Bijlage 2. Bijlagen bij bestemmingsplan Nederhemert, Kapelstraat De Meander
Tekst van het document
Memo 10485.005 versie
Pagina 2 van 8
Het grootste deel van de omgeving van het plangebied is geen optimaal geschikt habitat voor steenuilen. Het plangebied zelf bestaat voornamelijk uit industrieterrein en een kwekerij met weinig foerageermogelijkheden. De gebieden binnen het plangebied die optimaal geschikt leefgebied bieden zijn: - Het erf behorend bij Kapelstraat 24 (fase 3); - Het gebied tussen de Maasdijk en het industrieterrein (fase 2). Buiten het plangebied is de omgeving van de Wellseindsedijk optimaal geschikt leefgebied, dit gebied blijft buiten de invloedsfeer van het plangebied. De optimaal geschikte gebieden zijn met groene cirkels weergegeven in figuur 1. Het overige deel van het plangebied en de directe omgeving kan beschouwd worden als marginaal tot suboptimaal leefgebied.
Figuur 1. Optimale leefgebieden van steenuilen (groene cirkels) binnen de homerange van de drie steenuilterritoria nabij het plangebied.
Bij het bepalen van de benodigde mitigerende maatregelen is uitgegaan van de functie die het plangebied heeft voor steenuilen. Dus verdwijnen er voortplantingsplaatsen, schuilmogelijkheden of juist foerageermogelijkheden? Voortplantingsplaatsen zijn binnen het plangebied niet aanwezig (zie rapport 10485.001 en 10485.005 D2), dus het gaat in onderhavig plan om het terugbrengen van geschikte schuilmogelijkheden en foerageermogelijkheden. Hierbij worden verschillende maatregelen toegepast die elk weer een andere functie hebben voor steenuilen, en deels op korte termijn, deels op lange termijn en deels zowel korte- als lange termijn effect hebben. In het antwoord van vraag 11 en 12 wordt verder ingegaan op deze mitigerende maatregelen. 10. Zonder de locaties van de te realiseren steenuilkasten is de aanvraag niet te beoordelen. Wij vragen u de locaties op kaart aan te leveren en te beredeneren waarom de gekozen locaties geschikt zijn als verblijfplaats van de steenuil.
Memo 10485.005 versie
Pagina 3 van 8
In 6.4 van de rapportage van het projectplan (10485.005 D2) staat inderdaad vermeld dat dat de exacte ophanglocaties nog moeten worden afgestemd met de opdrachtgever en omwonenden. Dit is onverhoopt blijven staan uit eerdere versies van het rapport. De definitieve locaties van de drie steenuilenkasten staan ingetekend in figuur 22 in het projectplan. Een nieuwe versie van deze tekening, met extra mitigerende maatregelen voor steenuilen buiten het plangebied, is weergegeven in bijlage 3. De gekozen locaties bevinden zich nabij de bestaande territoria en in directe nabijheid van bestaand groen en kleinschalige elementen. Tijdens het plaatsen van de kasten kan het zijn dat een locatie vlakbij nog geschikter blijkt te zijn, mocht dit zo zijn zou het kunnen dat de kasten enkele tientallen meters verplaatst worden ten opzichte van de beoogde locatie. Het voornemen is om het plaatsen van de steenuilenkasten in samenspraak met de lokale steenuilenwerkgroep te doen. De steenuilenwerkgroep heeft aangegeven in de directe omgeving van de Kapelstraat nog geen steenuilenkasten in beheer te hebben. 11. De mitigerende maatregelen worden grotendeels aangebracht in de nieuw te bouwen woonwijk. Hier ontbreekt het aan percelen met kort gras waarin de steenuil kan jagen. Daarnaast bestaat er het risico dat de steenuil wordt gestoord door verlichting vanuit woningen en openbare verlichting.
Waarom zijn de gekozen mitigerende maatregelen voldoende?
Het klopt dat er relatief weinig compenserende maatregelen voor bejaagbaar leefgebied buiten het plangebied zijn ingetekend. De reden hiervoor was omdat hiervoor medewerking en toestemming van particuliere grondeigenaren nodig is. Recentelijk is er toestemming gegeven voor extra mitigerende maatregelen buiten het plangebied, dus wat geschikter is voor steenuilen dan maatregelen binnen het plangebied omdat binnen het plangebied naar verwachting teveel verstoring zal zijn voor steenuilen om als optimaal geschikt leefgebied te kunnen dienen. Deze maatregelen zijn ingetekend in de kaart (bijlage 2) en betreffen: - 100 meter extra houtwal van minimaal 2 meter breed buiten het plangebied, ten oosten van fase 3, deze maatregel is bedoeld voor de lange termijn en is bedoeld als schuilmogelijkheid en deels foerageermogelijkheid; - 150 meter dubbel raster met daartussen een ruigtezone in plaats van de eerder voorgestelde dubbel raster van 100 meter, deze maatregel is voor zowel de korte- als lange termijn en is bedoeld als foerageermogelijkheid. - 100 meter extra knotbomenrij ten oosten van fase 1, dit betreft zowel een korte als lange termijnmaatregel (korte termijn als jachtposten en lange termijn voor schuilmogelijkheid); - 3 extra vruchtdragende bomen, dit is een lange termijnoplossing voor schuil- en foerageermogelijkheden.
- Haag van 1,5 meter aan oostzijde van fase 1 in plaats van een haag van 1 meter hoog, om zo meer rust en donkerte naar het gebied ten oosten van het plangebied te waarborgen. Met inachtneming van deze extra mitigerende maatregelen in combinatie met de geplande fasering wordt de voorgestelde mitigatie als voldoende beschouwd.
Memo 10485.005 versie
Pagina 4 van 8
12. De mitigerende maatregelen zijn niet allemaal bij de start van de werkzaamheden uitgevoerd en functioneel. Wat is er aan geschikt foerageergebied beschikbaar voor de steenuil bij de start en tijdens de uitvoering van de werkzaamheden? Wij vragen u dit op kaart aan te leveren en aan te geven of het gaat om optimaal, suboptimaal of marginaal foerageergebied.
De mitigerende maatregelen voor steenuilen die buiten het plangebied gerealiseerd worden, zullen allemaal in het najaar van 2021 worden uitgevoerd. Het gaat hierbij dan om het plaatsen van steenuilenkasten, het plaatsen van dubbele rasters en het aanplanten van bomen en struiken. Bij de aanvang van de werkzaamheden zijn de volgende maatregelen functioneel: - 150 meter dubbel raster als foerageermogelijkheden; - 3 steenuilenkasten als tijdelijke extra schuilmogelijkheden; - 200 meter knotbomenrij als jachtposten; - Ruigte in nieuw aangeplante houtwal als extra foerageermogelijkheden op muizen en grote insecten. De volgende maatregelen zijn bedoeld voor de lange termijn en zullen gedurende de looptijd van het project steeds geschikter worden: - Houtwallen als schuilmogelijkheid en door de aanwezigheid van bes-dragende en vruchtdragende struiken ook als foerageermogelijkheden op muizen en grote insecten; - Solitaire bomen als schuilmogelijkheid en foerageermogelijkheid vanwege de bijdrage van de vruchten aan een toename van bejaagbare muizen. - 200 meter knotbomenrij als schuil- en foerageermogelijkheden; - De drie steenuilenkasten als mogelijke uitbreiding of versterking van de lokale populatie. De gebieden binnen het plangebied die optimaal geschikt zijn voor steenuilen betreffen fase 3 en het zuiden van fase 2.
Deze gebieden blijven onaangetast totdat voorgaande fases zijn gerealiseerd. Dit betekent dat in ieder geval tot 2026 het optimaal geschikte leefgebied voor steenuilen beschikbaar blijft. In de tussentijd hebben de permanente mitigerende maatregelen buiten het plangebied tijd om zich te ontwikkelen waardoor deze mitigerende maatregelen optimaal geschikt zijn. Aanvullend hierop worden ook binnen het plangebied (aan de randen) mitigerende maatregelen genomen, waaronder houtwallen en hagen. Deze maatregelen zijn voor steenuilen marginaal tot suboptimaal geschikt en zijn voornamelijk bedoeld om behoud van rust- en donkerte naar het buitengebied te waarborgen. Alle bovengenoemde mitigerende maatregelen staan weergegeven op kaart in bijlage 3. 13. In het projectplan is opgenomen dat de aangetroffen huismusnesten onderdeel uitmaken van een populatie van 35 koppels van de soort. Waar zijn deze gegevens op gebaseerd? Wij vragen u de waarnemingen van de huismus in de omgeving van het plangebied inzichtelijk te maken op kaart en aan te leveren. Waar komen deze waarnemingen vandaag?
Dit is een schatting op basis van een rondgang door de directe omgeving van het plangebied na afloop van beide huismusinventarisaties. In de Kapelstraat tussen de kruising met de Molenstraat en de Maasdijk zijn veel paartjes huismussen zingend waargenomen. Deze zijn niet exact op kaart ingetekend omdat deze woningen aan de Kapelstraat niet tot de onderzoekslocatie behoorden en derhalve niet aan de achterzijde onderzocht konden worden. De twee paartjes die aanwezig zijn in gebouw 6 maken onderdeel uit van deze populatie in de Kapelstraat.
Memo 10485.005 versie
Pagina 5 van 8
14. Ter mitigatie van de aan te tasten huismusnesten worden tijdelijke kasten opgehangen. Wij vragen u de locaties van deze tijdelijke kasten op kaart aan te leveren. Waarom zijn de gekozen locaties geschikt als tijdelijke nestlocatie van de huismus? Is er voldoende geschikt leefgebied beschikbaar in de directe omgeving van deze kasten?
In elke woning van fase 1 wordt minimaal één inmetselsteen voor huismussen verwerkt. In totaal worden er dus minimaal 36 inmetselstenen toegepast. De inmetselstenen die worden toegepast zijn van het type HMP2 of HMP3 van Unitura (zie figuren 2 en 3) of vergelijkbaar. Aangezien fase 2 pas wordt gesloopt na oplevering van fase 1, zijn er in de nieuwbouw van fase 1 reeds ruim voldoende tijdelijke en permanente voorzieningen aanwezig met voldoende gewenningstijd (3 maanden) voor de 2 paartjes huismussen. Aanvullend hierop worden bij alle nieuwbouwwoningen dakpannen toegepast, waardoor in de toekomst naar verwachting alle bebouwing geschikte nestlocaties kunnen hebben. In de huidige situatie is alleen de woning aan de Kapelstraat 8 geschikt voor huismussen, waardoor het voorgenomen plan juist zorgt van versterking van de lokale populatie huismussen.
Figuur 2. Inmetselsteen HMP2 (bron: Unitura).
Figuur 3. Inbouwkast HMP3 (bron: Unitura).
15. Het functioneren van een nestlocaties van de huismus is afhankelijk van de aanwezigheid van leefgebied in de directe omgeving. De eigenaren van de nieuw te bouwen woningen kan niet verplicht worden inheemse planten in de tuin te plaatsen. Wordt er in de nieuwe woonwijk openbaar groen gerealiseerd dat kan functioneren als leefgebied van de huismus? Op welke manier is geborgd dat er in de nieuwe situatie voldoende leefgebied beschikbaar is?
In de huidige situatie is er weinig geschikt leefgebied voor huismussen aanwezig. Een groot deel van het plangebied is volledig verhard terrein. Ook de directe omgeving van gebouw 6 is weinig geschikt voor huismussen. In de nieuwe situatie worden in de aanlegfase veel hagen aangeplant die geschikt leefgebied en schuilmogelijkheden bieden voor huismussen. zie hiervoor pagina 23 en pagina 6 in bijlage 2, de presentatie van het bestemmingsplan. 16. Omdat er nesten en leefgebied van vogels verloren gaan, moet een belang uit de Vogelrichtlijn worden aangedragen en onderbouwd. Op het aanvraagformulier heeft u aangegeven dat voor het onderhavige project het belang ‘volksgezondheid of de openbare veiligheid’ wordt aangedragen. Uit de onderbouwing in het projectplan blijkt echter niet dat de volksgezondheid of de openbare veiligheid in het geding is. Wij vragen u een nadere onderbouwing van dit belang aan te leveren.
Het belang waarin de ontheffing wordt aangevraagd wordt gewijzigd naar “ter bescherming van flora en fauna”. De redenen hiervoor zijn:
Memo 10485.005 versie
Pagina 6 van 8
- Voor de huismus is in de huidige situatie binnen het gehele plangebied enkel de woning aan de Kapelstraat 8 geschikt als nestlocatie. De directe omgeving van Kapelstraat 8 biedt weinig foerageermogelijkheden voor huismussen. In de nieuwe plannen worden alle woningen van fase 1 geschikt gemaakt voor huismussen en wordt ook geïnvesteerd in een groene wijk met veel hagen en een groene “meander” die door het gebied heen loopt. Hierdoor wordt de wijk zowel als leefgebied als nestmogelijkheden geschikter voor huismussen dan in de huidige situatie het geval is. Hierdoor kan het plan bijdragen aan een groei en versterking van de lokale populatie huismussen in Nederhemert. - Ten aanzien van de steenuil is het grootste deel van het plangebied in de huidige situatie niet geschikt als leefgebied voor steenuilen. Het gaat hierbij om het industrieterrein en de kwekerij. Met de voorgenomen plannen wordt volop geïnvesteerd in maatregelen om het landschap ten oosten van het plangebied kleinschaliger, en hiermee ook geschikter voor steenuilen te maken. Ook worden er meerdere steenuilenkasten geplaatst in een gebied waar nu nog geen bij de steenuilenwerkgroep bekende steenuilenkasten aanwezig zijn. Hierdoor heeft de lokale populatie steenuilen de kans om zich te versterken aan de oostzijde van Nederhemert.
Met de lokale steenuilenwerkgroep zal nog nadere afstemming gezocht worden om na te gaan of zij het beheer van de kasten willen opnemen, zodat er een betere monitoring is van de lokale populatie steenuilen. 17. Uit de onderbouwing van het ontbreken van een andere bevredigende oplossing moet blijken dat er geen andere werkwijze voorhanden is. Voor wat betreft de huismus geldt dat de nestlocaties niet verloren gaan als de woning niet gesloopt of gerenoveerd gaat worden. Wat is de noodzaak van de sloop van deze woning? Voor wat betreft de steenuil kan het negatieve effect beperkt worden door niet het gehele gebied vol te bouwen, maar de voor de steenuil belangrijke elementen te behouden. Ook worden de werkzaamheden gestart voordat de mitigerende maatregelen functioneel zijn voor de steenuil. Waarom is geen andere planning of fasering van de werkzaamheden mogelijk?
De Kapelstraat 8 betreft een verouderde en kleine woning. Gezocht is naar een stedenbouwkundig hoogwaardigere uitstraling. Het gehele plan Kapelstraat draagt bij aan de versnellingsopgave woningbouw en de gemeentelijke behoefte/vraag aan woningbouw in Nederhemert. Een nadere onderbouwing van de nut en noodzaak van de plannen is te vinden in de toelichting op het nieuwe bestemmingsplan, die te raadplegen is via: https://www.ruimtelijkeplannen.nl/documents/NL.IMRO.0297.NHNBP20200002-OW01/t_NL.IMRO.0297.NHNBP20200002-OW01.pdf
18. De staat van instandhouding van de steenuil is matig ongunstig. In de aanvraag ontbreekt een voldoende onderbouwing van het effect van het project op de staat van instandhouding van de steenuil. Een opsomming van de te treffen maatregelen is onvoldoende als onderbouwing. Wij vragen u een aanvullende onderbouwing aan te leveren waaruit blijkt dat het project geen verdere achteruitgang van de staat van instandhouding van de steenuil als gevolg heeft.
De omgeving van het plangebied is voor het grootste gedeelte niet optimaal geschikt voor steenuilen door de aanwezige industrie, voor de steenuil als leefgebied weinig waardevolle kwekerijen en grootschalige landbouw. De gebieden in de regio die het meest geschikt zijn voor steenuilen worden door de voorgenomen ingreep niet aangetast en hebben daarmee geen direct effect op de staat van instandhouding van de steenuilen. Deze gebieden betreffen de westzijde van Nederhemert en de omgeving van Wellseind. Met de voorgenomen ingreep worden diverse maatregelen buiten het plangebied uitgevoerd die als doel hebben om de directe omgeving van het plangebied een kleinschaliger karakter te geven. In combinatie met het plaatsen van extra nestkasten kan het plan juist zorgen voor een versterking van de omgeving voor de lokale populatie steenuilen.
Memo 10485.005 versie
Pagina 7 van 8
19. Heeft er toetsing plaatsgevonden van het effect van het project op stikstofdepositie op Natura2000?
Deze toetsing heeft in april 2021 plaatsgevonden door Econsultancy (rapport 10485.004 D4 d.d. 13 april 2021). De conclusie van dit onderzoek is als volgt: “Het projecteffect op de Natura 2000-gebieden is kleiner dan of gelijk aan 0,00 mol/ha/jaar. Bij een dergelijk projecteffect zal het beoogde plan niet voor een significante toename in stikstofdepositie zorgen en kunnen negatieve effecten worden uitgesloten. Op basis van het onderzoek blijkt dat er geen vergunning benodigd is voor het aspect stikstof.”
Het rapport is bijgevoegd als bijlage 4. Econsultancy
De heer J.G. Boogaard, BSc Projectleider
Memo 10485.005 versie
De heer C.C. Slemmer, BSc Kwaliteitscontroleur
Pagina 8 van 8
AANVULLEND ARCHEOLOGISCH VERKENNEND BOORONDERZOEK KAPELSTRAAT (ONG.) TE NEDERHEMERT GEMEENTE ZALTBOMMEL
Aanvullend archeologisch verkennend booronderzoek Kapelstraat (ong.) te Nederhemert Opdrachtgever
Milieutechnisch adviesburo De Bruin Gerrit Achterbergstraat 6 4043 GH Opheusden
Rapportnummer 1
Versienummer
Datum
Vestiging
10485.002 1 22 januari 2020
Gelderland Fabriekstraat 19c 7005 AP Doetinchem 088 - 5001600 doetinchem@econsultancy.nl
Opsteller
ir. E.M. ten Broeke
Paraaf
Kwaliteitscontrole
drs. A.H. Schutte
Paraaf
© Econsultancy bv, Doetinchem Foto’s en tekeningen: Econsultancy bv, tenzij anders vermeld. Niets uit deze uitgave mag worden vermenigvuldigd en/of openbaar gemaakt worden door middel van druk, fotokopie of op welke wijze dan ook zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van de uitgevers. Econsultancy aanvaardt geen aansprakelijkheid voor eventuele schade voortvloeiend uit de toepassing van de adviezen of het gebruik van de resultaten van dit onderzoek. ISSN: 2210-8777 (Analoog rapport) ISSN: 2210-8785 (Digitaal rapport E-depot) 1
Versie 1 betreft een rapport waarvan geen beoordeling van de bevoegde overheid is ontvangen, bij versie 2 is het rapport wel beoordeeld door de bevoegde overheid.
Econsultancy Archeologisch Rapport
Administratieve gegevens plangebied Projectcode
10485.002
Toponiem
Kapelstraat (ong.)
Opdrachtgever
Milieutechnisch adviesburo De Bruin
Gemeente
Zaltbommel
Plaats
Nederhemert
Provincie
Gelderland
Kadastrale gegevens
Gemeente Kerkwijk, sectie T, nummers 1486, 1485, 158, 159 en 1819 (ged.)
Omvang plangebied
Circa 4 hectare
Kaartblad
45 A (1:25.000)
Coördinaten centrum plangebied
X: 140.140 / Y: 418.520
Bevoegde overheid
Gemeente Zaltbommel Mevrouw drs. C.M.A. Sanders Postbus 10002 5300 DA Zaltbommel Tel. 14-0418 E-mail: info@zaltbommel.nl
Deskundige namens de bevoegde overheid
Omgevingsdienst Rivierenland (ODR) De heer drs. H.J. van Oort, Regioarcheoloog regio Rivierenland Postbus 6267 4000 HG Tiel Mob. 06-46849690 Email: H.vanOort@ODRivierenland.nl
ARCHIS3
Verkennend booronderzoek 4760349100
Onderzoeksmeldingsnummer (OM-nr.) Archeoregio NOaA
Utrechts-Gelders rivierengebied
Beheer en plaats documentatie
Econsultancy, Doetinchem/Provinciaal Archeologisch Depot Gelderland
Uitvoerder(s)
Econsultancy, ir. E.M. ten Broeke
Kwaliteitszorg Econsultancy is onder meer gecertificeerd voor protocollen 4001, 4002, 4003 en 4004 van de BRL SIKB 4000. Verder is Econsultancy lid van de Nederlandse Vereniging van Archeologische Opgravingsbedrijven (NVAO). De leden van de NVAO bieden kwalitatief hoogstaand archeologisch onderzoek. Het lidmaatschap is een waarborg voor kwaliteit en betrouwbaarheid. Tevens is Econsultancy aangesloten bij de Vereniging van Ondernemers in Archeologie (VOiA). De VOiA behartigt de belangen van meer dan 100 bedrijven in alle takken van de archeologie. Betrouwbaarheid Dit onderzoek is op zorgvuldige wijze uitgevoerd, conform de toepasselijke en van kracht zijnde regelgeving. Een booronderzoek wordt in het algemeen uitgevoerd door het steekproefsgewijs onderzoeken van de bodem, waardoor het, op basis van de resultaten van een booronderzoek, onmogelijk is garanties af te geven ten aanzien van de aan- of afwezigheid van archeologische waarden. In dit kader dient ook opgemerkt te worden dat geraadpleegde bronnen niet altijd zonder fouten en volledig zijn. Daar Econsultancy voor het verkrijgen van historische informatie afhankelijk is van deze bronnen, kan Econsultancy niet instaan voor de juistheid en volledigheid van deze informatie.
Econsultancy Archeologisch Rapport
SAMENVATTING Econsultancy heeft in opdracht van Milieutechnisch adviesburo De Bruin een aanvullend archeologisch verkennend booronderzoek uitgevoerd voor een plangebied gelegen aan de Kapelstraat (ong.) te Nederhemert in de gemeente Zaltbommel. De initiatiefnemer is voornemens de bestaande bebouwing binnen het plangebied te slopen en vervolgens de nieuwbouw van woningen te realiseren. Resultaten eerder uitgevoerd archeologisch bureau- en verkennend booronderzoek (voor een beperkt deel van het totale plangebied) Door ADC ArcheoProjecten is in 2009 voor het totale plangebied een archeologisch bureauonderzoek 2 en verkennend booronderzoek uitgevoerd (ADC Rapport 1967). Op basis van de resultaten van het bureauonderzoek wordt dekzand dieper dan 6 m -mv verwacht en is het onwaarschijnlijk dat de bodem op deze diepte verstoord zal worden, behalve een beperkte verstoring door heipalen. Daarom wordt archeologisch onderzoek naar deze afzettingen niet noodzakelijk geacht. Boven het dekzand worden oever- en komafzettingen verwacht met hierboven overslagafzettingen, afkomstig van de Maas. In de top van de oeverafzettingen kunnen resten worden verwacht uit de Romeinse tijd en Middeleeuwen. Archeologische resten uit de Late-Middeleeuwen en Nieuwe tijd worden verwacht in de top van de komafzettingen van de Maas en in de top van de overslagafzettingen.
In 2009 is binnen een beperkt deel van het totale plangebied een verkennend booronderzoek uitgevoerd. In de destijds gezette boringen zijn oeverafzettingen aangetroffen van de Maas. De top van de oeverafzettingen is niet meer aanwezig, waardoor een eventueel vondstniveau verdwenen zal zijn. Wel kunnen nog archeologische grondsporen aanwezig zijn. Deze zullen dateren uit de Middeleeuwen. In het meest zuidelijke deel van het destijds onderzochte terreindeel, langs de Maasdijk, kunnen in de top van de aanwezige komafzettingen nog archeologische nederzettingssporen worden verwacht uit de Late-Middeleeuwen of Nieuwe tijd, van voor de dijkdoorbraak, waarbij een pakket overslagafzettingen is afgezet. Archeologische resten uit de Late-Middeleeuwen of Nieuwe tijd, van na deze dijkdoorbraak, worden verwacht in de top van de in het hele plangebied aanwezige overslagafzettingen. Resten uit deze periode zullen echter waarschijnlijk verdwenen zijn door (sub-)recente verstoringen. Er is een oppervlakte van circa 4 ha overgebleven dat in 2009 niet archeologisch onderzocht kon worden. Door de bevoegde overheid is geadviseerd voor dit deel van het totale plangebied een verkennend booronderzoek te laten uitvoeren.
Resultaten aanvullend inventariserend veldonderzoek De resultaten van het inventariserend veldonderzoek (IVO, aanvullend verkennende fase) laten zien dat er sprake is van een vrij uniforme bodemopbouw binnen het plangebied. Hierbij zijn dijkdoorbraak- (overslaggronden) op oever- op komafzettingen aangetroffen binnen een boordiepte van 3 m. De onderste 1,5 meter betreffen zwaar getextureerde komafzettingen (matig siltige klei) met onderin dunne laagjes iets venige klei. Voor het ontstaan van de meandergordel/stroomgordel van de Afgedamde Maas heeft het plangebied een ligging gehad in een relatief nat/drassig/moerasachtig gebied en was daarmee geen gunstige bewoningslocatie.
2
Holl & Huizer, 2009
Rapport 10485.002 versie 1
Boven de komafzettingen komen oeverafzettingen voor die gesedimenteerd zijn tijdens de actieve fase van de meandergordel/stroomgordel van de Afgedamde Maas. Hiervan is slechts een dun restant (gemiddeld slechts 40 cm dik) aanwezig van een pakket oeverafzettingen dat oorspronkelijk meer dan een meter dan wel enkele meters dik zal zijn geweest. Het merendeel van het pakket oeverafzettingen is dan ook geërodeerd ten gevolge van dijkdoorbraken van de Afgedamde Maas. Met deze dijkdoorbraak heeft vervolgens binnen het gehele plangebied sedimentatie van overslag-/dijkdoorbraakafzettingen plaatsgevonden (ook wel aangeduid als overslaggronden). Ten gevolge van de dijkdoorbraak is het bodemprofiel in de oorspronkelijke top van de oeverafzettingen volledig geërodeerd. De verwachting is dat hierdoor het gehele potentiele vondst- als sporenniveau in deze oorspronkelijke top volledig vernietigd zal zijn, waardoor archeologische resten uit de perioden Romeinse tijd, Vroege-Middeleeuwen en een groot deel van de Late-Middeleeuwen dan ook niet meer in situ aanwezig zullen zijn. De bovenste meter van de bodemopbouw betreft zeer zandige dijkdoorbraakafzettingen/overslaggronden. De gezette boringen laten een door agrarische door agrarische activiteiten omgewerkte bovengrond zien variërend tussen 50 en 70 cm -mv met plaatselijk diepere recente verstoringen.
De bewerkte bovengrond bevat ook plaatselijk enkele fijne resten modern betonpuin en baksteen. Eventueel aanwezige archeologische resten in de top van de dijkdoorbraakafzettingen zullen hierdoor al vergraven (ligging ex-situ) dan wel verdwenen zijn door (sub-)recente verstoring. Daarnaast geeft het eerder uitgevoerde bureauonderzoek geen aanwijzingen dat er binnen onderhavig plangebied een historische huisplaats/boerenerf heeft gelegen. Conclusie Op basis van de aangetroffen bodemopbouw wordt geconcludeerd dat archeologische resten daterend vanaf de Romeinse tijd niet meer worden verwacht of hooguit een ligging ex-situ zullen hebben. Op het voorkomen van archeologische resten ouder dan de Romeinse tijd was en blijft de verwachting laag, met tevens een eventueel voorkomen op grotere diepte, buiten de geplande bodemingreep (behalve een beperkte verstoring door heipalen). Er zijn dus geen gevolgen voor de voorgenomen bodemingrepen binnen het plangebied waarvoor het aanvullend verkennend booronderzoek is uitgevoerd. Advies Op grond van de resultaten van het archeologisch vooronderzoek adviseert Econsultancy om, ten aanzien van de geplande bodemingrepen binnen onderhavig plangebied, in het kader van de Archeologische Monumentenzorg (AMZ), geen vervolgonderzoek te laten plaatsvinden. Bovenstaand betreft een advies, opgesteld door Econsultancy.
Het advies dient ter goedkeuring voorgelegd te worden aan de bevoegde overheid (gemeente Zaltbommel). Na beoordeling wordt door het bevoegd gezag een besluit genomen. Er is geprobeerd een zo gefundeerd mogelijk advies te geven op grond van de gebruikte onderzoeksmethode. De aanwezigheid van archeologische sporen of resten in het plangebied kan nooit volledig worden uitgesloten. Econsultancy wil de opdrachtgever er daarom ook op wijzen dat, mochten tijdens de geplande werkzaamheden toch archeologische waarden worden aangetroffen, er conform artikel 5.10 van de Erfgoedwet uit juli 2016 een meldingsplicht geldt bij het Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap (de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed) en de gemeente Zaltbommel.
Rapport 10485.002 versie 1