Bijlage 2. Bijlagen bestemmingsplan Bruchem, Molenstraat naast 1
Tekst van het document
Keur
Voor alle handelingen aan of in de nabijheid van een watergang zoals: dempen, graven, bouwen, onttrekken, lozen etc. is in het kader van de keur een vergunning van het waterschap benodigd en zal in overleg aangevraagd moeten worden. Ten aanzien van het beoogde planvoornemen zullen zeer waarschijnlijk voor de onderstaande onderdelen een watervergunning worden aangevraagd of geldt tenminste een meldingsplicht:
Toename verhard oppervlak; Lozen van hemelwater op het oppervlaktewater; Het graven van water; Vergroten duiker7 Tijdelijke grondwateronttrekkingen;8 Tijdelijke lozingen van bemalingswater.8
. 7 8
Bij de opwaardering van C- naar B-water dient de duiker vergroot te worden. Voor de aanleg van de nieuwe duiker is een vergunning nodig (algemene regel WT 7, dam met duiker). Een watervergunning moet worden aangevraagd indien er meer dan 100m 3/h wordt onttrokken en/of de onttrekking langer dan een half jaar en/of op meer dan 9 meter diepte plaatsvindt.
Rapport 15960.001 versie D4
Pagina 15 van 16
6.4
Riolering
Ten aanzien van de toekomstige situatie zal de ontwikkeling zorgen voor een verandering in het aanbod van vuilwater op het riool. Voor de berekening van het toekomstige aanbod en eventuele toename hierin, is voor de berekening uitgegaan van een gemiddeld verbruik van 120 liter per dag geproduceerd per IE. Per woning wordt uitgegaan van een gemiddelde woningbezetting van 2,5 bewoners. Dit betekent dat er dus 2,5 x 120 liter = 300 liter per dag per woning wordt geloosd. Conform het planontwerp zullen er in totaal 10 woningen worden gerealiseerd. Dit komt overeen met een aanbod c.q. toename van circa 3 m³/dag. De berekening is gebaseerd op basis van aannames en betreft derhalve een indicatie van hoeveelheden. Het vuilwater (zogenaamde droogweerafvoer; DWA) zal in de toekomstige situatie worden aangesloten op het bestaande rioleringsstelsel in de omgeving. De mogelijkheden en wijze van aansluiting zal in overleg met de gemeente besproken moeten worden. Tevens zal voor de aansluiting een vergunning aangevraagd moeten worden. 7
CONCLUSIE
Op basis van de randvoorwaarden en uitgangspunten is de ontwikkeling in zowel ruimte als tijd waterneutraal uit te voeren. Er worden dan ook vanuit het oogpunt van de waterhuishouding geen belemmering verwacht ten aanzien van de bestemmingswijziging.
Econsultancy Boxmeer, 20 maart 2023
Rapport 15960.001 versie D4
Pagina 16 van 16
Bijlage 1
Topografische ligging
Schaal 1:25.000 Deze kaart is noordgericht
Bijlage 2
Gegevens locatiespecifieke onderzoeken
Bijlage 3
Boring:
PB200
Boring:
PB201
Datum:
13-8-2013
Datum:
13-8-2013
GWS:
140
GWS:
140
0 -5
0
50
-50
100
-100
grind Zand, zeer fijn, matig siltig, matig grindhoudend, matig puinhoudend, geen olie-water reactie, neutraalbruin, Edelmanboor Klei, matig siltig, geen olie-water reactie, neutraalbruin, Edelmanboor Klei, zwak siltig, matige olie-water reactie, neutraal grijsblauw, Edelmanboor
-150
150
Klei, zwak siltig, zwakke olie-water reactie, neutraal grijsblauw, Edelmanboor
200
-250
Klei, matig zandig, zwakke olie-water reactie, neutraal grijsblauw, Edelmanboor
300
350
-350
400
-400
450
-450
Klei, matig zandig, geen olie-water reactie, neutraal grijsblauw, Edelmanboor Zand, matig fijn, zwak siltig, geen olie-water reactie, donker grijsgrijs, Pulsboor Zand, matig fijn, zwak siltig, geen olie-water reactie, donker grijsgrijs, Zuigerboor
500
1
Projectcode: B13.5347 getekend volgens NEN 5104
50
-550
braak Klei, zwak siltig, matig humeus, zwak puinhoudend, zwak wortelhoudend, geen olie-water reactie, neutraal beigebruin, Edelmanboor
100 -120
Klei, zwak zandig, geen olie-water reactie, neutraal beigegrijs, Edelmanboor
150
-200
200
250
550
0
0
Klei, matig siltig, geen olie-water reactie, neutraal beigegrijs, Edelmanboor
250 1
-290
Bijlage 3
Boring:
PB202
Boring:
PB203
Datum:
13-8-2013
Datum:
13-8-2013
GWS:
150
GWS:
110
0
0
-10
grind
0
0
50
-50
Volledig puin -50
50
Klei, matig siltig, geen olie-water reactie, neutraalbeige, Edelmanboor
100
puin Volledig puin, geen olie-water reactie, Edelmanboor
Klei, matig siltig, zwak humeus, geen olie-water reactie, donkergrijs, Edelmanboor
100 1
150
-150
Klei, matig siltig, geen olie-water reactie, donkergrijs, Edelmanboor
1
200
-250
300
-300
getekend volgens NEN 5104
-150
Klei, matig siltig, geen olie-water reactie, neutraalgrijs, Edelmanboor
200
250
Projectcode: B13.5347
150
Klei, matig siltig, geen olie-water reactie, neutraalgrijs, Edelmanboor
250
-260
Bijlage 3 Schetsontwerp Molenstraat 5
----- Exploitatiegebied Niet over te dragen openbaar gebied
Bijlage 4
Resultaten digitale watertoets
datum 7-5-2021 dossiercode 20210507-9-26392
Projectomschrijving Molenstraat Bruchem
Algemene projectgegevens Plannaam: 15960.001 Adres: Molenstraat -, Bruchem Gemeente: Zaltbommel Het plan is ingediend door: M van Meijel Econsultancy Oppervlakte plangebied: 2597 Geachte lezer, U heeft het waterschap geïnformeerd over het plan 15960.001aan de Molenstraat - in Bruchem via de website www.dewatertoets.nl. Uit de toets blijkt dat u de gangbare watertoetsprocedure moet volgen. Dit betekent dat er nader overleg plaats moet vinden met Waterschap Rivierenland. Het waterschap wil vroegtijdig met u meedenken, u informeren en u adviseren over de waterhuishoudkundige aspecten van uw plan [Molenstraat Bruchem]. Het waterschap beoordeelt of het waterbelang voldoende gewaarborgd is. Deze uitgangspuntennotitie is onderdeel van de watertoetsprocedure. Deze uitgangspuntennotitie vormt de start voor uw overleg met het waterschap. De notitie is automatisch opgesteld op basis van uw antwoorden en uw ingetekende plangebied. Waterschap Rivierenland geeft in deze uitgangspuntennotitie aan welke wateraspecten van belang zijn voor uw ruimtelijke plan. De gemeente draagt ook zorg voor aspecten van de waterhuishouding. Daarom is het belangrijk om uw plan ook met hen af te stemmen. U kunt contact opnemen met uw accountmanager van Waterschap Rivierenland voor overleg. De contactinformatie vindt u aan het einde van deze uitgangspuntennotitie.
Beleid Waterschap Rivierenland Het waterbeheerprogramma is bepalend voor het beleid van Waterschap Rivierenland en wordt iedere zes jaar geactualiseerd. Het plan omvat alle watertaken van het waterschap op gebied van waterveiligheid, afvalwaterzuivering, schoon en voldoende water. Daarnaast beschikt het waterschap over een verordening: de Keur. In de Keur staan regels voor de bescherming van onder andere waterkeringen, watergangen en bijhorende kunstwerken. In de Alblasserwaard en de Vijfheerenlanden beheert het waterschap ook wegen buiten de bebouwde kom (geen Rijks- of provinciale wegen). Hier is de Keur ook op van toepassing. De werkzaamheden in of nabij de watergangen, waterkeringen en wegen in beheer bij het waterschap worden getoetst aan de regels in de Keur. Voor het uitvoeren van werkzaamheden kan een watervergunning nodig zijn. Klimaatadaptatie Water en ruimtelijke ordening zijn onlosmakelijk met elkaar verbonden, zeker in ons veranderende klimaat. Extreme buien worden steeds vaker afgewisseld met perioden van droogte. We blijven ernaar streven om voldoende water van voldoende kwaliteit beschikbaar te hebben. Het waterschap heeft samen met de gemeenten de taak om te zorgen voor een klimaatbestendige inrichting van onze leefomgeving. Dit kunnen we niet alleen. U kunt een bijdrage leveren door uw plan zo klimaatbestendig mogelijk in te richten.
Denk bijvoorbeeld aan groene daken of natuurvriendelijke oevers. De kwaliteit van de leefomgeving of de biodiversiteit kan zo worden vergroot. Op de website ( https://nl.urbangreenbluegrids.com/bouwadaptief/) kunt u zich laten inspireren door klimaatadaptatieve projecten en vindt u een overzicht van mogelijke maatregelen. Waterveiligheid Om ons te beschermen tegen hoogwater beheert en onderhoudt het waterschap de waterkeringen (zoals bijvoorbeeld dijken) in ons rivierengebied. Nieuwe plannen mogen onze waterveiligheid niet in gevaar brengen. Daarom staan in de Keur beperkingen voor bouwen en andere activiteiten op en langs waterkeringen. Er ligt geen waterstaatswerk of beschermingszone in uw plangebied. De regels uit de Keur over activiteiten op en langs waterkeringen zijn voor u niet van toepassing. Grondwater (algemeen)
Waterschap Rivierenland is verantwoordelijk voor het waterpeil in sloten en vaarten. Dit peil heeft indirect effect op het grondwaterpeil. Gemeenten moeten overlast door te veel of te weinig grondwater beperken. Particulieren zijn verantwoordelijk voor het grondwater op hun perceel. Drooglegging Drooglegging is de maat waarop het maaiveld, het straatniveau of het bouwpeil boven het oppervlaktewaterpeil ligt. We adviseren voor het maaiveld een drooglegging van 0,70 meter, voor het straatpeil een drooglegging van 1,00 meter en voor het bouwpeil een drooglegging van 1,30 meter. Zo voorkomt u overlast door grondwater. We adviseren om onderzoek te doen in gebieden waar overlast door grondwater bekend is of waar hoge grondwaterstanden voorkomen. U kunt maatregelen nemen om overlast te voorkomen. Voorbeelden van maatregelen zijn het ophogen van het maaiveld of bouwen zonder kruipruimte. Infiltreren Het is wenselijk dat uw plan grondwaterneutraal is. Dit kan door hemelwater te infiltreren. U houdt zo water vast voor drogere perioden. Dit kan alleen in gebieden waar de grondwaterstanden en de bodemopbouw dat toelaten. Het zijn de hogere gronden met een goede doorlatendheid. Onze accountmanager kan u hierover adviseren. Met een infiltratieonderzoek kunt u (laten) onderzoeken of en op welke wijze infiltratie kan plaatsvinden.
Watercompensatie Aanleg van nieuw verhard oppervlak leidt tot versnelde afvoer van hemelwater naar watergangen. Om te voorkomen dat hierdoor wateroverlast ontstaat, kan aanleg van extra waterberging noodzakelijk zijn. Zo wordt het verlies van berging in de bodem gecompenseerd.
Eenmalige vrijstelling Binnen uw plan neemt de verharding toe. U zult moeten compenseren voor het verlies aan waterberging. Het is mogelijk dat u voor een eenmalige vrijstelling van de compensatieplicht in aanmerking komt. De eenmalige vrijstelling geldt bij een toename in verharding van minder dan 500 m² in stedelijk gebied en minder dan 1500 m² in landelijk gebied. Zo voorkomen we dat individuele bewoners moeten compenseren voor voorzieningen zoals serres, tuinschuurtjes, etc. Op sommige locaties is het onwenselijk om de vrijstelling in te zetten, omdat bijvoorbeeld de waterhuishoudkundige situatie dan zou verslechteren. Compenserende waterberging is dan wel nodig. Bespreek dit met de betreffende accountmanager van het waterschap. Is de toename in verharding groter dan 500 m² in stedelijk gebied of groter dan 1500 m² in landelijk gebied dan is het mogelijk dat de vrijgestelde oppervlaktes in mindering worden gebracht. Neemt in uw plan de verharding bijvoorbeeld toe met 600 m² in stedelijk gebied, dan hoeft u met de vrijstelling maar voor 100 m² te compenseren. We gaan ervan uit dat gemeenten en organisaties deze vrijstelling op een eerder moment binnen ons beheergebied hebben ingezet. Zij hebben hier dan geen recht meer op hebben. U kunt contact opnemen met de afdeling vergunningen (vergunningen@wsrl.nl) van het waterschap om deze vrijstelling aan te vragen.
U moet compenserende maatregelen nemen als u niet in aanmerking komt voor de vrijstelling of als u de vrijgestelde oppervlaktes overschrijdt. U zult daarover nadere afspraken moeten maken. Bespreek dit met uw accountmanager van het waterschap. Berekenen benodigde watercompensatie De benodigde ruimte voor waterberging wordt berekend op basis van de toename van verhard oppervlak, maatgevende regenbuien en de maximaal toelaatbare peilstijging in de watergangen. De vuistregel is dat er 436m³ waterberging nodig is per hectare nieuw verhard oppervlak. De maximaal toelaatbare peilstijging bedraagt 0,20 meter in het gebied Alblasserwaard en Vijfheerenlanden. In de rest van het beheergebied van Waterschap Rivierenland geldt een maximaal toelaatbare peilstijging van 0,30 meter. Dit geldt voor plannen met een toename van verhard oppervlak tot 5.000 m2. De vuistregel geldt alleen bij waterberging in open water en als er geen sprake is van complicerende zaken (bijvoorbeeld kwel). In stedelijk gebied kan waterberging ook worden gerealiseerd via een waterbergingsbank (indien beschikbaar). Plannen met een toename van het verhard oppervlak in stedelijk gebied tot 1500 m2komen hiervoor in aanmerking. Voor plannen met meer dan 5000m² extra verharding wordt een aparte berekening gevraagd. Dit geldt ook voor plannen die waterhuishoudkundig complex zijn.
Hierbij worden de volgende berekeningsuitgangspunten gehanteerd: � De maatgevende afvoer door de watergangen is 1,5 l/s/u. Dit is ook de afvoer die de watergangen in het landelijk gebied nog net
aankunnen.
� Bij een regenbui die eenmaal per 100 jaar kan voorkomen met 10% opslag vanwege de klimaatverandering (T=100+10%) mag er geen
inundatie optreden.
� Bij een regenbui die eenmaal per 10 jaar optreedt met 10% opslag vanwege klimaatverandering (T=10+10%) moet er voor het
straatpeil nog een drooglegging van 1,00 m zijn ten opzichte van zomerpeil.
Voorkeursvolgorde aanleg watercompensatie
Bij de keuze van het soort bergingsvoorziening hanteert het waterschap de voorkeursvolgorde vasthouden-bergen-afvoeren: � Hergebruik en/of vasthouden
Hierbij wordt het hemelwater binnen het plangebied verzameld en komt niet (direct) in het oppervlaktewater terecht. Dit kan bijvoorbeeld met groene polderdaken en wadi s. Het ontwerp-, beheer- en onderhoudsaspect spelen een belangrijke rol bij deze voorzieningen. De initiatiefnemer dient aantoonbaar te maken dat de gerealiseerde berging kan blijven functioneren. Op hoge zandgronden met een lage grondwaterstand heeft infiltratie onze voorkeur. De gemiddelde hoogste grondwaterstand (GHG) komt niet hoger dan 50 cm onder het maaiveld. U kunt de attentiekaart infiltratie met daarop kansrijke gebieden voor infiltratie bij onze accountmanager opvragen. Buiten deze gebieden is infiltratie ook mogelijk, zolang de gemiddelde hoogste grondwaterstand niet hoger komt dan 50 cm onder maaiveld. In kwelgevoelige gebieden hanteren we de gemiddeld hoogste stijghoogte, omdat het grondwater in de winter (als de rivierstanden hoog zijn) hoger onder het maaiveld komt. De gemiddeld hoogste stijghoogte mag niet hoger komen dan 50 cm onder maaiveld. Infiltratie vindt bij voorkeur plaats in de openbare ruimte (openbaar groen, bermen, etc.). In overleg met de accountmanager kan hiervan worden afgeweken. � Bergen
Onder bergen verstaan we de opvang van hemelwater in het oppervlaktewater. Het hemelwater van het plangebied wordt opgevangen in het oppervlaktewater. Hier heeft het graven van nieuw oppervlaktewater de voorkeur boven het vergroten van bestaand water. Bij gebruik van bestaand water gaat de voorkeur uit naar watergangen die niet door Waterschap Rivierenland worden onderhouden. In het algemeen geldt dat compensatie in B-watergangen de voorkeur heeft boven compensatie in A-watergangen. Als de aanvrager kan aantonen dat compensatie in een B- of A-water redelijkerwijs niet mogelijk is, kan het waterschap ook compensatie in bestaande of nieuwe C-wateren toelaten. Bij aanleg of aanpassing van watergangen is het van belang rekening te houden met de bereikbaarheid voor onderhoud, in- en uitlaatplaatsen voor maaiboten en opslagmogelijkheden voor slootvuil en kroos. Om water van voldoende waterkwaliteit te houden (of krijgen), is ook het zelfreinigend vermogen van het watersysteem van belang. Dit wordt bevorderd door rekening te houden met voldoende waterdiepte (streven is 1 meter of juist droogvallend) en voldoende oevervegetatie (taludschuinte minimaal 1:2 of flauwer). Hierbij wordt hemelwater afgevoerd via de riolering. � Afvoeren
Hierbij wordt hemelwater afgevoerd via de riolering. Watergangen Werkzaamheden in de watergang hebben invloed op de water aan- en afvoer, de waterberging of het onderhoud. Voor deze werkzaamheden geldt een vergunning- of meldplicht. A- en B-watergangen hebben een beschermingszone. De beschermingszone is in de legger opgenomen. De beschermingszone van een watergang is een obstakelvrije strook. Met deze zone wordt handmatig en/of machinaal onderhoud van de watergang vanaf de kant mogelijk gemaakt en wordt het talud beschermd. Bij A-watergangen is de beschermingszone minimaal 4 meter breed, gemeten uit de insteek. In de Alblasserwaard en Vijfheerenlanden en in het Land van Heusden en Altena is de beschermingszone minimaal 5 meter breed, gemeten uit de insteek. Bij B-watergangen is de beschermingszone minimaal 1 meter breed. C-watergangen hebben geen beschermingszone. Binnen het plangebied ligt een C-watergang. Ruimtelijke ontwikkelingen nabij een C-watergang kunnen aanleiding zijn voor een statuswijziging. Binnen het plangebied ligt geen A-watergang. Binnen het plangebied ligt geen beschermingszone van een A-watergang. Binnen het plangebied ligt geen B-watergang of een beschermingszone van een B-watergang.
Verbeelding We vragen u A-watergangen te bestemmen als Water. De beschermingszone van de watergangen hoeft niet te worden bestemd. Voor de boezemgebieden of het winterbed verzoeken we de dubbelbestemming Waterstaat Waterberging op te nemen. Waterkwaliteit (algemeen) Hieronder volgt een aantal algemene aandachtspunten die gelden voor verschillende ruimtelijke ontwikkelingen: � Gebruik geen uitlogende materialen zoals zink of koper. Zo komen deze materialen niet in de sloot terecht. Gebruikt u wel uitlogende
materialen, dan mag het dakwater niet rechtstreeks op de sloten worden geloosd.
� Bladeren van bladverliezende bomen langs het water komen vaak in het water terecht. Dit kan de waterkwaliteit negatief beïnvloeden.
U kunt de hoeveelheid bladafval in de watergang beperken door rekening te houden met de plaatsing van bomen.
� Neem de ecologische waarde mee in het ontwerp van een watergang, wadi, etc. Door aandacht te hebben voor de ecologische waarde,
vergroot u deze zonder al te veel moeite.
Riolering en zuiveringswerken Het rioolstelsel valt onder de verantwoordelijkheid van de gemeente. U kunt met uw gemeente contact op nemen voor het aansluiten van (nieuwe) woningen en bedrijven. Bij de herstructurering van bestaande woonwijken of herbouw van woningen is er de mogelijkheid om het rioolsysteem zodanig aan te passen dat hemelwater wordt afgekoppeld. Het uitgangspunt is dat hemelwater gescheiden wordt afgevoerd. Het
waterschap gaat bij nieuwbouw van woningen uit van een (duurzaam) gescheiden rioleringsstelsel. Hemelwater van terreinverhardingen stroomt bij voorkeur niet direct af op het oppervlaktewater. Het stroomt eerst door een berm, wadi of bodempassage om het water te filteren. Bij bedrijventerreinen wordt ernaar gestreefd om het hemelwater gescheiden van vuil water af te voeren. In het algemeen wordt gestreefd naar een verbeterd gescheiden rioleringsstelsel. In het plangebied ligt geen rioolwaterpersleiding van het waterschap.
Vervolgtraject Het is van belang om de accountmanager van het waterschap te betrekken bij het plan en rekening te houden met de in dit document aangegeven uitgangspunten en adviezen. Wij verzoeken u ons te informeren over de wijze waarop het plan verder zal worden voorbereid. Accountmanager Zaltbommel telefoon: e-mailadres: © Digitale Watertoets - www.dewatertoets.nl Dit document is gegenereerd via de website http://www.dewatertoets.nl//op basis van door u ingevulde gegevens. U bent akkoord gegaan met de door u ingevulde gegevens. Dit digitale advies heeft een geldigheid van 2 jaar.
www.dewatertoets.nl
Bijlage 5
Samenvatting digitale watertoets
datum 7-5-2021 dossiercode 20210507-9-26392 Samenvatting In deze paragraaf worden puntgewijs de resultaten van de toetsing samengevat. Tekenen: Heeft u een toetslaag geraakt? ja In welke gemeente ligt uw plangebied? Zaltbommel Vragen: Gaat het plan uitsluitend over functiewijziging van bestaande bebouwing zonder fysieke aanpassingen van de bebouwing en de ruimte? nee Gaat het ruimtelijk plan over activiteiten anders dan woningen, bedrijven of kleinschalige infrastructuur? nee Is uw totale plangebied groter dan 3500 m² ? nee Verwacht u een toename van verharding in het plan groter dan 500 m² in stedelijk gebied of 1500 m² in landelijk gebied? ja Afbeeldingen geraakte toetslagen
Afbeeldingen geraakte signaleringskaarten
www.dewatertoets.nl
BIJLAGE III
Rapport 22100499.r01 Woningbouw Molenstraat 5 in Bruchem Locatiespecifiek onderzoek spuitzone
www.SPAWNP.nl
BOUW - MILIEU - RUIMTE
Rapport 22100499.r01 Woningbouw Molenstraat 5 in Bruchem Locatiespecifiek onderzoek spuitzone
Datum: 7 december 2021
Woonstichting De Kernen De heer P. Meeuwis Postbus 13 5320 AA HEDEL p.meeuwis@dekernen.nl
Auteur/adviseur: De heer ing. D.J. Hobert
Goedgekeurd: De heer ing. L.F.A. Theuws
Klinkenbergerweg 30a | 6711 MK EDE | 0318 614 383 Vrijlandstraat 33-c | 4337 EA MIDDELBURG | 0118 227 466 Hoenderkamp 20 | 7812 VZ EMMEN | 0591 238 110
info@SPAWNP.nl | SPAWNP.nl ISO 9001:2015
| kvk 0909.2661 | btw NL8053.02.530.B01
DENKKRACHT
IN
Opdrachtgever:
SPA WNP ingenieurs
INHOUD
22100499.r01
PAGINA
1.
INLEIDING 1.1 Aanleiding 1.2 Ligging plangebied 1.3 Beoogde situatie
3 3 3 3
2.
KADER 2.1 Algemeen 2.2 Blootstellingsroutes 2.3 Spuitzone 2.4 Toelatingsprocedure 2.5 EFSA OPEX model 2.6 Ontwikkelingen
5 5 5 5 7 7 8
3.
LOCATIESPECIFIEKE SITUATIE 3.1 Huidige- en planologische situatie 3.2 Praktijksituatie 3.3 Gewasbeschermingsmiddelen
9 9 10 14
4.
BEOORDELING BLOOTSTELLINGSRISO’S EN GEZONDHEIDSEFFECTEN 4.1 EFSA model 4.2 Resultaten 4.3 Discussie 4.4 Advies
15 15 15 16 17
5.
CONCLUSIE EN AANBEVELING
18
BIJLAGEN 1
Literatuurlijst
2
Overzicht input berekeningen EFSA-model
Dit document is eigendom van de opdrachtgever en mag door hem/haar worden gebruikt voor het doel waarvoor het is opgesteld. Niets uit dit document mag worden vermenigvuldigd en/of openbaar gemaakt zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van de opdrachtgever en/of van SPA WNP ingenieurs. Kwaliteit en verbetering van product en proces zijn bij SPA WNP ingenieurs gewaarborgd middels een kwaliteitsmanagementsysteem dat is gecertificeerd volgens NEN-EN-ISO 9001:2015.
Pagina 2
SPA WNP ingenieurs
1.
INLEIDING
1.1
Aanleiding
22100499.r01
In opdracht van Woonstichting De Kernen is een locatiespecifiek onderzoek spuitzone uitgevoerd. Aanleiding is de beoogde woningbouw aan de Molenstraat 5 in Bruchem. In de directe omgeving van het plangebied bevindt zich op minder dan 50 meter afstand een boomgaard, waarop het gebruik van chemische gewasbeschermingsmiddelen niet is uitgesloten. Het doel van dit onderzoek is, te bepalen of de nieuwe woningen op de beoogde locatie mogelijk zijn, in relatie tot risico’s voor de volksgezondheid. Dit vanwege eventuele blootstelling aan gewasbeschermingsmiddelen via drift van de omliggende boomgaard. Eveneens wordt hiermee onderzocht of de voorgenomen ontwikkeling leidt tot een belemmering van de in de omgeving aanwezige agrarische bedrijfsvoering. 1.2
Ligging plangebied Het plangebied ligt aan de Molenstraat 5, ten noordwesten van de kern Bruchem. Ten noorden bevindt zich reeds bestaande bebouwing, ten oosten en zuiden bevinden zich agrarische percelen. De Molenstraat bevindt zich ten westen, met daaropvolgend een vergaderlocatie. Het plangebied is kadastraal bekend als perceel 507 en 527. Afbeelding 1 geeft een weergave van het plangebied in de huidige situatie. Afbeelding 1: Ligging plangebied (geel omlijnd)
1.3
Beoogde situatie Het doel van de bestemmingsplanprocedure is de realisatie van sociale huurwoningen. Ten tijde van dit onderzoek is de verbeelding van het bestemmingsplan nog niet beschikbaar. Het
Pagina 3
SPA WNP ingenieurs
22100499.r01
uitgangspunt van deze offerte is, dat het gehele plangebied bestemd wordt als zijnde een voor drift gevoelige bestemming (bijvoorbeeld wonen en/ of tuin). Afbeelding 2 geeft de beoogde invulling van het plangebied weer. Afbeelding 2: Beoogde situatie plangebied
Pagina 4
SPA WNP ingenieurs
2.
KADER
2.1
Algemeen
22100499.r01
Bij het mogelijk maken van een nieuwe voor drift gevoelige bestemming, in de nabijheid van bestemmingen die het toepassen van chemische gewasbeschermingsmiddelen niet uitsluiten, is aandacht voor spuitzones nodig. Dit in verband met de risico’s voor de volksgezondheid vanwege eventuele blootstelling aan gewasbeschermingsmiddelen via drift. Met de term drift wordt de hoeveelheid gewasbeschermingsmiddel bedoeld, die bij het spuiten buiten het agrarisch perceel op de grond terecht kan komen en/of op hoogte door de lucht passeert. Drift is een belangrijke en directe bron van luchtverontreiniging, waardoor mens en dier in contact kunnen komen met gewasbeschermingsmiddelen. Vooral bij middelen met een hoge toxiciteit en/of voor kwetsbare groepen, zoals jonge kinderen of ouderen, kan drift risico’s voor de gezondheid inhouden. 2.2
Blootstellingsroutes De blootstellingsroutes en bronnen zijn bij pesticiden goed in kaart gebracht door de Gezondheidsraad1(1). De belangrijkste bronnen zijn: · huidblootstelling (dermaal); · luchtwegblootstelling (inhalatoir); · spijsverteringsblootstelling (oraal). Veel pesticiden worden door de huid heen opgenomen in het lichaam. Huidblootstelling kan optreden door druppeldrift (directe blootstelling) of aanraking van oppervlakten waarop pesticiden terecht zijn gekomen (indirecte blootstelling, via betreding van gebied met spuitdepositie buiten de boomgaard of insleep van middel naar de woning). Blootstelling via de lucht gebeurt door inademing van druppeldrift en vluchtige verbindingen (direct) of kleine stofdeeltjes waarop pesticiden aanwezig zijn (indirect). Door consumptie van gewassen, eigen teelt of gekocht, kunnen resten pesticiden het lichaam binnenkomen. Voor jonge kinderen kan ook bij spelen in de (speel)tuin sprake zijn van blootstelling via het in de mond stoppen van voorwerpen of de eigen hand. Een piekmoment, waarbij relatief grote hoeveelheden pesticide in de omgeving van omstanders en omwonenden gebracht wordt, is tijdens bespuitingen.
2.3
Spuitzone Er is geen wettelijk kader waarin een afstand wordt gereguleerd tussen gevoelige functies ten behoeve van het verblijf van mensen en het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen. Wet g ew a sb esc herm ing sm id d elen en b ioc id en In de Wet gewasbeschermingsmiddelen en biociden staat omschreven dat, eenieder verplicht is om op zorgvuldige wijze om te gaan met gewasbeschermingsmiddelen, biociden, de daarbij behorende werkzame stoffen of daarbij gebruikte toevoegingsstoffen, alsmede restanten daarvan of de aangebroken verpakkingen. Het is daarbij verboden een werkzame stof die
1 Verwijzingen (cijfer) in dit onderzoek zijn weergeven in bijlage 1
Pagina 5
SPA WNP ingenieurs
22100499.r01
niet is opgenomen in een toegelaten gewasbeschermingsmiddel te gebruiken, tenzij de stof is goedgekeurd als basisstof op grond van artikel 23 van verordening (EG) 1107/2009. Ac tiviteitenb esluit Het Activiteitenbesluit milieubeheer stelt eisen aan de toepassing van gewasbeschermingsmiddelen in de open teelt. Op basis van artikel 3.78a, lid 1 van het Activiteitenbesluit is vastgelegd dat, bij het toepassen van gewasbeschermingsmiddelen bij de teelt van gewassen en op braakliggend land in de open lucht een techniek wordt gebruikt die een driftreductie bereikt van ten minste 75% (DRT 75). Deze verplichting geldt voor het gehele perceel, ongeacht de aanwezigheid van een watergang. Verder geldt dat het verboden is gewasbeschermingsmiddelen bij een windsnelheid groter dan 5 meter per seconde te gebruiken. Naast de verplichte driftreductie zijn er in het Activiteitenbesluit, op grond van artikel 3.79 lid 2, teeltvrije zones gereguleerd ter bescherming van het oppervlaktewaterlichaam. Teeltvrije zones zijn zones langs het oppervlaktewaterlichaam waar het gebruik van chemische gewasbeschermingsmiddelen niet is toegestaan. Het aanhouden van een teeltvrije zone is afhankelijk van het oppervlaktewaterlichaam en het type gewas. Bij de teelt van appelen, peren en overige pit- en steenvruchten bedraagt de breedte van een teeltvrije zone ten minste 4,50 meter.
Een zone van 3 meter mag worden aangehouden bij het gebruik van een spuittechniek welke tenminste een driftreductie van 90% bereikt of wanneer een biologische productiemethode wordt toegepast. Jurisp rud entie Op basis van jurisprudentie wordt in de praktijk een spuitzone voor een voor driftgevoelige bestemming2 aangehouden van 50 meter, gemeten vanaf de bestemmingsgrens. Deze 50 meter is in diverse uitspraken van de Raad van State (bijvoorbeeld de uitspraak van 23 september 2009 in zaak nr. 200900570/1/R2 of 21 april 2021 in zaak nr. 201903692/1R4) als “in het algemeen niet onredelijk” bevonden en geldt als een vaste richtafstand waar gemotiveerd van kan worden afgeweken. Een kleinere afstand is mogelijk, mits dat goed onderbouwd wordt. De 50 meter richtafstand heeft zijn oorsprong in het Streekplan 1996 van de Provincie Gelderland en is derhalve al circa 25 jaar oud. In die tijd was de regelgeving, met betrekking tot het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen, beperkt en was er veel minder sprake van toepassing van bijvoorbeeld driftreducerende spuitdoppen, zoals thans is geregeld in het Activiteitenbesluit milieubeheer. Daarnaast moet hierbij de kanttekening worden gemaakt dat, de richtafstand uitgaat van toepassing van gewasbeschermingsmiddelen zonder enige vorm van driftreducerende voorzieningen in het overdrachtsgebied, zoals een windhaag.
Ook de toelatingsprocedure van gewasbeschermingsmiddelen was destijds minder streng en door minder regels omgeven dan ten tijde van dit onderzoek het geval is.
2 Daaronder wordt verstaan: een bestemming voor en blijkens aard, indeling en inrichting geschikt om te worden
gebruikt voor menselijk wonen of menselijk verblijf en die daarvoor permanent of een daarmee vergelijkbare wijze van gebruik, wordt gebruikt.
Pagina 6
SPA WNP ingenieurs
2.4
22100499.r01
Toelatingsprocedure In de toelatingsprocedure van gewasbeschermingsmiddelen is veel aandacht voor risico’s voor de menselijke gezondheid, die uit het voorgestelde gebruik van een middel kunnen voortvloeien. Een aparte beoordeling van de risico’s voor omwonenden maakt in ons land onderdeel uit van de toelatingsprocedure. Het tekstblok hierna, is overgenomen uit de brief 20L5LO21Ot49 van 21 oktober 2015 van het College voor de toelating van gewasbeschermingsmiddelen en biociden (Ctgb), met als onderwerp: Herbeoordeling van bestaande middelen voor gewasbescherming op het gezondheidsrisico voor omwonenden. Va na f 1 ja nua ri 2016, d e ing a ng sd a tum va n d e nieuw e Europ ese ric htlijnen, za l het Ctg b d e hum a a n toxic ologisc he b eoord eling voor omw onend en en om sta nd ers a ls volg t invullen b ij d e b eoord eling va n nieuw e a a nvra g en voor stoffen en m id d elen: het EFSA-m od el za l d e b a sis zijn voor d e risic ob eoord eling ; w a a r nod ig za l d e hiervoor om sc hreven verfijning op b a sis va n a a nvullend e g egevens, overig e m od ellen (d e Britse en Duitse m ethod en) of exp ert jud g em ent word en ing evuld . Het Colleg e heeft uit d e herb eoord eling d e c onc lusie g etro kken d a t het g eb ruik va n d e reed s toeg ela ten m id d elen ook op b a sis va n het nieuw e m od el veilig is.
In d e resulta ten van d it ond erzoek ziet het Colleg e d a n ook g een nood za a k om in te grijp en in d e to ela ting svoorw a a rd en va n d eze m id d elen.
2.5
EFSA OPEX model Voor de beoordeling van de locatiespecifieke situatie, is in dit onderzoek gebruikt gemaakt van het EFSA OPEX rekenmodel (hierna EFSA-model). Het EFSA-model is onderdeel van de handreiking voor beoordeling van blootstelling en pesticiden van de European Food Safety Authority (EFSA). Met het model kan de maximale blootstelling van mensen aan gewasbeschermingsmiddelen worden bepaald, tijdens en na het toepassen van een middel. Het gaat hierbij om mensen die het middel toepassen, mensen die werken in behandeld gewas, omstanders en omwonenden. Zoals weergeven in het tekstblok in de vorige paragraaf, is het EFSA-model ook de basis voor het Ctgb voor beoordeling van nieuwe aanvragen en middelen. Diverse onderzoeksgegevens en wetenschappelijke studies op Europees niveau, hebben bijgedragen aan de totstandkoming van het model en de handreiking. Bij de totstandkoming van het EFA-model, is uitgegaan van meerdere modellen, onder andere EURO POEM2 en databases. Ten aanzien van omwonenden en landbouwgrond is gebruik gemaakt van BREAM3. Voor omwonenden en boomgaarden is gebruikt gemaakt van Lloyd et al4. Het EFSA-model geeft inzicht in de hierna weergegeven bronnen. Deze bronnen zijn overeenkomstig de door de Gezondheidsraad1 aangegeven belangrijkste bronnen: · huidblootstelling (dermaal); · luchtwegblootstelling (inhalatoir); · spijsverteringsblootstelling (oraal).
Het model kan zowel neerwaartse bespuiting als opwaartse bespuiting (maatgevend) modelleren. Voor machinale bespuiting gaat het model uit van 50% driftreducerende spuittechnieken, hetgeen lager is dan de in het Activiteitenbesluit milieubeheer geldende verplichting van 75% (artikel 3.78a) of 90% (artikel 3.80). De driftreductie in het model is niet aan te passen. Bij de beoordeling van de berekeningsresultaten op basis van het EFSA-model, dient daarom bedacht te worden dat de uitkomsten worstcase zijn5. Het model gaat voor de handmondblootstelling voor kinderen uit van de Modified Californian Method6 7 en data van de Environ mental Protection Agency van de Verenigde Staten8. De blootstelling aan dampen zijn in het model berekend op basis van Britse9 en Duitse10 methoden.
Pagina 7
SPA WNP ingenieurs
2.6
22100499.r01
Ontwikkelingen Ond erzo ek b estrijd ing sm id d elen en om wonend en Naar aanleiding van advies van de Gezondheidsraad1 is, in opdracht van de ministeries van Infrastructuur en Milieu en Economische Zaken, het Onderzoek Bestrijdingsmiddelen en Omwonenden (OBO) uitgevoerd11. Het onderzoek is uitgevoerd bij omwonenden van bollenpercelen, omdat in die teelt relatief intensief gewasbeschermingsmiddelen gebruikt worden. Het onderzoek heeft zich gericht op neerwaartse bespuiting en niet op zij- en opwaartse bespuiting zoals in de fruitteelt. Naar aanleiding van het onderzoek OBO, heeft het Ctgb advies uitgebracht aan de staatssecretaris van I&W en de minister van LNV (d.d. 4 april 2019). De overall conclusie is, dat het onderzoek naar de blootstelling aan gewasbeschermingsmiddelen van omwonenden van landbouwgebied laat zien, dat onder realistische gebruiksomstandigheden de veilige grenswaarden niet worden overschreden. Dit betekent dat omwonenden geen gezondheidsrisico’s lopen.
Het Ctgb ziet daarom geen reden om in te grijpen in de toegelaten middelen en geeft daarbij het volgende aan: “ Beid e ond erzoeken b evestig en d a t d e d oor het Ctg b g eb ruikte b eoord eling sm ethod ieken en d e d a a rin g eha nteerd e Europ ese m od ellen voor versp reid ing va n g ewa sb esc herming sm id d elen na a r d e om g eving (om w onend en, g rond , m oestuing ew a ssen) rob uust zijn; d e feitelijke b lootstelling b lijkt imm ers la g er te zijn d a n d e b erekend e b lootstelling d ie d e b a sis vorm t voor d e to ela ting va n d e m id d elen.” Vervolga d vies g ewa sb esc herming en om wonend en In vervolg op het OBO onderzoek, heeft de Gezondheidsraad d.d. 29 juni 202012 advies uitgebracht over de actuele stand van kennis over de gezondheidsrisico’s van blootstelling aan gewasbeschermingsmiddelen. Het advies heeft zich specifiek gericht op drie vragen: 1. of er naar aanleiding van het OBO onderzoek aanvullend onderzoek nodig is; 2. in hoeverre de toelatingsprocedure voor gewasbeschermingsmiddelen aanpassing behoeft; 3. of er een relatie is tussen gewasbeschermingsmiddelen en Parkinson.
Uit het advies volgt dat meer epidemiologisch gezondheidsonderzoek op korte termijn niet tot duidelijkheid zal leiden over gezondheidseffecten van gewasbeschermingsmiddelen, zeker niet als het gaat om chronische gezondheidseffecten die zich pas op latere leeftijd manifesteren. Verbetering van de toelatingsprocedure is nodig ten aanzien van stapeling, maar dat is complex en kost veel tijd. Daarom pleit de commissie voor toepassing van het voorzorgsbeginsel en adviseert ze om vooral de aanpak van verduurzaming van de gewasbescherming voort te zetten en te intensiveren. Streven naar een zo laag mogelijke blootstelling aan chemische gewasbeschermingsmiddelen is het uitgangspunt. Verder stelt de Gezondheidsraad dat het blootstellingsonderzoek in de bollenteelt (OBO), het inzicht heeft vergroot in het relatieve belang van de verschillende routes, waarlangs omwonenden worden blootgesteld. Aangegeven is dat het aanbeveling verdient om te verifiëren, in hoeverre de bevindingen voor de bollenteelt ook representatief zijn voor andere teelten, in het bijzonder de fruitteelt, waarin zij- en opwaarts wordt gespoten. Ten aanzien van de toelatingsprocedure adviseert de Gezondheidsraad om in internationaal verband verder te werken aan de verbetering van de toelatingsprocedure. In het bijzonder
Pagina 8
SPA WNP ingenieurs
22100499.r01
aan de beoordeling van mogelijke effecten op de hersenontwikkeling van ongeboren en jonge kinderen en het risico op neurodegeneratieve aandoeningen, zoals de ziekte van Parkinson. Risico’s die voortvloeien uit blootstelling vanuit verschillende bronnen of aan combinaties van stoffen, laten zich moeilijk betrekken bij een toelatingssysteem voor individuele producten. Een pragmatische oplossing is volgens de commissie de invoering van een extra veiligheidsfactor (‘allocatiefactor’) van nader te bepalen grootte, die de kans verkleint dat de gezamenlijke blootstelling vanuit verschillende bronnen en routes (werk, omgeving, voeding, particulier gebruik) en aan combinaties van gewasbeschermingsmiddelen gezondheidsschade veroorzaakt. Ten tijde van dit onderzoek zijn geen nieuwe inzichten of uitkomsten over het voorgaande bekend.
3.
LOCATIESPECIFIEKE SITUATIE
3.1
Huidige- en planologische situatie Het plangebied ligt in de huidige situatie braak. Het plangebied is in het bestemmingsplan ‘Bruchem’ van de gemeente Zaltbommel bestemd als zijnde ‘agrarisch bedrijf’, met een bouwvlak voor een bedrijfswoning. In hetzelfde bestemmingsplan is het gebied ten noorden van het plangebied bestemd als zijnde ‘woondoeleinden’ en ten westen als zijnde ‘water’ en vervolgens ‘landelijk groen’. De gronden met de bestemming ‘landelijk groen’ bevatten ook de dubbelbestemming ‘archeologisch waardevol gebied’. Ten zuiden van het plangebied is de watergang bestemd als ‘water’. Afbeelding 3: Uitsnede vigerende verbeelding bestemmingsplan Bruchem
Pagina 9
SPA WNP ingenieurs
22100499.r01
De gronden ten zuiden van de watergang en ten westen van het plangebied zijn bestemd in het bestemmingsplan ‘Buitengebied Zaltbommel’. Op basis van de verbeelding (zie afbeelding hierna) is te zien dat de boomgaard ten zuiden de bestemming ‘natuur’ heeft. Op basis van de bestemming natuur is agrarisch medegebruik toegestaan. Ten westen bevinden zich de bestemmingen ‘wonen’ en ‘agrarisch’. Afbeelding 4: Uitsnede vigerende verbeelding bestemmingsplan Buitengebied Zaltbommel
3.2
Praktijksituatie Op 27 oktober 2021, zijn de locatiespecifieke kenmerken van het plangebied en de directe omgeving geïnventariseerd. Het plangebied is gelegen op de grens van een agrarisch- en woongebied. Meteorolog ie Voor de locatiespecifieke situatie geldt dat er sprake is van een overheersende west/ zuidwestenwind. De gemiddelde windsnelheid bedraagt circa 2 meter per seconde13. Releva nte p erc elen Op basis van de planologische situatie en de praktijksituatie, is de conclusie dat kadastraal perceel 398 het dichtstbijzijnde relevante agrarische perceel is. Het overige relevante perceel is kadastraal perceel 234. Kadastraal perceel 606, ten westen van het plangebied, is niet relevant doordat het in eigendom is van initiatiefnemer. Binnen dit perceel worden geen chemische gewasbeschermingsmiddelen toegepast. Percelen 399, 1059 en 930 zijn niet relevant doordat deze gronden bestemd zijn als zijnde ‘wonen’ en in gebruik zijn als wonen en een vergaderfunctie.
Pagina 10
SPA WNP ingenieurs
22100499.r01
Afbeelding 5: Relevante percelen 234
1059
606
930 398
399
Perc eel 398 Binnen perceel 398 bevindt zich een boomgaard, waarvan de boomhoogte ten tijde van het locatiebezoek circa 2,50 meter was. Het perceel bevindt zich op minimaal 12 meter afstand van de toekomstige driftgevoelige bestemming. Er is contact geweest met de teler, en deze heeft aangegeven alle mogelijkheden van toepassing gewasbescherming te willen behouden. In de praktijk is dit een zij- en opwaartse bespuiting, hetgeen maatgevend is voor de eventuele verspreiding van drift. Afbeelding 6: Locatiespecifieke situatie perceel 398
Pagina 11
SPA WNP ingenieurs
22100499.r01
Afbeelding 7: Situatie tussen plangebied en perceel 398 (ruimtescheiding minimaal 12 meter)
Perc eel 234 Perceel 234 bevindt zich op minimaal 15 meter afstand van het plangebied. Binnen dit perceel bevindt zich, zover bekend (vanaf 2009), blijvend grasland. In theorie zijn er echter ook mogelijkheden voor het verbouwen of telen van gewassen, doordat het ter plaatse geldende bestemmingsplan dat planologisch mogelijk maakt. Afbeelding 8: Locatiespecifieke situatie perceel 234
Pagina 12
SPA WNP ingenieurs
22100499.r01
Op p ervla ktew a ter Op basis van de Legger Wateren van het Waterschap Rivierenland blijkt, dat zich aan de zuiden westzijde van het plangebied A-watergangen bevinden. De A-watergang aan de zuidkant grenst aan het plangebied. Ten tijde van het locatiebezoek is gebleken dat de ten zuiden gelegen boomgaard aan de noord- en westkant ook grenst aan een sloot (zie afbeeldingen hierna). De sloot aan de noordkant heeft op basis van de legger geen status en is in die zin ook niet relevant voor wat betreft het aanhouden van een beschermingszone. De A-watergang die grenst aan het agrarisch perceel 234 is wel relevant. Voor eventuele toepassing van chemische gewasbeschermingsmiddelen ten opzichte van deze watergang geldt een aan te houden zone. Dit betekent dat de afstand tussen het fictief te bespuiten gewas in dit perceel en het plangebied, groter is dan genoemde 15 meter afstand. Afbeelding 9: Uitsnede legger Waterschap
Afbeelding 10: Sloot noordzijde perceel 398
Pagina 13
SPA WNP ingenieurs
22100499.r01
Afbeelding 11: Sloot westzijde perceel 398
3.3
Gewasbeschermingsmiddelen De vaste richtafstand van 50 meter is in de open teelt met name van belang voor boomkwekerijen en boomgaarden, omdat gewasbeschermingsmiddelen daarbij niet alleen neerwaarts worden gespoten (onkruidbestrijding), maar ook zij- en opwaarts (voorkomen en bestrijden schimmels en plaagdieren). Omdat bij opwaarts spuiten de vloeistof op een grotere hoogte vrijkomt, en er daardoor meer kans is op verspreiding, veroorzaakt het opwaarts spuiten de meeste drift en is om die reden maatgevend voor gezondheidsrisico’s. Door veranderende wetgeving rond gewasbeschermingsmiddelen is het toegestane middelengebruik beperkt. Naar functie kunnen de volgende middelen worden onderscheiden: · fungiciden (bestrijding schimmels); · insecticiden (bestrijding insecten); · Herbiciden (onkruidbestrijding). Per middel verschilt het gehalte aan werkzame stof en daardoor ook de toedieningshoeveelheid per hectare. Het Ctgb biedt een database14 waarin alle soorten gewasbeschermingsmiddelen zijn opgenomen, inclusief de wettelijke gebruiksvoorschriften. Aangezien het een teler vrij staat alle voor betreffende teelt/gewas toegelaten middelen te gebruiken, is het minder zinvol te kijken naar uitsluitend het huidige specifiek gebruik. Gebruikelijk is het om een worstcase benadering aan te houden die uitgaat van de, qua toxiciteit, meest risicovolle werkzame stof die toegelaten is.
In dit onderzoek zijn de risico’s voor de volksgezondheid, vanwege eventuele blootstelling aan gewasbeschermingsmiddelen via drift, in beeld gebracht op basis van de praktijksituatie voor perceel 398 (zij- en opwaartse bespuiting) en daarmee de maatgevende situatie. Flonic a m id Flonicamid is een middel voor de bestrijding van insecticiden. Het middel wordt toegepast ter bestrijding van bladluizen en is de werkzame stof van het product Teppeki. Het middel is toegestaan voor gebruik in onder andere boomkwekerijgewassen, aardappelen en appel- en boomgaarden15.
Pagina 14
SPA WNP ingenieurs
22100499.r01
Ca p ta n Captan is een middel voor de bestrijding van een groot aantal schimmels. De fungicide is breed inzetbaar16 en de werkzame stof in verschillende producten, zoals Captosan en Merpan. Captan is voor de gezondheid de maatgevende werkzame stof vanwege de toxiciteit, het toegestane maximale gebruik en toegestane gebruik in een kaalblad situatie. Op basis van het gebruiksvoorschrift blijkt dat het middel onder andere. mag worden gebruikt in appel- en perenboomgaarden, bolbloemen, boomkwekerijgewassen en zachtfruit. Glyfosa a t De werkzame stof glyfosaat is onderdeel van het product Roundup en betreft een herbicide dat wordt ingezet in verschillende gewassen/teelten17. Er zijn meerdere mogelijkheden van toepassing toegestaan. In de fruiteelt betreft dit over het algemeen pleksgewijs en neerwaarts gerichte bespuitingen. In dit onderzoek is uitgegaan van een neerwaartse bespuiting van glyfosaat.
4.
BEOORDELING BLOOTSTELLINGSRISO’S EN GEZONDHEIDSEFFECTEN
4.1
EFSA model In dit onderzoek is voor de gezondheidseffecten uitgegaan van de gewasbeschermingsmiddelen, zoals genoemd in paragraaf 3.3. De parameters van de modelinvoer zijn gebaseerd op EFSA documenten18 en gebruiksvoorschriften van het Ctgb. Een overzicht van de invoergegevens is opgenomen in bijlage 2 van deze rapportage. Voor de beoordeling van de resultaten is in dit onderzoek de langdurige blootstelling op kinderen van 1 tot 3 jaar aangehouden. Hiermee is invulling gegeven aan het voorzorgsprincipe, omdat kinderen in het algemeen kwetsbaarder zijn dan volwassenen voor verontreinigende stoffen. Bij kinderen is er daarnaast een hogere opnamekans, bijvoorbeeld via blootstelling door huidcontact met bespoten oppervlak en/of opname via hand-mond contact. Er is niet uitgegaan van het betreden van het bespoten perceel door omwonenden, omdat de beoordeling zich richt op de mogelijke blootstelling bij de drift gevoelige bestemming in het plangebied.
4.2
Resultaten Tabel 1 hierna geeft een weergave van de Acceptable Operator Exposure Level (AOEL) welke in het EFSA model is gedefinieerd als ‘Reference value non actuely toxic active substance (RVNAS). De AOEL is in beginsel bedoeld voor de toepasser van gewasbeschermingsmiddelen, maar wordt worstcase ook gehanteerd voor blootstelling aan omwonenden. De gezondheidskunde referentiewaarde AOEL gaat uit van een veiligheidsmarge van tenminste 100%. Indien het percentage blootstelling onder de 100% blijft dan wordt het blootstellingsniveau als acceptabel beschouwd. Het resultaat tabel 1 betreft de som van de percentages van de relevante blootstellingsroutes.
Pagina 15
SPA WNP ingenieurs
22100499.r01
Tabel 1: Resultaten Acceptabele Operator Exposure Level (AOEL) Resident Child op 5 meter afstand Werkzame stof
Gewasbeschermingsmiddel
Percentage*
Flonicamid
Teppeki
10,44
Captan
Merpan spuitkorrel
7,28
Glyfosaat
Roundup
24,58
* so m va n b loo stelling d erm a a l / inha la to ir / ora a l EFSA m od el Op basis van de hiervoor weergegeven resultaten blijkt, dat de in de praktijk en planologische situatie meest gebruikte en de voor het gezondheidsrisico maatgevende gewasbeschermingsmiddelen, op een afstand van 5 meter, niet leidt tot een overschrijding van de AOEL. Het blootstellingspercentage van de afzonderlijke gewasbeschermingsmiddelen blijft namelijk onder de 100%. 4.3
Discussie Meteorolog ie Het is goed gebruik om bij toepassing van chemische gewasbeschermingsmiddelen niet te spuiten bij een windrichting in de richting van driftgevoelige functies. Desondanks staat het de toepasser vrij om hier geen gehoor aan te geven. De ligging van perceel 398 en 234 is, ten opzichte van de overheersende windrichting, ongunstig voor wat betreft de kans op eventuele verspreiding van drift tot in het plangebied en de mogelijke blootstelling daaraan. Op basis van het Activiteitenbesluit milieubeheer geldt een verbod op het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen bij een windsnelheid groter dan 5 meter per seconde. Hierbij wordt voor de windsnelheid bij neerwaartse bespuitingen uitgegaan van een windsnelheid gemeten op 2 meter hoogte. Bij op- en zijwaartse bespuitingen wordt uitgegaan van 1 meter boven de gemiddelde boomhoogte. Het EFSA-model rekent met een vaste windsnelheid van 2,7 meter per seconde. Die waarde is gebaseerd op metingen in een veldgewas onder acceptabele spuitcondities19. Ook voor het Nederlandse klimaat en de locatiespecifieke situatie is deze windsnelheid als representatief te beschouwen. Cum ula tie In de huidige beoordelingsmethodiek voor toelating die het Ctgb gebruikt, wordt geen rekening gehouden met het gelijktijdig gebruik van meerdere middelen.
EFSA20 heeft geconcludeerd dat de gezondheidsrisico’s vanwege gelijktijdige blootstelling aan meerdere gewasbeschermingsmiddelen gering zijn, omdat er geen bewijs is dat bepaalde werkzame stoffen elkaar versterken. Het wordt aannemelijk geacht dat chemische stoffen die verschillen in werkingsmechanisme, elkaar niet beïnvloeden en dat stoffen elkaar enkel versterken als het werkingsprincipe gelijk is. Wel is het zo dat het onderzoek op dit vlak niet is afgerond, hetgeen ook door het RIVM11 is aangegeven. Uit de in paragraaf 4.2 gepresenteerde resultaten, op basis van een worstcase benadering, blijkt dat blootstelling aan gewasbeschermingsmiddelen als gevolg van drift op een afstand van 5 meter van het gewas, in dit geval uit de bestemmingsgrens, niet leidt tot een overschrijding van de AOEL. De leemte in kennis ten aanzien van cumulatie wordt echter beschouwd als een onzekerheid. Om die reden wordt, voor onderhavige locatiespecifieke situatie op basis van de meest
Pagina 16
SPA WNP ingenieurs
22100499.r01
actuele inzichten21 en in lijn met jurisprudentie22, uit voorzorg een factor 2 toegepast op het berekende blootstellingspercentage. Daarbij wordt opgemerkt dat in de keuze voor de hoogte van de vermenigvuldigingsfactor rekening is gehouden met het volgende: · Het is niet gebruikelijk of zelfs zeer uitzonderlijk, dat meerdere gewasbeschermingsmiddelen met dezelfde werkzame stof of stoffen tegelijkertijd worden verspoten. De reden daarvan is dat verhoging van de dosering tot boven de toepassingsnorm per middel, niet tot een betere bescherming van het gewas of bestrijding van de plaag leidt. De werking van het middel wordt er met andere woorden niet beter door. · Gewasbeschermingsmiddelen zijn kostbaar en worden vanuit bedrijfseconomische redenen zo zuinig mogelijk toegepast. In spuitadviezen van professionele partijen (bijvoorbeeld DLV en Fruitconsult) is nooit sprake van een dosering aan werkzame stof die hoger is dan de toepassingsnorm van het Ctgb. In tabel 2 zijn de resultaten op een afstand van 5 meter gepresenteerd met toepassing van de vermenigvuldigingsfactor. Tabel 2: Resultaten AOEL Resident Child op 5 meter afstand op basis factor cumulatie Werkzame stof
Gewasbeschermingsmiddel
Percentage*
Factor
Percentage gecorrigeerd*
Flonicamid
Teppeki
10,44
2
20,88
Captan
Merpan spuitkorrel
7,28
2
14,56
Glyfosaat
Roundup
24,58
2
49,16
* so m va n b loo stelling d erm a a l / inha la to ir / ora a l EFSA m od el Op basis van tabel 2 blijkt, dat met inachtneming van de vermenigvuldigingsfactor, voldaan wordt aan de gezondheidskundige norm van 100%. 4.4
Advies Ondanks dat uit het voorgaande blijkt dat op een afstand van 5 meter voldaan wordt aan de gezondheidskundige norm van 100%, is het advies om een ruimere afstand aan te houden. Aanleiding hiervoor is de ligging van het plangebied (op de grens van het landelijk gebied met nabijgelegen agrarische percelen) welke als ongunstig worden beschouwd ten aanzien van de eventuele blootstelling aan drift. Vanwege deze locatiespecifieke omstandigheden is het advies om in het kader van voorzorg minimaal een spuitzone van 10 meter aan te houden. Voor deze zone dient uitgegaan te worden van de afstand tussen de agrarische perceelsgrens en de grens van de driftgevoelige bestemming wonen. In tabel 3 zijn de resultaten op een afstand van 10 meter gepresenteerd met toepassing van de vermenigvuldigingsfactor. Vanzelfsprekend wordt er op deze afstand ook voldaan aan de gezondheidskundige norm. Tabel 3: Resultaten AOEL Resident Child op 10 meter afstand op basis factor cumulatie Werkzame stof
Gewasbeschermingsmiddel
Percentage*
Factor
Percentage gecorrigeerd*
Flonicamid
Teppeki
9,98
2
19,96
Captan
Merpan spuitkorrel
5,71
2
11,42
Glyfosaat
Roundup
22,79
2
45,58
* so m va n b loo stelling d erm a a l / inha la to ir / ora a l EFSA m od el
Pagina 17
SPA WNP ingenieurs
22100499.r01
Voor de beoogde ontwikkeling betekent voorgaande dat, met een afstand van minimaal 12 meter ten opzichte van het dichtstbijzijnde agrarisch perceel (boomgaard), voldaan wordt aan de geadviseerde spuitzone. Op basis van dit advies zijn de nieuwe woningen op de beoogde locatie mogelijk in relatie tot risico’s voor de volksgezondheid, in verband met eventuele blootstelling aan gewasbeschermingsmiddelen via drift van de omliggende agrarische percelen. Ook wordt de bedrijfsvoering en toekomstige ontwikkelingsmogelijkheid van de agrarisch ondernemer niet belemmerd als gevolg van de beoogde ontwikkeling.
5.
CONCLUSIE EN AANBEVELING In opdracht van Woonstichting De Kernen is een locatiespecifiek onderzoek spuitzone uitgevoerd. Aanleiding is de beoogde woningbouw aan de Molenstraat 5 in Bruchem. In de directe omgeving van het plangebied bevindt zich op minder dan 50 meter afstand een boomgaard, waarop het gebruik van chemische gewasbeschermingsmiddelen niet is uitgesloten. Om die reden is een onderzoek uitgevoerd om te bepalen of de nieuwe woningen op de beoogde locatie mogelijk zijn in relatie tot risico’s voor de volksgezondheid, vanwege eventuele blootstelling aan gewasbeschermingsmiddelen via drift van de omliggende agrarische percelen. Eveneens is hiermee onderzocht of de voorgenomen ontwikkeling leidt tot een belemmering van de in de omgeving aanwezige agrarische bedrijfsvoering. Voor de beoordeling van de locatiespecifieke situatie is in dit onderzoek gebruikt gemaakt van
het EFSA rekenmodel. Het EFSA-model is ook de basis voor het College van toelating gewasbeschermingsmiddelen (Ctgb) voor beoordeling van nieuwe aanvragen en middelen. Diverse onderzoeksgegevens en wetenschappelijke studies op Europees niveau hebben bijgedragen aan de totstandkoming van het model en de handreiking. In dit locatiespecifieke onderzoek is uitgegaan van het gebruik van voor de gezondheidsrisico’s maatgevende gewasbeschermingsmiddelen die voor omliggende gewassen zijn toegelaten en de wijze van toepassen daarvan. Daarbij is rekening gehouden met de locatiespecifieke situatie én de planologisch toegestane situatie. Op basis van de resultaten uit dit onderzoek blijkt dat, de in de praktijk en planologische situatie meest gebruikte en de voor het gezondheidsrisico maatgevende gewasbeschermingsmiddelen, op een afstand van 5 meter, niet leidt tot een overschrijding van de AOEL. Het blootstellingspercentage van de afzonderlijke gewasbeschermingsmiddelen blijft namelijk onder de 100%. Desondanks is, vanwege de locatiespecifieke situatie , het advies om een spuitzone van minimaal 10 meter aan te houden. Voor deze zone dient uitgegaan te worden van de afstand tussen de agrarische perceelsgrens en de grens van de driftgevoelige bestemming wonen.
Voor de beoogde ontwikkeling betekent voorgaande dat, met een afstand van minimaal 12 meter ten opzichte van het dichtstbijzijnde agrarisch perceel (boomgaard), voldaan wordt aan de geadviseerde spuitzone. Op basis van dit advies zijn de nieuwe woningen op de beoogde locatie mogelijk in relatie tot risico’s voor de volksgezondheid, vanwege eventuele blootstelling aan gewasbeschermingsmiddelen via drift van de omliggende agrarische percelen. Ook wordt de bedrijfsvoering en toekomstige ontwikkelingsmogelijkheid van de agrarisch ondernemer niet belemmerd als gevolg van de beoogde ontwikkeling. SPA WNP ingenieurs
Pagina 18
BIJLAGEN
SPA WNP ingenieurs
22100499.r01 Bijlage 1.2
Literatuurlijst 1 Gezondheidsraad, gewasbescherming en omwonenden, januari 2014, I-828-11Hvd/pm/887-K1 2 Van Hemmen JJ, 2008. Addendum to the TNO Report V7333: effective personal protective equipment
(PPE). Default setting of PPE for registration purposes of agrochemical and biocidal pesticides. Covering the literature published in the period 2005 to early 2008. TNO Quality of Life, TNO Chemistry, Food & Chemical Risk Analysis, Chemical Exposure assessment, Zeist, The Netherlands. 3 Gebaseerd op:
Butler Ellis MC, Lane AG, O’Sullivan CM, Miller PCH and Glass CR, 2010a. Bystander exposure to pesticide spray drift: new data for model development and validation Biosystems Engineering, 107, 162–168. Butler Ellis MC and Miller PCH, 2010. The Silsoe Spray Drift Model: a model of spray drift for the assessment of non-target exposures to pesticides. Biosystems Engineering, 107, 169–177. Glass CR, Mathers JJ, Harrington P, Miller PCH, Butler Ellis C and Lane A, 2010. Generation of field data for bystander exposure and spray drift with arable sprayers. Aspects of Applied Biology, 99, 271–276. Glass CR, Mathers JJ, Hetmanski MT, Sehnalova M and Fussell RJ, 2012. Development of techniques to measures vapour concentrations of pesticides to determine potential bystander & resident exposure. Aspects of Applied Biology, 114, 79–86. 4 Lloyd GA, Bell GJ, Samuels SW, Cross JV and Berry AM, 1987. Orchard sprayers: comparative operator
exposure and spray drift study. Agricultural Science Service, Agricultural Development and Advisory Service, Ministry of Agriculture Fisheries and Food, UK.: 5 EFSA, Guidance on the assessment of exposure of operators, workers, residents and bystanders in risk
assessment for plant protection products, EFSA Journal 2014;12(10):3874, 25 6 Fuller R, Klonne D, Rosenheck L, Eberhart D, Worgan J and Ross J, 2001. Modified California Roller for
measuring transferable residues on treated turfgrass. Bulletin of Environmental Contamination and Toxicology, 67, 787–794. 7 Rosenheck L, Cowell J, Mueth M, Eberhart D, Klonne D, Norman C and Ross J, 2001. Determination of a
standardized sampling technique for pesticide transferable turf residues. Bulletin of Environmental Contamination and Toxicology, 67, 780–786. 8 US EPA (US Environmental Protection Agency), 2001. Science Advisory Council for Exposure, policy
number 12, recommended revisions to the standard operating procedures (SOPs) for residential exposure assessments. Office of Pesticide Programs, Health Effects Division, Washington, DC, USA. 9 RD (The Chemical Regulation Directorate, UK), 2008. Bystander Exposure Guidance. 10 Martin S, Westphal D, Erdtmann-Vourliotis M, Dechet F, Schulze-Rosario C, Stauber F, Wicke H and Chester G, 2008. Guidance for exposure and risk evaluation for bystanders and residents exposed to plant protection products during and after application Journal für Verbraucherschutz und Lebensmittelsicherheit, 3, 272–281. 11 RIVM, onderzoek Bestrijdingsmiddelen en omwonenden, april 2019, RIVM rapport 2019-0052 12 Gezondheidsraad, vervolgadvies gewasbescherming en omwonenden, juni 2020, rapport 2020/1 13 Windfinder.com, Waarnemingen 6-2020 t/m 10-2021 station Hobo bouwwerken Nederhemert 14 http://www.ctgb.nl/toelatingen 15 Ctgb gebruiksvoorschrift Teppeki, 29 oktober 2021
Pagina 1
SPA WNP ingenieurs
22100499.r01 Bijlage 1.2
16 Ctgb gebruiksvoorschrift Merpan Spuitkorrel, 26 april 2019 17 Ctgb gebruiksvoorschrift Roundup+, 26 juli 2019 18 Gebaseerd op:
-
European Food Safety Authority (EFSA). (2009). Conclusion on the peer review of the pesticide risk assessment of the active substance fluopociide. EFSA Scientific report, 299,33-158 European Food Safety Authority (EFSA). (2010). Conclusion on the peer review of the pesticide risk assessment of the active substance azoxystrobin. EFSA Journal 2010;8(4):1542 European Food Safety Authority (EFSA). (2009). Conclusion on the peer review of the pesticide risk assessment of the active substance flonicamid. EFSA Journal 2010;8(5):1445 European Food Safety Authority (EFSA). (2009). Conclusion on the peer review of the pesticide risk assessment of the active substance captan. EFSA Journal 2020;18(9):6230 European Food Safety Authority (EFSA). (2009). Conclusion on the peer review of the pesticide risk assessment of the active substance captan. EFSA Journal 2015;13(11):4302