Bijlage 5 - TAM-omgevingsplan De Ham IV te Aalst
Tekst van het document
AC-magneetvelden, geen voorzorgbeleid vanuit de Nederlandse rijks-
zone, als naar andere ruimtelijke aspecten.
overheid voor blootstelling aan DC-magneetvelden en is nader onderzoek niet nodig.
AC-magneetvelden (wisselstroom) In Nederland wordt voor de blootstelling aan magnetische velden bij wis-
4.10.3
selstroom (AC) van 50 hertz de adviesgrenswaarde van 100 micro-tesla
Aan de hand van de ‘Netkaart’ van het Rijksinstituut voor Volksgezond-
gehanteerd6. Deze adviesgrenswaarde is gebaseerd op de aanbeveling
heid en Milieu (RIVM) kan achterhaald worden of het projectgebied zich
van de Europese Unie, waarin een referentieniveau van 100 microtesla
bevindt in een magneetveldzone van een of meerdere hoogspanningslij-
voor bescherming van de bevolking is vastgelegd. Deze waarde wordt in
nen7. Uit deze kaart volgt dat er in het projectgebied geen planologisch
Nederland volgens het RIVM op voor het publiek toegankelijke plaatsen
relevante kabels en leidingen aanwezig zijn die bescherming behoeven.
nabij het hoogspanningsnet nergens overschreden, ook niet in de buurt
De dichtstbijzijnde 150 kV hoogspanningslijn bevindt zich op een af-
van ondergrondse hoogspanningsverbindingen of hoogspanningsstati-
stand van ongeveer 8,0 kilometer van het projectgebied. Uit de Netkaart
ons.
volgt dat ten aanzien van deze hoogspanningslijn kan worden uitgegaan
5 6 7
Onderzoek
Conclusie
4.11
Natuur en landschap
4.11.1
Toetsingskader
Wettelijke gebiedsbescherming De Omgevingswet heeft voor wat betreft gebiedsbescherming betrekking op de Europees beschermde Natura 2000-gebieden. De Vogelrichtlijn- en Habitatrichtlijngebieden worden in Nederland gecombineerd als Natura 2000-gebieden aangewezen. Als er naar aanleiding van projecten en activiteiten mogelijkerwijs significante effecten optreden, dienen deze vooraf in kaart gebracht en beoordeeld te worden middels een voortoets. Projecten en activiteiten die een significant negatief effect hebben op de beschermde natuur in een Natura 2000-gebied zijn vergunningplichtig (Natura 2000-activiteit). Indien nadelige effecten te verwachten zijn, welke niet significant zijn, geldt de specifieke zorgplicht. In dat geval moeten nadelige gevolgen zoveel mogelijk voorkomen, beperkt, of ongedaan gemaakt worden.
https://www.infomil.nl/publish/pages/86406/beleidsadvies_vrom_2005_1.pdf https://www.kennisplatform.nl/verschil-tussen-limiet-100-microtesla-grens-0-4-microtesla/ https://www.rivm.nl/hoogspanningslijnen/netkaart
TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22d HAM IV, te Aalst
34
Gebiedsbescherming vanuit provinciaal beleid
Soortenbescherming
vogels en Europees beschermde soorten geldt een zware toetsing. Het
Conform artikel 7.8 lid 2 Bkl van de Omgevingswet dragen Gedepu-
Conform de Omgevingswet is een flora- en fauna-activiteit een ‘activiteit
verschil binnen provincies zit vooral in het aantal nationaal beschermde
teerde Staten in hun provincie zorg voor de totstandkoming en instand-
met mogelijke gevolgen voor van nature in het wild levende dieren of
soorten met een vrijstelling bij onder meer ruimtelijke ontwikkelingen.
houding van een samenhangend landelijk ecologisch netwerk, genaamd
planten’. Dit heeft betrekking op vrijwel alle ruimtelijke activiteiten, en
Onder de Omgevingswet is een specifieke zorgplicht opgenomen voor
‘Natuur-netwerk Nederland’. Zij wijzen daartoe in hun provincie gebie-
hiervoor geldt de specifieke zorgplicht (art. 11.27 Bal). Er geldt een ver-
alle ‘flora- en fauna-activiteiten’ (11.27 Bal). Hierin wordt gesteld dat na-
den aan die tot dit netwerk behoren. Het Natuurnetwerk Nederland
gunningsplicht wanneer schadelijke handelingen worden uitgevoerd zo-
delige gevolgen zoveel mogelijk worden voorkomen, beperkt of onge-
(NNN) is een samenhangend netwerk van bestaande en te ontwikkelen
als beschreven in paragrafen 11.2.2 t/m 11.2.5 Bal.
daan gemaakt. Dit geldt voor alle beschermde soorten, alsmede soorten
natuurgebieden. De planologische begrenzing en beschermingsregimes
van de rode lijsten, en voor die soorten belangrijke leefgebieden of na-
van het Natuurnet-werk loopt via het traject van de provinciale ruimte-
De Ow heeft, voor wat betreft soortenbescherming, betrekking op alle in
tuurlijke habitats. Voor deze soorten wordt vastgesteld of nadelige ge-
lijke structuurvisies en verordeningen. Binnen de provincie Gelderland
Nederland in het wild voorkomende zoogdieren, (trek)vogels, reptielen
volgen kunnen worden uitgesloten. Is dit niet mogelijk, dan dienen pre-
bestaat het GNN uit hetv Gelders Natuurnetwerk (GNN) en Ecologische
en amfibieën, een aantal vissen, libellen en vlinders, enkele bijzondere
ventieve maatregelen te worden getroffen om nadelige gevolgen te
Verbindingszones (EVZ). Activiteiten in deze gebieden zijn alleen toege-
en min of meer zeldzame ongewervelde dierensoorten en een aantal
voorkomen.
staan als ze geen negatieve effecten hebben op de wezenlijke kenmer-
vaatplanten. De beschermde soorten zijn ingedeeld in drie categorieën:
ken of waarden of als deze kunnen worden tegengegaan met mitige-
•
Vogels (artikel 11.37 Bal);
Komen soorten van de hierboven genoemde beschermingsregimes
rende maatregelen.
•
Europees beschermde soorten (artikel 11.46 Bal);
voor, dan is de eerste vraag of de voorgenomen activiteit effecten heeft
•
Nationaal beschermde soorten (artikel 11.54 Bal).
op de beschermde soorten. Treden er effecten op, dan dient er gekeken
Houtopstanden
te worden of er (provinciale) vrijstelling verleend kan worden (al dan niet
De bescherming van houtopstanden, conform Omgevingswet, heeft be-
Beschermde soorten vanuit nationaal oogpunt betreffen soorten uit ‘bij-
door te werken volgens een goedgekeurde gedragscode), of dat er een
trekking op alle zelfstandige eenheden van bomen, boomvormers of
lage A en B’ van de Ow (Bijlage IX onder A en B Bal). Beschermde
alternatieve oplossing mogelijk is waardoor er geen negatief effect kan
struiken van een oppervlakte van minimaal tien are of een rijbeplanting
soorten vanuit Europees oogpunt betreffen soorten uit Bijlage IV van de
plaatsvinden. Indien dit niet mogelijk is, zal een ontheffing / omgevings-
die meer dan twintig bomen omvat, gelegen buiten de bebouwde kom
Habitatrichtlijn, de soorten uit Bijlage 1 en 2 Verdrag van Bern, en Bij-
vergunning voor een flora- en fauna-activiteit met schadelijke handelin-
(bebouwingscontour houtkap). Wanneer houtopstanden worden geveld,
lage 1 Verdrag van Bonn, en alle in Europa inheemse vogels (Vogel-
gen aangevraagd moeten worden op basis van een geldig wettelijk be-
niet vallende onder artikel 11.111, lid 2 Bal, geldt een meldingsplicht bij
richtlijn). De drie beschermingsregimes kennen elk hun eigen vergun-
lang, waarbij de gunstige staat van instandhouding van beschermde
Gedeputeerde Staten van desbetreffende provincie (artikel 11.126 Bal).
ningplichtige activiteiten. De regels voor vogels en overige Europese
soorten niet in het geding komt. De ontheffing / vergunning kan dan on-
Indien er geen bezwaar is om de houtopstanden te kappen, verplicht ar-
soorten zijn letterlijk overgenomen uit respectievelijk de Vogelrichtlijn en
der voorwaarden worden verleend.
tikel 11.129 Bal om binnen 3 jaar na het vellen of tenietgaan van de
de Habitatrichtlijn. Voor de andere, ‘nationaal’ beschermde soorten gel-
houtopstand op dezelfde grond houtopstanden opnieuw aan te planten.
den regels die geïnspireerd zijn op de Habitatrichtlijn, maar in sommige
4.11.2
Er geldt een algehele vrijstelling van de herplantplicht voor houtopstan-
opzichten minder streng zijn.
Ten behoeve van de voorgenomen ontwikkeling is door BRO een
den die gekapt worden in het kader van natuurbeheer en natuurbehoud.
De Ow regelt dat de provincie bevoegd gezag is en de lijst met te be-
quickscan flora en fauna uitgevoerd (d.d. 16 juli 2024). Hieruit volgt een
Onder de Omgevingswet geldt een specifieke zorgplicht voor houtop-
schermen soorten kan afstemmen op de situatie in de provincie. De
beoordeling of door uitvoering van voorgenomen ontwikkeling negatieve
standen (artikel 11.116 Bal). Indien natuurbescherming, instandhouding
soortbescherming kan hierdoor per provincie verschillen. In het alge-
effecten ontstaan op beschermde soorten, gebieden en houtopstanden
bosareaal of bescherming landschappelijke waarden in het geding komt,
meen gelden voor alle drie de categorieën de activiteiten met schade-
die strijdig zijn met de Omgevingswet en het Bal basis van een globale
geldt een verplichting om nadelige gevolgen te voorkomen, te beperken
lijke gevolgen. Een ontheffing hierop wordt voor de Nationaal be-
inventarisatie. Het gehele onderzoek is opgenomen als bijlage, navol-
of ongedaan te maken, of achterwege te laten.
schermde soorten (art. 11.54 Bal) met een lichte toets verleend. Voor de
gend worden de belangrijkste resultaten beschreven.
TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22d HAM IV, te Aalst
Onderzoek
35
Beschermde Natura 2000-gebieden/stikstof
Houtopstanden
Grondgebonden zoogdieren
Het plangebied is niet gelegen binnen de grenzen van een gebied dat
Aangezien er geen (onderdelen van) houtopstanden aanwezig zijn is
Met de ontwikkeling binnen het plangebied gaan geen verblijfplaatsen
aangewezen is als Natura 2000-gebied. Het meest nabijgelegen Natura
toetsing aan het onderdeel houtopstanden conform de Omgevingswet
van niet-vrijgestelde soorten verloren. Ook gaat er geen (essentieel)
2000-gebied, “Loevestein, Pompveld & Kornsche Boezem”, bevindt zich
bij dit plan niet aan de orde.
leefgebied van een grondgebonden zoogdiersoort verloren. Inbreuk op
op circa 5,5 kilometer afstand ten noordwesten van het projectgebied.
de gunstige staat van instandhouding van lokale populaties van soorten
Indien er sprake zou zijn van een effect, betreft dit een extern effect als
Beschermde soorten
en potentiële schadelijke handelingen zijn niet aan de orde. In het kader
gevolg van storingsfactoren als toename van geluid, licht of depositie
Vaatplanten
van de zorgplicht is het echter wel noodzakelijk om voldoende zorg te
van stikstof. Mede gezien de afstand tot het plangebied zijn externe
Tijdens het veldbezoek zijn geen beschermde plantensoorten aangetrof-
dragen voor (incidenteel) aanwezige individuen.
effecten als gevolg van aspecten als licht, geluid en trillingen uitgeslo-
fen in het projectgebied. In de directe omgeving van het plangebied zijn
ten.
volgens de NDFF de beschermde soort schubzegge aanwezig. De
Reptielen
schubzegge komt voor op zonnige plaatsen op natte, matig voedsel-
Volgens de NDFF en verspreidingsgegevens van RAVON zijn in de om-
Externe effecten als gevolg van licht, trilling en geluid als door de voor-
arme, onbemeste, kalkhoudende gronde. Of moerasgebieden met kalk-
geving van het plangebied waarnemingen bekend van ringslang Het
genomen plannen op de onderzoekslocatie zijn, gezien de afstand tot
rijke kwel. Aangezien het plangebied bestaat uit sterk bewerkte akker-
plangebied en de directe omgeving biedt geen geschikte habitat voor
de meest nabijgelegen Natura 2000-gebieden niet te verwachten. Ex-
landen is de aanwezigheid van de schubzegge binnen het plangebied
deze soort doordat het hier een sterk bewerkte akker betreft. Het voor-
terne effecten als gevolg van een toename van stikstof-depositie zijn
niet te verwachten.
komen ervan binnen het plangebied is daarmee dan ook uitgesloten.
voorhand uit te stuiten. Er is derhalve een stikstofdepositieonderzoek
Vogels
Amfibieën
uitgevoerd om een toename van stikstofdepositie op Natura-2000 gebie-
Bij uitvoering van de plannen gaan geen nestlocaties van soorten met
De voorgenomen plannen zullen geen afname van geschikt essentieel
den uit te sluiten. Dit onderzoek is opgenomen in de bijlage van de ruim-
een jaarrond beschermde status verloren. Bij de werkzaamheden kun-
habitat van een amfibieënsoort veroorzaken, inbreuk op de gunstige
telijke motivering Hieruit blijkt dat er geen rekenresultaten hoger dan
nen wel nesten verloren gaan die niet jaarrond zijn beschermd. Voor de
staat van instandhouding van populaties en potentiële schadelijke han-
0,00 mol/ha/jaar zijn. Negatieve effecten kunnen daarom op voorhand
betreffende vogelsoorten geldt dat, indien het verwijderen van het op-
delingen zijn dan ook uitgesloten. In het kader van de algemene zorg-
worden uitgesloten.
gaand groen buiten het broedseizoen wordt uitgevoerd, er redelijkerwijs
plicht is het wel noodzakelijk om voldoende zorg te dragen voor eventu-
geen overtredingen plaats zullen vinden met betrekking tot broedvogels.
eel passerende individuen.
vanwege de grote schaal van het projectgebied, op dit moment niet op
Gebiedsbescherming vanuit provinciaal beleid (GNN)
De voorgenomen plannen zullen geen afname van essentieel broedha-
Het plangebied is niet gelegen binnen het GNN/GO. Het dichtstbijzijnde
bitat veroorzaken van een vogelsoort, inbreuk op de gunstige staat van
Vissen
onderdeel van het GNN/GO ligt ongeveer 370 meter ten zuiden van het
instandhouding van lokale populaties is dan ook uitgesloten.
De grote modderkruiper kan in de sloten binnen het plangebied aanwe-
plangebied. Gezien de aard van de voorgenomen plannen zullen de om-
Vleermuizen
zig zijn, het leefgebied kan door de graafwerkzaamheden aan de sloot
gevingscondities redelijkerwijs gelijk blijven, waardoor de wezenlijke
Doordat er geen gebouwen of bomen aanwezig zijn binnen het plange-
in het noorden van het plangebied verstoord worden. Nader onderzoek
kenmerken en waarden van het GNN/GO niet worden aangetast. Ver-
bied zijn er geen rust- of verblijfplaatsen te verwachten. Bij uitvoering
dient de aan- of afwezigheid van de soort te bepalen.
volgonderzoek in het kader van het GNN/GO wordt dan ook niet nood-
van de voorgenomen ontwikkeling zal er geen sprake zijn van (potenti-
zakelijk geacht.
ele) schadelijke handelingen met betrekking tot vaste rust- of verblijf-
Ongewervelde diersoorten
plaatsen, vliegroutes of foerageergebied voor vleermuizen.
Volgens de NDFF zijn in de ruime omgeving van het plangebied waarnemingen bekend van grote vos en teunisbloempijlstaart. Deze soorten
TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22d HAM IV, te Aalst
36
stellen echter zeer specifieke eisen aan hun habitat, die in het plange-
4.12
Omgevingsveiligheid
In het van rechtswege ontstane omgevingsplan van de gemeente Zalt-
bied niet aanwezig zijn. Negatieve effecten en schadelijke handelingen
4.12.1
Toetsingskader
bommel worden beperkingen met betrekking tot externe veiligheid ge-
ten aanzien van beschermde ongewervelde soorten zijn op voorhand
Omgevingsveiligheid (voorheen: externe veiligheid) heeft betrekking op
noemd, waarbij milieubelastende activiteiten, transportroutes en buislei-
uitgesloten.
de mogelijkheden een brand, ramp of crisis te voorkomen, te beperken
dingen aan bod komen (artikel 22.39b).
en te bestrijden. Het beschermen van personen in gebouwen en op loZorgplicht
caties in de omgeving van risicovolle activiteiten is cruciaal. Daarnaast is
Naast de eerdergenoemde activiteiten die als risicobronnen worden be-
In het kader van de zorgplicht is het noodzakelijk om voldoende zorg te
het beperken van schade aan de fysieke leefomgeving bij een ongeval
schouwd, bevat het Bkl ook instructieregels voor de volgende risicobron-
dragen voor aanwezige individuen. Dit houdt in dat al het redelijkerwijs
van een risicovolle activiteit van groot belang. De instructieregels van
nen:
mogelijke gedaan dient te worden om het doden van individuen te voor-
het Rijk hiervoor zijn vastgelegd in het Bkl en het Bal.
•
Kwetsbare gebouwen en locaties
•
komen.
opslaan, bewerken en her verpakken van vuurwerk (afdeling 5.1.2.4); opslaan en bewerken van ontplofbare stoffen voor civiel gebruik (af-
Vervolgonderzoek naar de grote modderkruiper
In het Bkl is onderscheid gemaakt in 3 categorieën ‘gebouwen en loca-
Tijdens de schepnetinventarisaties zijn geen grote modderkruipers ge-
ties’ waarvoor de regels bescherming bieden:
vangen binnen de aanwezige watergangen. De verzamelde samples
1. Zeer kwetsbaar (alleen gebouwen)
zijn door laboratorium Sylphium geanalyseerd en negatief bevonden op
2. Kwetsbaar (gebouwen en locaties)
DNA van de grote modderkruiper. Hierdoor kan een negatief effect op
3. Beperkt kwetsbaar (gebouwen en locaties)
deze soort redelijkerwijs worden uitgesloten. Vervolgstappen wat betreft
Bij het bepalen van de kwetsbaarheid wordt gekeken naar het aantal
deze soort zijn niet noodzakelijk.
personen dat gelijktijdig aanwezig is, de duur van hun aanwezigheid, en
Plaatsgebonden risico
in hoeverre zij zichzelf in veiligheid kunnen brengen bij een incident. De
Het plaatsgebonden risico is de kans per jaar dat één persoon overlijdt
Aangezien er meerdere vissoorten aanwezig zijn in de watergangen
aanwijzing van bovenstaande categorieën ‘gebouwen en locaties’ staat
door een ongeluk met een gevaarlijke stof. De grenswaarde voor het
welke verbreed gaan worden dient ervoor gezorgd te worden dat deze
in bijlage VI van het Bkl.
plaatsgebonden risico moet in acht genomen worden. De grenswaarden
soorten geen negatief effect ondervinden van deze werkzaamheden.
deling 5.1.2.5); •
exploiteren van een IPPC-installatie voor het maken van explosieven (afdeling 5.1.2.5);
•
opslaan en bewerken van ontplofbare stoffen voor militair gebruik (afdeling 5.1.2.5 Bkl).
voor het plaatsgebonden risico zijn ruimtelijk vertaald naar afstanden tot
Een ecologisch werkprotocol dient opgesteld te worden voorafgaand
Risicobronnen
gebouwen en locaties. Gebouwen en locaties die als (zeer) kwetsbaar
aan de start van de werkzaamheden waarin maatregelen en aanbevelin-
Risicobronnen zijn activiteiten met externe veiligheidsrisico’s. In bijlage
worden beschouwd mogen niet binnen de plaatsgebonden risicocontour
gen staan om verstoring en het doden van dieren te voorkomen.
VII van het Bkl zijn activiteiten aangewezen die risicobronnen vormen.
10-6-contour van een activiteit vallen.
Het gaat om de volgende soorten activiteiten: 4.11.3
•
Conclusie
activiteiten met gevaarlijke stoffen bij bedrijven. Dit zijn verschillende milieubelastende activiteiten uit het Bal;
De Wet natuurbescherming wordt, ten aanzien van gebiedsbescherming en soortenbescherming, niet overtreden door de ontwikkelingen die
•
het Basisnet vervoer gevaarlijke stoffen over weg, water en spoor;
plaatsvinden binnen het projectgebied. Wel dient er voordat de werk-
•
buisleidingen met gevaarlijke stoffen die zijn aangewezen als milieubelastende activiteit in het Bal;
zaamheden aan de watergang plaats gaan vinden een ecologisch werkprotocol opgesteld te worden om negatieve effecten aan overige aquatische soorten te voorkomen.
TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22d HAM IV, te Aalst
•
windturbines die zijn aangewezen als milieubelastende activiteit in het Bal.
37
Groepsrisico, aandachtsgebieden en voorschriftengebieden
Binnen 80 meter van een EV relevante route, gemeten vanaf de buiten-
Het groepsrisico is een concretisering van de wettelijke verplichting dat
ste kantstreep, geldt ambitie 10 conform het EV-beleid van de gemeente
het omgevingsplan een evenwichtige toedeling van functies aan locaties
Zaltbommel. Circa negentien woningen van onderhavig planvoornemen
moet inhouden ook met het oog op het waarborgen van de veiligheid.
liggen binnen deze zone, zie figuur 4.13.
Het groepsrisico gaat over de kans per jaar dat tien of meer personen overlijden als rechtstreeks gevolg van een ongewoon voorval binnen een aandachtsgebied (artikel 5.15, lid 1 Bkl). Er zijn drie typen aandachtsgebieden (artikel 5.12 Bkl): •
brandaandachtsgebied;
•
explosieaandachtsgebied;
•
gifwolkaandachtsgebied.
Voor beperkt kwetsbare, kwetsbar en zeer kwetsbare gebouwen en beperkt kwetsbare en kwetsbare locaties binnen een aandachtsgebied moet het bevoegd gezag het groepsrisico verantwoorden en moet advies bij de Veiligheidsregio worden ingewonnen (artikel 5.2 Bkl). 4.12.2
Figuur 4.12: Ligging plangebied ten opzichte van opslagtanks voor propaan/propeen (Bkl VII-A7) en bijbehorende aandachtsgebieden (BAG en EAG)(Bron: AVIV)
De Steenfabriek ligt op circa 1 km van het plangebied. Het brand- en ex-
Onderzoek
De voorgenomen ontwikkeling betreft de realisatie van 60 grondgebon-
plosieaandachtsgebied van deze tank zal niet tot over het plangebied
den woningen. Conform Bkl VI worden woningen als ‘kwetsbaar ge-
reiken.
bouw’ aangeduid. Maas-Waalweg Voor de inventarisatie van aanwezige EV-risicobronnen wordt het Por-
De Maas-Waalweg is geen basisnetroute waardoor aandachtsgebieden
taal Atlas Veiligheid (PAV) geraadpleegd. Daaruit blijkt dat tot in de
niet van toepassing zijn. Bevoegd gezag heeft echter aangegeven dat
verre omgeving van het plangebied geen buisleidingen (Bkl VII-D) en
op basis van ambitie 2 en 9 van het EV-beleid de Maas-Waalweg als EV
basisnetroutes (Bkl VII-C) aanwezig zijn. Wel zijn op grotere afstand van
relevante transportroute zal worden aangewezen. De omgevingsdienst
het plangebied enkele opslagtanks voor propaan/ propeen aanwezig
geeft het volgende aan: ‘Door de recente vergunningverlening van de
(Bkl VII-A7). In figuur 2 is te zien dat het plangebied buiten het brand- en
propaantank (aan De Rijswaard 2 red.), en de daarmee gepaarde trans-
explosieaandachtsgebied van deze opslagtanks ligt waardoor een na-
portbewegingen van brandbaar gas, is de Maas-Waalweg een EV-rele-
dere EV-beschouwing niet van toepassing is.
vante risicoroute geworden. Op basis van de aanvraag kunnen er per jaar namelijk meer dan 500 transporten van brandbaar gas over die weg
Nog niet zichtbaar op de PAV-kaarten is de propaantank van Steenfabriek de Rijswaard BV aan De Rijswaard 2 in Aalst. Op 9 maart jongstle-
plaatsvinden.’
Figuur 4.13 Kaart met daarop de 80 meterzone van de Maas-Waalweg en de aantal woningen van het plan die hierin gelegen zijn. (bron: Movares)
Verantwoording transportroute propaangas a.d.h.v. ambitie 10 In paragraaf 2.4.3 van de beleidsvisie staat dat de gemeente bij het toelaten van nieuwe (zeer/beperkt) kwetsbare objecten in de omgeving van aanwezige activiteiten met EV-risico’s ambitie 10 hanteert: ‘Binnen een brand- of explosieaandachtsgebied geldt een maatwerk aanpak. Dit geldt ook binnen 80 m van een EV relevante transportroute. Dit betekent dat maatregelen (van licht tot zwaar) worden overwogen en toegepast ter bescherming van personen in gebouwen en op locaties, waarbij de kans op relevante scenario’s en de hoogte van het risico wordt meegewogen. Bij het ontwerpen van gebouwen en het inrichten van de omgeving, voor het toelaten van nieuwe (beperkt) kwetsbare gebouwen gelden de volgende opeenvolgende principes, die elkaar opvolgen als treden van een ladder.’
den heeft de gemeente hiervoor een omgevingsvergunning afgegeven.
TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22d HAM IV, te Aalst
38
Het maatgevende scenario in de 80 m zone van de weg is het BLEVE-
b. Voorkom en beperk risico’s
plangebied zijn de gronden agrarisch en is geen bebouwing, en daar-
scenario: Boiling Liquid Expanding Vapor Explosion. Bij een BLEVE-
Een belangrijke bronmaatregel is dat het vervoer van gevaarlijke stoffen
mee geen personen, aanwezig. De toename van de dichtheid van de
scenario ontstaat een vuurbal door de explosieve verbranding van vrij-
over de weg moet voldoen aan (internationale) ADR-wetgeving. Het be-
bevolking blijft na planrealisatie beperkt. Bovendien voorziet het plan-
gekomen brandbaar gas. De effecten die daarbij optreden zijn warmte-
voegd gezag of initiatiefnemer is niet bij machte aanvullende bronmaat-
voornemen in de wens van de gemeente om nieuwe woningen te reali-
straling, overdruk en scherfwerking. Eventueel te treffen maatregelen ter
regelen te treffen.
seren voor de kern Aalst. Het is daarom niet wenselijk het aantal wonin-
bescherming van aanwezige personen hebben betrekking op deze ef-
gen naar beneden bij te stellen.
fecten. De 100%-letaliteitscontour van dit scenario reikt tot 80 m, geme-
Door het planvoornemen verandert het transport over de weg niet. De
ten vanaf de buitenste kantstreep.
kansen op incidenten blijven gelijk. De bestrijding van een incident op de weg verandert evenmin door het planvoornemen. Wat wel verandert,
e. Ontwerp bouwwerken en omgeving die bescherming bieden en snel te verlaten zijn
Het planvoornemen wordt hieronder beschouwd volgens de principes
is het aantal mensen dat mogelijk wordt blootgesteld aan de effecten.
Omgeving
van ambitie 10.
Dit aantal neemt toe. Dit wordt nader uitgewerkt bij punt d.
In Ham IV worden de woningen op terpen gerealiseerd. Bij het ontwerp
a. Participatie en communicatie vanaf de initiatieffase tot en met de gebruiksfase
zijn zoveel mogelijk groene elementen ingepast (bomen, heggen) en c.
Houd afstand tot de risicobron
worden de aanwezige watergangen waar mogelijk verbreed. In dit land-
Er is formeel en informeel contact met omgevingsdienst en veiligheids-
Bij het ontwerp van het stedenbouwkundig plan is aangesloten op de
schappelijk beeld is het niet wenselijk een aarden wal te realiseren. Het
regio over het planvoornemen. De omgevingsdienst en de veiligheidsre-
rooilijn van de aanwezige bebouwing aan de westzijde van het plange-
landschappelijke ontwerp van Ham IV wordt uitgebreid beschreven in de
gio worden onder andere middels onderhavige notitie verder geïnfor-
bied (bestaande woonwijk). Hiermee is de afstand tot de risicobron van
ruimtelijke motivering.
meerd over het initiatief, de EV-risico’s en mogelijke maatregelen.
de nieuwe woningen gelijk aan die van de bestaande woningen.
Risicocommunicatie
De woningen verder naar het zuiden positioneren zou een afbreuk doen
voorbereiding van hulpdiensten, goede bereikbaarheid voor hulpdien-
De toekomstige bewoners dienen zich bewust te zijn van de risico’s die
aan de aanwezige landschapsstructuur en gebiedskenmerken en is om
sten, bluswatervoorziening op orde en onderhoud van schuilplaatsen en
de nabijgelegen Maas-Waalweg met zich meebrengt en hoe zij bij een
die reden stedenbouwkundig ongewenst.
vluchtwegen. Dit komt bij punt f nader aan de orde.
len om hen hiervan op de hoogte te brengen. Geadviseerd wordt om in
d.
Bouwwerken
elke woning een informatiekaart in de meterkast te plaatsen met infor-
In de huidige situatie heeft de planlocatie een agrarische bestemming
De bouwwerken betreffen grondgebonden woningen. In het algemeen
matie over:
en is er geen bebouwing, en daarmee geen personen, aanwezig. In het
geldt dat een woning, in geval van een BLEVE op de Maas-Waalweg,
• Het BLEVE- scenario en de effecten.
plangebied van circa 2.5 hectare worden 60 woningen gerealiseerd. Per
bescherming kan bieden aan personen die zich in de woning bevinden
• Hoe te handelen in geval van calamiteit (schuilen/ vluchten).
woning wordt uitgegaan van 2.4 personen waarvan 50% overdag en
wanneer de BLEVE plaatsvindt op een afstand groter dan 80 m van de
• Vluchtwegen.
100% ’s nachts aanwezig is. Dit levert een dichtheid van ca. 58 pers/ha.
woning (de 100% letaliteitscontour), totdat de woning eventueel in brand
Bij omgevingsmaatregelen kan ook gedacht worden aan een goede
ongeval moeten handelen (vluchten/ schuilen) daarom wordt aanbevoBeperk de (toename) omvang en dichtheid van de bevolking
komt te staan (secundaire branden). Naast schuilen zijn vluchtwegen Op deze manier is geborgd dat de noodzakelijke informatie altijd aanwe-
Ter vergelijk: een rustige woonwijk heeft een personendichtheid van 25
daarom ook van belang. Als er binnen 80 m van een woning een BLEVE
zig is en dat bewoners op de hoogte zijn, ook wanneer een woning door
pers/ha, een drukke woonwijk 70 pers/ha en stadsbebouwing met hoog-
op de Maas-Waalweg plaatsvindt bieden de woningen niet voldoende
verhuizing nieuwe bewoners krijgt.
bouw 120 pers/ha. De toename van de personendichtheid is een logisch
bescherming tegen de effecten van een BLEVE en is het handelingsper-
gevolg van de ontwikkeling. Ten noorden, oosten en zuiden van het
spectief vluchten. Het hier beschreven handelingsperspectief is in lijn met de scenariokaart van het NIPV. Verder wordt nog opgemerkt dat
TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22d HAM IV, te Aalst
39
sprake kan zijn van een warme of een koude BLEVE. Bij een warme
Circa 19 woningen zijn beoogd binnen de 80 m zone. De vraag kan ge-
gebouwen en de mensen die daarin verblijven tegen trillingen van activi-
BLEVE is er meer tijd om te vluchten, bij een koude BLEVE is de
steld worden of het zinvol is om binnen deze zone aanvullende bouw-
teiten (art. 5.80 Bkl). Hieronder vallen gebouwen met een woonfunctie,
impact kleiner.
kundige maatregelen toe te passen, zoals bijvoorbeeld scherfvrij glas ter
onderwijsfunctie, gezondheidszorgfunctie, bijeenkomstfunctie voor kin-
bescherming van personen tegen scherfwerking. Momenteel bestaat
deropvang met bedgebied en de bijbehorende nevengebruiksfuncties.
Verder zijn in de omgeving van het plangebied voldoende gelegenheden
echter nog onduidelijkheid over de effectiviteit van scherfvrij glas waar-
Bij het mogelijk maken van trillinggevoelige gebouwen (zoals woningen)
om effectief te vluchten van de risicobron af. Er kan via de weg gevlucht
door onzeker is of en in welke mate het bescherming kan bieden. Daar-
in de buurt van spoorwegen moet het aspect trilling worden beoordeeld
worden in zuidelijke en westelijke richting en via de weilanden in ooste-
mee blijft onduidelijk of het toepassen van scherfvrij glas zinvol is.
in het kader van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.
lijke richting. Aangezien de woningen niet specifiek bedoeld zijn voor
Zo moet in beginsel binnen een afstand van 100 meter van een spoor-
minder zelfredzame personen wordt ervan uitgegaan dat de toekomstige
Wel zijn op de te realiseren woningen de bouweisen van toepassing die
weg het risico op trillinghinder worden beoordeeld. In sommige gevallen
bewoners zelfredzaam zijn en in staat om, in geval van calamiteit, zelf-
volgen uit het Bbl. Daarmee is geborgd dat de best beschikbare tech-
is het nodig om het onderzoeksgebied uit te breiden tot 250 meter aan
standig van de risicobron af te vluchten.
nieken worden toegepast (Bbl art. 7.23, 2e lid). Dit wordt voldoende ge-
weerszijden van het spoor. Hier kan bijvoorbeeld sprake van zijn als er
acht.
reeds klachten door trillinghinder van het spoor op een grotere afstand
f.
De omgeving maakt snel en effectief optreden van de hulpdiensten mogelijk
dan 100 meter bestaan. samenvatting
Om de mogelijke trillingshinder in kaart te brengen kunnen de SBR-richt-
Het plangebied is over de weg te benaderen via de Waterviolier en de
In deze EV-notitie zijn in het kader van woningbouwontwikkeling op lo-
lijn, de Beleidsregel Trillingshinder Spoor en de Handreiking Nieuwbouw
Waterlelie (via brug). Afhankelijk van de locatie van de calamiteit is het
catie Ham IV in Aalst de EV-risicobronnen geïnventariseerd en getoetst
en Spoortrillingen worden gebruikt.
plangebied ook bereikbaar via de Maas-Waalweg.
aan de omgevingswet en aan het beleid van de gemeente Zaltbommel.
Het plangebied biedt voldoende ruimte voor het opstellen van hulpvoer-
Uit de inventarisatie is gebleken dat het plangebied buiten het brand- en
De ontwikkeling voorziet in de realisatie van een woningbouwplan. Wo-
tuigen. Oppervlaktewater is in ruime mate aanwezig om dienst te doen
explosieaandachtsgebied ligt van de aanwezige opslagtanks voor pro-
ningen zijn trillinggevoelige gebouwen. Nabij het projectgebied zijn ech-
als bluswater. Aangenomen wordt dat de bestrijdbaarheid van een cala-
paan/ propeen. Nader EV-onderzoek naar deze risicobronnen kan
ter geen spoorwegen gelegen. Een nadere toetsing aan dit aspect kan
miteit op de weg in de huidige situatie voldoende is, en daarom ook voor
daarom achterwege blijven. De Maas-Waalweg wordt door het bevoegd
daarom redelijkerwijs achterwege blijven.
de toekomstige situatie voldoende zal zijn.
gezag aangewezen als EV relevante transportroute. Binnen 80 m van
4.13.2
Onderzoek
deze route geldt ambitie 10 van het EV-beleid van Zaltbommel. Boven-
4.13.3
staand is invulling gegeven aan ambitie 10.
Het aspect trillingen vormt geen belemmering voor de ontwikkeling.
In een voorschriftengebied gelden voor nieuwbouw aanvullende bouw-
4.12.3
4.14
Verkeersgeneratie, -afwikkeling en parkeren
kundige maatregelen. De te realiseren woningen liggen echter niet in
Wat betreft het aspect omgevingsveiligheid is er sprake van een even-
4.14.1
Toetsingskader
een aandachtsgebied waardoor het niet mogelijk is een voorschriftenge-
wichtige toedeling van functies aan locaties.
Bij het toelaten van een nieuwe functie moet worden aangetoond of
g. Toepassen aanvullende bouwkundige maatregelen (via aanwijzing voorschriftengebied)
bied aan te wijzen. Aanvullende bouwkundige maatregelen kunnen niet via deze route geëist worden.
Conclusie
Conclusie
sprake is van een (extra) parkeerbehoefte voor auto’s en fietsen en wat
4.13
Trillingen
het effect is op de bereikbaarheid en de verkeersafwikkeling. Er mag
4.13.1
Toetsingskader
geen onaanvaardbaar effect op de omgeving optreden.
Trilling kan nadelige gevolgen hebben voor de kwaliteit van de fysieke leefomgeving. De Omgevingswet beschermt (delen van) trillinggevoelige
TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22d HAM IV, te Aalst
40
Om te bepalen wat de effecten van de activiteit op de verkeersaantrek-
Voor de berekening van de verkeersgeneratie wordt aansluiting gezocht
structuur die al zodanig is ontworpen om een bepaalde verkeersbelas-
kende werking van het projectgebied zijn, kan gebruik worden gemaakt
bij het beoogd programma zoals beschreven in hoofdstuk 2. Onder-
ting aan te kunnen. De wegenstructuur in het plan zelf is zo ontworpen
van de kengetallen van het Centrum voor Regelgeving en Onderzoek in
staand wordt de verwachte toename aan verkeersgeneratie weergege-
dat de doorstroming van het verkeer wordt bevorderd.
grond-, Water- en Wegenbouw en de Verkeerstechniek (CROW) (publi-
ven.
catie 381). Deze kengetallen zijn algemeen erkend en geven een indica-
Parkeren
tie van de met de ontwikkeling gepaard gaande extra verkeersgeneratie.
Figuur 4.14: theoretische verkeersgeneratie beoogd planvoornemen
Het projectgebied betreft in de bestaande situatie agrarische grond en is
Ook bieden ze richtlijnen voor het aantal te realiseren parkeerplaatsen.
Woningtype
Aantal
De CROW-kengetallen zijn richtlijnen waarvan afgeweken kan worden.
Min. – max. CROW norm
Totaal min. – max. CROW norm
onbebouwd. Er zijn dan ook geen parkeervoorzieningen aanwezig, noch
7,8 – 8,6
31,2 – 34,4
worden. De parkeerbehoefte is berekend op basis van de kencijfers
Gemeenten kunnen ervoor kiezen om zelf parkeerbeleid met parkeernormen vast te stellen waar nieuwe ontwikkelingen aan moeten voldoen. 4.14.2
Onderzoek
De gemeente Zaltbommel hanteert ter plaatse van het projectgebied de parkeernormen voor woningbouw zoals opgenomen in de tabel 3.5 van deze ruimtelijke motivering. Verkeer De realisatie van het plan gaat gepaard met een toename van de verkeersgeneratie. Middels de landelijke normen van het CROW hebben we in beeld gebracht wat de verwachte toename aan motorvoertuig be-
is er sprake van een parkeerbehoefte. In de beoogde situatie zal wel parkeerbehoefte ontstaan en zullen voorzieningen getroffen moeten
Koop, huis, vrijstaand
4
Koop, huis, tussen/hoek
10
7,0 – 7,8
70 - 78
geven in tabel 3.5.
Huur, huis, vrije sector
6
7,0 – 7,8
42- 46,8
In de toekomstige situatie worden maximaal 60 woningen gerealiseerd
Huur, huis, sociale huur
40
5,2 – 6,0
208 - 240
Totaal
60
-
387 – 440 mvt/etmaal*
welke worden genoemd in de gemeentelijke parkeernota zoals weerge-
binnen het plangebied. In de onderstaande tabel wordt de theoretische parkeerbehoefte berekend aan de hand van het beoogd programma en de parkeernormen zoals vastgelegd in de parkeernota Zaltbommel
*inclusief vermenigvuldiging met 1,1 (omzetting weekdag naar werkdag)
wegingen per etmaal zal zijn. We verwachten dat de verkeersgeneratie vanuit deze locatie geen belemmeringen met zich mee brengt mede
Het voorgenomen plan zorgt met name voor een toename van verkeer
doordat de planlocatie zeer dicht nabij een provinciale weg ligt. Hierdoor
op de bestaande ventweg. De maximale toename van ritten bedraagt,
kan worden gesteld dat de verkeersgeneratie afkomstig van de ontwik-
conform CROW-publicatie 381, 440 ritten op een werkdag. Doordat ge-
keling hier al opgaat in het heersend verkeersbeeld. De verkeesrstruc-
motoriseerd verkeer vanaf het plan richting de rotonde tussen de E.P
tuur van de nieuwe woonwijk zal aangesloten worden op de bestaande
van Ooijenstraat en de Maas Waalweg beweegt zal daar het verkeer op-
wegen zoals de waterlelie, en de ventweg genaamd Maas Waalweg
gaan in het heersend verkeersbeeld. Hier zal het verkeer verder opsplitsen richting het noorden en het zuiden waardoor de netto toename per
2025. Figuur 4.15: theoretische parkeerbehoefte conform parkeernota en kengetallen.
Woningtype
Aantal
Parkeernorm*
Totaal minimale parkeerbehoefte
Koop, huis, vrijstaand
4
2 parkeerplaatsen per woning
8 parkeerplaatsen
Koop, huis, tussen/hoek
10
2 parkeerplaatsen per woning
20 parkeerplaatsen
Huur, huis, vrije sector
6
2 parkeerplaatsen per woning
12 parkeerplaatsen
40
1,5 parkeerplaatsen per woning
60 parkeerplaatsen
60
-
100 parkeerplaatsen
Voor wat betreft de verkeesrgeneratie is de gemeente Zaltbommel aan
wegvak lager zijn vanaf hier. Gelet op de ligging nabij oorspronkelijke
te merken als ‘Weinig stedelijke’ gemeente. De nieuw te realiseren wo-
wegen binnen de kern is de verwachting dat de bestaande weginfra-
ningen worden onderdeel van de rest van de bebouwde kom van Aalst.
structuur deze hoeveelheid verkeer zonder noemenswaarde problemen
Huur, huis, sociale huur
kan verwerken. De locatie maakt al deel uit van een gevestigde infra-
Totaal
*De weergegeven parkeernormen zijn inclusief het bezoekersaandeel
TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22d HAM IV, te Aalst
41
De 4 vrijstaande koopwoningen zullen over een eigen oprit beschikken
4.14.3
waar minimaal 2 auto’s geparkeerd kunnen worden per woning. De rest
De aspecten verkeersgeneratie, -afwikkeling en parkeren vormen geen
Vanuit de Omgevingswet heeft de provincie naast een omgevingsvisie
van de woningen zal gebruik maken van openbare parkeerplaatsen. Dit
belemmering voor het initiatief. Omtrent dit aspect is sprake van een
een omgevingsverordening vastgesteld voor haar grondgebied. In de
betekent dat voor de resterende 56 woningen, nog minimaal 92 parkeer-
evenwichtige toedeling van functies aan locaties.
omgevingsvisie staat wat de provincie wil bereiken en wat ze wil doen
plaatsen benodigd zijn om aan de theoretische parkeerbehoefte te kunnen voldoen. In het stedenbouwkundig plan zijn 112 openbare parkeerplaatsen ingetekend aan de nieuwe wegenstructuur in de vorm van een centrale lus die door de wijk komt te liggen. Dit betekent dat ruimschoots wordt voldaan aan de theoretische parkeerbehoefte volgens de parkeernota van de gemeente Zaltbommel en de geactualiseerde parkeernormen. Tevens zal er dus sprake zijn van een restcapaciteit van ongeveer 20 parkeerplaatsen. Er zijn derhalve dus ook geen belemmeringen te verwachten omtrent het parkeren.
Conclusie
4.15
Water
4.15.1
Toetsingskader
Middels de weging van waterbelangen dient inzicht te worden geboden in de effecten van het initiatief op stedelijk afvalwater, grondwater en hemelwater. De weging van het waterbelang zorgt er voor dat per initiatief de klimaatbestendigheid van het watersysteem en een water robuuste inrichting van de omgeving vroegtijdig in de planvorming worden betrokken (artikel 5.37 lid 1 van het Bkl). Daarbij is het van belang dat er op een gestructureerde wijze afstemming tussen waterschap en de gemeente plaatsvindt, waarbij een constructieve en doorlopende afstemming van belang is.
Fiets parkeren Het plan voorziet in woningen die allemaal een eigen garage of berging hebben. Deze zijn allemaal rechtstreeks met de fiets te bereiken. Ten aanzien van de vrijstaande woningen wordt ervan uitgegaan dat deze voorzien in een inpandige stallingsvoorziening voor fietsen. Fietsparkeren wordt binnen het plan opgelost op eigen terrein. De parkeernota hanteert geen vaste normen voor fietsparkeren en schrijft voor dat ten behoeve van fietsparkeren maatwerk wordt toegepast. Verkeersontsluiting Ham V Met de ontwikkeling van de wegenstructuur in Ham IV is rekening gehouden met de verbinding ten aanzien van de toekomstige ontwikkeling van de verdere ontwikkeling op de oostelijk gelegen gronden (plangebied Ham V). Ter plaatse van de parkeerkoffers in het oosten van het plangebied van Ham IV is rekening gehouden met de aansluiting op de wegenstructuur. Derhalve is gekozen om op de kruisingen van de ontsluitingsweg en de parkeerkoffers verkeersplateaus in te tekenen. Waardoor de wegenstructuur al beter is in de bestaande situatie dan bijvoorbeeld een uitritconstructie. Zie hiervoor ook het BKP van de architect.
TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22d HAM IV, te Aalst
Voor ieder ruimtelijk plan is een formele weging van het waterbelang noodzakelijk. De weging van het waterbelang is een instrument waarmee de waterhuishoudkundige belangen een doorlopende positie krijgen in het ruimtelijke beleid, niet alleen op basis van concrete ontwikkelingen. Door samenwerking met de verschillende bevoegdheden (Gemeente, Provincie, Waterschap, Rijk) wordt gestreefd naar een duurzaam watersysteem. Rijksbeleid Het Nationaal Water Programma 2022-2027 (NWP) is de opvolger van het Nationaal Waterplan uit 2015. Het NWP geeft op hoofdlijnen aan welk beleid het Rijk in de periode tot en met 2027 voert om te komen tot een duurzaam waterbeheer. Het NWP richt zich op schoon, veilig en voldoende water dat klimaatadaptief en toekomstbestendig is. Ook worden de maatregelen genoemd die hiertoe worden genomen, waaronder het overstromingsrisicobeheerplan en stroomgebiedbeheerplannen voor
Provinciaal beleid
om dat te bereiken. Soms vraagt dat om een nadere uitwerking van beleid en maatregelen in een (omgevings)programma, soms zijn er regels nodig om de ambities te realiseren. De concretere invulling om dit te verwezenlijken is opgenomen in o.a. de omgevingsverordening. Verder is een Regionaal Waterprogramma (RWP 2021-2027) door de provincie Gelderland vastgesteld. Doel van dit nieuwe RWP is een klimaat adaptief Gelderland met veilig, schoon en voldoende water en een vitale bodem. Deze opgaven zijn ook van belang voor vrijwel alle andere provinciale opgaven: wonen en werken, infrastructuur en mobiliteit, landbouw en voedsel, natuur en biodiversiteit, erfgoed, een concurrerende en duurzame economie, en de energietransitie. Beleid waterschap Rivierenland Het plangebied valt onder het beheer van Waterschap Rivierenland. De doelstellingen en hoe het waterschap dit wil gaan halen voor de periode van 2022 tot 2027 staan beschreven in het waterbeheerprogramma (WBP). Hiernaast heeft het waterschap een Watervisie 2050 opgesteld. De drie belangrijkste aspecten zijn waterveiligheid, klimaatbestendigheid en een gezond, schoon watersysteem. Deze programma’s zijn verder uitgewerkt in het WBP naar concrete doelstellingen. Met dit beleid is er meer aandacht voor klimaatadaptatie en een duurzame ontwikkeling van het werkgebied en daarbuiten.
Voor het beheer van de diverse wateraspecten en het watersysteem is een waterschapsverordening opgesteld. Deze vervangt de voormalige Keur en bijbehorende algemene regels en heeft een andere opzet. In de ‘Waterschapsverordening Waterschap Rivierenland' staan regels (met name geboden en verboden) die het waterschap hanteert bij de bescherming van waterkeringen, watergangen en bijbehorende kunstwerken.
de rijkswateren.
42
In de waterschapsverordening is opgenomen dat het verboden is om
Bodemopbouw en grondwater
Ter plaatse is geen grondwateroverlast bekend. Uitgangspunt is hydro-
zonder vergunning neerslag door toename van het verhard oppervlak of
Volgens de geomorfologische kaart van Nederland ligt het plangebied
logisch neutraal bouwen, waarbij de huidige grondwaterstanden en het
door afkoppelen van de bestaande oppervlakte, tot afvoer naar een op-
gedeeltelijk op een stroomrug of stroomgordel en gedeeltelijk op een
oppervlaktewatersysteem in het gebied worden gehandhaafd. Om
pervlaktewaterlichaam te laten komen. Voor berekening van de beno-
restgeul.
grondwateroverlast te voorkomen, wordt gestreefd naar een minimale
digde waterberging voor ruimtelijke ontwikkelingen geldt als vuistregel
Volgens de bodemkaart komt binnen het plangebied een kalkhoudende
ontwateringsdiepte van 0,7 m-mv. voor bebouwing of 0,5 m-mv. bij be-
dat er 436 m3 geborgen dient te worden per hectare verharding. Deze
poldervaaggrond voor. Deze is opgebouwd uit zware zavel en lichte klei.
bouwing zonder kelder.
vuistregel geldt alleen bij waterberging in open water. Voor watercom-
De verwachte bodemopbouw wordt onderstaand schematisch weerge-
pensatie in kunstmatige voorzieningen, zoals wadi’s of kratten, geldt als
geven.
vuistregel dat er 664 m3 waterberging per hectare verharding.
Oppervlaktewater In en rondom het plangebied zijn diverse oppervlaktewateren aanwezig. Aanliggend noord- en westelijk bevindt zich een primaire watergang. Pri-
Beleid gemeente Zaltbommel WRP 2022-2026
maire watergangen hebben een beschermingszone van 4 meter geme-
De gemeente Zaltbommel en Maasdriel hebben een water- en riole-
ten vanaf de insteek. Hierbinnen mogen geen obstakels of bepaalde
ringsplan Bommelerwaard voor de planperiode 2022-2026 opgesteld.
werkzaamheden zonder omgevingsvergunning plaats vinden in verband
Middels het WRP beschrijft de gemeente de zorgplicht en strategie voor
met o.a. het onderhoud aan de watergang.
overtollig hemelwater, afvalwater en grondwater. Daarnaast is zij verantwoordelijk voor het beheer van de overige, niet-primaire watergangen welke tot haar eigendom behoren. 4.15.2
Figuur 4.16: Verwachte bodemopbouw (bron: BRO-loket)
Op basis van de verwachte bodemopbouw zal de bodem in de bovenste 5 meter een slechte doorlatendheid vertonen. Volgens de klimaateffectatlas regio Rivierenland ligt het plangebied in gebied waar hogere
Onderzoek
Ten aanzien van het beoogde planvoornemen is er een weging van het waterbelang opgesteld. Op deze manier worden de belangen van het watersysteem in de planvorming geborgd en wordt er een invulling gegeven aan een duurzame waterhuishouding. De volledige rapportage is opgenomen als bijlage van onderhavige ruimtelijke motivering. Navolgend worden de belangrijkste conclusies beschreven. Hoogteligging plangebied Bij nieuwbouw is voldoende ontwateringsdiepte benodigd om het risico op grondwateroverlast in de toekomst te vermijden. Hierbij is o.a. de bestaande hoogteligging van belang. Het plangebied kent enig hoogteverschil en ligt op ca. 1,5 tot 2,2 m +NAP. De noordelijk gelegen MaasWaalweg kent ter hoogte van het plangebied een maaiveldhoogte van
grondwaterstanden mogelijk zijn door rivierkwel. Het plangebied ligt niet binnen een grondwaterwingebied of -beschermingsgebied. Op basis van recente grondwatermeetgegevens in de buurt van het plangebied (en zelfde peilgebied) kan een inschatting gemaakt worden van de aanwezige grondwaterstanden. Binnen het BRO-loket ligt grondwatermonitoringsput (B44F2121-001) op ca. 100 meter westelijk van het plangebied. Gemiddeld wordt hierin een grondwaterstand waargenomen op ca. 0,7 m +NAP en ingeschatte gemiddelde hoogste grondwaterstand (GHG) op ca. 1,4 m +NAP. De monitoring heeft een lange meetreeks waardoor een goede inschatting gemaakt kan worden van de optredende grondwaterstanden. Binnen het plangebied worden gelijkende grondwaterstanden verwacht.
Zuidelijk door het plangebied heen ligt een secundaire watergang. De beschermingszone van deze secundaire watergang dient opgenomen te worden in de plantekeningen. Mogelijks wordt deze watergang gedempt. Voor het dempen van primair of secundair water is een omgevingsvergunning bij het waterschap noodzakelijk. Tevens dient het dempen van water 1 op 1 gecompenseerd te worden conform de regels uit de waterschapsverordening. Bij de ontwikkeling zijn enkele wijzigingen in het oppervlaktewater gepland. Zo wil men de noordelijke watergang verbreden overeenkomstig met het oppervlaktewater westelijk. Door de verbreding van de primaire watergang wordt de bovenbreedte wellicht meer dan 8 meter. Het verbreden van primair water is in principe niet toegestaan vanwege een toename van het toekomstige onderhoud door het waterschap. Door dit in een latere fase voor te leggen aan de gebiedsbeheerder van het waterschap (voordat er een watervergunning wordt aangevraagd) kan worden bekeken welke opties er zijn om een primairwater met al dan niet
ca. 2,1 m +NAP. De westelijk gelegen straat Waterlelie ligt op ca. 2,2-
een NVO te verbreden. Één van de opties is om het te verbreden water
2,3 m +NAP.
de secundaire status toe te kennen mits het waterschap de huidige
TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22d HAM IV, te Aalst
43
primaire watergang van één zijde kan onderhouden.
zone van) een watergang dient hiervoor naar verwachting ook een vergunning aangevraagd te worden gezien de leggerstatus van het aanwe-
Verder dient er meer inzicht gegeven te worden bij de natuurvriendelijke
zige oppervlaktewater.
oevers zodat aantoonbaar doelmatig onderhoud kan plaatsvinden. Bomen langs de A-watergang (binnen de beschermingszone) dienen con-
Hemel- en afvalwater
form het beleid van het waterschap aangeplant te worden en is vergun-
In de huidige situatie is het gehele plangebied onverhard. Hemelwater
ningplichtig. Deze invulling wordt tzt verder uitgewerkt.
wordt lokaal verwerkt of stroomt oppervlakkig af naar het omliggend oppervlaktewater. Bij nieuwbouw dient op eigen terrein minimaal een ge-
Verder is men voornemens om op twee locaties duikers (breedte mini-
scheiden rioolstelsel aangelegd te worden. Door de voorgenomen wo-
maal 1,25 meter) met keerwanden (schanskorven) aan te brengen voor
ningbouwontwikkeling zal de toekomstige vuilwaterhoeveelheid vanuit
de toekomstige ontsluiting. Tevens wordt de bestaande toegang/duiker
het plangebied toenemen. Het planvoornemen ziet op de realisatie van
(030160, 0,6m rond beton) noordelijk in het primair oppervlaktewater
ca. 60 nieuwbouwwoningen. De toekomstige vuilwaterhoeveelheid zal
verwijderd.
naar verwachting ca. 1,6 m³/uur bedragen (piekbelasting). Voor een wijziging aan de/ nieuwe aansluiting dient te zijner tijd een aanvraag inge-
Tevens wil men de zuidelijk doorheen het plangebied gelegen secun-
diend te worden bij de gemeente Zaltbommel.
daire watergang (zwarte cirkel op afbeelding 5) dempen. Volgens het
Figuur 4.17: Overzicht toekomstig verhard oppervlak en benodigde bering (Bron Aeres milieu)
Op dit moment is het waterschap bezig met de beleidsregels voor de
waterschap lijkt deze een belangrijke verbinding te zijn met de primaire
Bij nieuwbouw dient in eerste instantie de toepassing van gesloten ver-
compensatie aan water vanwege toename verharding aan te passen.
watergang 116207. Te dempen water moet 1:1 worden gecompenseerd
hard oppervlak zoveel mogelijk beperkt te worden en bij voorkeur wordt
De verwachting is dat eind 2025 de nieuwe beleidsregels van toepas-
conform de regels uit de waterschapsverordening. Verder moet bij de
hemelwater lokaal verwerkt. Gezien de grootte van de ontwikkelingslo-
sing worden. Het advies is gezien de vergunningsaanvraag in de toe-
nieuwe inrichting van het watersysteem het water rondom het plange-
catie en de toename aan verharding is er vanuit de gemeente en water-
komst om nu al rekening te houden met de volgende indicatieve cijfers:
bied ook voldoende kunnen afwateren richting primair water. Dit kan
schap rivierenland een verplichting om bij de planontwikkeling water-
70 mm (T=10) en 100 mm (T=100). Mogelijk komt er nog een over-
door de tertiaire watergang 173964 robuuster te maken en te opwaarde-
compensatie aan te leggen. Conform het beleid van het waterschap
gangsperiode maar meer info is hierover nog niet bekend.
ren naar een secundaire watergang om zo de doorstroming te garande-
dient 43,6 mm hemelwater geborgen te worden (in open water) per vier-
ren. Hier dient en wordt bij de verdere inrichting van het plan rekening
kante meter verhard oppervlak. Indien er wordt gekozen voor watercom-
De gemeente Zaltbommel streeft bij nieuwe ontwikkelingen wel naar het
mee gehouden.
pensatie in kunstmatige voorzieningen (vb. wadi of kratten) dient 66,4
zoveel als mogelijk binnen de nieuwbouwlocatie verwerken van hemel-
mm geborgen te worden per vierkante meter verhard oppervlak.
water. Het beleid van de gemeente is dat het hemelwater bovengronds
Voor bovengenoemde geplande wijzigingen en activiteiten is een omge-
afgevoerd wordt naar een hemelwatervoorziening binnen het plange-
vingsvergunning wateractiviteit vereist. Voorafgaand aan de aanvraag
Het advies vanuit het waterschap is om wadi’s max. 30 cm diep aan te
bied. De voorkeur van de gemeente gaat uit naar een of enkele ro-
van de omgevingsvergunning wordt een nadere uitwerking opgemaakt.
leggen i.v.m. de waterhoogte en sturing van de tijdige leegloop. Voor de
buuste centrale voorzieningen in plaats van meerdere kleine verspreide
Ook zullen de nieuwe duikers getoetst worden door de hydroloog van
ondergelegen drainage dient tevens rekening gehouden te worden met
voorzieningen.
het waterschap of de afmeting volstaat voor de gewenste doorstroming.
het waterpeil en de lokale GHG. Bij een grotere waterbergende hoogte
Afhankelijk van eventuele andere activiteiten binnen (de beschermings-
dient de leeglooptijd (en leegloopsnelheid) hiervoor nader bepaald te worden zodat geen versnelde afvoer naar het oppervlaktewater optreedt.
TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22d HAM IV, te Aalst
44
Voor het bepalen van de verhardingstoename bij vrijstaande woningen
ontwerp ook voldoende ruimte aanwezig. Aanvullend dient dan wel de
hanteert het waterschap een verhardingsgraad van 70% van het per-
beschikbare ruimte voor de geplande wadi’s maximaal gebruikt te wor-
ceel, voor twee-onder-één kap woningen 80% en voor rijtjeswoningen
den met de optioneel genoemde wadi zuidoostelijk. Als alternatief kan
90%. Verder zijn diverse paden ook meegenomen als geheel verhard
de retentie ook nog gezocht worden in de oevers noordelijk of bij de
oppervlak. Naast de huidige retentie- eis van 43,6 mm middels bijko-
nieuwe secundaire watergang zuidelijk waar nog ruimte is voor verbre-
mend oppervlaktewater is in verband met de verwachte hogere retentie
ding. Gezien de hoeveelheid groen- en wateroppervlak binnen het plan-
eisen in de nieuwe beleidsregels tevens de benodigde retentie bij een
gebied wordt er voldaan aan de nu geldende retentie eis en kan ook de
bui van 70 en 100 mm opgenomen. Voor het genoemde wateroppervlak
toekomstig verwachte retentie eis ingepast worden. De concrete hoe-
is gerekend met het oppervlak op zomerpeil (zonder taluds).
veelheden en hoe dit ingepast wordt, wordt t.z.t. nader uitgewerkt voor-
In navolgende tabel is een overzicht van het toekomstig verhard opper-
afgaand aan de vergunningsaanvraag.
vlak en de bijbehorende bergingsopgave door het planvoornemen opgeOnderstaande afbeelding geeft visueel de geplande demping, het nieuw
nomen.
open water en de mogelijke locaties van de wadi’s binnen het plangeDoor het planvoornemen zal de totale verharding toenemen. Hierdoor is
bied weer. Bij de verdere planuitwerking wordt het HWA-stelsel met de
er een verplichting om bijkomende hemelwaterverwerking in te passen.
uitstroompunten en dwarsprofielen opgemaakt ten behoeve van de aan
Conform de huidige eis van het waterschap dient 43,6 mm geborgen te
te vragen omgevingsvergunning (en uiteindelijk realisatie van de plan-
worden per vierkante meter verharding als de berging wordt gereali-
ontwikkeling).
seerd in open water. Indien er technische voorzieningen (zoals wadi’s)
Bij een T=100 situatie mag geen wateroverlast bij de panden ontstaan.
worden gebruikt dient 66,4 mm geborgen te worden per vierkante meter
Deze neerslaghoeveelheid levert een peilstijging van ca. 30 cm in het
verhard oppervlak.
nieuw oppervlaktewater of ca. 15 cm in de geplande wadi’s op. Door wakingshoogte in de wadi’s te voorzien bij de verdere planuitwerking (mini-
De benodigde retentie van 546,6 m3 komt overeen met ca. 1822 m2 op-
male wakingshoogte van 10cm geadviseerd), zal een bui van 100 mm
Figuur 4.18: Overzicht wijzigingen en voorstel hemelwaterberging binnen het plangebied
pervlaktewater op zomerpeil (maximale peilstijging van 30 cm toege-
geen water op straat en dus ook geen wateroverlast veroorzaken.
Overige aandachtspunten Hittestress
staan). Rekening houdend met het gepland nieuw oppervlaktewater van
•
ca. 755 m2 bedraagt het restant ca. 1067 m2 oppervlaktewater of ca.
Door de verhardingstoename in landelijk gebied, de aanleg van een ge-
487 m3 in een technische voorziening. Dit wil men inpassen in wadi’s.
scheiden stelsel op eigen terrein en het voldoen aan de overige aan-
Binnen de ontwikkeling is hiervoor ca. 2117 m2 groen voorzien. Reke-
dachtspunten en randvoorwaarden, zie ook hoofdstuk 5, vindt de ont-
ning houdend met het talud kan hierin ca. 529 m3 hemelwater geborgen
wikkeling hydrologisch neutraal plaats en is geen verhoogd risico op wa-
worden. Dit is ruim voldoende om een bui van 43,6 mm te kunnen ver-
teroverlast te verwachten. Op het definitieve bouwplan dienen de uitein-
werken (ca. 42 m3 overschot).
delijke DWA- en HWA-stelsels nader opgenomen te zijn met een uitwer-
gelgeving waarin onder andere aan de oververhittingsfactor
king van het toekomstig maaiveldprofiel. Het omliggend terrein dient zo
dient te worden voldaan. Tevens neemt de Kernen maatregelen
Naar aanleiding van de aankomende nieuwe beleidsregels is tevens ge-
aangelegd te worden dat excessief water kan afstromen naar het nabij-
mee in de planvorming om te kunnen anticiperen op de toe-
keken naar de impact bij een neerslagbui van mogelijk 70-100 mm
gelegen groen of HWA-stelsel zodat wateroverlast bij panden vermeden
(70mm = wateropgave van ca. 877,5 m3). In dat geval is in het huidige
wordt.
TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22d HAM IV, te Aalst
In lijn met de Lokaal adaptatieprogramma van Gemeente Zaltbommel, zal de Kernen de mogelijkheden onderzoeken voor:
•
Platte daken voorzien van een groen dak, eventueel in combinatie met zonnepanelen op het dak, om hittestress tegen te gaan
•
Om hittestress te minimaliseren volgt de Kernen de wet- & re-
45
komst. Bijvoorbeeld worden er voorzieningen getroffen om laagdrempelig buitenzonwering te kunnen plaatsen, waar dit in de wet- / regelgeving nog niet noodzakelijk was. •
De Kernen treft maatregelen om hittestress te reduceren doormiddel van ventileren.
•
In het civieltechnisch plan wordt waar mogelijk rekening gehouden met:
•
Opnemen van koelteplekken in de omgeving
Wateroverlast en droogte •
In lijn met de Lokaal adaptatieprogramma van Gemeente Zaltbommel, zal de Kernen de mogelijkheden onderzoeken voor:
•
Platte daken voorzien van een groen dak, eventueel in combinatie met zonnepanelen op het dak, om waterberging te bevorderen.
•
Het afkoppelen van de woningen omtrent hemelwaterafvoer
•
Meer groen en minder bestrating/tegels in binnentuinen.
•
In het civieltechnisch plan wordt waar mogelijk rekening gehouden met:
•
Straat op één oor aflopend naar water/groen
•
Water passerende verharding zoals grasbetonstenen of ander half verhardingen zoals grasbetonstenen of ander half verhardingen
•
Wadi’s, open water, regenwatervijvers
•
Meer groen en minder bestrating/tegels in openbaar gebied
4.15.3
Conclusie
Rekening houdend met hetgeen hiervoor benoemd heeft de ontwikkeling geen negatieve effecten op de waterhuishouding. Eer is sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties voor het aspect water.
TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22d HAM IV, te Aalst
46
5
Financiële en maatschappelijke verantwoording
5.2
Maatschappelijke verantwoording
versie van het TAM-plan is tot stand gekomen in afstemming met deze
5.2.1
Omgevingsdialoog
partijen.
Op donderdag 3 oktober 2024 heeft initiatiefnemer een inloopavond georganiseerd in zalencentrum ‘t Gement in Aalst. Initiatiefnemer heeft de
5.2.3
omwonenden van het plangebied uitgenodigd om kennis te nemen van
De binnengekomen zienswijzen op het ontwerp TAM-plan zijn beoor-
Financieel-economische haalbaarheid
het initiatief. Tijdens deze avond zijn er presentatieborden opgesteld
deeld en afzonderlijk beantwoord. Naar aanleiding hiervan heeft de ge-
Daar waar nodig zal op basis van artikel 13.18 het publiekrechtelijke
waarop de geïnteresseerden meer informatie konden lezen over het
meente een procesnota opgesteld en aan dit stuk toegevoegd, waarin
kostenverhaal worden verrekend door middel van een kostenverhaals-
plan. Daarnaast waren er tijdens de avond medewerkers van de ge-
alle wijzigingen ten opzichte van het ontwerp TAM-plan inzichtelijk zijn
beschikking (artikel 13.18 Ow).
meente, Quadrant architecten en De kernen aanwezig om vragen te be-
weergegeven.
5.1
Zienswijzen en procesnota
antwoorden. In totaal waren er ongeveer 40 omwonende aanwezig tijTevens worden voor het in behandeling nemen van en de procesbege-
dens de inloopavond.
Deze procesnota zal door de gemeente Zaltbommel als bijlage worden toegevoegd bij het vaststellingsbesluit van het TAM-plan.