CConstaterende datZaltbommel
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage 1. Bestemmingsplan Nederhemert, Kapelstraat De Meander

Raadsvergadering 30 september 2021, gemeente ZaltbommelBij agendapunt: Vaststellen bestemmingsplan Nederhemert, Kapelstraat, De Meander34.933 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 3 van 5

Als er vanuit stedenbouwkundig oogpunt redenen zijn om binnen de contour woningen te realiseren en dit past binnen de maximale grenswaarde van de wet geluidshinder (63dB(A)), dan kan een procedure hogere grenswaarde gevoerd worden. Voor dit plan is een geluidsonderzoek uitgevoerd, bijlage 4, d.d. 22 februari 2021 waaruit blijkt dat er geen belemmeringen zijn voor uitvoering van het plan op voorwaarde dat een hogere waardenprocedure wordt doorlopen. De geluidbelasting ten gevolge van de Maasdijk en de Kapelstraat bedraagt meer dan de voorkeurswaarde van 48 dB uit de Wet geluidhinder. Maatregelen ten einde Pagina 49 Bestemmingsplan ‘Nederhemert, Kapelstraat De Meander‘

het verlagen van de geluidbelasting zijn onderzocht en stuiten op overwegende bezwaren. Derhalve is de ontwikkeling alleen mogelijk als het bevoegd gezag, de gemeente Zaltbommel, hogere waarden vaststelt voor de woningen met een overschrijding van de voorkeurswaarde vanwege de Maasdijk en/of de Kapelstraat. Indien de Kapelstraat een 30 km/uur-gebied zou zijn, is de geluidswaarde op De Meander lager. Weliswaar is er de wens om de Kapelstraat als zodanig in te richten, echter kan hier niet juridisch op vooruit worden gelopen, aangezien er geen concreet zicht op een aanpassing van het snelheidsregime is. De Kapelstraat zal qua snelheid worden afgewaardeerd zodra De Meander wordt gerealiseerd, gelijktijdig met het vervangen van de riolering en dergelijke. Op dat moment ontstaat er mogelijk fysiek ook ruimte om een voetpad aan de Kapelstaat te realiseren. Dit is te zijner tijd aan de gemeente. In de onderzoeken is ook meegenomen de uitstraling c.q. weerkaatsing van het geluid op bestaande woningen alsmede de toename van het verkeer op bestaande wegen als gevolg van het plan. Aanvullend is in bijlage 17 het onderzoek van 22 februari 2021 opgenomen waarin de akoestische consequenties zijn beschreven van het bouwplan op lokale ontsluitingswegen. Ook uit dit onderzoek blijken geen belemmeringen.

Ten gevolge van de toename van het verkeer op de Kapelstraat zal de geluidbelasting ter plaatse van de nabijgelegen woningen met hoogstens 1,29 dB toenemen. Hiermee bedraagt de toename niet meer dan 2 dB. De verkeerstoename op de Kapelstraat heeft geen relevante invloed op het aanwezige akoestische woon- en leefklimaat ter plaatse van de bestaande woningen. De (indicatieve) geluidtoename vanwege het planverkeer op de Maasdijk ter plaatse van de nabijgelegen woningen bedraagt 0,48 dB. Hiermee bedraagt de toename niet meer dan 2 dB. De verkeerstoename op de Maasdijk heeft geen relevante invloed op het aanwezige akoestische woonen leefklimaat ter plaatse van de bestaande woningen. Uit een aanvullend onderzoek naar de geluidwering van de gevel zal moeten blijken of de vereiste karakteristieke geluidwering van de gevel voldoet aan de eisen uit het Bouwbesluit. Bij de aanvraag Omgevingsvergunning wordt een gevelweringsonderzoek uitgevoerd. Er is in deze situatie enkel sprake van wegverkeerslawaai. Daarmee is er geen sprake van cumulatie in de zin van de Wet geluidhinder.

4.5

Luchtkwaliteit

Doel van de Wet luchtkwaliteit 2007 is het verbeteren van de luchtkwaliteit waarbij gewenste ruimtelijke ontwikkelingen doorgang kunnen vinden. In deze wet is de Europese richtlijn luchtkwaliteit geïmplementeerd. Voor luchtkwaliteit is stikstofdioxide het meest maatgevend. Daarnaast zijn ook de concentraties van fijn stof van belang. Het Besluit niet in betekenende mate bijdragen (AmvB), verder te noemen het Besluit NIBM, legt vast wanneer een project niet in betekenende mate bijdraagt aan de concentratie van een bepaalde stof en daarmee geen verdere toetsing nodig is. De Ministeriële Regeling, verder aan te duiden als de Regeling NIBM, geeft voor een aantal categorieën van projecten een (getalsmatige) invulling aan de NIBM-grens. Het gaat onder meer om woningbouw- en kantoorprojecten en enkele soorten van inrichtingen (bijvoorbeeld emplacementen, kassen en andere landbouwinrichtingen). Een project is NIBM als aannemelijk is dat het project een toename van de concentratie veroorzaakt van maximaal 3% van de grenswaarde voor het jaargemiddelde concentratie van fijn stof en stikstofdioxide. Dit komt overeen met 1,2 μg/m³ voor zowel fijn stof als stikstofdioxide. Voor woningbouw aan één ontsluitingsweg is een grens van 1500 woningen bepaald. Het project ligt heel ver onder deze grens. Het project leidt dus ‘niet in betekenende mate’ tot een verslechtering van de luchtkwaliteit.

Onderdeel van de Wet luchtkwaliteit is niet alleen het Besluit NIBM maar ook het Besluit gevoelige bestemmingen. De grootste bron van luchtverontreiniging in Nederland is het wegverkeer. Het besluit legt aan weerszijden van rijkswegen en provinciale wegen zones vast. Bij rijkswegen is deze zone 300 meter, bij provinciale wegen 50 meter. Bij realisatie van 'gevoelige bestemmingen' binnen deze zones is toetsing aan de grenswaarden die genoemd zijn in de Wet luchtkwaliteit nodig. Dit besluit is opgesteld om mensen die extra gevoelig zijn voor een matige luchtkwaliteit aanvullend te beschermen. Deze 'gevoelige bestemmingen' zijn scholen, kinderdagverblijven en verzorgings-, verpleeg- en bejaardentehuizen. Woningen en ziekenhuizen/ klinieken zijn geen gevoelige bestemmingen als bedoeld in dit besluit. Bovendien ligt de planlocatie niet binnen een dergelijke zone. Pagina 50 Bestemmingsplan ‘Nederhemert, Kapelstraat De Meander‘

Worst-case berekening voor de bijdrage van het extra verkeer als gevolg van een plan op de luchtkwaliteit Jaar van planrealisatie

2020

Extra verkeer als gevolg van het plan Extra voertuigbewegingen (weekdaggemiddelde) Aandeel vrachtverkeer

0,0%

NO2 in μg/m3

0,78

PM10 in μg/m3

0,14

Maximale bijdrage extra verkeer Grens voor "Niet In Betekenende Mate" in μg/m3

960

1,2

Conclusie De bijdrage van het extra verkeer is niet in betekenende mate; geen nader onderzoek nodig

Op de website van het milieu- en natuurplanbureau zijn grootschalige concentratiekaarten (GCNkaarten, Atlas Leefomgeving) van luchtverontreinigende stoffen opgenomen. De kaarten (figuur 26) geven een beeld van de luchtkwaliteit in Nederland en hebben betrekking op zowel recente als toekomstige jaren. Voor het jaar 2017 is de achtergrondconcentratie in het projectgebied voor stikstofdioxide 17.40 μg/m3 en voor fijn stof is dit 17.96 μg/m3. De grenswaarden zijn in 2020 voor stikstofdioxide 40 μg/m3 en voor fijn stof 40 μg/m3. Dit betekent dat de achtergrondconcentraties ver onder de normen blijven. Een en ander betekent dat een luchtkwaliteitsonderzoek niet noodzakelijk is en dat dit aspect geen belemmering vormt voor de voorgestane ontwikkeling.

Figuur 26a: Fijn stof 2017 Pagina 51 Bestemmingsplan ‘Nederhemert, Kapelstraat De Meander‘

Figuur 26b: Stikstofdioxide 2017

4.6

Externe veiligheid

Inleiding Externe veiligheid heeft betrekking op locaties waar een ongeval met gevaarlijke stoffen kan plaatsvinden, waardoor personen die geen directe relatie hebben tot de risicovolle activiteit zouden kunnen komen te overlijden. Bij een ruimtelijke besluit voor het toelaten van (beperkt) kwetsbare objecten moet worden getoetst aan risiconormen en veiligheidsafstanden. Dit is met name relevant op korte afstand van risicobronnen. Indien een (beperkt) kwetsbaar object wordt toegelaten binnen het invloedsgebied van een belangrijke risicobron, moet ook het groepsrisico worden verantwoord. Bovendien is het van belang om af te wegen in hoeverre nieuwe risicobronnen binnen een plangebied worden toegestaan. Voor de beoordeling van een ruimtelijk plan moet voor externe veiligheid worden vastgesteld of het plangebied is gelegen binnen het invloedsgebied van specifieke risicovolle inrichtingen, relevante transportroutes voor het vervoer van gevaarlijke stoffen of relevante buisleidingen. Toetsingskaders zijn het "Besluit externe veiligheid inrichtingen” (Bevi), het "Besluit externe veiligheid transportroutes" (Bevt) en het "Besluit externe veiligheid buisleidingen" (Bevb). Daarnaast zijn in het Vuurwerkbesluit en het Activiteitenbesluit milieubeheer veiligheidsafstanden genoemd die rond stationaire risicobronnen, niet zijnde een Bevi-inrichting, moeten worden aangehouden.

Beleidsvisie Gemeente Zaltbommel Met de beleidsvisie externe veiligheid van 28 november 2013 geeft de Gemeente Zaltbommel haar visie op de beheersing van veiligheidsrisico’s. De gemeente Zaltbommel hanteert de onderstaande ambities bij nieuwe situaties in de omgeving van aanwezige risicobronnen en bij nieuwe risicobronnen. 1. Provinciale en gemeentelijke wegen binnen de gemeente worden niet beschouwd als relevante transportroutes voor het vervoer van gevaarlijke stoffen.

Pagina 52 Bestemmingsplan ‘Nederhemert, Kapelstraat De Meander‘

2.

Een risicobedrijf, dat vergelijkbaar is met een Bevi-inrichting, en de omgeving daarvan worden op een gelijke wijze behandeld als een Bevi-inrichting en haar omgeving. Vergelijkbare risicobedrijven zijn bijvoorbeeld een LNG-tankstation of een mijnbouwinrichting voor gaswinning. 3. Een specialist externe veiligheid en de Veiligheidsregio Gelderland-Zuid worden vroegtijdig betrokken bij een ruimtelijk besluit voor een plangebied dat ligt in de in deze visie vastgestelde zones. 4. Een standaard verantwoordingstekst mag worden gebruikt bij een ruimtelijk besluit voor een plangebied, waarbij de gevolgen op een zwaar ongeval zeer gering zijn en/of de mogelijkheden voor de zelfredzaamheid/bestrijdbaarheid redelijk tot goed zijn. 5. Het bestuur wordt in ieder geval actief betrokken bij de voorbereiding van besluiten waarbij wordt afgeweken van onderstaande ambities. 6. In woongebieden worden geen nieuwe Bevi-inrichtingen en andere stationaire risicobronnen geïntroduceerd. Voor een nieuw gasdrukregel- en meetstation geldt (onder bepaalde voorwaarden) een uitzondering. De verantwoordelijkheden bij de uitvoering van EV-taken en (eventueel) specifieke actiepunten worden elk jaar in een uitvoeringsprogramma opgenomen. Dit programma wordt vastgesteld door het college en zo nodig ter informatie aan de gemeenteraad gestuurd.

Planspecifiek Het plan voorziet zelf niet in de oprichting van een inrichting die valt onder het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi), of van een andere stationaire risicobron. Uit de regionale signaleringskaart en de risicokaart (figuur 27) blijkt verder dat het plangebied niet ligt binnen: • het invloedsgebied van een inrichting die valt onder het Bevi; • de veiligheidsafstanden van andere stationaire risicobronnen; • het invloedsgebied van een relevante transportweg of een basisnetroute voor het vervoer van gevaarlijke stoffen over de weg, het water of het spoor; • het invloedsgebied van een relevante buisleiding voor het transport van gevaarlijke stoffen. Het aspect externe veiligheid is voor het plangebied dus niet relevant.

Figuur 27: Provinciale risicokaart Pagina 53 Bestemmingsplan ‘Nederhemert, Kapelstraat De Meander‘

4.7

Ecologie / flora en fauna

Op basis van de natuurwetgeving is het van belang bij de ruimtelijke planvorming vooraf te onderzoeken of en welke dier- en plantensoorten er voorkomen, wat hun beschermingsstatus is en wat de effecten zijn van de ingreep op het voorbestaan van de gevonden soorten. Voorafgaand aan de gewenste wijziging dient onderzocht te worden of er sprake is van een aantasting van wettelijk beschermde natuurwaarden op basis van de groene wet- en regelgeving. Onderstaand zijn de diverse aspecten ten aanzien van natuurwaarden beschreven. Wet natuurbescherming De Wet natuurbescherming vervangt vanaf 1 januari 2017 drie wetten: de Natuurbeschermingswet 1998, de Boswet en de Flora- en Faunawet. Doel van de Wet natuurbescherming is drieledig: 1. bescherming van de biodiversiteit in Nederland; 2. decentralisatie van verantwoordelijkheden; 3. vereenvoudiging van regels. In onderstaande paragrafen wordt getoetst of de ontwikkeling invloed heeft op de beschermde gebieden en soorten die zijn opgenomen in de Wet natuurbescherming. Volledigheidshalve kan verwezen naar de ecologische quickscan van 19 februari 2020 (bijlage 1). Gebiedsbescherming De gebiedsbescherming is beperkt tot de Natura 2000-gebieden en eventueel buiten het Natuur Netwerk gelegen bijzondere provinciale natuurgebieden. De bescherming van het Natuur Netwerk Nederland (NNN) is reeds beschermd in het Barro en provinciale Vr.

In Nederland zijn 164 Natura 2000-gebieden aangewezen. Per Natura 2000-gebied zijn instandhoudingsdoelstellingen (voor soorten en vegetatietypen) opgesteld. Iedereen die vermoedt of kan weten dat zijn handelen of nalaten, gelet op de instandhoudingdoelen, nadelige gevolgen voor een Natura 2000-gebied kan hebben, is verplicht deze handelingen achterwege te laten of te beperken. Het bevoegd gezag kan schadelijke activiteiten beperken en eisen dat een vergunning in het kader van de Wet Natuurbescherming (Wnb) wordt aangevraagd. Regulier beheer en bestaand gebruik zijn (of worden) opgenomen in Natura 2000-beheerplannen. Na vaststelling van de beheerplannen hoeft daarvoor geen vergunning aangevraagd te worden. Zoals uit figuur 28 blijkt, ligt de planlocatie niet in of nabij een gebied dat voor de Natura 2000 en/of Natuurbeschermingswet relevant is. Op dit vlak zijn er geen belemmeringen. De Natura 2000-gebieden Loevestein, Pompveld & Kronsche Boezem en Rijntakken liggen op circa 8 km. en zijn daarmee weinig relevant.

Gezien de afstand tot het omliggende Natura 2000-gebied en omdat er tussen het gebied en de beoogde ontwikkeling veel landschapselementen aanwezig zijn zoals opstallen in de vorm van woningen, bossen en wegen, is er op de omliggende Natura 2000-gebieden geen sprake van negatieve effecten zoals oppervlakteverlies, versnippering, verontreiniging, verdroging, verstoring door geluid, optische verstoring, verstoring door mechanische effecten en bewuste verandering soortensamenstelling. Verder wordt op onderhavige locatie een bedrijf gesaneerd. Hierdoor nemen de emissies af. Gezien het vorenstaande kan geconcludeerd worden dat negatieve effecten op soorten en habitattypen in beschermde Natura 2000-gebieden zijn uitgesloten. Woningbouwprojecten kunnen leiden tot een toename van de stikstofdepositie als gevolg van bouwwerkzaamheden in de aanlegfase (bijvoorbeeld als gevolg van de aanvoer van bouwmaterialen, grondverzet op de bouwplaats en woon-werkverkeer van bouwvakkers). Het gebruik van de woningen (de gebruiksfase) kan ook leiden tot een toename van de stikstofdepositie als gevolg van het gebruik van aardgas en het autoverkeer van bewoners en bezoekers van de woningen. Daarentegen zullen, wanneer de woningbouw plaatsvindt ten koste van agrarische functies, grote stikstofemissies verdwijnen.

Dit “interne saldo” mag worden meegewogen bij de beoordeling van de stikstofeffecten van een plan of project. Tenslotte speelt de afstand van een plan of project tot stikstofgevoelige delen van Natura 2000 een belangrijke rol bij de beoordeling van de mogelijke effecten.

Pagina 54 Bestemmingsplan ‘Nederhemert, Kapelstraat De Meander‘

De potentiële stikstofeffecten van de onderhavige woningbouwlocatie zijn uitsluitend het gevolg van verkeer en tijdelijke werkzaamheden in de aanlegfase. Vanwege het grote agrarische en bedrijfsareaal dat uit productie wordt genomen, vanaf dag 1 van de aanlegfase, wordt er veel meer stikstofemissie opgeheven dan toegevoegd. Omdat de woningen daarnaast gasloos worden gebouwd zal de stikstofdepositie daarom per saldo afnemen. Dit wordt onderbouwd in de herziene Aerius-berekening d.d. 13 april 2021, bijlage 12. In verband met de PAS/stikstof-casus die speelt sinds mei 2019 is elke toename van stikstof vanwege een project in principe ontoelaatbaar. Uit de berekening, volgens de invullijst data stikstofdepositie, blijkt dat het projecteffect op de Natura 2000-gebieden kleiner dan of gelijk is aan 0,00 mol/ha/jaar, in de gebruiksen aanlegfase. Bij een dergelijk projecteffect zal het beoogde plan niet voor een significante toename in stikstofdepositie zorgen en kunnen negatieve effecten worden uitgesloten. Op basis van het onderzoek blijkt dat er geen vergunning benodigd is voor het aspect stikstof. Vanwege de geringe ontwikkeling en de ruime afstand tot het dichtstbijzijnde stikstofgevoelige Natura 2000-gebied' kunnen ook vermesting/verzuring worden uitgesloten. Significante negatieve effecten op beschermde gebieden kunnen derhalve worden uitgesloten.

Natuurnetwerk In de twintigste eeuw is veel Nederlandse natuur verdwenen. De overgebleven gebieden zijn vaak klein en liggen veelal ver uit elkaar. Hierdoor hebben bepaalde organismen moeite om gebieden te bereiken en zich er te handhaven, waardoor de diversiteit van planten, dieren en micro-organismen (de biodiversiteit) ook sterk achteruit gaat. Het NNN is een netwerk van natuurgebieden en verbindingszones. In het NNN (figuur 29) liggen: • bestaande natuurgebieden, waaronder de 20 Nationale Parken; • gebieden waar nieuwe natuur aangelegd wordt; • landbouwgebieden, beheerd volgens agrarisch natuurbeheer; • ruim 6 miljoen hectare grote wateren: meren, rivieren, de kustzone van Noordzee en de Waddenzee en • alle Natura 2000-gebieden. Op grond van artikel 2.10.2 van het Barro moeten provincies bij provinciale verordening de NNNgebieden aanwijzen en nauwkeurig begrenzen. Op grond van artikel 2.10.3 Barro moeten zij ook de wezenlijke kenmerken en waarden van die gebieden vastleggen. Daarnaast wijzen de provincies de natuurdoelen in de NNN aan. Een natuurdoel beschrijft een bepaalde natuurkwaliteit en wordt gebruikt als een toetsbare doelstelling voor een natuurgebied. Het plangebied grenst aan een NNN. Vanaf 2014 zijn de provincies verantwoordelijke voor de begrenzing en de ontwikkeling van het NNN.

De provincie spant zich in voor een compact en hoogwaardig stelsel van onderling verbonden natuurgebieden en behoud en versterking van de kwaliteit van het landschap. Het Gelders Natuurnetwerk (GNN) en de Groene Ontwikkelingszone (GO) worden beschermd tegen aantasting van de kernkwaliteiten: dat zijn de natuurwaarden, de potentiële waarden en de omgevingscondities. Het GNN is een samenhangend netwerk van bestaande en te ontwikkelen natuur van internationaal, nationaal en provinciaal belang. Het uitgangspunt is dat in het GNN geen nieuwe initiatieven plaatsvinden, behalve ontwikkelingen van een groot algemeen of provinciaal belang of waarvoor geen alternatieven bestaan. In de GO is ruimte voor economische ontwikkeling in combinatie met een (substantiële) versterking van de samenhang tussen aangrenzende en inliggende natuurgebieden. De ecologische verbindingszones maken deel uit van de GO, evenals de weidevogelgebieden en de rustgebieden voor winterganzen. De provincie treft maatregelen vanwege de bescherming, de instandhouding of het herstel van biotopen, leefgebieden, een gunstige staat van instandhouding en het NNN. De provincie beschermt de achttien Natura2000 gebieden die in het GNN liggen. Verder richt het beleid zich op behoud van de basiskwaliteit van landschappen in Gelderland.

Voor de landschappen van bovenregionale waarde geldt een beschermingsregiem met kernkwaliteiten en met

Pagina 55 Bestemmingsplan ‘Nederhemert, Kapelstraat De Meander‘

een juridisch vangnet in de verordening, zodat de provincie in gesprek kan komen indien het provinciaal belang in het geding raakt. Soortenbescherming De soortenbeschermende werking is rechtstreeks opgenomen in de Wnb. In hoofdstuk 3 van de Wnb zijn de beschermingsregimes in drie aparte paragrafen neergelegd. Per beschermingsregime is bepaald welke verboden er gelden en onder welke voorwaarden ontheffing of vrijstelling kan worden verleend door het bevoegd gezag. Hieronder zijn de drie beschermingsregimes weergegeven: 1. Beschermingsregime soorten Vogelrichtlijn; Dit zijn alle van nature in Nederland in het wild levende vogels (zoals bedoelt in artikel 1 van de Vogelrichtlijn). 2. Beschermingsregime soorten Habitatrichtlijn; Dit zijn soorten die genoemd zijn in Bijlage IV van de Habitatrichtlijn, Bijlage I en II van het Verdrag van Bern en Bijlage II van het Verdrag van Bonn. In de bijlagen van de Verdragen van Bern en Bonn worden ook vogels genoemd. 3. Beschermingsregime andere soorten. Dit zijn soorten die genoemd zijn in Bijlage onderdeel A en B van de Wet natuurbescherming. Het gaat hier om de bescherming van zoogdieren, amfibieën, reptielen, vissen, dagvlinders, libellen, kevers en vaatplanten voorkomend in Nederland. De Wnb regelt de bescherming van circa 300 in het wild voorkomende soorten inheemse planten en dieren.

In de Wnb is onder meer bepaald dat beschermde diersoorten niet gedood, gevangen of verontrust mogen worden en plantensoorten niet geplukt, uitgestoken of verzameld mogen worden. Bovendien dient iedereen voldoende zorg in acht te nemen voor in het wild levende dieren en planten. Daarnaast is het niet toegestaan om hun directe leefomgeving, waaronder nesten en holen, te beschadigen, te vernielen of te verstoren. Bij het beoordelen van de in het plangebied voorkomende beschermde soorten gaat het primair om soorten die door de ingreep direct beïnvloed worden, doordat: • zij fysiek aangetast worden (doden/verwonden van dieren, verwijderen van planten); • zij verstoord worden (toename van geluid of licht); • hun vaste verblijfplaatsen c.q. groeiplaatsen aangetast of verstoord worden.

Figuur 28: Overzicht natuur (alles op 8 km) tevens PAS gevoelig

Pagina 56 Bestemmingsplan ‘Nederhemert, Kapelstraat De Meander‘

Figuur 29: Natuurnetwerk Nederland (NNN en GNN) Alle vogelsoorten hebben een bepaalde mate van bescherming. Er geldt een verbod op handelingen die nesten of eieren beschadigen of verstoren. Daarbij kan het naast broedende vogels, ook gaan om vogels die hun verblijfplaats het hele jaar gebruiken en ook jaarrond beschermd zijn. Ook handelingen die een vaste rust- of verblijfplaats van beschermde vogels verstoren zijn niet toegestaan. Ten aanzien van vogelsoorten geldt dat, indien de werkzaamheden buiten het broedseizoen plaatsvinden, geen overtreding plaats zal vinden van de wetgeving ten opzichte van volgens. Het aanvragen van een ontheffing is dan niet aan de orde. De wet kent geen standaardperiode voor het broedseizoen. Het gaat erom of er een broedgeval is. De periode april tot half juli kan globaal worden aangehouden voor het niet uitvoeren van werkzaamheden. Voor alle beschermde soorten, dus ook voor de soorten die zijn vrijgesteld van de ontheffingsplicht, geldt een zogenaamde algemene zorgplicht. Indien tijdens de uitvoering van de werkzaamheden beschermde soorten worden waargenomen dienen maatregelen te worden genomen om schade aan deze individuen zo veel mogelijk te voorkomen. Uit de quickscan d.d. 19 februari 2020, bijlage 1, blijkt het volgende: Het woonhuis aan de Kapelstraat 8 is in potentie geschikt voor huismussen, gierzwaluwen en gebouwbewonende vleermuizen.

Bij sloopof renovatiewerkzaamheden, nodig vanwege het feit dat de woning gedateerd en kwalitatief niet geschikt meer is voor bewoning, is er mogelijk sprake van overtreding van de Wet natuurbescherming. Om vast te stellen wat de functie van de bebouwing is voor deze soorten is te zijner tijd aanvullend onderzoek noodzakelijk, waarbij aangetekend wordt dat sloop van de woning pas in fase 2 is voorzien. Aangezien een onderzoek feitelijk maar 3 jaar geldig blijft, is onderzoek nu nog niet nodig. Daarnaast is er een steenuil vastgesteld. De onderzoekslocatie maakt deel uit van de functionele leefomgeving van de soort. Aanvullend onderzoek zal moeten aantonen in hoeverre leefgebied wordt aangetast, waar mogelijke nestplaatsen zich bevinden en wat uitwijkmogelijkheden zijn, ofwel hoeveel geschikt leefgebied in de omgeving bezet is door andere steenuilen. Op basis van de resultaten van het veldbezoek kan een mitigatieplan worden opgesteld en kan worden vastgesteld of een ontheffing noodzakelijk is voor de aantasting van functioneel leefgebied. De nok van gebouw 2 (de stal die in fase 3 bij Kapelstraat 24 wordt gesloopt) is in potentie geschikt als vaste rust- en voortplantingsplaats voor steenuilen. Middels een inspectie met endoscoopcamera en/of zaklamp kan aangetoond worden of de nok in gebruik als vaste rust- of voortplantingsplaats door steenuilen.

Deze inspectie kan gecombineerd worden met het overige aanvullende onderzoek naar steenuilen. Uit de rapportage ecologisch veldonderzoek van 13 november 2020, ook te vinden in bijlage 1, blijkt dat er in totaal in de omgeving van het plangebied drie territoria van steenuilen aangetroffen zijn, Pagina 57 Bestemmingsplan ‘Nederhemert, Kapelstraat De Meander‘

waarvan twee op de onderzoekslocatie zelf. Daarnaast zijn er twee huismusnesten aanwezig in gebouw 6 (Kapelstraat 8). Gierzwaluwnesten en verblijfplaatsen van vleermuizen zijn op basis van de geleverde onderzoeksinspanning uit te sluiten op de onderzoekslocatie. Met de voorgenomen herontwikkeling is mogelijk sprake van overtreding van de wet natuurbescherming ten aanzien van huismussen en steenuilen. Om negatieve gevolgen voor deze soorten te voorkomen zal een nadere effectanalyse en een uitgebreid mitigatieplan noodzakelijk zijn. Omdat ondanks het treffen van maatregelen overtreding van de Wet natuurbescherming niet uit te sluiten is, zal het mitigatieplan getoetst moeten worden door de provincie Gelderland, middels een ontheffingsaanvraag. De provincie verstrekt een ontheffing als de navolgende voorwaarden voldoende kunnen worden onderbouwd: (1) er bestaat geen ander bevredigende oplossing, (2) er is sprake van een wettelijk belang en (3) er wordt geen afbreuk gedaan van de gunstige staat van instandhouding. De sloop van opstallen is noodzakelijk om de nieuwe woningbouwlocatie te realiseren. Het initiatief kan qua sloop of te slopen gebouwen niet anders worden gepresenteerd zodat er minder effecten op zouden treden. Oftewel er is geen alternatief of andere bevredigende oplossing.

Op de locatie wordt asbest gesaneerd, een (wettelijk verplichte) activiteit ter bevordering van de volksgezondheid, en dus een valide argument in het kader van de ontheffing. Middels tijdelijke en permanent maatregelen kunnen effecten worden gemitigeerd en gecompenseerd. Hiertoe zijn in de directe omgeving ruimschoots voldoende mogelijkheden. Nesten van gierzwaluwen en verblijfplaatsen van vleermuizen zijn op basis van de geleverde onderzoeksinspanning uit te sluiten op de onderzoekslocatie. De voorgenomen ingreep zal dan ook niet leiden tot negatieve gevolgen voor deze soorten, waardoor vervolgstappen voor gierzwaluwen en vleermuizen niet noodzakelijk zijn. In de planregels zal daarom een voorwaardelijke verplichting worden opgenomen voor sloop van gebouwen in fase 2 en ter plaatse van Kapelstraat 24. Als de definitieve resultaten van de effectanalyse en mitigatieplan gereed zijn, bijvoorbeeld in de ontwerp- of vaststellingsfase van het bestemmingsplan, kunnen de planregels waar nodig definitief worden bijgesteld c.q. kunnen eventuele mitigerende maatregelen aanvullend juridisch worden verankerd en/of worden privaatrechtelijke afspraken gemaakt. Uit het projectplan van 11 februari 2021, bijlage 1, blijkt reeds het volgende. Het plangebied heeft voor de huismus een functie als nestplaats en voor de steenuil maakt het plangebied onderdeel uit van het functioneel leefgebied.

Voor de huismus betreft het twee nestplaatsen, omdat er in de omgeving meer nesten van huismussen aanwezig zijn is de staat van instandhouding niet in het geding. Het plangebied maakt voor de steenuil 9,7% onderdeel uit van het bejaagbaar gebied van 3 territoria. De staat van instandhouding is daarom nog niet in het geding. Door het treffen van maatregelen blijft de functionaliteit van de vaste rust- of voort-plantingsplaatsen behouden. Voor de huismus dienen de twee nestplaatsen zowel tijdelijk als in de nieuwe situatie gecompenseerd te worden. Voor de steenuil dient het plangebied en directe omgeving landschappelijk ingepast te worden om de eigenschappen van het functioneel leefgebied op lange termijn te waarborgen. Gezien de woningbehoefte in Nederhemert is het vanuit duurzaam oogpunt gezien de beste mogelijkheid om hierin te voorzien om de oorspronkelijk bedrijfslocatie te herstructureren. Omdat de ingreep grotendeels herstructurering betreft en slechts voor een klein deel uitbreiding is dit voor beschermde soorten de minst verstorende oplossing. Vanwege de uitkomsten van dit projectplan met aanvulling van 2 juli 2021 wordt voor de steenuil een aantal maatregelen voorgesteld zoals het aanleggen van een struweelhaag (1.50 hoog en 1,50 breed), houtwal, steenuilenkasten, extra fruitdragende bomen, extra knotwilgen en dubbele rasters met weidepaaltjes en kruidenzoom.

Grotendeels zijn deze maatregelen binnenplans op te lossen en wordt dit op de verbeelding en/of in de (bijlage bij de) regels vastgelegd. Enkele maatregelen zijn buitenplans nodig; dit gebeurt op basis van privaatrechtelijke afspraken. Door deze maatregelen die tevens met een voorwaardelijke plicht zijn vastgelegd, kan de steenuil blijven voortbestaan en komt de gunstige staat van instandhouding niet in het geding. Voor de huismus wordt een tijdelijke mitigerende maatregel in de vorm van een kast gerealiseerd op meerdere locaties, namelijk een inmetselsteen voor Pagina 58 Bestemmingsplan ‘Nederhemert, Kapelstraat De Meander‘

elke woning in fase 1 Op lange termijn moet bij de nieuw te bouwen woningen het vogelschroot onder de dakpannen geplaatst worden op de derde rij dakpannen of worden er voldoende inbouwvoorzieningen gerealiseerd. Te allen tijde geldt de zorgplicht. Dit houdt in dat indien mogelijk schadelijke effecten op soorten zoveel mogelijk dienen te worden voorkomen. Te denken valt aan het verplaatsen van dieren naar veilige locaties buiten het werkgebied indien zij aangetroffen worden tijdens de werkzaamheden, of daar direct aan voorafgaand. Indien alsnog (onvermoed) zwaarder beschermde soorten worden aangetroffen, dient invulling te worden gegeven aan zorgvuldig handelen. Om invulling te geven aan het zorgvuldig handelen dient gewerkt te worden volgens de voorschriften van een gedragscode. Geadviseerd wordt om de ‘Gedragscode flora en faunawetgeving, Ruimtelijke ontwikkeling en inrichting van de vereniging Stadwerk’ te hanteren. Deze gedragscode is van toepassing op de uitvoering van aanlegwerkzaamheden in groenvoorzieningen. Door te handelen volgens deze gedragscode wordt schade aan (lokale) populaties van beschermde planten en dieren voorkomen of tot een minimum beperkt. Het woningbouwplan houdt rekening met het foerageer-en leefgebieden van meerdere diersoorten door een brede groenzone aan te leggen (de groene meander).

Deze groene meander krijgt een natuurlijke inrichting met solitaire bomen een brede struweelhaag en wadi’s die de biodiversiteit sterk zal vergroten. Voornamelijk aan de randen van het plangebied worden struweelhagen en houtwallen aangelegd die aantrekkelijk zijn voor diverse fauna, waaronder de steenuil. Naar aanleiding van de onderzoeksresultaten van de aanvullende onderzoeken ecologie is de inrichting van het plangebied en directe omgeving geoptimaliseerd.

4.8

Milieuzonering

Door het aanbrengen van een zone tussen bedrijvigheid en gevoelige bestemmingen (zoals woningbouw) kan de overlast ten gevolge van bedrijfsactiviteiten zo laag mogelijk gehouden worden. Zonering is met name van toepassing bij nieuwbouw van woningen en andere gevoelige functies in de directe omgeving van een bedrijf en bij vestiging van een nieuw bedrijf in de directe omgeving van gevoelige bestemmingen. Bij deze toets blijft een eigen bedrijfswoning buiten beschouwing. Een bedrijfswoning van derden wordt als reguliere burgerwoning beschouwd. In de VNG-brochure ‘Bedrijven en milieuzonering’ (2009) zijn aan de bedrijven dan wel bedrijfsactiviteiten milieucategorieën en richtafstanden toegekend. De genoemde afstanden zijn adviserend en indicatief, de situatie ter plaatse kan reden zijn om hiervan af te wijken. Bedrijven worden beoordeeld op gevaar, stof, geur en geluid. Deze brochure is als hulpmiddel (niet als blauwdruk) opgesteld om toe te passen bij plannen en toetsmomenten van ruimtelijke ontwikkeling, aldus ook de ondertitel van de brochure. De brochure is niet bedoeld om bij de beoordeling van een aanvraag omgevingsvergunning voor milieu te worden geraadpleegd. Er bestaat geen plicht om de brochure te hanteren. Wel is dit een algemeen aanvaarde methode in Nederland gebleken.

Milieucategorie in relatie tot afstand ‘rustige woonwijk’ 1 10 meter 2 30 meter 3.1 50 meter 3.2 100 meter 4.1 200 meter 4.2 300 meter. De afstanden zijn de afstanden tussen de bedrijvigheid/voorzieningen en de milieugevoelige bestemming; dus in beginsel de afstand van het bedrijfsperceel tot de gevel van de woning. De VNGpublicatie geeft richtafstanden tot het omgevingstype ‘rustige woonwijk’. Indien de aard van de omgeving dit rechtvaardigt, kunnen gemotiveerd kleinere richtafstanden worden aangehouden bij het omgevingstype ‘gemengd gebied’, dat gezien de aanwezige functiemenging of ligging nabij drukke Pagina 59 Bestemmingsplan ‘Nederhemert, Kapelstraat De Meander‘

wegen al een hogere milieubelasting kent. Dit geldt ook voor lintbebouwing in het buitengebied met overwegend agrarisch en andere bedrijvigheid. Hiervan is thans geen sprake. Nu Kapelstraat 24 bij de planontwikkeling wordt betrokken, door sanering, zijn deze bedrijven niet langer relevant voor de milieuzonering. Er hoeft voorts geen afstand te worden aangehouden tussen de woningen en naastgelegen onbebouwde agrarische gronden. Aan de Maasdijk 2a is een akkerbouwbedrijf gevestigd (aardappelen en snijbloemen). Feitelijk is dit een categorie 2 bedrijf waarbij een richtafstand van 30 meter geldt ten opzichte van bedrijfsbebouwing. Ten opzichte van de bestaande woning Maasdijk 6 wordt deze afstand nu ruimschoots gehaald. Maar op basis van het geldende bestemmingsplan kan het bedrijf de bedrijfsbebouwing uitbreiden; er geldt een ruim bouwvlak, waardoor de afstand te klein zou worden, zowel ten opzichte van Maasdijk 6 als de nieuwe bebouwing. Met de ondernemer is overeenstemming bereikt om zijn agrarisch bouwvlak met een strook van 6,5 meter breed te verkleinen, waardoor een afstand van 30 meter worden aangehouden tussen de woningen en het nieuwe bouwvlak. De onbebouwde delen van het bedrijfsperceel, binnen en buiten het bouwvlak, kunnen in de praktijk voor opslag benut worden, ook binnen de 30 meter zone.

Dit is hier niet aannemelijk aangezien het product (snijbloemen) binnen wordt bewerkt én de bedoelde zone bedoeld is om achterliggende percelen met vervoersmiddelen te bereiken. Op de verbeelding wordt een extra aanduiding aangebracht om een mantelzorgvoorziening, in de achtertuin van de nieuwe woning naast Maasdijk 6, beperkt mogelijk te maken. Een dergelijke voorziening kan namelijk niet de in de 30 meter zone worden gerealiseerd. Hiermee is voor iedereen een goed woon- en leefklimaat gegarandeerd en wordt bedrijfsvoering niet belemmerd. Aan de Lenshoek is een kwekerij gevestigd met gronden grenzend aan het plangebied, gescheiden door een watergang. In paragraaf 4.11 is nader ingegaan op de milieuzonering van dit bedrijf, vanwege de specifieke spuitzone. Ter plaatse van het plangebied is er geen bouwvlak, waarvoor een richtafstand zou gelden. De gronden liggen op ruim 10 meter van de nieuwe bouwvlakken voor de woningen. Aan de Maasdijk 1a is een grindhandel gevestigd; dit is als een 3.2-bedrijf aan te merken, waar een richtafstand van 100 meter bij hoort vanwege geluid. Het bedrijf ligt op circa 65 meter. Op 21 januari 2021 is een onderzoek industrielawaai uitgevoerd, bijlage 8. Uit het onderzoek blijkt dat ter plaatse van de planlocatie wordt voldaan aan de geluidvoorschriften uit het Activiteitenbesluit voor het langtijdgemiddelde beoordelingsniveau (LAr,LT).

De streefwaarde van 45 dB(A) etmaalwaarde uit stap 2 van de VNG-publicatie wordt niet gerespecteerd. Wel wordt voldaan aan de streefwaarde van 50 dB(A) uit stap 3 van de VNG—publicatie. Daarnaast blijkt dat ter plaatse van de planlocatie wordt voldaan aan de geluidvoorschriften uit het Activiteitenbesluit voor het maximaal geluidniveau (LAmax). De streefwaarde van 65 dB(A) uit stap 2 van de VNG-publicatie wordt niet gerespecteerd. Wel wordt voldaan aan de streefwaarde van 70 dB(A) uit stap 3 van de VNGpublicatie. Door het bevoegd gezag dient te worden afgewogen dat de geluidniveaus acceptabel kunnen worden geacht. Er dient dan nader te worden gemotiveerd dat hogere geluidniveaus kunnen worden toegestaan (stap 3). Argumenten om hogere geluidniveaus toe te staan, zijn: • De optredende geluidniveaus worden veroorzaakt door vrachtwagens. De vrachtwagens zijn van derden. De inrichtinghouder heeft geen invloed op de geluidemissie van voertuigen van derden. De voertuigen betreffen normale en moderne transportmiddelen die in West-Europese landen conform de huidige stand der techniek zijn uitgevoerd. • Bron- en overdrachtsmaatregelen zijn niet realistisch en niet wenselijk. De inrichting is gelegen op een dijklichaam (talud). Het plaatsen van een scherm tussen de woningen en de inrichting stuit op bezwaren van financiële, verkeerskundige, landschappelijke en stedenbouwkundige aard.

Pagina 60 Bestemmingsplan ‘Nederhemert, Kapelstraat De Meander‘

•

De piekniveaus treden maar een beperkt aantal keren per dag op. Bovendien is de stijgsnelheid van de optredende piekniveaus minimaal, waardoor schrikreacties beperkt zijn. • In de avond- en nachtperiode vinden geen werkzaamheden, waardoor geen slaapverstoring plaatsvindt. • Er wordt voldaan aan de grenswaarden uit het Activiteitenbesluit. Op basis van bovenstaande wordt gesteld dat sprake is van een goed woon- en leefklimaat ter plaatse van het bouwplan vanwege de inrichting Van Dam Bouwgrondstoffen aan de Maasdijk 1a. De geluidbelasting ten gevolge van het verkeer van en naar de inrichting (verkeersaantrekkende werking) bedraagt ten hoogste 48 dB(A) etmaalwaarde ter plaatse van de planlocatie. De streefwaarde van 50 dB(A) uit de “Schrikkelcirculaire” wordt hiermee gerespecteerd. Geconcludeerd wordt dat ten gevolge van de verkeersaantrekkende werking van de inrichting sprake is van een goed woon- en leefklimaat. Kortom, Ten aanzien van de nabijgelegen inrichting Van Dam Bouwgrondstoffen is sprake van een goed woon- en leefklimaat. Tijdens de bouwfase 1 zal de bedrijfsbebouwing in fase 2 nog worden gebruikt, echter zodanig beperkt dat de milieuzonering wordt gerespecteerd. Er kunnen maatwerkvoorschriften voor geluid worden opgenomen ter meerdere zekerheid.

Door de Omgevingsdienst Rivierenland (ODR) zijn indicatieve berekeningen uitgevoerd naar de geluidbelasting vanwege het transportbedrijf op basis van de maximale planologische invulling. Uit deze berekeningen volgt dat de woningen binnen fase 1 aan de LAr,LT-richtwaarde van 45 tot 50 dB(A) voor een rustig woongebied voldoen. Bij deze woningen wordt voldaan aan een goed woon en leefklimaat.

4.9

Geurhinder

De Wet geurhinder en veehouderij (Wgv) vormt voor de beoordeling van aanvragen om vergunning in het kader van de Wet milieubeheer het toetsingskader voor de geurhinder vanuit veehouderijen. De Wgv stelt normen aan de geurbelasting van veehouderijen op geurgevoelige objecten en stelt minimale afstanden vast van veehouderijen tot geurgevoelige objecten. Om te beoordelen of sprake is van een goed woon- en verblijfklimaat wordt bij een ruimtelijke ordeningstoets voor de omgekeerde werking eveneens de Wet geurhinder en veehouderij toegepast. De geurbelasting is afkomstig van dieren waarvoor in de Regeling geurhinder en veehouderij (Rgv) een omrekeningsfactor is vastgesteld (bijvoorbeeld varkens, vleesvee, pluimvee, schapen en geiten). De geurbelasting wordt uitgedrukt in odour units per kubieke meter lucht (ouE/m3). De maximaal toegestane geurbelasting van veehouderijen op geurgevoelige objecten is afhankelijk van de ligging (concentratiegebied of niet-concentratiegebieden en binnen of buiten de bebouwde kom). Naast geurnormen houdt de Wgv ook rekening met (vaste) afstanden van veehouderijen tot geurgevoelige objecten. Bij deze afstanden gaat het om dieren waarvoor in de Rgv geen omrekeningsfactoren zijn vastgesteld (bijvoorbeeld melkrundvee en paarden).

De minimaal aan te houden afstand bedraagt 50 meter tot een geurgevoelig object buiten de bebouwde kom en 100 meter tot een geurgevoelig object binnen de bebouwde kom. De bedrijfswoning die tot de veehouderij zelf behoort, wordt niet aangemerkt als geurgevoelig object. Deze afstanden gelden ongeacht het aantal dieren dat er gehouden wordt. De te toetsen afstand wordt gemeten tussen de buitenzijde van een geurgevoelig object en het dichtstbijzijnde emissiepunt. Daarnaast moet de afstand van de buitenzijde van een dierenverblijf (onafhankelijk van de diersoort die er gehouden wordt) minimaal 25 meter bedragen tot een geurgevoelig object buiten de bebouwde kom en 50 meter bedragen tot een geurgevoelig object binnen de bebouwde kom. Iedere gemeente heeft de mogelijkheid om eigen geurbeleid op te stellen. De gemeente Zaltbommel heeft een geurverordening vastgesteld. In deze geurverordening is de locatie opgenomen. De gemeenteraad heeft voor deze locatie een maximale geurbelasting vastgesteld. Dit in afwijking van de wettelijke regels van het Activiteitenbesluit en de Wet geurhinder en veehouderij. Voorgrondbelasting is de geurbelasting veroorzaakt door de veehouderij die voor dat geurgevoelige object dominant is. Dus de geurbelasting van die veehouderij die de meeste geur bij het geurgevoelige object veroorzaakt.

Omdat het een grote veehouderij is of omdat veehouderij dichtbij het geurgevoelig object ligt.

Pagina 61 Bestemmingsplan ‘Nederhemert, Kapelstraat De Meander‘

Figuur 30: Vaste afstanden bouwblokken

Figuur 31: Voorgrondbelasting huidige situatie

Figuur 32: Achtergrondbelasting huidige situatie Pagina 62 Bestemmingsplan ‘Nederhemert, Kapelstraat De Meander‘

Achtergrondbelasting is de totale geurbelasting van alle veehouderijen in de omgeving van het geurgevoelige object. Dus de geurbelasting door de veelheid aan veehouderijen in de omgeving van een geurgevoelig object. Kapelstraat 24 wordt inmiddels bij het plan betrokken en vormt daarmee niet langer een belemmering voor de planontwikkeling. Uit het geuronderzoek d.d. 6 februari 2020, bijlage 5, blijkt dat uitvoering van het plan geen inbreuk maakt op de vergunde en planologische geurrechten van omliggende veehouderijen. In het kader van een goede ruimtelijke ordening dient te worden onderzocht of sprake is van een goed woon- en leefklimaat. Er zijn meerdere veehouderijen (figuur 30 t/m 32) met OUdieren gelegen binnen een straal van 2 kilometer van het plangebied. Hiertoe dient aanvullend de achtergrondgeurbelasting vanwege de omliggende veehouderijen te worden berekend. Uit de quickscan blijkt dat het aanvullend onderzoek noodzakelijk is naar de achtergrondgeurbelasting ten gevolge van de omliggende intensieve veehouderijen binnen een gebied van 2 kilometer rondom het plangebied. Dit aanvullend onderzoek is 7 februari 2020 gedaan, bijlage 5. Uit de berekening blijkt dat de achtergrondgeurbelasting ter plaatse van het plangebied tussen de 0 en 1,5 OUE/m3 bedraagt.

Hiermee is het woon- en leefklimaat als gevolg van de achtergrondgeurbelasting te kwalificeren als ‘zeer goed.’ Het aspect ‘geur’ is niet een belemmering voor planuitvoering.

4.10 Overige belemmeringen, kabels en leidingen Er zijn geen overige belemmeringen bekend. Voorafgaand aan de bouwwerkzaamheden zal een Klicmelding worden uitgevoerd, waardoor eventueel overige aanwezige kabels en leidingen aangetoond kunnen worden waarmee rekening gehouden dient te worden bij werkzaamheden. De benodigde tracébreedte voor de aan te leggen ondergrondse kabels en leidingen bedraagt circa 1 meter. Voor de toegankelijkheid van kabels en leidingen dient het nutstracé onder het trottoir gepland te worden (niet onder groen (strook)). In principe 0.30 meter uit de perceelsgrens. In bijzondere stedenbouwkundige situaties kan, na overleg met de gemeente, hier van afgeweken worden. Het nuts tracé moet gevuld worden met zand. Ontwikkelaar spant zich in voor de aanleg van bijvoorbeeld glasvezel. De locatie ligt niet binnen de molenbiotoop van de molen aan de Maasdijk (grondzeiler) ‘Gebr. Remmerde’.

4.11 Spuitzone boomgaarden Er zijn in Nederland geen wettelijke bepalingen over minimaal aan te houden afstanden tussen gronden waarop gewassen in de open lucht worden geteeld, zoals fruitbomen, en nabij gelegen woningen. In de ruimtelijke ordeningspraktijk bestaat een vuistregel om een afstand van 50 meter aan te houden. Het is een afstand die door de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State algemeen wordt toegepast en geaccepteerd wordt tussen percelen met open teelten en woningen. Bij deze afstand wordt ervan uitgegaan dat enerzijds de bedrijfsvoering van de agrariër niet wordt belemmerd en anderzijds dat er geen nadelige effecten optreden voor de gezondheid van omwonenden. Een woning is een spuitzone-gevoelig-object. Hetgeen door het bestemmingsplan mogelijk wordt gemaakt, is daarbij bepalend. Bij het beoordelen van de gevolgen van het gebruik van gewasbeschermende middelen wordt gekeken naar de gezondheid van mensen en de kwaliteit van het oppervlaktewater. Het is redelijk daarbij uit te gaan van de woning en niet van de tuin. De in de praktijk gehanteerde vuistregel van 50 meter is een indicatieve afstand. Dat wil zeggen dat er omstandigheden zijn waarin hiervan kan worden afgeweken. Voor de gemeente bestaat er een onderzoeksplicht naar de te hanteren afstand in de specifieke situatie. In de nabijheid van het plangebied zijn geen boomgaarden.

Binnen de omliggende agrarische bestemming is het evenwel mogelijk om boomgaarden te hebben/ houden. Pagina 63 Bestemmingsplan ‘Nederhemert, Kapelstraat De Meander‘

Ingevolge jurisprudentie over spuitzones hoeft niet in alle gevallen rekening te worden gehouden met agrarische gronden waar fruitbomen mogelijk zijn (zie uitspraak van de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State van 20 december 2017 (ECLI:NL:RVS:2017:3524)). Indien de wijziging van het gebruik van de agrarische gronden naar teelt met een spuitzone binnen de planperiode niet wordt voorzien en als de eigenaar/gebruiker van de gronden geen concreet voornemen heeft om de gronden als boomgaard te gebruiken is zo'n wijziging zodanig onwaarschijnlijk dat de raad bij de vaststelling van het bestemmingsplan dat woningbouw mogelijk maakt, geen rekening hoeft te houden met spuitzones. Bovenstaande is hier van toepassing en dus behoeft er geen rekening te worden gehouden met spuitzones c.q. is gebleken dat de spuitzone geen belemmering voor het plan vormt. In het onderzoek dat aanvullend vanwege de spuitzone is gedaan vanwege de naastgelegen sierteelt-gronden (zie bijlage 15) wordt dit bevestigd. Verder wordt verwezen naar hetgeen hierover in de zienswijzenota is gezegd. Aan de oostzijde wordt een haag met een hoogte van 1,50 meter gerealiseerd; de haag dient daarmee in eerste instantie voor de steenuil maar kan tevens dienst doen als windhaag. Het is een aanvullende en extra voorzorgmaatregel. Uit het rapport blijkt dat er geen specifieke reductie hoeft te worden bereikt.

Een haag met een comfortabele breedte van 1,50 meter is in ieder geval voldoende redundant qua onverhoopte inboet (als aanplant in de haag uitvalt, is er voldoende vegetatiebreedte over zodat de haag dan toch nog zijn functie kan vervullen). Gelet op de aard van de agrarische teelt hier zal nauwelijks worden gespoten als een windhaag nog kaal is (vroege lente bijvoorbeeld). Zou dit desalniettemin het geval zijn, dan zal ook het te behandelen gewas nog heel erg klein zijn, waardoor ook de spuithoogte erg laag is . In lijn daarmee zou er dan bij een nog kale windhaag een veel kleiner risico zijn op driftblootstelling. In de gegeven omstandigheden is het dus niet nodig om de haag jaarrond groenblijvend/bladhoudend uit te voeren. De haag moet over de 1,50 meter hoogte wel een dicht vegetatieoppervlak kunnen blijven bieden.

4.12 Explosieven Op een onbekend aantal plaatsen in Nederland liggen nog bommen, granaten en andere munitie uit de Tweede Wereldoorlog. Tot op heden worden bij grond- en waterwerkzaamheden nog nagenoeg dagelijks niet-gesprongen conventionele explosieven gevonden. Ook in en boven de Bommelerwaard hebben tijdens de Tweede Wereldoorlog allerlei oorlogshandelingen plaatsgevonden waarbij niet tot ontploffing gekomen explosieven en munitie is achtergebleven. Onder Conventionele Explosieven (CE) wordt verstaan: elk explosief dat niet als geïmproviseerd, nucleair, biologisch of chemisch kan worden aangemerkt. CE worden ook wel aangeduid als Niet-Gesprongen Explosieven (NGE). Volgens een mondiale, militaire inschatting is van al het materieel dat gedurende de Tweede Wereldoorlog (19401945) verschoten of afgeworpen is, ondergronds 10% en onder water 15% niet tot ontploffing gekomen. Wanneer deze explosieven bij werkzaamheden worden aangetroffen, kunnen deze gevaar opleveren voor de werknemers en de publieke veiligheid. Daarnaast kunnen deze vondsten een zware belasting voor het milieu vormen. Werkgevers zijn volgens ARBO-wetgeving verantwoordelijk voor het veilig kunnen uitvoeren van werkzaamheden door werknemers binnen onze gemeente.

Daarom zijn zij verplicht om bij ruimtelijke ontwikkelingen historisch vooronderzoek te doen om de kans op de aanwezigheid van niet gesprongen CE met zekerheid te kunnen uitsluiten. In 2016 heeft de gemeente Zaltbommel een historisch vooronderzoek en explosievenkansenkaart voor de gehele gemeente laten opstellen. Op deze kaart (figuur 33) zijn alle risicogebieden of wel 'verdachte' gebieden op het gebied van niet gesprongen CE aangegeven. Het plangebied is als ‘verdacht’ aangemerkt waaronder: geschutsmunitie (verschoten), afwerpmunitie, raketten en 20mm boordgeschut, en infanteriemunitie.

Pagina 64 Bestemmingsplan ‘Nederhemert, Kapelstraat De Meander‘

Figuur 33: explosievenkansenkaart Om een veilige werkomgeving te creëren in munitie technische zin, zal voorafgaand aan de bouwwerkzaamheden een explosieven opsporingsonderzoek worden uitgevoerd. Eventuele aanwezige explosieven zullen door een hiervoor gecertificeerde partij worden gedetecteerd, benaderd en veiliggesteld. Vervolgens zullen de explosieven worden overgedragen aan de Explosieven Opruimingsdienst Defensie (EOD). Ten behoeve van de opsporingswerkzaamheden is een Projectplan Explosieven Opsporing opgesteld, bijlage 9 d.d. 10 december 2019. Op advies van de ODR wordt dit projectplan met een aantal onderdelen uitgebreid en wordt ook fase 2 meegenomen.

4.13 Vormvrije MER-beoordeling. Aanleiding Behalve aan de uitvoeringsaspecten bedoeld in de Awb en het Bro dient ook te worden getoetst aan de Wet milieubeheer en het Besluit m.e.r of er sprake is van een mogelijke verplichting tot het opstellen van een milieueffectrapportage. Deze paragraaf wordt als aanmeldnotitie beschouwd, waarover hierna meer. Wettelijk kader Een milieueffectrapportage (MER), en de bijbehorende procedure (m.e.r.), is een hulpmiddel om de belangen van het milieu volwaardig te betrekken bij de besluitvorming omtrent plannen en projecten. Het gaat hierbij wel enkel om plannen en projecten die kunnen leiden tot initiatieven waarmee het milieu mogelijk nadelig kan worden beïnvloed. Als uitgangspunt geldt voor plannen de onderstaande drie criteria om te beoordelen of een MER noodzakelijk is: 1. Plannen die kaderstellend zijn voor toekomstige m.e.r.- (beoordelings)plichtige besluiten (boven de grenswaarden uit de C- of D-lijst van het Besluit m.e.r.); 2. Plannen waarvoor een passende beoordeling nodig is in verband met een mogelijk significant negatief effect op Natura 2000 gebieden; 3. Plannen en activiteiten die o.g.v. een provinciale milieuverordening zijn aangewezen als MERplichtig. Per 1 april 2011 is het Besluit m.e.r gewijzigd.

De belangrijkste aanleidingen hiervoor zijn de modernisering van de m.e.r wetgeving in 2010 en de uitspraak van het Europese Hof van 15 oktober 2009 (HvJ EG 15 oktober 2009, zaak C-255/08 – Commissie vs. Nederland). Deze wijziging heeft gevolgen voor eerstgenoemd criteria om te beoordelen of een MER noodzakelijk is. Uit deze uitspraak volgt dat de omvang van een project niet het enige criterium mag zijn om wel of geen me.r.(beoordeling) uit te voeren. Ook als een project onder de drempelwaarde uit de C- of D-lijst blijft, kan een project belangrijke nadelige gevolgen hebben, als het bijvoorbeeld in of nabij een kwetsbaar natuurgebied ligt. Gemeenten en provincies moeten daarom per 1 april van 2011 ook bij 'kleine projecten' (projecten onder de drempelwaarden van de C- of D-lijst) beoordelen of een m.e.r.(beoordeling) nodig is. Dit wordt de 'vormvrije m.e.r.-beoordeling' genoemd. Deze beoordeling houdt in dat er bekeken moet worden of er bij het initiatief sprake is van dusdanig bijzondere omstandigheden of milieueffecten dat er toch een MER moet worden opgesteld. In een vormvrije m.e.r.-beoordeling wordt getoetst of een activiteit belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu kan hebben. Een vormvrije m.e.r.-beoordeling kan dus leiden tot twee conclusies: Pagina 65 Bestemmingsplan ‘Nederhemert, Kapelstraat De Meander‘

• •

belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu zijn uitgesloten: er is geen m.e.r. of m.e.r.beoordeling noodzakelijk; belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu zijn niet uitgesloten: er moet een m.e.r.beoordeling plaatsvinden of er kan direct worden gekozen voor een m.e.r.

Aanmeldnotitie Op 7 juli 2017 is een wijziging van het Besluit milieueffectrapportage in werking getreden. Eén van de belangrijkste gevolgen van deze wetswijziging is dat de effecten van nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen, die via het herzien van een bestemmingsplan mogelijk worden gemaakt, middels een vormvrije m.e.r.- beoordeling in beeld moeten worden gebracht met een aanmeldnotitie, op basis waarvan beoordeeld wordt of het noodzakelijk is een milieu effectrapportage op te stellen. De aanmeldnotitie moet voldoen aan de criteria die zijn opgenomen in Bijlage III Richtlijn 2011/92/EU. De criteria vallen uiteen in de: • kenmerken van het project: omvang van het project, cumulatie met andere projecten, gebruik van natuurlijke hulpbronnen, productie van afvalstoffen, verontreiniging en hinder en risico op ongevallen; • plaats van het project: bestaand gebruik van de locatie, natuurlijke hulpbronnen en opnamevermogen/gevoeligheid van het milieu; • kenmerken van het potentiële effect: bereik, grensoverschrijdend karakter, orde van grootte en complexiteit, waarschijnlijkheid en duur, frequentie en omkeerbaarheid van het effect. Voorliggende milieuparagraaf is als aanmeldnotitie bedoeld. Hierin zijn de milieueffecten in relatie tot het planvoornemen geïnventariseerd en gebundeld weergegeven.

Op basis van de aanmeldnotitie dient het bevoegd gezag een besluit te nemen over het al dan niet opstellen van een milieueffectrapportage. Beoordeling noodzakelijkheid m.e.r.-beoordeling, Activiteit en drempelwaarde Een plan is kaderstellend voor een toekomstig m.e.r.- (beoordelings)plichtig besluit indien er sprake is van een overschrijding van de grenswaarden uit de C- of D-lijst van het Besluit m.e.r. In onderhavige situatie is er sprake van de bouw van 120 woningen. Een dergelijke activiteit wordt niet genoemd op de C-lijst. Het bouwen van woningen komt wel voor op de D-lijst, onder categorie D11.2, ‘de aanleg, wijziging of uitbreiding van een stedelijk ontwikkelingsproject met inbegrip van de bouw van winkelcentra of parkeerterreinen.’ Bij een dergelijke activiteit is er sprake van een m.e.r.-beoordelingsplichtig besluit indien de activiteit betrekking heeft op: 1. een oppervlakte van 100 hectare of meer; 2. een aaneengesloten gebied en 2000 woningen of meer omvat; 3. een bedrijfsvloeroppervlakte van 200.000 m2 of meer. Onderhavige ontwikkeling heeft betrekking op de realisatie van maximaal 120 grondgebonden woningen en blijft daarmee ruimschoots onder de gestelde grenswaarde. Geconcludeerd kan worden dat het plan derhalve niet kaderstellend is voor een m.e.r.-(beoordelings)plichtig besluit.

Wat betreft het eerste criterium geldt er derhalve geen plicht tot het opstellen van een MER. Passende beoordeling Ten aanzien van het tweede criterium inzake een mogelijke MER-plicht, geldt dat er bij onderhavige situatie geen sprake is van een plan waarvoor een passende beoordeling nodig is in verband met een mogelijk significant negatief effect op Natura 2000-gebieden. In onderdeel A van de bijlage bij het Besluit m.e.r is bepaald wat verstaan wordt onder een gevoelig gebied. Als gevoelig gebied zijn gebieden aangewezen die beschermd worden op basis van de natuurwaarden, landschappelijke waarden, cultuurhistorische waarden en waterwingebieden. Uit het onderhavige hoofdstuk, waaraan de resultaten van de toetsing juncto artikel 3.1.6 Bro worden weergegeven, blijkt weliswaar dat het Pagina 66 Bestemmingsplan ‘Nederhemert, Kapelstraat De Meander‘

plangebied ligt nabij het Gelders natuurnetwerk, echter uit onderzoek is gebleken dat het netwerk niet wordt aangetast. Onderhavige ontwikkeling heeft met zekerheid geen mogelijk significant effect op de Natura 2000-gebieden. Verder zijn de volgende aspecten onderzocht, met verwijzing naar de voorgaande paragrafen uit hoofdstuk 4 met bijbehorende uitgevoerde onderzoeken en is daaruit niet van een milieubelemmering gebleken. Het plangebied behoort niet tot een waterwinlocatie, waterwingebied of grondwaterbeschermingsgebied. Ook behoort het plangebied niet tot een gebied waarbinnen een Rijksmonument ligt of een Bèlvéderegebied. In dit hoofdstuk zijn tevens de verschillende milieueffecten beschouwd, zoals geluid en luchtkwaliteit. De bodemgesteldheid is onderzocht (deels PM), er wordt waterberging gerealiseerd, er is een quickscan flora en fauna uitgevoerd, externe veiligheid is beoordeeld. De effecten van het planvoornemen blijven beperkt tot het plangebied en de directe omgeving daarvan. De effecten zijn beperkt en de ontwikkeling stuit niet op bezwaren in relatie tot de aangehaalde milieuaspecten. Er is geen sprake van ‘belangrijke nadelige’ milieueffecten. MER-plicht Ten aanzien van het derde criterium geldt dat onderhavige activiteit niet is aangewezen als MERplichtig op grond van de Provinciale milieuverordening.

Conclusie In het kader van deze notitie is in voldoende mate inzicht gekregen in de milieugevolgen van de beoogde ontwikkeling. Zoals beschreven is er bij onderhavig plan geen sprake van een verplichting tot het opstellen van een MER en het doorlopen van de m.e.r.-procedure o.g.v. het Besluit m.e.r., de Wet natuurbescherming of de Provinciale milieuverordening. Uit de vormvrije m.e.r.-beoordeling volgt dat er geen sprake is van belangrijke nadelige milieugevolgen. Er is dus voldaan aan de wettelijke verplichtingen hieromtrent. Gelet op het vorenstaande wordt voorgesteld om op basis van deze aanmeldnotitie te besluiten dat geen milieueffectrapportage nodig is. De omgevingsdienst heeft aldus geadviseerd.

Pagina 67 Bestemmingsplan ‘Nederhemert, Kapelstraat De Meander‘

Hoofdstuk 5 5.1

Juridische aspecten

Planvorm

Het bestemmingsplan ‘Nederhemert, Kapelstraat De Meander’ kan gekarakteriseerd worden als een flexibel ontwikkelingsplan. Eén en ander heeft geresulteerd in een planopzet met een globaal kaartbeeld en een uniforme opzet van de bepalingen. Het plan wordt digitaal vastgesteld volgens SVBP2012/IMRO2012. Het juridische gedeelte van het bestemmingsplan bestaat uit een set regels met bijbehorende geometrisch bepaalde planobjecten als vervat in het GML-bestand NL.IMRO.0297.NHNBP20200002-VS01. Bij ieder plan hoort een toelichting, maar dit onderdeel heeft als zodanig geen rechtskracht. De regels vallen in vier hoofdstukken uiteen. Hoofdstuk 1 bevat de inleidende regels, hoofdstuk 2 regelt de bestemmingen, hoofdstuk 3 omvat de algemene regels en in hoofdstuk 4 zijn de overgangs- en de slotregels weergegeven. Voorzover relevant zijn parapluplannen verankerd zoals de Parapluherziening verkamering woningen van november 2020 en het vastgestelde plan met betrekking tot parkeren.

5.2

Toelichting op de bestemmingen

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/10507150/1