CConstaterende datZaltbommel
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage 2. Bijlagen bij bestemmingsplan Nederhemert, Kapelstraat De Meander

Raadsvergadering 30 september 2021, gemeente ZaltbommelBij agendapunt: Vaststellen bestemmingsplan Nederhemert, Kapelstraat, De Meander29.362 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 4

Bestemmingsplan ‘Nederhemert, Kapelstraat De Meander’ BIJLAGEN NL.IMRO.0297.NHNBP20200002-VS01 Vast te stellen, 2 augustus 2021 1 2 3 4 5 6 7 8 9 10 11 12 13 14 15 16 17

Datum: Planstatus:

Quickscan ecologie, 19 februari 2020 met ecologisch veldonderzoek, 13 november 2020 en projectplan, 11 februari 2021 met aanvullende beantwoording 2 juli 2021 Archeologisch onderzoek, 22 januari 2020 met selectiebesluit, 10 maart 2020 Bodemonderzoeken, 13 september 2012, 9 september 2019, 13 september 2019, 28 december 2019, 6 januari 2020 Akoestisch onderzoek, 22 februari 2021 Geurrapportages, 6 en 7 februari 2020 Watertoets, 6 mei 2020 Memo verkeer, 13 februari 2020 Rapport industrielawaai, 21 januari 2021 munitie, 10 december 2019 Beeldkwaliteitplan, 2 augustus 2021 Verslag omgevingsdialoog, 2 juli 2019, Samenvatting tips-topsformulier, 2 juli 2019, Tussentijdse update bewoners, 9 januari 2020, StaVaZabrief bewoners, april 2020 Rapportage stikstof, 13 april 2021, Aanlegfase Aerius berekening 12 april 2021, Gebruiksfase Aerius berekening, 12 april 2021 Vooroverleg- en inspraakreacties met inspraaknota Zienswijzenota Onderzoek spuitzone, 6 november 2020 Schaduwstudie, november 2020 Akoestisch onderzoek verkeersaantrekkende werking, 22 februari 2021

4 oktober 2019 Voorontwerp

QUICKSCAN FLORA EN FAUNA KAPELSTRAAT (ONG.) TE NEDERHEMERT

Rapportage quickscan flora en fauna Kapelstraat (ong.) te Nederhemert Opdrachtgever

Milieutechnisch adviesburo De Bruin Gerrit Achterbergstraat 6 4043 GH Opheusden

Rapportnummer Versienummer

10485.001 D1

Status

Eindrapportage

Datum

19 februari 2020

Vestiging

Gelderland Fabriekstraat 19c 7005 AP Doetinchem 088 - 5001600 doetinchem@econsultancy.nl

Opsteller

J.G. Boogaard, BSc

Paraaf

Kwaliteitscontrole

Ing. G. Jenniskens

Paraaf

Kwaliteitszorg Econsultancy is lid van het Netwerk Groene Bureaus (NGB). Het NGB is een vereniging van ecologische advies- en onderzoeksbureaus die werkt aan de kwaliteit van advisering gericht op natuur, landschap, water, milieu en ruimte en die de belangen behartigt van groene adviesbureaus. Het Netwerk hanteert een gedragscode die opdrachtgevers en andere belanghebbenden een basis biedt om de leden aan te spreken op de kwaliteit van hun werk. Econsultancy werkt volgens een dynamisch kwaliteits- en milieusysteem, zoals beschreven in het kwaliteits- en milieuhandboek. Ons kwaliteits- en milieusysteem is gecertificeerd volgens de eisen in de NEN-EN-ISO 9001 en NEN-EN-ISO 14001. Betrouwbaarheid Dit onderzoek is op zorgvuldige wijze uitgevoerd conform de toepasselijke en van kracht zijnde regelgeving ten aanzien van natuurwetgeving. Het onderzoek betreft een momentopname en geeft een inschatting van de geschiktheid van de onderzoekslocatie voor beschermde soorten en het al dan niet voorkomen van soorten. De gebruikte informatie omtrent verspreiding van soorten is deels afkomstig uit de NDFF en mag niet zonder toestemming worden verstrekt aan derden of op enige andere wijze openbaar gemaakt worden.

Econsultancy accepteert op voorhand geen aansprakelijkheid ten aanzien van mogelijke beslissingen die de opdrachtgever naar aanleiding van het door Econsultancy uitgevoerde onderzoek neemt. In het algemeen kan gesteld worden dat een quickscan geldig is voor een periode van 2 tot 3 jaar, tenzij in deze periode de ecologische omstandigheden wezenlijk zijn veranderd en/of de Wet natuurbescherming, dan wel inzichten hieromtrent zijn gewijzigd. Bij uitstel van de uitvoering van een project met meer dan 3 jaar verdient het de aanbeveling de resultaten van de quickscan opnieuw te toetsen.

INHOUDSOPGAVE 1

INLEIDING .................................................................................................................................. 1

2

GEBIEDSBESCHRIJVING ......................................................................................................... 2 2.1 2.2

Huidig gebruik onderzoekslocatie en omgeving ............................................................... 2 Toekomstig gebruik van de onderzoekslocatie en voorgenomen ingrepen ..................... 4

3

ONDERZOEKSMETHODIEK ..................................................................................................... 6

4

OVERZICHT VAN DE NATIONALE NATUURWETGEVING ..................................................... 7 4.1 4.2 4.3 4.4

5

AANGETROFFEN EN TE VERWACHTEN BESCHERMDE SOORTEN ................................ 10 5.1 5.2 5.3 5.4 5.5 5.6

6

Vogels ............................................................................................................................. 10 Vleermuizen .................................................................................................................... 12 Overige zoogdieren ........................................................................................................ 13 Reptielen, amfibieën en vissen....................................................................................... 14 Ongewervelden............................................................................................................... 15 Vaatplanten..................................................................................................................... 15

TOETSING AAN SOORTENBESCHERMING ......................................................................... 16 6.1 6.2 6.3 6.4

7

Zorgplicht .......................................................................................................................... 7 Soortenbescherming ........................................................................................................ 7 Gebiedenbescherming ..................................................................................................... 8 Houtopstanden ................................................................................................................. 9

Broedvogels .................................................................................................................... 16 Vleermuizen .................................................................................................................... 17 Algemene grondgebonden zoogdieren en amfibieën .................................................... 18 Overige soort(groep)en .................................................................................................. 18

TOETSING AAN GEBIEDENBESCHERMING ........................................................................ 19 7.1 7.2

Natura 2000 .................................................................................................................... 19 Natuurnetwerk Nederland ............................................................................................... 20

8

HOUTOPSTANDEN ................................................................................................................. 21

9

SAMENVATTING EN CONCLUSIES ....................................................................................... 22

Bijlage 1 Bijlage 2

toelichting verbodsbepalingen Wet natuurbescherming verklarende woordenlijst 10485.001

1

INLEIDING

Econsultancy heeft van Milieutechnisch adviesburo De Bruin opdracht gekregen voor het uitvoeren van een quickscan flora en fauna aan de Kapelstraat (ong.) te Nederhemert. De quickscan flora en fauna is uitgevoerd in het kader van de voorgenomen nieuwbouw op de onderzoekslocatie, alsmede een bestemmingsplanwijziging. De quickscan flora en fauna heeft als doel in te schatten of er op de onderzoekslocatie planten- en diersoorten aanwezig of te verwachten zijn, die volgens de Wet natuurbescherming een beschermde status hebben en die mogelijk negatieve invloed kunnen ondervinden door de voorgenomen ingreep. Tevens is beoordeeld of de voorgenomen ingreep invloed kan hebben op Natura 2000-gebieden, houtopstanden die middels de Wet natuurbescherming zijn beschermd, of op gebieden die deel uitmaken van het Natuurnetwerk Nederland. Econsultancy is lid van de branchevereniging "Netwerk Groene Bureaus" en werkt volgens de door het Netwerk opgestelde gedragscode en protocollen. In dat kader verklaart Econsultancy ten behoeve van de onderzoekslocatie niet eerder betrokken te zijn geweest voor ecologische advisering of ecologisch onderzoek.

Rapport 10485.001 versie D1

Pagina 1 van 23

2 2.1

GEBIEDSBESCHRIJVING Huidig gebruik onderzoekslocatie en omgeving

De onderzoekslocatie (± 5,2 ha) ligt aan de Kapelstraat (ong.), gelegen aan de oostzijde van de kern van Nederhemert. In figuur 1 is de topografische ligging van de onderzoekslocatie weergegeven. Volgens de topografische kaart van Nederland zijn de coördinaten van het midden van de onderzoekslocatie X = 140.145, Y = 419.500.

Figuur 1. Topografische ligging van de onderzoekslocatie.

De onderzoekslocatie is onderverdeeld in verschillende oorspronkelijke gebruiksfuncties. In figuur 2 zijn de verschillende gebouwen weergegeven. Het noordelijke deel betreft een erf en is bebouwd met twee schuren (gebouwen 1 en 2). Gebouw 1 betreft een kleine, uit hout opgetrokken, half open schuur die beschikt over een stalen dak. Gebouw 2 betreft een grotere schuur die als opslag wordt gebruikt. De schuur beschikt over een golfplaten dak en beschikt grotendeels over een dakbeschot. Verder is staan er op het noordelijke deel van het terrein een aantal oude fruitbomen en essen. Ten zuiden van het erf bevindt zich een kwekerij. Het terrein is volledig verhard. Aan de noordoostzijde en aan de zuidzijde zijn sloten aanwezig en aan de westzijde bevindt zich een dichte coniferenhaag. Op de kwekerij is een klein gebouw (gebouw 3) aanwezig die is opgetrokken uit metalen damwandplaten. Het centrale deel van de onderzoekslocatie betreft een (voormalig) logistiek industrieterrein. Op het terrein zijn grote loodsen aanwezig (gebouwen 4 en 7) die opgetrokken zijn uit steen en metaal, verder is het terrein grotendeels verhard. Ook zijn stalen constructies aanwezig voor de opslag van materialen. Aan de westzijde van het industrieterrein bevindt zich een woonhuis (gebouw 6) met daarbij een opslagschuur (gebouw 5) met dezelfde eigenschappen als gebouw 2.

Aan de oostzijde van het industrieterrein is op de luchtfoto’s een houtwal zichtbaar, welke ten tijde van het veldbezoek op 11 februari 2020 recentelijk was verwijderd.

Rapport 10485.001 versie D1

Pagina 2 van 23

Het zuiden en oosten van de onderzoekslocatie betreffen voormalige agrarische percelen (grasland). Verder is wat laag braamstruweel aanwezig en staat er een in verval zijnde voormalige schuur op het terrein (gebouw 8), die niet meer beschikt over een dak. In figuur 2 is een luchtfoto van de onderzoekslocatie en de directe omgeving weergegeven. De figuren 3 t/m 11 geven een impressie van de onderzoekslocatie, middels foto’s die zijn genomen tijdens het veldbezoek.

Figuur 2. Luchtfoto onderzoekslocatie.

Rapport 10485.001 versie D1

Pagina 3 van 23

Figuur 3. Kwekerij op centrale deel van de onderzoekslocatie.

Figuur 4. Grens tussen kwekerij en industrieterrein.

Figuur 5. Gebouw 2 in het noordelijk deel van de onderzoekslocatie.

Figuur 6. Noordelijk deel van de onderzoekslocatie.

Figuur 7. Overzicht van loodsen (gebouw 7) op het industrieterrein.

Figuur 8. Reeds verwijderde houtwal op grens tussen industrieterrein en oostelijk deel van de onderzoekslocatie.

Figuur 9. Zuidzijde van gebouw 7.

Figuur 10. Gebouw 8.

Figuur 11. Gebouw 5 met op de achtergrond gebouw 6.

2.2

Toekomstig gebruik van de onderzoekslocatie en voorgenomen ingrepen

De initiatiefnemer is voornemens op de onderzoekslocatie circa 108 nieuwbouwwoningen te realiseren. Ten behoeve van de nieuwbouw zal alle bestaande bebouwing worden gesloopt en zullen op de onderzoekslocatie aanwezige bomen en struiken worden verwijderd ten behoeve van het bouwrijp maken. In figuur 12 is een inrichtingsplan weergegeven.

Rapport 10485.001 versie D1

Pagina 4 van 23

Figuur 12. Voorlopig ontwerp van de te realiseren nieuwbouw op de onderzoekslocatie (bron: Urban Jazz, versie 20 november 2019).

Rapport 10485.001 versie D1

Pagina 5 van 23

3

ONDERZOEKSMETHODIEK

Het onderzoek is uitgevoerd middels het verrichten van een veldbezoek en een bureauonderzoek. Op deze wijze is inzicht verkregen in de aanwezigheid van geschikt habitat en de daarbij te verwachten beschermde soorten, gesitueerd op of nabij de onderzoekslocatie. Het veldbezoek is afgelegd op 11 februari 2020. Tijdens dit veldbezoek is de gehele onderzoekslocatie, alsmede de directe omgeving beoordeeld. Gedurende het veldbezoek is gelet op de mogelijke aanwezigheid van beschermde en bedreigde soorten op basis van het aanwezige habitat. Verder is aan de hand van verspreidingsatlassen, andere standaardwerken en op basis van “expert judgement” nagegaan welke bijzondere planten- en diersoorten er voor kunnen komen op de onderzoekslocatie en zijn omtrent gebiedsbescherming gegevens van de provincie Gelderland opgevraagd. Actuele verspreidingsgegevens van flora en fauna zijn uit de Nationale Databank Flora en Fauna (NDFF) opgevraagd. De quickscan Wet natuurbescherming is een toets van de ecologische potenties van de onderzoekslocatie en betreft geen volwaardig soort(en) specifiek onderzoek. Er zijn in het onderhavige onderzoek geen inventarisaties uitgevoerd van soorten en soortgroepen. Een ecologische inventarisatie beslaat meerdere veldbezoeken gedurende de voor de soortgroep meest gunstige periode van het jaar.

Rapport 10485.001 versie D1

Pagina 6 van 23

4

OVERZICHT VAN DE NATIONALE NATUURWETGEVING

Dit hoofdstuk geeft achtergrondinformatie over de natuurwetgeving waaraan de voorgenomen ingreep op de onderzoekslocatie wordt getoetst. Er wordt een globale toelichting gegeven ten aanzien van potentiële overtredingen van de Wet natuurbescherming bij de meest voorkomende soorten en soortgroepen. Dit hoofdstuk is niet toegespitst op de situatie op de onderzoekslocatie, maar geeft enkel een beschrijving van de vigerende wetgeving. De Wet natuurbescherming is gericht op: • • •

het beschermen en ontwikkelen van de natuur, mede vanwege de intrinsieke waarde en het behouden en herstellen van de biologische diversiteit; het doelmatig beheren, gebruiken en ontwikkelen van de natuur ter vervulling van maatschappelijke functies; het verzekeren van een samenhangend beleid gericht op het behoud en beheer van waardevolle landschappen, vanwege hun bijdrage aan de biologische diversiteit en hun cultuurhistorische betekenis, mede ter vervulling van maatschappelijke functies.

De bevoegdheid voor het verlenen van ontheffingen en vrijstellingen bij soortenbescherming ligt grotendeels bij de provincies. De provincie is bevoegd gezag voor de toetsing van handelingen met mogelijke gevolgen voor beschermde dier- en plantensoorten (de soortenbeschermingsbepalingen) én voor Natura 2000-gebieden (de gebiedenbeschermingsbepalingen). Alleen bij ruimtelijke ingrepen waarmee grote nationale belangen zijn gemoeid, blijft het Rijk bevoegd gezag. 4.1

Zorgplicht

Het eerste artikel in de Wet natuurbescherming heeft betrekking op de zorgplicht en heeft betrekking op het voorkomen of beperken van schade aan soorten en gebieden, voor zover deze niet middels overige verbodsbepalingen zijn gereguleerd. Het gaat daarbij in de praktijk vooral om minder streng beschermde soorten, waarbij het onnodig doden, verwonden of beschadigen dient te worden vermeden. In bijlage 1 wordt dit artikel nader toegelicht. 4.2

Soortenbescherming

Bij een quickscan wordt in beeld gebracht of er (potentiële) vaste rust- of voortplantingsplaatsen aanwezig zijn van de soorten uit de verschillende beschermingsregimes. Vervolgens wordt beoordeeld of de voorgenomen ingreep verstorend kan zijn en of nader onderzoek noodzakelijk wordt geacht. De Wet natuurbescherming onderscheidt beschermingsregimes voor soorten op grond van internationale verdragen, aangevuld met soorten die vanuit een nationaal oogpunt beschermd worden. Hierdoor zijn er in de Wet natuurbescherming drie verschillende verbodsartikelen per categorie soorten; • • •

soorten van de Vogelrichtlijn (artikel 3.1); soorten van de Habitatrichtlijn en de verdragen van Bern en Bonn (artikel 3.5); andere soorten (artikel 3.10).

In bijlage 1 worden deze artikelen nader toegelicht.

Rapport 10485.001 versie D1

Pagina 7 van 23

4.3

Gebiedenbescherming

Indien een plangebied in of nabij een beschermd gebied is gelegen, dan dient te worden bepaald of er een (extern) effect valt te verwachten. Het gaat daarbij om Natura 2000-gebieden en gebieden behorend tot het Natuurnetwerk Nederland. 4.3.1

Natura 2000

Natura 2000 is de benaming voor een Europees netwerk van natuurgebieden waarin belangrijke flora en fauna voorkomen, gezien vanuit een Europees perspectief. Met Natura 2000 wil men deze flora en fauna duurzaam beschermen. De staatssecretaris van Economische Zaken heeft voor Nederland ruim 160 Natura 2000-gebieden aangewezen. Gezamenlijk hebben ze een oppervlak van ruim 1,1 miljoen hectare. Ze maken deel uit van een samenhangend netwerk van natuurgebieden in de Europese Unie die zijn aangewezen op grond van de vogelrichtlijn en habitatrichtlijn. Het doel van Natura 2000 is het keren van de achteruitgang van de biodiversiteit. Binnen een gebied kan spanning optreden tussen economie en ecologie. In een zogenaamd beheerplan leggen Rijk en provincies vast welke activiteiten, op welke wijze mogelijk zijn. Uitgangspunt is steeds het realiseren van ecologische doelen met respect voor en in een zorgvuldige balans met wat particulieren en ondernemers willen. Het opstellen gebeurt daarom in overleg met alle direct betrokkenen, zoals beheerders, gebruikers, omwonenden, gemeenten, natuurorganisaties en waterschappen. Samen geven ze invulling aan beleven, gebruiken en beschermen. Daar draait het om in de Nederlandse Natura 2000-gebieden (bron: Regiegroep Natura 2000).

Het is krachtens de Wet natuurbescherming verboden zonder vergunning van gedeputeerde staten projecten te realiseren of andere handelingen te verrichten die gelet op de instandhoudingsdoelstellingen voor een Natura 2000-gebied de kwaliteit van de natuurlijke habitats of de habitats van soorten in dat gebied kunnen verslechteren of een significant verstorend effect kunnen hebben op de soorten waarvoor dat gebied is aangewezen (artikel 2.7, lid 2). Handelingen die een negatieve invloed hebben op Natura 2000-gebieden, worden slechts onder strikte voorwaarden toegestaan. Een vergunning is vereist. Door middel van het Nederlandse vergunningsstelsel wordt een zorgvuldige afweging gewaarborgd. De vergunningen zullen beoordeeld en afgegeven worden door de desbetreffende provincie. 4.3.2

Natuurnetwerk Nederland

Het Natuurnetwerk Nederland is het Nederlands netwerk van bestaande en nieuw aan te leggen natuurgebieden. Het netwerk moet natuurgebieden beter verbinden met elkaar en met het omringende agrarisch gebied. Het Natuurnetwerk Nederland bestaat uit: • • • • •

bestaande natuurgebieden, waaronder de 20 Nationale Parken; gebieden waar nieuwe natuur aangelegd wordt; landbouwgebieden, beheerd volgens agrarisch natuurbeheer; ruim 6 miljoen hectare grote wateren: meren, rivieren, de Noordzee en de Waddenzee; alle Natura 2000-gebieden.

Rapport 10485.001 versie D1

Pagina 8 van 23

Conform artikel 1.12 van de Wet natuurbescherming dragen gedeputeerde staten in hun provincie zorg voor de totstandkoming en instandhouding van een samenhangend landelijk ecologisch netwerk, genaamd ‘Natuurnetwerk Nederland’. Zij wijzen daartoe in hun provincie gebieden aan die tot dit netwerk behoren. De planologische begrenzing en beschermingsregimes van het Natuurnetwerk Nederland loopt via het traject van de provinciale ruimtelijke structuurvisies en verordeningen. 4.4

Houtopstanden

De bescherming van houtopstanden conform hoofdstuk 4 van de Wet natuurbescherming heeft als doel om het aanwezige areaal bos in Nederland te behouden. Onder houtopstanden vallen alle zelfstandige eenheden van bomen, boomvormers of struiken van een oppervlakte van tien are of meer of rijbeplanting die meer dan twintig bomen omvat. In bijlage 1 (tabel VI) worden de regels nader toegelicht. Wanneer houtopstanden geveld worden, niet vallende onder artikel 4.1 van de Wet natuurbescherming, geldt een meldingsplicht bij Gedeputeerde Staten van desbetreffende provincie (artikel 4.2 Wnb). Op basis van deze melding wordt door de provincie beoordeeld of de voorgenomen velling aanvaardbaar is in het kader van natuur- en landschapswaarden. Indien er geen bezwaar is om de houtopstanden te kappen, verplicht artikel 4.2 van de Wet natuurbescherming om binnen 3 jaar na het vellen of tenietgaan van de houtopstand op dezelfde grond houtopstanden opnieuw aan te planten. Er geldt een algehele vrijstelling van de herplantplicht voor houtopstanden die gekapt worden in het kader van natuurbeheer en natuurbehoud. Indien bij de voorgenomen ontwikkeling herplantplicht geldt, maar niet voldaan kan worden aan de herplantplicht op de projectlocatie zelf, dan dient een ontheffing aangevraagd te worden met betrekking tot de herplantplicht bij de desbetreffende provincie.

De provincie toetst vervolgens of voldaan wordt aan de bij de provinciale verordening gestelde regels voor herbeplanting op andere perceelsgronden. Deze regels hebben onder andere betrekking op de kwaliteit, oppervlakte en locatie van de andere grond en de natuurwaarde van de te vellen houtopstand. Tevens kan ontheffing verleend worden van herplantplicht ter plaatse, indien gewerkt wordt via een door het ministerie goedgekeurde gedragscode die gebruikt mag worden door een van de betrokken partijen voor een wijze van vellen en een wijze van herplanten.

Rapport 10485.001 versie D1

Pagina 9 van 23

5

AANGETROFFEN EN TE VERWACHTEN BESCHERMDE SOORTEN

Het voorkomen van planten- en diersoorten in een gebied wordt mede bepaald door de aanwezigheid van geschikt leefgebied. Een soort kan in zijn leefgebied gebruik maken van verschillende plekken om te verblijven. Al deze plekken (biotopen) kunnen een bepaalde functie voor de soort vervullen. In dit hoofdstuk wordt op basis van het aanwezige habitat / verblijfsmogelijkheden samen met verspreidingsgegevens beschreven welke beschermde soorten binnen de onderzoekslocatie kunnen voorkomen. Afhankelijk van de soort wordt ingegaan op de potentiële aanwezigheid van vaste rust- of voortplantingsplaatsen, foerageergebied en verbindingsroutes. Tevens wordt beoordeeld of de voorgenomen plannen een negatief effect kunnen hebben op de mogelijk aanwezige beschermde soorten. In hoofdstuk 6 wordt beschreven welke juridische implicaties dit voor het project heeft. 5.1 5.1.1

Vogels Broedvogels (nesten jaarrond beschermd)

Er zijn broedvogels waarvan de nesten ook beschermd zijn op het moment dat ze niet voor de voortplanting in gebruik zijn. Binnen gebieden op de grens tussen bebouwde kom en agrarisch buitengebied kunnen dit zijn: huismus, gierzwaluw, kerkuil, steenuil, roek, sperwer, ransuil. Van deze soorten kan de roek op voorhand worden uitgesloten. Deze soortbroed in grote kolonies in bomen, dergelijke kolonies zijn niet op de onderzoekslocatie aanwezig. Huismus en gierzwaluw Huismussen en gierzwaluwen maken gebruik van ruimtes onder dakpannen, nisjes in bebouwing welke toegankelijk zijn via openingen en dergelijke als nestplaats. De te slopen bebouwing is geïnspecteerd op geschiktheid als nestlocatie voor huismussen en gierzwaluwen. Uit de quickscan is gebleken dat gebouw 6 in potentie geschikt is voor huismussen en gierzwaluwen. Verschillende openingen bij dakpannen en bij de dakrand bieden toegang tot potentiële nestlocaties. Met de voorgenomen sloop van de woning is niet uit te sluiten dat er voor deze soorten negatieve gevolgen ontstaan (zie hoofdstuk 6). De overige bouwdelen zijn niet geschikt voor huismussen of gierzwaluwen. Deze gebouwen beschikken niet over ruimtes die huismussen en gierzwaluwen kunnen gebruiken als broedlocatie. Steenuil Tijdens het veldbezoek is een steenuil aangetroffen op de onderzoekslocatie.

De steenuil is tweemaal waargenomen op het noordoostelijke deel van het industrieterrein, waar het dier zich bevond tussen de stalen constructies en opslag van materialen. Het is niet gelukt om de steenuil vast te leggen op foto, tweemaal is de steenuil weggevlogen naar de directe omgeving. Op het deel van de onderzoekslocatie waar de steenuil is waargenomen zijn ook diverse sporen aangetroffen zoals veren, plukplekken, braakballen en uitwerpselen (zie figuren 13 en 14), die duiden op een vast gebruik van de steenuil. In figuur 15 is weergegeven waar de steenuil is waargenomen en wat de vliegbewegingen van de steenuil waren ten tijde van het veldbezoek op 11 februari.

Rapport 10485.001 versie D1

Pagina 10 van 23

Figuur 13. Braakbal van steenuil op de onderzoekslocatie.

Figuur 14. Veer van steenuil op de onderzoekslocatie.

Figuur 15. Gele cirkel: locatie waar de steenuil en sporen van steenuil zijn aangetroffen. Gele pijlen: vliegbewegingen van steenuil ten tijde van het veldbezoek op 11 februari 2020.

Uit de waarnemingen blijkt dat de onderzoekslocatie zich in een territorium van steenuilen bevindt. Het is niet bekend waar de exacte nestlocatie van de steenuil zich bevindt. In gebouw 2 is de nok in potentie geschikt als verblijfplaats of nestplaats van steenuilen. Bij de nok van gebouw 2 zijn geen spren van recent gebruik aangetroffen, maar omdat de nestlocatie van de steenuil niet bekend is, valt niet volledig uit te sluiten dat gebouw 2 een functie heeft als vaste rust- of voortplantingsplaats (zie hoofdstuk 6). Geschikte nestlocaties zijn op de rest van de onderzoekslocatie uit te sluiten vanwege het ontbreken van nestkasten of andere plekken die geschikt zijn als nestlocatie voor steenuil. Het herontwikkelen van de onderzoekslocatie tot woonwijk kan vrijwel zeker leiden tot afname van essentieel leefgebied van de steenuil, waardoor overtreding van de Wet natuurbescherming niet uit te sluiten is (zie hoofdstuk 6).

Rapport 10485.001 versie D1

Pagina 11 van 23

Kerkuil Op de onderzoekslocatie zijn geen nestlocaties van kerkuil aanwezig, ook zijn er geen roestplaatsen aangetroffen of andere sporen van gebruik door kerkuil. Omdat kerkuilen relatief grote territoria hebben, is het uit te sluiten dat met de voorgenomen ingreep negatieve gevolgen voor kerkuilen ontstaan. Sperwer en ransuil Sperwer en ransuil maken gebruik van oude nesten van ekster en zwarte kraai om te broeden. Omdat dergelijke nesten niet aanwezig zijn op de onderzoekslocatie, zijn negatieve gevolgen voor deze soorten uit te sluiten. 5.1.2

Overige broedvogels

De bebouwing en beplanting op de onderzoekslocatie kan nestgelegenheid bieden aan broedvogelsoorten zoals houtduif, winterkoning en merel. De nesten van deze soorten zijn alleen beschermd op het moment dat ze als zodanig in gebruik zijn. Overtredingen van verbodsbepalingen uit de Wet natuurbescherming zijn te voorkomen (zie hoofdstuk 6). De broedvogels waarvan het nest in uitzonderlijke gevallen eveneens jaarrond is beschermd, zijn voornamelijk holenbroeders, zoals spechten en mezen, of makers van grote nesten, zoals ekster en zwarte kraai.

Figuur 16. Nest van houtduif op de onderzoekslocatie.

Op de onderzoekslocatie zijn geen boomholtes of nesten van ekster of zwarte kraai aanwezig, met de voorgenomen ingreep zullen daarom geen negatieve gevolgen voor holenbroeders of makers van grote nesten ontstaan. 5.2

Vleermuizen

Volgens verspreidingsgegevens van de NDFF is de onderzoekslocatie gelegen in een deel van Nederland waar de volgende vleermuissoorten kunnen voorkomen: gewone dwergvleermuis, ruige dwergvleermuis, rosse vleermuis, laatvlieger, gewone grootoorvleermuis, franjestaart, meervleermuis, baardvleermuis en watervleermuis. Verblijfplaatsen op de onderzoekslocatie Gebouw 6 (het woonhuis aan de Kapelstraat 8) is in principe geschikt als verblijfplaats voor gebouwbewonende vleermuizen. Ruimtes bij dakpannen en bij de kantpannen bieden toegang tot het dakbeschot en mogelijk ook tot de niet-geïsoleerde spouwmuur. De bebouwing is in potentie geschikt als zomer-, kraam-, en paarverblijfplaats voor de gewone dwergvleermuis, ruige dwergvleermuis en laatvlieger. Bij sloop- of renovatiewerkzaamheden aan deze woning is mogelijk sprake van overtreding van de Wet natuurbescherming (zie hoofdstuk 6). De overige bebouwing is niet geschikt als verblijfplaats voor vleermuizen. Gebouwen 4 en 7 beschikken wel over een spouwmuur, maar niet over geschikte openingen. De open stootvoegen bevinden zich op circa 50 centimeter hoogte en verder zijn er geen openingen bij de metalen betimmering die toegang geven tot potentiële verblijfplaatsen.

Rapport 10485.001 versie D1

Pagina 12 van 23

Gebouwen 2 en 5 betreffen oude stalgebouwen die niet beschikken over een spouwmuur en niet over dakpannen, ook zijn er geen betimmeringen aanwezig waar vleermuizen achter kunnen kruipen. Gebouwen 1 en 3 betreffen kleine schuren die niet beschikken over een spouwmuur, betimmeringen waar vleermuizen achter kunnen kruipen of andere potentiele verblijfplaatsen en gebouw 8 betreft een vervallen oude schuur, welke niet beschikt over een spouwmuur en ook niet meer beschikt over het grootste deel van het dak. Daarmee is dit gebouw te vochtig en tochtig om te dienen als verblijfplaats voor vleermuizen. De aanwezige bomen op de onderzoekslocatie zijn onderzocht op holtes, spleten en/of loshangend schors, die kunnen dienen als potentiële vaste rust- of voortplantingsplaats voor boombewonende vleermuizen. Deze zijn niet aangetroffen en daarmee zijn boombewonende vleermuizen uit te sluiten. Verblijfplaatsen buiten de onderzoekslocatie Het is door de onderlinge afstand tot de bebouwing in de omgeving niet aannemelijk dat er in de directe invloedssfeer van de onderzoekslocatie potentiële verblijfplaatsen aanwezig zijn die negatieve invloed kunnen ondervinden van de werkzaamheden.

Foerageerhabitat De onderzoekslocatie zal, gelet op het aanwezige habitat gebruikt kunnen worden door in de omgeving verblijvende vleermuizen als gewone dwergvleermuis, laatvlieger en mogelijk ruige dwergvleermuis om te foerageren. De plannen zullen echter geen aantasting van belangrijk foerageerhabitat vormen. Door de voorgenomen ingreep zal het aanbod van foerageermogelijkheden niet in het geding komen, in de directe omgeving is meer geschikt foerageerhabitat voor vleermuizen aanwezig. Het betreft de uiterwaarden van de Afgedamde Maas en de agrarische gebieden ten noorden, oosten en zuiden van de onderzoekslocatie. Vliegroutes Vleermuizen maken veelal gebruik van lijnvormige (donkere) landschapselementen als houtsingels, beken en lanen om zich te verplaatsen tussen verblijfplaatsen en foerageergebieden. Doordat dergelijke lijnvormige elementen ontbreken op de onderzoekslocatie, worden er geen potentiële vliegroutes verstoord. 5.3

Overige zoogdieren

Alle zoogdieren in Nederland zijn beschermd. Voor sommige algemeen voorkomende soorten geldt een provinciale vrijstelling bij ruimtelijke ontwikkeling. Op deze wijze is er onderscheid te maken in streng beschermde en minder streng beschermde soorten. Streng beschermde soorten Volgens verspreidingsgegevens van de NDFF ligt de onderzoekslocatie binnen het verspreidingsgebied van de volgende streng beschermde grondgebonden zoogdieren: bever, wezel, bunzing, hermelijn. Vast rust of voortplantingsplaatsen van deze soorten zijn op de onderzoekslocatie redelijkerwijs uit te sluiten. Er zijn geen geschikte schuilmogelijkheden aanwezig voor deze soorten. De bever komt voor in de omgeving van de onderzoekslocatie (NDFF). De waarnemingen hebben betrekking tot de uiterwaarden van de Afgedamde Maas ten zuiden van de onderzoekslocatie. De onderzoekslocatie biedt geen geschikt leefgebied voor bevers waardoor negatieve gevolgen voor deze soort door de voorgenomen ingreep uit te sluiten zijn.

Rapport 10485.001 versie D1

Pagina 13 van 23

Volgens verspreidingsgevens van de NDFF ligt de onderzoekslocatie in een deel van Nederland waar de streng beschermde kleine marterachtigen (bunzing, wezel en hermelijn) voorkomen. Het voorkomen van overige grondgebonden zoogdieren waarvoor geen vrijstelling geldt, is tijdens het veldbezoek niet vastgesteld. Vanwege het ontbreken van geschikt habitat kan het voorkomen ervan redelijkerwijs worden uitgesloten. Licht beschermde soorten De onderzoekslocatie vormt geschikt habitat voor een aantal algemene soorten grondgebonden zoogdieren. Het gaat daarbij om algemene soorten als egel, haas en rosse woelmuis. Door de voorgenomen werkzaamheden kunnen negatieve effecten voor deze soorten ontstaan (zie hoofdstuk 6). 5.4

Reptielen, amfibieën en vissen

Reptielen Volgens gegevens van de NDFF zijn er in de afgelopen 5 jaar in de directe omgeving van de onderzoekslocatie geen streng beschermde reptielen waargenomen. Reptielen stellen specifieke eisen aan het habitat die betrekking hebben op verschillende factoren. Op de onderzoekslocatie is geen geschikt habitat voor reptielen aanwezig. Het voorkomen van beschermde reptielen op de onderzoekslocatie is daarmee uit te sluiten. Amfibieën Volgens verspreidingsgegevens van de NDFF zijn in het deel van Nederland waar de onderzoekslocatie ligt, de volgende soorten te verwachten: kamsalamander, kleine watersalamander, rugstreeppad, gewone pad, bastaardkikker en bruine kikker. Op de onderzoekslocatie en in de directe omgeving is geen geschikt voortplantingswater voor de streng beschermde rugstreeppad of kamsalamander aanwezig. De sloot aan de oostzijde van de onderzoekslocatie betreft zeer voedselrijk, licht stromend water. Doordat de sloot in verbinding staat met andere wateren zal de sloot niet volledig visvrij zijn. Deze omstandigheden maken de sloot ongeschikt als voortplantingswater voor rugstreeppadden en kamsalamander, waardoor negatieve gevolgen voor deze soorten uit te sluiten zijn. De waarnemingen van deze soorten hebben naar verwachting betrekking op de nabijgelegen uiterwaarden en visvrije zonnige poelen.

De onderzoekslocatie vormt geschikt landhabitat voor algemene amfibieënsoorten als bruine kikker en gewone pad. De sloot die zich aan de oostzijde van de onderzoekslocatie bevindt kan onderkomen bieden aan beide soorten. Op de onderzoekslocatie kunnen deze soorten in beperkte mate beschutting vinden tussen de ruigte en dicht struweel. Omdat er in de directe omgeving geen geschikte voortplantingsmogelijkheden zijn voor de streng beschermde rugstreeppad en kamsalamander, zal de onderzoekslocatie geen functie hebben als landhabitat voor deze soorten. Vissen De sloot, die zich aan de oostzijde van de onderzoekslocatie bevindt, kan wel leefgebied vormen voor vissen. De sloot wordt door de ingreep op de onderzoekslocatie niet aangetast, waardoor er geen overtredingen van de Wet natuurbescherming te verwachten zijn.

Rapport 10485.001 versie D1

Pagina 14 van 23

5.5

Ongewervelden

Libellen Er zijn slechts enkele libellensoorten die binnen de Wet natuurbescherming een strenge bescherming genieten. Deze zijn voor wat betreft hun verspreiding gebonden aan specifieke habitateisen, die veelal alleen in natuurgebied zijn te vinden. Beschermde soorten zijn op de onderzoekslocatie niet te verwachten. Vlinders Beschermde vlinders stellen specifieke eisen aan het voortplantingshabitat. Bij het habitat is het belangrijk dat aan de eisen van alle stadia van de vlindersoort wordt voldaan. Voor de beschermde soorten in Nederland geldt dat deze veelal gebonden zijn aan zeldzame waardplanten, die vaak alleen in natuurterreinen zijn te vinden. Geschikte waardplanten voor beschermde vlindersoorten als sleedoornpage (sleedoorn), iepenpage (iep) en kleine ijsvogelvlinder (kamperfoelie) zijn op de onderzoekslocatie niet aanwezig. Het is uitgesloten dat er binnen de onderzoekslocatie geschikt habitat aanwezig is voor een (deel)populatie van een beschermde vlindersoort. Overige soorten Overige beschermde soorten, zoals vliegend hert, Europese rivierkreeft en platte schijfhoren, zijn op de onderzoekslocatie uit te sluiten. Er is geen geschikt habitat voor dergelijke beschermde soorten op de onderzoekslocatie aanwezig en er zijn geen waarnemingen bekend in de directe omgeving van de onderzoekslocatie. 5.6

Vaatplanten

Aangezien de locatie geheel bestaat uit bebouwing, verharding, tuin, erf en weiland is het niet te verwachten dat er beschermde of zeldzame plantensoorten op de locatie te vinden zijn. De onderzoekslocatie licht niet in het verspreidingsgebied van beschermde vaatplanten, met vergelijkbare standplaatseisen, zoals deze op de onderzoekslocatie aanwezig zijn. Daarnaast zijn er vanuit waarnemingen van de NDFF geen waarnemingen bekend van beschermde vaatplanten binnen enkele kilometers van de onderzoekslocatie.

Rapport 10485.001 versie D1

Pagina 15 van 23

6

TOETSING AAN SOORTENBESCHERMING

Als gevolg van de voorgenomen ingreep op de onderzoekslocatie kunnen er overtredingen van verbodsbepalingen uit soortbeschermingsparagrafen uit de Wet natuurbescherming optreden. In dit hoofdstuk wordt beschreven voor welke soorten er sprake is van dreigende overtreding van de Wet natuurbescherming en of met eenvoudige maatregelen overtreding is te voorkomen. Verder wordt beschreven voor welke soorten een vervolgtraject noodzakelijk is, bijvoorbeeld omdat toetsing van de ingreep aan de Wet natuurbescherming op basis van de huidige onderzoeksinspanning niet mogelijk is, en wat de eventuele consequenties zijn ten aanzien van ontheffingen. 6.1

Broedvogels

6.1.1

Jaarrond beschermde broedvogels

Huismus en gierzwaluw De nesten van huismussen en gierzwaluwen zijn het gehele jaar beschermd en vallen onder de beschermingscategorie 2 van vogelnesten. Dit zijn nesten van koloniebroeders die elk seizoen op dezelfde plaats broeden en die daarin zeer honkvast zijn of afhankelijk van bebouwing of biotoop. Volgens artikel 3.1 van de Wet natuurbescherming is het verboden nesten van huismussen en gierzwaluwen te beschadigen, te vernielen of weg te nemen, ook als deze niet als zodanig in gebruik zijn. Indien er in gebouw 6 op de onderzoekslocatie (het woonhuis) nestplaatsen van huismussen of gierzwaluwen aanwezig zijn, hetgeen op basis van de huidige informatie niet is uit te sluiten, zal de voorgenomen ingreep kunnen leiden tot overtreding van de Wet natuurbescherming . Om vast te stellen of er broedgevallen van de huismus of gierzwaluwen op de onderzoekslocatie aanwezig zijn dient een nader onderzoek uitgevoerd te worden tijdens het broedseizoen van de soort. Steenuil De steenuil en zijn leefgebied is beschermd volgens artikel 3.10 van de Wet natuurbescherming. De soort staat tevens vermeld in de EU-vogelrichtlijn. De nesten van steenuilen zijn het hele jaar beschermd en vallen onder categorie 1 van vogelnesten: ‘nesten die behalve gedurende het broedseizoen als nest, buiten het broedseizoen in gebruik zijn als vaste rust- of voortplantingsplaats’.

De steenuil heeft twee relevante typen vaste rust- en voortplantingsplaatsen. Dit zijn: • •

de plek die als nest gebruikt wordt (voortplantingsplaats) en die ook in de rest van het jaar gebruikt wordt als verblijfplaats de plekken die regelmatig door de steenuil worden gebruikt buiten het broedseizoen, maar die ook in het broedseizoen door het mannetje worden gebruikt als het vrouwtje op het nest aan het broeden is.

Op de onderzoekslocatie is een vaste rust- of voorplantingsplaats niet uit te sluiten in de nok van gebouw 2. Middels een inspectie met endoscoopcamera en/of zaklamp kan aangetoond worden of de ruimte in de nok gebruikt wordt als vaste rust- of voortplantingsplaats. Door de ontwikkeling van de onderzoekslocatie tot woonwijk is er sprake van een negatief effect op de functionele leefomgeving van de op de onderzoekslocatie voorkomende steenuil. Het is op basis van de waarnemingen tijdens de quickscan niet vast te stellen waar de nestlocatie van de steenuil zich exact bevindt, en in hoeverre het leefgebied van de steenuil wordt aangetast. Dat laatste is mede afhankelijk van de hoeveelheid geschikt leefgebied in de directe omgeving, de locatie van de eventuele nestplaats, en hoeveel territoria van steenuilen er in de directe omgeving bevinden.

Rapport 10485.001 versie D1

Pagina 16 van 23

Middels aanvullend onderzoek zal bepaald moeten worden in hoeverre het leefgebied van steenuilen wordt aangetast. Het aanvullend onderzoek zal plaats moeten vinden middels 3 veldbezoeken in de periode februari tot eind april in de avond of ochtend en een veldbezoek overdag middels een buurtonderzoek om vast te kunnen stellen waar de mogelijke nestplaats zich bevindt. Op basis van de resultaten van het veldbezoek kan vastgesteld worden of er met de voorgenomen herontwikkeling sprake is van overtreding van de Wet natuurbescherming en of een ontheffing en het treffen van maatregelen noodzakelijk is. 6.1.2

Algemene broedvogels

Voor de algemene broedvogelsoorten die op de onderzoekslocatie zijn te verwachten geldt dat, indien het groen buiten het broedseizoen wordt verwijderd, er geen overtredingen plaats zullen vinden met betrekking tot deze soorten. Artikel 3.1 van de Wet natuurbescherming (Het is verboden nesten te beschadigen, te vernielen of weg te nemen) is van toepassing. De nesten mogen echter wel worden weggenomen wanneer deze op dat moment niet in gebruik zijn. In de Wet natuurbescherming wordt geen vaste periode gehanteerd voor het broedseizoen. Globaal kan voor het broedseizoen de periode maart tot half augustus worden aangehouden. Geldend is echter de aanwezigheid van een broedgeval op het moment van ingrijpen. 6.2

Vleermuizen

Gebouw 6 op de onderzoekslocatie (het woonhuis aan de Kapelstraat) is in principe geschikt als verblijfplaats voor vleermuizen. De overige bebouwing is niet geschikt als verblijfplaats voor vleermuizen. De sloop van de bebouwing zou in geval van aanwezigheid van een verblijfsfunctie van vleermuizen kunnen leiden tot overtreding van de Wet natuurbescherming. Alle vleermuissoorten zijn opgenomen in bijlage IV van de EU-Habitatrichtlijn, dier- en plantensoorten van communautair belang die strikt moeten worden beschermd. Vleermuizen worden ook benoemd in Bijlage II van de conventie van Bonn. Gelet op de geschiktheid van de onderzoekslocatie voor vleermuizen, zal aanvullend onderzoek noodzakelijk zijn om de daadwerkelijke functie van het gebied voor vleermuizen te kunnen vaststellen. Deze informatie is benodigd om vast te kunnen stellen of overtredingen van de Wet natuurbescherming aan de orde zijn. De vleermuissoorten die onderzocht dienen te worden zijn gewone dwergvleermuis en laatvlieger. Een dergelijk aanvullend onderzoek dient te worden uitgevoerd conform het protocol voor vleermuisonderzoek (Netwerk Groene Bureaus, 2017). Dit houdt in dat afhankelijk van de potentiële functies er in de periode april tot en met september een aantal veldbezoeken uitgevoerd dient te worden.

Vervolgens kan aan de hand van de onderzoeksresultaten worden vastgesteld of er overtredingen plaats zullen vinden bij de uitvoering van het project. Bij het aantreffen van verblijfplaatsen van vleermuizen is bij de voorgenomen werkzaamheden overtreding van de Wet natuurbescherming naar verwachting niet te vermijden en is daarom een ontheffingsaanvraag aan de orde. Door het treffen van maatregelen zal de functionaliteit van een rust- of verblijfplaats behouden moeten worden en zal schade aan individuen moeten worden voorkomen. Deze maatregelen, omschreven in een projectplan, dienen vervolgens ter goedkeuring worden voorgelegd aan de provincie Gelderland, middels een ontheffingsaanvraag.

Rapport 10485.001 versie D1

Pagina 17 van 23

6.3

Algemene grondgebonden zoogdieren en amfibieën

De werkzaamheden kunnen verstorend werken voor algemene zoogdieren en amfibieën die zich op de onderzoekslocatie bevinden. Door de werkzaamheden kunnen dieren gewond raken of worden gedood. Voor de te verwachten soorten geldt, op grond van het provinciale soortenbeleid, bij ruimtelijke ontwikkelingen een vrijstelling van de Wet natuurbescherming, waardoor geen ontheffing hoeft te worden aangevraagd. Het is echter in het kader van de zorgplicht wel noodzakelijk om voldoende zorg te dragen voor de aanwezige individuen en al het redelijkerwijs mogelijke dient gedaan te worden om het doden van individuen te voorkomen. Het doden of verwonden kan plaatsvinden indien schuil- of voortplantingslocaties worden beschadigd. Dit kan door het verwijderen van stenenstapels, takkenhopen, bladeren en andere materialen die door langdurige opslag of aanwezigheid schuilplaatsen bieden. Het verwijderen van de materialen dient daarom buiten de gevoelige periode van winterrust plaats te vinden. Aanwezige dieren moeten de gelegenheid krijgen om veilig weg te komen. 6.4

Overige soort(groep)en

Overtredingen van de Wet natuurbescherming ten aanzien van beschermde soorten behorend tot de overige soortgroepen zijn wegens het ontbreken van geschikt habitat/verblijfsmogelijkheden, op basis van verspreidingsgegevens, de aanwezigheid van voldoende alternatieven en/of gezien de aard van de ingreep in dit geval niet aan de orde.

Rapport 10485.001 versie D1

Pagina 18 van 23

7

TOETSING AAN GEBIEDENBESCHERMING

In algemene zin kan er door een plan sprake zijn van negatieve gevolgen vanuit natuurwetgeving beschermde gebieden. In dit hoofdstuk wordt beschreven voor welke gebieden er mogelijk sprake is van negatieve effecten als gevolg van de voorgenomen ingrepen op de onderzoekslocatie. Verder wordt beschreven of een vervolgtraject noodzakelijk is en wat de eventuele consequenties zijn ten aanzien van vergunningen. 7.1

Natura 2000

De onderzoekslocatie is niet gelegen binnen de grenzen, of in de directe nabijheid van een gebied dat aangewezen is als Natura 2000. Het meest nabijgelegen Natura 2000-gebied, Loevestein, Pompveld & Kornsche Boezem, bevindt zich op circa 8,1 kilometer afstand ten noordwesten van de onderzoekslocatie (zie figuur 17).

Figuur 17. Ligging onderzoekslocatie ten opzichte van Natura 2000 (blauw en rood gearceerd).

De onderzoekslocatie is niet gelegen binnen een Natura 2000-gebied. Indien er sprake zou zijn van een effect, betreft dit een extern effect, zoals toenamen van geluid, licht of depositie van stikstof. De initiatiefnemer heeft aangegeven dat de effecten van een mogelijke toename van stikstof door een andere partij worden getoetst. Toetsing van mogelijke effecten door stikstofdepositie maakt daarom geen onderdeel uit van deze rapportage. Overige externe effecten als gevolg van de voorgenomen plannen op de onderzoekslocatie zijn, gezien de afstand (± 8,1 km) tot de meest nabijgelegen Natura 2000-gebieden in combinatie met de aard van de plannen (sloop en woningbouw) niet te verwachten. Vervolgonderzoek in het kader van de gebiedsbeschermingsparagrafen uit de Wet natuurbescherming wordt niet noodzakelijk geacht.

Rapport 10485.001 versie D1

Pagina 19 van 23

7.2

Natuurnetwerk Nederland

De onderzoekslocatie maakt geen deel uit van het Natuurnetwerk. De onderzoekslocatie ligt echter wel in de nabijheid van een gebied, behorend tot het Natuurnetwerk Nederland. Het meest nabijgelegen gebied bevindt zich direct ten zuiden van de onderzoekslocatie. Het betreft de Afgedamde Maas. In figuur 18 is de ligging van de onderzoekslocatie ten opzichte van het Natuurnetwerk Nederland weergegeven.

Figuur 18. Ligging onderzoekslocatie ten opzichte van het Natuurnetwerk Nederland (donkergroen) en de Groene Ontwikkelingszone (lichtgroen).

Het Gelders Natuurnetwerk betreft planologische bescherming van de functie natuur. Dit betekent dat geen andere bestemming mogelijk is dan de bestemming natuur. Omdat met de voorgenomen ingreep de bestemming van het Gelders Natuurnetwerk niet wordt aangetast, zijn verdere vervolgstappen niet noodzakelijk.

Rapport 10485.001 versie D1

Pagina 20 van 23

8

HOUTOPSTANDEN

De Wet natuurbescherming beschermt bos van minimaal 10 are en bomenrijen van minimaal 21 bomen, gelegen buiten de bebouwde kom (de zogenaamde 'houtopstanden'). Het is verboden deze houtopstanden geheel of gedeeltelijk te vellen zonder voorafgaande melding bij gedeputeerde staten. In dit hoofdstuk wordt beschreven of er bij de voorgenomen kap sprake is van meldingsplicht en herplantplicht conform artikel 4.2 en artikel 4.3 van de Wet natuurbescherming. Verder wordt beschreven of er vervolgmaatregelen getroffen dienen te worden ten behoeve van de voorgenomen houtkap. De bomen op de onderzoekslocatie vallen niet onder de definitie houtopstanden, als bedoeld in paragraaf 4.1 van de Wet natuurbescherming. De te vellen bomen op de onderzoekslocatie betreft een houtopstand op erven of in tuinen. Voor deze houtopstand geldt geen meldingsplicht en herplantplicht.

Rapport 10485.001 versie D1

Pagina 21 van 23

9

SAMENVATTING EN CONCLUSIES

Econsultancy heeft in opdracht van Milieutechnisch adviesburo De Bruin een quickscan flora en fauna uitgevoerd aan de Kapelstraat (ong.) te Nederhemert. De quickscan flora en fauna is uitgevoerd in het kader van de voorgenomen woningbouw op de onderzoekslocatie, alsmede een bestemmingsplanwijziging. Het onderzoek heeft tot doel om in te schatten of er op de onderzoekslocatie planten- en diersoorten, gebieden of houtopstanden aanwezig zijn die volgens de Wet natuurbescherming een beschermde status hebben en die mogelijk negatieve gevolgen kunnen ondervinden door de voorgenomen ingreep. De initiatiefnemer is voornemens op de onderzoekslocatie circa 108 nieuwbouwwoningen te realiseren. Ten behoeve van de nieuwbouw zal alle bestaande bebouwing worden gesloopt en zullen op de onderzoekslocatie aanwezige bomen en struiken worden verwijderd ten behoeve van het bouwrijp maken. De aanwezigheid van geschikt habitat op de onderzoekslocatie voor de verschillende soorten en soortgroepen is weergegeven in tabel I. In de tabel is samengevat of de voorgenomen ingreep mogelijk verstorend kan werken en wat de consequenties zijn voor eventuele vervolgstappen, zoals soortgericht nader onderzoek of vergunningtrajecten. In de tabel is weergegeven of maatregelen noodzakelijk zijn om overtreding van de Wet natuurbescherming voor bepaalde soortgroepen te voorkomen. Tabel I.

Overzicht geschiktheid onderzoekslocatie voor soortgroepen en te nemen vervolgstappen Soortgroep

Geschikt habitat

Ingreep verstorend

Nader onderzoek

Ontheffingsaanvraag

algemeen

ja

ja

nee

nee

jaarrond beschermd

ja

mogelijk

ja

mogelijk

Nader onderzoek naar huismussen en gierzwaluwen in gebouw 6 is noodzakelijk. Daarnaast maakt de onderzoekslocatie deel uit van de functionele leefomgeving van steenuil. Middels nader onderzoek moet vastgesteld worden in hoeverre er sprake is van overtreding van de Wet natuurbescherming en of er maatregelen noodzakelijk zijn. Ook dient de nok van gebouw 2 geïnspecteerd te worden op gebruik door steenuilen.

verblijfplaatsen

ja

mogelijk

ja

mogelijk

Gebouw 6 is geschikt voor gebouwbewonende vleermuizen, nader onderzoek in de periode april-oktober is noodzakelijk om de functie van de bebouwing voor de soort vast te stellen.

foerageergebied

ja

nee

nee

nee

-

vliegroutes

nee

nee

nee

nee

-

Grondgebonden zoogdieren

ja

mogelijk

nee

nee

aandacht voor zorgplicht ten aanzien van algemene soorten

minimaal

mogelijk

nee

nee

aandacht voor zorgplicht ten aanzien van algemene soorten

nee

nee

nee

nee

-

Broedvogels

Vleermuizen

Amfibieën

Overige soortgroepen

Rapport 10485.001 versie D1

Bijzonderheden / opmerkingen*

het verwijderen van nestgelegenheden buiten het broedseizoen uitvoeren

Pagina 22 van 23

Gebiedsbescherming

Gebied aanwezig

Ingreep verstorend

Nader onderzoek

Vergunningplicht

Natura 2000

8,1 km

nee

nee

nee

Stikstof maakt geen onderdeel uit van deze toetsing, overige externe effecten zijn uit te sluiten.

Natuurnetwerk Nederland

50 m

nee

nee

nee

Bestemming GNN en GO wordt niet gewijzigd

Houtopstanden

N.v.t.

-

* Wijzigingen in het planvoornemen kunnen van invloed zijn op de uitkomst van het onderzoek.

Conclusie Het woonhuis aan de Kapelstraat 8 (gebouw 6), is in potentie geschikt voor huismussen, gierzwaluwen en gebouwbewonende vleermuizen. Bij sloop- of renovatiewerkzaamheden is er mogelijk sprake van overtreding van de Wet natuurbescherming. Om vast te stellen wat de functie van de bebouwing is voor deze soorten is aanvullend onderzoek noodzakelijk. Aanvullend onderzoek voor huismussen betreffen twee veldbezoeken in de periode april-15 mei, aanvullend onderzoek naar gierzwaluwen betreft 3 veldbezoeken in de periode 15 mei tot 15 juli en aanvullend onderzoek naar vleermuizen betreft 5 veldbezoeken tussen 15 april en 1 oktober. Daarnaast is er tijdens de quickscan een steenuil vastgesteld op de onderzoekslocatie. De onderzoekslocatie maakt deel uit van de functionele leefomgeving van de soort. Aanvullend onderzoek zal moeten aantonen in hoeverre leefgebied wordt aangetast, waar mogelijke nestplaatsen zich bevinden en wat uitwijkmogelijkheden zijn, ofwel hoeveel geschikt leefgebied in de omgeving bezet is door andere steenuilen. Het aanvullend onderzoek zal plaats moeten vinden middels drie veldbezoeken tussen 1 februari en 30 april, met een tussenliggende periode van minimaal 1 maand tussen het eerste en derde veldbezoek. Daarnaast zal een veldbezoek overdag plaatsvinden (een buurtonderzoek) om de mogelijke nestplaats te kunnen achterhalen.

Op basis van de resultaten van het veldbezoek kan een mitigatieplan worden opgesteld en kan worden vastgesteld of een ontheffing noodzakelijk is voor de aantasting van functioneel leefgebied. De nok van gebouw 2 is in potentie geschikt als vaste rust- en voortplantingsplaats voor steenuilen. Middels een inspectie met endoscoopcamera en/of zaklamp kan aangetoond worden of de nok in gebruik als vaste rust- of voortplantingsplaats door steenuilen. Deze inspectie kan gecombineerd worden met het overige aanvullende onderzoek naar steenuilen. Tot slot dient de zorgplicht in acht te worden genomen ten aanzien van algemene amfibieën en grondgebonden zoogdieren. Al het redelijkerwijs mogelijke dient gedaan te worden om doden en verwonden te voorkomen. Dit kan door het zorgvuldig, en buiten de gevoelige periodes, verwijderen van materialen zoals struiken en takkenhopen.

Econsultancy Doetinchem, 19 februari 2020

Rapport 10485.001 versie D1

Pagina 23 van 23

GERAADPLEEGDE BRONNEN Limpens H., Regelink J. (2017). Vleermuizen en planologie. Zoogdiervereniging, Nijmegen. Ministerie van Economische Zaken 2016. Soortenbescherming bij ruimtelijke ingrepen. Lees hier wat de Wet natuurbescherming daarover regelt. Versie 1.3, december 2016. Ministerie van Economische Zaken, Den Haag. Nationale Database Flora en Fauna (NDFF), uitvoerportaal; https://ndff-ecogrid.nl, zoekgebied Nederhemert, periode 2010-2020 www.sovon.nl (soortgegevens vogels) www.synbiosys.alterra.nl/natura2000/ (Natura 2000-gebieden en Beschermde Natuurmonumenten) www.verspreidingsatlas.nl/ (verspreidingsgegevens NDFF) www.gelderland.nl (GNN en beschermde gebieden in Gelderland) www.gelderland.nl/Kaartenencijfers

Rapport 10485.001 versie D1

Bijlage 1 toelichting verbodsbepalingen Wet natuurbescherming Zorgplicht Het eerste artikel in de Wet natuurbescherming heeft betrekking op de zorgplicht en heeft betrekking op het voorkomen of beperken van schade aan soorten en gebieden, voor zover deze niet middels overige verbodsbepalingen zijn gereguleerd (zie tabel II). Het gaat daarbij in de praktijk vooral om minder streng beschermde soorten, waarbij het onnodig doden, verwonden of beschadigen dient te worden vermeden. Tabel II. Zorgplicht Artikel 1.11. Zorgplicht 1.

Een ieder neemt voldoende zorg in acht voor Natura 2000-gebieden, bijzondere nationale natuurgebieden en voor in het wild levende dieren en planten en hun directe leefomgeving. De zorg houdt in elk geval in dat een ieder die weet of redelijkerwijs kan vermoeden dat door zijn handelen of nalaten nadelige gevolgen kunnen worden veroorzaakt voor een Natura 2000-gebied, een bijzonder nationaal natuurgebied of voor in het wild levende dieren en planten: a) dergelijke handelingen achterwege laat, dan wel, b) indien dat achterwege laten redelijkerwijs niet kan worden gevergd, de noodzakelijke maatregelen treft om die gevolgen te voorkomen, of c) voor zover die gevolgen niet kunnen worden voorkomen, deze zoveel mogelijk beperkt of ongedaan maakt.

2.

Overtreding van de zorgplicht is niet strafbaar gesteld; “de zorgplicht kan wel door toepassing van bestuursdwang worden gehandhaafd”. Deze formulering van de zorgplicht brengt met zich mee dat wanneer men een bepaalde handeling wilt verrichten die gevolgen voor natuurwaarden zou kunnen hebben, men zich daaraan voorafgaand op de hoogte stelt van de aanwezige natuurwaarden, de kwetsbaarheid ervan en de mogelijke gevolgen daarvoor van het voorgenomen handelen. De zorgplicht is te allen tijde van toepassing, ook al vindt er geen overtreding van een verbodsbepaling plaats. Indien er aanleiding is maatregelen te nemen ten aanzien van de zorgplicht, zal dat voor het betreffende beschermde natuurgebied en de betreffende soortgroep in deze rapportage worden aangegeven. Soortenbescherming De Wet natuurbescherming onderscheidt beschermingsregimes voor soorten op grond van internationale verdragen, aangevuld met soorten die vanuit een nationaal oogpunt beschermd worden. Hierdoor zijn er in de Wet natuurbescherming drie verschillende verbodsartikelen per categorie soorten; • • •

soorten van de Vogelrichtlijn (artikel 3.1); soorten van de Habitatrichtlijn en de verdragen van Bern en Bonn (artikel 3.5); andere soorten (artikel 3.10).

In tabel III t/m V worden deze artikelen nader toegelicht.

Rapport 10485.001 versie D1

Tabel III. Verbodsbepalingen en toelichting Artikel 3.1 Wet natuurbescherming Artikel 3.1. Soorten van de Vogelrichtlijn 1.

Het is verboden opzettelijk van nature in Nederland in het wild levende vogels van soorten als bedoeld in artikel 1 van de Vogelrichtlijn te doden of te vangen. Het is verboden opzettelijk nesten, rustplaatsen en eieren van vogels als bedoeld in het eerste lid te vernielen of te beschadigen, of nesten van vogels weg te nemen. Het is verboden eieren van vogels als bedoeld in het eerste lid te rapen en deze onder zich te hebben. Het is verboden vogels als bedoeld in het eerste lid opzettelijk te storen. Het verbod, bedoeld in het vierde lid, is niet van toepassing indien de storing niet van wezenlijke invloed is op de staat van instandhouding van de desbetreffende vogelsoort.

2. 3. 4. 5.

Toelichting Alle inheemse vogelsoorten in Nederland vallen onder de Vogelrichtlijn. De Vogelrichtlijn is een richtlijn vanuit de Europese Unie uit 1979 en heeft betrekking op de instandhouding van alle natuurlijk in het wild levende vogelsoorten op het Europese grondgebied van de Lidstaten waarop het Verdrag van toepassing is. De lijst met soorten is niet limitatief.

Tabel IV. Verbodsbepalingen en toelichting Artikel 3.5 Wet natuurbescherming Artikel 3.5. In het wild levende dieren van soorten, genoemd in bijlage IV, onderdeel a, bij de Habitatrichtlijn, bijlage II bij het Verdrag van Bern of bijlage I bij het Verdrag van Bonn

1. 2. 3. 4. 5.

Het is verboden in het wild levende dieren van deze soorten in hun natuurlijk verspreidingsgebied opzettelijk te doden of te vangen. Het is verboden dieren als bedoeld in het eerste lid opzettelijk te verstoren. Het is verboden eieren van dieren als bedoeld in het eerste lid in de natuur opzettelijk te vernielen of te rapen. Het is verboden de voortplantingsplaatsen of rustplaatsen van deze dieren te beschadigen of te vernielen. Het is verboden planten van soorten uit de Habitatrichtlijn of het Verdrag van Bern in hun natuurlijke verspreidingsgebied opzettelijk te plukken en te verzamelen, af te snijden, te ontwortelen of te vernielen.

Toelichting Het gaat bij artikel 3.5 over in het wild levende dieren van verschillende soortgroepen. In de wet wordt voor vogelsoorten uit bijlage II van het verdrag van Bern geen uitzondering gemaakt. Van de vogelsoorten die in Nederland voorkomen is hieronder een selectie gemaakt. Van de overige soortengroepen zijn alle soorten genoemd. Soorten Planten

drijvende waterweegbree, groenknolorchis, kruipend moerasscherm, zomerschroeforchis

Zoogdieren

bever, hamster, hazelmuis, lynx, Noordse woelmuis, otter, wolf, wilde kat

Walvisachtigen

bruinvis, bultrug, butskop (hille), dwergpotvis, dwergvinvis, gestreepte dolfijn, gewone dolfijn, gewone spitsdolfijn, gewone vinvis, griend, grijze dolfijn, kleine zwaardwalvis, narwal, Noordse vinvis, orka, potvis, spitsdolfijn van Gray, tuimelaar, walrus witflankdolfijn, witsnuitdolfijn, witte dolfijn

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/10507155/1