Bijlage 3. Zuilichem, mertstraat transformatorstation bijlagen bij toelichting
Tekst van het document
Blad 33 van 40
Antea Group Archeologie 2020/156 Inventariserend Veldonderzoek d.m.v. boringen projectnummer 459613 10 december 2020 revisie 00 Reddyn B.V.
indicatoren in verband worden gebracht met het AMK-terrein op het perceel noordelijk van het plangebied. In deelgebied 6 (waar de geplande boringen door het ontbreken van betredingstoestemming nog niet konden worden geplaatst) is een vindplaats bekend uit eerder archeologisch onderzoek. Deze vindplaats strekt zich mogelijk uit tot in het huidige plangebied (ter hoogte van geplande boringen 200-202). Daarnaast is er een aantal andere zones binnen het plangebied aan te wijzen waarvoor een hogere archeologische verwachting kan worden uitgesproken op basis landschappelijke kenmerken en daaraan gelinkte (reeds bewezen) bewoonbaarheid van het gebied. Het betreft de locaties waar de oeverwalafzettingen of crevasseafzettingen behorende bij de verschillende stroomgordels in het gebied relatief dik en hooggelegen zijn (binnen de verstoringsdiepte), aanwijzingen van rijping vertonen en/of gelegen zijn aan de rand van een landschappelijke overgangszone naar een restgeul of andersoortig natter en lager gelegen gebied. Waar in dergelijke situaties ook sprake is van een archeologische laag, zoals een humeus en gerijpt pakket (vegetatiehorizont) of een laklaag, is de kans op een archeologische vindplaats hoog. Verder geldt dat de komgebieden over het algemeen niet tot de meest gunstige bewoningslocaties worden gerekend.
Tijdens relatief droge perioden (met name in de Romeinse tijd) waren deze zones echter begaanbaar en met name in gebruik voor agrarische doeleinden, en theoretisch ook bewoonbaar. Hierbij geldt wel dat met name de komgebieden dichtbij de stroomgordels binnen de activiteitenzone van de vroegere bewoners van het gebied zullen hebben gelegen. Zoals hierboven vermeld staat worden aan gebieden waar deze vegetatiehorizonten / laklagen in de ondergrond voorkomen en deze bovendien in de overgangszone van oeverwallen en crevasses naar het komgebied zijn gelegen, een hoge archeologische verwachting toegekend.
Blad 34 van 40
Antea Group Archeologie 2020/156 Inventariserend Veldonderzoek d.m.v. boringen projectnummer 459613 10 december 2020 revisie 00 Reddyn B.V.
4
Conclusies en advies
4.1
Conclusies 1. Wat is de bodemopbouw en zijn er aanwijzingen voor bodemverstoringen? In het algemeen kan worden gesteld dat de mate van bodemverstoring in principe gering is, maar dat de overgangen van de bouwvoor naar de onderliggende klei scherp zijn. Wel is de Bruchem stroomgordel in deelgebied 9, gezien zijn ondiepe ligging, in de bouwvoor opgenomen. Daarnaast is gebleken dat veel afzettingen erosief zijn afgezet of naderhand geërodeerd zijn: over het algemeen zijn er weinig geleidelijke overgangen in het bodemprofiel aanwezig. Eventuele vondstlagen kunnen stratigrafisch niet meer intact zijn en laklagen of vegetatielagen door vermenging onherkenbaar zijn geraakt. De oppervlaktevondst in deelgebied 9 is hiervan een goed voorbeeld. Echter is een aantal locaties aanwezig waar naast de geërodeerde top van de hogere rivierafzettingen in het overgangsgebied naar de kommen een mogelijk intact niveau is aangetroffen dat in combinatie met de aanwezigheid van vegetatieresten wordt geïnterpreteerd als een oud loopvlak of woonlaag (laklagen, vegetatiehorizonten, ‘oude woongrond’). Voor nadere details omtrent de bodemopbouw wordt verwezen naar paragraaf 3.3.1. 2.
Welke stroomgordels zijn er in het gebied aangetroffen en hoe zijn deze te herkennen? In de diepere ondergrond zijn bedding- en oeverwal- en/of crevasseafzettingen van de Brakel, Molenveld, Gameren, Bruchem stroomgordel, en mogelijk de Zaltbommel-Nederhemert en de Spelwerd stroomgordels aangetroffen. Deze afzettingen bestaan over het algemeen uit kalkrijk zand, of zandige of sterk siltige klei. De oeverafzettingen zijn naar boven toe over het algemeen kleiiger en de overgang naar komklei is niet gemarkeerd met een vegetatieniveau. Aan de zijden van de hogere rivierafzettingen bevinden zich kommen ofwel later opgevulde restgeulen. 3.
Zijn er binnen het plangebied één of meerdere vindplaatsen aanwezig en / of zijn er archeologische indicatoren aangetroffen die hierop kunnen wijzen? Zo ja, wat is de aard, conserveringstoestand en datering van deze indicatoren /vindplaats(en)? Binnen het plangebied zijn geen concrete of duidelijke vindplaatsen aangetroffen, maar wel enkele indicatoren. De belangrijkste indicator betreft de laklaag of humeuze en gerijpte kleilagen (vegetatiehorizonten): ter plaatse van bekende vindplaatsen markeren precies die lagen het oude loopvlak of woonlaag, maar een laklaag duidt niet altijd op een vindplaats (deze lagen komen ook buiten nederzettingen nog voor). Verder is het mogelijk dat het houtskool dat is aangetroffen in diverse boringen en op diverse dieptes in deelgebied 9 afkomstig is van een vindplaats in de directe omgeving, waarbij bijvoorbeeld gedacht kan worden aan AMK-terrein 15674 dat ten noorden van dit gebied gelegen is. De scherf die is opgeraapt in deelgebied 9 is mogelijk afkomstig van een (geheel) verploegde vindplaats: hiervan zijn mogelijk nog de onderzijdes van dieper ingegraven grondsporen aanwezig. 4.
Indien er archeologische lagen aanwezig zijn, op welke diepte bevinden deze zich (minimale en maximale diepte) en waaruit bestaan deze lagen? Afzettingen behorende bij de Bruchem-stroomgordel liggen over het algemeen vrij hoog en zijn in deelgebied 9 in de bouwvoor opgenomen en in deelgebied 8 vanaf 0,4 m-mv aanwezig. Ook de oeverwalafzettingen van de Gameren stroomgordel liggen ondiep en zijn vanaf ongeveer 0,5 m mv aangetroffen, maar zeer plaatselijk bevindt zich hierop nog een humeus pakket onder een dunne bouwvoor (mogelijk onverstoorde oude woongrond). In deelgebied 9 zijn mogelijk de Zaltbommel-Nederhemert en de Spelwerd stroomgordels aangeboord, op een diepte van circa 1,5m-mv. In de diepere ondergrond zijn sporadisch oudere stroomgordels aangetroffen.
Blad 35 van 40
Antea Group Archeologie 2020/156 Inventariserend Veldonderzoek d.m.v. boringen projectnummer 459613 10 december 2020 revisie 00 Reddyn B.V.
Afzettingen behorende tot de Molenveld en Brakel stroomgordel liggen vrijwel overal (ruim) dieper dan de verstoringsdiepte. In deelgebied 4 is een crevasse van de Gameren fase gepaard met een laklaag op circa 0,65-0,7 m -mv. 5.
In welke mate wordt een eventueel aanwezige vindplaats verstoord door de realisatie van de geplande bodemingrepen? Indien er binnen het plangebied archeologische vindplaatsen aanwezig blijken te zijn, dan bestaat er een reële kans dat deze met de voorgenomen werkzaamheden verstoord zullen raken. 6. Hoe kan deze verstoring door planaanpassingen tot een minimum worden beperkt? Planaanpassing op het kabeltracé behoort niet tot de mogelijkheden, maar in de uitvoeringsfase kan wel gekeken worden naar technische maatregelen. Met betrekking tot de voorgenomen werkstrook en geplande graafwerkzaamheden kan de maatregel worden toegepast door de hoeveelheid grondverzet zo veel als mogelijk te beperken, om de ondiepe ligging van de crevasseafzettingen, oeverwalafzettingen en vegetatiehorizonten in de bodem te kunnen beschermen. 7.
In welke mate stemmen de resultaten van het veldwerk overeen met de verwachtingen van de bureaustudie? Naar aanleiding van het bureauonderzoek werden er binnen het plangebied crevasse- en oeverwalafzettingen van verschillende stroomgordels verwacht. De stroomgordels werden in de boorprofielen aangetroffen en dit biedt een gedetailleerd beeld van de stroomgordels binnen de tracélijn. 8.
Wat zijn de aanbevelingen? Is nader onderzoek noodzakelijk? Zo ja, waaruit kan deze bestaan? Zie paragraaf 4.2.
4.2
(Selectie)advies Archeologisch vervolgonderzoek wordt geadviseerd voor de zones waarbij de kans op het aantreffen van archeologische vindplaatsen het hoogst wordt geacht. De hogere rivierafzettingen hebben in het plangebied veelal een geërodeerde top, maar terzijde daarvan is een aantal locaties aangetroffen voornamelijk in het overgangsgebied naar de (vroegere) kommen waar en meer intact niveau is aangetroffen dat in combinatie met de aanwezigheid van vegetatieresten wordt geïnterpreteerd als een mogelijk oud loopvlak of woonlaag (laklagen, vegetatiehorizonten, ‘oude woongrond’). Het geadviseerde vervolgonderzoek bestaat uit een archeologisch proefsleuvenonderzoek (IVO-P, uit te voeren conform BRL4000, protocol 4003). Concreet gaat het hierbij om volgende gebieden (zie ook in de bijlage tekening 459613-ADV): Deelgebied 1, boring 100-101: waar boven op oeverafzettingen van de Gamerenstroomgordel en onder de huidige bouwvoor een humeus grondpakket ligt. Mogelijk betreft dit restanten ‘oude woongrond’: een woon- of akkerlaag uit de late ijzertijd, Romeinse tijd of uit de middeleeuwen; Deelgebied 4, boringen 155-158: waar een smalle crevasse is gevormd met aan weerszijden een laklaag, de crevasse en gerijpte zone aan weerszijden hiervan vormden in de late ijzertijd of latere perioden mogelijk een corridor door de natte en venige komgebieden;
Blad 36 van 40
Antea Group Archeologie 2020/156 Inventariserend Veldonderzoek d.m.v. boringen projectnummer 459613 10 december 2020 revisie 00 Reddyn B.V.
Deelgebied 6, boringen 200-202: de aanwezigheid van een vindplaats onder de N322 is hier vastgesteld en ook is genoteerd dat deze vindplaats onder het ruimtebeslag van de N322 niet volledig begrensd is: de vindplaats kan daarmee doorlopen tot aan het gebied tussen boringen 200-202; Deelgebied 9, boringen 236-237: In meerdere boringen zijn resten van houtskool of zwarte vlekken aangetroffen. In het westelijke gedeelte van dit deelgebied zijn mogelijk oeverafzettingen aangetroffen van de Zaltbommel-Nederhemert. In boring 236 zijn deze afzettingen het hoogst gelegen (1,5 m -mv) en enigszins gerijpt. Bovenop dit pakket ligt gerijpte klei met sporen houtskool (die als indicatoren van een (nabijgelegen) vindplaatsen kunnen worden beschouwd. Door een tussenvlak aan te leggen kan gecontroleerd worden op de verwachting voor dieper ingegraven sporen van eventuele Romeinse vindplaatsen (onder de verploegde Bruchem-klei), vanaf circa 0,5 m-mv; Deelgebied 9, boringen 244-245: mogelijke afzettingen van Spelwerd vertonen rijpingskenmerken en zijn afgedekt door een gerijpte kleilaag met zwarte vlekken en een venige zwarte kleilaag (eventueel laklaag) respectievelijk een gerijpt niveau is aanwezig op een diepte van 1,6-1,8 m -mv.
Door een tussenvlak aan te leggen kan gecontroleerd worden op de verwachting voor dieper ingegraven sporen van eventuele Romeinse vindplaatsen (onder de verploegde Bruchem-klei), vanaf circa 0,5 m -mv.
Verder dient deelgebied 7 nog te worden onderzocht conform het advies uit het bureauonderzoek door middel van een karterend booronderzoek. Vooralsnog geen vervolgonderzoek op andere locaties Ook op andere locaties binnen het plangebied zijn afzettingen van de diverse stroomgordels aanwezig binnen verstoringsdiepte, maar de hierboven genoemde locaties worden op grond van de voorliggende gegevens als meest kansrijk beschouwd. Voor de overige locaties wordt vooralsnog géén vervolgonderzoek geadviseerd. Een daadwerkelijk selectieadvies tot vrijgave van deze locaties zal pas na het proefsleuvenonderzoek kunnen worden geformuleerd, omdat als er een vindplaats wordt aangetroffen het onderzoeksgebied mogelijk moet worden uitgebreid. Nadere details omtrent de inrichting van het proefsleuvenonderzoek (strategie, maatvoering e.d.) dienen in een Programma van Eisen te worden verwoord. Gezien dat het hier een tracé betreft ligt het voor de hand om relatief smalle en lange proefsleuven aan te leggen in de lengterichting van het tracé die in ieder geval overlappen met de genoemde boorpunten. Het is aan de bevoegde overheid, in deze de gemeente Zaltbommel, de bevindingen en adviezen uit dit rapport te beoordelen en vervolgens over te gaan tot een selectiebesluit. In het te maken selectiebesluit kan de bevoegde overheid afwijken van het hier gegeven selectieadvies.
Ook voor vrijgegeven (delen van) plangebieden bestaat altijd de mogelijkheid dat er tijdens graafwerkzaamheden toch losse sporen en vondsten worden aangetroffen. Het betreft dan vaak kleine sporen of resten die niet door middel van een booronderzoek kunnen worden opgespoord. Op grond van artikel 5.10 van de Erfgoedwet dient zo spoedig mogelijk melding te worden gemaakt van de vondst bij de Minister (de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed: telefoon 033-4217456). Een vondstmelding bij de gemeente of regio-archeoloog kan ook. Antea Group Heerenveen, december 2020
Blad 37 van 40
Antea Group Archeologie 2020/156 Inventariserend Veldonderzoek d.m.v. boringen projectnummer 459613 10 december 2020 revisie 00 Reddyn B.V.
Literatuur en geraadpleegde bronnen Cohen, K.M. & E. Stouthamer, 2012: Vernieuwd digitaal basisbestand paleogeografie van de RijnMaas Delta. Beknopte toelichting bij het Digitaal Basisbestand Paleogeografie van de Rijn-Maas Delta. Universiteit Utrecht. Cohen, K.M., E. Stouthamer, H.J. Pierik, A.H. Geurts 2012: Digitaal Basisbestand Paleogeografie van de Rijn-Maas Delta / Rhine-Meuse Delta Studies’ Digital Basemap for Delta Evolution and Palaeogeography. Universiteit Utrecht. Fens, R., 2020: Plan van Aanpak. Inventariserend veldonderzoek door middel van boringen, karterende fase. Netverzwaring Zuilichem-Zaltbommel, gemeente Zaltbommel en Maasdriel. Antea Group, Heerenveen. Fens, R.L. & F. Riddersma, 2018: Bureauonderzoek. Leiding tracé Zuilichem-Zaltbommel gemeente Zaltbommel. Antea Group Archeologie 2018/34. Antea Group, Heerenveen. Fleuren, I. & R.L. Fens, 2020: Bureauonderzoek. Aanleg 150kV-kabeltracé Zuilichem-Zaltbommel, netverzwaring westelijk deel Bommelerwaard. Antea Group Archeologie 2019/138. Antea Group, Heerenveen. Goossens, E., F. van Hemmen & J. Breimer, 2010: Cultuurhistorische inventarisatie en archeologiebeleid gemeente Zaltbommel. RAAP-Rapport 2025. RAAP Archeologisch Adviesbureau B.V. Weesp. Kodde, S.W. & W. Roessingh (red.), 2018: Bewoningssporen uit de Brons- en IJzertijd langs de zuidrand van Zaltbommel.
Archeologisch onderzoek op het terrein van de omgelegde N322 en het sportpark De Watertoren. Een booronderzoek, proefsleuven, archeologische begeleiding en een opgraving (concept). ADC Rapport 4437. ADC ArcheoProjecten, Amersfoort. Nijdam, L.C., 2009: Sportcomplex aan de Middelsteeg te Zaltbommel. Een inventariserend Veldonderzoek in de vorm van een verkennend booronderzoek. ADC Rapport 2026. ADC ArcheoProjecten, Amersfoort. Overmars, G., 2018: Archeologisch onderzoek persleiding Aalst-Zaltbommel (gemeente Zaltbommel). Inventariserend veldonderzoek d.m.v. verkennende boringen. Sweco Archeologische Rapporten 2164. Sweco Nederland B.V., Rotterdam. Rooij, J. van, 2017: Archeologisch onderzoek persleiding Aalst-Zaltbommel (gemeente Zaltbommel). Bureauonderzoek. Sweco Archeologische Rapporten 2110. Sweco Nederland B.V., Rotterdam. Teekens, P.C., 2018: Inventariserend Veldonderzoek d.m.v. verkennende boringen. Leiding tracé Zuilichem-Zaltbommel gemeente Zaltbommel. Antea Group Archeologie 2018/50. Antea Group, Heerenveen. Tol, A., P. Verhagen & M. Verbruggen, 2012: Leidraad inventariserend veldonderzoek. Deel: karterend booronderzoek. SIKB.
Blad 38 van 40
Antea Group Archeologie 2020/156 Inventariserend Veldonderzoek d.m.v. boringen projectnummer 459613 10 december 2020 revisie 00 Reddyn B.V.
Lijst van afbeeldingen en bijlagen Afbeeldingen in tekst Afbeelding 1. Uitsnede topografische kaart met de ligging van het plangebied en het onderzoeksgebied voor het IVO-O. Bron: Esri & partners. Afbeelding 2. Visualisatie van de ondergrondse aanwezigheid van bedding- oeverwalafzettingen, (matig) gerijpte komklei / oeverwalafzettingen en venige natte / natte zones binnen deelgebied 1. De zones voor vervolgonderzoek zijn weergegeven binnen de zwarte cirkels. Bron: Antea Group. Afbeelding 3. Visualisatie van de ondergrondse aanwezigheid van bedding- oeverwalafzettingen, kleinschalige crevasse, (matig) gerijpte komklei waarschijnlijk behorende bij verschillende Gameren fases, alsmede mogelijke bedding- en oeverafzettingen van de Brakel stroomgordel. Afbeelding 4. Visualisatie van de ondergrondse aanwezigheid van crevasseafzettingen en mogelijke vegetatielaag binnen het plangebied. Afbeelding 5. Deelgebied 6 met een projectie van eerder archeologisch onderzoek in de omgeving. Bron: Kodde & Roessingh (red.), 2018: p. 14, afb. 2.1 / Esri & partners. Afbeelding 6. Visualisatie van de ondergrondse aanwezigheid van oeverafzettingen behorende bij de Bruchem stroomgordel en mogelijke oeverafzettingen van de Zaltbommel-Nederhemert stroomgordel binnen het plangebied. Afbeelding 7.
Oppervlaktevondst (verstoring door ploegen) uit deelgebied 9: scherf geverfde waar mogelijk Niederbieber techniek c, Romeinse tijd, vanaf late 2e eeuw na Chr. Afbeelding 8. Visualisatie van de ondergrondse aanwezigheid van mogelijke oeverafzettingen van de Zaltbommel-Nederhemert en mogelijke afzettingen van de Speldwerd stroomgordel. Bijlagen 1 Archeologische perioden Beschrijving van de archeologische perioden 2 AMZ-cyclus Beschrijving en weergave van de Archeologische Monumentenzorg 3 Boorbeschrijvingen Beschrijving en weergave van de boorprofielen Kaartbijlagen 459613-ARCHIS 459613-ARO 459613-ADV
Gegevens uit ARCHIS: AMK-terreinen, onderzoeken en waarnemingen Situatiekaarten met ligging boorpunten Advieskaart vervolgonderzoek (locaties IVO-P)
Blad 39 van 40
Bijlage 1: Archeologische perioden Als bijlage op de resultaten en verzamelde gegevens wordt hieronder een algemene ontwikkeling van de bewonersgeschiedenis in Nederland geschetst. Gedurende het paleolithicum (300.000-8800 voor Chr.) hebben moderne mensen (homo sapiens) onze streken tijdens de warmere perioden wel bezocht, doch sporen uit deze periode zijn zeldzaam en vaak door latere omstandigheden verstoord. De mensen trokken als jager-verzamelaars rond in kleine groepen en maakten gebruik van tijdelijke kampementen. De verschillende groepen jager-verzamelaars exploiteerden kleine territoria, maar verbleven, afhankelijk van het seizoen, steeds op andere locaties. In het mesolithicum (8800-4900 voor Chr.) zette aan het begin van het Holoceen een langdurige klimaatsverbetering in. De gemiddelde temperatuur steeg, waardoor geleidelijk een bosvegetatie tot ontwikkeling kwam en de variatie in flora en fauna toenam. Ook in deze periode trokken de mensen als jager-verzamelaars rond. Voorwerpen uit deze periode bestaan voornamelijk uit voor de jacht ontworpen vuurstenen spitsjes. De hierop volgende periode, het neolithicum (5300-2000 voor Chr.), wordt gekenmerkt door een overschakeling van jager-verzamelaars naar sedentaire bewoners, met een volledig agrarische levenswijze.
Deze omwenteling ging gepaard met een aantal technische en sociale vernieuwingen, zoals huizen, geslepen bijlen en het gebruik van aardewerk. Door de productie van overschot kon de bevolking gaan groeien en die bevolkingsgroei had tot gevolg dat de samenleving steeds complexer werd. Uit het neolithicum zijn verschillende grafmonumenten bekend, zoals hunebedden en grafheuvels. Het begin van de bronstijd (2000-800 voor Chr.) valt samen met het eerste gebruik van bronzen voorwerpen, zoals bijlen. Het gebruik van vuursteen was hiermee niet direct afgelopen. Vuursteenmateriaal uit de bronstijd is meestal niet goed te onderscheiden van dat uit andere perioden. Het aardewerk is over het algemeen zeldzaam. De grafheuveltraditie die tijdens het neolithicum haar intrede deed werd in eerste instantie voortgezet, maar rond 1200 voor Chr. vervangen door begravingen in urnenvelden. Het gaat hier om ingegraven urnen met crematieresten waar overheen kleine heuveltjes werden opgeworpen, eventueel omgeven door een greppel. In de ijzertijd (800-12 voor Chr.) werden de eerste ijzeren voorwerpen gemaakt. Ten opzichte van de bronstijd traden er in de aardewerktraditie en in het gebruik van vuursteen geen radicale veranderingen op. De mensen woonden in verspreid liggende hoeven of in nederzettingen van enkele huizen.
Op de hogere zandgronden ontstonden uitgebreide omwalde akkercomplexen (celtic fields). In deze periode werden de kleigebieden ook in gebruik genomen door mensen afkomstig van de zandgebieden. Opvallend zijn de verschillen in materiële welstand. Er zijn zogenaamde vorstengraven bekend in Zuid-Nederland, maar de meeste begravingen vonden plaats in urnenvelden. Met de Romeinse tijd (12 voor Chr. tot 450 na Chr.) eindigt de prehistorie en begint de geschreven geschiedenis. In 47 na Chr. werd de Rijn definitief als rijksgrens van het Romeinse Rijk ingesteld. Ter controle van deze zogenaamde limes werden langs de Rijn castella (militaire forten) gebouwd. De inheems leefwijze handhaafde zich wel, ook al werd de invloed van de Romeinen steeds duidelijker in soorten aardewerk (o.a. gedraaid) en een betere infrastructuur. Onder meer ten gevolge van invallen van Germaanse stammen ontstond er instabiliteit wat uiteindelijk leidde tot het instorten van de grensverdediging langs de Rijn. Over de middeleeuwen (450-1500 na Chr.), en met name de vroege middeleeuwen (450-1000 na Chr.), zijn nog veel zaken onbekend. Archeologische overblijfselen zijn betrekkelijk schaars. De politieke macht was na het wegvallen e van de Romeinen in handen gekomen van regionale en lokale hoofdlieden. Vanaf de 10 eeuw ontstaat er weer enige stabiliteit en is een toenemende feodalisering zichtbaar.
Door bevolkingsgroei en gunstige klimatologische omstandigheden werd in deze periode een begin gemaakt met het ontginnen van bos, heide en veen. Veel van onze huidige steden en dorpen dateren uit deze periode. De hierop volgende periode 1500 – heden wordt aangeduid als nieuwe tijd.
Bijlage 2: Schema Archeologische Monumentenzorg (AMZ)