Bijlage 6. BP Zaltbommel, Waluwe III - fase 1 Toelichting
Tekst van het document
Hoewel het daarbij kan gaan om diverse vormen van voorzieningen, zijn alle (sociaal-)maatschappelijke en culturele voorzieningen die mogelijk worden gemaakt in te delen in categorie A en B. Om die reden vormen deze sociaal-maatschappelijke en culturele functies geen belemmering voor de woningen die in het plangebied zelf worden mogelijk gemaakt. Voor de woningen rondom het plangebied geldt dat deze zich op circa 10 meter afstand bevinden van de (sociaal-)maatschappelijke en culturele voorzieningen die mogelijk worden gemaakt. Hiermee bevinden de woningen rondom het plangebied zich op ruim voldoende afstand. Conclusie Het aspect milueuzonering vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van dit bestemmingsplan.
4.5
Luchtkwaliteit
4.5.1
Toetsingskader
Op 15 november 2007 is de wijziging van de Wet milieubeheer in werking getreden. Deze wet vervangt het 'Besluit luchtkwaliteit 2005' en is één van de maatregelen die de overheid heeft getroffen om: negatieve effecten op de volksgezondheid als gevolg van te hoge niveaus van luchtverontreiniging aan te pakken. mogelijkheden voor ruimtelijke ontwikkeling te creëren ondanks de overschrijdingen van de Europese grenswaarden voor luchtkwaliteit. De paragraaf luchtkwaliteit in de Wet milieubeheer voorziet onder meer in een gebiedsgerichte aanpak van de luchtkwaliteit via het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL). De programma-aanpak zorgt voor een flexibele koppeling tussen ruimtelijke activiteiten en milieugevolgen. Van bepaalde projecten met getalsmatige grenzen is vastgesteld dat deze 'niet in betekenende mate' (NIBM) bijdragen aan de luchtverontreiniging. Deze mogen zonder toetsing aan de grenswaarden voor luchtkwaliteit uitgevoerd worden. Luchtkwaliteitseisen vormen onder de nieuwe 'Wet luchtkwaliteit' geen belemmering voor ruimtelijke ontwikkeling als: er geen sprake is van een feitelijke of dreigende overschrijding van een grenswaarde. een project, al dan niet per saldo, niet tot een verslechtering van de luchtkwaliteit leidt. een project 'niet in betekenende mate' bijdraagt aan de luchtverontreiniging (meer dan 3% ten opzichte van de grenswaarde).
Het gaat hier bijvoorbeeld om woningbouwlocaties met één ontsluitingsweg en niet meer dan 1.500 nieuwe woningen, dan wel, in geval van twee ontsluitingswegen met een gelijkmatige verkeersverdeling, netto niet meer dan 3.000 woningen. een project is opgenomen in een regionaal programma van maatregelen of in het NSL, dat in werking is getreden nadat de EU in april 2009 derogatie heeft verleend. Als aannemelijk kan worden gemaakt dat aan één of meerdere van de bovengenoemde criteria wordt voldaan, kan het project zonder toetsing aan de gestelde grenswaarden voor luchtkwaliteit worden uitgevoerd.
26
Zaltbommel, Waluwe III - fase 1
In de Ministeriële regeling 'niet in betekenende mate bijdragen' zijn voor verschillende categorieën van projecten grenzen gesteld aan de projectomvang, waaronder een project met zekerheid NIBM bijdraagt aan de concentraties luchtverontreinigende stoffen in de buitenlucht. Gevoelige bestemmingen als scholen, kinderdagverblijven, bejaarden- en zorgtehuizen genieten op grond van het Besluit gevoelige bestemmingen (luchtkwaliteitseisen) extra bescherming: substantiële uitbreiding of nieuwvestiging binnen 50 meter van een provinciale weg of 300 meter van een rijksweg is alleen toegestaan als de concentraties luchtvervuilende stoffen zich onder de grenswaarden bevinden, waardoor geen onacceptabele gezondheidsrisico's optreden. De zones worden afgemeten vanaf de rand van de weg. In de context van dit besluit worden ziekenhuizen, woningen en sportaccommodaties dus niet als gevoelige bestemming gezien. 4.5.2
Doorvertaling bestemmingsplan
Voor kleinere ruimtelijke en verkeersplannen die effect kunnen hebben op de luchtkwaliteit, heeft het ministerie in samenwerking met InfoMil de nibm-tool ontwikkeld. Daarmee kan op een eenvoudige en snelle manier worden bepaald of een plan niet in betekenende mate bijdraagt aan luchtverontreiniging. Met behulp van deze rekentool is voor de totale toename van verkeer als gevolg van voorliggende ontwikkeling de toename van de stoffen NO2 en PM10 bepaald. Voor een inschatting van de verkeersgeneratie van het plan is CROW-publicatie 381 'Toekomstbestendig parkeren; Van parkeerkencijfers naar parkeernormen' (2018) aangehouden. Het plangebied zal deel gaan uitmaken van de bebouwde kom van een weinig stedelijk gebied. Voorts wordt opgemerkt dat de (sociaal-)maatschappelijke en culturele voorzieningen á 4.400 m2 voor 50% zal bestaan uit een bedrijfsverzamelgebouw en voor 50% uit een musicaltheater. Voor het deel bedrijfsverzamelgebouw zal worden gerekend met een kencijfer van 7,85 per 100 m2 en voor het theaterdeel zal worden gerekend met een kencijfer van 9,4 per 100 m2 . Voor de woningen wordt uitgegaan van een gemiddelde verkeersgeneratie van 8,2 voertuigbewegingen per etmaal per woning.
Figuur 4.2: Nibm-tool. Door deze ontwikkeling neemt het aantal verkeersbewegingen met circa 739 autoritten per weekdag toe. Uit de berekening met de nibm-tool blijkt dat het plan de grens van 3% (een toename van 1,2 µg/m3 NO2 of PM10 ) niet overschrijdt. Het project wordt dan ook beschouwd als een nibm-project. Nader onderzoek naar de luchtkwaliteit kan daarom achterwege blijven. Uit de NSL monitoringstool (waarbij het nabij het plangebied gelegen rekenpunt 722982 aan de Hogeweg
27
Zaltbommel, Waluwe III - fase 1
als uitgangspunt is genomen) blijkt dat voor 2020 de jaargemiddelde grenswaarden van 40 µg/m³ (voor NO2 en PM10) en 25 µg/m³ (voor PM2,5) niet worden overschreden. De waarden betreffen 25,2 µg/m³ voor NO2, 17,6 µg/m³ voor PM10 en 9,8 µg/m³ voor PM2,5. Daarnaast is de trend dat in de toekomst de emissies en de achtergrondconcentraties van deze stoffen zullen dalen, waardoor geen overschrijdingen van de grenswaarden zijn te verwachten. De daggemiddelde norm van 50 µg/m³ voor PM10 mag maximaal 35 dagen per jaar worden overschreden. Uit de NSL-monitoringstool blijkt dat ter hoogte van het meest nabij gelegen toetspunt 722982 voor 2020 wat betreft het aantal overschrijdingsdagen voor PM10 sprake is van minder dan 35 overschrijdingsdagen (te weten 6,19). Conclusie Het aspect lucht vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van dit bestemmingsplan.
4.6
Geur
4.6.1
Toetsingskader
Wet geurhinder en veehouderij De Wet geurhinder en veehouderij (Wgv) bevat het beoordelingskader voor geurhinder van veehouderijen die vergunningsplichtig zijn op basis van de Wet milieubeheer (Wm). Het beoordelingskader is als volgt: voor diercategorieën waarvan de geuremissie per dier is vastgesteld (in de Regeling geurhinder en veehouderij (Rgv)) geldt een maximale geurbelasting) op een geurgevoelig object; voor andere diercategorieën geldt een minimale afstand van de dierenverblijven ten opzichte van geurgevoelige objecten. Daarbij wordt onderscheid gemaakt tussen concentratiegebieden (conform Reconstructiewet) en niet-concentratiegebieden en tussen situaties binnen de bebouwde kom en buiten de bebouwde kom. De wet beschrijft in artikel 3 de maximale norm voor geurbelasting van een veehouderij ten opzichte van een gevoelig object in vier situaties, zie onderstaande tabel. Binnen bebouwde kom
Concentratiegebied
Niet-concentratiegebied
diercategorieën Rgv
maximaal 3 ouE/m³
maximaal 2 ouE/m³
andere diercategorieën
minimaal 100 m t.o.v. geurgevoelig object
minimaal 100 m t.o.v. geurgevoelig object
maximaal 14 ouE/m³
maximaal 8 ouE/m³
minimaal 50 m t.o.v. geurgevoelig object
minimaal 50 m t.o.v. geurgevoelig object
Buiten bebouwde diercateagorieën Rgv kom andere diercategorieën
Geurnormen Wgv De Wgv biedt gemeenten de mogelijkheid om afwijkende geurnormen vast te stellen voor (delen van) het grondgebied. Op deze wijze kan de gemeente een geurhinderbeleid vaststellen dat is afgestemd op de plaatselijke situatie. Regeling geurhinder en veehouderij In de Regeling geurhinder en veehouderij (Rgv) is de wijze vastgelegd waarop: de geurbelasting wordt bepaald; de afstand tussen veehouderij en geurgevoelig object) wordt gemeten. Activiteitenbesluit milieubeheer Per 1 januari 2013 zijn agrarische activiteiten onder de werkingssfeer van het Activiteitenbesluit milieubeheer gebracht. In het Activiteitenbesluit milieubeheer zijn voor alle agrarische activiteiten, waaronder akkerbouwbedrijven en veehouderijen, eisen opgenomen. Voor de veehouderijen is aangesloten bij de systematiek uit de Wgv, dat wil zeggen dat in bepaalde gevallen een maximaal toegestane
28
Zaltbommel, Waluwe III - fase 1
geurbelastingen geldt (diercategorieën waarvoor een geuremissiefactor is vastgesteld, bijvoorbeeld varkens en pluimvee) en in andere gevallen vaste afstandseisen gelden (diercategorieën waarvoor geen geuremissiefactor is vastgesteld, waaronder melkrundvee). Geur bij niet-agrarische bedrijven Het voorkomen van (nieuwe) geurhinder is het algemene uitgangspunt in het rijksbeleid. Dit uitgangspunt is uitgewerkt in het landelijk informatiedocument 'Handleiding Geur Industrie' en beschrijft de methodiek voor de bepaling van het aanvaardbaar hinderniveau voor geur ten gevolge van bedrijfsmatige activiteiten. Vanwege het lokale aspect van geurhinder is de hoogte van het aanvaardbaar hinderniveau niet landelijk vastgelegd. Het bevoegd gezag moet daar een eigen afweging in maken. De provincie Gelderland heeft deze afweging uitgewerkt in de ‘Beleidsregels geur bedrijven (niet-veehouderijen) Gelderland 2017’ voor de industriële bedrijven waarvoor de provincie het bevoegde gezag is. Daarin is het aanvaardbaar geurhinderniveau vertaald naar streef-, richt- en grenswaarden. De streefwaarde is de waarde waaronder geen sprake is van hinder. De grenswaarde is de waarde waarboven sprake is van ernstige hinder.
Over het algemeen wordt een geurcontour die ligt tussen streef- en grenswaarde als aanvaardbaar geurhinderniveau vastgesteld en vastgelegd in de milieuvergunning voor een industrieel geurrelevant bedrijf. 4.6.2
Doorvertaling bestemmingsplan
In de directe nabijheid van het plangebied zijn geen agrarische bedrijven gevestigd die hinder veroorzaken. Sachem Europe bv Eind 2012 hebben het bedrijf Sachem Europe bv, de gemeente en de provincie Gelderland een akkoord bereikt over een maatregelenpakket dat moet leiden tot een duurzame ruimtelijke inrichting van bedrijventerrein Van Voordenpark in Zaltbommel. Eén van de eisen waaraan Sachem moet voldoen is het terugbrengen van de geurcontour. Het op 9 juli 2015 vastgestelde bestemmingsplan 'Zaltbommel, Van Voordenpark' maakt het mogelijk om de schoorsteen van het bedrijf te verplaatsen en te verhogen. Deze verplaatsing c.q. verhoging vormt één van de manieren om de geurcontour terug te brengen. Dit blijkt uit berekeningen die door MWH bv zijn gedaan om de geurcontouren te bepalen. De uitvoering van de schoorsteen heeft plaatsgevonden op 12 januari 2016. Navolgende figuur toont de uitkomsten van deze berekeningen:
29
Zaltbommel, Waluwe III - fase 1
Figuur 4.3: berekening De berekening laat zien dat de richtwaarde van 1 ge/m³ bij 98 percentiel niet over de geplande nieuwbouw gaat (rode lijn). In de berekeningen wordt overigens nog uitgegaan van geureenheden. De Europese eenheid is 'odeur unit' (Omrekening: 1 ouE = 2 ge). De streefwaarde van 0,3 ge/m³ wordt wel overschreden, maar dit is acceptabel voor de gemeente. De geurcontour ter hoogte van het plangebied ligt namelijk met 0,5 - 0,75 ge/m³ ongeveer in het midden tussen de streefwaarde en de richtwaarde, maar ruimschoots onder de grenswaarde. Conclusie Het aspect geur vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van dit bestemmingsplan.
30
Zaltbommel, Waluwe III - fase 1
4.7
Externe veiligheid
4.7.1
Toetsingskader
Externe veiligheid beschrijft de risico's die ontstaan als gevolg van opslag of handelingen met gevaarlijke stoffen. Dit kan betrekking hebben op inrichtingen (bedrijven) of transportroutes. Op beide categorieën is verschillende wet- en regelgeving van toepassing. Voor inrichtingen is dit het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi), voor transportroutes het Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt) en voor hogedruk aardgastransportleidingen het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb). Binnen het beleidskader voor externe veiligheid staan twee kernbegrippen centraal: het plaatsgebonden risico en het groepsrisico. Op 27 oktober 2004 zijn het Bevi en de Regeling externe veiligheid inrichtingen van kracht geworden. In het Bevi zijn risiconormen voor externe veiligheid met betrekking tot inrichtingen met gevaarlijke stoffen wettelijk vastgelegd. Externe veiligheid betreft het risico dat aan bepaalde activiteiten verbonden is voor niet bij de activiteit betrokken personen. Het externe veiligheidsbeleid richt zich op het voorkomen en beheersen van risicovolle bedrijfsactiviteiten en van risicovol transport (onder andere van gevaarlijke stoffen). Het gaat daarbij om de bescherming van individuele burgers en groepen tegen ongevallen met gevaarlijke stoffen of omstandigheden.
Risicobronnen kunnen worden onderscheiden in risicovolle inrichtingen (onder andere lpg-tankstations), vervoer van gevaarlijke stoffen (via wegen, spoorwegen, waterwegen) en leidingen (onder andere aardgas, vloeibare brandstof). Om voldoende ruimte te scheppen tussen de risicobron en de personen of objecten die risico lopen (kwetsbare of beperkt kwetsbare objecten), moeten vaak afstanden in acht worden genomen. Ook ontwikkelingsmogelijkheden die ingrijpen in de personendichtheid kunnen om onderzoek vragen. Bij externe veiligheid wordt onderscheid gemaakt in het plaatsgebonden risico (PR) en het groepsrisico (GR). Het PR is de kans dat een persoon die (onafgebroken aanwezig en onbeschermd) op een bepaalde plaats overlijdt als gevolg van een calamiteit met een inrichting of een transportmodaliteit. Het GR bestaat uit de cumulatieve kans per jaar dat een groep van een bepaalde omvang overlijdt als gevolg van een calamiteit met een inrichting of een transportmodaliteit. 4.7.2
Doorvertaling bestemmingsplan
Risico's als gevolg van de inrichting De ontwikkeling waarin dit plan voorziet bestaat uit de realisatie van groot aantal woningen en één gebouw voor maatschappelijk-culturele functies. Met deze functies is geen sprake van een functie waar wordt voorzien in opslaan, verwerken of transporteren van gevaarlijke stoffen. Hiermee vormt het planvoornemen op dit onderdeel geen belemmering voor de omliggende functies. Risico's als gevolg van de omgeving Ten behoeve van voorliggend plan is onderzoek uitgevoerd naar externe veiligheid. Dit onderzoek is als Bijlage 3 (Externe veiligheidsonderzoek) bij deze toelichting opgenomen. De onderstaande tekst is op basis van dat onderzoek en beschouwd externe veiligheid per risicobron. Leidingen Uit een inventarisatie van de risicokaart (risicokaart.nl), waarvan in de navolgende figuur een uitsnede, blijkt dat zich in de omgeving van het plangebied geen leidingen bevinden die relevant zijn in het kader van externe veiligheid. Het plangebied ligt niet in het invloedsgebied van risicovolle leidingen. De meest nabijgelegen leiding bevindt zich op circa 700 meter aan de westzijde. Vanwege deze afstand vormt de leiding (van Defensie) geen belemmering.
31
Zaltbommel, Waluwe III - fase 1
Figuur 4.4: uitsnede risicokaart met het plangebied globaal in het zwarte kader (bron: risicokaart.nl). Inrichtingen In de omgeving van het plangebied zijn inrichtingen die relevant zijn in het kader van externe veiligheid. Het gaat dan om de inrichtingen: Coöperatie Tuinbouwveiling Zaltbommel; Sachem Europe (een BRZO-bedrijf). Voor de Coöperatie Tuinbouwveiling Zaltbommel (Veiling) geldt dat deze op ongeveer 150 meter ten noordoosten van het plangebied ligt. Deze inrichting beschikt over twee ammoniakkoelinstallaties. De PR 10-6 -contour ligt binnen de inrichtingsgrens van de veiling en het invloedsgebied is niet relevant. De Veiling is daarmee geen relevante risicobron in relatie tot de voorgenomen ontwikkeling. Voor Sachem Europe geldt dat deze onder de werkingssfeer van het Bevi valt. Sachem Europe bevindt zich ongeveer 350 meter ten zuidoosten van het plangebied. Ten behoeve van de ruimtelijke procedure zijn in een eerder stadium risicoberekeningen uitgevoerd. Uit dat eerdere onderzoek blijkt dat het plaatsgebonden risico geen knelpunt kan opleveren, aangezien de 10-6 /jaar risicocontour niet buiten de EV-randzone in het bestemmingsplan Van Voordenpark mag reiken. Het plaatsgebonden risico levert daarmee geen belemmeringen op voor de voorgenomen ontwikkeling.
Voor het groepsrisico als gevolg van deze inrichting geldt dat uit eerder onderzoek is gebleken dat het groepsrisico door toename van de personendichtheid in het onderzochte gebied niet verandert. Voor het groepsrisico geldt dat er een maximaal aantal slachtoffers berekend wordt van 20 personen. Het groepsrisico bevindt zich in zowel de huidige als de toekomstige situatie onder de oriëntatiewaarde. Spoor, weg en water In of nabij het plangebied bevinden zich wegen en spoor- of waterwegen waarover gevaarlijke stoffen worden vervoerd. Het gaat dan om de rijksweg A2 en de spoorlijn Utrecht - Den Bosch. Voor de rijksweg A2 geldt dat hiervoor normen zijn opgenomen in de Regeling basisnet. Hierin staat vermeld dat er voor de rijksweg A2 ter hoogte van het plangebied sprake is van een maximale PR 10-6 -contour van 0 meter. Het plaatsgebonden risico levert daarmee geen belemmeringen op voor de voorgenomen ontwikkelingen. Ten tweede moet gekeken worden naar het groepsrisico. In de Regeling
32
Zaltbommel, Waluwe III - fase 1
basisnet is de transportintensiteit voor deze weg aangegeven die moet worden gehanteerd bij groepsrisicoberekeningen (het aantal transporten GF3 per jaar). Voor berekening van het groepsrisico van de rijksweg A2 ter hoogte van de ontwikkelingslocatie (Wegvak B59; knooppunt Deil – afrit 19) moet worden uitgegaan van het vervoer van 4.544 wagens GF3 (brandbaar gas) per jaar. Uit de uitgevoerde berekening (zie hiervoor het onderzoek) blijkt dat het groepsrisico van de rijksweg A2 zich in zowel de huidige als de toekomstige situatie onder de oriëntatiewaarde bevindt. Het groepsrisico neemt in de toekomstige situatie licht af (de rode lijn van de toekomstige situatie ligt onder de blauwe lijn van de huidige situatie). Verantwoording van het groepsrisico is conform artikel 7 van het Bevt van toepassing. Omdat de locatie gelegen is in het invloedsgebied van een Bevi-bedrijf (zie de volgende paragraaf), wordt het groepsrisico volledig verantwoord in de navolgende tekst. Voor de spoorlijn Utrecht - Den Bosch geldt dat deze niet is opgenomen in de Regeling basisnet. De spoorlijn is daarmee geen relevante risicobron. Omdat de spoorlijn op circa 400 meter ten oosten van het plangebied ligt is artikel 8 van het Besluit externe veiligheid transportroutes niet van toepassing.
Artikel 7 van de Regeling verplicht echter wel tot het beschouwen van de bestrijdbaarheid van incidenten op het spoor en de zelfredzaamheid van personen in het nieuwe plan. Conclusie plaatsgebonden risico Er wordt voldaan aan de normstelling voor het plaatsgebonden risico. De komst van de woningen en de sociaal-maatschappelijke en culturele functie geeft een toename van het groepsrisico in relatie tot de rijksweg A2. Over het groepsrisico in de navolgende paragraaf meer. 4.7.2.1 Verantwoording groepsrisico rijksweg A2 en Sachem Europe Een verantwoording van het groepsrisico is verplicht ten aanzien van de Rijksweg A2 en Sachem Europe BV. In de navolgende tekst worden elementen aangedragen voor de invulling van de verantwoordingsplicht door het bevoegd gezag: de gemeenteraad van Zaltbommel. Deze elementen zijn afgeleid uit het Bevt en het Bevi en in de Handreiking verantwoordingsplicht groepsrisico (VROM, 2007). Ter verantwoording van het groepsrisico dienen, naast de hoogte van het groepsrisico, enkele kwalitatieve elementen beschouwd te worden. Hierbij is de volgende indeling gehanteerd: scenario's mogelijke veiligheidsmaatregelen zelfredzaamheid; bestrijdbaarheid. Scenario's Het plangebied ligt binnen het invloedsgebied van twee risicobronnen: de rijksweg A2 en Sachem.
Bij deze risicobronnen kan een plasbrand (rijksweg A2), een BLEVE (rijksweg A2) of een toxisch scenario (rijksweg A2 en Sachem) optreden. De gevolgen van deze scenario’s zijn verschillend. De scenario’s worden hier verduidelijkt. Plasbrandscenario Bij een calamiteit met brandbare vloeistoffen kan een plasbrand ontstaan (een plas van brandende vloeistof). Het gevolg is een korte, maar extreme hittestraling. In de Regeling basisnet is aangeven dat de rijksweg A2 ter plaatse geen PAG (plasbrandaandachtsgebied) heeft. Dat betekent dat het vervoer van brandbare vloeistoffen op deze locatie langs de rijksweg A2 zodanig beperkt is, dat er geen bouwkundige maatregelen hoeven te worden genomen binnen een gebied van 30 meter vanaf de rijksweg A2. De omvang van het effect van een plasbrand wordt bepaald door de oppervlakte van de plas. Uitgaande van een calamiteit waarbij een gehele tankinhoud vrijkomt, is het invloedsgebied van een plasbrand ongeveer 45 meter. De minimale afstand tussen het plangebied en de rijksweg A2 bedraagt ongeveer 40 meter. Desalniettemin zal het effect van een eventuele plasbrand beperkt zijn binnen het plangebied. Tussen de snelweg en de ontwikkelingslocatie (zowel ten oosten als ten westen van de Hogeweg) bevinden zich verdiepte sloten welke het effect van een plasbrand richting het plangebied beperken.
Daarnaast biedt de aanwezige geluidswal ter hoogte van het plangebied extra afscherming tegen warmtestraling.
33
Zaltbommel, Waluwe III - fase 1
BLEVE-scenario Een koude BLEVE ontstaat wanneer de tankwagen bezwijkt waardoor er plotseling gas kan ontsnappen, welke na ontsteking ontploft. Een warme BLEVE ontstaat door een (plas)brand in de nabijheid van een tankwagen. Door de hitte van de brand loopt de druk in een tankwagen hoog op, terwijl de sterkte van de metalen wand afneemt. Hierdoor kan de wand het begeven en de tank ontploffen. Met het lpg-convenant zijn tankauto's van de lpg-branche voorzien van een hittewerende coating die de kans op een warme BLEVE gedurende ten minste 75 minuten voorkomt. Een toxisch scenario ontstaat wanneer een tank lek raakt en toxische stoffen ontsnappen. Toxische vloeistoffen kunnen verdampen waardoor een gaswolk ontstaat die over de omgeving uit kan waaien. Bij een percentage aanwezige personen zal letaal letsel optreden door blootstelling aan de gaswolk. Bij de toxische scenario's zit er enige tijd tussen het ontstaan van het ongeval en het optreden van letsel bij aanwezigen. Daarbij is ook de duur van de blootstelling van invloed op de ernst van het letsel. De omvang, verplaatsingsrichting en verstrooiing van de gaswolk is mede afhankelijk van de weersgesteldheid op dat moment. Mogelijke veiligheidsmaatregelen In deze paragraaf worden mogelijke veiligheidsmaatregelen in relatie tot de voorgenomen ontwikkeling beschreven.
Bronmaatregelen De meest effectieve veiligheidsmaatregelen zijn maatregelen aan de risicobronnen zelf. Bronmaatregelen aan de rijksweg A2 zijn in het kader van deze ruimtelijke procedure niet te nemen. Wel is het in dit kader relevant dat het gehele Nederlandse wagenpark van lpg-tankauto's is voorzien van een hittewerende voorziening, waardoor een warme BLEVE (in theorie ook op de snelweg mogelijk) niet meer voor kan komen of tenminste pas na geruime tijd optreedt, waardoor voldoende tijd voor bestrijding resteert. Ten aanzien van Sachem zijn alle redelijkerwijs effectieve veiligheidsmaatregelen in het kader van de overeenkomst tussen Sachem, de gemeente en de provincie, getroffen. Deels betreffen dit bovenwettelijke maatregelen. Het groepsrisico van Sachem verandert niet door deze nieuwe ontwikkeling. Bouwtechnische veiligheidsmaatregelen Bouwtechnische veiligheidsmaatregelen aan de geprojecteerde bebouwing kunnen de gevolgen in geval van een calamiteit beperken. Hierbij moet gekeken worden naar de effecten van een plasbrand, BLEVE of een toxisch scenario. Een effectieve, maar minder praktische maatregel is het beperken van glasoppervlakken aan de risicozijdes van de geprojecteerde bebouwing (zijdes met oriëntatie richting rijksweg A2).
Deze maatregel is echter niet te borgen in onderhavige ruimtelijke procedure en maakt daarom geen deel uit van de formele groepsrisicoverantwoording. In geval van een toxisch scenario op de rijksweg A2 of bij Sachem is het van belang dat personen kunnen schuilen tegen een toxische wolk. Gebouwen kunnen geschikt worden gemaakt als schuillocatie. De geschiktheid als schuillocatie wordt verhoogd wanneer mechanische ventilatie voorzien wordt van een (centraal bediende) noodschakelaar. Het is een goedkope maatregel die bij een calamiteit met giftige stoffen zeer effectief kan zijn. Deze maatregel is niet direct te borgen in de ruimtelijke procedure, maar overwogen kan worden om een voorwaardelijke verplichting in het bestemmingsplan op te nemen waarin is aangegeven dat alleen omgevingsvergunning wordt verleend als de mechanische ventilatie uitgeschakeld kan worden. Zelfredzaamheid Zelfredzaamheid is de mate waarin personen in staat zijn zichzelf (zonder hulp van buitenaf) in geval van een calamiteit in veiligheid te brengen. Bewoners van reguliere woningen worden beschouwd als zelfredzame personen. Vluchtwegen
34
Zaltbommel, Waluwe III - fase 1
Interne vluchtwegen kunnen op externe veiligheid worden afgestemd door een externe veiligheidsparagraaf op te nemen in de ontruimingsplannen van de verschillende geprojecteerde functies. Door interne vluchtwegen (ook) af te stemmen op externe veiligheid wordt geanticipeerd op een incident bij de rijksweg A2. Interne vluchtwegen die gericht zijn in de richting van de risicoluwe zijde van de omgeving (westzijde) voorzien in een veiligere ontruiming en evacuatie in geval van een calamiteit. Deze mogelijke maatregel (welke niet direct te borgen is in het bestemmingsplan) voorziet in uitbreiding van het traditionele ontruimingsplan en behoeft afstemming met de (BHV-)personeelsleden van de verschillende organisaties en kan worden gerealiseerd in samenspraak met de Veiligheidsregio. Voor externe ontvluchting van het plangebied is een goede infrastructuur van belang waarbij van de bron af gevlucht kan worden. Binnen het plangebied zijn meerdere mogelijkheden om de openbare weg bereiken. Vluchten kan vervolgens in noordelijke richting via de Oude Bosscheweg. Afhankelijk van de precieze locatie van het incident kan vervolgens via de Prinses Julianastraat richting het zuidwesten of het noorden worden gevlucht. Risicocommunicatie Gerichte risicocommunicatie met bewoners en andere aanwezigen (via NL-Alert) draagt ertoe bij dat alarmering van het gebied sneller verloopt.
Hierbij dient aan te worden gegeven wat het gewenste handelingsperspectief is (schuilen of vluchten) en op welke manier hier invulling aan kan worden gegeven. Net als het ontruimingsplan kunnen rampoefeningen naast het scenario brand op externe veiligheid worden afgestemd. Oefeningen verhogen de efficiëntie van het handelen tijdens een calamiteit. Er kan hierbij aandacht worden besteed aan de voorbereiding van (BHV-)medewerkers op een incident, door instructies te verstrekken hoe gehandeld dient te worden bij een calamiteit met gevaarlijke stoffen. Bestrijdbaarheid Bestrijdbaarheid is de mate waarin een rampscenario door de brandweer te bestrijden is. De verschillende scenario’s vragen allen een ander aanvalsplan. De mate waarin uitvoering aan deze aanvalsstrategieën kan worden gegeven hangt af van de capaciteit van de brandweer (opkomsttijd en beschikbare blusmiddelen) en de bereikbaarheid van het plangebied (opstelplaatsen). Ten aanzien van de bestrijdbaarheid wordt door de gemeente Zaltbommel in het kader van de bestemmingsplanprocedure advies ingewonnen bij de Veiligheidsregio Gelderland-Zuid. Plasbrandscenario Bij een ongeval met brandbare vloeistoffen, waarbij een plasbrand kan ontstaan, is het van belang dat de brandweer snel ter plaatse is. Een plasbrand is dan goed te bestrijden.
Door het tijdig arriveren van de brandweer kan voorkomen worden dat het vuur zich snel kan uitbreiden en kan overslaan op gebouwen. BLEVE-scenario Het ontstaan van een koude BLEVE is niet te bestrijden, omdat de tank meteen explodeert. De branden die door de explosie ontstaan kunnen wel bestreden worden. Vanwege de in de praktijk bijna overal toegepaste, maar wettelijk niet vastgelegde maatregelen uit het lpg-convenant (hitte werende coating) wordt een warme BLEVE bij lpg-tankwagens gedurende ten minste 75 minuten voorkomen. De brandweer is daardoor in staat de tank tijdig te koelen. Toxisch scenario Bij een ongeval met toxische gassen en vloeistoffen kan de brandweer, afhankelijk van de stofintensiteit en het groeiscenario, optreden door de gaswolk neer te slaan of te verdunnen/op te nemen met water. Conclusie Het aspect externe veiligheid vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van dit bestemmingsplan.
35
Zaltbommel, Waluwe III - fase 1
4.8
Waterhuishouding
4.8.1
Toetsingskader
Algemeen Een watertoets is een essentieel onderdeel van ieder ruimtelijk plan en is een instrument dat waterhuishoudkundige belangen expliciet en op evenwichtige wijze laat meewegen bij het opstellen van ruimtelijke belangen. Door verstandig om te gaan met het water kan verdroging en wateroverlast (waaronder ook risico van overstromingen) voorkomen worden en de kwaliteit van het water hoog gehouden worden. De watertoets, die wettelijk is verankerd in het Besluit ruimtelijke ordening, is het hele proces van vroegtijdig informeren, adviseren, afwegen en uiteindelijk beoordelen van waterhuishoudkundige aspecten in ruimtelijke plannen en besluiten. Het doel van de watertoets is dat de waterbelangen evenwichtig worden meegewogen bij de totstandkoming van een plan en het voorkomen van waterproblemen, zoals wateroverlast en verdroging. De watertoets verplicht tot het opnemen van een beschrijving van de wijze waarop rekening is gehouden met de gevolgen van het plan voor de waterhuishouding. Dit hoofdstuk geeft daar uitvoering aan.
Het waterbeleid is per overheidsniveau in de onderstaande beleidsdocumenten verankerd: Europees beleid: Kaderrichtlijn Water; Rijksbeleid: Nationaal Waterplan, Waterbeheer 21e eeuw, Nationaal Bestuursakkoord Water, Waterwet; Provinciaal waterbeleid: Omgevingsvisie- en verordening; Waterschapsbeleid: Waterbeheerprogramma 2016 - 2021 Koers houden, kansen benutten; Gemeentelijk waterbeleid: Water en Rioleringsplan Bommelerwaard 2017-2021. Kaderrichtlijn Water Door de Europese Kaderrichtlijn Water heeft Nederland een resultaatverplichting voor het bereiken van de gewenste waterkwaliteit en ecologie van grond- en oppervlaktewatersystemen. Voor grote wateren of watersystemen, de zogenaamde waterlichamen, zijn hiertoe bindende doelen opgesteld. De maatregelen om de doelen te bereiken worden uitgewerkt in de stroomgebiedprocessen. Voor de overige wateren geldt het stand-still principe. Waterbeheerders mogen hiervoor zelf aanvullende doelen opstellen. Waterbeheerprogramma 2016 - 2021: Koers houden, kansen benutten Op 27 november 2015 heeft het bestuur van Waterschap Rivierenland het Waterbeheerprogramma 2016 2021 vastgesteld, met als titel Koers houden, kansen benutten. Waterschap Rivierenland trekt in het Waterbeheerprogramma 2016 - 2021 de lijn door van het Waterbeheerplan 2010 - 2015. Het werk op het gebied van waterveiligheid, watersysteem en waterketen wordt gecontinueerd.
In het landelijk gebied is het zorgen voor voldoende en schoon water één van de belangrijkste taken van het Waterschap. Ook is het belangrijk dat dit water een geschikt leefgebied is voor planten en dieren. De hoofdpunten van de visie uit het Waterbeheerprogramma zijn: een goede vervulling van onze rol als regionale waterspecialist; efficiënte taakuitvoering; goede samenwerking met andere partijen; oog voor de maatschappelijke meerwaarde van ons werk. Het accent ligt hierbij onder meer op gebiedsgericht werken, waterbewustzijn en innovatie. Water- en Rioleringsplan (WRP) Bommelerwaard 2017 - 2021 Het WRP is een gezamenlijk plan van de gemeenten Maasdriel en Zaltbommel en Waterschap Rivierenland). Het WRP beschrijft breed gedragen de beleidsvoornemens en de maatregelen voor inzameling, transport en de (lokale) verwerking van afval-, hemel- en grondwater in de Bommelerwaard voor de periode 2017 - 2021.
36
Zaltbommel, Waluwe III - fase 1
Watertoets In overeenstemming met het Nationaal Bestuursakkoord Water (NBW) en de Kaderrichtlijn Water (KRW) moet bij elke ontwikkeling rekening worden gehouden met de gevolgen voor de waterkwantiteit en waterkwaliteit door middel van een watertoets. Deze watertoets is een (proces)instrument om ruimtelijke plannen en besluiten te toetsen, op de mate waarin rekening is gehouden met waterhuishoudkundige aspecten. Het gaat daarbij onder meer om aspecten als: voldoende ruimte voor water (berging, infiltratie, aan- en afvoer); voorkomen van wateroverlast en afwenteling van wateroverschotten op anderen; voldoende aandacht voor effecten op de ecologische waterkwaliteit (biologisch gezond); het garanderen van de veiligheid (overstroming); het voorkomen van te lage of te hoge grondwaterstanden. Afhankelijk van de omvang van de ontwikkelingen in de plangebieden stelt het waterschap Rivierenland eisen voor compensatie. 4.8.2
Doorvertaling bestemmingsplan
Waluwe III is de laatste ontwikkellocatie van de totale ontwikkellocatie. Ten aanzien van de waterhuishouding is het van belang dat deze locatie zelf voldoende waterberging heeft. Ook de relatie met het eerder ontwikkelde Waluwe maatschappelijk zone is voor de waterhuishoudkundig een punt van aandacht. Onderstaande tekst beschouwd de totale opgave voor de Waluwe III. dit bestemmingsplan maakt fase 1 daarvan mogelijk en draagt naar rato bij in de wateropgave. Waluwe III is een ontwikkellocatie met een oppervlakte van 50.130 m². Conform afspraken met het waterschap wordt 40% van het oppervlak beschouwd als verhard oppervlak. Dit komt neer op een verhard oppervlak van 20.052 m². In en langs de randen van Waluwe III is ruimte gevonden voor oppervlaktewater. Dit oppervlaktewater betreft 8.987 m² (lichtblauwe arcering).
37
Zaltbommel, Waluwe III - fase 1
Figuur 4.5: uitwerking oppervlaktewater Voor deze locatie is de meest relevante eis ten aanzien van het watersysteem de T=10+10%. Bij deze T=10 situatie mag het oppervlaktewater niet meer dan 30 centimeter stijgen. Vanuit het waterschap Rivierenland is een vuistregel meegegeven dat er 436 m³ waterberging per hectare verharding nodig is. Een andere eis is de T=100+10%. Bij deze gebeurtenis mag het oppervlaktewater niet verder stijgen dan de laagste putdeksel op wijkniveau. De bijbehorende vuistregel voor de T=100+10% is 664 m³ waterberging per hectare verharding. De verharding van Waluwe III is 20.052 m² (circa 2,0 hectare). De benodigde waterberging is: T=10+10% - 874 m³ T=100+10% - 1.331 m³ Waluwe III heeft twee vormen van waterberging. Naast het nog te graven oppervlaktewater (8.987 m²), is er ook waterberging mogelijk in het HWA-riool. Het hemelwaterriool ligt in het geheel boven het niveau van het oppervlaktewater (NAP +1,30 m). Dit betekent dat de rioolbuizen bij aanvang van de bui leeg zijn. De hemelwaterriolering van Waluwe III is aangesloten op het hemelwaterberging van Waluwe maatschappelijke zone. De hemelwaterberging van Waluwe maatschappelijk zone heeft een voorziening die zorgt dat de afvoer van het hemelwater van deze locatie niet groter is dan de gegeven afvoercapaciteit van het waterschap. De waterberging in het hemelwaterriool is 106 m³.
Dit is gebaseerd op de inhoud van de riolering: Ø 600 mm - 32 m – 9,0 m³ Ø 500 mm - 162 m – 31,8 m³ Ø 400 mm - 153 m – 19,2 m³ Ø 315 mm - 594 m – 46,3 m3 De waterberging in het oppervlaktewater, uitgaande van maximaal 30 centimeter peilstijging bij T=10+10% betreft 2.696 m³ (8.987 m² x 0,3 m). De totale waterberging is 2.802 m³. Dit is meer dan de gestelde 874 m³. Voor de T=100+10% is de benodigde waterberging 1.331 m³. Met de hoeveel waterberging en oppervlaktewater geeft dit nog geen 14 centimeter peilstijging. De gerealiseerd waterberging is ruim meer dan de benodigde waterberging bij T=10+10% en T=100+10%. In Waluwe III is voldoende waterberging te realiseren. Conclusie Voor de waterparagraaf zal overleg worden gevoerd met het waterschap voor de totale ontwikkeling van de Waluwe III.
4.9
Ecologie
4.9.1
Toetsingskader
Op 1 januari 2017 is de Wet natuurbescherming (Wnb) in werking getreden. De Wnb kent drie algemene beschermingsregimes waarin de voorschriften van de Vogelrichtlijn, Habitatrichtlijn en twee verdragen (Bern en Bonn) zijn geïmplementeerd en waarin aanvullende voorschriften zijn gesteld voor de dier- en plantensoorten die niet onder die specifieke voorschriften vallen, maar wel bescherming behoeven. In hoofdstuk 3 van de Wnb zijn de beschermingsregimes in drie aparte paragrafen neergelegd. Per beschermingsregime is bepaald welke verboden er gelden en onder welke voorwaarden ontheffing of vrijstelling kan worden verleend door het bevoegd gezag. Het gaat om de volgende beschermingsregimes: Vogels (paragraaf 3.1): alle vogels in de zin van de Vogelrichtlijn; Dieren en planten (paragraaf 3.2): alle dieren en planten, genoemd in de bijlagen bij de Habitatrichtlijn en de verdragen van Bern en Bonn; Overige soorten (paragraaf 3.3): soorten genoemd in de bijlage bij de Wnb, die niet onder de reikwijdte
38
Zaltbommel, Waluwe III - fase 1
van paragraaf 3.2 vallen. De verboden en afwijkingsmogelijkheden die zijn opgenomen in de paragrafen 3.1 en 3.2, zijn direct overgenomen uit de genoemde richtlijnen en verdragen. Deze bepalingen zijn dus ook uitsluitend van toepassing op de soorten waarvoor dit onmiddellijk voortvloeit uit deze richtlijnen en verdragen. De bepalingen in paragraaf 3.3 zien op de “overige soorten” die zijn genoemd in de bijlagen A en B bij de Wnb. Laatstgenoemde groep is te vergelijken met de Tabel 2-soorten uit de Flora- en faunawet. Verbodsbepalingen Wet natuurbescherming De Wnb brengt voor de bescherming van soorten in ieder geval de volgende drie voor de praktijk belangrijke wijzigingen met zich: Allereerst is onder de Wnb niet langer de minister van Economische Zaken, maar zijn gedeputeerde staten van de provincies het bevoegd gezag voor het verlenen van ontheffingen. Ten tweede kunnen de in de praktijk gehanteerde 'tabelsoorten' niet langer gebruikt worden. In plaats daarvan wordt met de nieuwe indeling van de Wnb gewerkt. Ten derde is de inhoud van de verboden en de ontheffingsgrondslagen gewijzigd. In de Wet natuurbescherming zijn de bevoegdheden van het rijk (Rijksdienst voor Ondernemend Nederland (RVO)) aan de provincies overgedragen. Zij maken dan de afwegingen voor de vergunningen en ontheffingen. De beschermde status van soorten kan per provincie verschillen.
Provincies hebben de bevoegdheid om bij provinciale verordening vrijstelling te verlenen voor nationaal beschermde soorten. Er is dan geen ontheffing nodig voor werkzaamheden. 4.9.2
Doorvertaling bestemmingsplan
Ecologisch onderzoek is uitgevoerd, zie Bijlage 5 (Beknopte natuurtoets) bij deze toelichting. Voor een toetsing aan de soortenbescherming van de Wnb is op basis van het uitgevoerde veldbezoek (d.d. 17 december 2020) en het raadplegen van bronnen, gelet op de aard van het plan, een nog onvoldoende beeld van de natuurwaarden ontstaan. Er is nader onderzoek nodig naar grote modderkruiper wanneer werkzaamheden worden verricht aan de watergangen langs de west- en zuidzijde van het plangebied. Uit het aanvullend onderzoek kan, bij vastgestelde aanwezigheid van verblijfplaatsen, naar voren komen dat een ontheffing van de Wnb met betrekking tot grote modderkruiper nodig is. Stikstof Tevens is door middel van de AERIUS-calculator vastgesteld of er sprake is van een melding- of vergunningplicht ten aanzien van stikstofdepositie. Aan de hand van die calculator kan de depositie van stikstof in natura 2000-gebieden ten gevolge van de emissie van NOX en NH3 van deze ontwikkeling alsmede van het verkeer van en naar de locatie worden berekend. De memo die naar aanleiding van deze berekening is opgesteld, is opgenomen als Bijlage 6 (Stikstofberekening) bij deze toelichting.
Uit die stikstofberekening komt naar voren dat het gebruik van de circa 75 woningen en een sociaal-maatschappelijke en culturele functie geen sprake is van stikstofdepositie boven 0,00 mol stikstof per hectare per jaar in stikstofgevoelige habitattypen van Natura 2000-gebieden. Conclusie Het aspect ecologie vormt wel/geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van dit bestemmingsplan.
4.10 Archeologie & cultuurhistorie 4.10.1
Toetsingskader
Artikel 3.1.6, vijfde lid, van het Besluit ruimtelijke ordening bepaalt dat in de toelichting van een ruimtelijk plan tenminste een beschrijving wordt opgenomen van de wijze waarop met de in het gebied aanwezige cultuurhistorische waarden en in de grond aanwezige of te verwachten monumenten rekening is gehouden. Op 1 juli 2016 is de Erfgoedwet in werking getreden. Met deze wetswijziging wordt de huidige Monumentenwet 1988 opgesplitst: een gedeelte (dat ziet op de fysieke leefomgeving) zal opgaan in de
39
Zaltbommel, Waluwe III - fase 1
Omgevingswet, het overige gedeelte is opgenomen in de nieuwe Erfgoedwet. Daarbij is voorzien in overgangsrecht. De bedoeling is dat in de Erfgoedwet een betere integratie met verschillende soorten erfgoed komt. Daarnaast worden de procedures uniformer en daarmee overzichtelijker. Onderdelen van de Monumentenwet 1988 met betrekking tot de fysieke leefomgeving, worden opgenomen in de Omgevingswet. De aanwijzing van ruimtelijk cultureel erfgoed - beschermde stads- en dorpsgezichten en cultuurlandschappen - en omgang met het cultureel erfgoed in de fysieke leefomgeving, komen in de Omgevingswet terecht en zijn dus niet in de Erfgoedwet geregeld. Hierbij wordt wel als vuistregel gehanteerd: omgang met het erfgoed in de Omgevingswet, duiding van het erfgoed in de Erfgoedwet. De inwerkingtreding van de Omgevingswet staat gepland voor 2022. Voor de onderdelen die in de Omgevingswet zullen worden opgenomen is een overgangsregeling in de Erfgoedwet opgenomen voor de periode 2016 - 2019. De bepalingen uit de Monumentenwet 1988 die naar de Omgevingswet over zullen gaan, blijven van kracht tot de Omgevingswet in werking treedt. Het Besluit ruimtelijke ordening en de Erfgoedwet schrijven niet voor in welke mate met archeologie rekening moet worden gehouden.
De gemeente heeft wat dit betreft beleidsvrijheid en kan het archeologische belang afwegen ten opzichte van andere belangen, de belangen van de burger en van de gemeente. 4.10.2
Doorvertaling bestemmingsplan
Archeologie Ter plaatse van het plangebied moet (volgend uit de beleidskaart van 'Cultuurhistorische inventarisatie en archeologiebeleid gemeente Zaltbommel') voor een deel van de gronden archeologisch onderzoek plaatsvinden indien ingrepen in de grond plaatsvinden die betrekking hebben op een oppervlakte groter dan 2.500 m2 op een grotere diepte dan 30 centimeter. In het verleden is een inventariserend archeologisch veldonderzoek verricht door middel van bureauonderzoek en boringen (ARC, nr. 2003-46, d.d. 8 december 2003), zie Bijlage 4 (Archeologisch onderzoek) bij deze toelichting. Uit het Inventariserend Veldonderzoek blijkt dat het gebied deel heeft uitgemaakt van een komgebied waar zandlagen en klei elkaar afwisselen. In het oosten heeft veenvorming plaatsgehad in open water waar ook schepen zijn aangetroffen. In het zuiden komen humeuze kleien voor die resten van waterplanten en vochtminnende plantensoorten bevatten. Het onderzoeksgebied had vermoedelijk een begroeiing met broekbos waarbinnen plaatselijk open water voorkwam. De diepte van de zandondergrond varieert van 1,2 meter tot meer dan 2,0 meter onder maaiveld. In het onderzoeksgebied zijn geen archeologische indicatoren aangetroffen. De kans dat er in het onderzoeksgebied nog archeologische resten aanwezig zijn, is minimaal.
Op basis van het archeologisch vooronderzoek wordt in het kader van de voorgenomen bodemingrepen geen archeologisch vervolgonderzoek aanbevolen. De gemeente Zaltbommel heeft als bevoegd gezag kennis genomen van de inhoud van het archeologisch vooronderzoek en kan hiermee instemmen. Het aspect archeologie vormt geen belemmering voor de realisatie van het plangebied. Indien bij de uitvoering van de werkzaamheden onverwacht toch archeologische resten worden aangetroffen, dan is conform artikel 5.10 van de Erfgoedwet aanmelding van de desbetreffende vondsten bij Onze Minister c.q. de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed, namens deze de gemeente Zaltbommel, verplicht. Cultuurhistorie In het plangebied of de directe omgeving ervan zijn geen specifieke cultuurhistorische waarden aanwezig. Conclusie De aspecten archeologie en cultuurhistorie vormen geen belemmering voor de realisatie van het plangebied.
40
Zaltbommel, Waluwe III - fase 1
4.11 Leidingen 4.11.1
Regelgeving
Planologisch relevante leidingen en hoogspanningsverbindingen dienen te worden gewaarborgd. Tevens moet rond dergelijke leidingen rekening worden gehouden met zones waarbinnen mogelijke beperkingen gelden. Planologisch relevante leidingen zijn leidingen waarin de navolgende producten worden vervoerd: gas, olie, olieproducten, chemische producten, vaste stoffen/goederen; aardgastransportleiding met een diameter groter of gelijk aan 18”; defensiebrandstoffen; warmte en afvalwater, ruwwater of halffabrikaat voor de drink- en industriewatervoorziening met een diameter groter of gelijk aan 18”. 4.11.2
Doorvertaling bestemmingsplan
In of in de directe omgeving van het plangebied zijn geen hoofdtransportleidingen of persleidingen van water, olie, aardgas, brandstof en/of hoogspanningsverbindingen gelegen, die in het kader van het bestemmingsplan op de verbeelding met bijbehorende bebouwingsvrije zones dienen te worden opgenomen.
4.12 Vormvrije MER-beoordeling 4.12.1
Toetsingskader
Op 1 april 2011 is het gewijzigde Besluit milieueffectrapportage in werking getreden. Een belangrijke wijziging betreft het indicatief maken van de drempelwaarden in onderdeel D (betreft de m.e.r.-beoordeling) van de bijlage bij het Besluit milieueffectrapportage. Concreet betekent dit dat, ook wanneer ontwikkelingen onder de in bijlage D opgenomen drempelwaarden blijven, het bevoegd gezag zich er nog steeds van moet vergewissen of activiteiten geen aanzienlijke milieugevolgen kunnen hebben, de zogenaamde 'vergewisplicht'. De consequentie van de nieuwe regeling is dat in elk besluit of plan dat betrekking heeft op activiteiten die voorkomen op de D-lijst aandacht moet worden besteed aan m.e.r. Het komt er op neer dat voor elk besluit of plan dat betrekking heeft op activiteit(en) die beneden de drempelwaarden vallen uit de D-lijst, een toets moet worden uitgevoerd of belangrijke nadelige milieugevolgen kunnen worden uitgesloten. Voor deze toets, die dus een nieuw element is in de m.e.r.-regelgeving, wordt de term vormvrije m.e.r.-beoordeling gehanteerd. Deze vormvrije m.e.r.-beoordeling kan tot twee conclusies leiden: belangrijke nadelige milieugevolgen zijn uitgesloten: er is geen m.e.r.(-beoordeling) noodzakelijk; belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu zijn niet uitgesloten: er moet een m.e.r.-beoordeling plaatsvinden of er kan direct worden gekozen voor m.e.r. 4.12.2
Doorvertaling bestemmingsplan
In bijlage D van het Besluit m.e.r. is een groot aantal activiteiten genoemd waarvoor een m.e.r.-beoordelingsplicht geldt. Eén van de genoemde activiteiten betreft "de aanleg, wijziging of uitbreiding van een stedelijk ontwikkelingsproject, met inbegrip van de bouw van winkelcentra of parkeerterreinen" (activiteit D11.2). Deze activiteit is m.e.r.-beoordelingsplichtig indien deze betrekking heeft op een oppervlakte van 100 hectare of meer of een aangesloten gebied van 2.000 of meer woningen omvat of een bedrijfsvloeroppervlakte van 200.000 m2 of meer. De voorgenomen activiteiten in het plan liggen ruim onder de plandrempel waarvoor conform het Besluit m.e.r. een m.e.r.-beoordeling noodzakelijk is. Gelet hierop, wordt geconcludeerd dat de drempelwaarden niet worden overschreden, waardoor in onderhavig plan kan worden volstaan met het uitvoeren van een zogenaamde 'vormvrije m.e.r.-beoordeling'. Op 21 juni 2022 heeft het college van Zaltbommel op basis van voorgaande vormvrije m.e.r.-beoordeling besloten dat een project-m.e.r. in dit geval niet noodzakelijk is. Dit besluit is als bijlage PM bij deze
41
Zaltbommel, Waluwe III - fase 1
toelichting van dit bestemmingsplan gevoegd.
Hoofdstuk 5 5.1
Juridische planbeschrijving
Algemeen
Het beleid en de planuitgangspunten, zoals verwoord in de vorige hoofdstukken, hebben in de regels van dit bestemmingsplan hun juridische vertaling gekregen in de vorm van bestemmingen. Deze paragraaf bespreekt de juridische vormgeving van het bestemmingsplan. De Wet ruimtelijke ordening (Wro) bevat de regeling voor de opzet en de inhoud van een ruimtelijk plan. In het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) is deze regeling verder uitgewerkt. Het bestemmingsplan bestaat uit: een verbeelding van het plangebied, zowel analoog als digitaal, waarin alle bestemmingen van de gronden worden aangewezen; de regels waarin de bestemmingen worden beschreven en waarbij per bestemming het doel wordt of de doeleinden worden genoemd. Op grond van artikel 3.1.6 van het Bro is het verplicht om een bestemmingsplan te vergezellen met een toelichting. Deze toelichting geeft aan welke gedachte aan het plan ten grondslag ligt, wat de uitkomsten van verrichtte onderzoeken zijn, wat het resultaat is van de overleggen en tot slot doet het verslag van de georganiseerde inspraak bij het plan. Hiermee voldoet het bestemmingsplan aan alle vereisten die zijn opgenomen in de Wro en het Bro. Inherent hieraan is de toepassing van de Standaard Vergelijkbare Bestemmingsplannen (SVBP) 2012.
De SVBP maakt het mogelijk om bestemmingsplannen te maken die op vergelijkbare wijze zijn opgebouwd en op een zelfde manier worden verbeeld. De SVBP 2012 is toegespitst op de regels die voorschrijven hoe bestemmingsplannen volgens de Wro en het Bro moeten worden gemaakt. De SVBP geeft bindende standaarden voor de opbouw en de verbeelding van het bestemmingsplan, zowel digitaal als analoog. De regels van dit bestemmingsplan zijn opgesteld volgens deze standaarden. Het bestemmingsplan met de daarbij behorende toelichting wordt langs elektronische weg vastgelegd en ook in die vorm vastgesteld, tegelijk met een analoge versie van het bestemmingsplan. Als de digitale en analoge versie tot interpretatieverschillen leiden, is de digitale versie leidend. Hieronder worden de aanwezige planregels puntsgewijs besproken. In het navolgende wordt de algemeen gehanteerde opbouw van de regels toegelicht. Deze ziet er als volgt uit: Inleidende regels; Bestemmingsregels; Algemene regels; Overgangs- en slotregels. De tekst hieronder bespreekt deze hoofdstukken puntsgewijs. 5.1.1
Inleidende regels
Begrippen In deze bepaling zijn omschrijvingen gegeven van de in het bestemmingsplan gebruikte begrippen. Deze worden opgenomen om interpretatieverschillen te voorkomen. Begripsbepalingen zijn alleen nodig voor begrippen die gebruikt worden in de regels en die tot verwarring kunnen leiden of voor meerdere uitleg vatbaar zijn. De gemeente heeft bindende afspraken over planregels opgesteld. Deze zijn aangepast in overeenstemming de eisen van de SVBP2012. Alle begrippen worden in alfabetische volgorde opgenomen, met uitzondering van de eerste begrippen 'plan' en 'bestemmingsplan'. Wijze van meten Om op een eenduidige manier afstanden, oppervlakten en inhoud van gebouwen en/of bouwwerken, geen gebouwen zijnde, te bepalen wordt in de wijze van meten uitleg gegeven wat onder de diverse begrippen wordt verstaan. Ten aanzien van de wijze van meten op de verbeelding geldt steeds dat het hart van een lijn moet worden aangehouden.
42
Zaltbommel, Waluwe III - fase 1
5.1.2
Bestemmingsregels
In het tweede hoofdstuk komen de bestemmingen aan de orde. De bestemmingen bestaan elk uit de onderstaande aantal onderdelen. De volgende twee paragrafen (5.1.2.1 en 5.1.2.3) bespreken de exacte inhoud van de bestemmingen. Bestemmingsomschrijving Bevat de omschrijving van de doeleinden die met de bestemming aan de grond worden toegekend. Hierbij gaat het in beginsel om een beschrijving van de aan de grond toegekende functies zoals bedrijven, wonen, centrum etc. De aard van de toegelaten inrichtingen van gronden (bouwwerken en werken, geen bouwwerken zijnde) vloeit dan voort uit de toegelaten functies. Bouwregels In de bouwregels worden voor alle hoofdgebouwen, bijgebouwen en bouwwerken, geen gebouwen zijnde, de van toepassing zijnde bouwregels gesteld. Waar en met welke maatvoering mag worden gebouwd, wordt hier vastgelegd. Indien mogelijk wordt verwezen naar bouwvlakken en aanduidingen op de verbeelding. Specifieke gebruiksregels In deze bepaling wordt genoemd wat strijdig gebruik is binnen de specifieke bestemming. Nadere eisen Burgemeester en wethouders hebben de bevoegdheid tot het stellen van nadere eisen. Deze bevoegdheid is opgenomen om bij de invulling van het plan een verantwoorde stedenbouwkundige opzet te waarborgen.
Nadere eisen kunnen worden gesteld aan de situering en afmetingen van bouwwerken, de verkaveling en het parkeren op eigen terrein; Afwijken van de gebruiksregels In deze bepaling zijn afwijkingsbevoegdheden toegekend aan het bevoegd gezag ten aanzien van bepaalde gebruiksregels. 5.1.2.1 Maatschappelijk De eerste bestemming die in het bestemmingsplan voorkomt betreft de bestemming 'Maatschappelijk'. Wat wordt gerekend onder een maatschappelijke functie wordt toegelicht in de begrippen. Bij die maatschappelijke functie zijn vervolgens bijbehorende functies toegestaan. Met betrekking tot de mogelijkheden om te bouwen geldt dat onderscheid wordt gemaakt in verschillende categorieën. Wel geldt dat voor elk type bouwwerken de regel geldt dat alleen bouwwerken zijn toegestaan die ten dienste staan van de bestemming. 5.1.2.2 Verkeer - Verblijfsgebied De tweede bestemming in het bestemmingsplan betreft de bestemming 'Verkeer - Verblijfsgebied'. Deze bestemming betreft een klein gedeelte van het plangebied en is bedoeld voor de bestaande verkeersstructuur.
43
Zaltbommel, Waluwe III - fase 1
5.1.2.3 Woongebied De derde bestemming in het bestemmingsplan betreft de bestemming 'Woongebied'. Deze bestemming betreft het grootste deel van het plangebied en is bedoeld voor wonen. Het maximum aantal woningen in deze bestemming is vastgelegd in de regels: 75 woningen. Daarnaast zijn in de bestemming 'Woongebied' ook aan het wonen aanverwante functies toegestaan zoals verkeers- en verblijfsgebied, groenvoorzieningen, waterpartijen en -gangen, uitoefening van aan huis verbonden beroepen enzovoorts. Voor de uitoefening van een aan huis verbonden beroep geldt dat dit altijd is toegestaan, mits de woonfunctie in overwegende mate behouden kan worden. Dit is geconcretiseerd in een maximum oppervlakte van 30 m², zoals volgt uit de gebruiksregels van de bestemming. Voor het bouwen van hoofdgebouwen geldt dat deze alleen zijn toegestaan binnen het bouwvlak. Verder zijn aan bijbehorende bouwwerken en bouwwerken, geen gebouwen zijnde, uiteenlopende regels gebonden ten aanzien van de goot- en bouwhoogte, oppervlaktemaat en bouwdiepte. Voor gebouwen ten behoeve van nutsvoorzieningen gelden specifieke bouwregels. Verder bevatten de bouwregels, zoals reeds gemeld in paragraaf 4.3 (Geluid) voorwaarden om de kunnen voldoen aan de geluidsbelasting vanwege de rijksweg A2.
Ten aanzien van de bouwregels geldt ook dat het college van burgemeester en wethouders nadere eisen kan stellen aan de situering en afmeting van gebouwen, de kapvorm, de omvang van parkeervoorzieningen en de functie en inrichting van de openbare ruimte. Tot slot bepalen de gebruiksregels van de bestemming dat een aantal vormen van gebruik van gronden en bouwwerken in deze bestemming niet is toegestaan. Het gaat dan om de (zelfstandige) bewoning van bijbehorende bouwwerken, het uitoefenen van een aan huis verbonden beroep waarbij die uitoefening een groter vloeroppervlakte beslaat dan 30 m2 , het gebruik van gronden en bouwwerken ten behoeve van een aan huis verbonden bedrijf, de uitoefening van een seksinrichting en het gebruik van gronden en bouwwerken als opslag- of bergplaats van gebruikte, afgedankte c.q. aan de oorspronkelijke bestemming onttrokken goederen, voorwerpen of materialen. Voor de uitoefening van een aan huis verbonden bedrijf geldt wel dat een omgevingsvergunning kan worden aangevraagd om gronden wel op die manier te gebruiken. Wel gelden er dan een aantal voorwaarden. 5.1.3
Algemene regels
Anti-dubbeltelregel De Anti-dubbeltelregel is op basis van artikel 3.2.4 van het Bro. Het betreffende besluit schrijft voor dat de tekst van artikel 3.2.4 van het Bro één op één in een bestemmingsplan wordt overgenomen. Deze regel is opgenomen om te voorkomen dat, wanneer volgens een bestemmingsplan bepaalde gebouwen en bouwwerken niet meer dan een bepaald deel van een bouwperceel mogen beslaan, het opengebleven terrein nog eens meetelt bij het toestaan van een ander gebouw of bouwwerk, waaraan een soortgelijke eis wordt gesteld. Algemene bouwregels Deze bepaling bevat algemene regels omtrent voor bestaande afwijkingen en ondergronds bouwen. Algemene gebruiksregels In deze bepaling wordt genoemd wat in ieder geval verboden gebruik is, welke regels gelden voor parkeren en welke regels voor laden en lossen. Algemene gebruiksregels Het reserveringsgebied uit het Rarro (Regeling algemene regels ruimtelijke ordening) ten behoeve van de mogelijke uitbreiding van de hoofdweg (A2) of delen daarvan is opgenomen en voorzien van een beschermende regeling.
44
Zaltbommel, Waluwe III - fase 1
Algemene afwijkingsregels Deze bepaling bevat een afwijkingsmogelijkheid van de in de regels gegeven maten met betrekking tot het bouwen. Algemene wijzigingsregels In deze bepaling is aan burgemeester en wethouders de bevoegdheid gegeven het plan te wijzigen. Het gaat hier om wijzigingsbevoegdheden met een algemene strekking. De criteria, die bij toepassing van de wijzigingsbevoegdheid in acht moeten worden genomen, zijn aangegeven. 5.1.4
Overgangs- en slotregels
In dit hoofdstuk zijn het overgangsrecht en de slotregel opgenomen. Voor de redactie van het overgangsrecht geldt het Bro. Dit besluit schrijft dwingend voor hoe het overgangsrecht moet luiden. Bebouwing die niet voldoet aan de regels van is onder het overgangsrecht gebracht. Een geringe uitbreiding van de bebouwing met tien procent wordt mogelijk gemaakt. Het gebruik van gronden en bebouwing dat in strijd is met dit nieuwe bestemmingsplan op het tijdstip van inwerkingtreding, mag in beginsel worden voortgezet. Wijziging van dit strijdige gebruik is verboden, indien de afwijking van het plan wordt vergroot. Indien het strijdige gebruik, na het tijdstip van inwerkingtreding van het plan voor een periode langer dan een jaar wordt onderbroken, is het verboden dit gebruik daarna te hervatten of te laten hervatten. Tot slot bevat hoofdstuk 3 de slotregel waarin is aangegeven hoe het bestemmingsplan kan worden aangehaald.
5.2
Handhaving
Het bestemmingsplan is bindend voor zowel de overheid als de burger. De primaire verantwoordelijkheid voor controle en handhaving ligt bij de gemeente. Handhaving kan worden omschreven als elke handeling die erop gericht is de naleving van regelgeving te bevorderen of een overtreding te beëindigen. Het doel van handhaving is om de duurzame bescherming van mens en omgeving te waarborgen. Binnen het kader van het bestemmingsplan heeft regelgeving met name betrekking op de Wet ruimtelijke ordening en de Woningwet. Bij overtreding van deze regelgeving moet gedacht worden aan bouwen zonder omgevingsvergunning voor het bouwen, bouwen in afwijking van een verleende vergunning, het handelen zonder of in afwijking van een noodzakelijke vergunning voor het uitvoeren van werken, geen bouwwerken zijnde, en voor werkzaamheden (de vroegere aanlegvergunning) en het gebruik van gronden en opstallen in strijd met de gebruiksregels van het bestemmingsplan of een afwijking. Er zijn twee vormen handhaving te onderscheiden: preventieve handhaving; repressieve handhaving. Preventieve handhaving bestaat uit actief toezicht door of namens de gemeente door bijvoorbeeld regelmatige controles op de uitvoering van vergunningen en regelmatige gebiedscontroles.