CConstaterende datZaltbommel
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage 1. Bestemmingsplan Zaltbommel, Beersteeg-West

Raadsvergadering 11 november 2021, gemeente ZaltbommelBij agendapunt: Vaststelling bestemmingsplan Zaltbommel, Beersteeg-West24.297 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 3

Een project kan in twee situaties NIBM bijdragen aan de luchtkwaliteit:  het project behoort tot de lijst met categorieën van gevallen (inrichtingen, kantoor- en woningbouwlocaties) die is opgenomen in de Regeling NIBM;  het project heeft een toename van minder dan 3% van de jaargemiddelde concentratie NO 2 en PM10 (1,2μg/m3). 4.3.2 Onderzoek In par. 4.1 is berekend dat met het plan maximaal 108 mvt/etmaal extra worden gegenereerd ten opzichte van de huidige situatie. Op basis van deze berekening is met behulp van de NIBM-tool bepaald of het project niet in betekenende mate bijdraagt, zie figuur 4.3. Zekerheidshalve is uitgegaan van 1% vrachtverkeer in de vorm van incidentele levering van bijvoorbeeld goederen. Uit de berekening blijkt dat het project ruimschoots onder de NIBM-drempelwaarden blijft. Nader onderzoek is daarom niet noodzakelijk.

Figuur 4.3: worst-case berekening NIBM-tool

Hoofdstuk 4

29

4.3.3 Conclusie Volgens de NIBM tool is het project Niet in betekenende bijdragend. Hiervoor is dus geen verder onderzoek nodig.

4.4 Bedrijven en milieuzonering 4.4.1 Toetsingskader Onder milieuzonering wordt verstaan het waar nodig zorgen voor een voldoende ruimtelijke scheiding tussen enerzijds bedrijven of overige milieubelastende functies en anderzijds milieugevoelige functies zoals woningen. Bij de planontwikkeling dient rekening te worden gehouden met milieuzonering om de kwaliteit van het woon- en leefmilieu te handhaven en te bevorderen en daarnaast bedrijven voldoende zekerheid te bieden dat zij hun activiteiten duurzaam binnen aanvaardbare voorwaarden kunnen uitvoeren. Richtafstanden Bij de milieuzonering wordt gebruik gemaakt van de door de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG) opgestelde publicatie ‘Bedrijven en milieuzonering’ 3. In de publicatie is een lijst opgenomen met bedrijfstypen. Voor de bedrijfstypen zijn indicatieve (richt)afstanden bepaald voor de milieuaspecten geur, stof, geluid en gevaar. De richtafstanden vormen een indicatie van de aanvaardbaarheid in de situatie dat gevoelige functies in de nabijheid van milieubelastende functies worden gesitueerd. Indien bekend is welke activiteiten concreet worden beoogd of aanwezig zijn, kan gemotiveerd worden uitgegaan van de daadwerkelijk te verwachten milieubelasting (in plaats van de richtafstanden).

Omgevingstype De richtafstanden zijn afgestemd op de omgevingskwaliteit zoals die wordt nagestreefd in een rustige woonwijk of een vergelijkbaar omgevingstype (zoals een rustig buitengebied, een stiltegebied of een natuurgebied). Een rustige woonwijk is een woonwijk die is ingericht volgens het principe van functiescheiding. Afgezien van wijkgebonden voorzieningen komen vrijwel geen andere functies (zoals bedrijven en kantoren) voor. Binnen gemengde gebieden heeft men te maken met milieubelastende en milieugevoelige functies die op korte afstand van elkaar zijn gesitueerd. Direct naast woningen komen andere functies voor zoals winkels, horeca en kleine bedrijven. Voorbeelden van gebieden met functiemenging zijn horecaconcentratiegebieden, stadscentra, winkelcentra en winkelgebieden van dorpskernen, woon-werkgebieden met kleinschalige ambachtelijke bedrijvigheid, gebieden langs stadstoegangswegen met meerdere functies en lintbebouwing in het buitengebied met veel agrarische en andere bedrijvigheid. 4.4.2 Onderzoek Met dit plan worden gevoelige functies, namelijk woningen en een hospice mogelijk gemaakt. In de omgeving van het plangebied ligt een aantal functies dat van belang kan zijn voor de ontwikkeling. In de volgende tabel zijn deze in beeld gebracht. Uitgegaan is van de richtafstanden voor een rustige woonwijk.

3

‘Bedrijven en Milieuzonering’, Uitgave VNG, Den Haag, 2009.

Hoofdstuk 4

30

Adres Gamerschedijk 6-8 Beersteeg 27 Gamerschedijk 1

Functie Busker, aannemersbedrijf met werkplaats: B.O. > 1000 m² Gemaal Volkstuinen en scouting

Milieucat. 3.1

Richtafstand 50 m

Afstand 70-100 m

2 1

30 m 10 m

25 m 15 m

De functies aan de Gamerschedijk 1 en 6-8 zorgen niet voor belemmeringen van de ontwikkeling en hiervoor is dus geen verder onderzoek noodzakelijk. Andersom betekent het realiseren van woningen en het hospice geen belemmering voor deze bestaande functies. Ten aanzien van het gemaal ligt het bouwvlak voor het hospice voor een klein gedeelte binnen de richtafstand van 30 meter. De maatgevende afstand voor deze functie is het aspect geurhinder. Hiernaar is onderzoek verricht. Dit onderzoek is opgenomen in de bijlagen. Uit het onderzoek blijkt dat er bij een onderlinge afstand van 25 meter sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. Bij de positionering van het bouwvlak voor het hospice is daarom rekening gehouden met een minimaal aan te houden afstand van 25 meter vanwege het aspect geur. Het bouwvlak van het hospice is buiten deze hindercirkel geprojecteerd. De hindercirkel is op de verbeelding door middel van een gebiedsaanduiding aangegeven. Op deze wijze is in voldoende mate aangetoond en gewaarborgd dat er geen sprake is van onderlinge belemmeringen tussen het hospice en het gemaal. 4.4.3 Conclusie Een aanvaardbaar woon- en leefklimaat in het plangebied is voldoende gegarandeerd en de planontwikkeling leidt niet tot belemmeringen voor de omliggende functies.

Ten aanzien van het gemaal is dit door middel van een geurhinderonderzoek aangetoond en is een voldoende afstand gewaarborgd in de planregeling.

4.5 Geur agrarisch 4.5.1 Toetsingskader Voor veehouderijen is de regelgeving ten aanzien van het specifieke aspect geur vastgelegd in de Wet geurhinder en veehouderij (Wgv). Bij nieuwe planologische projecten in het kader van de Wet ruimtelijke ordening dient te worden gekeken naar de aanvaardbaarheid van deze plannen in verband met omliggende geurbronnen, de zogenaamde omgekeerde werking. In de Wgv zijn voor verschillende dieren geuremissienormen opgenomen die de maximale geurbelasting op een gevoelig object bepalen. Als de geuremissie van een dier niet bekend is, stelt de wet minimumafstanden tussen een veehouderij en een geurgevoelig object. Als die geuremissie wel bekend is, dan moet de geurbelasting worden berekend .De emissie van geurstoffen uit een veehouderijbedrijf wordt uitgedrukt in geureenheden. De berekende geurbelasting wordt getoetst aan de norm (de maximale belasting die het bedrijf mag veroorzaken). Gemeenten mogen, binnen bepaalde bandbreedten, van deze wettelijke normen afwijken als er een gebiedsvisie is opgesteld en een geurverordening is vastgesteld.

Hoofdstuk 4

31

4.5.2 Onderzoek Het plan maakt de realisatie van nieuwe geurgevoelige functies mogelijk. In de nabije omgeving zijn echter geen agrarische bedrijven gelegen. Dergelijke bedrijven zullen geen belemmering vormen voor de ontwikkeling en anderzijds niet worden belemmerd. Nader onderzoek is niet nodig. 4.5.3 Conclusie Het aspect agrarische geurhinder levert geen belemmering op.

4.6 Kabels en leidingen 4.6.1 Toetsingskader Het verrichten van werkzaamheden in de nabijheid van hoogspanningsmasten en –kabels, buisleidingen en dergelijke, kan gevaar met zich meebrengen of belemmeringen voor het functioneren van dergelijke leidingen/verbindingen opleveren. Om dit risico zoveel mogelijk te beperken, moet bij de planontwikkeling rekening worden gehouden met de belemmeringenstroken van dergelijke voorzieningen. Ook kan de (leiding)beheerder aangeven onder welke voorwaarden eventuele werkzaamheden veilig plaats kunnen vinden. 4.6.2 Onderzoek In het plangebied en de directe omgeving zijn enkele planologische relevante leidingen gelegen. Het betreft enkele rioolleidingen aan weerszijden van het hospice, die zijn aangesloten op het gemaal aan de Beersteeg 27. Daarnaast is er een brandstofleiding gelegen ten oosten van de nieuwe woningen. Deze leidingen met de bijbehorende belemmeringenstroken zijn in de geldende beheersverordening en het geldende bestemmingsplan door middel van dubbelbestemmingen beschermd. Tijdens de ontwerpfase van de ontwikkeling is rekening gehouden met deze leidingen. De bouwvlakken zijn zo gepositioneerd, dat er geen gebouwen op deze leidingen kunnen worden geplaatst. Binnen de betreffende zones worden voorts geen grondwerkzaamheden en dergelijke voorzien. Er zijn daarom geen potentiële belemmeringen aan de orde.

De vigerende dubbelbestemmingen zijn in het voorliggende bestemmingsplan gehandhaafd. Hierdoor is voor eventuele toekomstige werkzaamheden een vergunningplicht aan de orde. De belangen van de betrokken leidingen zijn hiermee voldoende behartigd. 4.6.3 Conclusie Vanwege de ligging van enkele planologisch relevante leidingen zijn in het bestemmingsplan door middel van dubbelbestemmingen nadere voorwaarden gesteld aan de ontwikkeling. Onder deze voorwaarden is er geen sprake van belemmeringen.

Hoofdstuk 4

32

4.7 Externe veiligheid 4.7.1 Toetsingskader Externe veiligheid heeft betrekking op locaties waar een ongeval met gevaarlijke stoffen kan plaatsvinden, waardoor personen die geen directe relatie hebben tot de risicovolle activiteit zouden kunnen komen te overlijden. Bij een ruimtelijke besluit voor het toelaten van (beperkt) kwetsbare objecten moet worden getoetst aan risiconormen en veiligheidsafstanden. Dit is met name relevant op korte afstand van risicobronnen. Indien een (beperkt) kwetsbaar object wordt toegelaten binnen het invloedsgebied van een belangrijke risicobron, moet ook het groepsrisico worden verantwoord. Bovendien is het van belang om af te wegen in hoeverre nieuwe risicobronnen binnen een plangebied worden toegestaan. Voor de beoordeling van een ruimtelijk plan moet voor externe veiligheid worden vastgesteld of het plangebied is gelegen binnen het invloedsgebied van specifieke risicovolle inrichtingen, relevante transportroutes voor het vervoer van gevaarlijke stoffen of relevante buisleidingen. Toetsingskaders zijn het "Besluit externe veiligheid inrichtingen” (Bevi), het "Besluit externe veiligheid transportroutes" (Bevt) en het "Besluit externe veiligheid buisleidingen" (Bevb).

Daarnaast zijn in het Vuurwerkbesluit en het Activiteitenbesluit milieubeheer veiligheidsafstanden genoemd die rond stationaire risicobronnen, niet zijnde een Bevi-inrichting, moeten worden aangehouden. 4.7.2 Onderzoek Met het plan worden nieuwe kwetsbare objecten mogelijk gemaakt. Zowel de woningen als het hospice kunnen als zodanig worden aangemerkt. Daarom is onderzocht of de plaatsgebonden risicocontouren en/of invloedsgebieden van risicovolle bedrijven, transportroutes en/of leidingen voor belemmeringen zorgen. Risicovolle bedrijven Binnen de beoogde bestemmingen “Wonen” en “Maatschappelijk” passen geen risicovolle activiteiten, zoals Bevi-activiteiten. De vestiging van een Bevi-inrichting binnen het plangebied is daarmee uitgesloten. Uit de regionale signaleringskaart externe veiligheid blijkt dat het plangebied niet ligt binnen het invloedsgebied van een Bevi-inrichting of de veiligheidsafstanden van andere stationaire risicobronnen. Hierdoor is geen verantwoording van het groepsrisico nodig vanwege risicovolle inrichtingen. Vervoer gevaarlijke stoffen Uit de regionale signaleringskaart externe veiligheid blijkt dat het aspect externe veiligheid wel relevant is vanwege het vervoer van gevaarlijke stoffen over de Waal.

Het plangebied ligt namelijk binnen het invloedsgebied van deze transportroute, waarbij personen kunnen overlijden als rechtstreeks gevolg van een zwaar ongeval met toxische stoffen. Het deel van het plangebied waar de gebouwen kunnen worden gerealiseerd ligt echter buiten een veiligheidszone, een plasbrandaandachtsgebied en buiten de meest relevante zones voor het groepsrisico (de 200 meter zones).

Hoofdstuk 4

33

Op grond van artikel 7 van het Bevt moet in dergelijke gevallen worden ingegaan op de mogelijkheden voor:  de bestrijdbaarheid van een zwaar ongeval op deze transportroute en  de zelfredzaamheid met betrekking tot nog niet aanwezige (beperkt) kwetsbare objecten binnen het plangebied. Volgens artikel 9 van het Bevt moet de veiligheidsregio in de gelegenheid worden gesteld om hierover een advies uit te brengen. Veiligheidsregio Gelderland-Zuid heeft op 21 augustus 2020 aangegeven dat in dit geval sprake is van een standaardsituatie, waarvoor volstaan kan worden met een beperkte verantwoording van het groepsrisico. Deze is in par. 4.7.3 beschreven. Buisleidingen Uit de regionale signaleringskaart externe veiligheid blijkt dat het plangebied niet is gelegen binnen het invloedsgebied van relevante buisleidingen voor aardgas en vloeibare brandstoffen. Hierdoor is geen verantwoording van het groepsrisico nodig vanwege buisleidingen. 4.7.3 (Beperkte) verantwoording groepsrisico Vanwege de ligging in het invloedsgebied van de transportroute voor gevaarlijke stoffen over de Waal, is onderstaand een standaardverantwoording van het groepsrisico opgenomen. Bestrijdbaarheid van de omvang van een ramp of zwaar ongeval Bij een calamiteit, waarbij toxische stoffen (kunnen) vrijkomen, zal de brandweer inzetten op het beperken of voorkomen van effecten.

Deze inzet zal voornamelijk plaatsvinden bij de bron. De brandweer richt zich dan niet direct op het bestrijden van effecten in of nabij het plangebied. De mogelijkheden voor bestrijdbaarheid worden daarom niet verder in beschouwing genomen. Mogelijkheden tot zelfredzaamheid Bij een calamiteit, waarbij toxische stoffen (kunnen) vrijkomen, is het belangrijk dat de aanwezigen in het plangebied worden geïnformeerd hoe te handelen bij dat incident. Hiervoor wordt gebruik gemaakt van de zogenaamde waarschuwings- en alarmeringspalen (WAS-palen) of NL-alert. Bij het genoemde incidentscenario is het advies om te schuilen in een gebouw en de ramen, deuren en ventilatieopeningen te sluiten. Hiervoor moeten de ventilatiesystemen in het pand van het hospice zo worden uitgevoerd dat ze op een centrale locatie met één handeling af te sluiten zijn. Daarbij is het uiteraard het belangrijk dat het personeel van het hospice hierover is geïnstrueerd. In het plangebied zijn voldoende mogelijkheden aanwezig om het advies (tijdig) op te volgen. 4.7.4 Conclusie Het aspect externe veiligheid is alleen relevant vanwege het vervoer van gevaarlijke stoffen over de Waal. Gelet op de hiervoor genoemde overwegingen zijn er in het plangebied voldoende mogelijkheden voor de zelfredzaamheid bij een zwaar ongeval op deze transportroute.

Dit betekent dat geen nadere eisen aan het plan hoeven te worden gesteld in het kader van het aspect externe veiligheid.

Hoofdstuk 4

34

4.8 Ecologie 4.8.1 Toetsingskader De bescherming van de natuur is vastgelegd in de Wet natuurbescherming (Wnb). De Wet natuurbescherming (Wnb) geeft het wettelijke kader voor de bescherming van natuurgebieden en voor soortenbescherming. Bij de voorbereiding van een ruimtelijk plan dient onderzocht te worden of de Wnb ten aanzien van de bescherming van dier- en plantensoorten en gebieden de uitvoering van het plan niet in de weg staan. De provincie is bevoegd gezag voor de toetsing van handelingen met mogelijke gevolgen voor beschermde dier- en plantensoorten (de soortenbeschermingsbepalingen) én voor Natura 2000-gebieden (de gebiedenbeschermingsbepalingen). Alleen bij ruimtelijke ingrepen waarmee grote nationale belangen zijn gemoeid, blijft het Rijk bevoegd gezag. Daarnaast vindt beleidsmatige gebiedsbescherming plaats door middel van het Natuurnetwerk Nederland (NNN), de voormalige Ecologische Hoofdstructuur (EHS). Ook in dit kader zijn de provincies het bevoegd gezag. Gebiedsbescherming vanuit de Wet natuurbescherming De Wet natuurbescherming, heeft voor wat betreft gebiedsbescherming, betrekking op de Europees beschermde Natura 2000-gebieden.

Als er naar aanleiding van projecten, plannen en activiteiten, afzonderlijk of in combinatie met andere plannen of projecten, mogelijkerwijs significante effecten optreden, dienen deze bij de voorbereiding van een bestemmingsplan in kaart te worden gebracht en beoordeeld. Natura 2000-gebieden hebben een externe werking, zodat ook ingrepen die buiten deze gebieden plaatsvinden en verstoring kunnen veroorzaken, moeten worden getoetst op het effect van de ingreep op soorten en habitats. Een ruimtelijk plan dat significante gevolgen kan hebben voor een Natura 2000-gebied kan alleen worden vastgesteld indien uit een passende beoordeling de zekerheid is verkregen dat het plan de natuurlijke kenmerken van het gebied niet zal aantasten. Indien deze zekerheid niet is verkregen, kan het plan worden vastgesteld, indien wordt voldaan aan de volgende drie voorwaarden: 1. alternatieve oplossingen zijn niet voorhanden; 2. het plan is nodig om dwingende redenen van groot openbaar belang, met inbegrip van redenen van sociale of economische aard; en 3. de noodzakelijke compenserende maatregelen worden getroffen om te waarborgen dat de algehele samenhang van het Natura 2000-netwerk bewaard blijft. Projecten, plannen en activiteiten die mogelijk een negatief effect hebben op de beschermde natuur in een Natura 2000-gebied zijn vergunningsplichtig.

Gebiedsbescherming vanuit provinciaal beleid Het Natuurnetwerk Nederland (voorheen: Ecologische Hoofdstructuur (EHS)) is een samenhangend netwerk van bestaande en te ontwikkelen natuurgebieden. Het netwerk wordt gevormd door kerngebieden, natuurontwikkelingsgebieden en ecologische verbindingszones met als doel natuurgebieden beter met elkaar en met het omringende agrarisch gebied te verbinden. Conform artikel 1.12 van de Wet natuurbescherming dragen gedeputeerde staten in hun provincie zorg voor de totstandkoming en instandhouding van een samenhangend landelijk ecologisch netwerk,

Hoofdstuk 4

35

genaamd ‘Natuurnetwerk Nederland’. Zij wijzen daartoe in hun provincie gebieden aan die tot dit netwerk behoren. De planologische begrenzing en beschermingsregimes van het Natuurnetwerk Nederland loopt via het traject van de provinciale ruimtelijke structuurvisies en verordeningen. Voor deze gebieden geldt een planologisch beschermingsregime. Activiteiten in deze gebieden zijn alleen toegestaan als ze geen negatieve effecten hebben op de wezenlijke kenmerken of waarden of als deze kunnen worden tegengegaan met mitigerende maatregelen. Soortenbescherming De Wet natuurbescherming onderscheidt beschermingsregimes voor soorten op grond van internationale verdragen, aangevuld met soorten die vanuit een nationaal oogpunt beschermd worden. Hierdoor zijn er in de Wet natuurbescherming drie verschillende verbodsartikelen per categorie soorten;  soorten van de Vogelrichtlijn (artikel 3.1);  soorten van de Habitatrichtlijn en de verdragen van Bern en Bonn (artikel 3.5);  andere soorten (artikel 3.10). Per beschermingsregime is aangegeven welke verboden er gelden en onder welke voorwaarden ontheffing of vrijstelling kan worden verleend door het bevoegd gezag.

Volgens artikel 3.31 zijn de verboden, bedoeld in de artikelen 3.1, 3.5 en 3.10 niet van toepassing op handelingen die zijn beschreven in en aantoonbaar worden uitgevoerd overeenkomstig een door het Ministerie van Economische Zaken goedgekeurde gedragscode en die plaatsvinden in het kader van bestendig beheer, bestendig gebruik, of ruimtelijke ontwikkeling of inrichting. 4.8.2 Onderzoek Quickscan Het plangebied is onderdeel van een groene zone. In het plangebied zelf is veel groen aanwezig. Gezien de aard van de ontwikkeling en de daarmee gepaard gaande activiteiten, zijn negatieve effecten op beschermde soorten op voorhand niet uitgesloten. Er is daarom door bureau Waardenburg B.V. een quickscan uitgevoerd voor het plangebied. In deze toelichting worden de belangrijkste conclusies vermeld, voor het gehele onderzoek wordt verwezen naar de bijlagen. Uit het onderzoek volgt dat geen uitsluitsel gegeven kan worden wat betreft de aanwezigheid van en/of effecten voor de kamsalamander, grote modderkruiper, vleermuizen en de boomvalk. Hiervoor is nader onderzoek noodzakelijk. Zie navolgend onder ‘vervolgonderzoek’. Het plangebied vormt daarnaast leefgebied van enkele algemeen voorkomende beschermde soorten grondgebonden zoogdieren en amfibieën. Grond- en graafwerkzaamheden in het kader van de voorgenomen ingreep kunnen deze soorten treffen.

Het gaat om soorten waarvoor een provinciale vrijstelling geldt voor overtreding van verbodsbepalingen bij werkzaamheden in het kader van ruimtelijke ontwikkeling. Een ontheffing is dus niet nodig. Ook heeft het plangebied betekenis voor diverse algemene broedvogelsoorten. Broedsels van deze soorten mogen niet verstoord worden. Voor andere beschermde soorten heeft het plangebied geen betekenis of zijn negatieve effecten van de voorgenomen ingreep uitgesloten. Vervolgonderzoek beschermde soorten Door Blom ecologie is een vervolgonderzoek uitgevoerd naar kleine marterachtigen, grote modderkruiper en kamsalamander. Deze rapportage is opgenomen in bijlage 4. De belangrijkste conclusies worden hierna vermeld.

Hoofdstuk 4

36

In de periode juli – augustus 2020 is onderzoek gedaan naar de aanwezigheid van de kleine marterachtige op de planlocatie. Uit resultaten van het onderzoek blijkt dat aanwezigheid van kleine marterachtige kan worden uitgesloten. Dit wordt onderbouwd door de afwezigheid van waarnemingen en sporen. Met de beoogde ontwikkeling, waarbij delen groen worden verwijderd, zal er geen functioneel leefgebied van kleine marterachtige als de bunzing, hermelijn of wezel verloren gaan. Ten aanzien van deze soortgroep is een ontheffing dan ook niet vereist; een overtreding is niet aan de orde. Op 24 juli is middels e-DNA onderzoek uitgevoerd naar de aan-of afwezigheid van de grote modderkruiper. Hieruit bleek dat 3 van de 5 sampels sporen van DNA zijn aangetroffen van de grote modderkruiper. Mogelijk maken de watergangen deel uit van het functioneel leefgebied van de modderkruiper. Er wordt één watergang gedempt. Hiervoor is een ontheffing Wnb noodzakelijk. De aanvraag hiertoe wordt voor de publicatie van het ontwerpbestemmingsplan ingediend. Dit staat de uitvoerbaarheid van het plan niet in de weg. Verlening van de benodigde ontheffing is haalbaar. Op 24 juli middels e-DNA tevens onderzoek uitgevoerd naar de aan- of afwezigheid van de kamsalamander. Het onderzoek is uitgevoerd conform het BIJ12 kennisdocument poelkikker (2017).

Uit het eDNA analyse bleek dat er geen DNA sporen zijn aangetroffen van de kamsalamander. Derhalve kan geconcludeerd worden dat de sloten en watergangen op de planlocatie geen onderdeel uitmaken van het voortplantingswater van de kamsalamander. Er is geen sprake van overtreding van de Wet natuurbescherming t.a.v. de kamsalamander, een ontheffing Wnb is niet van toepassing. Gebiedsbescherming/stikstofdepositie Ten aanzien van beschermde natuurgebieden zijn negatieve externe effecten op Natura 2000-gebieden op voorhand, met name in de realisatiefase, niet uitgesloten. Hiertoe is het uitvoeren van stikstofdepositieberekeningen noodzakelijk. Overige externe effecten kunnen op voorhand redelijkerwijs worden uitgesloten. Dergelijke gebieden liggen op 930 meter van de planlocatie. Gebieden behorend tot het Natuurnetwerk Nederland liggen op kortere afstand (ca. 200 meter). Gelet op de aard van het gebruik kunnen negatieve effecten op deze gebieden echter worden uitgesloten. Het plangebied ligt niet binnen de grenzen van een gebied dat aangewezen is als Natura 2000-gebied, of een gebied dat behoort tot het Natuur Netwerk Nederland (NNN). Gebieden behorend tot het NNN bevinden zich op ca. 200 meter afstand van de ontwikkelingen. Gelet op de aard van het gebruik kunnen negatieve effecten op NNN-gebieden worden uitgesloten.

De meest nabijgelegen Natura 2000-gebied ‘Rijntakken’, ‘Lingegebied & Diefdijk-Zuid’ en ‘Loevestein, Pompveld & Kornsche Boezem’ bevinden zich respectievelijk op circa 880 meter ten noorden, 9,9 kilometer ten noordwesten en circa 10,9 kilometer ten westen van het plangebied. Indien er sprake zou zijn van een effect, betreft dit een extern effect, zoals toename van geluid, licht of depositie van stikstof. Mede gezien de afstand tot het plangebied zijn externe effecten als licht- en geluidverstoring uitgesloten. Aangezien de voorgenomen ontwikkeling de aanleg van een hospice en vijftien duurzame woningen betreft, kan een significante toename aan stikstofdepositie tijdens de aanleg- en gebruiksfase op omliggende Natura 2000-gebieden niet op voorhand worden uitgesloten. Daarom is door BRO door middel van stikstofdepositieberekeningen onderzocht of hiervan sprake kan zijn. De berekeningen inclusief een toelichtende notitie met de gehanteerde uitgangspunten en conclusies, zijn in de bijlagen opgenomen. De gehanteerde uitgangspunten betreffen een reële worst case-situatie. Omdat beide ontwikkelingen over meerdere jaren worden gerealiseerd, zijn er drie berekeningen uitgevoerd:  2021: aanleg Hospice  2022: gebruik Hospice en aanleg 15 woningen en parkeerterreinen  2023: gebruik Hospice en gebruik 15 woningen en parkeerterreinen.

Hoofdstuk 4

37

Uit de uitgevoerde berekeningen blijkt dat bij zowel beide aanlegfases als beide gebruiksfases geen rekenresultaten hoger zijn dan 0,00 mol/ha/j. Daarmee kunnen op voorhand negatieve effecten op Natura 2000-gebieden vanwege stikstofdepositie uitgesloten worden. Een vergunning is vooralsnog niet nodig. 4.8.3 Conclusie Het aspect flora en fauna zorgt niet voor belemmeringen. Wel geldt een aantal randvoorwaarden om overtreding van de Wnb te voorkomen:  Eén watergang waar de grote modderkruiper is aangetroffen wordt gedempt. Hiervoor wordt een ontheffing aangevraagd.  Rekening houden met broedende algemene vogelsoorten. Bijvoorbeeld door werkzaamheden buiten het broedseizoen uit te voeren. Broedsels mogen niet worden verstoord.  Rekening houden met de algemene zorgplicht. Het plan is vanuit ecologisch oogpunt uitvoerbaar.

4.9 Bodem 4.9.1 Toetsingskader In het Besluit ruimtelijke ordening (artikel 3.1.6 lid 1 onder d) is bepaald dat voor de uitvoerbaarheid van een plan rekening gehouden moet worden met de bodemgesteldheid in het plangebied. Bij functiewijzigingen dient te worden bepaald of de bodemkwaliteit voldoende is voor de beoogde functie en moet worden bepaald of nader onderzoek en eventueel saneringen noodzakelijk zijn. In de Wet bodembescherming is bepaald dat indien de desbetreffende bodemkwaliteit niet voldoet aan de norm voor de beoogde functie, de grond zodanig dient te worden gesaneerd dat zij kan worden gebruikt door de desbetreffende functie (functiegericht saneren). Nieuwe bestemmingen dienen bij voorkeur op schone grond te worden gerealiseerd. 4.9.2 Onderzoek Met dit bestemmingsplan worden nieuwe gevoelige functies mogelijk gemaakt. Een verkennend bodemonderzoek is daarom noodzakelijk. Er is door Aveco de Bondt een actualiseren bodem- en asbestonderzoek uitgevoerd voor het plangebied. In deze toelichting worden de belangrijkste conclusies vermeld, voor het gehele onderzoek wordt verwezen naar de bijlagen. Uit het bodemrapport blijkt dat er geen ernstige bodemverontreiniging is in het plangebied. Wel ligt er grond met waarde industrie, die niet geschikt is voor een tuin.

De locatie van grond met de industrie waarde is niet te herleiden uit het onderzoek, omdat er mengmonsters zijn gemaakt. Onderstaand wordt ingegaan op de consequenties van de onderzoeksresultaten voor het gebruik. Hospice Voor de ontwikkeling van het hospice zijn er geen maatregelen voor de bodem nodig. De bodem ter plaatse is geschikt voor het beoogde gebruik. Het zichtbare asbest moet worden verwijderd. Gewenst is om zichtbaar bodemvreemd materiaal te verwijderen. Een verbetering van de bovenlaag is niet nodig.

Hoofdstuk 4

38

Parkeren Hierbij zijn er geen maatregelen nodig voor de bodem. Bij een half verharding of een toepassing van gras is er geen risico en voldoet de huidige bodem. Woningen Voor kavels voor de kleine woningen is het nodig om 0,5 meter schonere grond met waarde wonen (loodwaarde kleiner dan 100) te hebben. Hierbij wordt de huidige grond opgehoogd. 4.9.3 Conclusie Gezien de vastgestelde bodemkwaliteit zijn er geen risico's voor de volksgezondheid en/of het milieu. Voor geen van de gemeten stoffen wordt de interventiewaarde overschreden. Gegeven de (in dit rapport) beschreven onderzoeksresultaten, wordt de grond vanuit milieuhygiënisch oogpunt geschikt geacht voor het huidige gebruik. De grond voldoet niet in alle gevallen aan de kwaliteitsklasse wonen. De consequenties hiervan zijn in beeld gebracht. Plaatselijke ophoging van de bodem met schone grond is hierbij een denkbare oplossing.

4.10 Water 4.10.1 Toetsingskader Op grond van het Besluit ruimtelijke ordening (artikel 3.1.6 lid 1 onder b van het Bro) dient inzicht te worden gegeven in de gevolgen voor de waterhuishouding die samenhangen met de ruimtelijke ontwikkeling die mogelijk wordt gemaakt. Het plangebied is gelegen binnen het beheersgebied van waterschap Rivierenland en de gemeente Zaltbommel. Waterbeleid Het waterbeleid in Nederland wordt van Europees niveau vertaald via rijks-, provinciaal en waterschaps-beleid, naar gemeentelijk beleid om samen de waterproblematiek in Nederland aan te pakken. Dit resulteert in de verplichting een watertoets uit te laten voeren. De voorschriften zijn vastgelegd in onder andere de Europese Kaderrichtlijn Water en zijn verder geïmplementeerd in het Rijksbeleid om te komen tot een duurzaam waterbeheer. Het kabinet heeft het Nationaal Waterplan 2016-2021 vastgesteld. Het NWP bevat de hoofdlijnen van het nationale waterbeleid en de daarbij behorende aspecten van het nationale ruimtelijke beleid voor de komende 6 jaar met een vooruitblik richting 2050.

Onderdeel van het Nationaal Waterplan zijn:  de Deltabeslissingen (waterveiligheid, zoetwatervoorziening en ruimtelijke adaptatie);  de Beleidsnota Noordzee;  de verankering van afspraken die betrekking hebben op water vanuit het Energieakkoord;  de Natuurvisie;  de Internationale Waterambitie;  de geactualiseerde plannen en maatregelenprogramma’s om te voldoen aan de Europese eisen voor waterkwaliteit, overstromingsrisico's en het mariene milieu. Het Waterplan Gelderland 2010-2015 is in 2014 overgegaan in de Gelderse Omgevingsvisie. In de Omgevingsvisie staat hoe de provincie wil zorgen voor voldoende schoon water én droge voeten. Evenals in de eerste planperiode is het omgevingsbeleid van de provincie het uitgangspunt. Dit betekent dat doelen en maatregelen voor de tweede planperiode (2016-2021) zijn afgestemd op de huidige functies als wonen, landbouw, en natuur. In zeer beperkte mate en onder strikte voorwaarden

Hoofdstuk 4

39

voorgeschreven door de KRW is actualisatie van de doelen mogelijk. Dit heeft geleid tot een enkele aanpassing van de doelen en in de begrenzingen van de oppervlaktewaterlichamen. Het bestuur van Waterschap Rivierenland heeft met ingang van 27 november 2015 het Waterbeheerprogramma 2016-2021: Koers houden, kansen benutten bepalend voor het waterbeleid vastgesteld. Dit plan gaat over het waterbeheer in het hele rivierengebied en het omvat alle watertaken van het waterschap: waterkeringen, waterkwantiteit, waterkwaliteit, wegen en waterketen. In aansluiting op het landelijk beleid hanteert het Waterschap Rivierenland het beleid dat bij nieuwe plannen altijd onderzocht behoort te worden hoe omgegaan kan worden met het schone hemelwater. Voor Rivierenland wordt voornamelijk ingezet op “vasthouden – bergen – afvoeren” van water. De digitale watertoets is een instrument om het planvoornemen vroegtijdig aan te geven hoe rekening is gehouden met de gevolgen van het plan voor de taken en belangen van het waterschap. Ook is er in het voorstadium van de ontwikkeling contact geweest tussen de gemeente Zaltbommel en het Waterschap Rivierenland over het ruimtelijk initiatief. Daarnaast beschikt het Waterschap Rivierenland over een verordening: de Keur voor waterkeringen en wateren. Hierin staan de geboden en verboden die betrekking hebben op watergangen en waterkeringen.

Voor het uitvoeren van werkzaamheden kan een vergunning nodig zijn. De werkzaamheden in of nabij de watergangen en waterkeringen worden getoetst aan de beleidsregels. De waterbeheerders werken daarom integraal samen met gemeenten, die het beheer over de ruimtelijke ordening en van de openbare ruimte hebben. De gemeente Zaltbommel heeft een Water- en Rioleringsplan Bommelerwaard 2017 – 2021 opgesteld, in samenwerking met de gemeente Maasdriel en BOOT. Hierin wordt aangegeven dat er bij nieuwbouw verwacht wordt dat het hemelwater op eigen terrein verwerkt wordt, dan wel gescheiden te worden van het afvalwater. Het afvoeren van hemelwater naar omliggende open watergangen heeft de voorkeur. Deze plannen dienen als praktische leidraad bij de uitvoering van water- en ruimtelijke projecten. De planvorming vindt plaats in samenwerking met de belangrijkste 'waterpartner', het waterschap Rivierenland. Centraal in het waterbeleid is dat water een belangrijk sturend element is in de ruimtelijke ordening. De waterhuishouding legt daarmee een ruimteclaim vast. Het infiltreren van hemelwater is door de ligging in een kwelgebied onder invloed van twee rivieren niet aan de orde. Derhalve dient afhankelijk van de plannen ruimte voorzien te worden voor hemelwaterafvoer richting open wateren.

Tevens dient rekening gehouden te worden met bestaande knelpunten en overige waterstromen (zoals afvalwater). In landelijk gebied is meestal voldoende ruimte aanwezig om bij afkoppeling of toename aan verharding dit te compenseren door bijvoorbeeld het verbreden of aanleggen van watergangen. 4.10.2 Doorwerking plangebied Door middel van een beknopte waterparagraaf is het planvoornemen hydrologisch beschreven, waarbij de belangrijkste hydrologische aspecten onderzocht en beschreven zijn. Ontwikkelingen dienen hydrologisch neutraal ontwikkeld te worden. Bij nieuwbouw is afkoppeling verplicht. Door aan de milieuhygiënische voorwaarden te voldoen, zal door de aanvoer van het hemelwater de kwaliteit van het ontvangend grond- of oppervlaktewater niet verslechteren. De waterbergings-

Hoofdstuk 4

40

opgave wordt per ontwikkeling beschouwd. In figuur 4.4 is een overzicht van de verharde en halfverharde oppervlakken in de toekomstige situatie weergegeven.

Figuur 4.4: verharde en halfverharde oppervlakten toekomstige situatie

Kleine huizen en (overloop)parkeren In tabel 4.1 zijn de veranderingen tussen de huidige en toekomstige verwachte oppervlakken ter plaatse van de kleine huizen en (overloop)parkeervoorzieningen weergegeven. Opgemerkt wordt dat onderstaande gegevens zijn ingeschat op basis van een reële worst case-situatie, maar een geringe afwijking bij de uiteindelijke realisatie kan optreden. Bij bouwplannen dient ten tijde het uiteindelijk verhard oppervlak en de eventueel bijhorende watercompensatie herberekend te worden. Bruto oppervlakten Verhard oppervlak

Huidige situatie (m²) 0

Halfverharding (50%)

0

Totaal verhard oppervlak

0

Toekomstige situatie (m²) Woningen: 15 kavels, max. 70% verhard (1652 x 0,7 =) 1.180 Parkeren (helft verhard) en toegangsweg 513 Pad in woongebied 530 Parkeren (helft halfverhard) (135 / 2) 68 Overloopparkeerterrein (1000 /2) 500 2.791

Tabel 4.1: overzicht verhard oppervlak kleine huizen en (overloop)parkeren

De totale toename aan verhard oppervlak is ca. 2.791 m². De uitwerking hiervan wordt in het vervolg van deze paragraaf beschreven. Hospice In tabel 4.2 zijn de veranderingen tussen de huidige en toekomstige verwachte oppervlakken ter plaatse van het hospice weergegeven. Opgemerkt wordt dat onderstaande gegevens uitgaan van de meest recente inrichtings-/bouwtekeningen, maar een geringe afwijking bij de uiteindelijke realisatie kan optreden. Bij bouwplannen dient ten tijde het uiteindelijk verhard oppervlak en de eventueel bijhorende watercompensatie herberekend te worden.

Hoofdstuk 4

41

Bruto oppervlakten Verhard oppervlak

Huidige situatie (m²) 0

Halfverharding (50%)

0

Totaal verhard oppervlak

0

Toekomstige situatie (m²) Gebouw hospice Terrassen (101 + 31 =) Wegen (49 + 320 + 50 =) Parkeren (94 + 160 / 2 =) Groene ring (49 / 2 =)

595 132 419 127 24 1.297

De totale toename aan verhard oppervlak is ca. 1.297 m². Voor deze ontwikkeling is de eenmalige vrijstelling tot maximaal 500 m² extra verhard oppervlak van toepassing op basis van het beleid van het waterschap. De totale retentieopgave bedraagt hiermee 797 m² voor de ontwikkeling van het hospice. De uitwerking hiervan wordt verder in deze paragraaf beschreven. Grondwater Het watersysteem in de Bommelerwaard staat sterk onder invloed van de rivierwaterstanden, wat periodiek leidt tot kwel en hoge grondwaterstanden. De kleiige grondslag in de Bommelerwaard zorgt daarnaast voor vertraging van infiltratie van regenwater naar de diepe ondergrond, wat voor grote fluctuaties kan zorgen in de deklaag. In oosten van het plangebied is een grondwatermeetpunt gelegen. De resultaten van deze metingen van dit meetpunt lopen tot het jaar 2000. Echter is te zien dat de fluctuaties in de grondwaterstand in de periode vanaf 1970 redelijk gelijk zijn, met uitschieters in 1975 en 1978. Uit de metingen valt op te maken dat de hoogste grondwaterstand vanaf het jaar 1965 circa 75 cm t.o.v. NAP bedraagt.

Figuur 4.5: Metingen en meetpunt (rode stip) grondwaterstand

Hoofdstuk 4

42

Oppervlaktewater In de omgeving van het plangebied zijn negen C-watergangen gelegen. Het zomer-/winterpeil bedraagt ter plaatse respectievelijk 1,65 m + NAP en 1,55 m +NAP. Ten zuidwesten van het plangebied is tevens een duiker gelegen welke naar een A-watergang leidt. Naast deze watergangen bevinden zich in de nabijheid van het plangebied ook het Natuurreservaat Kloosterwiel en de rivier de Waal. Alle watergangen met A- en C-status worden behouden. Hemelwater In het plangebied is momenteel een bouwwerk aanwezig. Dit betreft een gebouw welke behoort tot het Waterschap Rivierenland. Aan de westkant van het plangebied is een antennemast aanwezig. Voor het overige is het plangebied thans onbebouwd en onverhard. Het terrein is braakliggend en kent een vegetatie welke voornamelijk uit grasland, struiken, bomen en kleinere watergangen bestaat. Het hemelwater infiltreert deels in de ondergrond en wordt deels opgevangen in de verschillende aanwezige C-watergangen. Kleine huizen en (overloop)parkeerplaatsen De toename aan verhard oppervlak voor de realisatie van de kleine huizen en (overloop)parkeervoorzieningen bedraagt in totaal 2.791 m². Vanuit het gemeentelijk beleid van de gemeente Zaltbommel dient een nieuwbouwproject in stedelijk gebied een hemelwater neutrale ontwikkeling te zijn en is hemelwaterverwerking ter plaatse dus verplicht.

Er zijn in principe twee verschillende oplossingen mogelijk om in de opgave te voorzien. Er kan een wadi of open water worden aangelegd ter compensatie van de verharding. Ook is er nog een waterbergingsbank in hetzelfde peilgebied. In dit geval wordt niet gekozen voor de aanleg van een wadi, maar voor extra oppervlaktewater. De wateropgave in een T=10 situatie is van toepassing voor waterbergingen in de vorm van watergangen en overige diepe wateren, zoals vijvers. De waterdiepte moet minimaal 0.50 m bedragen voor toekomstig B-water en voor A-water is dat 1 m Bij een T=10 situatie is de wateropgave in totaal (436 m³ x 0,2791 =) 122 m³. Bij een maximale peilstijging van 0.30 m bedraagt de aan te leggen wateroppervlakte op zomerpeil 406 m². Voor een bui van T = 100 bedraagt de benodigde waterberging zonder aanvullende maatregelen circa 185 m³ in geval van een wadi (664 m³/ha). Ter plaatse is geen minderingsfactor van toepassing. Bij een diepte van 0,3 meter is een wadi van 618 m² groot vereist. De berging van hemelwater wordt zoveel mogelijk voorzien via de aanwezige C-watergangen. Op deze manier stroomt het overtollige water het plangebied uit. Eventueel kan water hergebruikt worden, maar dit is geen strikte eis. Een regenton kan worden tussen geplaatst voor de besproeiing van het plangebied.

Bij hergebruik dient in voldoende mate rekening te worden gehouden met de omgeving en mag er geen wateroverlast op eigen terrein ontstaan. Hospice Voor de ontwikkeling van het hospice bedraagt de toename aan verhard oppervlak zoals aangegeven, na toepassing van de eenmalige vrijstelling, totaal 797 m². Voor een bui van T = 100 bedraagt de benodigde waterberging zonder aanvullende maatregelen circa 53 m³. Bij een T = 10 situatie bedraagt de wateropgave 35 m³. Ter plaatse is geen minderingsfactor van toepassing. Voor open water is bij een diepte c.q. maximale peilstijging van 0,3 meter een watergang van 116 m² benodigd (436 m³/ha). Uitwerking wateropgave

Hoofdstuk 4

43

Samenvattend is voor de realisatie van het plan de volgende wateropgave benodigd:  De wateropgave voor beide deelplannen bedraagt 238 m³ (T=100) bij de aanleg van bijvoorbeeld een Wadi  De wateropgave voor beide deelplannen bedraagt 157 m³ (T=10) bij de aanleg van een watergang/vijver. De wateroppervlakte op zomerpeil bedraagt gezamenlijk 522 m². In het schetsontwerp is vooralsnog open water bij het park opgenomen, waarin een gedeelte van de benodigde retentie van totaal 522 m² open water (in de vorm van watergangen) wordt gerealiseerd, zie figuur 4.6. Hieruit blijkt dat de benodigde retentie kan worden gerealiseerd. Dit open water ligt buiten de buitenbeschermingszone van de waterkering. De opbouw van de bodem hoef niet nader onderzocht te worden. Omdat een aanzienlijk deel van het plangebied wel binnen de buitenbeschermingszone van de waterkering ligt, is het moeilijk de volledige opgave middels open water op eigen terrein op te vangen. De realisatie van extra waterberging en/of natuurvriendelijke oevers wordt elders bemoeilijkt door de feitelijke omstandigheden, zoals bomen, bosschages, leidingen en paden. Het water dat wordt aangelegd voor compensatie vanwege de toename van verharding krijgt minimaal de B-status. Ook het water tussen de berging en de eerstvolgende A- of B-watergang krijgt een B-status.

Het onderhoud van dit water vindt plaats door de betreffende eigenaar/eigenaren.

Figuur 4.6: schetsontwerp plangebied en omgeving, inclusief aanvullende waterberging

Afvalwater Bij herontwikkeling of nieuwbouw is het uitgangspunt dat de waterstromen 100% gescheiden aangeboden wordt op het gemeentelijke stelsel. De nieuwbouw zal moeten worden aangesloten op het riool. Daarvoor is een vergunning nodig. Waterkeringen Het plangebied ligt zuidelijk van een primaire waterkering langs de Waal. De waterkering kent een kernzone, een beschermingszone en een buitenbeschermingszone. Het plangebied ligt in de beschermingszone en de buitenbeschermingszone van waterkering. Op de legger is ook de vastgestelde bouwgrens aangegeven. De nieuwe bebouwing wordt geheel buiten de bouwgrens en buiten de beschermingszone opgericht en komt in de buitenbeschermingszone te liggen. De waterbergingsopgave

Hoofdstuk 4

44

voor de compensatie van de toename aan verharding wordt geheel buiten alle beschermingszones van de dijk aangelegd. De belangen van de waterkering worden niet geschaad. De waterkering kan blijven functioneren en worden onderhouden op de huidige wijze. Door middel van gebiedsaanduidingen zijn nadere regels gesteld aan het bouwen en uitvoeren van werkzaamheden binnen de beschermingszone en buitenbeschermingszone. Hiermee zijn de belangen van de waterkering geborgd. 4.10.3 Conclusie In het plangebied is voldoende rekening gehouden met de gestelde regels vanuit nationaal, provinciaal en gemeentelijk beleid. Ook het beleid van Waterschap Rivierenland is ruimschoots in acht genomen. Het hemelwater zal worden opgevangen in de aanwezige C-watergangen in het plangebied en er zal in totaal ca. 522 m² aan open water (watergangen) worden toegevoegd. De C-watergangen in het plangebied stromen in de richting van de zuidelijk gelegen C-watergang. Hierdoor zal het hemelwater voldoende af kunnen stromen en zorgt hiermee voor een hydrologisch-neutrale ontwikkeling. Ten aanzien van de waterkering langs de Waal wordt de bebouwing binnen het gebied waar bebouwing is toegestaan gebouwd. Het plan doet derhalve geen afbreuk aan de belangen van de waterkering.

4.11 Archeologie 4.11.1 Toetsingskader De bescherming van archeologisch erfgoed in Nederland is vastgelegd in de Erfgoedwet, die op 1 juli 2016 in werking is getreden. De Erfgoedwet is in de plaats gekomen van zes wetten en regelingen op het gebied van cultureel erfgoed, waaronder de Monumentenwet 1988. Onderdelen van de Monumentenwet die van toepassing waren op de fysieke leefomgeving gaan naar de Omgevingswet die in 2021van kracht wordt. Voor deze onderdelen is daartoe in de Erfgoedwet voor de periode tot de inwerkingtreding van de Omgevingswet een overgangsregeling opgenomen. De basis van de bescherming van archeologisch erfgoed in de Erfgoedwet is het verdrag van Valletta (ook wel het verdrag van Malta). De bescherming heeft als doel om archeologisch erfgoed zoveel mogelijk in situ, dus in de grond, te behouden. Dankzij het principe van “de verstoorder betaalt” uit het verdrag van Valletta worden meer archeologische resten in situ behouden. Indien ruimtelijke ontwikkelingen plaatsvinden dient te worden beoordeeld of archeologische waarden in het geding raken. 4.11.2 Onderzoek In het plangebied zijn archeologische dubbelbestemmingen van toepassing. De drempelwaarden ten aanzien van het uitvoeren van een onderzoek worden overschreden. Er is daarom door ADC ArcheoProjecten een onderzoek uitgevoerd voor het plangebied.

In deze toelichting worden de belangrijkste conclusies vermeld, voor het gehele onderzoek wordt verwezen naar de bijlagen. Het onderzoek bestaat uit zes onderdelen (specificaties LS01 t/m LS06). In de eerste vier onderdelen zijn de volgende werkzaamheden verricht:  afbakening plangebied en vaststellen van de consequenties van het mogelijk toekomstige  gebruik

Hoofdstuk 4

45

  

beschrijving van de huidige situatie beschrijving van de historische situatie en mogelijke verstoringen beschrijving van bekende archeologische waarden en aardwetenschappelijke gegevens

Op grond van deze onderdelen wordt een gespecificeerde verwachting van het gebied opgesteld (specificatie LS05). Hierin wordt verwoord of, en zo ja, welke archeologische waarden worden verwacht. Indien deze worden verwacht worden de (veronderstelde) eigenschappen van de waarden zo gedetailleerd mogelijk aangegeven. Geadviseerd is om in het plangebied geen aanvullend archeologisch onderzoek uit te voeren. Wat betreft de archeologie is er geen belemmering om het terrein vrij te geven voor de voorgenomen ontwikkeling. Het is echter niet volledig uit te sluiten dat binnen het onderzochte gebied toch nog archeologische resten voorkomen. Het verdient daarom aanbeveling om de uitvoerder van het grondwerk te wijzen op de plicht archeologische vondsten te melden bij het bevoegd gezag, zoals aangegeven in de Erfgoedwet. Het bevoegd gezag heeft op basis van de resultaten uit het archeologisch onderzoek een selectiebesluit genomen op 18 november 2020. Naar aanleiding van het selectiebesluit kunnen de gronden worden vrijgegeven. Het is niet noodzakelijk de huidige archeologische dubbelbestemmingen in het plangebied te handhaven. 4.11.3 Conclusie Op basis van het archeologisch onderzoek is gebleken dat er geen beschermenswaardige archeologische resten worden verwacht. Nader onderzoek is niet noodzakelijk. Het plangebied is vrijgegeven voor de benodigde ingrepen.

4.12 Cultuurhistorie 4.12.1 Toetsingskader Op grond van het Besluit ruimtelijke ordening (artikel 3.1.6, tweede lid, onderdeel a Bro) dient in het plan rekening gehouden te worden met cultuurhistorie. Cultuurhistorie heeft onder andere betrekking op de historische stedenbouwkundige en historisch geografische waarden in het gebied. In het plan moet beschreven worden hoe met de in het gebied aanwezige waarden en de aanwezige of te verwachten monumenten wordt omgegaan. De Erfgoedwet bevat de wet- en regelgeving voor behoud en beheer van het cultureel erfgoed en archeologie in Nederland. Het is op basis hiervan verplicht om de facetten historische (steden)bouwkunde en historische geografie mee te nemen in de belangenafweging. Hierbij gaat het om zowel beschermde als niet formeel beschermde objecten en structuren. Het beleid van de provincie Noord-Brabant sluit aan op het nationale beleid voor de archeologische monumentenzorg. De provincie richt zich op de bescherming van objecten en de bescherming, benutting en ontwikkeling van structuren en ensembles van een grotere schaal.

Hoofdstuk 4

46

4.12.2 Onderzoek In en rondom het plangebied zijn geen monumenten aanwezig. Het plangebied bevindt zich in de omgeving van het natuurreservaat Kloosterwiel, maar heeft daarop geen invloed. Er zijn geen als zodanig aangewezen cultuurhistorische waarden in de omgeving aanwezig. 4.12.3 Conclusie Het aspect cultuurhistorie is niet van invloed op de ontwikkeling van het plangebied. Wel is er rekening gehouden met de omgeving tijdens de ontwerpfase van het plan.

4.13 Toetsing Besluit m.e.r. / Vormvrije m.e.r.-beoordeling Gemeenten moeten ook bij relatief kleine bouwprojecten beoordelen of een m.e.r.-beoordeling nodig is. Achterliggende gedachte hierbij is dat ook kleine projecten het milieu relatief zwaar kunnen belasten en ook bij kleine projecten van geval tot geval moet worden beoordeeld of een m.e.r.-procedure nodig is. Een m.e.r.-beoordeling is een toets van het bevoegd gezag om te beoordelen of bij een project belangrijke nadelige milieugevolgen kunnen optreden. Wanneer uit de toets blijkt dat er belangrijke nadelige milieugevolgen kunnen optreden moet er een m.e.r.-procedure worden doorlopen. Met andere woorden: dan is het opstellen van een MER nodig. In de voorgaande paragrafen is onderzocht is of er belangrijke nadelige milieugevolgen kunnen optreden vanwege het plan. Gelet op de beschreven onderzoeksresultaten kan worden geconcludeerd dat het plan kan worden uitgevoerd zonder onevenredig negatieve effecten vanuit milieu-hygiënisch opzicht en op waarden in het plangebied en in de directe omgeving. Geconcludeerd wordt dat er, rekening houdend met: 1. de kenmerken van het project; 2. de plaats van het project; en 3. de kenmerken van het potentiële effect; sprake is van een project van wezenlijk ander schaalniveau en een activiteit die vele malen kleinschaliger is dan direct m.e.r.-(beoordelings)plichtige activiteiten.

Bij elk plan is sprake van invloed op het milieu, maar deze invloed is in dit geval niet zodanig dat normen worden overschreden. De potentiële effecten van het plan, in relatie tot de kenmerken en de plaats van het plan, zijn dusdanig beperkt van aard en omvang dat dit geen belangrijk nadelige milieugevolgen tot gevolg heeft die het doorlopen van een m.e.r.-procedure noodzakelijk maken. Daarom is besloten dat een m.e.r.-procedure niet noodzakelijk is in het kader van dit bestemmingsplan.

Hoofdstuk 4

47

5.

JURIDISCHE PLANOPZET In dit hoofdstuk wordt de juridische opzet van het bestemmingsplan beschreven.

5.1 Inleiding Het bestemmingsplan is een juridisch bindend plan dat bestaat uit een verbeelding (plankaart) en regels en gaat vergezeld van een toelichting. De verbeelding en de regels vormen het juridisch bindende deel van het bestemmingsplan, waarbij de regels de gebruiks- en bouwmogelijkheden van de gronden regelen en de verbeelding de rol heeft van visualisering van de bestemmingen. De toelichting heeft geen bindende werking, maar heeft wel een belangrijke functie bij de weergave, verantwoording en onderbouwing van het bestemmingsplan en als uitleg bij de verbeelding en regels. De Wet ruimtelijke ordening (Wro) bepaalt dat het bestemmingsplan langs elektronische weg beschikbaar wordt gesteld. Dit brengt met zich mee dat het bestemmingsplan digitaal uitwisselbaar en op vergelijkbare wijze moet worden gepresenteerd. Met het oog hierop stellen de Wro en de onderliggende regelgeving eisen waaraan het bestemmingsplan moet voldoen. Zo bevat de Standaard Vergelijkbare Bestemmingsplannen 2012 (SVBP 2012) bindende afspraken waarmee bij het maken van bestemmingsplannen rekening moet worden gehouden. De SVBP 2012 kent (onder meer) hoofdgroepen van bestemmingen, een lijst met functie- en bouwaanduidingen, gebiedsaanduidingen en een verplichte opbouw van de planregels en het renvooi.

Voorliggend bestemmingsplan is opgesteld in overeenstemming met de SVBP 2012 en wordt op de voorgeschreven wijze digitaal beschikbaar gesteld.

5.2 Plansystematiek Dit bestemmingsplan is opgesteld om de ontwikkeling van het plangebied conform de Ontwikkelingsvisie, een en ander zoals beschreven in hoofdstuk 2, juridisch-planologisch mogelijk te maken. De regels en de verbeelding zijn zodanig opgesteld dat de bouw- en gebruiksmogelijkheden daarvoor een juridisch kader bieden. De regels zijn daarnaast afgestemd op andere actuele bestemmingsplannen binnen de gemeente, waaronder het bestemmingsplan ‘Zaltbommel, Waluwe Oost’ en de beheersverordening ‘Poederoijen en Zaltbommel’. Op onderdelen is vanwege het specifieke planconcept maatwerk geleverd. De regels van het bestemmingsplan bestaan uit de volgende onderdelen: 1. 2. 3. 4.

inleidende regels; bestemmingsregels; algemene regels; overgangs- en slotregels.

Hoofdstuk 1: inleidende regels Dit hoofdstuk bestaat uit de begripsbepalingen (artikel 1) en de wijze van meten (artikel 2). In de begripsbepalingen worden omschrijvingen gegeven van diverse in het bestemmingsplan gebruikte begrippen/termen. De begripsbepalingen zijn opgenomen om interpretatieverschillen te voorkomen. Artikel 2 bevat technische regelingen met betrekking tot het bepalen van oppervlakten, percentages,

Hoofdstuk 5

48

hoogte, diepte, breedte en dergelijke. Hiermee kan op een eenduidige manier toepassing worden gegeven aan de regels. Hoofdstuk 2: bestemmingsregels In dit hoofdstuk zijn de in het bestemmingsplan opgenomen bestemmingen opgenomen (enkel- en dubbelbestemmingen). De opbouw van de bestemmingen is als volgt (met dien verstande dat een specifieke bestemming niet alle genoemde elementen hoeft te bevatten):  bestemmingsomschrijving;  bouwregels;  nadere eisen;  afwijken van de bouwregels;  specifieke gebruiksregels;  afwijken van de gebruiksregels;  omgevingsvergunning voor het uitvoeren van werken, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden;  omgevingsvergunning voor het slopen van een bouwwerk;  wijzigingsbevoegdheid. De in het plangebied aanwezige bestemmingen zijn met bestemmingsvlakken op de verbeelding aangegeven. Het bestemmingsvlak geeft aan waar een bepaald gebruik is toegestaan. Ook kunnen aanduidingen die betrekking hebben op het gebruik (functieaanduidingen) zijn opgenomen. Middels deze functieaanduidingen is een specifiek gebruik ter plaatse bestemd of uitgesloten. Daarnaast wordt in de regels per bestemming bepaald waar en onder welke voorwaarden gebouwen mogen worden gebouwd. Dit wordt eventueel met een bouwvlak en aanduidingen die betrekking hebben op de maatvoering (maximale goot- en of bouwhoogte, bebouwingspercentage) op de verbeelding aangeven.

In de volgende paragraaf worden de in het plan opgenomen bestemmingen per bestemming nader beschreven. Hoofdstuk 3: algemene regels Algemene regels zijn regels die gelden voor meerdere bestemmingen, dan wel een algemene strekking hebben. Deze bestaan uit de volgende onderdelen:  anti-dubbeltelregel: deze regel is opgenomen om te voorkomen dat, wanneer volgens een bestemmingsplan bepaalde gebouwen en bouwwerken niet meer dan een bepaald deel van een bouwperceel mogen beslaan, het overgebleven terrein nog eens meetelt bij het toestaan van een ander gebouw of bouwwerk, waaraan een soortgelijke eis wordt gesteld.  algemene bouwregels: hier zijn algemene regels ten aanzien van het ondergronds bouwen opgenomen met bijbehorende maatvoering. Ook is hierin geregeld wanneer overschrijding van bouwen bestemmingsgrenzen of bouwhoogten door ondergeschikte bouwdelen is toegestaan. Tot slot is een parkeerregeling opgenomen. Hieraan wordt bij het verlenen van een omgevingsvergunning van het bouwen getoetst.  algemene gebruiksregels: in deze regels is opgenomen welke vormen van gebruik in ieder geval als strijdig gebruik worden beschouwd.  algemene aanduidingsregels: hier zijn regels opgenomen, die van toepassing zijn ter plaatse van enkele in het plan opgenomen gebiedsaanduidingen.

Deze aanduidingen zijn bestemmingsoverschrijdend en kunnen dus van toepassing zijn binnen meerdere bestemmingen. Het gaat om de volgende aanduidingen: de geurzone ten opzichte van het gemaal en twee vrijwaringszones voor de dijk (beschermingszone en buitenbeschermingszone). Binnen deze zones gelden beperkingen ten aanzien van het bouwen, danwel aanvullende gebruiksdoeleinden.

Hoofdstuk 5

49

algemene afwijkingsregels: deze regels geven het bevoegd gezag de bevoegdheid om met een omgevingsvergunning af te wijken van de regels van dit bestemmingsplan ten behoeve van nietingrijpende gebruiks- en/of bouwactiviteiten. De criteria, die bij toepassing van de afwijkingsbevoegdheid in acht moeten worden genomen, zijn daarbij aangegeven.

Hoofdstuk 4: overgangs- en slotregels Dit hoofdstuk bevat het voor elk bestemmingsplan verplichte overgangsrecht voor bouwen en gebruik en de slotregel met daarin de citeertitel van de planregels.

5.3 Bestemmingen Voorliggend bestemmingsplan bestaat uit de volgende bestemmingen. Groen – Landelijk Groen Deze bestemming geldt op basis van de huidige beheersverordening voor het westelijk plandeel en blijft van toepassing binnen een aanzienlijk deel van dit gebied. Dit deel blijft ingericht met hoofdzakelijk groen, weiland en water. Daarnaast zijn de twee parkeerterreinen, die grotendeels met parkeren in het weiland worden uitgevoerd, als ‘Groen – Landelijk Groen’ bestemd. De gronden met deze bestemming zijn bestemd voor groenvoorzieningen en beplantingen, grasvelden en weilanden, paden, sporten speelvoorzieningen, water en waterhuishoudkundige voorzieningen, e.d. De twee parkeerterreinen zijn aangeduid als ‘parkeerterrein’ op de verbeelding. Uitsluitend binnen deze aanduidingen zijn verharde en onverharde parkeervoorzieningen en ontsluitingen voor gemotoriseerd verkeer toegestaan. Tevens zijn hier lichtmasten toegestaan. Tot slot is de bestaande antennemast aangeduid als ‘zend/ontvangstinstallatie’. Binnen de bestemming mogen uitsluitend bouwwerken, geen gebouwen zijnde worden gebouwd. Maatschappelijk Het perceel van het beoogde hospice is bestemd als ‘Maatschappelijk’. Deze gronden zijn bestemd voor een hospice met maximaal 6 bewonerskamers en daarbij behorende ruimten, alsmede voor parkeer- en groenvoorzieningen, water en waterhuishoudkundige voorzieningen, e.d.

Binnen de bestemming is een bouwvlak opgenomen. Gebouwen mogen uitsluitend binnen het bouwvlak worden gebouwd, met uitzondering van fietsenstallingen, die ook buiten het bouwvlak toegestaan zijn (maximaal 30 m²). De maximum goot- en bouwhoogte zijn op de verbeelding aangegeven. Binnen de bestemming zijn tevens bouwwerken, geen gebouwen zijnde toegestaan.

Hoofdstuk 5

50

Wonen De percelen waar de 15 kleine huizen zijn voorzien, alsmede de tussenliggende gronden en de gronden waar de gemeenschappelijke bijgekomen zijn voorzien, zijn bestemd als ‘Wonen’. Er is één bouwvlak opgenomen; binnen dit gebied moeten de woningen worden gerealiseerd. In de exacte positionering van de woningen bestaat dus de nodige flexibiliteit. In de bouwregels zijn de randvoorwaarden per woning nader ingekaderd, zodat de stedenbouwkundige uitgangspunten gewaarborgd zijn. Dit betreft onder meer de maximum hoogte, oppervlakte en inhoud. Er zijn maximaal 15 vrijstaande woningen toegestaan. Bijgebouwen bij de woningen zijn niet toegestaan. Wel zijn ter plaatse van de twee aanduidingsvlakken ‘bijgebouw’ gezamenlijke voorzieningengebouwen (bergingen) toegestaan. Losse bergingen e.d. elders worden niet wenselijk en niet noodzakelijk geacht, gelet op enerzijds de beoogde doelgroep en anderzijds de voorwaarden om voldoende groen te behouden. De gronden buiten de hoofdgebouwen zijn derhalve niet aangemerkt als ‘erf’ in de zin van het Besluit omgevingsrecht. Vergunningsvrij bouwen van bijbehorende bouwwerken is hier niet wenselijk. In de planregels is daarom expliciet opgenomen dat de gronden buiten het hoofdgebouw niet als ‘erf’ dienen te worden aangemerkt. Binnen de bestemming zijn wel bouwwerken, geen gebouwen zijnde toegestaan.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/10655805/1