CConstaterende datZaltbommel
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage 5 - TAM-omgevingsplan De Ham IV te Aalst

Raadsvergadering 9 juli 2026, gemeente ZaltbommelBij agendapunt: TAM-omgevingsplan De Ham IV36.279 woorden

Open het PDF bij iBabs ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 5

Oppervlak

Klein

Tot 1000 m2

Middel

1000 – 2500 m2

Groot

Groter dan 2500 m2

TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22d HAM IV, te Aalst

19

Tabel 3.4 toegepaste maatregelen in het plan i.v.m. biodiversiteit.

Code maatregel

Maatregel

Inheemse beplan- C4 ting Bomen, struiken C5 en kruiden

Natuurlijke afscheiding

(erf) C7

Inschakelen eco- C16 logisch deskundige Aanleg wadi C13

Aantal >50m2

Punten per maatregel 4

Totaal aantal punten 4

1 punt per drie 1 bomen/struiken in totaal zijn er 121 bomen en struiken ingetekend ? hoeveel meter wordt er in totaal toegepast. 2 punten bij in- 2 schakelen

40

2 punten per 2 wadi

2

ten wordt behaald middels de in het document aangegeven maatrege-

•

len. Een deel van de maatregelen wordt in overleg met de gemeente, met inachtneming van de belangen van alle partijen genomen.

Eerlijkheid, goede verdeling, toegankelijkheid en betaalbaarheid is óók onderdeel van de sociale duurzame agenda;

•

Duurzame ontwikkelingen in lijn met de vastgestelde kaders en richtlijnen;

3.4.7

Programma duurzaamheid

In 2025 is het werkprogramma Duurzaam Zaltbommel 2030 vastgesteld.

Tot slot wordt aangetoond dat er duurzame ruimtelijke keuzes gemaakt

Het gaat over hoe de gemeente Zaltbommel de komende jaren gaat bij-

worden gelet op woningtypologieën positionering van de woningen met

dragen aan de transitie naar een rechtvaardige, duurzame, klimaat-neu-

bijbehorende voorzieningen en het omliggende karakter van het land-

trale en circulaire maatschappij in 2050. Het werkprogramma bestaat uit

schap

vier thematische programmalijnen op energie, economie, leefomgeving en ruimtelijke aanpassingen. Daarnaast bevat het werkprogramma twee

3.4.8

Lokaal adaptatieplan (LAP) 2021

organisatorische programmalijnen (de gemeentelijke organisatie intern

Het klimaat verandert snel. Dit heeft gevolgen voor het weer en het ver-

en communicatie en participatie).

oorzaakt vaker extreme weersomstandigheden. Extreem weer uit zich in periodes van extreme droogte, extreme hitte en extreme neerslag. Dit

2

Doorwerking plangebied

heeft negatief effect op de gezondheid van inwoners, kan leiden tot

Het planvoornemen sluit aan bij de pijlers bij de pijlers energiezekerheid,

grote (financiële) schades en heeft daarmee impact op onze leefomge-

gezonde leefomgeving en duurzame ruimtelijke keuzes.

ving. Dit vraagt om aanpassing van onze leefomgeving aan het klimaat van de toekomst. De gemeente Zaltbommel geeft in het in 2021 vastge-

Voor wat betreft de pijler omtrent energiezekerheid wordt aansluiting ge-

stelde Lokaal Adaptatie Programma aan op welke wijze zij hieraan invul-

vonden bij de verduurzaming van de woningen, deze worden voorzien

ling geeft.

van nieuwe energiezuinige toepassingen. Doorwerking plangebied

Totaal aantal behaalde punten

48

Op basis van de toegepaste maatregelen kan worden gesteld dat wordt

Verder volgt uit het landschappelijke inpassingsplan en paragraaf 3.4.5

Voor de doorwerking van de doelen uit het lokaal adaptatieplan wordt

en 3.4.6 dat er sprake is van een gezonde leefomgeving, met voldoende

verwezen naar de paragrafen 3.4.5 ‘landschapsplan’, 3.4.6 ‘Biodiversi-

natuur, klimaatadaptatie de mogelijkheid om de sociale interactie met

teitsplan’ en 4.15 ‘weging van het waterbelang.

bewoners aan te gaan en de gezondheid van inwoners bevorderen. 3.4.9

voldaan aan de minimale score en daarmee aan het biodiversiteitsplan

Welstandsnota Zaltbommel

De Kernen heeft als ambitie om aan te sluiten bij het Lokaal adaptatie-

Het welstandsbeleid – vastgelegd in deze nota - is bedoeld om in alle

programma van gemeente Zaltbommel. Het gaat hoofdzakelijk over de

openheid een bijdrage leveren aan de schoonheid en de aantrekkelijk-

Dit wil zeggen dat er gestreefd wordt op basis van de schaal van de ont-

volgende punten:

heid van Zaltbommel. Omdat de bestedingsruimte, het toekomstper-

wikkeling, zijnde groter dan 2.500 m2, een minimaal aantal van 29 pun-

•

Werken aan een natuurinclusieve leefomgeving;

spectief en de smaak van individuen verschillen, leidt de optelsom van

•

Een toegankelijke leefomgeving waar de positieve gezondheid van

alle investeringen echter niet als vanzelf tot een betere kwaliteit van de

onze inwoners leidend is;

omgeving. Regie is daarom onvermijdelijk. Met welstandstoezicht be-

van de gemeente.

TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22d HAM IV, te Aalst

20

schikt de gemeente als regisseur over een belangrijk wettelijk sturingsinstrument. Bij iedere aanvraag voor een omgevingsvergunning wordt beoordeeld of het betreffende bouwwerk niet in strijd is met ‘redelijke eisen van welstand’. Hiertoe adviseert een onafhankelijke commissie – de welstandscommissie - aan het college van B&W. Sinds 2004 werkt de gemeente met een welstandsnota, waarin de criteria zijn opgenomen waaraan bouwplannen worden getoetst. Dit biedt houvast voor zowel aanvragers, de welstandscommissie als de gemeente bij het ontwerp van en advisering over bouwplannen. Er worden algemene welstandscriteria en gebiedseigen criteria onderscheiden in de welstandsnota. De algemene welstandscriteria gaan in op de volgende aspecten: •

Relatie tussen vorm, gebruik en constructie;

•

Relatie tussen bouwwerk en omgeving;

•

Betekenissen van vormen in sociaal-culturele context;

•

Evenwicht tussen helderheid en complexiteit;

•

Schaal en maatverhoudingen;

•

Materiaal, textuur, kleur en licht.

Doorwerking plangebied Het projectgebied van Ham IV valt onder het gebied ‘Dorpskernen’ waarbij het beleidsniveau respect hoort. Hierbij is het uitgangspunt dat het planvoornemen aansluit bij de omgeving. Ook de uitbreiding van de Dorpskern van Aalst met Ham IV wordt als beschreven in de Welstandsnota van de gemeente. ‘’De nieuwe uitbreidingen, aan de oostzijde van de oude kern, hebben een dorps karakter met vrijstaande en twee-onder-een kapwoningen uit verschillende periodes.’’ Met het stedenbouwkundig ontwerp wordt aangesloten bij het dorpse karakter met vrijstaande woningen, rijwoningen en rug-aan-rug wonin-

Tabel 3.5: Actuele parkeernormen van de gemeente Zaltbommel voor woningbouwinitiatieven

gen welke aansluiten bij de reeds bestaande dorpskern.

TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22d HAM IV, te Aalst

21

Hierdoor wordt voldaan aan het beleidsniveau ‘Respect’ en het uitgangspunt dat aansluiting wordt gezocht bij de omgeving en de reeds bestaande dorpskern, qua woningtypologieën, materiaalkeuze en wegenstructuur. Hiermee kan worden geconcludeerd dat wordt aangesloten bij de doelstellingen uit de welstandsnota van de gemeente Zaltbommel. 3.4.10

Parkeernota Zaltbommel

Om initiatieven te laten voldoen aan de parkeerbehoefte heeft de gemeente Zaltbommel het beleid ‘Parkeernota Zaltbommel 2018’ vastgesteld. In deze nota staan de eisen waaraan initiatieven moeten voldoen. De parkeernormen uit de ‘Parkeernota Zaltbommel 2018’ zijn op dit moment niet meer geldig aangezien ze geactualiseerd zijn voor woningbouw. De normen voor woningbouw zijn opgenomen in de Parkeernota Zaltbommel 2025. Voor overige functies buiten wonen berekenen wij de parkeerbehoefte op basis van de meest recent uitgegeven parkeerkencijfers van het CROW. In het voorjaar van 2025 is er een nieuwe Parkeernota Zaltbommel 2025 vastgesteld. Voor de verdere uitwerking van de parkeernormen wordt verwezen naar paragraaf 4.14 ‘verkeersgeneratie, -afwikkeling en parkeren.

TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22d HAM IV, te Aalst

22

4

Milieuaspecten in de fysieke leefomgeving

4.1

Milieueffectrapportage (m.e.r.)

4.1.1

Toetsingskader

Onderdeel van de beoordeling of een aanvraag om een buitenplanse omgevingsplanactiviteit volledig is, is een toets aan de regels over een milieueffectrapportage op basis van paragraaf 16.4.2 van de Omgevingswet en afdeling 11.2 van het Omgevingsbesluit. Of een besluit over een project-m.e.r.-plichtig of m.e.r.-beoordelingsplichtig is, wordt bepaald op basis van bijlage V bij het Omgevingsbesluit, in samenhang met de artikelen 11.6 en 11.8 van het Omgevingsbesluit. Bijlage V bij het Omgevingsbesluit heeft als ingang (eerste kolom) de omschrijving van projecten waarvoor een m.e.r.-(beoordelings)plicht geldt. In kolom 4 zijn de besluiten opgenomen waarvoor de m.e.r.-(beoordelings)plicht geldt. Het gaat dan om besluiten waarmee de toestemming voor het project wordt verleend. In dit geval is dat de omgevingsvergunning. Daarnaast kan de m.e.r.-(beoordelings)plicht nog gelden voor enkele bijzondere besluiten uit andere wetten, zoals de vergunning op basis van de Kernenergiewet. Of er voor het besluit een m.e.r.-plicht of een m.e.r.-beoordelingsplicht geldt, volgt uit de tweede en derde kolom. Als het project voldoet aan de voorwaarden van kolom 2, geldt een m.e.r.-plicht. Anders geldt een m.e.r.-beoordelingsplicht, tenzij ook in kolom 3 nog voorwaarden staan.

Of een project, die voorkomt in Bijlage V bij het Omgevingsbesluit, aanzienlijke milieueffecten heeft, wordt beoordeeld door het bevoegd gezag. Bij de beoordeling houdt het bevoegd gezag rekening met: a. de relevante criteria van bijlage III bij de m.e.r.-richtlijn;

b. voor zover relevant: de resultaten van eerder uitgevoerde controles

4.2

Bodem

of andere beoordelingen van milieueffecten die op grond van veror-

4.2.1

Toetsingskader

deningen, richtlijnen en besluiten als bedoeld in artikel 288 van het

Het omgevingsplan bevat de waarden voor de toelaatbare kwaliteit van

Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie zijn verkre-

de bodem voor het bouwen van een bodemgevoelig gebouw op een bo-

gen.

demgevoelige locatie (par. 5.1.4.5 Bkl). Het gaat daarbij om een gebouw of een deel van een gebouw dat de bodem raakt en waar personen

Een initiatiefnemer die voornemens is een project uit te voeren deelt dit

meer dan twee uur per dag aaneengesloten aanwezig zullen zijn. Ook

voornemen zo spoedig mogelijk mee aan het bevoegd gezag (artikel

de aangrenzende tuin of perceel maakt hier onderdeel van uit. Bij het

16.45 Omgevingswet). Deze mededeling kan plaatsvinden door middel

bepalen van de waarden voor de toelaatbare kwaliteit houdt de ge-

van een aanmeldnotitie.

meente rekening houdend met de interventiewaar-den voor de verschillende stoffen en neemt de gemeente de grenswaarden in acht. Bij over-

4.1.2

Onderzoek

schrijding van de toelaatbare kwaliteit kan alleen gebouwd worden als

Ten behoeve van onderhavig initiatief is een MER-beoordelingsnotitie

de door de gemeente voorgeschreven sanerende of andere bescher-

opgesteld. Gelet op de bevindingen uit hoofdstuk 2 van de MER-beoor-

mende maatregelen worden getroffen.

deling en wanneer gekeken wordt naar bijlage V van het Omgevingsbesluit, kan worden geconcludeerd dat er, rekening houdend met:

Daarnaast is in het omgevingsplan de landbodem in verband met grond-

1. de kenmerken van het project;

verzet in de bodemfunctieklassen landbouw/natuur, wonen en industrie

2. de plaats/locatie van het project;

ingedeeld, rekening houdend met de functie van de locatie. Ook kunnen

3. de soort en kenmerken van het potentiële effect;

in het omgevingsplan bodembeheergebieden zijn aangewezen.

sprake is van een wezenlijk ander schaalniveau en een activiteit die vele malen kleinschaliger is. Bij elk plan is sprake van invloed op het milieu,

4.2.2

Onderzoek

maar deze is niet zodanig dat normen worden overschreden. Op basis

Ten behoeve van onderhavige ontwikkeling is door Aeres Milieu een

van het voorgaande is er geen sprake van belangrijke nadelige milieu-

verkennend bodemonderzoek (conform NEN 5740) uitgevoerd ter

gevolgen die het doorlopen van een m.e.r.-procedure noodzakelijk ma-

plaatse van het projectgebied. Het doel van het verkennend onderzoek

ken.

is, middels een steekproef vaststellen van de actuele bodemkwaliteit ter plaatse. Dit onderzoek is opgenomen als bijlage van deze ruimtelijke

Wij bevelen u aan om na nadere kennisname van deze m.e.r.-aanmeld-

motivering. Navolgend worden de belangrijkste resultaten weergegeven.

notitie een gemeentelijk besluit voor te bereiden, waarin wordt aangegeven dat voor de verdere planvorming van het woningbouwplan Ham IV

Vooronderzoek

geen milieueffectrapport hoeft te worden opgesteld.

Conform het onderzoeksprotocol NEN 5725 is ten behoeve van de bepaling van de onderzoeksstrategie op onderhavige locatie een vooron-

4.1.3

Conclusie

derzoek uitgevoerd.

Er is geen sprake van een m.e.r.-plicht of m.e.r.-beoordelingsplicht.

TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22d HAM IV, te Aalst

23

In het kader van het vooronderzoek is historisch kaartmateriaal bestu-

Uit het vooronderzoek en de uitgevoerde veldinspectie is gebleken dat

Uit de analyseresultaten blijkt dat in de grondmengmonsters van de bo-

deerd. Uit het kaartmateriaal is af te leiden dat de onderzoekslocatie al-

ter plaatse van de onderzoekslocatie geen asbestverdachte activiteiten

ven- (MM1 t/m MM3) en ondergrond (MM4 en MM5) geen overschrijdin-

tijd in gebruik is geweest als agrarisch bouwland.

hebben plaatsgevonden.

gen van de interventiewaarde zijn aangetoond. Indicatief voldoen de monsters aan de klasse landbouw/natuur

Er is geen informatie bekend dat op de locatie of directe omgeving (be-

Uit de bodemkwaliteitskaart regio Rivierenland blijkt dat voor de onder-

drijfs)activiteiten hebben plaatsgevonden die een potentiële bron zijn

zoekslocatie de ontgravingsklasse ‘Landbouw/natuur’ geldt voor zowel

De analyseresultaten van de grondwatermonsters worden in de vol-

voor PFAS en/of GenX anders dan landelijk voorkomend bij de klasse

de bovengrond als ondergrond. Op de bodemfunctieklassenkaart heeft

gende tabel samengevat, waarbij door middel van onderstaande ster-

Landbouw/natuur.

de locatie de functieklasse ‘Landbouw/natuur’.

rencodering de mate van verontreiniging is aangegeven. * Het gehalte is groter dan of gelijk aan de streefwaarde (of de detectie-

Voor zover bekend hebben er op de locatie geen ophogingen, opvullin-

Gebaseerd op de verzamelde gegevens uit het vooronderzoek is de on-

grens, indien deze hoger is) en kleiner dan of gelijk aan het gemiddelde

gen of dempingen plaatsgevonden. Uit informatie van de provincie Gel-

derzoekslocatie als “onverdacht” beschouwd op het voorkomen van bo-

van de streef- en interventiewaarde;

derland blijkt dat binnen of direct nabij het onderzoeksgebied geen

demverontreiniging. Wel dient rekening gehouden te worden met regio-

** het gehalte is groter dan het gemiddelde van de streef- en interventie-

(voormalige) stortplaatsen, ontgrondingen of ernstige bodemverontreini-

naal verhoogde achtergrondwaarden van zware metalen in het grond-

waarde en kleiner dan of gelijk aan de interventiewaarde;

gingen bekend zijn.

water. Hierdoor wordt gekozen voor een onderzoeksstrategie ‘onver-

*** het gehalte is groter dan de interventiewaarde.

dacht grootschalig’. Volgens de geologische kaart komen ter plaatse van de onderzoekslocatie in de bodem komafzettingen en ingeschakeld veen op stroomgor-

Veldwerkzaamheden en conclusies en aanbevelingen

delafzettingen voor (code kb).1 Deze afzettingen behoren tot de Forma-

In het laboratorium zijn voor het chemisch onderzoek van de grondmon-

tie van Echteld.

sters uit de boven- en ondergrond al dan niet mengmonsters samengesteld. De analyseresultaten van de grond(meng)monsters worden in de

Figuur 4.3: toetsingsresultaten van de grondwatermonsters (bron: Aeres mileu)

volgende tabel samengevat. Toetsingen zijn vooralsnog uitgevoerd vol-

Uit de analyseresultaten blijkt dat het grondwater afkomstig uit peilbui-

gens de tijdelijke kaders van de omgevingswet in afwachting van for-

zen 06, 17 en 15 licht verontreinigd zijn met barium. Het grondwater uit

mele vaststelling door Rijkswaterstaat medio 2024.

peilbuis 14 is matig verontreinigd met barium. De lichte en matige verontreinigingen met barium worden waarschijnlijk van buiten de locatie aangevoerd, aangezien in de ondergrond geen verhoogde gehalten zijn

Figuur 4.1: Bodemopbouw ter plaatse van de projectlocatie. (Bron: Aeres milieu)

aangetoond. Verhoogde gehalten aan barium zijn vaak van natuurlijke

Het maaiveld ter plaatse van de onderzoekslocatie bevindt zich op een

oorsprong.

hoogte van circa 1,6 meter +NAP. De stroming van het freatisch grondwater is globaal gericht zuidwestelijk en bevindt zich op een hoogte van

De resultaten van dit bodemonderzoek geven geen aanleiding tot het

circa 0,6 meter +NAP. De onderzoekslocatie bevindt zich niet binnen de grenzen van een grondwaterbeschermingsgebied.

uitvoeren van een nader bodemonderzoek. De milieuhygiënische condiFiguur 4.2: Toetsingsresultaten van de grond(meng)monsters (bron: Aeres milieu)

tie van de bodem vormt geen belemmering voor de omgevingsplanwijziging ten behoeve van de (her)ontwikkeling van de locatie. Het hele gebied zal worden ingericht als woningbouwlocatie.

TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22d HAM IV, te Aalst

24

4.2.3

Conclusie

van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap (OCW). Deze ministeries wer-

In de omgeving van het plangebied is één gemeentelijk monument gele-

Vanuit het milieuaspect bodem worden er geen belemmeringen ver-

ken mee met de totstandkoming van de wet en de bijbehorende regels,

gen volgens de cultuurhistorische waardekaart van de provincie Gelder-

wacht ten aanzien van het beoogde planvoornemen.

zijn betrokken bij het opstellen van de Nationale Omgevingsvisie (NOVI)

land. Dit blijkt een gemaal te zijn. Volgens de gemeentelijke monumen-

en ontwikkelen kennis en informatie voor medeoverheden.

tenlijst is op de locatie geen monument aanwezig op deze locatie, met

4.3

Cultuurhistorie

4.3.1

Toetsingskader

De regelgeving over het behoud en beheer van cultureel erfgoed is sinds 2016 ondergebracht in de Erfgoedwet. Samen met de Erfgoedwet maakt de Omgevingswet een integrale bescherming van ons cultureel erfgoed mogelijk. Provincies en gemeenten moeten in het omgevingsplan rekening houden met het belang en behoud van cultureel erfgoed en werelderfgoed. Dit gebeurt door inventariseren en analyseren van het erfgoed dat binnen de provinciale- of gemeentegrenzen aanwezig is. Op basis daarvan wordt een toereikend beschermingsregime in het omgevingsplan opgenomen. Cultureel erfgoed als onderdeel van de fysieke leefomgeving bestaat uit

het plangebied ligt op dusdanige afstand dat er geen aantasting plaats Het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl), het Besluit activiteiten leefom-

vindt van het gemeentelijk monument aan de Maasdijk.

geving (Bal) en de provinciale/gemeentelijke omgevingsplannen samen bevatten wet- en regelgeving voor behoud en beheer van het cultureel

4.3.3

erfgoed en archeologie in Nederland. Het is op basis hiervan verplicht

De ontwikkeling levert geen onevenredige aantasting van cultuurhistori-

de vijf elementen van cultureel erfgoed mee te nemen in de belangenaf-

sche waarden op.

weging. 4.3.2

Onderzoek

De planlocatie is aan de hand van de cultuurhistorische waardenkaart van de provincie Gelderland niet gelegen in een cultuurhistorische waarden gebied en het betreft geen waardevol cultuurhistorisch complex.

Conclusie

4.4

Archeologie

4.4.1

Toetsingskader

De bescherming van archeologisch erfgoed in Nederland is vastgelegd in de Erfgoedwet, die op 1 juli 2016 in werking is getreden. Onderdelen van de Monumentenwet die van toepassing waren op de fysieke leefomgeving zijn overgegaan naar de Omgevingswet.

vijf elementen: roerend of immaterieel cultureel erfgoed, cultuurlandschappen, archeologische monumenten, gebouwde monumenten en

De basis van de bescherming van archeologisch erfgoed in de Erf-

stads- en dorpsgezichten.

goedwet is het verdrag van Valletta (ook wel het verdrag van Malta). De bescherming heeft als doel om archeologisch erfgoed zoveel mogelijk in

Middels een omgevingsplan dienen provincies en gemeenten cultureel

situ, dus in de grond, te behouden. Dankzij het principe van “de ver-

erfgoed te beschermen. De primaire vraag daarbij is welke elementen

stoorder betaalt” uit het verdrag van Valletta worden meer archeolo-

van cultureel erfgoed (of werelderfgoed) bevinden zich binnen de pro-

gische resten in situ behouden. Indien ruimtelijke ontwikkelingen plaats-

vinciale- of gemeentegrenzen of direct daarbuiten, en wat wil men (of

vinden dient te worden beoordeeld of archeologische waarden in het ge-

moet men) daarvan beschermen? Daarbij wordt rekening gehouden met

ding raken.

de instructieregels in de artikelen 5.130 en 5.131 van het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) en de algemene regels uit hoofdstuk 13 en 14

4.4.2

van het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal) (rijksmonumenten en we-

Ten behoeve van onderhavige ontwikkeling is er door Aeres Milieu een

relderfgoed).

archeologisch bureauonderzoek uitgevoerd (d.d. 22 mei 2025). Voor het

Onderzoek

volledige onderzoek wordt verwezen naar bijlagen van de ruimtelijke Provincies en gemeenten worden daarbij ondersteund door specialisten van de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed (RCE) en het ministerie

TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22d HAM IV, te Aalst

motivering. Navolgend worden de belangrijkste conclusies weergegeFiguur 4.4: Uitsnede cultuurhistorische waardenkaart provincie Gelderland.

ven.

25

Archeologische bureaustudie

In de omgeving van het plangebied liggen meerdere stroomgordels.

gische nederzettingsresten. Uitzondering hierop vormt de noordooste-

Aanleiding voor het laten uitvoeren van dit bodemonderzoek betreft een

Langs de stroomgordels werden de rivieroeverwallen gevormd met daar

lijke hoek van het plangebied met oeverafzettingen van de Bruchem,

omgevingsplan wijziging ten behoeve van de (her)ontwikkeling van de

achter komafzettingen. Het plangebied is met name gevormd door de

Alm of Maas stroomgordel. Voor deze afzettingen geldt een hoge ver-

locatie. Het hele gebied zal worden ingericht als woningbouwlocatie.

stroomgordel van Bruchem. De hooggelegen rivieroeverwallen en rivier-

wachting voor nederzettingsresten vanaf de vroege ijzertijd tot en met

Ten tijde van het onderzoek zijn er geen inrichtingsschetsen bekend. De

duinen zullen aantrekkelijke vestigingslocaties zijn geweest. Waarschijn-

vroege middeleeuwen. Eventueel aanwezige resten worden verwacht

diepte van de toekomstige bodemverstoring is op dit moment onbekend.

lijk zal de stroomgordel zich hebben ingesneden tot in het Pleistocene

vanaf het maaiveld. Hierbij is een bufferzone van 30 centimeter in acht

Er wordt vooralsnog uitgegaan van een standaard funderingsdiepte zon-

zandniveau zullen oudere resten als gevolg daarvan zijn geërodeerd.

genomen.

der onderkeldering en met een bodemverstoring van ten minste 0,8 - 1,0

Voor de periode neolithicum tot en met de vroege ijzertijd geldt daarom

meter beneden maaiveld.

eveneens een lage archeologische verwachting. Gezien de ligging van

Omwille hiervan werd een archeologisch vervolgonderzoek noodzakelijk

het plangebied op de stroomgordel van Bruchem geldt er een hoge ver-

geacht voor het noordoostelijk deel van het plangebied.

De onderzoekslocatie ligt volgens de Archeologische Beleidskaart van

wachting voor nederzettingsresten uit de periode vroege ijzertijd tot en

de gemeente Zaltbommel (2011) deels in een zone Waarde – archeolo-

met de vroege middeleeuwen.

gie 1 en deels in een zone Waarde – archeologie 2. Binnen het bestemmingsplan Buitengebied Zaltbommel (vastgesteld 2014) gelden de dub-

Het plangebied ligt ten zuidoosten van de historische laatmiddeleeuwse

belbestemmingen Waarde – archeologie 1 en Waarde – archeologie 2.

dorpskern van Aalst. Op basis van bestudering van historisch kaartmateriaal ligt het plangebied ten noorden van de doorgaande weg de

Voor Waarde – archeologie 1 geldt een onderzoeksplicht bij bodemin-

Maasdijk. De oude verbindingsweg tussen Aalst en Nederhemert. Het

grepen met een oppervlakte groter dan 30 m2 en een verstoringsdiepte

blijft onbebouwd tot in de huidige situatie. Op basis hiervan geldt een

vanaf 30 centimeter onder maaiveld. Voor Waarde – archeologie 2 geldt

lage verwachting voor nederzettingsresten uit de periode late middel-

een onderzoeksplicht bij bodemingrepen met een oppervlakte groter

eeuwen tot en met de nieuwe tijd.

dan 100 m2 en een verstoringsdiepte vanaf 30 centimeter onder maaiveld. De gemeente heeft middels deze kaart aangegeven dat er een ar-

Wegens de verwachte aanwezigheid van een poldervaaggrond en de

cheologische onderzoeksplicht geldt

relatief hoge grondwaterstand kunnen (anorganische) vondsten en sporen onder in goede toestand worden aangetroffen. Bij poldervaaggron-

De omgeving van het plangebied ligt in een dynamisch gebied. In de on-

den zijn de omstandigheden voor het aantreffen van organische resten

dergrond van het plangebied bevindt zich de stroomgordel van Laag

minder goed: door de relatief lage grondwaterstand (GWT VI) kunnen

Terras en Bruchem. De jongste stroomgordel van Bruchem was actief

organische resten vaak enkel in dieper, waterhoudende sporen zoals

vanaf de vroege ijzertijd – late Romeinse tijd A. Waarschijnlijk zal deze

waterputten bewaard blijven.

stroomgordel oudere resten hebben geruimd en zullen deze zijn geërodeerd. Om deze redenen geldt een lage archeologische verwachting

Verkennend veldonderzoek middels boringen

voor archeologische resten uit de periode laat-paleolithicum tot

Op basis van het uitgevoerd verkennend veldonderzoek middels borin-

mesolithicum.

gen kan worden gesteld dat in het grootste deel van het plangebied een lage archeologische verwachting geldt op het aantreffen van archeolo-

TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22d HAM IV, te Aalst

Figuur 4.5: advieskaart voor het plangebied omtrent archeologie (bron: Aeres).

Selectieadvies regioarcheoloog Rivierenland. Namens de gemeente Zaltbommel is regioarcheoloog Rivierenland is afgeweken van het opgestelde advies en heeft aangegeven dat vanwege het ontbreken van duidelijke indicatoren er geen reden aanwezig is voor

26

een vervolgonderzoek. Er zijn voldoende boringen gezet waar de aan-

Het uitgangspunt is dat alle activiteiten met gebruiksruimte in meer of

Uit de quickscan blijkt dat er volgens het vigerende bestemmingsplan

wezigheid van een eventuele vindplaats uit zou moeten komen. Het

mindere mate milieu gerelateerde gebruiksruimte nodig hebben en dus

verschillende milieubelastende functies in de directe omgeving van het

plangebied is vrijgegeven voor verdere planontwikkeling. Wel blijft de

belastend kunnen zijn. Alleen het wonen is hiervan uitgezonderd. Dat

projectgebied zijn, waartoe een milieuzone behoort waarvan de mini-

wettelijke meldingsplicht bij toevalsvondsten van kracht.

betekent dat wanneer het om wonen gaat, het niet nodig is om specifiek

male richtafstand niet binnen het projectgebied valt. Hierdoor kan wor-

te kijken naar de impact op het milieu bij het bepalen van de ruimte die

den geconcludeerd dat er geen belemmeringen zijn voor het realiseren

4.4.3

Conclusie

voor deze activiteit nodig is. Wel is wonen een milieugevoelige functie,

van woningen binnen het projectgebied op basis van activiteiten en mili-

Het milieuaspect archeologie zorgt niet voor belemmeringen ten aanzien

net als o.a. onderwijs en gezondheidszorg. Bij een ontwikkeling die ziet

euzonering.

van onderhavig planvoornemen.

op een milieugevoelige functie is het dus noodzakelijk te bepalen of er

4.5

Activiteiten en milieuzonering

4.5.1

Toetsingskader

Het is van belang dat activiteiten met gebruiksruimte en milieugevoelige functies in evenwicht tot elkaar locaties krijgen toegedeeld in de fysieke leefomgeving. Dit kan in hoofdzaak op twee manieren: •

Menging van milieugevoelige en milieubelastende functies waar het

kan en gewenst is. •

Scheiding van milieugevoelige en milieubelastende functies waar

het moet.

sprake is van een aanvaardbare woon- en leefomgeving. 4.5.2

Onderzoek

In het kader van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties dient onderzocht te worden of er sprake is van een aanvaardbaar woonen leefklimaat bij het projectgebied. Dit onderzoek is uitgevoerd in de vorm van een quickscan waarbij is gekeken naar de nabijgelegen activiteiten en functies waarbij getoetst wordt aan de bijbehorende richtafstanden in de bijlagen van onderhavige ruimtelijke motivering. Navolgend worden de belangrijkste conclusies beschreven. Onder het voor-

Op deze manier wordt zowel voor ruimte voor bedrijvigheid gezorgd als voor het behoud van bescherming van de woon- en leefomgeving. Daarbij moet worden voldoen aan de instructieregels uit het Bkl ten aanzien van geluid, geur en trilling door activiteiten. Met als gevolg dat milieunormering in het omgevingsplan plaatsvindt om tot een evenwichtiger toedeling van milieugevoelige en milieubelastende functies te komen. Deze milieunormen voor activiteiten met gebruiksruimte (gebiedsgerichte regels) beogen de gebruiksruimte van een activiteit specifiek te begrenzen, zodat die activiteit op een specifieke locatie kan worden verricht zonder onaanvaardbare gevolgen voor een milieugevoelige functie in dat gebied. De term ‘activiteiten met gebruiksruimte’ kan dus ook worden gebruikt voor activiteiten die het milieu belasten, maar niet specifiek zijn aangewezen in het Bal. De term is dus ruimer dan de veelgebruikte term ‘milieubelastende activiteiten’.

TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22d HAM IV, te Aalst

malige stelsel voor de ruimtelijke ordening zoals dat in gebruik was voor de invoering van de omgevingswet kon gebruik gemaakt worden van de handreiking Bedrijven en milieuzonering. Met de omgevingswet heeft de VNG aangegeven een nieuwe versie te publiceren die aansluit op de omgevingswet. Het projectgebied ligt aan de rand van Aalst, waardoor het gebied kan

Figuur 4.6 Richtafstanden in de omgeving van het projectgebied toegestane milieubelastende functies

4.5.3

Conclusie

De realisatie van de ontwikkeling levert geen onevenredige aantasting van het woon- en leefklimaat in de omgeving op. Vanuit het milieuaspect activiteiten en milieuzonering is er sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.

4.6

Geluid

4.6.1

Toetsingskader

worden gekenmerkt als een ‘Rustige woonwijk’. Het planvoornemen

Op basis van geluidaandachtsgebieden wordt bepaald welke spoorwe-

voorziet in de realisatie van een woningbouwplan en kan daarom wor-

gen, wegen en industrieterreinen moeten worden betrokken bij het be-

den gezien als een kwetsbaar gebouw conform bijlage VI, onderdeel C

palen van de geluidbelasting op de gewenste woningen.

van het Bkl. Met het planvoornemen is derhalve sprake van een milieugevoelige activiteit. Er is daarom een quickscan activiteiten en milieuzo-

Deze gezoneerde bronnen beschikken over een geluidaandachtsgebied

nering uitgevoerd In dit onderzoek in is onderzocht welke eventuele ‘ac-

(artikel 3.20 Besluit Kwaliteit Leefomgeving (Bkl)). Als een projectlocatie

tiviteiten met gebruiksruimte’ zich in de directe omgeving van het pro-

is gelegen binnen een geluidaandachtsgebied dan dient er bij het plan

jectgebied bevinden. Daarbij is uitsluitend gekeken naar activiteiten waarvoor middels een zone richtafstanden gelden.

27

nader onderzoek gedaan te worden naar de geluidbelasting van de bij-

momenteel nog de regeling onder de Wet Geluidhinder (Wgh). Dit is te-

wordt op 11 toetspunten overschreden. De grenswaarde van 70 dB

behorende bron (art 5.78s Bkl). De omvang van het geluidaandachtsge-

rug te vinden bij het Informatiepunt Leefomgeving onder Instrumenten

wordt niet overschreden. Omdat er niet voldaan wordt aan de stan-

bied van een weg staat beschreven in artikel 3.5 van de Omgevingsre-

Omgevingswet.

daardwaarde worden maatregelen beschouwd

geling (Or). De geluidaandachtsgebieden zijn weergegeven op de kaart van de Centrale Voorziening Geluidgegevens (CVGG).

Daarom zal er een apart model worden opgezet voor de beoordeling van de geluidsbelasting van de N618. Dus vanaf waar de Schootse-

Een weg heeft geen geluidaandachtsgebied wanneer de verkeersinten-

straat de kom grens voorbijgaat begint de N618, het gezoneerde deel

siteit lager is dan 1000 motorvoertuigen per etmaal (mvt/etmaal). Ook

zal dan beoordeeld worden onder de Wgh. Voor toetsing van de ge-

woonerven en onverharde wegen hebben geen geluidaandachtsgebied.

luidsbelasting wordt in dit specifieke geval uitgegaan van een geluidge-

Voor gemeentelijke wegen en waterschapswegen geldt dat de verant-

voelig object binnen de bebouwde kom. De voorkeusgrenswaarde is

woordelijke overheden nog enkele jaren de tijd hebben om de basisge-

dan 48 dB, met een hoogst toelaatbare geluidsbelasting van 63 dB. De

luidemissies en de bijbehorende geluidaandachtsgebieden vast te leg-

standaard aftrek conform artikel 110g (Wgh) bevat dan bij 80 km/u 2 dB

gen (art. 17.5 Or). Tot die tijd gelden er vaste afstanden zoals weerge-

met uitzondering van een geluidbelasting van 57 dB (aftrek 4 dB) en 56

geven in onderstaande figuur.

dB (aftrek 3 dB). De weg zal moeten worden getoetst tot 250 meter vanaf het projectgebied, dit verschilt tegenover de Bkl. Voor rijkswegen en provinciale wegen geldt een standaardwaarde van 50 dB en een grenswaarde van 60 dB. Voor gemeentewegen en waterschapswegen geldt een standaardwaarde van 53 dB en een grenswaarde van 70 dB.

Figuur 4.7: Geluidsaandachtsgebieden in overgangsperiode omgevingswet, artikel 17.5 bkl

Standaardwaarde en grenswaarde De standaardwaarde en grenswaarde staan beschreven in artikel 5.78t en 5.78u van het Bkl. Mocht niet aan de standaardwaarde kunnen wor-

Geluid wordt beoordeeld per geluidbronsoort, waarbij het geluid van alle

den voldaan, dan kan de gemeente onder voorwaarden besluiten ge-

wegen met dezelfde geluidbronsoort samen wordt genomen (art. 5.78

luidwaarden toe te staan tot en met maximaal de grenswaarde.

Bkl lid 2). Wegen kunnen onder de volgende geluidbronsoorten vallen: •

Rijkswegen;

4.6.2

•

Provinciale wegen;

Ten behoeve van het planvoornemen is er een akoestisch onderzoek

•

Gemeentewegen;

wegverkeerslawaai uitgevoerd naar de projectlocatie en de relevante

•

Waterschapswegen.

geluidsbronsoorten. Navolgend worden de belangrijkste conclusies

Onderzoek

weergeven, voor de hele rapportage wordt verwezen naar de bijlage. Het projectgebied is gelegen binnen de gemeente Zaltbommel. Binnen deze gemeente zijn er voor gemeente- en waterschapswegen geen ge-

Geluidbelasting vanwege gemeentewegen

luidaandachtsgebieden vastgesteld. Voor provinciale wegen geldt echter

Het geluid bedraagt op zijn hoogst 58 dB ter plaatse van de noordgevel van de meest noordoostelijke woning. De standaardwaarde van 53 dB

TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22d HAM IV, te Aalst

Figuur 4.8 berekend geluid op de gevels op verschillende hoogten (bron De Roever Omgevingsadvies)

Bronmaatregelen Het toepassen van geluidreducerend wegdek, het verlagen van verkeersintensiteiten of het aanpassen van de maximale snelheid kan leiden tot lagere geluidniveaus. Het vervangen van het wegdek van de Maas-Waalweg wordt niet als een reële optie gezien om het geluid afkomstig van de weg te verlagen.

28

De verwachting is dat de kosten van een vervanging van het wegdek

•

er sprake is van een acceptabel woon- en leefklimaat.

voor een weg met deze etmaalintensiteit niet de verwachte correctie met

van paragraaf 5.1.4 ‘Beschermen van de gezondheid en van het milieu’. Geurhinder kan door verschillende bedrijfs- of hobbyactiviteiten veroor-

zich mee zal brengen. Daarnaast is over het algemeen het over een lan-

Deze beschouwing wordt gedaan op basis van de cumulatieve geluids-

zaakt worden. Hierbij valt te denken aan veehouderijen en andere agra-

gere afstand vervangen van het wegdektype voor de realisatie van dit

belasting van alle geluidbronsoorten samen. Omdat de enige geluid-

rische activiteiten maar ook bijvoorbeeld rioolwaterzuiveringsinstallaties.

aantal woningen niet financieel doelmatig.

bronsoort de gemeentelijke wegen zijn is het cumulatieve geluid gelijk aan het geluid van de gemeentewegen.

Maatregelen die de verkeersstromen wijzigen (zoals het verlagen van de

Voor een evenwichtige toedeling van geurhinder dient het aspect geur onderzocht te worden;

verkeersintensiteiten of de maximumsnelheid) zullen niet ad hoc worden

Benodigde gevelwering

genomen, maar zijn een onderdeel van een uitgebreide verkeersstudie.

Het gezamenlijke geluid bedraagt ten hoogste 58 dB ter plaatse van de

Het beperken van het geluid bij dit aantal woningen vormt doorgaans

meest noordoostelijke woning. De vereiste karakteristieke geluidwering

geen aanleiding voor een uitgebreide verkeersstudie.

Ga;k bedraagt dan maximaal 58 – 33 = 25 dB. Bij de omgevingsvergun-

•

indien geurveroorzakende activiteiten in de buurt van bestaande geurgevoelige gebouwen en/of locaties worden toegelaten;

•

indien geurgevoelige gebouwen en/of locaties in de buurt van bestaande geurveroorzakende activiteiten worden toegelaten.

ning bouwen zal er nader worden bekeken wat de noodzakelijke geluidOverdrachtsmaatregelen

wering van de gevels moet zijn. De verwachting is echter dat bij nieuw-

Geurveroorzakende activiteiten

Een afschermende voorziening of het vergroten van de afstand van de

bouw een dergelijke gevelwering gehaald zal worden. De architect zal

Het Bkl geeft enkel voor drie bedrijfsmatige activiteiten aan welke geur-

woningen tot de geluidbron kan leiden tot lagere geluidniveaus.

dan waar nodig rekening houden met extra gevelwering.

belasting of afstand acceptabel wordt geacht: •

zuiveringtechnische werken (subparagraaf 5.1.4.6.2);

•

houden van landbouwhuisdieren in een dierenverblijf (subparagraaf

Vanuit een landschappelijk oogpunt is het niet wenselijk om een scherm

Woon- en leefklimaat

tussen de beoogde woningen en de Maas-Waalweg te realiseren. In de

De milieukwaliteit wordt geclassificeerd als ‘matig’ tot ‘zeer goed’. Het

karakteristieken van een dorp gelegen in een landbouwgebied zou een

woon- en verblijfsklimaat ter plaatse van de beoogde woningen wordt

scherm de natuurlijke charme van de omgeving breken.

als acceptabel aangemerkt. Op basis van het akoestisch onderzoek kan

Daarnaast zullen de kosten voor nieuwbouw van een scherm niet opwe-

gesteld worden dat het cumulatieve geluid een aanvaardbaar woon- en

Voor bedrijfsmatige activiteiten zoals onder meer industrie worden geen

gen tegen het gewenste effect bij het realiseren van dit aantal wooneen-

verblijfsklimaat niet in de weg staat.

waarden en afstanden toegekend, enkel de algemene bepalingen van

heden.

5.1.4.6.3); •

enkele andere agrarische activiteiten (subparagraaf 5.1.4.6.4).

subparagraaf 5.1.4.6.1 zijn hierbij van toepassing. Ook in deze gevallen 4.6.3

Conclusie

dient er rekening te worden gehouden met de geur afkomstig van deze

Wanneer de beoogde woningen verder van de Maas-Waalweg af zou-

Ten aanzien van het aspect akoestiek is er sprake van een evenwich-

den worden gerealiseerd dan zouden deze niet meer in lijn vallen met

tige toedeling van functies aan locaties. Echter zal bij de vergunnings-

de naastgelegen woningen. Hierdoor is dit vanuit een stedenbouwkun-

aanvraag omtrent het bouwen nog een gevelweringsonderzoek uitge-

Geurgevoelige gebouwen en locaties

dig oogpunt geen wenselijke maatregel.

voerd dienen te worden. Dit is ook als voorwaardelijke verplichting opge-

Op grond van art. 5.91 lid 1 Bkl is er sprake van een geurgevoelig ge-

nomen in de regels van het Tam-plan.

bouw als een gebouw of een gedeelte van een gebouw een van de vol-

Maatregelen bij de ontvanger Naast toetsing aan de standaardwaarden en de grenswaarden dient er ook te worden beschouwd of: •

er wordt voldaan aan de eisen voor de minimale geluidwering van de gevels;

TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22d HAM IV, te Aalst

4.7

Geur

4.7.1

Toetsingskader

Geurhinder is onderdeel van de evenwichtige toedeling van functies aan locaties. Dit is opgenomen in paragraaf 5.1.4.6 Bkl ‘Geur’, onderdeel

activiteiten op geurgevoelige gebouwen.

gende functies onderbrengt: •

woonfunctie en nevengebruiksfuncties daarvan;

•

onderwijsfunctie en nevengebruiksfuncties daarvan;

•

gezondheidszorgfunctie met bedgebied en nevengebruiksfuncties daarvan;

29

•

bijeenkomstfunctie voor kinderopvang, met bedgebied en nevenge-

van het plangebied. Overige veehouderijen met een geuremissie liggen

bruiksfuncties daarvan.

verder weg van het plangebied én hebben een lagere geuremissie. Voor bovenstaande veehouderijen is een berekening van de voorgrondbelas-

Echter kan de gemeente in het omgevingsplan ook andere gebouwen,

ting uitgevoerd.

zoals logiesgebouwen of gevangenissen, of gedeeltes daarvan als geurgevoelig aanwijzen, mits er hoofdzakelijk sprake is van verblijf van men-

Voor Eendenkade 2 is uitgegaan van de feitelijke emissiepunten vol-

sen (art. 5.91 lid 4 Bkl). Daarnaast wordt op grond van artikel 5.91 lid 3

gens de vigerende vergunning, aangezien uit de geurberekening blijkt

Bkl een nog niet bestaand gebouw, dat mag worden gebouwd op grond

dat deze veehouderij in de richting van het plangebied overbelast is op

van een omgevingsplan of een omgevingsvergunning voor een buiten-

bestaande woningen.

planse omgevingsplanactiviteit, ook al als geurgevoelig gebouw beschouwd.

Hambloksestraat 2a is niet overbelast in de richting van het plangebied en daarom is uitgegaan van de maximale planologische mogelijkheden

4.7.2

Onderzoek

volgens de omgekeerde werking van de geurwetgeving. Hierbij is uitge-

Ten aanzien van het planvoornemen en de omgevingsplanwijziging is

gaan van één emissiepunt op de rand van het bouwvlak van de veehou-

een geuronderzoek uitgevoerd naar de geurbelasting van de omlig-

derij, zo dicht mogelijk bij het plangebied.

gende veehouderijen. Deze is opgenomen als bijlage van de onderhavige ruimtelijke motivering. Navolgend worden de belangrijkste conclu-

De hoogst berekende voorgrondbelasting ter plaatse van de rand van

sies beschreven.

het plangebied bedraagt 1,2 ouE/m3 vanwege de veehouderij aan Eendenkade 2. Er wordt voldaan aan de geurnorm van 2,0 ouE/m3. De vee-

In de omgeving van het projectgebied zijn enkele veehouderijen gesitueerd. Deze veehouderijen en de totale geuremissies zijn aangegeven in figuur 4.9.

Figuur 4.9 Veehouderijen en geuremissies in de omgeving van het plangebied (bron De Roever Omgevingsadvies)

Afstanden

Het onderzoek naar de geursituatie gaat uit van de aanwezige veehouderijen en de bestaande en beoogde geurgevoelige objecten. In het onderzoek wordt zowel de vergunde geursituatie als de worst-case geursituatie beschouwd. De geurbelasting wordt bepaald op grond van geurberekeningen voor de voor- en achtergrondbelasting. Aan de hand hiervan kan ook het woon- en leefklimaat bepaald worden. Voor de huidige situatie worden de vergunde of gemelde bedrijfssituaties gehanteerd. In de worst-case situatie wordt aangehouden dat alle bestaande bebouwing wordt afgebroken en zodanig wordt teruggebouwd dat de geur- en afstandscontouren zo veel mogelijk richting het te bestemmen geurgevoelige object komen te liggen.

TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22d HAM IV, te Aalst

Voor dieren waarvoor in de Omgevingsregeling geen geuremissiefactoren zijn vastgesteld geldt een afstand van 50 meter tussen het emissiepunt van een dierenverblijf en de gevel van een geurgevoelig object buiten een bebouwde kom in acht moet worden genomen. Uit het geuronderzoek blijkt dat er geen bouwvlakken van veehouderijen binnen 50 meter van het projectgebied zijn gelegen. Voorgrondbelasting Gelet op de geuremissie van de omliggende veehouderijen in relatie tot de afstand tot het plangebied zijn de veehouderijen aan Eendenkade 2

houderijen worden niet in de belangen geschaad. Deze waarde voor de komt volgens tabel 2 in paragraaf 3.4 overeen met een ‘goed’ woon- en leefklimaat. Het woon- en leefklimaat is beter dan het ‘redelijk goed’ woon- en leefklimaat dat op grond van de geurnorm van 2,0 ouE/m3 aanvaardbaar wordt geacht. Achtergrondbelasting De achtergrondbelasting wordt gevormd door de geurbelasting van alle veehouderijen samen. De geuremissie is afkomstig van dieren waarvoor in de Regeling geurhinder en veehouderij (Rgv) een omrekeningsfactor is vastgesteld, zoals varkens, vleesvee, pluimvee, schapen en geiten. Bij een onderzoek naar de achtergrondbelasting worden alle veehoude-

en Hambloksestraat 2a maatgevend voor de geurbelasting ter plaatse

30

rijen binnen een straal van twee kilometer van het plangebied betrok-

teeld en gevoelige functies zoals wonen, kampeerterreinen en recreatie-

van de gemeente Zaltbommel. Op deze percelen zijn afspraken ge-

ken. Op basis van KRD Gelderland en KRD Noord-Brabant (export 22

verblijven. De Nederlandse wetgeving met betrekking tot gewasbescher-

maakt met agrarische pachters dat ze geen gewasbeschermingsmidde-

juli 2024) zijn de relevante veehouderijen geselecteerd en zijn de

mingsmiddelen is met name gericht op de reductie van de risico’s van

len toegepast mogen worden. Verschillende delen van het projectgebied

totale geuremissie en de overige (algemene) parameters voor de geur-

het gebruik van deze middelen voor het watermilieu. De afstanden en

zijn gelegen binnen de 50 meter zone die als vuistregel wordt aange-

berekeningen bepaald. Voor de maatgevende veehouderij aan Eenden-

teeltvrijzones die in het activiteitenbesluit worden genoemd, hebben be-

houden tot woon- en verblijflocaties. Voor de percelen van het agrari-

kade 2 is uitgegaan van de feitelijke emissiepunten, zoals bij de bereke-

trekking op het oppervlaktewater. De zones bedragen maximaal 5 me-

sche bedrijf aan de Eendenkade 2 (gemeente Brakel, sectie L, per-

ning van de voorgrondbelasting,

ter.

ceelnr.399, 475 en 376 liggen op ongeveer 40 meter afstand van het plangebied. Dit betekent dat er een zone overblijft van 10 meter aan de

De achtergrondbelasting op de rand van het plangebied bedraagt ten

Bij gebreke aan wetgeving, is er met jurisprudentie een kader ontwikkeld

noordzijde van het plangebied waar geen woningen of andere woon- en

hoogste 1,4 ouE/m3. Deze waarde komt volgens de tabel met de milieu-

voor bestemmingsregels die het toepassen van gewasbeschermings-

verblijfslocatie gerealiseerd mogen worden. Zie ook navolgend figuur de

kwaliteiten overeen met een ‘zeer goed’ woon- en leefklimaat. Als vuist-

middelen toelaten ten opzichte van bestemmingsregels die gevoelige

rood omlijnde percelen zijn in eigendom van de gemeente Zaltbommel

regel geldt dat de achtergrondbelasting maatgevend is als deze meer

functies toelaten. Het gaat dan over bestemmingen die alle vormen van

en op deze percelen zijn afspraken gemaakt over het toepassen van ge-

dan het dubbele bedraagt van de voorgrondbelasting. Dat is hier niet het

open teelt toestaan.

wasbeschermingsmiddelen.

geval, de voorgrondbelasting is maatgevend en aanvaardbaar. Bij gebruik van gewasbeschermingsmiddelen in de open teelt mag de 4.7.3

Conclusie

raad een algemeen belang toekennen aan de volksgezondheid. In de

Het aspect geur vormt geen belemmering voor onderhavig project.

4.8

Spuitzones

4.8.1

Toetsingskader

Bij de agrarische percelen waar omgevingsplantechnisch gezien sprake kan zijn van gewasbescherming, dient gemotiveerd te worden of het aspect ‘spuitzones’ al dan niet voor belemmeringen zorgt. Gewasbescherming wordt over het algemeen toegepast door het bespuiten van gewassen, dit kan op verschillende manieren en afhankelijk van de spuitmethode en de windkracht, kunnen de gewasbeschermingsmiddelen zich ook verspreiden over de omgeving. Het verwaaien van spuitneven wordt ‘drift’ genoemd. Er gelden geen wettelijke bepalingen over een minimaal aan te houden afstand tussen gronden waar gewassen in de open lucht worden ge-

regels wordt dit algemeen belang vertaald naar een minimale afstand van 50 meter tot woon- en verblijfslocaties1. De zone van 50 meter tussen de agrarische functie waar dergelijke open teelt is toegelaten en gevoelige functies moet vrij van spuitnevel of drift blijven. Deze zone wordt een spuitzone, spuitvrije zone of teeltvrije zone genoemd. Afwijken van de vuistregel van 50 meter wordt door de rechter mogelijk geacht maar zelden slaagt men er in de afwijking goed te motiveren2. 4.8.2

Onderzoek

Het projectgebied wordt aan verschillende zijdes begrenst door agrarische percelen waar planologisch gezien het toepassen van gewasbescherming is toegestaan. In de feitelijke situatie is hier echter geen sprake van aangezien volgens Boerenbunder alle omliggende agrari-

Figuur4.10: 4 omliggende agrarische percelen en afstanden. Figuur

sche percelen in 2024 ingezaaid waren met grasland. De omliggende agrarische percelen ten zuiden van de Maas-waalweg zijn in eigendom

1 2

https://uitspraken.rechtspraak.nl/details?id=ECLI:NL:RVS:2017:1353 https://www.alexadvocaten.nl/spuitzones-op-welke-afstand/

TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22d HAM IV, te Aalst

31

Op basis van het landschappelijk en stedenbouwkundig plan, is te zien

4.8.3

dat in deze zone géén woningen of andere gevoelige functies zoals tui-

Ten aanzien van het aspect spuitzones worden er geen belemmeringen

aangewezen categorie blijft. Onder deze ‘standaardgevallen NIBM’ val-

nen beoogd zijn. Hierdoor zal het aspect spuitzone geen belemmering

verwacht voor het planvoornemen.

len kantoren, woonwijken en het telen van gewassen. Dit moet wel on-

vertonen ten opzichte van de omgevingsplanwijziging van agrarisch naar wonen. Ten aanzien van de agrarische percelen ten noorden (geel omlijnd) van het projectgebied (gemeente Brakel, sectie L, perceelnr. 399, 475, 476) geldt dat deze op ruime afstand tot de meest dichtbijgelegen woningen die zijn opgenomen in de inrichtingstekening. Daarnaast zit aan de noordzijde van het plangebied ook een watergang. De regels stellen dat op 7 meter afstand van deze watergang niet mag worden gespoten. De spuitzone is hiermee dus geen belemmering voor het onderhavig planvoornemen. Spuitzones en overige zone woningen en tuinen uitgesloten In onderhavig plan is de spuitzone van 50 meter juridisch geborgd. Ten aanzien van de noordelijke agrarische percelen is ervoor gekozen om een overige zone op te nemen waarin ‘Woningen en Tuinen’ uitgesloten zijn. Door deze zone is de afstand tussen het agrarische perceel en het plangebied minimaal 50 meter. Voor wat betreft de oostelijk gelegen agrarische percelen is ervoor gekozen om de spuitvrije zone 50 meter te maken vanaf de dichtstbijzijnde woonfuncties. Door het opnemen van zones in de verbeelding van het TAM-Omgevingsplan wordt voldaan aan de geldende regels omtrent het aspect spuitzones. Derhalve is een goed -woon en leefklimaat en evenwichtige toedeling van functies aan locaties omtrent dit aspect gegarandeerd.

Bovendien kan het huidige feitelijke gebruik als grasland voor wat betreft de percelen van eigenaren onbelemmerd worden voortgezet.

Conclusie

4.9

Luchtkwaliteit

4.9.1

Toetsingskader

De hoofdlijnen voor regelgeving rondom luchtkwaliteitseisen ter bescherming van de gezondheid staan beschreven in de instructieregels opgenomen in het Bkl (paragraaf 5.1.4.1). Volgens deze regels gelden zogeheten omgevingswaarden voor onder andere de in de buitenlucht voorkomende stikstofdioxide (NO2) en fijnstof (PM10). Aandachtsgebieden De toetsing en monitoring van de luchtkwaliteit vindt plaats in de aandachtsgebieden. Aandachtsgebieden zijn locaties met hogere concentraties NO2 en/of PM10. Aandachtsgebieden voor zowel NO2 als PM10 staan vermeld in artikel 5.51, lid 2 van het Bkl. Aandachtsgebieden voor alleen PM10 zijn aangewezen in artikel 5.51, lid 3 van het Bkl. In een aandachtsgebied moet de overheid de omgevingswaarden in acht nemen (artikel 5.51 Bkl). Niet in betekende mate De beoordeling van de luchtkwaliteit in een aandachtsgebied vindt niet altijd plaats. Voor een activiteit die niet in betekende mate (NIBM) bijdraagt aan de luchtverontreiniging, is geen toetsing aan de rijksomgevingswaarden voor NO2 en PM10 nodig. Uit artikel 5.53 en 5.54 van het Bkl volgt dat een project niet in betekende mate bijdraagt aan de luchtkwaliteit als de toename van de concentratie NO2 en PM10 niet hoger is dan 1,2 ug/m3. Dat is 3% van de omgevingswaarde voor de jaargemiddelde concentraties.

Er zijn twee mogelijkheden om aannemelijk te maken dat een project binnen de NIBM-grens blijft:

TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22d HAM IV, te Aalst

•

Motiveren dat het project binnen de getalsmatige grenzen van een

der een bepaalde omvang blijven conform artikel 5.54 van het Bkl. Valt een project binnen de genoemde categorie, maar niet binnen de gestelde grenzen? Het is dan mogelijk om alsnog via detailberekeningen aannemelijk te maken dat de 3%-grens niet wordt overschreden. •

Op een andere manier aannemelijk maken dat een project de 3%-

grens niet overschrijdt. Soms kan een kwalitatieve berekening voldoende zijn. Veel mensen bepalen met de NIBM-tool op een eenvoudige en snelle manier of een project in betekende mate bijdraagt aan de luchtverontreiniging. Soms zijn detailberekeningen nodig als aanvulling op de NIBM-tool. Centraal Instrument Monitoring Luchtkwaliteit Sinds 1 januari 2023 wordt de luchtkwaliteit berekend en gemonitord via het Centraal Instrument Monitoring Luchtkwaliteit (CIMLK). 4.9.2

Onderzoek

Het projectgebied valt niet in een van de aandachtsgebieden voor zowel NO2 als PM10 of voor alleen PM10. Nader onderzoek naar luchtkwaliteit is daarom niet benodigd. CIMLK In het kader van goede ruimtelijke ordening is het van belang om aan te tonen of er sprake is van een goed woon- en leefklimaat met betrekking tot luchtkwaliteit. Hierover kunnen uitspraken worden gedaan aan de hand van achtergrondwaarden voor NO2, PM10 en PM2.5 ter plaatse van het besluitgebied. De norm uit het Bkl die hiervoor geldt betreft als volgt: •

Stikstofdioxide NO2: 40 μg/m3 als kalenderjaargemiddelde.

32

•

•

Fijnstof PM10: 40 μg/m3 als kalenderjaargemiddelde en 50 μg/m3

4.9.3

als 24-uurgemiddelde, dat ten hoogste 35 maal per kalenderjaar

Vanuit het milieuaspect luchtkwaliteit is er sprake van een evenwichtige

waar sprake is van gevoelige gebouwen zoals woningen, scholen en

wordt overschreden.

toedeling van functies aan locaties.

kinderopvang, van belang dat er rekening wordt gehouden met mag-

Fijnstof PM2,5: 25 μg/m3 als kalenderjaargemiddelde.

De norm voor het aantal PM10 overschrijdingsdagen betreft 35. De achtergrondwaarden van de vier dichtstbijzijnde rekenpunten zijn in figuur 4.11 weergegeven.

Conclusie

4.10

Kabels, leidingen en elektromagnetische straling

4.10.1

Toetsingskader kabels en leidingen

Ondergrondse kabels en leidingen zijn belangrijk voor het transport van data, elektriciteit en stoffen zoals gas en water. Niettemin kunnen sommige ondergrondse leidingen en bovengrondse hoogspanningslijnen een potentieel risico vormen voor de omgeving. De Omgevingswet bevat daarom specifieke regels en instrumenten om dergelijke risico's te voorkomen en te beperken. Zo adviseert het Rijk aan het bevoegd gezag om bij het toelaten van gevoelige gebouwen, zoals woningen, bij bovengrondse hoogspannings-

Figuur 4.11: Luchtkwaliteit ter plaatse van het plangebied op basis van CIMLK.

De data uit het CIMLK toont aan dat de achtergrondwaarden significant lager zijn dan de gestelde normen. Hieruit kan worden afgeleid dat er sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat met betrekking tot luchtkwaliteit ter plaatse van het projectgebied.

verbindingen rekening te houden met de magneetvelden3. De magneetvelden zijn mogelijk van invloed op de gezondheid van omwonenden. Voor de regeling omtrent buisleidingen wordt verwezen naar paragraaf 4.14 ‘Omgevingsveiligheid’. 4.10.2

Toetsingskader elektromagnetische velden

Straling komt overal om ons heen voor. Enerzijds door natuurlijke straNIBM

lingsbronnen, zoals de zon en anderzijds door kunstmatige, door de

Artikel 5.54 stelt vervolgens dat gebouwen met ten hoogste 1.500 wo-

mens gemaakte bronnen. Magnetische velden ontstaan bij het transport

ningen als niet in betekenende mate kunnen worden gezien. Nader on-

en het gebruik van elektriciteit/stroom. Voorbeelden van voorzieningen

derzoek op dit vlak is daarom niet noodzakelijk. Het beoogde woning-

die zorgen voor elektromagnetische velden zijn antennes, hoogspan-

bouwplan betreft geen milieubelastende activiteit, als bedoeld in hoofd-

ningslijnen, mobiele telefoons en elektrische apparaten. De kracht van

stuk 3 van het Bal, waarover regels zijn gesteld met het oog op het be-

het elektromagnetische veld kan per voorziening verschillen. In het ka-

perken van verontreiniging van de lucht. En tevens is het geen activiteit

der van de planologie zijn met name antennes en hoogspanningslijnen

die relatief veel luchtvervuiling veroorzaakt en over een grotere afstand

van belang, aangezien dit vaste objecten zijn.

effect heeft.

In het kader van gezondheid en milieu is het bij nieuwe ontwikkelingen,

neetvelden. Dergelijke projecten moeten buiten een magneetveldzone komen te liggen. De sterkte van elektromagnetische velden is het grootst dicht bij de bron en neemt af als de afstand tot de bron groter wordt. Verschillende soorten magneetvelden Elektriciteit kan met twee verschillende technieken door een kabel worden getransporteerd: met wisselstroom of met gelijkstroom. Wisselstroom wordt gebruikt om elektriciteit over relatief korte afstanden te verplaatsen. Gelijkstroom wordt gebruikt om elektriciteit over langere afstanden te verplaatsen. Wisselstroom en gelijkstroom veroorzaken verschillende soorten magneetvelden. Een wisselstroom-magneetveld heeft een frequentie van 50 hertz. Een gelijkstroom-magneetveld is statisch, met een frequentie van 0 hertz. Eenvoudiger gezegd: een wisselstroom-magneetveld gaat 50 keer per seconde aan/uit, een gelijkstroom-magneetveld staat constant aan. Voorzorgsbeleid magneetvelden Door de minister voor Klimaat en Energie is (samen met de toenmalig minister voor Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening en in afstemming met de staatssecretaris voor Volksgezondheid, Welzijn en Sport) op 21 april 2023 een herijkt voorzorgsbeleid aan gemeenten, provincies en netbeheerders gezonden inzake de gezondheidsrisico’s van magneetvelden4.

Dit advies komt in de plaats van het eerdere advies van de staatssecretaris van VROM uit 2005 over hoogspanningsverbindingen vlakbij gevoelige bestemmingen in verband met gezondheidsrisico's. De

3 4

https://iplo.nl/thema/praktijksituaties/hoogspanningsverbinding/toelaten/toelaten-gevoelige-gebouwen/ https://www.kennisplatform.nl/verschil-tussen-limiet-100-microtesla-grens-0-4-microtesla/

TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22d HAM IV, te Aalst

33

kern van het herijkte voorzorgbeleid voor magneetvelden is dat met de

De kern van het voorzorgsbeleid is dat nieuwe situaties waarbij kinderen

van een magneetveldzone van 55 meter aan weerszijden van de hoog-

netbeheerders is afgesproken dat deze bronmaatregelen gaan treffen

langdurig worden blootgesteld aan magneetvelden van bovengrondse

spanningslijn. Het projectgebied valt buiten deze magneetveldzone.

om de sterkte en grootte van magneetvelden zo veel mogelijk te beper-

hoogspanningslijnen met een jaargemiddelde hoger dan 0,4 microtesla

Het projectgebied valt daarmee ook niet binnen de 0,4 microtesla mag-

ken. Het beleidsadvies is erop gericht om zoveel als redelijkerwijs moge-

zoveel als redelijkerwijs mogelijk is, vermeden moeten worden. Dit komt

neetveldzone van een of meerdere hoogspanningslijnen. Gelet op de

lijk te voorkomen dat mensen langdurig worden blootgesteld aan mag-

er op neer dat het advies is om bij nieuwe situaties gevoelige gebouwen

ruime afstand blijft de blootstelling aan magnetische velden ruim onder

neetvelden die afkomstig zijn van elektriciteitsinfrastructuur en die ge-

(woningen, scholen, crèches en kinderopvangplaatsen) zo veel als rede-

de vastgestelde referentieniveauwaarden van 100 microtesla of 0,4 mi-

middeld over een jaar sterker zijn dan 0,4 microtesla5. De waarde van

lijkerwijs mogelijk buiten de magneetveldzone van 0,4 microtesla te

crotesla. Er is geen sprake van een overschrijding van de referentieni-

0,4 microtesla geldt als gemiddelde voor een heel jaar. Tijdens dat jaar

plaatsen.

veauwaarden, wat betekent dat er geen aanleiding is voor verdere, diep-

kan de veldsterkte regelmatig boven en onder de waarde van 0,4 micro-

gaandere onderzoeken naar mogelijke gezondheidseffecten.

tesla komen. Het is een waarde uit voorzorg, die alleen van toepassing

DC-magneetvelden (gelijkstroom)

is bij bovengrondse hoogspanningslijnen.

De Nederlandse Rijksoverheid gaat voor magneetvelden bij gelijkstroom

4.10.4

Daarnaast wordt in het advies geadviseerd om bij een ligging nabij een

(DC) verbindingen uit van een referentiewaarde van 0,4 microtesla zoals

Vanuit het milieuaspect kabels, leidingen en elektromagnetische straling

bovengrondse hoogspanningslijnen een magneetveldzone te bereke-

vastgelegd in de eerdergenoemde Europese aanbeveling. De blootstel-

is er sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.

nen. Op basis van deze berekening kan worden bekeken hoeveel ge-

lingslimiet van 0,4 microtesla voor DC-magneetvelden is vele malen ho-

voelige bestemmingen in de magneetveldzone liggen. Het bevoegd ge-

ger dan de blootstellingslimiet voor AC-magneetvelden. Wetenschappe-

zag ruimtelijke ordening wordt opgeroepen om een integrale ruimtelijke

lijk onderzoek laat geen verband zien tussen blootstelling aan DC-mag-

afweging te maken, waarbij zowel gekeken wordt naar een mogelijke

neetvelden en gezondheidsrisico’s. Daarom is er, in tegenstelling tot

beperking van het aantal gevoelige bestemmingen in de magneetveld-

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij iBabs is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/17091384/1