Bijlage 2. Bijlagen bij bestemmingsplan Nederhemert, Kapelstraat De Meander
Tekst van het document
De resultaten van het veldonderzoek zijn beschreven in rapport 10485.003 maar zijn ook verwerkt in onderhavige rapportage. Om negatieve gevolgen te voorkomen worden maatregelen uitgevoerd die bestaan uit het vooraf aanbieden van alternatieve verblijfplaatsen, werken buiten de gevoelige periode, zorgvuldig handelen en het na de ingreep permanent geschikt maken van het functioneel leefgebied en het realiseren van permanente nestplaatsen.
R 10485.005 versie D1
Pagina 1 van 26
2 2.1
GEGEVENS VAN DE LOCATIE EN HET GEBRUIK DOOR FLORA EN FAUNA Locatiegegevens en huidige situatie
De onderzoekslocatie (± 5,2 ha) ligt aan de Kapelstraat (ong.), gelegen aan de oostzijde van de kern van Nederhemert. In figuur 1 is de topografische ligging van de onderzoekslocatie weergegeven. Volgens de topografische kaart van Nederland zijn de coördinaten van het midden van de onderzoekslocatie X = 140.145, Y = 419.500.
Figuur 1. Topografische ligging van de onderzoekslocatie.
De onderzoekslocatie is onderverdeeld in verschillende oorspronkelijke gebruiksfuncties. In figuur 2 zijn de verschillende gebouwen weergegeven. Het noordelijke deel betreft een erf en is bebouwd met twee schuren (gebouwen 1 en 2). Gebouw 1 betreft een kleine, uit hout opgetrokken, half open schuur die beschikt over een stalen dak. Gebouw 2 betreft een grotere schuur die als opslag wordt gebruikt. De schuur beschikt over een golfplaten dak en beschikt grotendeels over een dakbeschot. Verder is staan er op het noordelijke deel van het terrein een aantal oude fruitbomen en essen. Ten zuiden van het erf bevindt zich een kwekerij. Het terrein is volledig verhard. Aan de noordoostzijde en aan de zuidzijde zijn sloten aanwezig en aan de westzijde bevindt zich een dichte coniferenhaag. Op de kwekerij is een klein gebouw (gebouw 3) aanwezig die is opgetrokken uit metalen damwandplaten. Het centrale deel van de onderzoekslocatie betreft een (voormalig) logistiek industrieterrein. Op het terrein zijn grote loodsen aanwezig (gebouwen 4 en 7) die opgetrokken zijn uit steen en metaal, verder is het terrein grotendeels verhard. Ook zijn stalen constructies aanwezig voor de opslag van materialen. Aan de westzijde van het industrieterrein bevindt zich een woonhuis (gebouw 6) met daarbij een opslagschuur (gebouw 5) met dezelfde eigenschappen als gebouw 2.
R 10485.005 versie D1
Pagina 2 van 26
Het zuiden en oosten van de onderzoekslocatie betreffen voormalige agrarische percelen (grasland). Verder is wat laag braamstruweel aanwezig en staat er een in verval zijnde voormalige schuur op het terrein (gebouw 8), die niet meer beschikt over een dak. In figuur 2 is een luchtfoto van de onderzoekslocatie en de directe omgeving weergegeven. De figuren 3 t/m 11 geven een impressie van de onderzoekslocatie, middels foto’s die zijn genomen tijdens het veldbezoek.
Figuur 2. Luchtfoto onderzoekslocatie.
R 10485.005 versie D1
Pagina 3 van 26
Figuur 3. Kwekerij op centrale deel van de onderzoekslocatie.
Figuur 4. Grens tussen kwekerij en industrieterrein.
Figuur 5. Gebouw 2 in het noordelijk deel van de onderzoekslocatie.
Figuur 6. Noordelijk deel van de onderzoekslocatie.
Figuur 7. Overzicht van loodsen (gebouw 7) op het industrieterrein.
Figuur 8. Reeds verwijderde houtwal op grens tussen industrieterrein en oostelijk deel van de onderzoekslocatie.
Figuur 9. Zuidzijde van gebouw 7.
Figuur 10. Gebouw 8.
Figuur 11. Gebouw 5 met op de achtergrond gebouw 6.
2.2
Verantwoording effectenstudie en verspreidingsinformatie
Door Econsultancy is in februari 2020 een quickscan Wet natuurbescherming voor de locatie opgesteld (rapport (10485.001). De quickscan is uitgevoerd aan de hand van een bureaustudie en een veldbezoek. Het veldbezoek is afgelegd op 11 februari 2020. Tijdens dit veldbezoek is de gehele onderzoekslocatie, alsmede de omliggende percelen onderzocht. Gedurende het veldbezoek is gelet op de mogelijke aanwezigheid van beschermde soorten op basis van het aanwezige habitat. Vanwege de aanwezigheid van diverse gebouwen is er met behulp van onder andere een zaklantaarn gezocht naar de aanwezigheid van vaste rust- en verblijfplaatsen van vleermuizen, overige zoogdieren en vogels. Uit de quickscan Wet natuurbescherming is de volgende conclusie naar voren gekomen:
R 10485.005 versie D1
Pagina 4 van 26
Het woonhuis aan de Kapelstraat 8 (gebouw 6), is in potentie geschikt voor huismussen, gierzwaluwen en gebouwbewonende vleermuizen. Bij sloop- of renovatiewerkzaamheden is er mogelijk sprake van overtreding van de Wet natuurbescherming. Om vast te stellen wat de functie van de bebouwing is voor deze soorten is aanvullend onderzoek noodzakelijk. Aanvullend onderzoek voor huismussen betreffen twee veldbezoeken in de periode april-15 mei, aanvullend onderzoek naar gierzwaluwen betreft 3 veldbezoeken in de periode 15 mei tot 15 juli en aanvullend onderzoek naar vleermuizen betreft 5 veldbezoeken tussen 15 april en 1 oktober. Daarnaast is er tijdens de quickscan een steenuil vastgesteld op de onderzoekslocatie. De onderzoekslocatie maakt deel uit van de functionele leefomgeving van de soort. Aanvullend onderzoek zal moeten aantonen in hoeverre leefgebied wordt aangetast, waar mogelijke nestplaatsen zich bevinden en wat uitwijkmogelijkheden zijn, ofwel hoeveel geschikt leefgebied in de omgeving bezet is door andere steenuilen. Het aanvullend onderzoek zal plaats moeten vinden middels drie veldbezoeken tussen 1 februari en 30 april, met een tussenliggende periode van minimaal 1 maand tussen het eerste en derde veldbezoek. Daarnaast zal een veldbezoek overdag plaatsvinden (een buurtonderzoek) om de mogelijke nestplaats te kunnen achterhalen.
Op basis van de resultaten van het veldbezoek kan een mitigatieplan worden opgesteld en kan worden vastgesteld of een ontheffing noodzakelijk is voor de aantasting van functioneel leefgebied. De nok van gebouw 2 is in potentie geschikt als vaste rust- en voortplantingsplaats voor steenuilen. Middels een inspectie met endoscoopcamera en/of zaklamp kan aangetoond worden of de nok in gebruik als vaste rust- of voortplantingsplaats door steenuilen. Deze inspectie kan gecombineerd worden met het overige aanvullende onderzoek naar steenuilen. Tot slot dient de zorgplicht in acht te worden genomen ten aanzien van algemene amfibieën en grondgebonden zoogdieren. Al het redelijkerwijs mogelijke dient gedaan te worden om doden en verwonden te voorkomen. Dit kan door het zorgvuldig, en buiten de gevoelige periodes, verwijderen van materialen zoals struiken en takkenhopen. 2.3
Deskundige begeleiding
De deskundige die betrokken is bij het project, betreft een ervaren ecoloog1. Econsultancy is lid van de branchevereniging ‘Netwerk Groene Bureaus’ en werkt volgens de door het Netwerk opgestelde gedragscode en protocollen.
1 Alle ecologen van Econsultancy hebben op HBO, dan wel universitair niveau een opleiding genoten met als zwaartepunt (Nederlandse) ecologie en/of • Zijn als ecoloog werkzaam voor een ecologisch adviesbureau dat is aangesloten bij het netwerk Groene Bureaus en/of • Zetten zich aantoonbaar actief in op het gebied van soortenbescherming bij de daarvoor in Nederland bestaande organisaties.
R 10485.005 versie D1
Pagina 5 van 26
3 3.1
VERSPREIDING VAN BESCHERMDE SOORTEN OP DE LOCATIE Onderzoeksmethode
De onderzoeken naar huismussen, gierzwaluwen en vleermuizen beperken zich tot gebouw 6 van de onderzoekslocatie (zie figuur 1). Het onderzoek naar steenuilen heeft betrekking op gebouw 2 (vaste rust- of voortplantingsplaats) en de gehele onderzoekslocatie alsmede de directe omgeving (functioneel leefgebied). Voor het onderzoek naar huismus zijn tussen 1 april en 15 mei twee veldbezoeken uitgevoerd, gedurende de ochtend. Tijdens de veldbezoeken is gezocht naar roepende huismussen. Mannetjes huismussen roepen met name in het voorjaar (’s ochtends) vaak vanaf de dakranden/goten waar hun nesten zich bevinden. Het gebouw dat onderzocht is betreft het woonhuis aan de Kapelstraat 8 (gebouw 6). Bij het aantreffen van roepende mannetjes mag worden aangenomen dat zich onder het betreffende dak één of meerdere nesten bevinden. Tevens is gedurende de rondes in de ochtend gelet op huismussen die (met nestmateriaal) onder dakpannen of andere nestlocaties verdwijnen. Behalve op de onderzoekslocatie, is ook de directe omgeving onderzocht op de aanwezigheid of geschiktheid van de bebouwing voor huismus. De onderzoeksopzet is conform hetgeen is voorgeschreven in het kennisdocument voor de huismus (BIJ12, versie juni 2017). Voor het onderzoek naar gierzwaluw zijn tussen 1 juni en 15 juli drie veldbezoeken uitgevoerd met een tussenliggende periode van minimaal 10 dagen.
Het onderzoek beperkt zich tot het woonhuis aan de Kapelstraat 8 (gebouw 6). De onderzoeksinspanning is conform hetgeen is gesteld in het kennisdocument (BIJ12, versie juni 2017). De veldbezoeken hebben plaatsgevonden gedurende de avondschemering, tussen 18.00 uur en zonsondergang. In de betreffende periode scheren groepen gierzwaluwen langs gevels van panden waarin zich nesten bevinden. De vrouwtjes die zich op het nest bevinden beantwoorden vervolgens het “gieren” van langs vliegende groepen soortgenoten. Bovendien zijn tijdens de avondschemering vaak invliegende vogels waar te nemen. De onderzoeksopzet is conform hetgeen is voorgeschreven in het kennisdocument voor de gierzwaluw (BIJ12, versie juni 2017). Het onderzoek naar steenuilen heeft bestaan uit twee delen, namelijk een onderzoek naar het voorkomen van steenuilenterritoria op de onderzoekslocatie en de directe omgeving. Ook heeft een veldbezoek overdag plaatsgevonden. Het veldbezoek overdag heeft als doel gehad om de vaste rust- en voortplantingsplaats van de steenuil vast te stellen die op de onderzoekslocatie voorkomt. Er is navraag gedaan bij Steenuilenwerkgroep Bommelerwaard om na te gaan of er bekende nestplaatsen in de directe omgeving van de onderzoekslocatie voorkomen.
Tevens is met behulp van een endoscoopcamera en/of zaklamp een inspectie gedaan bij de nok van gebouw 2, om vast te stellen of de ruimte bij de nok in gebruik is door steenuilen, hierbij is gezocht naar sporen van steenuilen zoals uitwerpselen, braakballen en veren. Voor het onderzoek naar de functionele leefomgeving van steenuilen zijn in de periode half februari tot eind april een drietal avondbezoeken uitgevoerd. Hierbij is gebruik gemaakt van geluidsnabootsing. De tussenliggende periode tussen het eerste en laatste veldbezoek bedraagt minimaal 1 maand. De veldbezoeken hebben plaatsgevonden tussen 30 minuten na zonsondergang en 30 minuten voor zonsopkomst. De inventarisatiemethode is overeenkomstig met het soortinventarisatieprotocol van het Netwerk Groene Bureaus (NGB) en het Kennisdocument van de steenuil (BIJ12, versie juni 2017).
R 10485.005 versie D1
Pagina 6 van 26
Voor het onderzoek naar vleermuizen zijn bij gebouw 6 in de periode half april tot oktober in totaal zes veldbezoeken uitgevoerd. De veldbezoeken zijn in de avonduren en/of ochtenduren uitgevoerd. De inventarisatiemethode is conform het protocol voor vleermuisonderzoek (versie maart 2017), dat is opgesteld door het vleermuisvakberaad van het Netwerk Groene Bureaus. De onderzoeksinspanning is gebaseerd op de functies zomerverblijfplaats, kraamverblijf en paarverblijf/baltsplaats voor de gewone dwergvleermuis. Het protocol heeft tot doel het belang van de functies van onderzoekslocaties voor soorten vleermuizen effectief en efficiënt vast te stellen dan wel uit te sluiten. Doordat vleermuizen iedere (verblijfs)functie slechts een beperkte periode van het jaar gebruiken is onderzoek naar alle op de onderzoekslocatie mogelijke functies noodzakelijk. Iedere (verblijfs)functie afzonderlijk geniet een jaarronde bescherming. Het totaal aantal uitgevoerde veldbezoeken is vastgesteld op basis van de grootte van de onderzoekslocatie, uitgaande van één waarnemer per veldronde in de periode van zomer- en kraamverblijfplaatsen. Verwacht wordt dat met zes bezoeken omtrent deze soortgroep voldoende zekerheid is verkregen over de functie van de onderzoekslocatie. Voor het onderzoek is gebruik gemaakt van professionele batdetectors met opnamemogelijkheid (Pettersson D240x).
Een batdetector zet het voor het menselijk gehoor niet hoorbare ultrasone geluid van vleermuizen om naar frequenties die wel hoorbaar zijn. Op basis van de geluidsfrequenties en ritmes kunnen verschillende soorten vleermuizen worden onderscheiden. De opnamemogelijkheid is belangrijk omdat de geluidsopnames kunnen worden gebruikt voor het determineren van soorten die op basis van hun geluid moeilijk zijn te onderscheiden (met name Myotis-soort) en waarbij het sonogram uitsluitsel kan geven. Hierbij wordt gebruik gemaakt van analyseprogramma Batsound. Overzicht veldbezoeken Het onderzoek heeft bestaan uit diverse veldbezoeken. Onderstaande tabel bevat een overzicht van de uitgevoerde veldbezoeken. Tabel I.
Onderzoeksinspanning per soortgroep februari
Steenuil
tijdstip
-
maart
april
mei
juni
3 x avond 1 x overdag
juli
augustus
september
-
datum
16 maart, 31 maart en 21 april 2020 14 mei (overdag)
functie
territorium (avond) nestplaats (overdag)
gierzwaluwen
3 x avond 18 mei, 3 juni en 1 juli 2020 nestplaatsen
vleermuizen
tijdstip
-
3 x avond 1 x ochtend
-
2 x avond
datum
18 mei, 3 juni en 1 juli 2020 (avond) 9 juni 2020 (ochtend
27 augustus en 21 september 2020
functie
zomer- en kraamverblijf
paar/baltsverblijf
huismussen
2 x overdag 16 april en 14 mei 2020 nestplaats
R 10485.005 versie D1
Pagina 7 van 26
Tijdens de veldbezoeken waren de weersomstandigheden voor het waarnemen van steenuilen, huismussen, gierzwaluwen en vleermuizen gunstig. Tijdens geen van de veldbezoeken voor was de temperatuur lager dan 10 ºC (bij vleermuizen en gierzwaluwen). De windsnelheid lag beneden de 5 Bft. en er was geen sprake van neerslag. In onderstaande tabellen zijn de omstandigheden weergegeven. Tabel II. Omstandigheden avondbezoeken steenuilen
Datum
Tijd
Temperatuur
Weersomstandigheden
16 maart 2020
19:20 - 21:20
6 oC
Windkracht 1-2 Bft. helder en droog
31 maart 2020
20:45 - 22:45
4 oC
Winkracht 1-2 Bft. helder en droog
21 april 2020
21:20 - 23:20
15 oC
Windkracht 2-3 Bft. bewolkt en droog
Tabel II. Omstandigheden veldbezoeken gierzwaluwen
Datum
Tijd
Temperatuur
Weersomstandigheden
18 mei 2020
19:30 - 21:30
14 oC
Windkracht 1 Bft, bewolkt en droog
3 juni 2020
19:50 - 21:50
17 oC
Windkracht 3 Bft, helder en droog
1 juli 2020
20:00 - 22:00
18 oC
Windkracht 1 Bft, bewolkt en droog
Tabel II. Omstandigheden veldbezoeken vleermuizen Datum
Tijd
Temperatuur
Weersomstandigheden
18 mei 2020
21:30 - 23:30
14 oC
Windkracht 1 Bft, bewolkt en droog
3 juni 2020
21:50 - 23:50
17 oC
Windkracht 3 Bft, helder en droog
9 juni 2020
3:20 - 5:25
12 oC
Windkracht 2 Bft, licht bewolkt en droog
1 juli 2020
22:00 - 00:00
18 oC
Windkracht 1 Bft, bewolkt en droog
27 augustus 2020
21:45 - 00:00
16 oC
Windkracht 2 Bft, bewolkt en droog
21 september 2020
20:40 – 22:50
16 oC
Windkracht 1 Bft, helder en droog
3.2 3.2.1
Onderzoeksresultaten Steenuil
Tijdens de quickscan Wet natuurbescherming, die door Econsultancy in februari 2020 is uitgevoerd, is al gebleken dat er een steenuil voorkomt op de onderzoekslocatie ten oosten van gebouw 4. Om een goed beeld te krijgen van de lokale populatie steenuilen, het leefgebied van de steenuilen en waar de vaste rust- en voortplantingsplaatsen zich bevinden is in 2020 aanvullend onderzoek uitgevoerd.
R 10485.005 versie D1
Pagina 8 van 26
Vaste rust- en voortplantingsplaatsen Uit de quickscan Wet natuurbescherming is naar voren gekomen dat de schuur in het noorden van de onderzoekslocatie (gebouw 2) potentieel geschikt is als nestplaats voor steenuilen. Aanvullend op het steenuilenonderzoek in de avond is op 14 mei 2020 overdag met een endoscoopcamera de nokvorst onderzocht op sporen van gebruik door steenuilen. Duidelijk te zien was dat de nokvorst van het gebouw niet gebruikt wordt als nestplaats van steenuilen. Op basis van deze inspectie is met voldoende zekerheid uit te sluiten dat op de onderzoekslocatie nestplaatsen van steenuilen aanwezig zijn. Territoria en leefgebied Om de functie van de onderzoekslocatie en de directe omgeving voor steenuilen vast te stellen zijn drie veldbezoeken in de avond uitgevoerd. Tijdens de veldbezoeken zijn in totaal drie baltsende steenuilen waargenomen, waarvan twee op de onderzoekslocatie. Eén steenuil was aan het baltsen tussen de opgeslagen bouwmaterialen ten oosten van gebouw 4, op de plek waar ook tijdens de quickscan Wet natuurbescherming een rustende steenuil is waargenomen. Deze steenuil is op deze locatie gedurende alle veldbezoeken waargenomen. Regelmatig vloog de steenuil richting de achtertuinen van Kapelstraat 10 tot en met 18. Met name bij verstoring door geluid vloog de steenuil in deze richting.
Onduidelijk is of hier een nestkast of andere nestplaats aanwezig is, maar op basis van de waarnemingen bestaat het vermoeden dat de vaste rust- of voortplantingsplaats van deze steenuil zich hier bevindt. Tegelijkertijd met de baltsende steenuil nabij gebouw 4, is ook eenmalig een baltsende steenuil waargenomen in een boom nabij gebouwen 1 en 2. Tijdens een ander veldbezoek is vlakbij de baltslocatie nog een keer een roepende steenuil waargenomen, vermoedelijk dezelfde steenuil. Het is niet exact bekend waar de vaste rust- of voortplantingsplaats van deze steenuil zich bevindt. Wel is er op 200 meter ten noordwesten van de baltslocatie een nestkast aanwezig. Gezien deze afstand minder dan 300 meter is, bestaat de kans dat de vaste rust- en voortplantingsplaats van de baltsende steenuil nabij gebouw 1 en 2 zich bevindt in deze nestkast. Echter is dit niet met zekerheid vast te stellen op basis van de waarnemingen. Tot slot is er nog een baltsend paartje steenuilen waargenomen bij een boerderij ten zuidoosten van de onderzoekslocatie. Het is aannemelijk dat op deze locatie een nestlocatie aanwezig is. Om er achter te komen waar de vaste rust- en voortplantingsplaatsen van de twee baltsende steenuilen op de onderzoekslocatie zich exact bevinden is navraag gedaan bij de Steenuilenwerkgroep Bommelerwaard. Volgens dhr. H.
Kolman van de steenuilenwerkgroep zijn er in de buurt van de Kapelstraat in Nederhemert geen nestkasten bekend die door de steenuilenwerkgroep beheerd worden. Wel is er een jaar geleden een losse waarneming doorgegeven van een steenuil op de onderzoekslocatie op een vergelijkbare plek waar tijdens het aanvullend onderzoek door Econsultancy ook steenuilen zijn aangetroffen (nabij gebouw 4). In het verleden heeft de steenuilenwerkgroep wel een nestkast in beheer gehad op dezelfde locatie als waar het steenuilenpaartje aan de Maasdijk is aangetroffen. Mogelijk hebben de bewoners een nieuwe kast opgehangen, maar is deze kast niet meer in beheer bij de steenuilenwerkgroep, of broeden de steenuilen niet meer in een nestkast maar in een schuur of een andere niet-kunstmatige nestplaats. Samengevat zijn er in de directe omgeving van de onderzoekslocatie drie territoria van steenuilen aanwezig waarvan twee territoria op de onderzoekslocatie zijn aangetroffen. Een nestplaats van steenuilen op de onderzoekslocatie is uitgesloten, maar de onderzoekslocatie maakt wel deel uit van het functionele leefgebied van steenuilen. In hoofdstuk 6 zal hier verder op ingegaan worden. Een overzicht van de waarnemingen van steenuilen is weergegeven in figuur 12.
R 10485.005 versie D1
Pagina 9 van 26
Figuur 12. Verspreiding van de steenuilen op basis van inventarisatie in het seizoen 2020.
3.2.2
Huismus
Voor het onderzoek naar huismussen zijn twee veldbezoeken uitgevoerd in de ochtend. Direct bij aankomst tijdens het eerste veldbezoek zijn er twee zingende mannetjes huismussen aangetroffen in de dakgoot van de westzijde van gebouw 6. Ook zijn er twee vrouwtjes waargenomen die met nestmateriaal onder de dakpannen verdwenen. In totaal zijn er twee nestlocaties van huismussen aangetroffen (zie figuur 13 en 14). In de directe omgeving van de onderzoekslocatie zijn nog meer huismussen aanwezig, maar er zijn geen exacte nestlocaties vastgesteld buiten de onderzoekslocatie, mogelijk dat de nesten zich aan de achterzijde bevinden van woningen die niet tot de onderzoekslocatie behoren.
R 10485.005 versie D1
Figuur 13. Nestlocaties huismussen in gebouw 6 (Kapelstraat 8).
Pagina 10 van 26
Figuur 14. Verspreiding van de huismussen op basis van inventarisatie in het seizoen 2020.
3.2.3
Gierzwaluw
Om de functie van gebouw 6 (Kapelstraat 8) voor gierzwaluwen vast te stellen zijn drie veldbezoeken in de avond uitgevoerd. Tijdens geen van de veldbezoeken zijn in- of uitvliegende gierzwaluwen aangetroffen. In de directe omgeving van de onderzoekslocatie werden wel meerdere gierzwaluwen aangetroffen, maar de nestlocaties bevinden zich vermoedelijk richting de dorpskern. Op basis van de geleverde onderzoeksinspanning is met voldoende zekerheid uit te sluiten dat de onderzoekslocatie een functie heeft als nestplaats voor gierzwaluwen. 3.2.4
Vleermuizen
Zomer- en kraamverblijfplaatsen Voor het onderzoek naar zomer- en kraamverblijfplaatsen zijn drie veldbezoeken in de avond, en één veldbezoek in de ochtend uitgevoerd. Er zijn geen in- of uitvliegende vleermuizen waargenomen in gebouw 6 (Kapelstraat 8). Gedurende alle veldbezoeken is vleermuisactiviteit waargenomen in de vorm van enkele overvliegende gewone dwergvleermuizen en rosse vleermuizen en passerende gewone dwergvleermuizen, die elders in de dorpskern verblijven. Deze vleermuizen hadden geen binding met de bebouwing op de onderzoekslocatie. Op basis van deze waarnemingen zijn zomer- en kraamverblijfplaatsen van vleermuizen op de onderzoekslocatie uit te sluiten.
R 10485.005 versie D1
Pagina 11 van 26
Paar- en baltsverblijfplaatsen Voor het onderzoek naar paar- en baltsverblijfplaatsen zijn twee avondbezoeken uitgevoerd in de periode augustus-september. Gedurende het eerste veldbezoek was gedurende de gehele avond een baltsende vleermuis aanwezig in de Kapelstraat. De vleermuis maakte een lange baltsvlucht door de gehele Kapelstraat en vertoonde geen enkele binding met de onderzoekslocatie. De tweede baltsende vleermuis is eenmalig aangetroffen ten noorden van gebouw 7. Op de betreffende locatie zijn geen invliegmogelijkheden voor vleermuizen aanwezig, vermoedelijk gebruikte de gewone dwergvleermuis de hogere loods vooral als ‘klankkast’ om vrouwtjes te lokken, maar bevindt de paarverblijfplaats zich elders. Er zijn geen aanwijzingen dat de bebouwing op de onderzoekslocatie een functie heeft als verblijfplaats voor vleermuizen. In figuur 6 is de verspreiding van vleermuisfuncties weergegeven.
Figuur 15. Verspreiding van vleermuissoorten op basis van inventarisatie in het seizoen 2020. Met de rode pijlen zijn globaal de baltsvluchten weergegeven.
3.3
Samenvatting
In figuur 16 zijn de resultaten van het onderzoek samengevat weergegeven. In totaal zijn er drie territoria van steenuilen aangetroffen, waarvan twee op de onderzoekslocatie. Daarnaast zijn er twee huismusnesten aanwezig in gebouw 6 (Kapelstraat 8). Gierzwaluwnesten en verblijfplaatsen van vleermuizen zijn op basis van de geleverde onderzoeksinspanning uit te sluiten op de onderzoekslocatie.
R 10485.005 versie D1
Pagina 12 van 26
Figuur 16. Verspreiding resultaten veldonderzoek in het seizoen 2020.
R 10485.005 versie D1
Pagina 13 van 26
4 4.1
VOORGENOMEN INGREEP OP DE LOCATIE EN ONDERBOUWING Voorgenomen activiteiten en manier van uitvoering
Het Transportbedrijf Gebr. Vos is in 2009 vertrokken uit Nederhemert, hierdoor bestaat de mogelijkheid de locatie te herontwikkelen voor woningbouw. In het verleden heeft woonstichting De Vijf Gemeenten (inmiddels opgegaan in Woonstichting De Kernen) voor de nieuwbouw de betreffend gronden aangekocht. In 2012 en 2013 heeft Waalwaardwonen gewerkt aan een Programma van Eisen en een anterieure overeenkomst op deze locatie. Het is echter niet verder gekomen dan concepten. In 2017 heeft de huidige ontwikkelaar het voormalige Vos-terrein aangekocht. Daarnaast heeft hij nog andere omliggende percelen aangekocht Aangelegen akkerbouwpercelen en weilanden worden hierbij betrokken. De initiatiefnemer is voornemens op de onderzoekslocatie circa 108 nieuwbouwwoningen te realiseren. Ten behoeve van de nieuwbouw zal alle bestaande bebouwing worden gesloopt en zullen op de onderzoekslocatie aanwezige bomen en struiken worden verwijderd ten behoeve van het bouwrijp maken. In figuur 17 is het voorlopig ontwerp weergegeven.
Figuur 17. Voorlopig ontwerp van de te realiseren nieuwbouw op de onderzoekslocatie (Urban Jazz, versie 20 nov 2019).
R 10485.005 versie D1
Pagina 14 van 26
4.2
Doel en belang van de activiteiten
De gemeenten in de Regio Rivierenland, waaronder de gemeente Zaltbommel, hebben afspraken gemaakt voor het opstellen en jaarlijks actualiseren van een regionaal woningbouwprogramma. Op 30 mei 2016 hebben de provincie en de regio(gemeenten) afspraken gemaakt over de Kwantitatieve Opgave Wonen voor de periode 2015 - 2024. Gedeputeerde Staten hebben deze afspraken op 12 juli 2016 vastgesteld. Op basis van de Regionale woningbouwprogrammering, die binnenkort overigens wordt herzien, heeft de gemeente Zaltbommel een beschikbare capaciteit van ongeveer 1.115 woningen tot 2025 (op basis van Primos2016). Het woningbouwprogramma met bijbehorende kwantitatieve behoefte is herzien. Hiervoor is een regionaal woningbehoefte-onderzoek (WBO) uitgevoerd in december 2018. 4.3
Planning en onderbouwing van de activiteiten
De werkzaamheden worden verdeeld over 3 fases. In de fase 1 en 2 (figuur 17) worden maximaal 108 woningen gerealiseerd. Om nog opbrengsten te genereren tot omstreeks 2027 wordt de bedrijfslocatie als fase 2 opgenomen. Fase 2 is pas te realiseren na volledige sloop van de bedrijfsbebouwing. In fase 3, vanaf 2030 maar mogelijk eerder, kunnen nog 12 woningen worden gebouwd. Met de gekozen bestemming (wonen zonder bouwvlak, maar met een wijzigingsbevoegdheid) voor fase 3 wordt geduid dat de locatie voor woningbouw is bedoeld, hoewel een directe bouwmogelijkheid niet wordt geboden, gelet op de gebruikelijke looptijd van een bestemmingsplan. Onderhavige ontheffingsaanvraag heeft alleen betrekking op de realisatie van fase 1 en 2. 4.4
Alternatieven
Uit het gewijzigde Barro blijkt dat artikel 3.1.6 van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) aangevuld is. Een zorgvuldige benutting van de beschikbare ruimte voor verschillende functies vraagt om een onderbouwing van nut en noodzaak van een nieuwe ruimtevraag en een zorgvuldige inpassing van de nieuwe ontwikkeling. De term SER-ladder is verder geïntroduceerd. Drie stappen moeten worden doorlopen met een motivatie in de toelichting bij het betreffende ruimtelijke plan: 1. beoordeling of de beoogde ontwikkeling voorziet in een regionale, intergemeentelijke vraag voor bedrijven- en haventerreinen, kantoren, detailhandel, woningbouwlocaties en andere stedelijke voorzieningen. Naast de kwantitatieve beoordeling gaat het ook om kwalitatieve vraag op regionale schaal; 2. beoordeling of de ontwikkeling kan worden gerealiseerd door locaties voor herstructurering of transformatie te benutten; 3. beoordeling door betrokken overheden of er sprake is van een passende ontsluiting. Op 1 juli 2017 is de gewijzigde ladder in werking getreden. De belangrijkste wijzigingen zijn gelegen in het vervallen van de begrippen ‘actuele regionale’ bij de behoeftebepaling. Aangezien de huidige jurisprudentie van toepassing blijft op de nieuwe ladder, leidt dit niet tot een wijziging in de toepassingspraktijk van de ladder. Daarnaast zijn treden 1 en 2 samengevoegd en is trede 3 komen te vervallen.
Artikel 3.1.6 lid 2 Bro luidt nu: “De toelichting van een bestemmingsplan, dat een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maakt, bevat een beschrijving van de behoefte aan de voorgenomen stedelijke ontwikkeling. Indien blijkt, dat de stedelijke ontwikkeling niet binnen het bestaand stedelijk gebied kan worden voorzien, bevat de toelichting een motivering daarvan en een beschrijving van de mogelijkheid om in die behoefte te voorzien op de gekozen locatie buiten het bestaand stedelijk gebied.”
R 10485.005 versie D1
Pagina 15 van 26
Het plan De Meander wordt gezien als stedelijke ontwikkeling. Het is vanuit een duurzaam ruimtegebruik zeer wenselijk om gebruik te maken van inbreidingslocaties en/of herstructureringslocaties. Een groot deel van het plangebied is als herstructurering te beschouwen. Om het plan financieel mogelijk te maken, is het noodzakelijk deels ook tot uitbreiding over te gaan. De gemeente heeft bij de vaststelling van het Programma van Eisen al bepaald dat het plan, gelet op de omvang, vóórgaat op andere plannen in Nederhemert. Andere plannen in Nederhemert worden in programma en tijd hierop afgestemd. De woningbehoefte voor het type en aantal woningen dat met dit bestemmingsplan wordt mogelijk gemaakt, is te bepalen aan de hand van het Woningbehoefteonderzoek Bommelerwaard en de Regionale Woonagenda, die ook in dit bestemmingsplan worden besproken. Er is in Nederhemert een basisbehoefte aan 80 woningen en 130 in een groeiscenario. Hieruit blijkt dat er in kwantitatieve zien voor de komende jaren voldoende woningbehoefte is, die nog niet wordt ingevuld door woningbouwplannen elders in de gemeente. Er is een gemeentelijke woningbouwopgave tussen de 900 en 1450 woningen geraamd voor de komende 10 jaar, terwijl er maar 883 zijn gepland.
Het soort woningen dat gerealiseerd gaat worden wordt niet op korte tot middellange termijn in dusdanige aantallen elders gerealiseerd, dat voorzien kan worden in de vraag naar dit soort woningen. Dit geldt voor de gehele gemeente Zaltbommel. Het woningbouwprogramma wordt in overleg afgestemd op de behoefte en op de invulling van andere woningbouwlocaties in Nederhemert. Er wordt gedacht aan een mix van eengezins, starters, nultredenwoningen (onder andere voor senioren), eenpersoonshuishoudens, bouwkavels voor CPO en PO. 60% is voor de vrije sector bedoeld en 40% voor de sociale sector.
R 10485.005 versie D1
Pagina 16 van 26
5 5.1
EFFECTEN VAN DE INGREEP OP FLORA EN FAUNA Effecten op korte termijn steenuil
In totaal zijn er drie territoria van steenuilen aangetroffen. Daarnaast zijn er twee huismusnesten aanwezig in gebouw 6 (Kapelstraat 8). Het effect van de voorgenomen nieuwbouw op het leefgebieden is bepaald aan de hand van de homerange van de steenuil. Dit is het gebied waarbinnen de soort normaal gesproken zijn voedsel zoekt. De begrenzing is weergegeven in figuur 18. De grens van 300 meter is op basis van een gemiddeld leefgebied (BIJ12, 2017). In figuur 18 is te zien dat er veel overlap is tussen de verschillende steenuilen als er 300 meter wordt gehanteerd. Hoewel er dus in werkelijkheid een kleinere homerange zal zijn, wordt in de toetsing voor de zekerheid uitgegaan van een overlap in territoria.
Figuur 18. Homerange van 300 meter van het centrum van de drie steenuilenterritoria (bij benadering).
Binnen de homerange vindt de steenuil zijn voedsel. Dit doet de soort voornamelijk in kort gras, jagend vanuit een uitkijkpost. Als geschikt leefgebied is daarom uitgegaan van terreindelen met landschapselementen als hagen, wilgen en weidepaaltjes in de nabijheid van grasland. Dit is voor de gehele omgeving in kaart gebracht. Vervolgens is per steenuil gekeken welk deel van de homerange binnen het plangebied valt en welk deel daarvan geschikt leefgebied is. Dit is met gele lijnen aangeven (een breedte van 20 meter aan weerszijden van een element is aangehouden als leefgebied). Tot slot is gekeken welk deel van het geschikte leefgebied verloren gaat als gevolg van de voorgenomen ingreep en welk deel van het functioneel leefgebied buiten het plangebied ligt en dus behouden blijft.
R 10485.005 versie D1
Pagina 17 van 26
De onderzoekslocatie valt theoretisch gezien binnen de homerange van 3 steenuilenterritoria in de omgeving van het plangebied. Het plangebied bevat geen vaste rust- of voortplantingsplaats van één van de steenuilen. Wel zouden de weidepaaltjes en het groen gebruikt kunnen worden om te foerageren. In figuur 19 is weergegeven welke elementen vermoedelijk deel uitmaken van het functioneel leefgebied (geel) van de steenuil en welk deel hiervan verloren gaat als gevolg van de voorgenomen ingreep (rood).
Figuur 19. Analyse effect op het leefgebied van de drie steenuilenterritoria.
Te zien is dat als gevolg van de ingreep 767 meter aan bejaagbaar gebied verloren gaat als gevolg van de ingreep. Binnen de homerange van 300 meter blijft er dan nog 7,9 kilometer aan bejaagbaar gebied behouden in de vorm van weidepaaltjes, ruigterandjes, houtwallen en erven met grasland. Dit betekent dat 90,3 procent van het geschikte leefgebied behouden blijft als gevolg van de voorgenomen ingreep. Op korte termijn zijn er daarom nog voldoende uitwijkmogelijkheden voor de steenuilen om de 3 territoria in stand te houden. 5.2
Effecten lange termijn op gunstige staat van instandhouding steenuil
Een deel van het plangebied valt binnen de homerange van in totaal 3 steenuilenpaartjes. Binnen het plangebied is echter maar een beperkt deel daadwerkelijk geschikt leefgebied. Dit vanwege het feit dat het plangebied grotendeels bestaat uit verharding en bebouwing. Bovendien is er weinig structuurvariatie en zijn er maar weinig uitkijkposten aanwezig van waaruit een steenuil kan jagen. Toch gaat als gevolg van de ingreep 9,7 procent van het totale geschikte leefgebied verloren. Op korte termijn zal dit nog niet leiden tot verdwijning van de territoria. Echter door de mogelijke inkrimping van het leefgebied door bijvoorbeeld verdere dorpsuitbreiding (fase 3 van het project) en de intensivering van de landbouw is het wel van belang om toch maatregelen te treffen om de populatie steenuilen op de lange termijn in stand te houden. Met name zal het territorium in het midden van het plangebied zal negatieve gevolgen ondervinden van de voorgenomen ingreep. Het is nog maar de vraag of de steenuil op lange termijn de achtertuinen ten westen van het plangebied zal blijven gebruiken als functioneel leefgebied.
R 10485.005 versie D1
Pagina 18 van 26
Het is daarom van belang om een geschikt territorium voor dit steenuilenpaartje te creëren ten (noord)oosten van het plangebied. Hiervoor dienen steenuilenkasten geplaatst te worden zodat er ten oosten van het plangebied geschikte nestplaatsen voor dit broedpaar worden gecreëerd. Verder dient de omgeving landschappelijk ingepast te worden zodat er een geschikt leefgebied ontstaat binnen een straal van 300 meter rondom de te plaatsen nestkasten. Op basis van de resultaten van het steenuilenonderzoek dienen de volgende 3 punten gecompenseerd te worden: •
•
•
Zorgen voor het behoud van voldoende rust en donkerte vanaf het plangebied naar de omgeving. Dit betreffen maatregelen die meegenomen kunnen worden in de inrichting van de nieuwbouwwijk. Het treffen van maatregelen ten gunste van schuil- en foerageermogelijkheden voor steenuilen binnen het plangebied zal naar verwachting niet functioneel zijn, vanwege de verstoring die de 108 woningen met zich mee zullen brengen binnen het plangebied zelf; Zorgen voor een versterking van het overblijvende deel van het territorium, om het verlies van 9,7 % van het leefgebied te mitigeren. Dit is mogelijk door maatregelen uit te voeren die als doel hebben om schuilgelegenheid te bieden voor de steenuilen, zoals het aanplanten van struiken en bomen en het uitvoeren van maatregelen die bijdragen aan foerageermogelijkheden voor steenuilen. Realiseren van nieuwe nestplaatsen zodat een steenuilenpaartje kan verschuiven richten het (noord)oosten van het plangebied wanneer de directe omgeving rondom de nieuwbouwwijk niet meer geschikt is als vaste rust- of voortplantingsplaats.
In hoofdstuk 6 zijn de te treffen maatregelen verder uitgewerkt. 5.3
Effecten op korte termijn huismus
Ooit was de huismus de meest algemene broedvogel van Nederland. De soort is de laatste decennia om onbekende reden in aantal vrij hard achteruit gegaan. Begin jaren tachtig van de 20e eeuw begon de afname, die in de beginjaren negentig versnelde. Dit heeft geresulteerd in een landelijke afname van meer dan 50% van het aantal broedparen. Vermoedelijk is één van de oorzaken de afname van broedgelegenheid, onder andere door renovatie en isolatie van oude woningen, en dit in combinatie met een afgenomen voedselaanbod, minder dekking en een toename aan predatie. Ondanks dat de oppervlakte stedelijk gebied en het aantal huizen groter geworden is in Nederland, is de huismus in aantal afgenomen. Door de sloopwerkzaamheden verdwijnen de nestplaatsen van de huismussen. Huismussen zijn het gehele jaar in de omgeving van hun nestlocatie te vinden. Soms worden de nesten gebruikt om te slapen. De nesten worden meerdere jaren gebruikt, maar huismussen bouwen het gehele broedseizoen aan de nesten. Aantasting van een legsel wordt niet verwacht. Wanneer de werkzaamheden in het najaar plaatsvinden is het redelijkerwijs uitgesloten dat er nog eieren of jongen in de nesten aanwezig zijn. Om te garanderen dat er gedurende de werkzaamheden voldoende uitwijkmogelijkheden aanwezig zijn, worden tijdelijke huismuskasten voorafgaand aan de werkzaamheden geplaatst in de omgeving.
Tevens zijn er in de omgeving van het plangebied woningen aanwezig met nestplaatsen van huismussen waardoor gedurende de werkzaamheden altijd woningen beschikbaar zijn en blijven voor huismussen als vaste rust- of voortplantingsplaats. Maatregel: werkzaamheden buiten broedseizoen uitvoeren. Maatregel: plaatsen 4 huismuskasten in directe omgeving van de nestplaatsen.
R 10485.005 versie D1
Pagina 19 van 26
5.4
Effecten lange termijn op gunstige staat van instandhouding huismus
Daar waar nieuwbouwwoningen gerealiseerd worden is over het algemeen weinig broedgelegenheid voor huismussen. Vaak zullen nieuwe dakpannen strak aansluiten en daardoor niet toegankelijk zijn voor huismussen. Veelal wordt vogelschroot toegepast, zodat er geen toegang is vanaf de dakrand. Bovendien is op het isolatiemateriaal geen geschikte nestgelegenheid. In het plangebied zijn 2 nesten van huismussen aanwezig. Deze nesten maken onderdeel uit van een kolonie van 35 nesten. De staat van instandhouding is daarom niet in het geding maar het is wel belangrijk dat er effectieve maatregelen getroffen worden om de populatie van huismussen in de toekomst duurzaam in stand te houden en mogelijk zelfs te verbeteren. Door bij de woonblokken het vogelschroot te verplaatsen en te zorgen voor voldoende ruimte tussen het nieuwe dakbeschot en de dakpannen blijft op de lange termijn de functionaliteit van de bebouwing voor huismussen behouden en wordt het plangebied zo mogelijk zelfs geschikter voor de huismus. Maatregel: het vogelschroot verplaatsen naar de derde rij dakpannen of voldoende inbouwvoorzieningen realiseren. 5.5
Verbodsbepalingen Wet natuurbescherming
5.5.1
Steenuil
De steenuil en zijn leefgebied is beschermd volgens artikel 3.1 van de Wet natuurbescherming. De soort staat tevens vermeld in de EU-vogelrichtlijn. De nesten van steenuilen zijn het hele jaar beschermd en vallen onder categorie 1 van vogelnesten: ‘nesten die behalve gedurende het broedseizoen als nest, buiten het broedseizoen in gebruik zijn als vaste rust- en voortplantingsplaats’. De steenuil heeft twee relevante typen verblijfplaatsen. Dit zijn: • •
de plek die als nest gebruikt wordt (voortplantingsplaats) en die ook in de rest van het jaar gebruikt wordt als verblijfplaats; de plekken die regelmatig door de steenuil worden gebruikt buiten het broedseizoen, maar die ook in het broedseizoen door het mannetje worden gebruikt als het vrouwtje op het nest aan het broeden is (rustplaats).
Met de voorgenomen ingreep is er geen sprake van directe aantasting van een vaste rust- of voortplantingsplaats van steenuilen. Indirect kan er wel sprake zijn van aantasting van een verblijfplaats. Dit laatste kan van toepassing zijn als het essentiële leefgebied van steenuilen dusdanig wordt aangetast dat een territorium zijn functionaliteit voor de steenuil verliest. In dit geval zijn de vaste verblijfplaatsen van steenuilen niet meer functioneel en kan sprake zijn van overtreding van de Wet natuurbescherming. Gezien het gegeven dat de ingreep gaat plaatsvinden in 3 territoria van steenuilen, valt niet uit te sluiten dat met de voorgenomen ingreep sprake zal zijn van aantasting van essentieel leefgebied op de lange termijn. Hierdoor is overtreding van de Wet natuurbescherming mogelijk aan de orde. Het succes van dergelijke mitigerende maatregelen is op voorhand lastig te voorspellen gezien de grote schaal van de herontwikkeling. De kans is daardoor aanwezig dat, ondanks het treffen van voldoende mitigerende maatregelen, de herontwikkeling kan leiden tot een tijdelijke afname van de functionaliteit van het gebied voor steenuilen. Daarom zal een dergelijk mitigatieplan getoetst moeten worden door de provincie Gelderland, middels een ontheffingsaanvraag.
R 10485.005 versie D1
Pagina 20 van 26
5.5.2
Huismus
De huismus valt onder het beschermingsregime van artikel 3.1 van de Wet natuurbescherming. Het is verboden de voortplantings- en rustplaatsen te beschadigen of te vernielen en de nesten mogen niet worden weggenomen. Bij de sloop van de bebouwing zijn er maatregelen nodig om de functionaliteit voor de soort te behouden. Hiermee wordt overtreding van de Wet natuurbescherming voorkomen. Omdat de nesten in principe het hele jaar gebruikt worden is er een ontheffing van artikel 3.1 lid 2 benodigd voor het tijdelijke verlies van functionaliteit. Artikel 3.1 lid 4 en 5 betreft het opzettelijk storen van vogels. Hierbij geldt dat het storen niet van wezenlijke invloed is op de staat van instandhouding. Bij het verjagen van de huismussen, als gevolg van de sloop van de bebouwing is sprake van voorwaardelijke opzet en is het artikel van kracht, echter het verjagen heeft niet tot doel om de staat van instandhouding negatief te beïnvloeden. Overtreding van Artikel 3.1 lid 4 en 5 is daarom niet aan de orde. 5.3.1
Wettelijk belang uit de Habitatrichtlijn en Vogelrichtlijn
De bedrijfswoning op de onderzoekslocatie is slecht geïsoleerd en verkeerd in matige bouwkundige staat met tocht en vocht als gevolg. Met de voorgenomen nieuwbouw wordt een leefomgeving gerealiseerd die betere leefomstandigheden en woongenot creëren voor bewoners. De ontheffing voor de beschermde soorten onder de Vogelrichtlijn worden daarom aangevraagd in het belang van volksgezondheid en openbare veiligheid. Het is vanuit een duurzaam ruimtegebruik zeer wenselijk om gebruik te maken van inbreidingslocaties en/of herstructureringslocaties. Een groot deel van het plangebied is als herstructurering te beschouwen. Om het plan financieel mogelijk te maken, is het noodzakelijk deels ook tot uitbreiding over te gaan. De gemeente heeft bij de vaststelling van het Programma van Eisen al bepaald dat het plan, gelet op de omvang, voorgaat op andere plannen in Nederhemert. Andere plannen in Nederhemert worden in programma en tijd hierop afgestemd.
R 10485.005 versie D1
Pagina 21 van 26
6 6.1
TE TREFFEN MAATREGELEN Inleiding
De te nemen maatregelen zijn in te delen in de volgende drie stappen: a. alternatieve verblijfplaatsen aanbieden als tijdelijke opvang van het verlies van de potentiële verblijfplaatsen voor de periode tussen de ingreep en de realisatie van de nieuwe situatie; b. werken buiten de gevoelige perioden voor steenuil en huismus en zorgvuldig handelen; c. in de nieuwe situatie duurzame verblijfsmogelijkheden voor beschermde soorten creëren. 6.2
Tijdelijke mitigatie huismus
Voor de huismus worden voor elke nestplaats in het plangebied 2 tijdelijke kasten binnen 200 meter van het plangebied geplaatst. Omdat er twee nesten van huismussen in het plangebied aanwezig zijn, worden daarom twee tijdelijke tweedelige nestkasten opgehangen. De kasten zijn van het type HMT2 van Faunaprojecten.nl of vergelijkbaar (figuur 20). De kasten worden aan woningen in de directe omgeving geplaatst, minimaal 3 maanden voorafgaand aan de sloop. De exacte locaties van de te plaatsen kasten en foto’s van de ophanglocaties zullen in het logboek worden verwerkt en later worden opgestuurd naar de provincie Gelderland onder vermelding van het zaaknummer. 6.3
Figuur 20. Tijdelijke huismuskast (HMT2) van Faunaprojecten.
Zorgvuldig handelen en ongeschikt maken
Het broedseizoen van huismussen loopt globaal van 15 maart tot 15 augustus en het broedseizoen van steenuilen globaal van half april tot half mei. Door de sloopwerkzaamheden tussen 1 september en half maart uit te voeren worden de kritische werkzaamheden volledig buiten het broedseizoen van huismussen en steenuilen uitgevoerd. Huismussen kunnen in het najaar en de winter de woningen nog wel gebruiken om te slapen of rusten en steenuilen kunnen verblijven tussen het materiaal en opslag op het terrein. De onderste rij pannen moeten daarom met zorg en handmatig verwijderd worden, zodat de huismussen uit zichzelf weg kunnen vliegen en ook de materialen dienen met zorg verwijderd te worden. Het verwijderen van pannen en materialen zal tevens onder ecologische begeleiding plaatsvinden. Wanneer de sloopwerkzaamheden door omstandigheden uitlopen en niet afgerond kunnen worden voor het broedseizoen, zullen de materialen al wel vast voor het broedseizoen verwijderd worden en de woningen ongeschikt gemaakt worden. Dit wordt uitgevoerd door de onderste rij pannen zorgvuldig op te tillen om te kijken of er huismussen onder verblijven. Als dat niet het geval blijkt te zijn, worden de pannen weer teruggelegd en wordt de ruimte tussen de pan en de gevel afgesloten met rugvulling zodat huismussen de woningen niet kunnen gebruiken om te broeden.
Econsultancy verwacht echter dat dit niet noodzakelijk zal zijn.
R 10485.005 versie D1
Pagina 22 van 26
6.4
Landschappelijke inpassing steenuil
Als gevolg van de voorgenomen ingreep gaat 767 meter aan bejaagbaar gebied van de steenuil verloren. Dit is 9,7% van het totale oppervlakte aan bejaagbaar gebied binnen de homerange van de 3 steenuilenterritoria. Om op de lange termijn te borgen dat de 3 steenuilenterritoria van voldoende kwaliteit zijn om de lokale steenuilenpopulatie in stand te houden, is het van belang dat de omgeving van het plangebied landschappelijk wordt ingepast. Het verlies van bejaagbaar gebied dient ruim gecompenseerd te worden omdat de effectiviteit van de te nemen maatregelen op voorhand moeilijk zijn in te schatten. Daarom wordt binnen een straal van 300 meter in totaal 1.534 meter (het dubbele van wat verdwijnt) aan bejaagbaar leefgebied gerealiseerd en er worden Figuur 21. Steenuilenkast UK ST 01 van 3 steenuilenkasten opgehangen. De drie steenuilenkasten die Vivara Pro (marterproof). geplaatst worden zijn van het type UK ST 01 van Vivara Pro (figuur 21) of vergelijkbaar. De exacte ophanglocaties moeten nog worden afgestemd met de opdrachtgever en omwonenden binnen 300 meter van het plangebied. Foto’s en kaartmateriaal van de exacte ophanglocaties zullen daarom worden verwerkt in het logboek en later worden verstuurd naar de provincie Gelderland onder vermelding van het zaaknummer.
De exacte invulling van de landschappelijke inpassing van de rand van de nieuwbouwwijk en op percelen van omwonenden binnen 300 meter moet nog nader uitgewerkt worden in overleg met de opdrachtgever en omwonenden. In ieder geval zal in totaal 1.534 meter aan bejaagbaar gebied gerealiseerd moeten worden, dit is het dubbele van hetgeen verdwijnt. De exacte invulling van de landschappelijke inpassing zal in overleg met de ter zake kundig ecoloog gerealiseerd moeten worden. Econsultancy stelt de volgende maatregelen voor: • • • •
•
•
haag van minimaal 1,5 meter breed langs de nieuwbouwwijk bestaande uit struweel zoals sleedoorn, meidoorn en hondsroos eventueel aangevuld met wilg, eik of es (1.150 meter); knotwilgen rij met om de 5 meter een wilg (125 meter); dubbele raster met weidepaaltjes en kruidenzoom van minimaal 0,5 en maximaal 3 meter breed (130 meter); houtwal van minimaal twee meter breed met struiken en minimaal 3 soorten bomen die noten en vruchten dragen zoals hazelaar, walnoot, lijsterbes, eik en Gelderse roos (175 meter). o Het duurt zeker enkele jaren voordat de houtwal goede schuil- en foerageermogelijkheden voor steenuilen biedt. Daarom dient binnen de ruimte waar de houtwal wordt aangeplant ook korte termijn maatregelen uitgevoerd te worden. In de helft van de lengte van de houtwal dient een takkenril worden aangelegd van minimaal 50 meter lang, 50 centimeter hoog en 75 centimeter breed. Bomen en struiken die verwijderd worden ten behoeve van de aanleg van de woonwijk kunnen bijvoorbeeld gebruikt worden om de takkenril aan te leggen. Er dienen minimaal 4 vruchtdragende solitaire bomen aangeplant te worden om op de lange termijn de kwaliteit van het foerageergebied van steenuilen te verbeteren. Daarnaast bieden de bomen op de lange termijn ook schuilmogelijkheden voor steenuilen.
Soorten vruchtdragende bomen waar aan gedacht kan worden zijn walnoot, kastanje en fruitbomen zoals appel en peer. Alle voorgestelde maatregelen moeten uitgevoerd worden voordat wordt gestart met de herinrichting van het plangebied.
R 10485.005 versie D1
Pagina 23 van 26
Op basis van bovenstaande eisen vanuit Econsultancy heeft de opdrachtgever een landschappelijk inpassingsplan gemaakt. Het succes van de te nemen maatregelen is het grootst als zoveel mogelijk mitigerende maatregelen buiten het plangebied maar binnen een range van 300 meter van het plangebied wordt gerealiseerd. De initiatiefnemer heeft aangegeven dat het slechts mogelijk is om een deel van de mitigerende maatregelen buiten het plangebied te realiseren. De mitigatie die volgens de initiatiefnemer mogelijk is zowel binnen als buiten als binnen het plangebied is weergegeven in figuur 22.
Figuur 22. Voorstel landschappelijke inpassing van de initiatiefnemer (Urban jazz, 2021).
R 10485.005 versie D1
Pagina 24 van 26
Figuur 23. Takkenril tussen knotbomen.
6.5
Figuur 24. Sleedoorn.
Duurzame maatregelen in nieuwbouw
In totaal zullen bij alle nieuwbouwwoningen zowel aan de voor- als achterzijde het vogelschroot worden verplaatst naar de derde panlat (figuur 25). Hierdoor worden de huidig aanwezige potenties volledig teruggebracht en zelfs aanzienlijk versterkt aangezien vele potentiële nestlocaties voor huismussen gerealiseerd worden. De nieuwbouwwoningen bieden, na afloop van de werkzaamheden, hiermee nestgelegenheid voor minimaal 864 huismussen (uitgaande van minimaal 8 nesten per woning). Indien het creëren van ruimte onder de dakpannen technisch niet mogelijk is, zullen inbouwkasten voor huismussen in de nieuwbouw gerealiseerd worden. Econsultancy verwacht echter dat dit laatste niet aan de orde zal zijn.
R 10485.005 versie D1
Figuur 25. Voorbeeld plaatsen vogelschroot bij derde rij dakpannen.
Pagina 25 van 26
7
SAMENVATTING
Econsultancy heeft in opdracht van Milieutechnisch adviesburo De Bruin een projectplan opgesteld in het kader van de Wet natuurbescherming, ten behoeve van de voorgenomen nieuwbouw aan de Kapelstraat (ong.) te Nederhemert. De volgende onderzoeksvragen zijn beantwoord: Welke beschermde soorten zijn in het plangebied aanwezig? o Het betreft de steenuil en huismus. Welke functie heeft het plangebied voor de soorten? o Het plangebied heeft voor de huismus een functie als nestplaats en voor de steenuil maakt het plangebied onderdeel uit van het functioneel leefgebied. Wat is de omvang en duurzame staat van instandhouding van de bij de ingreep betrokken populaties van beschermde soorten? o Voor de huismus betreft het twee nestplaatsen, omdat er in de omgeving meer nesten van huismussen aanwezig zijn is de staat van instandhouding niet in het geding. o Het plangebied maakt voor de steenuil 9,7% onderdeel uit van het bejaagbaar gebied van 3 territoria. De staat van instandhouding is daarom nog niet in het geding. Blijft de functionaliteit van de rust- en voortplantingsplaatsen behouden? o Door het treffen van maatregelen blijft de functionaliteit van de vaste rust- of voortplantingsplaatsen behouden.
Welke eigenschappen van het gebied moeten gemitigeerd of gecompenseerd worden? o Voor de huismus dienen de twee nestplaatsen zowel tijdelijk als in de nieuwe situatie gecompenseerd te worden. o Voor de steenuil dient het plangebied en directe omgeving landschappelijk ingepast te worden om de eigenschappen van het functioneel leefgebied op lange termijn te waarborgen. Hoe groot wordt het succes van de te nemen maatregelen ingeschat? o De te nemen maatregelen zijn conform de voor de beide soorten opgestelde Kennisdocumenten (BIJ12, 2017). Op basis van de te nemen maatregelen heeft de initiatiefnemer een voorstel gedaan op welke manier dit ingepast wordt. De provincie Gelderland zal moeten toetsen of dit voldoende is. Welke maatregelen moeten getroffen worden om aan de zorgplicht te voldoen? o Het betreft het werken buiten het broedseizoen, zorgvuldig handelen en het werken onder ecologische begeleiding. Zijn er voor de streng beschermde soorten geen meer bevredigende oplossingen. o Gezien de woningbehoefte in Nederhemert is het vanuit duurzaam oogpunt gezien de beste mogelijkheid om hierin te voorzien om de oorspronkelijk bedrijfslocatie te herstructureren. Omdat de ingreep grotendeels herstructurering betreft en slechts voor een klein deel uitbreiding is dit voor beschermde soorten de minst verstorende oplossing.
Welk wettelijk belang is er waardoor de werkzaamheden moeten worden uitgevoerd? o In het belang van de volksgezondheid en openbare veiligheid.
Econsultancy Doetinchem, 11 februari 2021
R 10485.005 versie D1
Pagina 26 van 26
Doetinchem, 2 juli 2021 Betreft: Project:
Aanvullingen ontheffingsaanvraag zaaknummer: 2021-002861 10485.005
Op 31 mei 2021 heeft Econsultancy een brief ontvangen van de provincie Gelderland met het verzoek om aanvullende gegevens te sturen om de aangevraagde ontheffing met zaaknummer 2021-002861 te kunnen beoordelen. In onderhavig document worden antwoorden op de vragen in de brief gegeven. 1. Op het aanvraagformulier staat Econsultancy vermeld als aanvrager van de ontheffing en daarmee de legesplichtige. Wij vragen u naam, adresgegevens en het emailadres van de aanvrager toe te sturen;
Naam: Boveneind Nederhemert BV t.a.v. dhr. GGWJ Kuipers Adres: Molenstraat 16, 5317JG Nederhemert Mailadres: de-meubelberg@hetnet.nl Telefoonnummer: 0651286743 2. Bij de aanvraag is een machtiging aangeleverd waarin Econsultancy gemachtigd wordt de aanvraag in te dienen en af te handelen. Hieruit blijkt echter niet dat degene die de machtiging heeft ondertekend, tekenbevoegd is namens de initiatiefnemer. Wij vragen u een uittreksel van de Kamer van Koophandel te leveren waarin deze persoon met naam genoemd staat;
Het uittreksel is bijgevoegd in bijlage 1. 3. In de aanvraag mist een uiteenzetting van de uit te voeren werkzaamheden en de planning van het project. Wij vragen u deze aan te leveren;
Het woningbouwproject wordt uitgevoerd in drie fases. Deze fasering is weergegeven in bijlage 2 op pagina 8. Bijlage 2 geeft ook een completer beeld van het plan. Fases 2 en 3 blijven onaangetast voordat voorgaande fases zijn afgerond. De fasering is als volgt: - September 2021 gaat het bestemmingsplan naar de raad; - Eind 2021 zal naar verwachting het bestemmingsplan definitief zijn vastgesteld; - Daarna direct fase 1 starten met bouwrijp maken. Dit houdt in dat de kwekerij wordt ontmanteld, en de gebouwen in fase 1, met uitzondering van de boerderij aan Kapelstraat 24, worden gesloopt en resterend groen wordt verwijderd. De oplevering voor fase 1 staat gepland in 2026. - Na oplevering van fase 1 zal fase 2 gesloopt worden, dus ook de woning waar nesten van huismussen aanwezig zijn. Fase 2 zal opgeleverd worden in 2028; - Na afronding van fase 2 zal fase 3 bouwrijp gemaakt worden en zullen de laatste woningen gerealiseerd worden. 4. De aanwezigheid van de kerkuil binnen het plangebied wordt uitgesloten op basis van het ontbreken van nestlocaties, roestplaatsen en sporen tijdens de quickscan. Een quickscan is onvoldoende om een soort uit te sluiten op basis van het ontbreken van sporen. Is binnen het plangebied potentieel leefgebied aanwezig voor de kerkuil? Wij vragen u nader te onderbouwen waarom de aanwezigheid van de soort met zekerheid uit te sluiten is.
Op basis van de quickscan Wet natuurbescherming kan een vaste rust- of voortplantingsplaats van kerkuil met voldoende zekerheid worden uitgesloten. Een klein deel van het plangebied zou in theorie deel kunnen uitmaken van het leefgebied van een kerkuil. Het grootste gedeelte van het plangebied is niet geschikt als leefgebied omdat het grootste deel bestaat uit verhard/bebouwd terrein en een
Memo 10485.005 versie
Pagina 1 van 8
intensief gebruikte kwekerij. Kerkuilterritoria zijn fors groter dan territoria van steenuilen (60 tot 1.200 hectare, waardoor een afname van een klein oppervlakte tegen de bebouwde kom niet zal leiden tot afname van essentieel leefgebied. In de omgeving van het plangebied is namelijk voldoende leefgebied aanwezig, in de vorm van weilanden, erven, kwekerijen en akker. Daarbij zijn er tijdens alle aanvullende onderzoeken naar steenuilen, vleermuizen en gierzwaluwen ook geen foeragerende kerkuilen waargenomen op of nabij de onderzoekslocatie. 5. De aanwezigheid van beschermde planten is onvoldoende onderbouwd. De afwezigheid van waarnemingen in de NDFF is onvoldoende om soorten uit te sluiten en het veldbezoek is uitgevoerd in een periode waarin planten niet bloeien, waardoor de afwezigheid niet is aan te tonen. Wij vragen u nader te onderbouwen waarom beschermde plantensoorten niet in het plangebied aanwezig kunnen zijn.
De aanwezigheid van vaatplanten is in de quickscan Wet natuurbescherming niet alleen uitgesloten op basis van waarnemingen uit de NDFF. Zoals aangegeven in de quickscan is de onderzoekslocatie niet gelegen binnen het verspreidingsgebied van beschermde vaatplanten, die vergelijkbare standplaatsfactoren hebben als op de onderzoekslocatie aanwezig zijn. Het plangebied bestaat uit verhard terrein, tuin, kwekerij en intensief gebruikt grasland en weiland en daarmee ongeschikt leefgebied voor beschermde vaatplanten. 6. De tijdstippen van de veldbezoeken in het najaar voldoen niet aan het vleermuisprotocol voor wat betreft de meervleermuis. De meervleermuis is een gebouwbewonende soort en de aanwezigheid is in de rapportage van de quickscan niet uitgesloten. Is de aanwezigheid van verblijfplaatsen van de meervleermuis binnen het plangebied uit te sluiten? Zo ja, waarom?
(Paar)verblijfplaatsen van meervleermuis bevinden zich voornamelijk langs belangrijke trekroutes. Bij een gebouw midden in de bebouwde kom is het niet waarschijnlijk dat deze op een trekroute van de meervleermuis ligt, waarmee paarverblijfplaatsen van meervleermuis redelijkerwijs uit te sluiten zijn. Tijdens geen enkele veldronde zijn er waarnemingen geweest van meervleermuizen in de omgeving van de onderzoekslocatie. 7. Op welke tijdstippen zijn de veldbezoeken ten behoeve van het inventariseren van nesten van de huismus uitgevoerd?
Beide huismusonderzoeken zijn uitgevoerd tussen 9 uur en 11 uur in de ochtend. 8. Waarom is de aanwezigheid van een paarverblijfplaats van de gewone dwergvleermuis in gebouw 6 uit te sluiten? Er zijn geschikte locaties en het gebouw ligt mogelijk binnen het territorium van de gewone dwergvleermuis die is waargenomen in het plangebied.
Het klopt dat er kort baltsactiviteit van een gewone dwergvleermuis binnen het plangebied is waargenomen. Echter is er geen enkele binding met gebouw 6 waargenomen. Tijdens geen van de veldbezoeken (zowel zomer als najaar) is er activiteit van vleermuizen waargenomen bij gebouw 6. De plek waar de baltsactiviteit kort is waargenomen is vermoedelijk omdat dit een relatief hoog gebouw is dat als “klankkast” gebruikt wordt. Vrijwel alle gebouwen in de omgeving van het plangebied zijn geschikt als zomer- en paarverblijfplaats van de gewone dwergvleermuis, Omdat tijdens geen van de veldbezoeken een functie van het gebouw voor de gewone dwergvleermuis is waargenomen, kan gesteld worden dat het paarverblijf zich elders in de omgeving, buiten het plangebied moet bevinden. 9.
Er gaat 9,7% van het bejaagbaar gebied van de steenuil verloren. Hierbij wordt ervan uitgegaan dat al het bejaagbaar gebied van gelijke kwaliteit is. Om te kunnen bepalen of er in de nieuwe situatie voldoende foerageergebied beschikbaar is, is het nodig om de hoeveelheid optimaal, suboptimaal en marginaal gebied te bepalen en dit in ieder geval terug te brengen in de nieuwe situatie. Op dit moment is niet duidelijk of de nieuwe situatie voldoende kwalitatief foerageergebied biedt voor de drie aanwezige koppels steenuilen in de omgeving.