CConstaterende datZaltbommel
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage 2. Bijlagen bestemmingsplan Bruchem, Molenstraat naast 1

Raadsvergadering 9 november 2023, gemeente ZaltbommelBij agendapunt: Bestemmingsplan Bruchem, Molenstraat naast 123.088 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 3

Bestemmingsplan ‘Bruchem, Molenstraat naast 1’

BIJLAGEN VAN TOELICHTING TOELICHTING Datum vaststelling 10 ........december 2019

Plannaam

Plantype Documentstatus IMRO-code

Datum vaststelling Projectnummer Auteur

‘Bruchem, Molenstraat naast 1’’

Bestemmingsplan Ontwerp NL.IMRO.0297.BRUBP20220022-OW01

10 december 2019 p.m. 20443/1 mr. A.G. van Keulen

Legalexion Bezoekadres

Postadres

Telefoonnummer

E-mail

Gamerschestraat 34 5301 AS Zaltbommel Postbus 103 5300 AC Zaltbommel 0418 - 577 580

info@legalexion.nl

BIJLAGE I

WONINGBOUW MOLENSTRAAT 5 BRUCHEM - GEMEENTE ZALTBOMMEL

BEELDKWALITEITPLAN

COLOFON

In opdracht van:

WOONSTICHTING DE KERNEN

Postbus 13 5320 AA Hede

Opgesteld door:

URBAN JAZZ B.V.

Leerfabriek KVL Oisterwijk Almijstraat 14 5061 PA Oisterwijk 06 - 12 75 02 32 www.urbanjazz.nl Datum: 6 januari 2023

TOETSINGSKADER

INSPIRATIEKADER

INHOUD 1.

INLEIDING

2.

HET PLAN

3.

BEBOUWING

4.

ERFAFSCHEIDING

5.

BUITENRUIMTE

3

eg

straw

Heem 2 - Van

N32

De Waluwe - Zaltbommel

plangebied 2 N83 -M olen weg veld

Bruchem

A2

Kerkwijk Ligging plangebied aan de rand van Bruchem

Bu

rg

em

ee

ste

rd

eK or

tst

nd

la rke Ke

Ligging plangebied in de directe omgeving 4

rv de

ac

on

en

Di

ies

ho

Ho

ra

at

Mol

ens

eld

traa

t

t Krangstraa aat Dorpsstr

f

1.

INLEIDING

AANLEIDING Het plangebied Molenstraat 5 bestaat momenteel uit onbebouwd grasland. Voorheen heeft er bedrijfsbebouwing op dit kavel gestaan. Woonstichting De Kernen heeft het voornemen op deze locatie 10 woningen te realiseren. Voor deze nieuwe woningen wordt een kwalitatief hoogwaardige vormgeving en uitstraling nagestreefd. Om deze ambitie te bereiken wordt er een helder kader vastgesteld ten aanzien van de beeldkwaliteit. Kwaliteit en met name samenhang in kwaliteit is immers niet altijd vanzelfsprekend. Het is een maatschappelijke en culturele verantwoordelijkheid van zowel de plantoetser, initiatiefnemer als de ontwerpers om het maximale eruit te halen. De opgave is zodoende de juiste balans te vinden tussen ontwerpvrijheid voor de architect en het opstellen van regels die het bereiken van de gewenste sfeer en identiteit waarborgen. Hierbij dient tevens de nodige aandacht besteed te worden aan de samenhang in de totale openbare ruimte. Door middel van de stedenbouwkundige visie en de motivering hierop wordt er op hoofdlijnen een beeld gegeven van de beoogde toekomstige situatie. Op basis hiervan kan een kader opgesteld worden waarmee de gewenste bijbehorende beeldkwaliteit van de voorgestelde bouwmassa’s en de buitenruimte vastgelegd wordt. Deze beeldkwaliteitsgids dient drie doelen: 1.

Als beleidskader; de gemeente formuleert haar ambitie voor de beeldkwaliteit van het gebied. 2. Als ontwerp- en uitvoeringskader; voor ontwikkelaars, ontwerpers en overige betrokkenen bij het realiseringstraject zijn de criteria zowel een set randvoorwaarden als een inspiratiebron bij de uitwerking van het stedenbouwkundig plan. 3. Als toetsingskader; voor de stadsbouwmeester dienen de criteria als objectieve toetssteen bij de beoordeling van de bouwinitiatieven. De creativiteit en het vakmanschap waarmee, binnen de criteria en de gebiedsomschrijvingen, daadwerkelijk wordt ontworpen bepaalt echter de uiteindelijke kwaliteit van een toekomstig gebouw en de gebouwde omgeving.

LEESWIJZER Deze beeldkwaliteitsgids is in twee delen opgesplitst: een inspiratiekader en een toetsingskader. In het inspiratiekader staat een korte toelichting op de stedenbouwkundige visie het verkavelingsplan en de gewenste beeldkwaliteit. De specifieke kenmerken waaraan deze beeldkwaliteit herkenbaar is worden uiteengezet. Samen met referentiebeelden wordt hiermee het spectrum van de specifieke ontwerpmogelijkheden duidelijk gemaakt en zal blijken hoe en waarom de bijbehorende sfeer van bebouwing en buitenruimte ontstaat en op deze locatie gewenst is. Ook de inrichting van de (openbare) buitenruimte dient aan te sluiten bij de beeldkwaliteit van de bebouwing. De landschappelijke kwaliteiten die het plangebied en de omgeving ervan nu herbergen kunnen daarbij benut worden. Deze vormen tevens onderdeel van het inspiratiekader. Met bovenstaande beschrijving wordt tevens duidelijk waar de samenhang met de bestaande omgeving uit bestaat en waarmee samenhang binnen de beoogde beeldkwaliteit wordt verkregen. Ondanks dat wij er van uit gaan dat de specifieke kennis over de gewenste beeldkwaliteit ook bij de uiteindelijke ontwerpers aanwezig is, achten wij de toelichting in het inspiratiekader van belang om alle betrokkenen bij het ontwerpproces (waaronder uiteraard de toekomstige bewoners) vanuit de zelfde basis dit proces te kunnen laten aanvangen.

Dit zal de communicatie tijdens het ontwerpproces tussen initiatiefnemer, ontwerper en plantoetser efficiënter maken. Het opstellen van een beeldkwaliteitplan dient voor het borgen van de gewenste ruimtelijke kwaliteit, maar heeft tevens een belangrijke rol in het duidelijk communiceren van de manier waarop deze kwaliteit bereikt wordt. Daarom worden in het toetsingskader op een handzame en overzichtelijke wijze op alle relevante schaalniveaus (van kavel tot baksteen) heldere criteria opgesteld.

5

plangebied

Situatie plangebied gedurende 1e helf vorige eeuw

representatieve kopgevels

verbreding bestaande sloot

klompenpad

Stedenbouwkundig plan 6

2.

HET PLAN

RUIMTELIJKE EN HISTORISCHE CONTEXT Historie Bruchem ligt op een stroomrug van de Waal middenin de Bommelerwaard dicht bij de stad Zaltbommel. De naam Bruchem bestaat uit twee delen: bruc en hem. Bruc komt van broek, dat laagland of een weiland betekent. Hem is afgeleid van heim, dat woonplaats betekent. De historische dorpskern van Bruchem heeft haar originele cultuurhistorische waardevolle karakteristiek weten te behouden. Het lineaire karakter van de belangrijkste ontsluitingswegen is nog duidelijk aanwezig en herkenbaar. De bebouwing aan de Dorpsstraat vormt het oudste deel van Bruchem. De verschillende planmatige uitbreidingen van Bruchem zijn beperkt en hebben zich geschikt naar de bestaande landschappelijke en dorpsstructuren, waarvan de oorspronkelijke bebouwingslinten nog steeds de belangrijkste verkeersverbindingen zijn. De panden in het dorp hebben overwegend een individuele uitstraling en bestaan voornamelijk uit één of twee bouwlagen. De bouwhoogte is sterk afwisselend en de bebouwing kent hoofdzakelijk een zadeldak, met of zonder wolfeinden, schilddak of mansardekap. Over het algemeen is er sprake van een traditionele baksteenarchitectuur met een eenvoudige agrarische vormgeving. Aan de uitvalswegen Peperstraat en Molenstraat zijn veelal grote boerderijen op woerden gebouwd wat karakteristiek is voor de bebouwing van voornamelijk voor 1900 in Bruchem.

De woningen staan over het algemeen wisselend geordend op grote kavels, niet allemaal op gelijke afstand van de weg en niet in dezelfde rooilijn. Gebiedskenmerken Het perceel Molenstraat 5 in Bruchem is 2474 m2 groot. De plek is lange tijd afwisselend in gebruik (geweest) als agrarisch-, woon- en bedrijfsperceel met één of meerdere gebouwen. Sinds enkele jaren is de bebouwing van het perceel verwijderd, met de ambitie woningbouw te realiseren. Het plangebied grenst aan de noordzijde aan een woonperceel met een karakteristieke rietgedekte voormalige boerderij. Aan de oostzijde ligt, afgescheiden door een sloot, akkerland dat tevens in eigendom is van Woonstichting De Kernen en een hoge archeologische waarde heeft. Hier bevond zich in het verleden een mottekasteel. Ten zuiden van het plangrens ligt een boomgaard en de Molenstraat vormt de westelijke begrenzing van de locatie. Aan de overzijde van de Molenstraat is relatief recent een woning gerealiseerd met een historiserende uitstraling.

STEDENBOUWKUNDIG PLAN Verkavelingsconcept In de stedenbouwkundige studie voor de invulling van deze locatie zijn diverse varianten getekend met verschillende verkavelingsconcepten en woningtypologieën. Uiteindelijk is tot het nevenstaande ontwerp gekomen met 10 aaneengebouwde woningen met een beukmaat van 4,8 meter en een diepte van 9,5 meter. Gebaseerd op de geldende parkeernorm van 2 parkeerplaatsen per woning zijn er 20 parkeerplekken ingepast binnen het plangebied. De woningen zijn zodanig gepositioneerd dat er enkel representatieve gevels op de omgeving gericht zijn en de openbare ruimte rondom de woningen een afstand creëert naar de omringende percelen. De randen van het plan kunnen op deze wijze ingericht worden met groenstroken. Van belang is tevens dat de zijgevels van de beide kopwoningen aan de Molenstraat vormgegeven worden als een voorgevel om de ontwikkeling een juiste uitstraling naar deze straat te geven. Het bouwvolume van de twee rijen woningen blijft beperkt door het toepassen van één bouwlaag met een kap. Ontsluiting De ontsluiting van het plan gebeurt op twee punten aan de Molenstraat, waarbij de meest noordelijke vormgegeven wordt als hoofdontsluiting. De oost-west gerichte straat in het verlengde van toegang tot het plan maakt het eveneens mogelijk om in de toekomst een mogelijke woningbouwontwikkeling op het oostelijk gelegen perceel te realiseren.

De zuidelijke entree tot het gebied zal functioneren als de secundaire ontsluiting en in maatvoering ondergeschikt zijn. Het zuidelijke woonblok wordt bereikbaar gemaakt middels een brede stoep die ingericht is ten behoeve van het langzaamverkeer, maar incidenteel ook gebruikt kan worden voor gemotoriseerd verkeer dat er te gast is. Groen & water De randen in het verkavelingsplan blijven vrij van bebouwing of verkeersfunctie, dit biedt de kans om de locatie een groene sfeer te geven. Elke zijde kan daarbij een eigen karakter krijgen: • De Molenstraat is voor het grootste deel begeleid met bomen, ter hoogte van het plan ontbreken de bomen echter. In de brede berm wordt een mengsel gezaaid dat voor meer biodiversiteit zorgt en zal de bomenrij verlengd worden. • Aan de noordzijde wordt tevens een mengsel gezaaid dat voor meer biodiversiteit zorgt ter hoogte van de bestaande woning om het uitzicht te waarborgen. Het na de boerderij liggende parkeren worden omkaderd met een haag. • Langs de oostelijke grens wordt de sloot verbreed naar maximaal 8 meter om de toename aan verharding te compenseren. De slootkanten worden ingezaaid met een mix die qua soortenrijkdom bijdraagt aan de biodiversiteit. • De zuidzijde van het plangebied grenst aan een A-watergang, waarlangs een onderhoudszone vrijgehouden dient te worden.

Solitair moet een wilgenboom geplant worden zoals die zich ook aan de zuidzijde van de watergang bevinden. De groenstrook wordt tevens gebruikt als informeel klompenpad die de verbinding legt met de woonwijk aan de oostzijde. 7

materiaal:

- traditionele, warme materialen

Uitgangspunten voor een samenhangende uitstraling massa en vorm:

gevelkarakteristiek: - verticale geleding - details verwijzend naar oorspronkelijke boerderijen

Molenstraat 1

Molenstraat 16

- max. 1 laag met forse kap, - éénduidige, herkenbare bouwvorm met zadeldak - toepassen van dakoverstek of nadrukkelijke gevelbeëindiging

Molenstraat 19

Molenstraat 33

Molenstraat 35-37

Referentie naar historische, landelijke bebouwing: traditionele materialen, details, onderlinge variatie, integraal bouwvolume 8

3.

BEBOUWING

ALGEMEEN In het toetsingskader is, overeenkomstig de welstandsnota, de volgende indeling gehanteerd: 1. situering, waarin onder meer de minimale en maximale omvang van het kavel en/of het bouwvlak vast wordt gelegd en de positie van de woning hierop bepaald kan worden, 2. massa en vorm, waarin bijvoorbeeld het aantal bouwlagen en de vorm van de kapconstructie vastgelegd worden, 3. gevelkarakteristiek, waarin de gevelindeling en de detaillering die kenmerkend zijn voor een architectuurstijl worden vastgesteld, 4. kleur en materiaal, waarin het spectrum van toe te passen materialen en kleuren wordt bepaald. In het kleur- en materiaalgebruik wordt met name het onderscheid herkenbaar gemaakt tussen de verschillende deelgebieden zoals deze in hoofdstuk 2 ‘Het plan’ beschreven staan. Daarbij worden de volgende onderdelen toegevoegd: 5. erfafscheidingen, waarin de maatvoering en verschijningsvorm van erfafscheiding wordt afgekaderd, 6. inrichting openbare ruimte, waarin de juiste relatie van de planopzet met de inrichting van de openbare ruimte kan worden bereikt. De eerste twee punten (‘situering’ en ‘massa en vorm’) komen overeen met de regels die in het bestemmingsplan opgenomen zijn, mogelijk aangevuld met enkele relevante aspecten.

Het tweede en derde punt (‘gevelkarakteristiek’ en ‘kleur en materiaal’) is toegespitst op de architectonische uitwerking van de bouwmassa en het laatste punten (‘erfafscheidingen’ en ‘inrichting openbare ruimte’) behelzen de criteria voor de inrichting van de buitenruimte. Deze kan zowel op de openbare ruimte als op de private percelen van toepassing zijn.

SAMENHANG EN CONTRAST Het doel van dit beeldkwaliteitplan is het op een juiste wijze inpassen van de nieuwe ontwikkelingen. Daarbij dient de nieuwe bebouwing te passen in de omgeving en zal er onderlinge samenhang in de woningen moeten zijn om een rommelige uitstraling te voorkomen. Ondanks het feit dat het plan uit slechts twee bouwvolumes bestaat kan het zo als een geheel herkenbaar blijven. De architectuur en detaillering moet recht doen aan de ligging van de locatie in het landelijk gebied en de ambitie om tot een kwalitatief hoogwaardige buurt te komen. Het plan gaat onderdeel uitmaken van de Molenstraat als landelijke bebouwingslint waarin elk bouwvolume een eigen bouwvorm en uitstraling heeft, repetitie komt er niet of nauwelijks voor. De twee bouwvolumes dienen daarom, passend in het lint, elk een onderscheidende architectonische vormgeving te krijgen, maar waarin wel herkenbaar is dat ze samen tot de zelfde ontwikkeling behoren. Ook binnen deze beide hoofdbouwmassa’s dient teveel repetitie voorkomen te worden. Niet het beeld van rijtjeswoningen dient de sfeer te bepalen, maar die van een eenduidige, integrale bouwmassa zoals een boerderij of schuur. In dit beeldkwaliteitplan wordt daarom gestuurd op het realiseren van een aantal architectonische kenmerken die de rode draad vormen door het gehele plan.

Op andere punten kan de vormgeving of het kleur- en materiaalgebruik juist afwijken om daarmee voldoende variantie te krijgen en ruimte te geven aan een individuele uitstraling per bouwvolume. Het bereiken van de samenhang komt neer op het consequent toepassen van de volgende aspecten: • De twee hoofdbouwmassa’s hebben een eenduidige traditionele bouwvorm van maximaal één bouwlaag en een zadeldak. • De twee hoofdbouwmassa’s zijn een samenhangend, integraal geheel. Repetitie van telkens de zelfde gevel is daarom niet toegestaan. • Alle woningen hebben een zichtbare dakoverstek met duidelijke gevelbeëindiging als overgang naar het dakvlak, topgevels zijn zodoende niet toegestaan. • Beide hoofdbouwmassa’s hebben een overwegend verticale gevelgeleding (staande ramen). • Alle woningen zijn hoofdzakelijk opgetrokken uit traditionele, warme materialen: baksteen/hout/keramische dakpannen. • De twee hoofdbouwmassa’s hebben een vormgeving met architectonische details die verwijzen naar de oorspronkelijke boerderijen en stallen die aan de Molenstraat staan. Buiten de bovenstaande zes punten die de samenhang in de bebouwing waarborgen is de architectonische vormgeving daarin vrij.

Zodoende wordt er veel ruimte gelaten waarin contrast tussen de afzonderlijke bouwvolumes kan ontstaan: • De beide hoofdbouwmassa’s hebben als geheel een duidelijk te onderscheiden individuele uitstraling door middel van verschil in tenminste één van de volgende aspecten: materiaal, kleur, gevelindeling of mate van detaillering. • Beperkte plasticiteit in de gevels en het dakvlak door toevoegen van ondergeschikte bouwelementen zoals een kleine sprong in gevelvlakken (bijv. in raam- en/of entreepartij), reliëf in het metselwerk of een dakkapel. De eenduidige en eenvoudige bouwvorm van het geheel dient leidend te zijn en duidelijk herkenbaar te blijven. 9

agrarische referentie, mede door voorkomen van teveel repetitie in de gevelwand (bijv. entrees combineren in dubbele staldeur)

eenduidig bouwvolume + verbijzondering kop

wolfseind + representatieve kopgevel

kopgevel met makelaar

Zowel gedetailleerde traditionele stijlen als sobere eigentijdse architectuur mogelijk, mits ze voldoen aan de uitgangspunten voor samenhang

combinatie hout/baksteeen...

of volledig hout

GEVELMATERIAAL

DAKBEDEKKING

GEVELMATERIAAL

gevels opgetrokken uit volledig baksteen...

10

GEVELKARAKTERISTIEK

MASSA EN VORM

SITUERING

TOETSINGSKADER BEBOUWING Positie

•

De woningen worden in één continue, strakke lijn gesitueerd binnen de aanduiding ‘bouwvlak’ zoals weergegeven op de verbeelding behorende bij het bestemmingsplan.

Zijdelingse afstand

•

De zijdelingse afstand van de woning tot de perceelsgrens mag niet meer bedragen dan is aangegeven in het bestemmingsplan.

Aan- en uitbouw en bijgebouwen

•

Uitsluitend gesitueerd op minimaal 3 m. achter het verlengde van de voorgevel van de woning.

Bouwlagen

•

Maximaal 1 laag plus kap.

Gevelvorm

•

Toepassen van dakoverstek of duidelijke gevelbeëindiging als overgang naar het dakvlak, topgevels zijn zodoende niet toegestaan.

Kapvorm en -richting

• •

Zadeldak verplicht voor hoofdbouwmassa, eventueel met wolfseind. Langskappen toepassen.

Aan- en uitbouw en bijgebouwen

• •

Maximaal 1 laag. Plat afgedekt of met kap overeenkomstig hoofdbouwmassa.

Geleding

•

Overheersende verticale geleding (d.m.v. bijvoorbeeld staande ramen).

Oriëntatie

•

Uitsluiten van gesloten gevels aan de openbare ruimte, hoekwoningen hebben dus minimaal twee representatieve gevels. Met name de kopgevels gericht op de Molenstraat zorgvuldig vormgeven met voldoende gevelopeningen.

Vormgeving

•

De woningen hebben door de detaillering en architectonische vormgeving een duidelijke verwijzing naar de bestaande historische agrarische panden in de omgeving. Dit kan op een historiserende of eigentijdse wijze, mits eenduidig toegepast in het gehele plangebied.

Plasticiteit

•

De mate van toe te passen plasticiteit (mate van dieptewerking/reliëf in de gevel) is beperkt, de eenvoudige en eenduidige bouwvorm dient leidend te zijn. Toegevoegde elementen (bijv. dakkapel) en verbijzonderingen dienen integraal onderdeel uit te maken van de architectonische vormgeving van het geheel.

• Detaillering

•

MATERIALISERING

• • • • Gevel

• • • •

Dak

• •

Detaillering toepassen die karakteristiek is voor de agrarische gebouwen in de omgeving, zoals verbijzonderingen in het metselwerk (rollagen), muurankers, roedenverdeling in het raam, luiken, windveren, makelaar of een gemetselde, natuurstenen of betonnen plint/trasraam. Constructieve details en functionele onderdelen zorgvuldig ontwerpen. Toegepaste schoorstenen dienen gemetseld te zijn. Installaties maken een integraal onderdeel uit van de architectuur van het geheel. Zonnepanelen worden in een regelmatig ritme op de bebouwing geplaatst. Gevels van hoofd- en bijgebouwen overwegend uitvoeren in baksteen en/of hout. Baksteen in roodbruine tint, geen bakstenen in lichte tinten toegestaan. Afwijkende donkerdere steen voor, of cementeren van, trasraam/plint is mogelijk. Kleuren van het verfwerk voor kozijnen en overige lijsten zijn terughoudend, in beginsel traditioneel (wit of donkere/gedekte kleuren) en per bouwvolume in samenhang. Hout toepassen in de materiaaleigen kleur of zwart. Toepassen van een gebakken keramische pan - of gelijkwaardig - voor schuine daken. Dakpannen in zwart/antraciet of rustieke roodbruine kleur toepassen.

11

REFERENTIEBEELDEN ERFAFSCHEIDINGEN

Meidoornhaag

Sleedoornhaag (bloesem)

Beukenhaag (zomer en winter)

Gelderse roos

Vuilboom

Ongecultiveerde gemengde haag De groene erfafscheidingen dragen nadrukkelijk bij aan de inpassing in de landelijke omgeving 12

4.

ERFAFSCHEIDINGEN

NATUURLIJKE MATERIALEN Alle erfafscheidingen die grenzen aan en zichtbaar zijn vanaf de openbare ruimte en het omringende landschap bepalen mede de kwaliteit van het straatbeeld en de beleving vanuit de omgeving. Aangezien de ontwikkeling plaatsvindt op een locatie waar de landschappelijke kwaliteiten karakteristiek zijn, zal de uitstraling van de erfafscheidingen hierbij dienen te passen en waar mogelijk tevens aanvullend te zijn op de natuurlijke functies. Door toetsingscriteria op te stellen voor de erfafscheidingen wordt er zorg voor gedragen dat het plan ook met betrekking tot de erfafscheidingen past binnen de landschappelijke context. Bovendien wordt zo de samenhang bevorderd en daarmee een rommelig beeld voorkomen. Voor afscheidingen die grenzen aan en duidelijk zichtbaar zijn vanaf de openbare ruimte en het omringende landschap worden daarom enkel natuurlijke afscheidingen beoogd in de vorm van hagen. De haag en de omgeving van de haag hebben een positief effect op de biodiversiteit die aanwezig is in en rondom het plangebied, gezien de dekking en voedselvoorziening die de haag biedt aan allerlei soorten prooidieren. Tevens worden de hagen gebruikt als migratieroute door allerlei insecten, amfibieën en zoogdieren. De hagen zullen bestaan uit een mix van meidoorn, sleedoorn, Gelderse roos, beuk of vuilboom.

Daar waar de hagen ruimte hebben (in zij- en achtertuinen) worden ze bij voorkeur gefaseerd elke vijf of zes jaar gesnoeid, zodat ze een ongecultiveerde landelijke uitstraling krijgen. Ter ondersteuning van het groene karakter wordt het toepassen van geveltuintjes gestimuleerd. Hierbij kan een diversiteit aan (klim)planten worden toegepast. Voor erfafscheidingen tussen de privékavels onderling, is het aan de bewoners zelf een keuze te maken in de wijze van afscheiden. Vanuit de ambitie om een buurt te realiseren die zich voegt in het omringende landschap wordt er echter aangedrongen om hiervoor een continue natuurlijke heg te realiseren.

AAN DE OPENBARE RUIMTE

TOETSINGSKADER ERFAFSCHEIDING Materiaal

• •

Hoogte

• • • •

Op de perceelsgrenzen voor de voorgevel en bij zij- en achterkanten die grenzen aan of duidelijk in het zicht liggen van de openbare ruimte wordt een gemengde haag aangeplant. Hagen bestaan uit een mix van meidoorn, sleedoorn, Gelderse roos, beuk en vuilboom. Op de perceelsgrenzen voor de voorgevel is een hoogte tot 1,2 meter toegestaan. Geveltuintjes met een diepte van maximaal 40 cm. zijn gewenst. Op zijdelingse perceelsgrenzen achter de voorgevel en achterste perceelsgrenzen is een hoogte tot 2 meter toegestaan. Daar waar de hagen ruimte hebben (in zij- en achtertuinen) worden ze bij voorkeur gefaseerd elke vijf of zes jaar gesnoeid, zodat ze een ongecultiveerde landelijke uitstraling krijgen.

Gesnoeide gemengde haag

Geveltuintjes toepassen 13

mogelijkheid collectieve functie gemengde haag in openbaar gebied

voortzetting bomenrij Molenstraat

voorterrein inzaaien met biodivers mengsel

berm en oevers inzaaien met biodivers mengsel

parkeerstraatje is combinatie van een verharde rijstrook en grastegels langs de randen

oevermengsel

combinatie van, en variatie in, gras/verharding

insectenmengsel

STRAATMEUBILAIR

De openbare ruimte de uitstraling van een informeel landelijk boerenerf, waar kleuren en geuren elkaar door het jaar heen afwisselen

informele speelaanleidingen

nutsvoorziening in groen 14

natuurlijke materialen

5.

OPENBARE RUIMTE

TOETSINGSKADER OPENBARE RUIMTE Het openbaar gebied heeft als geheel de uitstraling van een informeel boerenerf, waarbij de beide bouwblokken direct aan de verharde openbare ruimte staan. De inrichting ondersteunt zo het architectonisch beeld dat naar de bestaande agrarische context refereert. Er worden drie verschillende profielen onderscheiden: 1. een woonerf met tweerichtingsverkeer tussen de aansluiting op de Molenstraat tot aan de sloot (in de toekomst mogelijk de entreeweg voor woningbouw ten oosten van het plangebied), 2. een parkeerstraatje parallel aan de Molenstraat en, 3. een breed voetpad aan de zuidzijde van het plan dat met name bedoeld is voor langzaamverkeer. De samenhang blijft door het consequent toepassen van het bestratingsmateriaal en groen echter duidelijk herkenbaar. Het parkeren vindt in principe alleen plaats in de openbare ruimte, binnen de daarvoor bestemde parkeervakken. Middels de inrichting dient het parkeren in de groenstroken voorkomen te worden zodat het groene karakter het beeld zoveel mogelijk blijft bepalen. Door de parkeervakken bovendien uit te voeren in een combinatie van verharding en gras dragen deze bij aan de gewenste groene sfeer. Om te voldoen aan de gemeentelijke parkeernoem van 2 plekken per woning voorziet het plan in een parkeercapaciteit van 20 parkeerplaatsen.

Uit ervaring met deze typologie huurwoningen blijkt echter, dat in de praktijk een parkeernorm van 1,4 plekken per woning volstaat. Daarom worden 6 parkeerplaatsen vooralsnog zo groen mogelijk ingericht. Mocht het nodig zijn dan kunnen ze echter toegevoegd worden aan de parkeercapaciteit. Met een traditionele inrichting zal het plan met ca. 60 m2 openbaar groen per woning niet voldoen aan de gemeentelijk gewenste 75 m2 per woning. Daarom wordt met de inrichting extra aandacht besteed aan het creëren van een sterk groen beeld: het parkeren maakt in het straatbeeld integraal onderdeel uit van de groenstroken en het parkeerstraatje bestaat uit een verharde rijbaan met relatief beperkte breedte, waarnaast grastegels worden toegepast. Hierdoor kan de gemeente met een kanttekening akkoord gaan met dit plan. Langs de Molenstraat wordt de straat begeleid door een landelijke bomenlaan in een brede berm met grassen en bloemen die interessant zijn voor insecten en daarom ook insectvriendelijk (extensief) onderhouden wordt. Deze bomen vormen een continuering van de bomenrijen die momenteel ook voorkomen langs deze landelijke route. De noordelijkwestelijke hoek wordt helemaal vrijgehouden waardoor zicht op, en zicht vanuit de bestaande monumentale boerderij blijft bestaan. In deze ruimte is er de mogelijkheid om een collectieve functie toe te voegen.

Te denken valt aan (een combinatie van) een informele speelvoorziening, zitgelegenheid of sier-, pluk- en/of kruidentuin. De keuze voor de definitieve inrichting en functie kan ter zijner tijd overgelaten worden aan de toekomstige bewoners. Langs de oostelijke grens wordt de sloot verbreed naar maximaal 8 meter om de toename aan verharding te compenseren. Dit vindt plaats aan de zijde van het aangrenzende agrarische perceel dat tevens in eigendom is van De Kernen. De slootkanten worden ingezaaid met een mix van oeverbeplanting, waarin een wandelpad uitgemaaid kan worden dat als informele noord-zuid route gebruikt kan worden. De zuidzijde van het plangebied grenst aan een A-watergang, waarlangs een onderhoudszone vrijgehouden dient te worden. Solitair kan een wilgenboom geplant worden, zoals die ook aan de zuidzijde van de watergang voorkomen. De groenstrook functioneert tevens als informeel klompenpad die de verbinding legt met de woonwijk aan de oostzijde. Tussen de noordelijke parkeerstrook en het bestaande bijgebouw wordt een haag voorzien die overeenkomt met de gemengde hagen zoals die voorgesteld zijn in het hoofdstuk over de erfafscheidingen. Zo ontstaat een uniform beeld.

Om het gebruik van de openbare ruimte en de samenhang ervan te optimaliseren gelden de volgende criteria: • Toepassen van zo min mogelijk verschillende materialen om een rustig en samenhangend straatbeeld te verkrijgen. • Bij voorkeur toepassen van gebakken straatmaterialen. • Functieaanduidingen enkel waar nodig aangegeven d.m.v. afwijkend materiaalgebruik of een bescheiden (kleur) nuance in de bestrating of beplanting. • Waar mogelijk ondersteunt de inrichting het groene, agrarische karakter van de woonomgeving, gebruik van grastegels is daarbij zeer wenselijk. • Bomen en onderbeplanting (haag of struik) toevoegen die de diversiteit vergroten en klimaatbestendig zijn, waar mogelijk met voldoende sierwaarde en aantrekkelijk voor vogels, vlinders en bijen. • Kleurgebruik bestrating afstemmen op de warme gevelmaterialen. • Uniformiteit in zowel vorm als materiaal-, en kleurgebruik bij toe te passen verlichtingselementen en straatmeubilair. • Verlichtings- en andere inrichtingselementen ondersteunen het groene, landschappelijke karakter van de woonbuurt en hebben een sobere en tijdloze vormgeving die passend is bij de diverse architectonische stijlen die mogelijk zijn. • Aandacht voor de inpassing van opstelruimte voor kliko’s (of een centrale ondergrondse container) en voldoende manoeuvreerruimte voor een vuilniswagen.

• Kasten voor nutsvoorzieningen (trafo-kasten, verdeelkasten) worden geplaatst tegen de erfscheidingen op het openbaar gebied en ingepast met groen. • Het regenwater wordt zoveel mogelijk oppervlakkig afgevoerd naar de oostelijke sloot, hierop dienen de peilhoogtes afgestemd te worden. Voor het afvalwater is een vrijverval riolering van toepassing. De woningen komen hierdoor hoger te staan dan de weg en de naastgelegen boerderij. 15

BIJLAGE II

WATERTOETS MOLENSTRAAT TE BRUCHEM

Rapportage watertoets Molenstraat te Bruchem Opdrachtgever

De Kernen Postbus 13 5320 AA Hedel

Rapportnummer Versienummer

15960.001 D4

Status

Eindrapportage

Datum

20 maart 2023

Vestiging

Brabant Heinz Moormannstraat 1b 5831 AS Boxmeer 0485 - 581818 boxmeer@econsultancy.nl

Opsteller

De heer ing. R. van den Berg

Paraaf

Kwaliteitscontrole

De heer R.A.F. Smeets, BASc BEd

Paraaf

Kwaliteitszorg Econsultancy werkt volgens een dynamisch kwaliteits- en milieusysteem, zoals beschreven in het kwaliteits- en milieuhandboek. Ons kwaliteits- en milieusysteem is gecertificeerd volgens de eisen in de NEN-EN-ISO 14001:2015.

INHOUDSOPGAVE 1

INLEIDING .................................................................................................................................. 1

2

LOCATIEGEGEVENS ................................................................................................................ 2

3

WATERRELEVANT BELEID ...................................................................................................... 3 3.1 3.2

4

OMGEVINGSASPECTEN .......................................................................................................... 5 4.1 4.2 4.3 4.4 4.5 4.6 4.7

4.8 5

Planvoornemen............................................................................................................... 12 Verhard oppervlak .......................................................................................................... 13 Waterbergingsopgave .................................................................................................... 13

PLANUITWERKING .................................................................................................................. 14 6.1 6.2

6.3 6.4 7

Hoogteligging .................................................................................................................... 5 Bodemopbouw .................................................................................................................. 5 Geohydrologie .................................................................................................................. 5 Grondwater ....................................................................................................................... 6 Peilbeheer ......................................................................................................................... 8 Oppervlaktewater.............................................................................................................. 8 Ontwatering en drooglegging ......................................................................................... 10 4.7.1 Ontwatering ...................................................................................................... 10 4.7.2 Drooglegging .................................................................................................... 10 4.7.3 Maatregelen......................................................................................................

11 Riolering .......................................................................................................................... 11

TOEKOMSTIGE ONTWIKKELING ........................................................................................... 12 5.1 5.2 5.3

6

Waterschap Rivierenland ................................................................................................. 3 Gemeente Zaltbommel ..................................................................................................... 4

Randvoorwaarden en uitgangspunten ........................................................................... 14 Hemelwater..................................................................................................................... 14 6.2.1 Algemeen ......................................................................................................... 14 6.2.2 Hemelwatervoorziening .................................................................................... 14 6.2.3 Calamiteit.......................................................................................................... 15 6.2.4 Kwaliteit ............................................................................................................ 15 6.2.5 Beheer en onderhoud ....................................................................................... 15 Keur ................................................................................................................................ 15 Riolering .......................................................................................................................... 16

CONCLUSIE ............................................................................................................................. 16

BIJLAGEN: 1. 2. 3. 4. 5.

- Topografische ligging - Gegevens locatiespecifieke onderzoeken - Schetsontwerp Molenstraat 5 - Resultaten digitale watertoets - Samenvatting digitale watertoets

15960.001

1

INLEIDING

Econsultancy heeft van De Kernen opdracht gekregen voor het opstellen van een watertoets voor een ontwikkeling aan de Molenstraat te Bruchem. De initiatiefnemer is voornemens om 10 nieuwe woningen te realiseren. Voor de gronden vigeert de beheersverordening ‘Bruchem en Nieuwaal’ (vastgesteld 26-09-2019). De gronden zijn bestemd als Agrarisch - bedrijf. De ontwikkeling van wonen is niet mogelijk binnen de bestaande bestemmingsstructuur. Om het plan te realiseren is een bestemmingsplanwijziging nodig. Bij nieuwe ontwikkelingen dient onderzocht moet te worden hoe in het toekomstige plan op een duurzame wijze kan worden omgegaan met hemelwater. Hierbij speelt vasthouden, bergen en afvoeren van water in eigen gebied een belangrijke rol. Wanneer voor bouwplannen een bestemmingsplanwijziging nodig is, zal als een verplicht onderdeel van een ruimtelijk plan of besluit, een waterparagraaf opgenomen moeten worden. De waterparagraaf beschrijft de invloed van het plan op het watersysteem en geeft aan welke eisen het watersysteem aan het besluit of plan oplegt. Daarnaast worden de waterhuishoudkundige consequenties van het plan of besluit hierin meegenomen en omvat het op basis van de gemaakte afwegingen een wateradvies. Om invulling te kunnen geven aan de waterparagraaf en de waterbelangen te waarborgen dient in deze situatie de watertoets-procedure te worden doorlopen.

De watertoets bevat een onderbouwing voor de waterparagraaf die een onderdeel vormt van de ruimtelijke onderbouwing. De watertoets is géén aparte procedure, maar is een traject dat geïntegreerd is in de procedure van het ruimtelijk plan of besluit. Uitgangspunt hierbij is dat een ruimtelijk besluit of plan geen slechtere waterhuishoudkundige situatie oplevert dan in het bestaande beleid is vastgelegd. In deze rapportage is beschreven op welke wijze rekening is gehouden met de waterhuishoudkundige aspecten en het beleid van de waterbeheerders (waterschap Rivierenland en de gemeente Zaltbommel). De informatie over de planlocatie is onder andere gebaseerd op informatie verkregen van de opdrachtgever (contactpersoon de heer Boon). Als onderdeel van de watertoets is de digitale watertoets van het waterschap doorlopen. Waterschap Rivierenland is via deze weg van het ruimtelijk plan op de hoogte gebracht. De samenvatting en resultaat van deze digitale toets zijn bijgesloten in bijlage 5 en 6.

Rapport 15960.001 versie D4

Pagina 1 van 16

2

LOCATIEGEGEVENS

De planlocatie (2.485 m²) is gelegen aan de Molenstraat (nabij nummer 1) te Bruchem, ten noordwesten van de kern van Bruchem en is kadastraal bekend Kerkwijk, sectie S, nummer 507 en 527. De coördinaten van een centraal punt zijn X = 144.242, Y = 422.231. Op de planlocatie is een parkeerplaats (116 m2) aanwezig die is verhard met een klinkerverharding. De rest van de planlocatie is in gebruik als weiland en is voor zover bekend altijd onbebouwd en onverhard geweest. In figuur 2-1 is de begrenzing van de planlocatie weergegeven. De topografische ligging is opgenomen in bijlage 1.

Figuur 2-1. Ligging en begrenzing planlocatie

Rapport 15960.001 versie D4

Pagina 2 van 16

3

WATERRELEVANT BELEID

De planlocatie is gelegen binnen het beheersgebied van waterschap Rivierenland en de gemeente Zaltbommel. 3.1

Waterschap Rivierenland

Het Waterbeheerprogramma 2022-2027 is bepalend voor het waterbeleid. Dit plan gaat over het waterbeheer in het hele rivierengebied en het omvat alle watertaken van het waterschap: waterkeringen, waterkwantiteit, waterkwaliteit en waterketen. Daarnaast beschikt het Waterschap Rivierenland over een verordening: de Keur voor waterkeringen en wateren. Hierin staan de geboden en verboden die betrekking hebben op watergangen en waterkeringen. Voor het uitvoeren van werkzaamheden kan een vergunning nodig zijn. De werkzaamheden in of nabij de watergangen en waterkeringen worden getoetst aan de beleidsregels. Versnelde afvoer van hemelwater Aanleg van nieuw verhard oppervlak leidt tot versnelde afvoer van hemelwater naar watergangen. Om te voorkomen dat hierdoor wateroverlast ontstaat is voor plannen met een toename van verharding compenserende waterberging nodig. Het waterschap bepaalt aan de hand van normbuien hoeveel waterberging nodig is. Er zijn vuistregels vastgesteld voor de benodigde waterberging in ruimtelijke plannen. Bij de keuze van het soort bergingsvoorziening hanteert het waterschap de trits vasthouden-bergenafvoeren. In aansluiting hierop hanteert het waterschap de volgende voorkeursvolgorde:   

Hemelwater vasthouden door hergebruik of infiltratie; Hemelwater bergen in open water (of droogvallende watergang); Hemelwater bergen in kunstmatige bergingsvoorzieningen (wadi, bassins, kratten, kelders).

Waterberging in open water Bij waterberging in open water bedraagt de waterberging technisch gezien de ruimte tussen het zomerwaterpeil in de sloot en de bovenzijde van de oever (zie figuur 3-1). Voor plannen met een toename aan verharding kan de vuistregel van 436 m³ per hectare verharding worden gebruikt bij bui T=10+10% en 664 m³ bij bui T=100+10%. De maatgevende afvoer bedraagt 1,5 l/s/ha. Bij een bui T=10+10% mag het waterpeil in principe maximaal 0,30 meter stijgen. In het gebied Alblasserwaard en Vijfheerenlanden geldt voor die situatie een maximaal toelaatbare peilstijging van 0,20 meter vanwege de beperkte drooglegging in het gebied. Bij een regenbui die eenmaal per 100 jaar kan voorkomen (T= 100+10%) mag het waterpeil stijgen tot de laagste putdekselhoogte op wijkniveau.

Figuur 3-1: voorbeeld waterberging in oppervlaktewater

Rapport 15960.001 versie D4

Pagina 3 van 16

Waterberging in kunstmatige bergingsvoorziening In sommige situaties kan waterbergingscompensatie niet plaatsvinden in de vorm van open water. Indien het realiseren van open water niet mogelijk is kan hemelwater worden geborgen in een alternatieve kunstmatige bergingsvoorziening. Indien compensatie plaatsvindt in een kunstmatige bergingsvoorziening hanteert het waterschap de richtlijn dat de gemiddelde hoogste grondwaterstand (GHG) meer dan 50 cm onder de bodem van de bergingsvoorziening moet liggen. Bij een regenbui die eenmaal per 100 jaar kan voorkomen (T= 100+10%) mag het waterpeil stijgen tot de laagste putdekselhoogte op wijkniveau. De ledigingstijd van het systeem bedraagt maximaal 48 uur. 3.2

Gemeente Zaltbommel

Het waterbeleid van de gemeente Zaltbommel is onder meer vastgelegd in het Water- en RioleringsPlan Bommelerwaard (WRP). Het WRP is hét overkoepelend beleidsplan waarin de ambities rondom riolering en water zijn verwoord. De grondeigenaar is zelf verantwoordelijk voor de staat van zijn woning en perceel. Dit betekent dat hij zelf verantwoordelijk is voor het op eigen perceel treffen van maatregelen voor de inzameling van huishoudelijk afvalwater en afwatering van hemel- en grondwater. Bij nieuwbouwlocaties wordt middels het wettelijk verplichte proces van de "watertoets" vooraf (dus voordat er een schop de grond in gaat) beoordeeld en getoetst of de waterhuishoudkundige belangen expliciet en op evenwichtige wijze bij de ontwikkeling worden meegenomen. Hemelwater Bij nieuwbouw wordt actief gestuurd op het schoonhouden van het hemelwater. In kwalitatieve zin hanteert de gemeente de ‘trits’: schoonhouden-scheiden-zuiveren. In kwantitatieve zin de ‘trits’: vasthouden-bergen-afvoeren. De voorkeur gaat hierbij uit naar het bovengronds ontvangen van hemelwater. De gemeente Zaltbommel neemt daarin het uitgangspunt van waterschap Rivierenland over, dat nieuwbouw niet mag leiden tot versnelde afvoer van hemelwater naar watergangen en om wateroverlast te voorkomen voorzien wordt in voldoende compenserende maatregelen.

Grondwater Het watersysteem in de Bommelerwaard staat sterk onder invloed van de rivierwaterstanden, wat periodiek leidt tot kwel en hoge grondwaterstanden. De kleiige grondslag in de Bommelerwaard zorgt daarnaast voor vertraging van infiltratie van regenwater naar de diepe ondergrond, wat voor grote fluctuaties kan zorgen in de deklaag. Vanuit de waterwet wordt van een perceeleigenaar verwacht dat hij zijn grondwater op zijn eigen terrein verwerkt. Eigenaren zijn zelf verantwoordelijk dat hun eigendom zowel aan de bovenzijde als de onderzijde waterdicht is. De gemeente Zaltbommel neemt daarin het uitgangspunt van waterschap Rivierenland over, dat als gevolg van de nieuwbouw geen grondwater permanent mag worden afgevoerd. In gebieden waar (periodiek) een hoge grondwaterstand heerst, moeten passende maatregelen worden getroffen om grondwateroverlast te voorkomen.

Rapport 15960.001 versie D4

Pagina 4 van 16

4

OMGEVINGSASPECTEN

In dit hoofdstuk wordt de regionale geohydrologische situatie van de planlocatie beschreven. Hierbij wordt ingegaan op aspecten als bodemopbouw, grondwater, waterbeheer en riolering. 4.1

Hoogteligging

Volgens het Actueel Hoogtebestand van Nederland 1, wordt het maaiveld gekenmerkt door een hoogteverloop van circa 2,7 m +NAP in het noorden tot circa 2,3 m +NAP in het zuiden van de planlocatie. De Molenstraat, ten westen van de planlocatie, ligt op een hoogte van 2,9 m +NAP. 4.2

Bodemopbouw

Uit locatiespecifiek onderzoek2,3 uitgevoerd op 1, 2 en 17 juli 2013 en 13 augustus 2013 blijkt de bovengrond voornamelijk te bestaan uit zwak zandige klei. De bovengrond is bovendien zwak puinhoudend. De ondergrond bestaat zwak tot matig siltige klei. Lokaal zijn sporen van een zwak tot matige olie-water reactie aangetroffen. Ter plaatse van boring PB100 is vanaf een diepte van circa 2,30 m -mv zeer grof zand waargenomen. In bijlage 2 zijn de gegevens van beide locatie specifieke onderzoeken weergegeven. 4.3

Geohydrologie

Om inzicht te krijgen in de gelaagdheid van goed doorlatende en slecht doorlatende lagen (hydrogeologische eenheden) van de (diepe) bodem is gebruik gemaakt van het REGIS II v2.2 en GeoTOP v1.4 model van TNO. Beide modellen geven op een schematische wijze inzicht in de hydrogeologische opbouw en doorlatendheid van de ondergrond op een regionale schaal. Op basis van de gegevens uit de modellen van TNO blijkt het eerste watervoerend pakket te worden gevormd door respectievelijk de formaties van Echteld, Boxtel, Beegden en Sterksel. Op het eerste watervoerende pakket liggen ligt een deklaag van Holocene afzettingen met een dikte van ± 6,5 m. Deze deklaag behorende tot de formatie van Echteld, bestaat overwegend uit een afwisseling van klei en zandige klei. Tabel 1. Geohydrologie Diepte m -mv

Formatie

Typering

Bodem

0,0-0,5

Antropogeen

DKL

Zand

0,5-2,5

Echteld

DKL

Kleiig zand

2,5-3,5

Echteld

DKL

Zand

3,5-6,5

Echteld

DKL

Klei

6,5-21,0

Boxtel

WVP

Zand

21,0-28,0

Beegden

WVP

Zand

28,0-53,0

Sterksel

WVP

Zand

DKL = Deklaag WVP = Watervoerend pakket SDL = Slecht doorlatende laag

www.ahn.nl Nader bodemonderzoek Molenstraat 5 te Bruchem, 25-07-2013, B13.5347 3 Nader bodemonderzoek (fase 2), Molenstraat 5 te Bruchem, 13-09-2013, B13.5347/BRFRPP-01/CS 1 2

Rapport 15960.001 versie D4

Pagina 5 van 16

4.4

Grondwater

Veranderingen in de grondwaterstand (stijghoogte) worden voornamelijk veroorzaakt door neerslag en verdamping, maar ook door ingrepen in de waterhuishouding. De stijghoogte kan daardoor van dag tot dag verschillen. Voor beleid, vergunningen en ontwateringsdieptes is het belangrijk om te weten wat de actuele karakteristieken zijn, zoals de GHG en de GLG (Gemiddeld Hoogste Grondwaterstand en Gemiddelde Laagste Grondwaterstand). Tijdens beide locatiespecifieke onderzoeken zijn peilbuizen geplaatst. De filterstellingen zijn bepaald op basis van de grondwaterstand, zoals deze tijdens de veldwerkzaamheden op 1 en 2 juli4 en 13 augustus 20135 is ingeschat. Voorafgaand aan de grondwaterbemonstering op 17 juli en 20 augustus 2013 is de grondwaterstand in de peilbuizen gemeten. Tabel 2 geeft een overzicht van de peilbuisgegevens en de resultaten van de veldmetingen*. Tabel 2. Overzicht gegevens peilbuizen en veldmetingen grondwater op 17 juli en 13 augustus 2013 Peilbuisnummer

Filterstelling (m -mv)

Grondwaterstand (m -mv)

PB100

1,6 - 2,6

1,28

PB200

4,50 - 5,50

1,40

PB201

1,90 - 2,90

1,20

PB202

2,00 - 3,00

1,26

PB203

1,60 - 2,60

1,10

TNO-NITG voert het databeheer van in de omgeving aanwezige grondwaterpeilputten waarin de grondwaterstandstand in het eerste watervoerende pakket wordt gemonitord. Middels de interactieve grondwatertools ‘Isohypsen’ en ‘Grondwaterdynamiek’ van de Geologische Dienst Nederland worden de historische grondwatermeetreeksen uit het archief van TNO gesimuleerd met behulp van dagelijkse metingen van neerslag en verdamping uit gegevens van het KNMI. In het archief van TNO zijn in de directe nabijheid van de planlocatie geen bruikbare grondwaterdata beschikbaar. Voor de bepaling van de locatiespecifieke grondwaterkarakteristieken is gebruik gemaakt van historische grondwaterdata van grondwatermeetpunten uit de omgeving. De historische meetreeksen van de gebruikte grondwatermeetpunten zijn geïnterpoleerd naar de planlocatie. In tabel 3 zijn de gegevens van de grondwaterpeilputten opgenomen. In figuur 4-1 is de situering van de grondwaterpeilputten weergegeven. * Opmerking: Gemeten grondwaterstanden zijn momentopnamen en dienen met de nodige voorzichtigheid te worden gehanteerd, omdat: 

Waterniveaus gemeten direct na plaatsing van een sondering, boring of peilbuis, significant kunnen afwijken van de heersende grondwaterstand of stijghoogte. Het kan namelijk enige tijd duren voordat een representatieve waterspiegel is ingesteld (enkele seconden in grof zand tot soms enkele uren in slecht doorlatende klei). De grondwaterstand onder invloed van seizoensafhankelijke factoren in de tijd zal fluctueren. Deze fluctuatie varieert per regio/gebied.

Een representatief beeld hiervan kan slechts worden gekregen door monitoring van de grondwaterstand gedurende langere tijd en/of door tijdreeksanalyse van gedurende langere tijd gemonitorde peilbuizen uit de omgeving.

4 Nader bodemonderzoek Molenstraat 5 te Bruchem, 25-07-2013, B13.5347 5 Nader bodemonderzoek (fase 2), Molenstraat 5 te Bruchem, 13-09-2013, B13.5347/BRFRPP-01/CS

Rapport 15960.001 versie D4

Pagina 6 van 16

Het grondwater van het eerste watervoerend pakket stroomt volgens van de geraadpleegde bronnen, in zuid tot zuidoostelijke richting. Tabel 3. Overzicht grondwaterpeilputten TNO grondwaterpeilput

windrichting t.o.v. locatie

afstand t.o.v. locatie (m)

meetperiode

GLG (m +NAP)

GHG (m +NAP)

B45A2508

O

550

30-05-2013 / 24-12-2020

1,30

1,75

B45A0432

O

1.055

03-04-2004 / 31-12-2019

1,15

1,65

B45A2509

ZO

475

30-05-2013 / 24-12-2020

1,10

1,60

Figuur 4-1. Situering grondwaterpeilputten TNO en isohypsenlijnen

Op basis van de gegevens van deze grondwaterpeilputten alsmede de grondwaterstromingsrichting is voor de planlocatie ingeschat dat de Gemiddelde Hoogste Grondwaterstand (GHG) is gelegen op circa 2,0 m +NAP. Hiermee zou de GHG zich op ± 0,30 tot 0,70 m -mv bevinden. Op basis van de gegevens in de Klimaateffectatlas is de GHG gelegen op een hoogte van 0,4 - 0,8 m -mv. De planlocatie ligt niet in een grondwaterbeschermings- en/of grondwaterwingebied.

Rapport 15960.001 versie D4

Pagina 7 van 16

4.5

Peilbeheer

Binnen het plangebied is het oppervlaktewater peilbeheerst. De hoogte van het freatisch grondwater wordt in een dergelijke situatie bepaald door de opbolling tussen het aanwezige oppervlaktewater. Het plangebied is gelegen binnen peilvak BOM311 van het deelstroomgebied Bommelerwaard. In dit peilvak geldt een zomerpeil van 1,60 m +NAP en een winterpeil van 1,45 m +NAP. Water in het gebied watert onder vrij verval af of d.m.v. bemaling (circa 90 % van de tijd) via gemaal H.C. de Jongh op de Afgedamde Maas. 4.6

Oppervlaktewater

Voor het waterschap is de legger, samen met de keur, hèt instrument om te zorgen voor veilige dijken, droge voeten, voldoende en schoon water. De legger bestaat uit een set van kaarten. Daarop staat welke rivieren, beken, vennen en regenwaterbuffers, lijnvormige elementen, waterkeringen en kunstwerken (stuwen, sluisdeuren en kademuren) het waterschap in beheer heeft en waar ze liggen. De legger bevat ook een register waarin staat wie waar en waarvoor het onderhoud moet doen. Tot slot bevat de legger zones (zoneringen) voor toekomstige ontwikkelingen en bescherming van het watersysteem. Op de leggerkaart van waterschap Rivierenland zijn de in de directe omgeving van de planlocatie gelegen oppervlaktewateren weergegeven. De planlocatie grenst in het zuiden aan een A-watergang (007910) en in het oosten aan een C-watergang (086045). Vanuit de watergang 007910 wordt water in westelijke richting via een duiker onder de Molenstraat afgevoerd naar A-watergang 007878 die aan de overzijde van de Molenstraat is, gelegen. In figuur 4-2 is een uitsnede van de leggerkaart weergegeven.

Figuur 4-2. Uitsnede legger oppervlaktewater waterschap Rivierenland

Rapport 15960.001 versie D4

Pagina 8 van 16

Tijdens een locatie inspectie uitgevoerd op 14 oktober 2022 is het watersysteem nader geïnspecteerd. Uit de inspectie is gebleken dat C-watergang 086045 is aangesloten op de A-watergang 007910 door middel van een duiker met een diameter van 150 mm6. Aan de zijde van de C-watergang (instroomzijde) is de duiker deels stuk, zie figuur 4-3. Aan de zijde van de A-watergang (uitstroomzijde) is de duiker geheel onder water gelegen.

Figuur 4-3: Duiker C-watergang

Figuur 4-4 C-watergang (fotorichting noord-zuid)

Figuur 4-5 A-watergang (fotorichting oost-west)

6 Bij een opwaardering van C- naar B-water is een grotere diameter duiker vereist. Voor de aanleg van de duiker is een vergun-

ning nodig. Voor de aanvraag is de algemene regel WT 7 (dam met duiker) van toepassing.

Rapport 15960.001 versie D4

Pagina 9 van 16

4.7

Ontwatering en drooglegging

Om grondwateroverlast te voorkomen dient bij het ontwerp rekening gehouden te worden met minimale ontwateringsdiepten en droogleggingseisen. Uitgangspunt hierbij is dat bij de inrichting van (nieuw) stedelijk gebied in principe wordt aangesloten bij de huidige grond- en oppervlaktewaterpeilen, en dat er ten gevolge van de inrichting van het betreffende gebied geen negatieve effecten op de omgeving ontstaan (verdroging of vernatting). Met andere woorden, hydrologisch neutraal ontwerpen.

Figuur 4-6. Ontwatering en drooglegging

4.7.1 Ontwatering De ontwateringsdiepte is het verschil in hoogte tussen het maaiveld en de maximaal optredende grondwaterstand. De gemeente Zaltbommel hanteert bij nieuwbouw de volgende ontwateringseisen:     

1,00 m 0,30 m 1,00 m 0,70 m 0,50 m

bij bebouwing (met kruipruimte); bij bebouwing (zonder kruipruimte); bij ontsluitingswegen; bij erftoegangswegen; bij tuinen en groenvoorzieningen.

Het huidige maaiveld is gemiddeld gelegen op een hoogte van circa 2,7 tot 2,3 m +NAP. De GHG is ingeschat op 2,0 m +NAP (± 0,30 tot 0,70 m -mv). De ontwatering zal ten aanzien van de (bouw)peilen in de toekomstige situatie niet overal voldoende zijn. 4.7.2 Drooglegging Ten aan zien van de drooglegging geldt ten opzichte van zomerpeil een drooglegging van 0,70 meter voor het maaiveld (tuinen/groen), een drooglegging van 1,0 meter voor wegen en een drooglegging van 1,3 meter voor het bouwpeil. Het huidige maaiveld is gemiddeld gelegen op een hoogte van circa 2,7 tot 2,3 m +NAP. De drooglegging bedraagt 1,1 tot 0,7 m. De drooglegging is ten aanzien van de (bouw)peilen in de toekomstige situatie niet overal voldoende.

Rapport 15960.001 versie D4

Pagina 10 van 16

4.7.3 Maatregelen Geadviseerd wordt om de toekomstige bouwpeilen circa 30 cm hoger aan te leggen dan het naastgelegen wegpeil. Op basis van het wegpeil van de Molenstraat (2,9 m +NAP) zou het bouwpeil op circa 3,2 m +NAP moeten komen te liggen. Dit betekent dat de lager gelegen delen van de planlocatie maximaal 0,9 m opgehoogd moeten worden. Op basis van de grondwaterstanden en fluctuatie zullen inzake de ontwikkeling zowel voor, tijdens als wellicht na realisatie maatregelen genomen moeten worden. 4.8

Riolering

In de Molenstraat is een vrijverval riool gelegen. Dit sluit, ter hoogte van de planlocatie, aan op de aanwezige drukriolering. Vanwege de doelmatige werking van een druk riolering is het niet toegestaan om hemelwater hierop af te voeren.

Figuur 4-7. Riolering (Bron: Klic)

Rapport 15960.001 versie D4

Pagina 11 van 16

5 5.1

TOEKOMSTIGE ONTWIKKELING Planvoornemen

De initiatiefnemer is voornemens de locatie te herontwikkelen. De herontwikkeling voorziet in de realisatie van 10 woningen in combinatie met de realisatie van de ontsluiting en de openbare ruimte. In figuur 5-1 is een impressie van het planvoornemen weergegeven.

Figuur 5-1. Schetsontwerp (bron: De Kernen)

Rapport 15960.001 versie D4

Pagina 12 van 16

5.2

Verhard oppervlak

Om een indicatie te geven van het toekomstig verhard oppervlak is uitgegaan van het schetsontwerp zoals opgenomen in bijlage 3. In tabel 4 is een overzicht weergegeven van de verdeling van het toekomstig oppervlak.

Tabel 4.

Verdeling toekomstig oppervlak Terrein

Toekomstig (m²)

Uitgeefbaar

820

Verharding

673

Parkeren

252

Groen

603

Water (insteek-insteek)

137

Totaal

2.458

De berekening van het toekomstig verhard oppervlak is weergegeven in tabel 5. In het kader van de watertoets is van het uitgeefbaar oppervlak 90 % aangenomen als toekomstig verhard oppervlak. In de toekomstige situatie worden de openbare parkeerplekken uitgevoerd met grasbetontegels. In dat kader worden deze voor 50 % beschouwd als verhard. Tabel 5.

Gegevens huidig en toekomstig verhard oppervlak Terrein

Huidig (m²)

Toekomstig (m²)

Uitgeefbaar*

0

738

Verharding

116

673

Parkeren (halfverharding**)

0

125

Totaal

116

1.536

* 90 % verhard ** 50 % verhard

Ten opzichte met de huidige situatie zal het verhard oppervlak toenemen met 1.420 m2. Het verhard oppervlak in de toekomstige situatie bedraagt 1.536 m2. 5.3

Waterbergingsopgave

Op basis van de toename van het toekomstig verhard oppervlak en de bergingseis bedraagt de waterbergingsopgave voor het plangebied in totaal circa 94 m3 (1.420 m2 x 0,0664 m).

Rapport 15960.001 versie D4

Pagina 13 van 16

6 6.1

PLANUITWERKING Randvoorwaarden en uitgangspunten

In het kader van de planontwikkeling is het proces van de digitale watertoets doorlopen. Uit de toets volgt dat de gangbare watertoetsprocedure gevolgd dient te worden. Dit betekent dat er nader overleg plaats moet vinden met Waterschap Rivierenland. De samenvatting en de resultaten van de digitale watertoets zijn opgenomen in bijlage 4 en 5.Ten aanzien van het plan en de omgang met hemelwater zijn de volgende uitgangspunten gehanteerd:

     

Toepassen voorkeursvolgorde waterkwantiteit (vasthouden, bergen en afvoeren). Toepassen voorkeursvolgorde waterkwaliteit (schoonhouden, scheiden, zuiveren). De ontwikkeling dient hydrologisch neutraal plaats te vinden (HNO). Niet afwentelen op anderen in ruimte en tijd. De wateropgave baseren op de toename van het toekomstig verhard oppervlak. Vooralsnog is uitgegaan van 1.420 m2. Infiltratie- en bergingsvoorzieningen in het plan dimensioneren conform 66,4 mm gerekend over het aantal m2. Elke demping moet voor 100% gecompenseerd worden. Wateropgave 94 m3. Calamiteit in beschouwing nemen (mag niet tot overlast leiden). Aanlegdiepte bergingsvoorzieningen boven de GHG. GHG ingeschat op 2,0 m +NAP ( 0,30-0,70 m -mv). Bouwen volgens Duurzaam Bouwen (DuBo) principe.

6.2

Hemelwater

     

6.2.1 Algemeen In de toekomstige situatie zal het schone hemelwater (zogenaamde hemelwaterafvoer; HWA) niet op het vuilwater (zogenaamde droogweerafvoer; DWA) worden aangesloten maar separaat worden verwerkt. Het hemelwater wordt door middel van één verzamelleiding per gebouw (één pijp per gebouw) afgevoerd op de achterliggende C-watergang. Om te kunnen voorzin in voldoende waterberging zal de C-watergang worden verbreed en worden opgewaardeerd tot B-watergang. Dit betekent dat bij de verdere planuitwerking water expliciet en op evenwichtige wijze in beschouwing wordt genomen en dat hemelwater op een duurzame wijze wordt verwerkt. De ontwikkeling zal daarmee hydrologisch neutraal zijn. 6.2.2 Hemelwatervoorziening Het plan voorziet in de verbreding van de watergang die is gelegen aan de oostzijde van de planlocatie. De watergang moet voldoen aan T=10 + 10 %. Hierbij geldt de vuistregel 436 m 3 per hectare verharding. Bij een bui T=10+10% mag het waterpeil in principe maximaal 0,30 meter stijgen. Voor deze ontwikkeling geldt dat de watergang verbreed moet worden om circa 62 m3 (1.415 m2 x 0,0436 m) water te kunnen verwerken. Uitgaande van een maximale peilstijging van 0,3 m komt dit overeen met een ruimtegebruik van circa 206 m2. In het planvoornemen wordt, middels de verbreding, in totaal circa 238 m2 wateroppervlak gerealiseerd.

Dit is voldoende om de watercompensatie te kunnen bergen.

Rapport 15960.001 versie D4

Pagina 14 van 16

6.2.3 Calamiteit Het beschreven systeem is dusdanig robuust dat een situatie waarbij in een korte tijd 43,6 mm neerslag geen inundatie zal optreden. Afstroming van hemelwater richting gebouwen en/of aangrenzende percelen dient te worden voorkomen. 6.2.4 Kwaliteit Uitgangspunt bij elke ruimtelijke ontwikkeling is, dat de kwaliteit van oppervlaktewater en grondwater ten opzichte van de huidige situatie niet mag verslechteren. Waar mogelijk wordt een verbetering nagestreefd. De waterkwaliteit wordt beïnvloed door het (veranderende) ruimtegebruik en het gebruik van bouwmaterialen. Om de water- en bodemkwaliteit niet negatief te beïnvloeden wordt gebruik gemaakt van niet uitlogende bouwmaterialen (koper, zink, lood). De emissies vanuit bouwmaterialen worden beperkt door gebruik te maken van producten die voorzien zijn van een keurmerk. 6.2.5 Beheer en onderhoud Het beheer en onderhoud van A-watergangen is gelegen bij het waterschap. Voor B- en C-watergangen zijn dit de aangelegen eigenaren. Om de watergangen goed te kunnen beheren en onderhouden is voor B- en A-watergangen een beschermingszone opgenomen. De beschermingszone voor een Bwatergang is 1 m vanaf insteek en voor een A-watergang 4 m. Een C-watergang kent geen beschermingszone. De huidige C-watergang zal opgewaardeerd worden tot B-watergang. Aan beide zijden van de watergang wordt een schouwzone gerealiseerd.

De beschermingszone van de A-watergang 007910 dient in zijn geheel obstakelvrij te blijven. Voor het aanplanten en behouden van bomen in de beschermingszone van een B-watergang geldt de algemene regel WT 10 (bomen). Het waterschap adviseert zowel langs de A-watergang als langs de B-watergangen een strook van minimaal 4 m vrij te houden voor het onderhoud. De toekomstige B-watergang gaat onder het overdraagbaar gebied van de gemeente vallen. Het onderhoud van de watergang al dan ook door de gemeente worden uitgevoerd. 6.3

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/13407342/1