Bijlage 2. Bijlagen bij bestemmingsplan Nederhemert, Kapelstraat De Meander
Tekst van het document
Vleermuizen
Bechsteins vleermuis, bosvleermuis, Brandts vleermuis, franjestaart, gewone baardvleermuis, gewone dwergvleermuis, gewone grootoorvleermuis, grijze grootoorvleermuis, grote hoefijzerneus, grote rosse vleermuis, ingekorven vleermuis, kleine dwergvleermuis, kleine hoefijzerneus, laatvlieger, meervleermuis, mopsvleermuis, Noordse vleermuis, rosse vleermuis, ruige dwergvleermuis, tweekleurige vleermuis, vale vleermuis, watervleermuis
Amfibieën
boomkikker, geelbuikvuurpad, heikikker, kamsalamander, knoflookpad, poelkikker, rugstreeppad, vroedmeesterpad
Reptielen
dikkopschildpad, gladde slang, Kemps’ zeeschildpad, lederschildpad, muurhagedis, soepschildpad, zandhagedis
Vissen
houting, steur
Vlinders
apollovlinder, boszandoog, donker pimpernelblauwtje, grote vuurvlinder, moerasparelmoervlinder, monarchvlinder, pimpernelblauwtje, teunisbloempijlstaart, tijmblauwtje, zilverstreephooibeestje
Libellen
bronslibel, gaffellibel, gevlekte witsnuitlibel, groene glazenmaker, mercuurwaterjuffer, Noordse winterjuffer, oostelijke witsnuitlibel, rivierrombout, sierlijke witsnuitlibel
Insecten
brede geelrandwaterroofkever, gestreepte waterroofkever, heldenbok, juchtleerkever, oeveraas, vermiljoenkever
Overig
Bataafse stroommossel, platte schijfhoren
Rapport 10485.001 versie D1
Artikel 3.5. In het wild levende dieren van soorten, genoemd in bijlage IV, onderdeel a, bij de Habitatrichtlijn, bijlage II bij het Verdrag van Bern of bijlage I bij het Verdrag van Bonn appelvink, baardman, beflijster, bergeend, bergfluiter, bijeneter, blauwborst, blauwe kiekendief, boerenzwaluw, bontbekplevier, bonte strandloper, bonte vliegenvanger, boomklever, boomkruiper, boompieper, boomvalk, bosrietzanger bosruiter, bosuil, braamsluiper, brandgans, bruine kiekendief, buizerd, casarca, Cetti’s zanger, draaihals, duinpieper, dwergmeeuw, dwergstern, Engelse kwikstaart, Europese kanarie, fitis, fluiter, geelgors, gekraagde roodstaart, gele kwikstaart, geoorde fuut, glanskop, goudhaan, grasmus, graspieper, graszanger, grauwe kiekendief, grauwe klauwier, grauwe vliegenvanger, griel, groene specht, groenling, grote bonte specht, grote gele kwikstaart, grote karekiet, grote stern, grote zilverreiger, havik, heggenmus, hop, huiszwaluw, ijsvogel, kerkuil, klapekster, klein waterhoen, kleine barmsijs, kleine bonte specht, kleine karekiet, kleine plevier, kleine zilverreiger, kleinst waterhoen, kluut, kneu, koolmees, koereiger, kraanvogel, krekelzanger, kortsnavelboomkruiper, kruisbek, kuifmees, kwak, kwartelkoning, lepelaar, matkop, middelste bonte specht, nachtegaal, Noordse stern, oehoe, oeverloper, oeverpieper, oeverzwaluw, ooievaar, orpheusspotvogel, paapje, pestvogel,
pimpelmees, poelruiter, porseleinhoen, purperreiger, putter, ransuil, rietgors, rietzanger, rode wouw, roerdomp, roodborst, roodborsttapuit, roodhalsfuut, rouwkwikstaart, sijs, slangenarend, slechtvalk, smelleken, snor, sperwer, spotvogel, sprinkhaanzanger, steenuil, steltkluut, strandplevier, taigaboomkruiper, tapuit, tjiftjaf, torenvalk, tuinfluiter, velduil, visarend, visdief, vuurgoudhaan, wespendief, wielewaal, winterkoning, witbandkruisbek, witte kwikstaart, witwangstern, nachtzwaluw, woudaap, zeearend, zwarte mees, zwarte ooievaar, zwarte roodstaart, zwarte specht, zwarte stern, zwarte wouw, zwartkop, zwartkopmeeuw
Vogels
Tabel V. Verbodsbepalingen en toelichting Artikel 3.10 Wet natuurbescherming Artikel 3.10. Andere soorten Het is verboden om: 1. 2. 3.
In het wild levende zoogdieren, amfibieën, reptielen, vissen, vlinders, libellen en kevers van de soorten, genoemd in de bijlage, onderdeel A1, bij deze wet, opzettelijk te doden of te vangen. De vaste voortplantingsplaatsen of rustplaatsen van dieren als bedoeld in onderdeel a opzettelijk te beschadigen of te vernielen. Vaatplanten van de soorten, genoemd in de bijlage, onderdeel B2, bij deze wet, in hun natuurlijke verspreidingsgebied opzettelijk te plukken en te verzamelen, af te snijden, te ontwortelen of te vernielen.
Toelichting Het gaat bij artikel 10 om in het wild levende zoogdieren, amfibieën, reptielen, vissen, vlinders, libellen en kevers. Dieren zijn opgenomen in bijlage onderdeel A1. Planten zijn opgenomen in bijlage onderdeel B2 van de Wet natuurbescherming. Voor een aantal zoogdieren, amfibieen en reptielen geldt per provincie een vrijstelling onder bepaalde voorwaarden. Dit verschilt per provincie. De betreffende soorten zijn aangegeven met een sterretje. Daarnaast is het mogelijk dat sommige provincies ook ‘eigen’ beschermde soorten hanteren, als aanvulling op het landelijke. Soorten Dieren
Planten
Zoogdieren
aardmuis*, boommarter, bosmuis*, bunzing*, damhert, das, dwergmuis*, dwergspitsmuis*, edelhert, eekhoorn*, egel*, eikelmuis, gewone bosspitsmuis*, gewone zeehond, grote bosmuis, grijze zeehond, haas*, hermelijn*, huisspitsmuis*, konijn*, molmuis, ondergrondse woelmuis*, ree*, rosse woelmuis*, steenmarter*, tweekleurige bosspitsmuis*, veldmuis*, veldspitsmuis, vos*, waterspitsmuis, wezel*, wild zwijn, woelrat*
Amfibieën
Alpenwatersalamander, bruine kikker*, gewone pad*, kleine watersalamander*, meerkikker*, middelste groene kikker*, vinpootsalamander, vuursalamander
Reptielen
adder, hazelworm*, levendbarende hagedis*, ringslang
Vissen
beekdonderpad, beekprik, elrits, gestippelde alver, grote modderkruiper, kwabaal
vlinders
aardbeivlinder, bosparelmoervlinder, bruin dikkopje, bruine eikenpage, donker pimpernelblauwtje, duinparelmoervlinder, gentiaanblauwtje, grote parelmoervlinder, grote vos, grote vuurvlinder, grote weerschijnvlinder, iepenpage, kleine heivlinder, kleine ijsvogelvlinder, kommavlinder, pimpernelblauwtje, sleedoornpage, spiegeldikkopje, veenbesblauwtje, veenbesparelmoervlinder, veenhooibeestje, veldparelmoervlinder, zilveren maan
Libellen
beekrombout, bosbeekjuffer, donkere waterjuffer, gevlekte glanslibel, gewone bronlibel, hoogveenglanslibel, Kempense heidelibel, speerwaterjuffer
Overige soorten
Europese rivierkreeft, vliegend hert
akkerboterbloem, akkerdoornzaad, akkerogentroost, beklierde ogentroost, berggamander, bergnachtorchis, blaasvaren, blauw guichelheil, bokkenorchis, bosboterbloem, bosdravik, brave hendrik, brede wolfsmelk, breed wollegras, bruinrode wespenorchis, dennenorchis, dreps, echte gamander, franjegentiaan, geelgroene wespenorchis, geplooide vrouwenmantel, getande veldsla, gevlekt zonneroosje, glad biggenkruid, gladde zegge, groene nachtorchis, groensteel, groot spiegelklokje, grote bosaardbei, grote leeuwenklauw, honingorchis, kalkboterbloem, kalketrip, karthuizeranjer, karwijselie, kleine ereprijs, kleine schorseneer, stijve wolfsmelk, kleine wolfsmelk, kluwenklokje, knollathyrus, knolspirea, korensla, kranskarwij, kruiptijm, lange zonnedauw, liggende ereprijs, moerasgamander, muurbloem, naakte lathyrus, naaldenkervel, pijlscheefkalk, roggelelie, rood peperboompje, rozenkransje, ruw parelzaad, scherpkruid, schubvaren, schubzegge, smalle raai, spits havikskruid, steenbraam
Rapport 10485.001 versie D1
Volgens artikel 3.31 zijn de verboden, bedoeld in de artikelen 3.1, 3.5 en 3.10 niet van toepassing op handelingen die zijn beschreven in en aantoonbaar worden uitgevoerd overeenkomstig een door het Ministerie van Economische Zaken goedgekeurde gedragscode en die plaatsvinden in het kader van bestendig beheer, bestendig gebruik, of ruimtelijke ontwikkeling of inrichting. Houtopstanden De bescherming van houtopstanden onder conform hoofdstuk 4 van de Wet natuurbescherming heeft als doel om het aanwezige areaal bos in Nederland te behouden. Onder houtopstanden vallen alle zelfstandige eenheden van bomen, boomvormers of struiken van een oppervlakte van tien are of meer of rijbeplanting die meer dan twintig bomen omvat. Binnen de Wet natuurbescherming zijn op houtopstanden de artikelen van toepassing die zijn opgenomen in tabel VI. Tabel VI.
Bescherming houtopstanden in de Wet natuurbescherming
Artikel 4.1
De artikelen uitgezonderd artikel 4.6 zijn niet van toepassing op: a) Houtopstanden binnen de bij besluit van de gemeenteraad vastgestelde grenzen van de bebouwde kom; b) Houtopstanden op erven of in tuinen; c) Fruitbomen en windschermen om boomgaarden; d) Naaldbomen, kennelijk bedoeld om te dienen als kerstbomen, indien niet ouder dan twintig jaar; e) Kweekgoed; f) Wegbeplantingen, beplantingen langs waterwagen en eenrijige beplantingen langs landbouwgronden bestaande uit wilgen en populieren; g) het dunnen van een houtopstand; h) uit populieren, wilgen, essen of elzen bestaande beplantingen die kennelijk zijn bedoeld voor de productie van houtige biomassa, indien zij: 1. ten minste eens per tien jaar worden geoogst; 2. bestaan uit minstens tienduizend stoven per hectare per beplantingseenheid, zijnde een aaneengesloten beplanting die niet wordt doorsneden door onbeplante stroken breder dan twee meter, en 3. zijn aangelegd na 1 januari 2013.
Artikel 4.2
1. Het is verboden een houtopstand geheel of gedeeltelijk te vellen of te doen vellen, met uitzondering van het periodiek vellen van griend- of hakhout, zonder voorafgaande melding daarvan bij gedeputeerde staten. 3. Gedeputeerde staten kunnen het vellen van houtopstanden telkens voor ten hoogste vijf jaar verbieden ter bescherming van bijzondere natuur- of landschapswaarden.
Artikel 4.3 lid 1 en 2
Ingeval een houtopstand geheel of gedeeltelijk is geveld, met uitzondering van het periodiek vellen van griend- of hakhout, of anderszins teniet is gegaan, draagt de rechthebbende zorg voor het op bosbouwkundig verantwoorde wijze herbeplanten van dezelfde grond binnen drie jaar na het vellen of tenietgaan van de houtopstand. De rechthebbende vervangt binnen drie jaar na de herbeplanting, bedoeld in het eerste lid, herbeplanting die niet is aangeslagen.
Artikel 4.4 lid 1
De artikelen 4.2, eerste en derde lid, en 4.3, eerste en tweede lid, zijn niet van toepassing op: het vellen van houtopstanden en herbeplanten op een wijze die is beschreven in en aantoonbaar wordt gerealiseerd overeenkomstig een door Onze Minister goedgekeurde gedragscode. het vellen van houtopstanden ter uitvoering van een instandhoudingsmaatregel of een passende maatregel in het kader van natuurontwikkeling en -beheer
Artikel 4.5
Gedeputeerde staten kunnen ontheffing verlenen van artikel 4.3, eerste en tweede lid, ten behoeve van herbeplanting op andere grond, indien de herbeplanting voldoet aan bij provinciale verordening gestelde regels.
Rapport 10485.001 versie D1
Bijlage 2
Verklarende woordenlijst
Externe werking Niet alleen activiteiten in een Natura 2000-gebied/NNN hebben invloed op de staat van instandhouding van het gebied, ook activiteiten buiten het gebied kunnen de natuurwaarden in een gebied beïnvloeden. Dit wordt "externe werking" genoemd. Er bestaat geen ruimtelijke grens voor externe werking: bepalend zijn de effecten op de instandhoudingsdoelstellingen van de soorten en habitattypen in het Natura 2000-gebied/NNN, ongeacht de afstand tot het beschermde gebied. Expert Judgement Inschatting van een deskundige op grond van zijn kennis en ervaring. Foerageerhabitat Het gebied waarbinnen een soort voedsel zoekt. Foerageren Zoeken en vinden van voedsel door dieren (jachtgebied). Functioneel leefgebied Hiermee wordt het gebied dat is benodigd om de functionaliteit van een voortplantingsplaats of van een vaste- rust of verblijfplaats te behouden. Een nestlocatie of voortplantingsplaats kan bijvoorbeeld alleen succesvol functioneren, wanneer er voldoende habitat (schuilgelegenheid, voedsel etc.) van voldoende kwaliteit aanwezig is om te kunnen paren, eieren te leggen en jongen groot te brengen. Gunstige staat van instandhouding Er is sprake van een gunstige staat van instandhouding van een soort of habitattype als de omstandigheden waarin de soort of het habitattype voorkomt perspectief bieden op een duurzaam voortbestaan van die soort of dat habitattype.
Habitat Omvat de plaatsen waar een bepaald organisme voorkomt doordat de abiotische en biotische factoren (niet levende en levende natuur) van die plaatsen voldoen aan de eisen en toleranties die het organisme stelt om te kunnen overleven, groeien en zich voortplanten. Kraamverblijfplaats Voortplantingsplaats van vleermuizen. Het gaat hierbij vaak om de vrouwelijke exemplaren van een kolonie (ook wel kraamgroep genoemd) die gezamenlijk hun jongen grootbrengen. De aantallen vleermuizen in een kraamgroep kan oplopen tot meerdere honderden exemplaren. Landschappelijk inpassingsplan Het inpassen van ruimtelijke ontwikkelingen in het buitengebied middels een ontwerp van de groenvoorziening, dat voldoet aan het beleid ten aanzien van ruimtelijke kwaliteit. Hierdoor wordt zorg gedragen dat een ruimtelijke ontwikkeling past in het landschap. Landhabitat Amfibieën zijn voor de voortplanting afhankelijk van water. Buiten de voortplantingsperiode maakt de soortgroep gebruik van landhabitat als onderdeel van het leefgebied. Landhabitat voor amfibieën omvat onder andere structuurrijke of opgaande vegetatie zoals (loof)bos, houtwallen, struikgewas, heide, ruigtekruiden, vegetaties en moeras. Mitigerende maatregelen Maatregelen die negatieve effecten bij een ingreep voorkomen of reduceren.
Omgevingscheck Een omgevingscheck wordt uitgevoerd bij verlies van leefgebied van een jaarrond beschermde functie van een soort die door een ingreep (tijdelijk) verloren gaat. De omgeving van de ingreep wordt door een ter zake deskundige beoordeeld op aanwezigheid van voldoende alternatief leefgebied en/of potentiële verblijfplaatsen. Ontheffing De Wet natuurbescherming is bedoeld om planten- en diersoorten die vrij in het wild leven te beschermen. Om deze kwetsbare soorten te beschermen bevat de Wet natuurbescherming een aantal verbodsbepalingen. Onder bepaalde voorwaarden mogen de activiteiten wel doorgaan, daarvoor kan een ontheffing benodigd zijn. Een ontheffing is een besluit waarbij in een individueel concreet geval een uitzondering op een wettelijk verbod wordt gemaakt.
Rapport 10485.001 versie D1
Paarverblijfplaats Dit is een verblijfplaats die hoofdzakelijk in het najaar (september/oktober) door vleermuizen worden gebruikt om te paren. Eén mannetje kan een dergelijke verblijfplaats met meerdere vrouwtjes delen. In de omgeving van de paarverblijfplaats wordt veelal door het territoriale mannetje middels baltsvluchten getracht vrouwtjes aan te lokken. Projectplan Een projectplan dient als begeleidend document voor een ontheffingsaanvraag. In het projectplan zijn maatregelen verwoord waarmee de functionaliteit van een rust- of verblijfplaats van een beschermde soort behouden blijft en schade aan individuen wordt voorkomen. Populatie Een biologische populatie is een groep individuen van dezelfde soort die zich onderling voortplant en als zodanig geïsoleerd is van andere zulke groepen. Rode Lijst Rode Lijsten laten zien welke soorten zijn verdwenen en welke soorten in een gebied sterk zijn achteruitgegaan of zeldzaam zijn. Er bestaan verschillende Rode Lijsten. Voor vogels, voor zoogdieren, planten, paddenstoelen, insecten en voor allerlei andere soortgroepen. Rode Lijsten hebben geen officiële juridische status. Plaatsing op de lijst maakt een dier dus nog geen 'beschermde diersoort' in de zin van de Wet natuurbescherming. De Rode Lijsten hebben in de praktijk wel een belangrijke signaleringfunctie.
Door de Rode Lijst te raadplegen, kunnen alle instellingen die met natuurbehoud te maken hebben rekening houden met bedreigde soorten. Significant negatief effect Een effect is in het kader van de Wet natuurbescherming significant als de instandhoudingsdoelen van het Natura 2000gebied dreigen te worden aangetast. Het begrip 'significant' staat centraal in de toepassing van het beschermingsregime voor Natura 2000-gebieden bij zowel vaststelling van beheerplannen als de vergunningverlening. Het bepaalt of een uitvoerige toetsing, een zogenaamde passende beoordeling, moet worden uitgevoerd. Indien als gevolg van een ingreep de toekomstige oppervlakte habitat of leefgebied, aantal van een soort of kwaliteit van een habitat lager zal worden dan zoals bedoeld in de instandhoudingsdoelstelling, dan kan sprake zijn van significante gevolgen. Voor het goede begrip, de soorten hoeven er niet te zitten, het gebied moet geschikt zijn voor de soorten. Voortplantingsplaats of rustplaats Een plek binnen het leefgebied van een soort die essentieel is voor de levenscyclus van een individu. De Wet natuurbescherming omschrijft niet exact wat een vaste rust- of voortplantingsplaats is. Dit is soortafhankelijk. Vliegroute Een vaste route die door vleermuizen wordt gebruikt tussen de verblijfplaatsen naar foerageergebieden.
Winterverblijfplaats Verblijfplaats die gebruikt wordt om de periode van winterrust te overbruggen. Voor vleermuizen zijn dit vorstvrije, maar koele en vochtige plekken. Er kans sprake zijn van massaverblijfplaatsen, verblijfplaatsen van kleine groepen of één of enkele individuen. Zomerverblijfplaats Buiten de kraamperiode worden deze door groepjes vrouwtjes en jongen gebruikt, in de kraamperiode door individuele mannetjes.
Rapport 10485.001 versie D1
ECOLOGISCH VELDONDERZOEK KAPELSTRAAT (ONG.) TE NEDERHEMERT
Rapportage ecologisch veldonderzoek Kapelstraat (ong.) te Nederhemert Opdrachtgever
Milieutechnisch adviesburo De Bruin Gerrit Achterbergstraat 6 4043 GH Opheusden
Rapportnummer Versienummer
10485.003 D1
Status
Eindrapportage
Datum
13 november 2020
Vestiging
Gelderland Fabriekstraat 19c 7005 AP Doetinchem 088 - 5001600 doetinchem@econsultancy.nl
Opsteller
Dhr. J.G. Boogaard, BSc
Paraaf
Kwaliteitscontrole
De heer C.C. Slemmer, BSc
Paraaf
Kwaliteitszorg Econsultancy is lid van het Netwerk Groene Bureaus (NGB). Het NGB is een vereniging van ecologische advies- en onderzoeksbureaus en werkt aan de kwaliteit van advisering gericht op natuur, landschap, water, milieu en ruimte en behartigt de belangen van groene adviesbureaus. Het Netwerk hanteert een gedragscode die opdrachtgevers en andere belanghebbenden een basis biedt om de leden aan te spreken op de kwaliteit van hun werk. Econsultancy werkt volgens een dynamisch kwaliteits- en milieusysteem, zoals beschreven in het kwaliteits- en milieuhandboek. Ons kwaliteits- en milieusysteem is gecertificeerd volgens de eisen in de NEN-EN-ISO 9001 en NEN-EN-ISO 14001. Betrouwbaarheid Dit onderzoek is op zorgvuldige wijze uitgevoerd conform de toepasselijke en van kracht zijnde protocollen en richtlijnen voor onderzoek. Het onderzoek betreft echter een momentopname en geeft een inschatting van de aanwezigheid van beschermde soorten op de onderzoekslocatie. Het incidenteel voorkomen van beschermde soorten is nooit met zekerheid uit te sluiten. Econsultancy accepteert op voorhand geen aansprakelijkheid ten aanzien van mogelijke beslissingen die de opdrachtgever naar aanleiding van het door Econsultancy uitgevoerde onderzoek neemt.
INHOUDSOPGAVE 1
INLEIDING .................................................................................................................................. 1
2
GEBIEDSBESCHRIJVING ......................................................................................................... 2 2.1 2.2
Huidig gebruik onderzoekslocatie en omgeving ............................................................... 2 Toekomstig gebruik van de onderzoekslocatie ................................................................ 3
3
RESULTATEN VOORGAAND ONDERZOEK ............................................................................ 4
4
ONDERZOEKSMETHODIEK ..................................................................................................... 5
5
ONDERZOEKSRESULTATEN ................................................................................................... 8 5.1 5.2 5.3 5.4
6
TOETSING AAN WET- EN REGELGEVING ........................................................................... 13 6.1 6.2 6.3 6.4
7
Steenuil ............................................................................................................................. 8 Huismus .......................................................................................................................... 10 Gierzwaluw ..................................................................................................................... 10 Vleermuizen .................................................................................................................... 11
Steenuil ........................................................................................................................... 13 Huismus .......................................................................................................................... 13 Gierzwaluw ..................................................................................................................... 14 Gewone dwergvleermuis ................................................................................................ 14
CONCLUSIES EN AANBEVELINGEN ..................................................................................... 15
10485.003
1
INLEIDING
Econsultancy heeft van Milieutechnisch adviesburo De Bruin opdracht gekregen voor het uitvoeren van een aanvullend ecologisch onderzoek aan de Kapelstraat (ong.) te Nederhemert. Het aanvullend ecologisch onderzoek is uitgevoerd in het kader van de voorgenomen nieuwbouw op de onderzoekslocatie, alsmede een bestemmingsplanwijziging. Het aanvullend ecologisch onderzoek is uitgevoerd naar aanleiding van de resultaten van de quickscan flora en fauna die Econsultancy in februari 2020 op de onderzoekslocatie heeft uitgevoerd (rapport 10485.001). Uit de quickscan blijkt dat, om de effecten van de ingreep volledig te kunnen toetsen aan de Wet natuurbescherming er meer informatie is benodigd ten aanzien van steenuilen, huismussen, gierzwaluwen en gebouwbewonende vleermuizen. Econsultancy is lid van de branchevereniging "Netwerk Groene Bureaus" en werkt volgens de door het Netwerk opgestelde gedragscode en protocollen.
R 10485.003 versie D1
Pagina 1 van 15
2 2.1
GEBIEDSBESCHRIJVING Huidig gebruik onderzoekslocatie en omgeving
De onderzoekslocatie (± 5,2 ha) ligt aan de Kapelstraat (ong.), gelegen aan de oostzijde van de kern van Nederhemert. In figuur 1 is een luchtfoto van de onderzoekslocatie weergegeven. Volgens de topografische kaart van Nederland zijn de coördinaten van het midden van de onderzoekslocatie X = 140.045, Y = 419.500.
Figuur 1. Ligging onderzoekslocatie.
De onderzoekslocatie betreft een voormalig industrieterrein, kwekerij, erf en enkele graslanden. Op de onderzoekslocatie zijn 8 verschillende gebouwen aanwezig.
R 10485.003 versie D1
Pagina 2 van 15
2.2
Toekomstig gebruik van de onderzoekslocatie
De initiatiefnemer is voornemens op de onderzoekslocatie circa 108 nieuwbouwwoningen te realiseren. Ten behoeve van de nieuwbouw zal alle bestaande bebouwing worden gesloopt en zullen op de onderzoekslocatie aanwezige bomen en struiken worden verwijderd ten behoeve van het bouwrijp maken.
Figuur 2. Voorlopig ontwerp van de te realiseren nieuwbouw op de onderzoekslocatie (bron: Urban Jazz, versie 20 november 2019).
R 10485.003 versie D1
Pagina 3 van 15
3
RESULTATEN VOORGAAND ONDERZOEK
Uit de quickscan Wet natuurbescherming die Econsultancy in februari 2020 heeft uitgevoerd (rapport 10485.001), is de volgende conclusie naar voren gekomen: Het woonhuis aan de Kapelstraat 8 (gebouw 6), is in potentie geschikt voor huismussen, gierzwaluwen en gebouwbewonende vleermuizen. Bij sloop- of renovatiewerkzaamheden is er mogelijk sprake van overtreding van de Wet natuurbescherming. Om vast te stellen wat de functie van de bebouwing is voor deze soorten is aanvullend onderzoek noodzakelijk. Aanvullend onderzoek voor huismussen betreffen twee veldbezoeken in de periode april-15 mei, aanvullend onderzoek naar gierzwaluwen betreft 3 veldbezoeken in de periode 15 mei tot 15 juli en aanvullend onderzoek naar vleermuizen betreft 5 veldbezoeken tussen 15 april en 1 oktober. Daarnaast is er tijdens de quickscan een steenuil vastgesteld op de onderzoekslocatie. De onderzoekslocatie maakt deel uit van de functionele leefomgeving van de soort. Aanvullend onderzoek zal moeten aantonen in hoeverre leefgebied wordt aangetast, waar mogelijke nestplaatsen zich bevinden en wat uitwijkmogelijkheden zijn, ofwel hoeveel geschikt leefgebied in de omgeving bezet is door andere steenuilen. Het aanvullend onderzoek zal plaats moeten vinden middels drie veldbezoeken tussen 1 februari en 30 april, met een tussenliggende periode van minimaal 1 maand tussen het eerste en derde veldbezoek.
Daarnaast zal een veldbezoek overdag plaatsvinden (een buurtonderzoek) om de mogelijke nestplaats te kunnen achterhalen. Op basis van de resultaten van het veldbezoek kan een mitigatieplan worden opgesteld en kan worden vastgesteld of een ontheffing noodzakelijk is voor de aantasting van functioneel leefgebied. De nok van gebouw 2 is in potentie geschikt als vaste rust- en voortplantingsplaats voor steenuilen. Middels een inspectie met endoscoopcamera en/of zaklamp kan aangetoond worden of de nok in gebruik als vaste rust- of voortplantingsplaats door steenuilen. Deze inspectie kan gecombineerd worden met het overige aanvullende onderzoek naar steenuilen. Tot slot dient de zorgplicht in acht te worden genomen ten aanzien van algemene amfibieën en grondgebonden zoogdieren. Al het redelijkerwijs mogelijke dient gedaan te worden om doden en verwonden te voorkomen. Dit kan door het zorgvuldig, en buiten de gevoelige periodes, verwijderen van materialen zoals struiken en takkenhopen.
R 10485.003 versie D1
Pagina 4 van 15
4
ONDERZOEKSMETHODIEK
De onderzoeken naar huismussen, gierzwaluwen en vleermuizen beperken zich tot gebouw 6 van de onderzoekslocatie (zie figuur 1). Het onderzoek naar steenuilen heeft betrekking op gebouw 2 (vaste rust- of voortplantingsplaats) en de gehele onderzoekslocatie alsmede de directe omgeving (functioneel leefgebied). Voor het onderzoek naar huismus zijn tussen 1 april en 15 mei twee veldbezoeken uitgevoerd, gedurende de ochtend. Tijdens de veldbezoeken is gezocht naar roepende huismussen. Mannetjes huismussen roepen met name in het voorjaar (’s ochtends) vaak vanaf de dakranden/goten waar hun nesten zich bevinden. Het gebouw dat onderzocht is betreft het woonhuis aan de Kapelstraat 8 (gebouw 6). Bij het aantreffen van roepende mannetjes mag worden aangenomen dat zich onder het betreffende dak één of meerdere nesten bevinden. Tevens is gedurende de rondes in de ochtend gelet op huismussen die (met nestmateriaal) onder dakpannen of andere nestlocaties verdwijnen. Behalve op de onderzoekslocatie, is ook de directe omgeving onderzocht op de aanwezigheid of geschiktheid van de bebouwing voor huismus. De onderzoeksopzet is conform hetgeen is voorgeschreven in het kennisdocument voor de huismus (BIJ12, versie juni 2017). Voor het onderzoek naar gierzwaluw zijn tussen 1 juni en 15 juli drie veldbezoeken uitgevoerd met een tussenliggende periode van minimaal 10 dagen.
Het onderzoek beperkt zich tot het woonhuis aan de Kapelstraat 8 (gebouw 6). De onderzoeksinspanning is conform hetgeen is gesteld in het kennisdocument (BIJ12, versie juni 2017). De veldbezoeken hebben plaatsgevonden gedurende de avondschemering, tussen 18.00 uur en zonsondergang. In de betreffende periode scheren groepen gierzwaluwen langs gevels van panden waarin zich nesten bevinden. De vrouwtjes die zich op het nest bevinden beantwoorden vervolgens het “gieren” van langs vliegende groepen soortgenoten. Bovendien zijn tijdens de avondschemering vaak invliegende vogels waar te nemen. De onderzoeksopzet is conform hetgeen is voorgeschreven in het kennisdocument voor de gierzwaluw (BIJ12, versie juni 2017). Het onderzoek naar steenuilen heeft bestaan uit twee delen, namelijk een onderzoek naar het voorkomen van steenuilenterritoria op de onderzoekslocatie en de directe omgeving. Ook heeft een veldbezoek overdag plaatsgevonden. Het veldbezoek overdag heeft als doel gehad om de vaste rust- en voortplantingsplaats van de steenuil vast te stellen die op de onderzoekslocatie voorkomt. Er is navraag gedaan bij Steenuilenwerkgroep Bommelerwaard om na te gaan of er bekende nestplaatsen in de directe omgeving van de onderzoekslocatie voorkomen.
Tevens is met behulp van een endoscoopcamera en/of zaklamp een inspectie gedaan bij de nok van gebouw 2, om vast te stellen of de ruimte bij de nok in gebruik is door steenuilen, hierbij is gezocht naar sporen van steenuilen zoals uitwerpselen, braakballen en veren. Voor het onderzoek naar de functionele leefomgeving van steenuilen zijn in de periode half februari tot eind april een drietal avondbezoeken uitgevoerd. Hierbij isgebruik gemaakt van geluidsnabootsing. De tussenliggende periode tussen het eerste en laatste veldbezoek bedraagt minimaal 1 maand. De veldbezoeken hebben plaatsgevonden tussen 30 minuten na zonsondergang en 30 minuten voor zonsopkomst. De inventarisatiemethode is overeenkomstig met het soortinventarisatieprotocol van het Netwerk Groene Bureaus (NGB) en het Kennisdocument van de steenuil (BIJ12, versie juni 2017).
R 10485.003 versie D1
Pagina 5 van 15
Voor het onderzoek naar vleermuizen zijn bij gebouw 6 in de periode half april tot oktober in totaal zes veldbezoeken uitgevoerd. De veldbezoeken zijn in de avonduren en/of ochtenduren uitgevoerd. De inventarisatiemethode is conform het protocol voor vleermuisonderzoek (versie maart 2017), dat is opgesteld door het vleermuisvakberaad van het Netwerk Groene Bureaus. De onderzoeksinspanning is gebaseerd op de functies zomerverblijfplaats, kraamverblijf en paarverblijf/baltsplaats voor de gewone dwergvleermuis. Het protocol heeft tot doel het belang van de functies van onderzoekslocaties voor soorten vleermuizen effectief en efficiënt vast te stellen dan wel uit te sluiten. Doordat vleermuizen iedere (verblijfs)functie slechts een beperkte periode van het jaar gebruiken is onderzoek naar alle op de onderzoekslocatie mogelijke functie noodzakelijk. Iedere (verblijfs)functie afzonderlijk geniet een jaarronde bescherming. Het totaal aantal uitgevoerde veldbezoeken is vastgesteld op basis van de grootte van de onderzoekslocatie, uitgaande van één waarnemer per veldronde in de periode van zomer- en kraamverblijfplaatsen. Verwacht wordt dat met zes bezoeken omtrent deze soortgroep voldoende zekerheid is verkregen over de functie van de onderzoekslocatie. Voor het onderzoek is gebruik gemaakt van professionele batdetectors met opnamemogelijkheid (Pettersson D240x).
Een batdetector zet het voor het menselijk gehoor niet hoorbare ultrasone geluid van vleermuizen om naar frequenties die wel hoorbaar zijn. Op basis van de geluidsfrequenties en ritmes kunnen verschillende soorten vleermuizen worden onderscheiden. De opnamemogelijkheid is belangrijk omdat de geluidsopnames kunnen worden gebruikt voor het determineren van soorten die op basis van hun geluid moeilijk zijn te onderscheiden (met name Myotis-soort) en waarbij het sonogram uitsluitsel kan geven. Hierbij wordt gebruik gemaakt van analyseprogramma Batsound. Overzicht veldbezoeken Het onderzoek heeft bestaan uit diverse veldbezoeken. Onderstaande tabel bevat een overzicht van de uitgevoerde veldbezoeken. Tabel I.
Onderzoeksinspanning per soortgroep februari
Steenuil
tijdstip
-
maart
april
mei
juni
3 x avond 1 x overdag
juli
augustus
september
-
datum
16 maart, 31 maart en 21 april 2020 14 mei (overdag)
functie
territorium (avond) nestplaats (overdag)
gierzwaluwen
3 x avond 18 mei, 3 juni en 1 juli 2020 nestplaatsen
vleermuizen
tijdstip
-
3 x avond 1 x ochtend
-
2 x avond
datum
18 mei, 3 juni en 1 juli 2020 (avond) 9 juni 2020 (ochtend
27 augustus en 21 september 2020
functie
zomer- en kraamverblijf
paar/baltsverblijf
huismussen
2 x overdag 16 april en 14 mei 2020 nestplaats
R 10485.003 versie D1
Pagina 6 van 15
Tijdens de veldbezoeken waren de weersomstandigheden voor het waarnemen van steenuilen, huismussen, gierzwaluwen en vleermuizen gunstig. Tijdens geen van de veldbezoeken voor was de temperatuur lager dan 10 ºC (bij vleermuizen en gierzwaluwen). De windsnelheid lag beneden de 5 Bft. en er was geen sprake van neerslag. Tabel II. Omstandigheden avondbezoeken steenuilen
Datum
Tijd
Temperatuur
Weersomstandigheden
16 maart 2020
19:20 - 21:20
6 oC
Windkracht 1-2 Bft. helder en droog
31 maart 2020
20:45 - 22:45
4 oC
Winkracht 1-2 Bft. helder en droog
21 april 2020
21:20 - 23:20
15 oC
Windkracht 2-3 Bft. bewolkt en droog
Tabel II. Omstandigheden veldbezoeken gierzwaluwen
Datum
Tijd
Temperatuur
Weersomstandigheden
18 mei 2020
19:30 - 21:30
14 oC
Windkracht 1 Bft, bewolkt en droog
3 juni 2020
19:50 - 21:50
17 oC
Windkracht 3 Bft, helder en droog
1 juli 2020
20:00 - 22:00
18 oC
Windkracht 1 Bft, bewolkt en droog
Tabel II. Omstandigheden veldbezoeken vleermuizen Datum
Tijd
Temperatuur
Weersomstandigheden
18 mei 2020
21:30 - 23:30
14 oC
Windkracht 1 Bft, bewolkt en droog
3 juni 2020
21:50 - 23:50
17 oC
Windkracht 3 Bft, helder en droog
9 juni 2020
3:20 - 5:25
12 oC
Windkracht 2 Bft, licht bewolkt en droog
1 juli 2020
22:00 - 00:00
18 oC
Windkracht 1 Bft, bewolkt en droog
27 augustus 2020
21:45 - 00:00
16 oC
Windkracht 2 Bft, bewolkt en droog
21 september 2020
20:40 – 22:50
16 oC
Windkracht 1 Bft, helder en droog
R 10485.003 versie D1
Pagina 7 van 15
5 5.1
ONDERZOEKSRESULTATEN Steenuil
Tijdens de quickscan Wet natuurbescherming, die door Econsultancy in februari 2020 is uitgevoerd, is al gebleken dat er een steenuil voorkomt op de onderzoekslocatie ten oosten van gebouw 4. Om een goed beeld te krijgen van de lokale populatie steenuilen, het leefgebied van de steenuilen en waar de vaste rust- en voortplantingsplaatsen zich bevinden is in 2020 aanvullend onderzoek uitgevoerd. Vaste rust- en voortplantingsplaatsen Uit de quickscan Wet natuurbescherming is naar voren gekomen dat de schuur in het noorden van de onderzoekslocatie (gebouw 2) potentieel geschikt is als nestplaats voor steenuilen. Aanvullend op het steenuilenonderzoek in de avond is op 14 mei 2020 overdag met een endoscoopcamera de nokvorst onderzocht op sporen van gebruik door steenuilen. Duidelijk te zien was dat de nokvorst van het gebouw niet gebruikt wordt als nestplaats van steenuilen. Op basis van deze inspectie is met voldoende zekerheid uit te sluiten dat op de onderzoekslocatie nestplaatsen van steenuilen aanwezig zijn. Territoria en leefgebied Om de functie van de onderzoekslocatie en de directe omgeving voor steenuilen vast te stellen zijn drie veldbezoeken in de avond uitgevoerd. Tijdens de veldbezoeken zijn in totaal drie baltsende steenuilen waargenomen, waarvan twee op de onderzoekslocatie.
Eén steenuil was aan het baltsen tussen de opgeslagen bouwmaterialen ten oosten van gebouw 4, op de plek waar ook tijdens de quickscan Wet natuurbescherming een rustende steenuil is waargenomen. Deze steenuil is op deze locatie gedurende alle veldbezoeken waargenomen. Regelmatig vloog de steenuil richting de achtertuinen van Kapelstraat 10 tot en met 18. Met name bij verstoring door geluid vloog de steenuil in deze richting. Onduidelijk is of hier een nestkast of andere nestplaats aanwezig is, maar op basis van de waarnemingen bestaat het vermoeden dat de vaste rust- of voortplantingsplaats van deze steenuil zich hier bevindt. Tegelijkertijd met de baltsende steenuil nabij gebouw 4, is ook eenmalig een baltsende steenuil waargenomen in een boom nabij gebouwen 1 en 2. Tijdens een ander veldbezoek is vlakbij de baltslocatie nog een keer een roepende steenuil waargenomen, vermoedelijk dezelfde steenuil. Het is niet exact bekend waar de vaste rust- of voortplantingsplaats van deze steenuil zich bevindt. Wel is er op 200 meter ten noordwesten van de baltslocatie een nestkast aanwezig. Gezien deze afstand minder dan 300 meter is, bestaat de kans dat de vaste rust- en voortplantingsplaats van de baltsende steenuil nabij gebouw 1 en 2 zich bevindt in deze nestkast. Echter is dit niet met zekerheid vast te stellen op basis van de waarnemingen.
Tot slot is er nog een baltsend paartje steenuilen waargenomen bij een boerderij ten zuidoosten van de onderzoekslocatie. Het is aannemelijk dat op deze locatie een nestlocatie aanwezig is. Om er achter te komen waar de vaste rust- en voortplantingsplaatsen van de twee baltsende steenuilen op de onderzoekslocatie zich exact bevinden is navraag gedaan bij de Steenuilenwerkgroep Bommelerwaard. Volgens dhr. H. Kolman van de steenuilenwerkgroep zijn er in de buurt van de Kapelstraat in Nederhemert geen nestkasten bekend die door de steenuilenwerkgroep beheerd worden. Wel is er een jaar geleden een losse waarneming doorgegeven van een steenuil op de onderzoekslocatie op een vergelijkbare plek waar tijdens het aanvullend onderzoek door Econsultancy ook steenuilen zijn aangetroffen (nabij gebouw 4). In het verleden heeft de steenuilenwerkgroep wel een nestkast in beheer gehad op dezelfde locatie als waar het steenuilenpaartje aan de Maasdijk is aangetroffen. Mogelijk hebben de bewoners een nieuwe kast opgehangen, maar is deze kast niet meer in beheer bij de steenuilenwerkgroep, of broeden de steenuilen niet meer in een nestkast maar in een schuur of een andere niet-kunstmatige nestplaats.
R 10485.003 versie D1
Pagina 8 van 15
Samengevat zijn er in de directe omgeving van de onderzoekslocatie drie territoria van steenuilen aanwezig waarvan twee territoria op de onderzoekslocatie zijn aangetroffen. Een nestplaats van steenuilen op de onderzoekslocatie is uitgesloten, maar de onderzoekslocatie maakt wel deel uit van het functionele leefgebied van steenuilen. In hoofdstuk 6 zal hier verder op ingegaan worden. Een overzicht van de waarnemingen van steenuilen is weergegeven in figuur 3.
Figuur 3. Verspreiding van de steenuilen op basis van inventarisatie in het seizoen 2020.
R 10485.003 versie D1
Pagina 9 van 15
5.2
Huismus
Voor het onderzoek naar huismussen zijn twee veldbezoeken uitgevoerd in de ochtend. Direct bij aankomst tijdens het eerste veldbezoek zijn er twee zingende mannetjes huismussen aangetroffen in de dakgoot van de westzijde van gebouw 6. Ook zijn er twee vrouwtjes waargenomen die met nestmateriaal onder de dakpannen verdwenen. In totaal zijn er twee nestlocaties van huismussen aangetroffen (zie figuur 4 en 5). In de directe omgeving van de onderzoekslocatie zijn nog meer huismussen aanwezig, maar er zijn geen exacte nestlocaties vastgesteld buiten de onderzoekslocatie, mogelijk dat de nesten zich aan de achterzijde bevinden van woningen die niet tot de onderzoekslocatie behoren.
Figuur 4. Nestlocaties huismussen in gebouw 6 (Kapelstraat 8).
Figuur 5. Verspreiding van de huismussen op basis van inventarisatie in het seizoen 2020.
5.3
Gierzwaluw
Om de functie van gebouw 6 (Kapelstraat 8) voor gierzwaluwen vast te stellen zijn drie veldbezoeken in de avond uitgevoerd. Tijdens geen van de veldbezoeken zijn in- of uitvliegende gierzwaluwen aangetroffen. In de directe omgeving van de onderzoekslocatie werden wel meerdere gierzwaluwen aangetroffen, maar de nestlocaties bevinden zich vermoedelijk richting de dorpskern. Op basis van de geleverde onderzoeksinspanning is met voldoende zekerheid uit te sluiten dat de onderzoekslocatie een functie heeft als nestplaats voor gierzwaluwen.
R 10485.003 versie D1
Pagina 10 van 15
5.4
Vleermuizen
Zomer- en kraamverblijfplaatsen Voor het onderzoek naar zomer- en kraamverblijfplaatsen zijn drie veldbezoeken in de avond, en één veldbezoek in de ochtend uitgevoerd. Er zijn geen in- of uitvliegende vleermuizen waargenomen in gebouw 6 (Kapelstraat 8). Gedurende alle veldbezoeken is vleermuisactiviteit waargenomen in de vorm van enkele overvliegende gewone dwergvleermuizen en rosse vleermuizen en passerende gewone dwergvleermuizen, die elders in de dorpskern verblijven. Deze vleermuizen hadden geen binding met de bebouwing op de onderzoekslocatie. Op basis van deze waarnemingen zijn zomer- en kraamverblijfplaatsen van vleermuizen op de onderzoekslocatie uit te sluiten. Paar- en baltsverblijfplaatsen Voor het onderzoek naar paar- en baltsverblijfplaatsen zijn twee avondbezoeken uitgevoerd in de periode augustus-september. Gedurende het eerste veldbezoek was gedurende de gehele avond een baltsende vleermuis aanwezig in de kapelstraat. De vleermuis maakte een lange baltsvlucht door de gehele Kapelstraat en vertoonde geen enkele binding met de onderzoekslocatie. De tweede baltsende vleermuis is eenmalig aangetroffen ten noorden van gebouw 7. Op de betreffende locatie zijn geen invliegmogelijkheden voor vleermuizen aanwezig, vermoedelijk gebruikte de gewone dwergvleermuis de hogere loods vooral als ‘klankast’ om vrouwtjes te lokken, maar bevindt de paarverblijfplaats zich elders.
Er zijn geen aanwijzingen dat de bebouwing op de onderzoekslocatie een functie heeft als verblijfplaats voor vleermuizen. In figuur 6 is de verspreiding van vleermuisfuncties weergegeven.
Figuur 6. Verspreiding van vleermuissoorten op basis van inventarisatie in het seizoen 2020. Met de rode pijlen zijn globaal de baltsvluchten weergegeven.
R 10485.003 versie D1
Pagina 11 van 15
5.5
Samenvatting
In figuur 6 zijn de resultaten van het onderzoek samengevat weergegeven. In totaal zijn er drie territoria van steenuilen aangetroffen, waarvan twee op de onderzoekslocatie. Daarnaast zijn er twee huismusnesten aanwezig in gebouw 6 (kapelstraat 8). Gierzwaluwnesten en verblijfplaatsen van vleermuizen zijn op basis van de geleverde onderzoeksinspanning uit te sluiten op de onderzoekslocatie.
Figuur 7. Verspreiding resultaten veldonderzoek in het seizoen 2020.
R 10485.003 versie D1
Pagina 12 van 15
6
TOETSING AAN WET- EN REGELGEVING
6.1
Steenuil
De steenuil en zijn leefgebied is beschermd volgens artikel 3.1 van de Wet natuurbescherming. De soort staat tevens vermeld in de EU-vogelrichtlijn. De nesten van steenuilen zijn het hele jaar beschermd en vallen onder categorie 1 van vogelnesten: ‘nesten die behalve gedurende het broedseizoen als nest, buiten het broedseizoen in gebruik zijn als vaste rust- en voortplantingsplaats’. De steenuil heeft twee relevante typen verblijfplaatsen. Dit zijn: • •
de plek die als nest gebruikt wordt (voortplantingsplaats) en die ook in de rest van het jaar gebruikt wordt als verblijfplaats; de plekken die regelmatig door de steenuil worden gebruikt buiten het broedseizoen, maar die ook in het broedseizoen door het mannetje worden gebruikt als het vrouwtje op het nest aan het broeden is (rustplaats).
Met de voorgenomen ingreep is er geen sprake van directe aantasting van een vaste rust- of voortplantingsplaats van steenuilen. Indirect kan er wel sprake zijn van aantasting van een verblijfplaats. Dit laatste kan van toepassing zijn als het essentiële leefgebied van steenuilen dusdanig wordt aangetast dat een territorium zijn functionaliteit voor de steenuil verliest. In dit geval zijn de vaste verblijfplaatsen van steenuilen niet meer functioneel en kan sprake zijn van overtreding van de Wet natuurbescherming. Gezien het gegeven dat de ingreep gaat plaatsvinden in twee territoria van steenuilen, valt niet uit te sluiten dat met de voorgenomen ingreep sprake zal zijn van aantasting van essentieel leefgebied. Hierdoor is overtreding van de Wet natuurbescherming mogelijk aan de orde. Het opstellen van een nadere effectanalyse en een uitgebreid mitigatieplan is noodzakelijk om negatieve gevolgen voor steenuilen te voorkomen. Het succes van dergelijke mitigerende maatregelen is op voorhand lastig te voorspellen gezien de grote schaal van de herontwikkeling. De kans is daardoor aanwezig dat, ondanks het treffen van voldoende mitigerende maatregelen, de herontwikkeling kan leiden tot een tijdelijke afname van de functionaliteit van het gebied voor steenuilen.
Daarom zal een dergelijk mitigatieplan getoetst moeten worden door de provincie Gelderland, middels een ontheffingsaanvraag. 6.2
Huismus
De huismus valt onder het beschermingsregime van artikel 3.1 van de Wet natuurbescherming. Het is verboden de voortplantings- en rustplaatsen te beschadigen of te vernielen en de nesten mogen niet worden weggenomen. Bij de voorgenomen sloop- of renovatie van de bebouwing zijn er maatregelen nodig om de functionaliteit voor de soort te behouden. Omdat de nesten in principe het hele jaar gebruikt worden en de nestplaatsen door de werkzaamheden beschadigd of vernield zullen worden, is een ontheffing van artikel 3.1 lid 2 benodigd voor het tijdelijke verlies van functionaliteit. Artikel 3.1 lid 4 en 5 betreft het opzettelijk storen van vogels. Hierbij geldt dat het storen niet van wezenlijke invloed is op de staat van instandhouding. Bij het verjagen van de huismussen, als gevolg van de sloop van de bebouwing is sprake van voorwaardelijke opzet en is het artikel van kracht, echter het verjagen heeft niet tot doel om de staat van instandhouding negatief te beïnvloeden waardoor een ontheffing niet noodzakelijk is.
R 10485.003 versie D1
Pagina 13 van 15
6.3
Gierzwaluw
De gierzwaluw is een beschermde diersoort als bedoeld in artikel 3.1 van de Wet natuurbescherming. De nesten van gierzwaluwen zijn jaarrond beschermd. De verboden handelingen die van toepassing zijn, betreffen het opzettelijk doden of vangen van vogels, het opzettelijk verstoren van de vogels en beschadigen of vernielen van nest, eieren en rustplaatsen. Op de onderzoekslocatie en binnen de invloedsfeer van de voorgenomen herontwikkeling zijn geen nesten van gierzwaluwen aanwezig. Derhalve zal met de voorgenomen ingreep geen sprake zijn van overtreding van de Wet natuurbescherming ten aanzien van gierzwaluwen. 6.4
Gewone dwergvleermuis
Alle vleermuissoorten vallen onder het beschermingsregime van de Habitatrichtlijn en de conventie van Bonn, in de Wet natuurbescherming ondergebracht in artikel 3.5. De verboden handelingen die van toepassing zijn op de vleermuizen betreffen het opzettelijk verstoren, doden of vangen van de dieren en het beschadigen of vernielen van de rust- en voortplantingsplaatsen. Op de onderzoekslocatie zijn geen verblijfplaatsen van vleermuizen aanwezig, waarmee de voorgenomen ingreep niet zal leiden tot overtreding van de Wet natuurbescherming ten aanzien van vleermuizen.
R 10485.003 versie D1
Pagina 14 van 15
7
CONCLUSIES EN AANBEVELINGEN
Econsultancy heeft in opdracht van Milieutechnisch adviesburo De Bruin een aanvullend ecologisch onderzoek uitgevoerd aan de Kapelstraat (ong.) te Nederhemert. Het aanvullend ecologisch onderzoek is uitgevoerd in het kader van de voorgenomen nieuwbouw op de onderzoekslocatie, alsmede een bestemmingsplanwijziging. Voorgenomen ingreep De initiatiefnemer is voornemens op de onderzoekslocatie circa 108 nieuwbouwwoningen te realiseren. Ten behoeve van de nieuwbouw zal alle bestaande bebouwing worden gesloopt en zullen op de onderzoekslocatie aanwezige bomen en struiken worden verwijderd ten behoeve van het bouwrijp maken. Functie onderzoekslocatie voor beschermde soorten In totaal zijn in de omgeving van het plangebied drie territoria van steenuilen aangetroffen, waarvan twee op de onderzoekslocatie zelf. Daarnaast zijn er twee huismusnesten aanwezig in gebouw 6 (kapelstraat 8). Gierzwaluwnesten en verblijfplaatsen van vleermuizen zijn op basis van de geleverde onderzoeksinspanning uit te sluiten op de onderzoekslocatie. Conclusie Met de voorgenomen herontwikkeling is mogelijk sprake van overtreding van de wet natuurbescherming ten aanzien van huismussen en steenuilen. Om negatieve gevolgen voor deze soorten te voorkomen zal een nadere effectanalyse en een uitgebreid mitigatieplan noodzakelijk zijn.
Omdat ondanks het treffen van maatregelen overtreding van de Wet natuurbescherming niet uit te sluiten is, zal het mitigatieplan getoetst moeten worden door de provincie Gelderland, middels een ontheffingsaanvraag. Nesten van gierzwaluwen en verblijfplaatsen van vleermuizen zijn op basis van de geleverde onderzoeksinspanning uit te sluiten op de onderzoekslocatie. De voorgenomen ingreep zal dan ook niet leiden tot negatieve gevolgen voor deze soorten, waardoor vervolgstappen voor gierzwaluwen en vleermuizen niet noodzakelijk zijn.
Econsultancy Doetinchem, 13 november 2020
R 10485.003 versie D1
Pagina 15 van 15
Verklarende woordenlijst Activiteitenplan Een activiteitenplan dient als begeleidend document voor een ontheffingsaanvraag. In het activiteitenplan zijn maatregelen verwoord waarmee de functionaliteit van een rust- of verblijfplaats van een beschermde soort behouden blijft en schade aan individuen wordt voorkomen. Externe werking Niet alleen activiteiten in een Natura 2000-gebied/EHS hebben invloed op de staat van instandhouding van het gebied, ook activiteiten buiten het gebied kunnen de natuurwaarden in een gebied beïnvloeden. Dit wordt "externe werking" genoemd. Er bestaat geen ruimtelijke grens voor externe werking: bepalend zijn de effecten op de instandhoudingsdoelstellingen van de soorten en habitattypen in het Natura 2000-gebied/ EHS, ongeacht de afstand tot het beschermde gebied. Expert Judgement Inschatting van een deskundige op grond van zijn kennis en ervaring. Foerageerhabitat Het gebied waarbinnen een soort voedsel zoekt. Foerageren Zoeken en vinden van voedsel door dieren (jachtgebied). Functioneel leefgebied Hiermee wordt het gebied dat is benodigd om de functionaliteit van een voortplantingsplaats of van een vaste- rust of verblijfplaats te behouden.
Een nestlocatie of voortplantingsplaats kan bijvoorbeeld alleen succesvol functioneren, wanneer er voldoende habitat (schuilgelegenheid, voedsel etc.) van voldoende kwaliteit aanwezig is om te kunnen paren, eieren te leggen en jongen groot te brengen. Gunstige staat van instandhouding Er is sprake van een gunstige staat van instandhouding van een soort of habitattype als de omstandigheden waarin de soort of het habitattype voorkomt perspectief bieden op een duurzaam voortbestaan van die soort of dat habitattype. Habitat Omvat de plaatsen waar een bepaald organisme voorkomt doordat de abiotische en biotische factoren (niet levende en levende natuur) van die plaatsen voldoen aan de eisen en toleranties die het organisme stelt om te kunnen overleven, groeien en zich voortplanten. Kraamverblijfplaats Voortplantingsplaats van vleermuizen. Het gaat hierbij vaak om de vrouwelijke exemplaren van een kolonie (ook wel kraamgroep genoemd) die gezamenlijk hun jongen grootbrengen. De aantallen vleermuizen in een kraamgroep kan oplopen tot meerdere honderden exemplaren. Landschappelijk inpassingsplan Het inpassen van ruimtelijke ontwikkelingen in het buitengebied middels een ontwerp van de groenvoorziening, dat voldoet aan het beleid ten aanzien van ruimtelijke kwaliteit. Hierdoor wordt zorg gedragen dat een ruimtelijke ontwikkeling past in het landschap.
Landhabitat Amfibieën zijn voor de voortplanting afhankelijk van water. Buiten de voortplantingsperiode maakt de soortgroep gebruik van landhabitat als onderdeel van het leefgebied. Landhabitat voor amfibieën omvat onder andere structuurrijke of opgaande vegetatie zoals (loof)bos, houtwallen, struikgewas, heide, ruigtekruiden, vegetaties en moeras. Mitigerende maatregelen Maatregelen die negatieve effecten bij een ingreep voorkomen of reduceren. Omgevingscheck Een omgevingscheck wordt uitgevoerd bij verlies van leefgebied van een jaarrond beschermde functie van een soort die door een ingreep (tijdelijk) verloren gaat. De omgeving van de ingreep wordt door een ter zake deskundige beoordeeld op aanwezigheid van voldoende alternatief leefgebied en/of potentiële verblijfplaatsen.
Ontheffing De Wet natuurbescherming is gemaakt om planten- en diersoorten die vrij in het wild leven te beschermen. Om deze kwetsbare soorten te beschermen bevat de Wet natuurbescherming een aantal verbodsbepalingen. Onder bepaalde voorwaarden mogen de activiteiten wel doorgaan, daarvoor kan een ontheffing benodigd zijn. Een ontheffing is een besluit waarbij in een individueel concreet geval een uitzondering op een wettelijk verbod wordt gemaakt. Paarverblijfplaats Dit is een verblijfplaats die hoofdzakelijk in het najaar (september/oktober) door vleermuizen worden gebruikt om te paren. Eén mannetje kan een dergelijke verblijfplaats met meerdere vrouwtjes delen. In de omgeving van de paarverblijfplaats wordt veelal door het territoriale mannetje middels baltsvluchten getracht vrouwtjes aan te lokken. Populatie Een biologische populatie is een groep individuen van dezelfde soort die zich onderling voortplant en als zodanig geïsoleerd is van andere zulke groepen. Rode Lijst Rode Lijsten laten zien welke soorten zijn verdwenen en welke soorten in een gebied sterk zijn achteruitgegaan of zeldzaam zijn. Er bestaan verschillende Rode Lijsten. Voor vogels, voor zoogdieren, planten, paddenstoelen, insecten en voor allerlei andere soortgroepen. Rode Lijsten hebben geen officiële juridische status.
Plaatsing op de lijst maakt een dier dus nog geen 'beschermde diersoort' in de zin van Wet natuurbescherming. De Rode Lijsten hebben in de praktijk wel een belangrijke signaleringfunctie. Door de Rode Lijst te raadplegen, kunnen alle instellingen die met natuurbehoud te maken hebben rekening houden met bedreigde soorten. Significant negatief effect Een effect is in het kader van de Wet natuurbescherming significant als de instandhoudingsdoelen van het Natura 2000-gebied dreigen te worden aangetast. Het begrip 'significant' staat centraal in de toepassing van het beschermingsregime voor Natura 2000-gebieden bij zowel vaststelling van beheerplannen als de vergunningverlening. Het bepaalt of een uitvoerige toetsing, een zogenaamde passende beoordeling, moet worden uitgevoerd. Indien als gevolg van een ingreep de toekomstige oppervlakte habitat of leefgebied, aantal van een soort of kwaliteit van een habitat lager zal worden dan zoals bedoeld in de instandhoudingsdoelstelling, dan kan sprake zijn van significante gevolgen. Voor het goede begrip, de soorten hoeven er niet te zitten, het gebied moet geschikt zijn voor de soorten. Vaste rust- of voortplantingsplaats Een plek binnen het leefgebied van een soort die essentieel is voor de levenscyclus van een individu. Wet natuurbescherming omschrijft niet exact wat een vaste rust- of voortplantingsplaats is. Dit is soortafhankelijk.
Vliegroute Een vaste route die door vleermuizen wordt gebruikt tussen de verblijfplaatsen naar foerageergebieden. Winterverblijfplaats Verblijfplaats die gebruikt wordt om de periode van winterrust te overbruggen. Voor vleermuizen zijn dit vorstvrije, maar koele en vochtige plekken. Er kans sprake zijn van massaverblijfplaatsen, verblijfplaatsen van kleine groepen of één of enkele individuen. Zomerverblijfplaats Buiten de kraamperiode worden deze door vrouwtjes gebruikt, binnen de kraamperiode door individuele mannetjes.
PROJECTPLAN KAPELSTRAAT (ONG.) TE NEDERHEMERT
Rapportage projectplan Kapelstraat (ong.) te Nederhemert Opdrachtgever
Milieutechnisch adviesburo De Bruin Gerrit Achterbergstraat 6 4043 GH Opheusden
Rapportnummer Versienummer
10485.005 D2
Status
Eindrapportage
Datum
11 februari 2021
Vestiging
Gelderland Fabriekstraat 19c 7005 AP Doetinchem 088 - 5001600 doetinchem@econsultancy.nl
Opsteller
De heer C.C. Slemmer, BSc
Paraaf
Kwaliteitscontrole
De heer J.G. Boogaard, BSc
Paraaf
Kwaliteitszorg Econsultancy is lid van het Netwerk Groene Bureaus (NGB). Het NGB is een vereniging van ecologische advies- en onderzoeksbureaus en werkt aan de kwaliteit van advisering gericht op natuur, landschap, water, milieu en ruimte en behartigt de belangen van groene adviesbureaus. Het Netwerk hanteert een gedragscode die opdrachtgevers en andere belanghebbenden een basis biedt om de leden aan te spreken op de kwaliteit van hun werk. Econsultancy werkt volgens een dynamisch kwaliteits- en milieusysteem, zoals beschreven in het kwaliteits- en milieuhandboek. Ons kwaliteits- en milieusysteem is gecertificeerd volgens de eisen in de NEN-EN-ISO 9001 en NEN-EN-ISO 14001. Betrouwbaarheid Dit onderzoek is op zorgvuldige wijze uitgevoerd conform de toepasselijke en van kracht zijnde regel geving ten aanzien van natuurwetgeving. Het onderzoek betreft een momentopname en geeft een inschatting van de geschiktheid van de onderzoekslocatie voor beschermde soorten. Het incidenteel voorkomen van beschermde soorten is echter nooit met zekerheid te voorspellen. Econsultancy accepteert op voorhand geen aansprakelijkheid ten aanzien van mogelijke beslissingen die de opdrachtgever naar aanleiding van het door Econsultancy uitgevoerde onderzoek neemt.
INHOUDSOPGAVE 1
INLEIDING ............................................................................................................................. 1
2
GEGEVENS VAN DE LOCATIE EN HET GEBRUIK DOOR FLORA EN FAUNA ..................... 2 2.1 2.2 2.3
3
VERSPREIDING VAN BESCHERMDE SOORTEN OP DE LOCATIE ..................................... 6 3.1 3.2 3.3
4
Effecten op korte termijn steenuil ................................................................................ 17 Effecten lange termijn op gunstige staat van instandhouding steenuil .......................... 18 Effecten op korte termijn huismus ............................................................................... 19 Effecten lange termijn op gunstige staat van instandhouding huismus ......................... 20 Verbodsbepalingen Wet natuurbescherming ............................................................... 20
TE TREFFEN MAATREGELEN ............................................................................................ 22 6.1 6.2 6.3 6.4 6.5
7
Voorgenomen activiteiten en manier van uitvoering..................................................... 14 Doel en belang van de activiteiten ............................................................................... 15 Planning en onderbouwing van de activiteiten ............................................................. 15 Alternatieven............................................................................................................... 15
EFFECTEN VAN DE INGREEP OP FLORA EN FAUNA ....................................................... 17 5.1 5.2 5.3 5.4 5.5
6
Onderzoeksmethode..................................................................................................... 6 Onderzoeksresultaten ................................................................................................... 8 Samenvatting.............................................................................................................. 12
VOORGENOMEN INGREEP OP DE LOCATIE EN ONDERBOUWING ................................ 14 4.1 4.2 4.3 4.4
5
Locatiegegevens en huidige situatie.............................................................................. 2 Verantwoording effectenstudie en verspreidingsinformatie ............................................ 4 Deskundige begeleiding ................................................................................................ 5
Inleiding ...................................................................................................................... 22 Tijdelijke mitigatie huismus.......................................................................................... 22 Zorgvuldig handelen en ongeschikt maken.................................................................. 22 Landschappelijke inpassing steenuil ........................................................................... 23 Duurzame maatregelen in nieuwbouw......................................................................... 25
SAMENVATTING ................................................................................................................. 26
10485.005
1
INLEIDING
Econsultancy heeft van Milieutechnisch adviesburo De Bruin opdracht gekregen voor het opstellen van een projectplan in het kader van de Wet natuurbescherming, ten behoeve van de voorgenomen nieuwbouw aan de Kapelstraat (ong.) te Nederhemert. De volgende onderzoeksvragen zullen in onderhavige rapportage worden beantwoord: Welke beschermde soorten zijn in het plangebied aanwezig? Welke functie heeft het plangebied voor de soorten? Wat is de omvang en duurzame staat van instandhouding van de bij de ingreep betrokken populaties van beschermde soorten? Blijft de functionaliteit van de rust- en voortplantingsplaatsen behouden? Welke eigenschappen van het gebied moeten gemitigeerd of gecompenseerd worden? Hoe groot wordt het succes van de te nemen maatregelen ingeschat? Welke maatregelen moeten getroffen worden om aan de zorgplicht te voldoen? Zijn er voor de streng beschermde soorten geen meer bevredigende oplossingen. Welk wettelijk belang is er waardoor de werkzaamheden moeten worden uitgevoerd? Uit de quickscan blijkt dat, om de effecten van de ingreep volledig te kunnen toetsen aan de Wet natuurbescherming er meer informatie is benodigd ten aanzien van steenuilen, huismussen, gierzwaluwen en gebouwbewonende vleermuizen. Daarom is in 2020 aanvullend onderzoek naar deze soortgroepen uitgevoerd.