Bijlage 3. Zuilichem, mertstraat transformatorstation bijlagen bij toelichting
Tekst van het document
Blad 8 van 40
Antea Group Archeologie 2020/156 Inventariserend Veldonderzoek d.m.v. boringen projectnummer 459613 10 december 2020 revisie 00 Reddyn B.V.
Geomorfologie en AHN Het tracé ligt volgens de Geomorfologische Kaart van Nederland in verschillende geomorfologische gebieden. Het grootste gedeelte van het tracé ligt in een rivieroeverwal (code 3K25, licht groen), een rivierkom- en oeverwalachtige vlakte (code 2M22, mat groen) en een rivierkomvlakte (code 1M23, donker groen). Het gebied begint in het westen op een doorbraakwaaier, fluviatiel (code 3G7, heel donker groen/grijs). Op de hoogtekaart op basis van het Actueel Hoogtebestand Nederland is het zien dat het plangebied met name in het westen relatief laag gelegen is (circa 1,4 m +NAP) en verder naar het oosten oploopt tot een hoogte op tot circa 2,6 m+ NAP. Tevens zijn een aantal stroomgordels (met name de Bruchem en de Gameren) duidelijk zichtbaar in het landschap. Ook vallen de lager gelegen gebieden op waar geen stroomgordels aanwezig zijn (circa 1,1 – 1,2 m +NAP). Ten hoogte van het nieuw aan te leggen station Zuilichem bedraagt de hoogte circa 1,6 – 1,7 m +NAP en het bestaande station in Zaltbommel ligt op een hoogte van circa 3,7 m +NAP. Bodem en grondwater In het plangebied komen vrijwel alleen (relatief) jonge rivierkleibodems voor.
Op de bodemkaart is te zien dat het grootste gedeelte van het tracé zich bevind in kalkloze poldervaaggronden met zware klei en een slechte ontwatering (code Rn44C en Rn47C), afgewisseld met poldervaaggronden met zavel en lichte klei (code Rn67C en Rn62C; grondwatertrap IV). In het meest westelijke gedeelte van het plangebied alsmede in het oosten zijn daarentegen kalkhoudende poldervaaggronden (bestaande uit zware zavel en lichte klei) te vinden (code Rn95A). De poldervaaggronden zijn over het algemeen gelegen in de lager gelegen (kom)gebieden. Het tracé wordt omringd door rivierterpen die in het roze zijn weergegeven op de bodemkaart.
2.5
Bewoningsgeschiedenis en historische situatie Bewoningsgeschiedenis De vroegste prehistorische en historische bewoning in de omgeving moet vooral gezocht worden op de hoger gelegen stroomgordels en crevassecomplexen. De oudste stroomgordels in het gebied zijn de Brakel, (crevasses van) de Spelwerd, de Broek en de Zaltbommel-Nederhemert. Op de eerste drie zijn tot op heden nog geen archeologische sporen aangetroffen, maar in theorie kunnen hier sporen vanaf de periode neolithicum tot en met de bronstijd worden aangetroffen. Zaltbommel-Nederhemert zijn sporen uit de periode bronstijd-ijzertijd aangetroffen.8 De Molenveld, Oensel, Gameren en Bruchem-stroomgordels zijn gezien de einddatering van hun actieve fase bewoonbare locaties geweest in de ijzertijd, Romeinse tijd en in de vroege tot late middeleeuwen. Op de stroomgordel van Gameren liggen diverse vindplaatsen uit de (laat) Romeinse tijd. De huidige dorpen in het gebied zijn over het algemeen in de vroege middeleeuwen ontstaan op de oeverwallen van deze stroomgordels. In de late middeleeuwen werd het rivierengebied op grote schaal ontgonnen, waarbij de natte gebieden geschikt werden gemaakt voor agrarisch gebruik.9
8 9
Cohen & Stouthamer, 2012; zie ook hoofdstuk 2.7. Fens & Riddersma, 2018.
Blad 9 van 40
Antea Group Archeologie 2020/156 Inventariserend Veldonderzoek d.m.v. boringen projectnummer 459613 10 december 2020 revisie 00 Reddyn B.V.
Historische situatie Zowel het grondgebruik zoals beschreven bij het kadastraal minuutplan uit 1811-1832 als de weergave op de Topografische Militaire Kaart laten zien dat het gehele plangebied in gebruik is als weiland of akkerland. Het tracé doorsnijdt diverse polders met veelal smalle en noord-zuid gerichte percelen. Van west naar oost betreft het de volgende polders: Reekers Blok, Achterste Blok, Waalmen, Welker en Berends Kampen, Hoeven en Middel Kampen, Oude Weide, Midden Weiden en Het Broek. Het toponiem ‘blokken’ duidt doorgaans op ter ontginning uitgegeven blokvormige kavels (19e eeuw), terwijl het toponiem weiden mogelijk teruggaat op de tijd van gemeenschappelijk bezit (vóór de 19e eeuw). Het toponiem kampen duidt doorgaans op kleinschalige of individuele ontginners. Ten noorden van Bruchem wordt de weg overgestoken. Op deze locatie is bebouwing te zien op het oude kaartmateriaal (nabij ‘De Draaiboom’ en ‘De Lindenboom’). Als het plangebied wordt geprojecteerd op de Bonnebladen van rond 1900 is te zien dat het enkele wateringen en wegen doorsnijdt die in de huidige topografie zijn verdwenen. De wateringen zijn gegraven sloten die dienden om van wateroverlast lijdende (kom)gronden af te wateren. Het plangebied doorsnijdt van west naar oost de Nieuw en Gaai Boezem (tevens een weg), de Bommelsche Noorder Wetering (met Achterdijk) en de Bommelsche Zuider Wetering.
Deze wateringen zijn in het huidige landschap niet meer aanwezig (gedempt). Het plangebied doorsnijdt verder de straten Lange Mert Steeg, Knapendries, Staartsteeg (nu Willem Alexanderstraat) en de spoorlijn van Geldermalsen naar ’s Hertogenbosch (nog bestaand). Bij de ‘Berends Kampen’ ligt het plangebied, afgaande op de projectie van het Bonneblad, op de plaats van een voormalige eendenkooi. Op de topografische kaart uit 1975 is de nieuwe aanleg van de provinciale weg (N322) te herkennen. De N322 betreft een nieuwe verbindingsweg die niet teruggaat op een historische weg.
2.6
Mogelijke verstoringen De landontginning en het gebruik van (een gedeelte van) het gebied als bouwland, alsmede de aanleg van de N322 kunnen hebben geleid tot een plaatselijke verstoring van de bodem. Tevens zijn er in de nabijheid van het plangebied verstoringen te verwachten door welke veroorzaakt zijn door eerdere bodemingrepen voor ondergrondse infrastructuur (bestaande kabel- en leidingstroken) en van wegwerkzaamheden. De N322 fungeert immers ook als route voor diverse transportleidingen en kabels. De verstoringen door de aanleg daarvan zijn met name in de berm van de weg te verwachten. Hierbij dient te worden opgemerkt dat het huidige tracé grotendeels in weilandgebied gesitueerd is (en niet in de berm). Ook in de weilanden zijn plaatselijk al kabels en leidingen aanwezig en is drainage toegepast. De aanleg daarvan kan plaatselijk tot verstoringen hebben geleid, waarbij echter moet worden opgemerkt dat de huidige werkzaamheden waarschijnlijk een groter gebied beslaan dan vele van de voorgaande bodemingrepen.
2.7
Archeologische waarden Uit het Archeologische Informatie Systeem (ARCHIS) van de Rijksdienst voor Cultureel Erfgoed zijn de bekende archeologische waarden in een omtrek van ongeveer 250 m rondom het tracé opgevraagd. Het betreft archeologische monumenten (AMK-terreinen), archeologische waarnemingen (zoals vondsten) en meldingen van eerdere archeologische onderzoeken (zie kaart 459613–ARCHIS in de kaartenbijlage).
Blad 10 van 40
Antea Group Archeologie 2020/156 Inventariserend Veldonderzoek d.m.v. boringen projectnummer 459613 10 december 2020 revisie 00 Reddyn B.V.
Gegevens uit ARCHIS: AMK-terreinen Het tracé doorsnijdt geen AMK-terreinen maar binnen een straal van 250 m vanaf het tracé, van west naar oost gerekend, liggen een aantal AMK terreinen. Veelal zijn dit terreinen met sporen van bewoning en verdediging uit de late ijzertijd tot de Romeinse tijd waarbij verschillende vondsten zijn gedaan uit deze periodes. AMK-terreinen 4279 en 4280 bevinden zich direct ten noorden van het tracé. Het betreft terreinen met sporen van bewoning uit de late ijzertijd en / of Romeinse tijd, inclusief vondstmateriaal. Daarnaast zijn bij AMK-terrein 4280 ook sporen uit de late middeleeuwen / nieuwe tijd aangetroffen. Daarnaast bevindt AMK-terrein 15674 zich ook niet ver van het tracé. Het betreft een vindplaats uit de periode neolithicum – bronstijd. In de top van de oeverafzettingen (0,85 – 1,2 m-mv) zijn houtskool, verbrande leem en een fragmentje vuursteen aangetroffen. AMK-nr
Status
Complex
Aard
4279
Hoge archeologische waarde
Bewoning inclusief verdediging
4280
Hoge archeologische waarde
Bewoning inclusief verdediging
4210
Hoge archeologische waarde
3999
Hoge archeologische waarde
15674
Archeologische waarde
Terrein met sporen van bewoning uit de Late IJzertijd en/of Romeinse tijd. Terrein met sporen van bewoning uit de Late IJzertijd en/of Romeinse tijd en de Late Middeleeuwen / Nieuwe tijd. Terrein met sporen van bewoning uit de Romeinse tijd. Terrein met sporen van bewoning uit de Laat Romeinse tijd en de Vroege Middeleeuwen. Terrein met sporen van bewoning uit de Neolithicum – Bronstijd.
Bewoning inclusief verdediging Bewoning inclusief verdediging Bewoning inclusief verdediging
Tabel 2. AMK terreinen in de buurt van het plangebied (Bron: ARCHIS).
De genoemde AMK-terreinen lijken op grond van hun ligging gerelateerd te zijn aan de diverse aanwezige stroomgordels in het gebied. Gegevens uit ARCHIS: archeologische waarnemingen Het overgrote deel van de waarnemingen binnen een straal van 250 m gerekend vanaf het tracé kunnen in verband worden gelegd met de aanwezige AMK-terreinen. Alle waarnemingen bestaan in ieder geval uit aardewerk uit de ijzertijd en/of Romeins aardewerk en in sommige gevallen dierlijk bot. Waarneming 2442128100 is in een opgravingscontext aangetroffen buiten een AMKterrein.10 Dit geldt ook voor waarneming 2040319100 (proefsleuvenonderzoek). Het betreft hier een opgraving waarbij drie nederzettingsterreinen zijn aangetroffen en een grafveld daterend van de late ijzertijd tot de Romeinse tijd.
10
Zie ook hieronder: Gegevens uit ARCHIS: eerdere onderzoeken.
Blad 11 van 40
Antea Group Archeologie 2020/156 Inventariserend Veldonderzoek d.m.v. boringen projectnummer 459613 10 december 2020 revisie 00 Reddyn B.V.
De vondsten bestaan uit menselijk botresten (uit de crematiegraven), en verder uit vondsten uit huishoudelijke context van metaal, glas en aardewerk. Waarnemingsnr.
Locatie
3139611100
Zuilichem
3139522100
Zuilichem
3139644100
Zuilichem
3140818100
Zuilichem
2934066100
Kievitsheuvel
2442128100 3x
Zaltbommel
3062053100
De Tol
2046224100
Steenweg
2040319100
De Wildeman
Vondsten en Datering Keramiek: handgevormd en gedraaid aardewerk gedateerd om de Romeinse tijd. Keramiek: ruwwandig gedraaid aardewerk, handgevormd, terra sigillata gedateerd vanaf de late ijzertijd tot de midden Romeinse tijd. Bot, gedateerd in de late ijzertijd tot midden Romeinse tijd. Onbekend Keramiek: geglazuurd steengoed gedateerd in de late middeleeuwen tot de nieuwe tijd. Bot gedateerd in de late middeleeuwen tot nieuwe tijd. Keramiek: onbekend type, gedateerd in de nieuwe tijd. Sporen/structuren: opgehoogd rechthoekig terrein gedateerd in de nieuwe tijd. Keramiek: pot Natuursteen gedateerd van de vroege bronstijd tot late ijzertijd. Vuursteen afslag gedateerd in het neolithicum tot ijzertijd. Bot gedateerd in de bronstijd/ijzertijd. Sporen: paalgat, kuil, grondspoor een ronde verkleuring, een sporen cluster van palen en kuilen welke mogelijk op een gebouw wijzen. Vuursteen afval gedateerd in laat neolithicum tot bronstijd. Houtskool gedateerd in laat neolithicum. Keramiek: hutteleem gedateerd in het laat neolithicum. Sporen/structuren: greppel of sloot gedateerd in de nieuwe tijd. Keramiek: ruwwandig gedraaid aardewerk, gladwandig gedraaid aardewerk, hutteleem, keramisch bouwmateriaal, weefgewicht, spinklos, gedateerd in de ijzertijd en Romeinse tijd Bot: menselijk bot (crematie resten) gedateerd in de Romeinse tijd. Dierlijk bot Glas gedateerd in de Romeinse tijd.
Metaal: bronzen munt, slak gedateerd in de Romeinse tijd Steen: mortel, tefriet maalsteen gedateerd in de midden Romeinse tijd. Sporen/structuren: crematiegraf, inhumatiegraf, kuil, kringgreppel/sloot, paalgat gedateerd in de ijzertijd en Romeinse tijd. De graven komen uit de Romeinse tijd.
Tabel 3. Archeologische waarnemingen binnen onderzoeksgebied (bron: ARCHIS)
Gegevens uit ARCHIS: eerdere onderzoeken In de omgeving van het plangebied hebben in het verleden meerdere archeologische onderzoeken plaatsgevonden. De resultaten van de verschillende onderzoeken zijn wisselend. De bouwvoor (30 cm) is verploegd en in sommige gevallen is dit dieper dan 30 cm en zijn archeologische grondsporen aangeploegd. De aangetroffen perioden beslaan de ijzertijd, Romeinse tijd en vroege middeleeuwen. In de meeste onderzoeken zijn de stroomgordels aangeboord zoals de stroomgordel van Gameren, van Zaltbommel-Nederhemert en de Brakelse en Broekse rivierloop, hetgeen betekent dat deze op geringe diepte aan te treffen zijn. Ook het onderhavige tracé doorsnijdt deze stroomgordels.
Blad 12 van 40
Antea Group Archeologie 2020/156 Inventariserend Veldonderzoek d.m.v. boringen projectnummer 459613 10 december 2020 revisie 00 Reddyn B.V.
De voor het huidige plangebied meest relevant vooronderzoeken betreft een tweetal (boor)onderzoeken van Sweco en Antea Group. Deze onderzoeken hebben deels in de directe nabijheid van het onderhavige plangebied plaatsgevonden en de resultaten worden hieronder kort besproken. Sweco, perswatertransportleiding Aalst-Zaltbommel In 2017-2018 heeft Sweco een archeologisch bureau- en verkennend booronderzoek11 uitgevoerd in de directe nabijheid van het huidige plangebied voor een tracé van een geplande perswaterleiding. Het perswaterleidingtracé loopt globaal gezien grotendeels parallel aan het huidige hoogspanningstracé en is ook langs de N322 gericht, maar ook deels in de berm van de N322 of aan de andere zijde van de weg. Naar aanleiding van het bureauonderzoek werd aanbevolen om de gebieden waar de werkzaamheden de Oenselse-, Gamerense- en Zaltbommel-Nederweert-stroomgordels raken nader archeologisch te onderzoeken door middel van een verkennend booronderzoek.12 Het veldonderzoek is uitgevoerd op een zestal locaties (Deelgebieden 1 t/m 6) waarbij de boringen met een boorpuntsafstand van 50 m zijn uitgevoerd. Naar aanleiding van de resultaten is vervolgonderzoek geadviseerd (in de vorm van een archeologische begeleiding) ten hoogte van Deelgebied 2’ en Deelgebied 5. Deelgebied 2 komt overeen met het gebied direct in de zuidoosthoek van de rotonde Maas-Waalweg – N322.
Hier is de bedding van de Brakel-stroomgordel aangetroffen op een diepte van 2,65 - 2,9 m-mv / 0,85 1,1 m – NAP. Bovenop het pakket is een oeverafzetting aangetroffen (2,25 – 2,5 m-mv / 0, 35 – 0,6 m - NAP). In de top van deze oeverafzettingen heeft zich een vegetatieniveau ontwikkeld. Het huidige tracé bevindt zich ten zuiden van dit gebied en is iets lager gelegen (circa 1,4 m + NAP). Dit houdt in dat binnen het huidige plangebied de oeverafzettingen binnen de ontgravingsdiepte kunnen worden aangetroffen (circa 1,75 - 2 m-mv). Tijdens hetzelfde onderzoek van Sweco is daarnaast in Deelgebied 5 (ter plaatse van de Middelsteeg) beddingzand van de Zaltbommel-Nederhemert-stroomgordel aangetroffen, met hierboven een oeverafzetting op een diepte varieert tussen 0,6 – 1,45 m-mv / 1,05 – 1,9 m + NAP. Binnen de oeverafzetting is komklei aanwezig tot in de bouwvoor. In de komklei bevindt zich een vegetatieniveau. Het gedeelte van het huidige tracé dat zich in de buurt van Deelgebied 5 bevindt is gelegen op circa 2 – 2,2 m +NAP. Ook hier kunnen oeverafzettingen worden verwacht binnen de ontgravingsdiepte - en vrijwel direct onder het maaiveld beginnend.13 Opvallend is dat de Brakelstroomgordel is aangetroffen terwijl deze buiten de verwachting viel. Deze stroomgordel werd in bureauonderzoek verwacht op een grotere diepte dan 3 m -mv, maar werd al op geringere diepte aangetroffen.
Antea Group, tracé N322 In 2018 heeft Antea Group een archeologisch bureau- en booronderzoek (verkennend) uitgevoerd voor een kabeltracé tussen Zuilichem en Zaltbommel. Het tracé bevindt zich hoofdzakelijk aan de noordkant (berm) van de N322 en ter plekke van de stations Zuilichem en Zaltbommel. Bij het booronderzoek zijn diverse kom-, crevasse- en Zaakid. 4567294100 & 4612142100. Van Rooij, 2017. 13 Overmars, 2018. 11 12
Blad 13 van 40
Antea Group Archeologie 2020/156 Inventariserend Veldonderzoek d.m.v. boringen projectnummer 459613 10 december 2020 revisie 00 Reddyn B.V.
beddingafzettingen aangetroffen, behorende tot diverse stroomgordels. Ter plaatse van het te realiseren regelstation Zuilichem is lokaal de Gameren-stroomgordel aangetroffen op een diepte beginnend bij 1 – 1,3 m-mv (boringen H19 en H21). Tevens is ter plaatse van het station Zaltbommel lokaal de Oensel en/of Zaltbommel-Nederhemert-stroomgordel aangetroffen op een diepte van 0,3 – 2,2 m-mv. Bij boringen HB04 en HB05 zijn oever en/of crevasse afzettingen aangetroffen (op 0,4 – 0,9 m-mv). De berm langs de N322 bleek te zijn opgehoogd. O.a. op basis van de relatief geringe ontgravingsdiepte en het aanwezige ophoogpakket werd besloten het gedeelte langs de berm vrij te geven. Op een diepte van circa 2 m-mv zijn echter oeverafzettingen aangetroffen (boring HB15).14 Deze resultaten zijn voor onderhavige onderzoek van belang, omdat deze diepte bij de geplande werkzaamheden wèl bereikt wordt. In 2009 heeft ADC uitgebreid onderzoek verricht op de locatie en in de omgeving van het nieuwe sportpark ten zuiden van de Tijnnigen plas (booronderzoeken,15 proefsleuven, archeologische begeleiding en een opgraving).16 Hierbij is niet alleen de Zaltbommel-Nederhemert-stroomgordel aangetroffen, maar zijn ook meerdere vindplaatsen ontdekt.
Vindplaats 3 ligt direct naast het huidige tracé en vindplaats 2 is tevens nabij gelegen : ‘Het is te verwachten dat in de directe omgeving van de onderzochte percelen van vindplaats 2 en 3 huisplattegronden voorkomen. Ook de bijgebouwen van vindplaats 3 wijzen op de nabijheid van een erf uit de Midden-Bronstijd’.17 Daarnaast vallen de volgende onderzoeken ook binnen het onderzoeksgebied:
Aan de zuidzijde van de provinciale weg heeft ARC een booronderzoek uitgevoerd (zaakid. 2279773100). Uit het booronderzoek is gebleken dat op de hele onderzoekslocatie direct onder de bouwvoor oeverafzettingen van de stroomgordel van Gameren voorkomen. In het noordelijk deel liggen deze oeverafzettingen op beddingzand. In het zuidwestelijk deel liggen de oeverafzettingen op komafzettingen. In het oostelijk deel van de locatie is een crevasse van de stroomgordel van Gameren aangetroffen.
Aan de noordzijde van de provinciale weg heeft BAAC een booronderzoek uitgevoerd (zaakid. 4035171100). Hieruit bleek dat de top van de oeverafzettingen niet meer intact is en dat eventuele archeologische sporen verdwenen zijn. Dit is gebaseerd op de abrupte overgangen tussen de bouwvoor en de oeverafzettingen en afwezigheid van een cultuurlaag. Andere archeologische indicatoren, zoals fosfaat of aardewerk, die wijzen op (intensieve) bewoning zijn evenmin aangetroffen.
Ten noorden van de provinciale weg, grenzend aan het tracé heeft BAAC archeologische begeleiding uitgevoerd (zaakid. 2046224100). De archeologische begeleiding heeft in profiel en vlak geen archeologische indicatoren opgeleverd. Wel kon de bestaande geologische informatie worden bevestigd. De zandige afzettingen die in het vlak van gebied 2 werden waargenomen kunnen aan Brakelse en Broekse rivierloop worden gerelateerd. De aangetroffen greppels komen ten dele overeen met de bestaande topografie en met de kadasterkaart van 1832. Aanwijzingen voor een middeleeuwse oorsprong van deze greppels werden niet gevonden.
Zaakid. 4593562100 & 4591148100; Teekens, 2018. Vanaf circa 1,4 m-mv zijn oeverafzettingen aangetroffen die overgaan in zandige beddingafzettingen. Deze afzettingen zijn waarschijnlijk onderdeel van de Zaltbommel-Nederhemert (Nijdam, 2009). 16 Zaakid. 2250417100, 244128100, 2372047100, 2442177100, 2470649100. 17 Kodde & Roessingh, 2018. 14 15
Blad 14 van 40
Antea Group Archeologie 2020/156 Inventariserend Veldonderzoek d.m.v. boringen projectnummer 459613 10 december 2020 revisie 00 Reddyn B.V.
Tevens aan de noordzijde van de provinciale weg heeft BAAC een proefsleuvenonderzoek uitgevoerd (zaakid. 2040319100). Hier zijn vier vindplaatsen aangetroffen daterend uit de Romeinse tijd en de ijzertijd: drie nederzettingsterreinen en een grafveld waar de bewoners van de drie nederzettingen vermoedelijk hun doden begroeven. Een connectie tussen de vindplaatsen is niet aangetroffen. De ligging van de vindplaatsen is waarschijnlijk bepaald door hun landschappelijke context; zij liggen op een stroomrug, direct naast een laagte/restgeul, waarschijnlijk in verband met de gunstige waterhuishouding ter plaatse.
Aan de noordzijde van de provinciale weg heeft BAAC een booronderzoek gedaan (zaakid. 2051270100). Er zijn twee vindplaatsen aangetroffen uit de Romeinse tijd. Daarbij zijn op vindplaats A enkele scherven aangetroffen die duiden op een vroeg middeleeuwse component. Uit het booronderzoek is gebleken dat het bodemprofiel over het algemeen intact is. Wel is meestal de eerste 30-40 cm verploegd. De gedane oppervlaktevondsten geven aan dat door het ploegen grondsporen zijn aangeploegd.
Zaakid. (ARCHIS3)
Jaar
Uitvoerder
Sweco
Type onderzoek
4567294100
2017
Bureauonderzoek
2014950100
2001
2279773100
2010
ARC
Booronderzoek
4011884100
2016
BAAC
Bureauonderzoek
4035171100
2017
BAAC
Booronderzoek
2280793100
2010
Econsultancy
Bureauonderzoek
4569335100 4009616100
2017 2016
2372047100
2012
2442128100
2014
2250417100
2009
2470649100
2015
Booronderzoek
Bureauonderzoek Bureauonderzoek
ADC
Booronderzoek
Proefputten en opgraving ADC Archeoprojecten
Booronderzoek Opgraving
Blad 15 van 40
Conclusies Voor de delen waar de geplande werkzaamheden de overafzettingen van de Oenselse, de Gamerense (inclusief crevasse) en de Zaltbommel-Nederhemert meandergordels raken wordt geadviseerd archeologisch vervolgonderzoek uit te voeren door middel van een verkennend booronderzoek. Onbekend Op basis van de resultaten van het karterend booronderzoek wordt geconcludeerd dat de hoge trefkans op archeologische resten voor de onderzoekslocatie behouden blijft. De stroomgordel van Gameren heeft hoge verwachting voor de midden-bronstijd B tot en met de middeleeuwen. De oeverzone en crevassegeul heeft een middelhoge verwachting voor de midden bronstijd B tot volle middeleeuwen. Voor het komgebied geldt een lage verwachting. Voor de late middeleeuwen en nieuwe tijd geldt een lage verwachting Archeologisch vervolgonderzoek wordt niet geadviseerd wegens verstoring in de bodem. Gebied is vrijgegeven omdat met de geplande werkzaamheden de archeologierijke laag niet zal worden aangetast. Onbekend Onbekend Geadviseerd werd in de gebieden met een hoge archeologische verwachting een inventariserend veldonderzoek uit te voeren door proefsleuven (IVOP), teneinde gaafheid, omvang, datering en conservering van archeologische resten te onderzoeken.
Geen specifiek advies, wel verwachting voor meer archeologische sporen in de directe omgeving In een zone rondom de rivierduin en een deel van de stroomgordel van Zaltbommel-Nederhemert wordt geadviseerd een karterend booronderzoek uit te voeren om archeologische indicatoren op te sporen om vindplaatsen te kunnen begrenzen. Onbekend
Antea Group Archeologie 2020/156 Inventariserend Veldonderzoek d.m.v. boringen projectnummer 459613 10 december 2020 revisie 00 Reddyn B.V.
2013346100 2146754100
2001 2005
Booronderzoek Opgraving
2046224100
2004
BAAC
Begeleiding
2040319100
2003
BAAC
Proefsleuven
2085704100 2469726100
2004 2015
2051270100
2002
2192487100
2008
Opgraving Bureauonderzoek
BAAC
Booronderzoek
Booronderzoek
Onbekend Onbekend De archeologische verwachting voor een dieper niveau is laag. De kans dat bij de aanleg van de rabatten het bodemarchief wordt aangetast is nihil. Van verdere begeleiding van deze grondwerkzaamheden wordt afgezien. Drie nederzettingsterreinen aangetroffen en een grafveld. Onbekend Onbekend Gezien de onderzoeksresultaten en het feit dat een groot deel van het oude rivierlandschap binnen het plangebied archeologisch hoog wordt gewaardeerd zullen zowel de vindplaatsen als het landschap moet worden onderzocht. Voor alle drie vindplaatsen (A, B en C) wordt een vervolgonderzoek voorgesteld in de vorm van proefsleuven. Onbekend
Tabel 4. Eerder uitgevoerde onderzoeken binnen onderzoeksgebied (bron: ARCHIS).
2.8
Ondergrondse bouwhistorische waarden Op het historische kaartmateriaal is ten noorden van Bruchem bebouwing te zien (zie paragraaf 2.5). Verder zijn er geen specifieke aanwijzingen voor ondergrondse bouwhistorische waarden.
2.9
Bestaande verwachtingskaarten Provinciale verwachtingskaart Het plangebied ligt in een door de provincie Gelderland aangewezen archeologisch aandachtsgebied (parelgebied Bommelerwaard; deelgebied A-9). De provincie stelt in dergelijke gebieden een gemeentegrensoverschrijdend belang. Zij kan desgewenst aanvullende regelgeving eisen ter bescherming van haar belang. Gemeentelijke verwachtingskaarten Gemeente Zaltbommel De gemeentelijke verwachtingskaart van Zaltbommel is in 2010 door RAAP opgesteld.18 De beleidskaart is een samenvatting van de archeologische inventarisatie vanuit divers onderzoek, waarnemingen en monumenten en van de archeolandschappelijke eenhedenkaart. Deze eenheden betreffen gestapelde (ondergrondse) landschappelijke elementen, zoals oeverzones, meandergordels (stroomgordels) ingedeeld naar (potentieel) archeologische datering, rivierduinen, crevasses en komafzettingen. De stroomruggen en crevasses komen qua ligging en datering vrijwel overeen met de stroomruggen zoals behandeld in paragraaf 2.4.
18
Goossens et al., 2010.
Blad 16 van 40
Antea Group Archeologie 2020/156 Inventariserend Veldonderzoek d.m.v. boringen projectnummer 459613 10 december 2020 revisie 00 Reddyn B.V.
2.10
Gespecificeerde archeologische verwachting Datering, locatie en diepteligging In de ondergrond van het plangebied bevinden zich meerdere stroomgordels. De archeologische verwachting van het gebied is sterk verbonden met deze (verlande) stroomgordels, de bijbehorende oeverwallen en crevasses. Op grond van de beschikbare gegevens is gebleken dat alle in het plangebied voorkomende stroomgordels zich binnen de ontgravingsdiepte van maximaal 2,05 m kunnen bevinden. Het gaat hier om de volgende stroomgordels: Brakel, (crevasses van) Spelwerd, Broek, Molenveld, Zaltbommel-Nederhemert, Oensel, Gameren en Bruchem. Op de oudste stroomgordels (Brakel, Spelwerd en Broek) zijn tot op heden nog geen archeologische sporen aangetroffen, maar in theorie kunnen hier sporen vanaf de periode neolithicum tot en met de bronstijd worden aangetroffen. Op de Zaltbommel-Nederhemertstroomgordel zijn resten uit de periode bronstijd-ijzertijd aangetroffen. De Molenveld, Oensel, Gameren en Bruchem-stroomgordels zijn gezien de einddatering van hun actieve fase bewoonbare locaties geweest in de ijzertijd, Romeinse tijd en in de vroege tot late middeleeuwen. Op de stroomgordel van Gameren liggen diverse vindplaatsen uit de (laat) Romeinse tijd.
Complextype en omvang Huisplaatsen of nederzettingen uit de neolithicum, bronstijd (op de oude stroomgordels, oeverzones en crevasses) en uit de ijzertijd, Romeinse tijd, vroege en late middeleeuwen (op de jonge stroomgordels, oeverzones en crevasses). Nederzettingen op de stroomruggen kunnen een omvang hebben van naar schatting 1000-2500 m2; op crevasses en langs geulen kan de ruimte beperkter zijn geweest en het woonvlak van een nederzetting of huisplaats daarmee ook geringer. Uiterlijke kenmerken Een bewoningsniveau kan in boringen herkenbaar zijn als een humeuze band in de gerijpte klei (laklaag) met ophogingskenmerken of een veraarde en mogelijk verbrande laag in (de top van) het veen, vaak rijk aan vondstmateriaal zoals aardewerk, huttenleem, metaalslakken, bot en hout of houtskool. In het algemeen kan ook de intacte bovenzijde van de stroomrug (oeverafzetting) een mogelijk bewoningsniveau of loopvlak zijn. Een bewoningsniveau kenmerkt zich verder als een vondststrooiing. Mogelijke verstoringen De landontginning en het gebruik van (een gedeelte van) het gebied als bouwland, alsmede de aanleg van de N322 kunnen hebben geleid tot een plaatselijke verstoring van de bodem.
Tevens zijn er in de nabijheid van het plangebied verstoringen te verwachten door welke veroorzaakt zijn door eerdere bodemingrepen voor ondergrondse infrastructuur (bestaande kabel- en leidingstroken) en van wegwerkzaamheden. De N322 fungeert immers ook als route voor diverse transportleidingen en kabels. De verstoringen door de aanleg daarvan zijn met name in de berm van de weg te verwachten. Hierbij dient te worden opgemerkt dat het huidige tracé grotendeels in weilandgebied gesitueerd is (en niet in de berm). Ook in de weilanden zijn plaatselijk al kabels en leidingen aanwezig en is drainage toegepast. De aanleg daarvan kan plaatselijk tot verstoringen hebben geleid, waarbij echter moet worden opgemerkt dat de huidige werkzaamheden waarschijnlijk een groter gebied beslaan dan vele van de voorgaande bodemingrepen.
Blad 17 van 40
Antea Group Archeologie 2020/156 Inventariserend Veldonderzoek d.m.v. boringen projectnummer 459613 10 december 2020 revisie 00 Reddyn B.V.
2.11
Conclusies (bureauonderzoek) Het plangebied ligt in het Midden-Nederlandse rivierengebied en doorsnijdt verschillende stroomgordels. De vroegste prehistorische en historische bewoning in de omgeving moet gezocht worden op deze hoger gelegen stroomgordels en crevassecomplexen: voor deze gebieden geldt dan ook een hoge archeologische verwachting. Voor de komgebieden geldt een lage archeologische verwachting. Deze gebieden waren tot in de late middeleeuwen of nieuwe tijd weinig geschikt voor bewoning. Op grond van de beschikbare gegevens is gebleken dat alle in het plangebied voorkomende stroomgordels zich binnen de ontgravingsdiepte van maximaal 2,05 m kunnen bevinden. Op de oudste stroomgordels (Brakel, Spelwerd en Broek) zijn tot op heden nog geen archeologische sporen aangetroffen, maar in theorie kunnen hier sporen vanaf de periode neolithicum tot en met de bronstijd worden aangetroffen. Op de Zaltbommel-Nederhemertstroomgordel zijn resten uit de periode bronstijd-ijzertijd aangetroffen. De Molenveld, Oensel, Gameren en Bruchem-stroomgordels zijn gezien de einddatering van hun actieve fase bewoonbare locaties geweest in de ijzertijd, Romeinse tijd en in de vroege tot late middeleeuwen. Op de stroomgordel van Gameren liggen diverse bekende vindplaatsen uit de (laat) Romeinse tijd. In de directe nabijheid van het tracé zijn op meerdere plaatsen kabels en leidingen aanwezig.
Het onderhavige onderzoek loopt echter over het algemeen niet door een bestaand tracé en is gelegen in de rand van de weilanden. Daarnaast zullen de te ontgraven breedte en diepte over het algemeen omvangrijker zijn dan de werkzaamheden die reeds in de omgeving van het plangebied hebben plaatsgevonden.
2.12
Advies (bureauonderzoek) Geadviseerd werd om archeologisch vervolgonderzoek uit te voeren op de locaties waar stroomgordels worden verwacht (bedding en oeverafzettingen). Hierbij is de archeologische beleidskaart en de doorvertaling hiervan in de bestemmingsplannen van de gemeente Zaltbommel leidend. De basis voor deze kaart wordt gevormd door de stroomgordels die in het gebied te vinden zijn. Zones waar stroomgordels worden doorkruist, worden beschouwd als een advieszone. Het advies is in eerste instantie om in deze zones een karterend booronderzoek uit te voeren. Gebieden waar geen sprake is van stroomgordels en gebieden waar de werkzaamheden door middel van gestuurde boringen plaats zullen vinden worden vrijgesteld van archeologisch onderzoek. Een karterend archeologisch booronderzoek bestaat voor tracé-onderzoeken uit één boring op elke 25 m van het tracé. De boringen worden minimaal tot de verstoringsdiepte doorgezet en waar nodig wat dieper om de stroomgordels beter in kaart te brengen. Karterende fase houdt in dat het onderzoek dient om vindplaatsen op te sporen, waarbij de verkennende fase van onderzoek wordt overgeslagen. De aanwezigheid van de stroomgordels binnen de verstoringsdiepte is immers bekend: de onderzoeksvraag betreft daarom of zich binnen het tracé archeologische vindplaatsen (kunnen) bevinden.
Circa 5 km van het tracégedeeldte in de gemeente Zaltbommel bevindt zich in een gebied waar een dubbelbestemming archeologie van kracht is en wordt aangelegd in open ontgraving op locaties waar stroomgordels en/of crevasses in de ondergrond aanwezig zijn (deelgebied D t/m R in tabel 5).
Blad 18 van 40
Antea Group Archeologie 2020/156 Inventariserend Veldonderzoek d.m.v. boringen projectnummer 459613 10 december 2020 revisie 00 Reddyn B.V.
Advieszone19
Stroomgordels
D
Gameren, Brakel, Molenveld
E
Actuele NAPhoogte
Verwacht niveau conform Cohen & Stouthamer
670 m
Aantal boring en 27
> 1,4 m +NAP
Gameren, Brakel
650 m
26
> 1,6 m +NAP
F
Gameren, Brakel
150 m
6
> 1,6 m +NAP
G
Gameren, Brakel
350 m
14
> 1,5 m +NAP
H I J K
Brakel Brakel Brakel Gameren (crevasse) Brakel Gameren ZaltbommelNederhemert ZaltbommelNederhemert
220 m 160 m 460 m 90 m
9 7 19 4
> 1,4 m +NAP > 1,3 m +NAP > 1,3 m +NAP > 1,7 m +NAP
Brakel: 2,1 - 0 m –NAP Gameren: 0,3 – 2,2 m +NAP Molenveld: 1,4 m –NAP - 0,2 m +NAP Brakel: 2,1 - 0 m –NAP Gameren: 0,3 – 2,2 m +NAP Brakel: 2,1 - 0 m –NAP Gameren: 0,3 – 2,2 m +NAP Brakel: 2,1 - 0 m –NAP Gameren: 0,3 – 2,2 m +NAP 2,1 - 0 m –NAP 2,1 - 0 m –NAP 2,1 - 0 m –NAP 0,3 – 2,2 m +NAP
450 m 550 m 190 m
18 22 8
> 1,6 m +NAP > 2,3 m +NAP > 2,1 m +NAP
2,1 - 0 m –NAP 0,3 – 2,2 m +NAP 0,1 – 1,7 m + NAP
350 m
14
> 2,3 m +NAP
0,1 – 1,7 m + NAP
P
ZaltbommelNederhemert, Brakel, Spelwerd
150 m
7
> 2,6 m +NAP
Q
Brakel, Bruchem, Broek
260 m
11
> 2,5 m +NAP
R
Brakel, Bruchem, Broek
180 m
8
> 2,5 m +NAP
Zaltbommel-Nederhemert: 0,1 – 1,7 m + NAP Brakel: 2,1 - 0 m –NAP Spelwerd: 0,6 – 0,5 m - NAP Brakel: 2,1 - 0 m –NAP Bruchem: 1,4 – 2,7 m + NAP Broek: 0 – 0,5 m + NAP Brakel: 2,1 - 0 m –NAP Bruchem: 1,4 – 2,7 m + NAP Broek: 0 – 0,5 m + NAP
totaal
c. 5 km
c. 200
L M N O
Lengte tracé
Tabel 5. Advieszones met verwachting (stroomgordel), lengte en aantal karterende boringen.
19
N.B. advieszones B en C zijn na het verlengen van de HDD-boring vervallen
Blad 19 van 40
Antea Group Archeologie 2020/156 Inventariserend Veldonderzoek d.m.v. boringen projectnummer 459613 10 december 2020 revisie 00 Reddyn B.V.
3
Veldonderzoek
3.1
Doel- en vraagstelling Het doel van het inventariserend veldonderzoek is het toetsen van de archeologische verwachting, zoals deze op basis van het uitgevoerde bureauonderzoek is opgesteld. Het uitgevoerde onderzoek betreft een inventariserend veldonderzoek door middel van boringen, karterende fase. Een karterend onderzoek heeft als doel het in kaart brengen van eventuele verstoringen in de bodem, het verkrijgen van enig inzicht in de bodemopbouw van het gebied en het bepalen van de aan- of afwezigheid van archeologische vindplaatsen. Het onderzoek dient antwoord te geven op de volgende vragen:20 1. Wat is de bodemopbouw en zijn er aanwijzingen voor bodemverstoringen? 2. Welke stroomgordels zijn er in het gebied aangetroffen en hoe zijn deze te herkennen? 3. Zijn er binnen het plangebied één of meerdere vindplaatsen aanwezig en / of zijn er archeologische indicatoren aangetroffen die hierop kunnen wijzen? Zo ja, wat is de aard, conserveringstoestand en datering van deze indicatoren /vindplaats(en)? 4. Indien er archeologische lagen aanwezig zijn, op welke diepte bevinden deze zich (minimale en maximale diepte) en waaruit bestaan deze lagen? 5. In welke mate wordt een eventueel aanwezige vindplaats verstoord door de realisatie van de geplande bodemingrepen? 6. Hoe kan deze verstoring door planaanpassingen tot een minimum worden beperkt? 7.
In welke mate stemmen de resultaten van het veldwerk overeen met de verwachtingen van de bureaustudie? 8. Wat zijn de aanbevelingen? Is nader onderzoek noodzakelijk? Zo ja, waaruit kan deze bestaan?
20
Conform PvA: Fens, 2020.
Blad 20 van 40
Antea Group Archeologie 2020/156 Inventariserend Veldonderzoek d.m.v. boringen projectnummer 459613 10 december 2020 revisie 00 Reddyn B.V.
3.2
3.3
Onderzoeksopzet en werkwijze Datum uitvoering
Maart en zomer 2020
Veldteam
R. Fens (KNA-prospector/-archeoloog) & I. Fleuren (archeoloog)
Weersomstandigheden
Wisselvallig (maart), tropische hitte (zomer)
Boortype
Edelman 6/10 voor de stugge bovengrond, daarna guts – 3 cm Zuigboor voor de dieper gelegen zandlagen.
Methode conform Leidraad SIKB21 Motivatie methode
B2 (arch. laag): 20 x 25 m - 3 cm guts – boormes
Aantal boringen
200
Oriëntatie grid t.o.v. geomorfologie/paleo-landschap Wijze inmeten boringen
n.v.t. (betreft een tracéonderzoek)
Overige toegepaste methoden Wijze onderzoek / beschrijving boorkolom Verzamelwijze archeologische indicatoren Bemonstering
n.v.t.
Vondstzichtbaarheid aan oppervlak Omschrijving oppervlaktekartering Afwijkingen t.o.v. PvA
slecht
Doelen en wensen opdrachtgever Randvoorwaarden
Geen bekend
Een archeologische laag is goed op te sporen wanneer gebruik wordt gemaakt van een boormes en een guts. Met de B2 methode kunnen middelgrote nederzettingen (inclusief steentijd-bronstijd vindplaatsen) worden opgespoord. De methode is ook toereikend voor bijv. huisplaatsen uit latere perioden (D1).
Toughpad
NEN 5104/ASB Snijden/ verbrokkelen n.v.t.
n.v.t.: slechte vondstzichtbaarheid Geen
Geen bekend
Resultaten Voor een overzicht van de boringen wordt verwezen naar de boorprofielen in Bijlage 3, de raaiprofielen van enkele deelgebieden (afbeelding 2 t/m 7) en de situatiekaarten in de kaartenbijlage. Voor het Midden-Nederlandse rivierengebied vindt de lithologisch genetische toewijzing (i.e. bedding, oeverwal, crevasse, restgeul of komafzetting) hoofdzakelijk op lithologische beschrijving plaats, terwijl er ook wordt gekeken naar bepaalde fysische en chemische eigenschappen (zoals kalkgehalte). De toeschrijvingen aan bepaalde faseringen van het rivierensysteem vindt voort plaats op grond van de stratigrafische volgorde in combinatie met bekende gegevens. 21
Tol e.a. 2012
Blad 21 van 40
Antea Group Archeologie 2020/156 Inventariserend Veldonderzoek d.m.v. boringen projectnummer 459613 10 december 2020 revisie 00 Reddyn B.V.
3.3.1
Bodemopbouw en fysische geografie Deelgebied 1: boringen 050-105 Deze boringen zijn gelegen in een gebied waarin volgens de stroomgordelkaart afzettingen behorende bij de Brakel, Molenveld en Gameren stroomgordel worden verwacht. Binnen deelgebied 1 kan een ruwe verdeling worden gemaakt tussen een westelijke zone waarbij oever- en beddingafzettingen in de diepere ondergrond aanwezig zijn, en een oostelijke zone waar het pakket aan bedding- en oeverwalafzettingen aanzienlijk dikker en ondieper gelegen is en wordt afgedekt door een kleiniveau dat plaatselijk gerijpt is. Westelijke zone: boringen 050-078 Binnen deze zone bestaat de bodem over het algemeen uit een bouwvoor van matig siltige en zwak humeuze klei, met daaronder een dik pakket matig siltige en kalkarme komklei. In de meeste boringen is vanaf 1 tot 1,5 m-mv een dun laagje veen of klei met veenlaagjes of plantenresten aanwezig. De humeuze kleilagen zijn hier matig veraard en bevatten nog veel plantenresten (het betreft hier geen laklagen). Onder de klei zijn oeverwal- en beddingafzettingen aangetroffen. Deze afzettingen worden hier geïnterpreteerd als behorende tot de Molenveld stroomgordel.
De zandige oeverwalafzettingen (zeer fijn, uiterst siltig en neutraalgrijs zand) zijn in boringen 050 t/m 060 en in boringen 073 t/m 078 aangetroffen, met een begindiepte variërend van 1,75 tot 2,8 m-mv en een dikte van 0,6 tot 1,3 m dik. Ter plaatse van boringen 066 t/m 071 bestaat de ondergrond vanaf circa 1,5 m-mv uit matig fijn en matig siltig beddingzand. Het zand wordt afgedekt door een oeverwalachtige laag, bestaande uit matig zandige klei, die het duidelijkste gevormd is in boring 066. Ook deze afzettingen worden geïnterpreteerd als afzettingen van de Molenveld stroomgordel. De humeuze laag boven op het overwalpakket in boring 067 is, vanwege de hoeveelheid organische resten, de slappe consistentie en de kleur, geïnterpreteerd als slootbodem. In boringen 059 en 062 t/m 064 bevat de ondergrond geen (kleiig) zand. Mogelijk zijn hier restgeulen gelegen. In boring 062 en 065 zijn direct onder de bouwvoor zwarte vlekken in de gerijpte komklei aanwezig: dit zijn resten van een vegetatiehorizont of laklaag die mogelijk over een groter gebied aanwezig was, maar (elders) in de bouwvoor is opgenomen. Vermoed wordt dat ditzelfde niveau ook in boringen 155-160 is aangetroffen en op die locatie beter intact is.
Oostelijke zone: boringen 079 t/m 105 De bodemopbouw bestaat, van onder naar boven, uit een dik pakket zandige bedding- en oeverwalafzettingen dat naar boven toe kleiiger wordt. De oeverwalachtige sedimenten worden over het algemeen reeds vanaf 0,5 m-mv aangetroffen. Bovenop deze afzettingen ligt een laag sterk siltige, matig gleyhoudende en kalkrijke klei. Deze klei ligt direct onder de bouwvoor (scherpe overgang) en wordt vanaf 0,1 tot 0,5 m-mv aangetroffen. Het betreft enigszins gerijpte komklei of mogelijk de top van het oeverwalpakket. Vermoed wordt dat al deze afzettingen van bedding, oever en (gerijpte) komklei onderdeel zijn van de Gameren fase. In boringen 079 t/m 081 en 083 is de onder de bouwvoor gelegen kleilaag uiterst siltig, gerijpt, oeverwalachtig en direct aanwezig op het onderliggende en landschappelijk gezien duidelijk hoger gelegen en zandige pakket aan oever- en beddingzand. Het grovere zand in de ondergrond duidt erop dat het hier een opgevulde geul betreft (stroomrug). Hier is sprake van een scherpe landschappelijke overgangszone naar het beduidend lager gelegen westelijke gebied en een mogelijke restgeul ter plaatse van boring 082 in het oosten.
Blad 22 van 40
Antea Group Archeologie 2020/156 Inventariserend Veldonderzoek d.m.v. boringen projectnummer 459613 10 december 2020 revisie 00 Reddyn B.V.
Afbeelding 2. Visualisatie van de ondergrondse aanwezigheid van bedding- oeverwalafzettingen (geel), siltige, kalkrijke en (matig) gerijpte komklei / oeverwalafzettingen (oranje) en venige natte / natte zones (blauw) binnen deelgebied 1. De zone voor vervolgonderzoek zijn weergegeven in rode strepen boven de profielen.
Boringen 100 en 101 vallen op doordat de sterk siltige en matig gleyhoudende kleilaag direct onder de bouwvoor zwak humeus en relatief dik is. Mogelijk betreft dit restanten ‘oude woongrond’: een woon- of akkerlaag uit de Romeinse tijd of uit de middeleeuwen (afbeelding 2). In deze zone komen ook mangaanconcreties op vergelijkbare diepte voor (namelijk in boringen 097 t/m 101).
Blad 23 van 40
Antea Group Archeologie 2020/156 Inventariserend Veldonderzoek d.m.v. boringen projectnummer 459613 10 december 2020 revisie 00 Reddyn B.V.
Deelgebied 2: boringen 106-132 Deze boringen zijn gelegen in een gebied waar volgens de stroomgordelkaart afzettingen behorende tot de stroomgordel en een crevasse van de Brakel worden verwacht. In deze zone bestaat de bodem, van boven naar beneden, uit een matig siltige en zwak humeuze bouwvoor met daaronder een laag kalkarme, matig siltige en enigszins gerijpte komklei. Ter plaatse van boringen 123 t/m 132 bevindt zich onder de gerijpte komklei tot aan de einddiepte een dik pakket komafzettingen. In enkele boringen Brakel In boring 122 is op een diepte van 2,6 m-mv mogelijk de bedding van de Brakelse stroomgordel aangetroffen (matig grof, matig siltig en kalkarm zand). Verder zijn in boringen 112 t/m 115 oeverwal- op beddingafzettingen (grof zand) aangetroffen. De oeverwallen bevinden zich op een diepte tussen de 1,8 en 2,8 m-mv en bestaan uit zeer fijn, kleiig en kalkrijk zand. Aan de westzijde van deze vermoedelijke oeverwal van Brakelse stroomgordel ligt een veenpakket op gelijke diepte en aan de oostkant een uiterst siltig (slap) kleipakket, vermoedelijk een restgeul. Gameren fase 1: crevasse ter plaatse van restgeul Brakel Ter plaatse van boringen 116 t/m 120 is mogelijk een restgeul van de Brakel stroomgordel waarvan bedding en oever in boringen 112-115 zijn aangetroffen.
Boven het pakket van restgeulafzettingen is ter plaatse van boring 118, is tussen 0,65 en 1,4 m-mv een pakket zwak zandige en zwak grindige klei aangetroffen met grofzandige lagen. Dit pakket wordt geïnterpreteerd als zijnde de kern van een crevasse behorende tot de net iets noordelijker gelegen Gameren stroomgordel. De crevasse is waarschijnlijk het resultaat van een oeverdoorbraak in de buitenbocht van de rivier, waarbij de crevassegeul zich gevormd heeft ter plaatse van de ook toen nog lager gelegen, maar veel oudere restgeul van de Brakel. De crevasseachtige afzettingen zijn aangetroffen in boringen 106-122 vanaf een diepte van 0,6 tot 1,35 m -mv. De crevasse is breed uitgewaaierd in westelijke richting, waarbij de afzettingen steeds kleiiger worden. Naar het oosten toe bestaat de top van de crevasseafzettingen uit sterk tot uiterst siltige kalkrijke klei. Ter plaatse van boringen 121 en 122 ligt de top relatief hoog en direct onder de bouwvoor, op een diepte van 0,3 en 0,5 m -mv. Op deze locaties is de siltige klei sterk gleyhoudend en gerijpt. Een scherp landschappelijk contrast is zichtbaar tussen boringen 122 en 123: in boring 123 zijn geen crevasseachtige afzettingen meer aanwezig, en is sprake van een dik pakket (kalkloze) komafzettingen. Nergens zijn aan de top van de crevasse-afzettingen resten aangetroffen van een vegetatielaag of van ‘oude woongrond’.
Gameren fase 2: gerijpte komklei De crevasseafzettingen worden over het algemeen afdekt door een laag matig sitige, matig gleyhoudende gerijpte komklei. In boringen 118 t/m 120 is deze laag sterk tot uiterst gleyhoudend. In boring 127 t/m 132 is de chemische en fysische rijping minder sterk aanwezig, maar in boringen 127 en 128 is wel sprake van een grijze vlekken in deze klei. De vlekken liggen op een diepteligging (circa 0,7-0,75 m -mv) waar in de andere boringen nog de crevasseafzettingen aanwezig zijn. Het betreft mogelijk een subtiel ontwikkelde vegetatiehorizont in het komgebied, maar het kan niet worden uitgesloten dat het hier feitelijk om verstoringen gaat van het cultuurtechnisch herstel van de werkstraat van de naastgelegen watertransportleiding. Duidelijke verstoringen van het profiel zijn bijvoorbeeld ook herkend in de boringen 125-126 en 129-132
Blad 24 van 40
Antea Group Archeologie 2020/156 Inventariserend Veldonderzoek d.m.v. boringen projectnummer 459613 10 december 2020 revisie 00 Reddyn B.V.
Gameren fase 3: kleinschalige crevasse Ter plaatse van boringen 109 en 110 wordt de gerijpte komklei afgedekt door een dun laagje uiterst fijn en zwak siltig of kleiig zandlaagje. Dit laagje wordt geïnterpreteerd als crevassezand behorende tot een zeer kleinschalige en jonge crevasse van de Gameren stroomgordel (afbeelding 3).
Afbeelding 3. Visualisatie van de ondergrondse aanwezigheid van bedding- oeverwalafzettingen (geel), kleinschalige crevasse (rood), (matig) gerijpte komklei (oranje) waarschijnlijk behorende bij verschillende Gameren fases. Mogelijke bedding- oeverafzettingen van de Brakel stroomgordel zijn in het grijs respectievelijk paars weergegeven
Blad 25 van 40
Antea Group Archeologie 2020/156 Inventariserend Veldonderzoek d.m.v. boringen projectnummer 459613 10 december 2020 revisie 00 Reddyn B.V.
Deelgebied 3: boringen 133 tot en met 154 Binnen deze zone worden op basis van de gegevens op de stroomgordelkaart afzettingen van de Brakel stroomgordel verwacht. Op de locatie bestaat de bodem van boven naar beneden uit een bouwvoor van circa 0,5 m dik, met daaronder een dik pakket matig siltige klei. Binnen het gehele gebied is een veenlaag aanwezig op een diepte variërend van 1,4 tot 2,2 m-mv. In boringen 137 t/m 141 wordt het veen afgedekt door een zwak humeuze, blauwe laag klei. De laag bevat kenmerken van reducerende omstandigheden en is dus niet gerijpt. In boring 148 is direct onder de bouwvoor een sterk humeus, matig siltig en donkergrijs vegetatiehorizont aangetroffen. Verder is in boring 150 een mogelijk vegetatiehorizont aangetroffen op een diepte van 1,1 m-mv (sterk siltige, matig humeuze en donkergrijze klei). Het lijkt er op dat dit vegetatielaagje kunnen koppelen een de waarnemingen in deelgebied 4, waar deze laklaag beter/intacter aanwezig is (zie onder). In boringen 146 t/m 149 zijn op een diepte van circa 2,5 m-mv mogelijk oeverwalafzettingen van de Brakel aangetroffen. In boring 147 bestaan de afzettingen uit uiterst fijn en sterk siltig zand, en in de overige boringen uit zwak tot matig zandige klei.
Blad 26 van 40
Antea Group Archeologie 2020/156 Inventariserend Veldonderzoek d.m.v. boringen projectnummer 459613 10 december 2020 revisie 00 Reddyn B.V.
Deelgebied 4: boringen 155 t/m 161 In deelgebied wordt op basis van de stroomgordelkaart een crevasse van de Gameren stroomgordel verwacht. In boring 156 is direct onder de bouwvoor (vanaf 0,45 m-mv, maar met een scherpe overgang) een crevasseachtig pakket aangetroffen. De top bestaat uit zeer fijn, kleiig en sterk gleyhoudend (gerijpt) zand. In de overige boringen is een dik pakket matig siltige komklei aanwezig. Ter plaatse van boring 158 is op een diepte van 0,65 tot 70 m-mv een laklaagje aangetroffen (sterk humeus, zwart en vlekkerig). Ook in zijn kenmerken van vegetatiehorizonten aanwezig. In boring 155 ligt er onder de bouwvoor een aangeploegde laklaag met aan de top brokken crevassezand. In boring 157 is de klei onder de bouwvoor matig gleyhoudend en aan de top enigszins zwart gevlekt. Boring 160 bevat op een diepte van 0,75 tot 0,8 m-mv een sterk humeus laagje zwarte klei. Landschappelijk gezien vormt deze crevasse een smalle corridor door een laag gelegen (kom)gebied, waarbij de aangetroffen vegetatiehorizonten / laklagen duiden op een relatief droge periode waarin ook exploitatie van het komgebied aan de orde was, vermoedelijk in de Romeinse tijd (afbeelding 4).
Afbeelding 4. Visualisatie van de ondergrondse aanwezigheid van crevasseafzettingen (geel) en mogelijke vegetatielaag (bruin) binnen het plangebied. De zones voor vervolgonderzoek zijn weergegeven met een rode lijn boven de boorprofielen.
Blad 27 van 40
Antea Group Archeologie 2020/156 Inventariserend Veldonderzoek d.m.v. boringen projectnummer 459613 10 december 2020 revisie 00 Reddyn B.V.
Deelgebied 5: boringen 162 t/m 180 Deze boringen zijn deels gelegen in een gebied waarin volgens de stroomgordelkaart afzettingen van de Brakel stroomgordel worden verwacht. De bodemopbouw binnen het plangebied bestaat uit een bouwvoor van matig tot sterk siltige klei met hieronder een pakket komafzettingen tot aan de einddiepte. In drie boringen is op een begindiepte van 1,3 tot 1,9 m -mv zwak tot matig zandige en kalkrijke klei aangetroffen. In boring 174 is de (niet intacte) top zwak roesthoudend en omschreven als oeverwalachtig. Mogelijk is de zandige klei afkomstig van de verder naar het noorden gelegen crevasse van Gameren, en betreft het een uitwaaiiering in het komgebied of betreft het gezien de relatief diepe ligging van de zandige klei een nevengeul van een andere stroomgordel. Verder komen in de diverse pakketten veel humeuze niveaus voor, veenlagen en plantenresten, maar duidelijke vegetatiehorizonten (of sterk veraarde vegetatielagen) ontbreken in de profielen. Deelgebied 6: 181-210 (IVO-O nog niet uitgevoerd) Ter plaatse van boringen 203 t/m 210 worden volgens de stroomgordelkaart afzettingen van de Zaltbommel-Nederhemert stroomgordel verwacht. Vanwege het niet verkrijgen van betredingstoestemmingen is het gros van de geplande boringen op deze locatie niet gezet. Enkel boringen 181 en 182 zijn uitgevoerd.
De bodemopbouw bestaat van boven naar beneden uit matig siltige en zwak humeuze klei, gevolgd door een laag matig siltige en matig gleyhoudende komklei. Vanaf circa 1 m-mv is de klei sterk siltig en sterk gleyhoudend. In boring 181 wordt de klei vanaf 1,8 m-mv zwak humeus en donkergrijs. In boring 182 is op een diepte van 1,8 m-mv een uiterst siltige en uiterst fijne, matig gleyhoudende zandlaag aanwezig, die vanaf 2,4 m-mv scherp overgaan naar een donkergrijze, matig humeuze kleilaag. Deze lagen worden geïnterpreteerd als restgeul of een komgebied dat in de buurt van de Zaltbommel-Nederhemert stroomgordel gelegen was. De humeuze kleilagen bevatten geen archeologische indicatoren. Bij een booronderzoek uitgevoerd door ADC ten oosten van deelgebied 6 zijn in de humeuze kleilagen echter houtskoolspikkels of houtskoolbrokken aangetroffen.22 De sterk siltige klei en het onderliggende zand in boring 182 zijn mogelijk te relateren aan de kronkelwaard van de Zaltbommel-Nederhemert die verder naar het oosten is aangetroffen. Op basis van deze twee boringen is het echter niet mogelijk om een genuanceerder beeld van deze zone te presenteren. Op de locaties parallel aan geplande boringen 190 t/m 210 heeft echter reeds een uitgebreid proefsleuven-onderzoek plaatsgevonden (ter plaatse van de aan de overzijde van de sloot naastgelegen N322).
Bij dit onderzoek is ter plaatse van (geplande boringen 200 t/m 202 een vindplaats aangetroffen. De proefsleuven in de directe nabijheid van de overige boringen hebben geen vindplaatsen opgeleverd (afbeelding 5).23
22 23
Nijdam, 2009. Kodde & Roessingh (red.), 2018.
Blad 28 van 40
Antea Group Archeologie 2020/156 Inventariserend Veldonderzoek d.m.v. boringen projectnummer 459613 10 december 2020 revisie 00 Reddyn B.V.
Afbeelding 5. Deelgebied 6 met een projectie van eerder archeologisch onderzoek in de omgeving. De zone voor vervolgonderzoek is weergegeven binnen de rode cirkel. (bron: Kodde & Roessingh (red.), 2018: p. 14, afb. 2.1 / Esri & partners).
Deelgebied 7: boringen 211 t/m 226 (IVO-O nog niet uitgevoerd) De geplande boringen op deze locatie konden vanwege het niet verkrijgen van betredingstoestemmingen niet worden uitgevoerd. Volgens de stroomgordelkaart kunnen op deze locatie afzettingen behorende bij de Zaltbommel-Nederhemert en de Brakel stroomgordels worden verwacht. Ten noordwesten van dit deelgebied zijn meerdere archeologische vindplaatsen op de Zaltbommel-Nederhemert stroomgordel aangetroffen.24 Deelgebied 8: boringen 227 t/m 233 Op deze locatie worden op basis van de stroomgordelkaart afzettingen behorende bij de Brakel en Bruchem stroomgordels verwacht. De bodemopbouw bestaat van boven naar beneden uit een pakket omgewerkte grond van 0,3 tot 0,5 m dik met resten baksteen (ploegvoor van maïsakkers). Hieronder bevindt zich in boringen 232 en 233 een laag sterk zandige en sterk gleyhoudende klei van 0,4 à 0,5 m dik. Deze laag wordt geïnterpreteerd als oeverwalafzettingen behorende bij de Bruchem stroomgordel (buitenbocht), maar ook zijn er aanwijzingen voor het opbrengen van grond. Verder naar het noorden wordt deze laag geleidelijk aan minder zandig (boringen 227 t/m 230). De Bruchem stroomgordel is niet intact aanwezig, het pakket is goeddeels opgenomen in de huidige ploegvoor.
Hieronder bevindt zich een sterk verbruind niveaudat bestaat uit een laag stijve, kalkarme, matig siltige, en matig gleyhoudende klei. Onder deze laag over het algemeen pakket sterk tot uiterst 24
Kodde & Roessingh (red.), 2018.
Blad 29 van 40
Antea Group Archeologie 2020/156 Inventariserend Veldonderzoek d.m.v. boringen projectnummer 459613 10 december 2020 revisie 00 Reddyn B.V.
siltige en kalkrijke klei aanwezig.25 In boringen 232 en 233 is vanaf 1,55 respectievelijk 1,7 m -mv laag uiterst siltig, zeer fijn en kalkrijk zand aangetroffen van 0,8 tot 0,9 m dik, met een geoxideerd niveau op 2,3 tot 2,4 m-mv. Deze laag wordt geïnterpreteerd als een oeverafzetting of wellicht een (onbekende) nevengeul behorende bij de verder naar het noorden gelegen ZaltbommelNederhemert stroomgordel. Ook hier wordt het pakket minder zandig richting het noorden (afbeelding 6). Het geoxideerde niveau op die diepte duidt op rijping van het pakket, hoewel ook hierbij geen vegetatiehorizont is aangetroffen.
Afbeelding 6. Visualisatie van de ondergrondse aanwezigheid van oeverafzettingen (geel) behorende bij de Bruchem stroomgordel en mogelijke oeverafzettingen van de Zaltbommel-Nederhemert stroomgordel (oranje) binnen het plangebied. De zone voor vervolgonderzoek is weergegeven met een rode lijn boven de boorprofielen.
25
Verbruining vermindert het zicht op kenmerken zoals kleur en eventuele aanwezigheid van laklagen.
Blad 30 van 40
Antea Group Archeologie 2020/156 Inventariserend Veldonderzoek d.m.v. boringen projectnummer 459613 10 december 2020 revisie 00 Reddyn B.V.
Deelgebied 9: boringen 234 t/m 252 Op deze locatie worden op basis van de stroomgordelkaart afzettingen van de Bruchem en eventueel de Brakel stroomgordels verwacht. Op deze locatie is aan het oppervlakte een scherf met een mogelijke Romeinse datering aangetroffen (afbeelding 7). De Bruchem stroomgordel is echter niet intact aanwezig en opgenomen in de ploegvoor (in gebruik als maïsakker). De bodem bestaat van boven naar beneden uit omgewerkte grond (AP-horizont) van 0,4 tot 0,5 m dik. Hieronder bevindt zich een pakket stevige, matig siltige klei en matig roesthoudende klei met oranje vlekken. In deze laag zijn in verschillende boringen houtskoolresten aangetroffen (namelijk in boringen 235, 236, 238, 239, 240, 241 en 243). In boring 237 lagen houtskoolbrokjes in een pakket zwak zandige klei (tussen 2,5 en 2,6 m-mv). In boringen 242 t/m 244 en 252 bevat deze laag zwarte vlekken. Het houtskool kon niet worden verzameld.
Afbeelding 7. Oppervlaktevondst (verstoring door ploegen) uit deelgebied 9: scherf geverfde waar mogelijk Niederbieber techniek c, Romeinse tijd, vanaf late 2e eeuw na Chr.
Onder de klei is ter plaatse van boringen 235 t/m 237 uiterst fijn zand en zwak zandige klei aanwezig. Deze afzettingen worden geïnterpreteerd als oeverafzettingen van de ZaltbommelNederhemert stroomgordel. De aanwezigheid van houtskool en zwarte vlekken kan wijzen op de
Blad 31 van 40
Antea Group Archeologie 2020/156 Inventariserend Veldonderzoek d.m.v. boringen projectnummer 459613 10 december 2020 revisie 00 Reddyn B.V.
aanwezigheid van een vindplaats in de omgeving van deelgebied 9. Mogelijk kunnen deze archeologische indicatoren in verband worden gebracht met het AMK-terrein dat zich op het perceel aangrenzend aan de noordkant van het plangebied bevindt. Op dat terrein is vanaf circa 1 m -mv in de top van oeverafzettingen van de Zaltbommel-Nederhemert (bestaande uit lichte klei en zavel) houtskool, huttenleem en vuursteenafval aangetroffen. Hoewel in boringen 236-237 en de directe omgeving het zandige kleipakket pas rond 1,5 m -mv begint worden de verspreid aangetroffen houtskoolbrokjes en mogelijk de opvallende humusvlekjes geïnterpreteerd als eventuele indicatoren voor een archeologische vindplaats. Ter plaatse van boringen 244-252 bestaat de ondergrond uit zeer en uiterst fijn, matig tot uiterst siltig zand. Dit pakket is vanaf 0,9 tot 1,8 m -mv aangetroffen en wordt geïnterpreteerd als oeverafzettingen van de Spelwerd stroomgordel of eventueel kronkelwaardafzettingen van de Zaltbommel-Nederhemert. In boringen 250 en 251 is onder dit pakket nog een laagje matig tot zeer grof, zwak siltig beddingzand aanwezig (afbeelding 8). In boring 244 ligt onder een zandig pakket (tussen 0,9 en 1,4 m -mv) een veraard, zwart venig kleilaagje of mogelijk laklaag op een diepte van 1,8 m -mv.
In boring 245 heeft deze laag een tegenhanger in de vorm van een beigegrijs niveau in de klei direct op de oeverafzettingen op 1,6 m -mv dat meer gerijpt is dan de komklei die hier boven ligt (dus andere fase). Dit niveau vertegenwoordigd mogelijk een oud loopvlak. Binnen het gehele deelgebied kunnen resten aanwezig zijn van vindplaatsen uit de Romeinse tijd. Deze resten liggen naar verwachting zeer ondiep en het voormalige loopvlak in de sterk gerijpte komafzettingen van Bruchem zal geheel in de ploegvoor zijn opgenomen. Mogelijk is er nog kans op dieper ingegraven grondsporen.
Blad 32 van 40
Antea Group Archeologie 2020/156 Inventariserend Veldonderzoek d.m.v. boringen projectnummer 459613 10 december 2020 revisie 00 Reddyn B.V.
Afbeelding 8. Visualisatie van de ondergrondse aanwezigheid van mogelijke oeverafzettingen (geel) van de Zaltbommel-Nederhemert en mogelijke afzettingen van de Spelwerd stroomgordel (oranje). De zone voor vervolgonderzoek is weergegeven met een rode lijn boven de boorprofielen.
3.3.2
Archeologie In deelgebied 9 zijn in de boringen, verspreid over het gebied en op wisselende dieptes houtskoolresten, humusbrokken en/of zwarte vlekken aangetroffen. Het houtkool kon niet worden verzameld. Aan de oppervlakte in hetzelfde gebied is een scherf aangetroffen (afbeelding 7; als losse vondst gedeselecteerd) waarvan wordt vermoed dat deze uit de Romeinse tijd stamt. De aanwezigheid van houtskool, zwarte vlekken en de scherf kan wijzen op de aanwezigheid van een vindplaats in de omgeving van deelgebied 9. Mogelijk kunnen deze archeologische