitengebied gecreëerd, met aandacht voor landschap en klimaatadaptatie. Vanwege het ontbreken van geschikte locaties binnen de bestaande kern is het ook noodzakelijk buiten de huidige dorpskern de vraag naar woningen te realiseren. Voor de beoogde planontwikkeling zijn meerdere omgevingsaspecten nader beoordeeld en/of onderzocht (zie hiervoor de voorgaande paragrafen).  Samenhang met andere activiteiten: er is geen samenhang met andere plannen/ontwikkelingen buiten het plangebied. De onderzoeken naar de verscheidene milieueffecten zijn in het eerdere deel van dit hoofdstuk toegelicht. Daarnaast belemmert de planontwikkeling de bedrijfsvoering van omliggende bedrijven niet.  Kenmerken van de (mogelijk belangrijke) nadelige milieugevolgen: uit de voorgaande paragrafen in dit hoofdstuk blijkt, dat de beoogde herontwikkeling niet leidt tot belangrijke milieugevolgen. De effecten die als gevolg van het project optreden zijn

Bestemmingsplan “Kerkwijk, Walderhof” – Toelichting

‐ 53 ‐

lokaal van aard en hebben geen grensoverschrijdend karakter. Er is daarom geen sprake van onomkeerbare effecten. De toetsing aan de selectiecriteria uit de bijlage III EU-richtlijnen 85/337/EEG maakt duidelijk dat geen sprake is van belangrijke nadelige effecten op het milieu die het opstellen van een MER of m.e.r.-beoordeling noodzakelijk maken.

‐ 54 ‐

5.

JURIDISCHE ASPECTEN

5.1

Inleiding Het bestemmingsplan bestaat uit juridisch bindende regels en een verbeelding met daarbij een toelichting. De regels bevatten het juridische instrumentarium voor het gebruik van de gronden, de toegelaten bebouwing en het gebruik van de op te richten en/of aanwezige bebouwing. Op de verbeelding zijn de bestemmingen in beeld gebracht. Samen met de regels is dit het juridisch bindende deel van het bestemmingsplan. De toelichting heeft geen bindende werking, maar vervult een belangrijke rol voor de onderbouwing van het plan en de uitleg van de planregels.

5.2

De opzet van de planregels De regels zijn onderverdeeld in vier hoofdstukken:  Inleidende regels;  Bestemmingsregels;  Algemene regels;  Overgangs- en slotregels.

5.2.1

Inleidende regels In de inleidende regels staan de algemene bepalingen die nodig zijn om de overige regels goed te kunnen hanteren. De begripsbepalingen (art. 1) bevatten uitleg van de in het plan gebruikte begrippen die niet tot de algemeen bekend veronderstelde begrippen gerekend worden. De wijze van meten (art. 2) bevat technische regelingen met betrekking tot het bepalen van hoogtes, oppervlaktes etc.

5.2.2

Bestemmingsregels De bestemmingen beginnen telkens met een bestemmingsomschrijving, waarin in algemene bewoordingen wordt aangegeven waarvoor de gronden, waaraan de desbetreffende bestemming is toegekend, mogen worden gebruikt. Deze bestemmingsomschrijving wordt gevolgd door een bepaling waarin staat aangegeven onder welke voorwaarden bebouwing van deze gronden is toegestaan (bouwregels). Alle regels die op een bepaalde bestemming van toepassing zijn, worden zoveel mogelijk in de bestemmingsregels zelf geregeld. Op deze wijze wordt bij de digitale versie van het plan bij het aanklikken op adres of bestemmingsvlak zo veel mogelijk informatie gegeven zonder dat er verder doorgeklikt behoeft te worden. Dit bestemmingsplan kent de volgende bestemmingen: Enkelbestemmingen Artikel 3 Agrarisch Artikel 4 Groen Artikel 5 Verkeer Artikel 6 Verkeer - Verblijfsgebied Artikel 7 Wonen Artikel 8 Water

Dubbelbestemmingen Artikel 9 Waarde - Archeologie 2

Onderstaand wordt per bestemming een toelichting gegeven. Artikel 3 Agrarisch De tot ‘Agrarisch’ bestemde gronden zijn bedoeld voor de uitoefening van een grondgebonden agrarisch bedrijf, alsmede voor aan huis verbonden beroep, nevenactiviteiten, externsieve dagrecreatie en voet- en fietspaden. Dit alles met de daarbij behorende voorzieningen.

Bestemmingsplan “Kerkwijk, Walderhof” – Toelichting

‐ 55 ‐

Vanwege het ontbreken van een bouwvlak zijn de bouwmogelijkheden op deze gronden minimaal. Alleen bouwwerken, geen gebouwen zijnde, mogen worden opgericht. Hierbij dient voldaan te worden aan de gestelde bouwregels. Tevens zijn specifieke gebruiksregels gesteld aan het gebruik van de gronden voor nevenactiviteiten en aan aan huis verbonden beroepen. Artikel 4 Groen De tot ‘Groen’ bestemde gronden zijn bestemd voor groenvoorzieningen en beplantingen, paden en parkeervoorzieningen, schouwzones voor naastgelegen watergangen, openbare sport- en speelvoorzieningen, beeldende kunstwerken, voorzieningen voor openbaar nut en water(huishoudkundige voorzieningen). Daarnaast worden ook in-/uitrit-constructies ten behoeve van aangrenzende woonbestemmingen als passend in de bestemming aangemerkt, echter uitsluitend ter plaatse van de op de verbeelding opgenomen aanduiding ‘ontsluiting’. Ter plaatse van de aanduiding ‘specifieke vorm van groen – wadi’ staan de gronden uitsluitend ten dienste van een voorziening ten behoeve van de hemelwateropvang en – infiltratie. De bouwmogelijkheden binnen deze bestemming zijn beperkt: alleen bouwwerken ten dienste van de bestemming zijn toegestaan. Zo zijn alleen gebouwen ten behoeve van nutsvoorzieningen toegestaan. De bouwhoogte is gemaximeerd op 3 meter en het oppervlak op 15 m2.

Voor bouwwerken, geen gebouwen zijnde, geldt een maximale bouwhoogte van 4 meter. Alleen voor lichtmasten, bewegwijzering en verkeersregulering geldt een afwijkende bouwhoogte van 8 meter. Ter plaatse van de op de verbeelding opgenomen aanduiding ‘specifieke bouwaanduiding – onbebouwd’ zijn geen bouwwerken toegestaan. In de gebruiksregels is een voorwaardelijke verplichting opgenomen. Ter plaatse van de aanduiding ‘specifieke vorm van groen – bosplantsoen’ dient een bosplantsoen aangeplant te worden. Dit bosplantsoen dient te allen tijde onderhouden en duurzaam in stand gehouden te worden. Artikel 5 Verkeer Deze bestemming is van toepassing op het deel van de Walderweg en het naastliggende fietspad, dat binnen het plangebied ligt. De betreffende gronden zijn daarmee bestemd voor wegen (met het huidige aantal rijbanen), fiets- en wandelpaden, oplaadpunten voor elektrische auto’s en parkeerterreinen, alsook de daarbij behorende bermen, taluds, groen-, nuts- en waterhuishoudkundige voorzieningen. De bouwmogelijkheden op deze gronden zijn beperkt. Alleen gebouwen ten dienste de bestemming en bouwwerken, geen gebouwen zijnde, die ten dienste staan van de bestemming mogen worden opgericht. Hierbij dient voldaan te worden aan de gestelde hoogtematen. Artikel 6 Verkeer - Verblijfsgebied Deze bestemming is van toepassing op de nieuwe ontsluitingswegen binnen het plangebied.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij iBabs is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/15890258/2