CConstaterende datZaltbommel
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage 1. Bestemmingsplan Bruchem, Krangstraat (Veldzicht) tussen 3b en 7

Raadsvergadering 30 september 2021, gemeente ZaltbommelBij agendapunt: Vaststelling bestemmingsplan Bruchem, Krangstraat (Veldzicht) tussen 3b en 735.823 woorden

Open het PDF bij iBabs ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 3 van 5

Op dit vlak zijn er geen belemmeringen. Het Natura 2000-gebied Rijntakken ligt op circa 3 km. en is daarmee weinig relevant. Gezien de afstand tot het omliggende Natura 2000-gebied en omdat er tussen het gebied en de beoogde ontwikkeling veel landschapselementen aanwezig zijn zoals opstallen in de vorm van woningen, bossen en wegen, is er op de omliggende Natura 2000-gebieden geen sprake van negatieve effecten zoals oppervlakteverlies, versnippering, verontreiniging, verdroging, verstoring door geluid, optische verstoring, verstoring door mechanische effecten en bewuste verandering soortensamenstelling. Verder wordt op de onderhavige locatie een bedrijf gesaneerd. Hierdoor nemen de emissies af. Gezien het vorenstaande kan geconcludeerd worden dat negatieve effecten op soorten en habitattypen in beschermde Natura 2000-gebieden zijn uitgesloten. Dit wordt onderbouwd in de Aerius-berekening d.d. 16 juni 2021, zie bijlage 5. In verband met de PAS/stikstofcasus die speelt sinds mei 2019 is elke toename van stikstof vanwege een project in principe ontoelaatbaar. Woningbouwprojecten kunnen leiden tot een toename van de stikstofdepositie als gevolg van bouwwerkzaamheden in de aanlegfase (bijvoorbeeld als gevolg van de aanvoer van bouwmaterialen, grondverzet op de bouwplaats en woon-werkverkeer van bouwvakkers).

Het gebruik van de woningen (de gebruiksfase) kan ook leiden tot een toename van de stikstofdepositie als gevolg van het gebruik van aardgas en het autoverkeer van bewoners en bezoekers van de woningen. Ook speelt de afstand van een plan of project tot stikstofgevoelige delen van Natura 2000 een belangrijke rol bij de beoordeling van de mogelijke effecten. De potentiële stikstofeffecten van de onderhavige woningbouwlocatie zijn uitsluitend het gevolg van verkeer en tijdelijke werkzaamheden in de aanlegfase. Omdat de woningen daarnaast gasloos worden gebouwd zal de stikstofdepositie per saldo afnemen. Vanwege de geringe ontwikkeling en de ruime afstand tot het dichtstbijzijnde stikstofgevoelige Natura 2000gebied kunnen ook vermesting/verzuring worden uitgesloten. Significante negatieve effecten op beschermde gebieden kunnen derhalve worden uitgesloten. Uit de berekening blijkt dan ook dat er geen sprake zal zijn van toename van stikstofdepositie groter dan 0,00 mol/ha/jaar in de gebruiksfase. In de aanlegfase daarentegen wel. De depositie wordt veroorzaakt door het in te zetten bouwmaterieel. Hiervoor kan de vrijstellingsregel worden toegepast omdat, volgens de handreiking van BIJ12, een dergelijke kleine tijdelijke depositie geen negatief effect heeft. Aangehaakt wordt bij de wetswijziging van de Wnb per 1 juli 2021.

Natuurnetwerk Nederland In de twintigste eeuw is veel Nederlandse natuur verdwenen. De overgebleven gebieden zijn vaak klein en liggen veelal ver uit elkaar. Hierdoor hebben bepaalde organismen moeite om gebieden te bereiken en zich er te handhaven, waardoor de diversiteit van planten, dieren en micro-organismen (de biodiversiteit) ook sterk achteruit gaat. Om de biodiversiteit te behouden en te versterken is het NNN opgericht. Het NNN is een netwerk van natuurgebieden en verbindingszones. Het NNN is in de eerste plaats belangrijk als netwerk van leefgebieden voor veel planten en dieren. In het NNN (figuur 24) liggen: • bestaande natuurgebieden, waaronder de 20 Nationale Parken; • gebieden waar nieuwe natuur aangelegd wordt; • landbouwgebieden, beheerd volgens agrarisch natuurbeheer; • ruim 6 miljoen hectare grote wateren: meren, rivieren, de kustzone van Noordzee en de Waddenzee; • alle Natura 2000-gebieden. Pagina 41

Bestemmingsplan ‘Bruchem, Krangstraat (Veldzicht) tussen 3b en 7’

Het Rijk heeft het algemene NNN-beleid in het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) vastgelegd. Op grond van artikel 2.10.2 van het Barro moeten provincies bij provinciale verordening de NNN-gebieden aanwijzen en nauwkeurig begrenzen. Op grond van artikel 2.10.3 Barro moeten zij ook de wezenlijke kenmerken en waarden van die gebieden vastleggen. Daarnaast wijzen de provincies de natuurdoelen in de NNN aan. Elk NNN-gebied heeft een zogenaamd natuurdoel. Een natuurdoel beschrijft een bepaalde natuurkwaliteit en wordt gebruikt als een toetsbare doelstelling voor een natuurgebied. Op circa 2 km is een NNN (GNN) gelegen.

Figuur 2 3: Overzic ht natuur te vens PAS gevoe lig

Gelders natuurnetwerk Vanaf 2014 zijn de provincies verantwoordelijke voor de begrenzing en de ontwikkeling van het NNN. De provincie spant zich in voor een compact en hoogwaardig stelsel van onderling verbonden natuurgebieden en behoud en versterking van de kwaliteit van het landschap. Het Gelders Natuurnetwerk (GNN) en de Groene Ontwikkelingszone (GO) worden beschermd tegen aantasting van de kernkwaliteiten: dat zijn de natuurwaarden, de potentiële waarden en de omgevingscondities. Het GNN is een samenhangend netwerk van bestaande en te ontwikkelen natuur van internationaal, nationaal en provinciaal belang. Het uitgangspunt is dat in het GNN geen nieuwe initiatieven plaatsvinden, behalve ontwikkelingen van een groot algemeen of provinciaal belang of waarvoor geen alternatieven bestaan. In de GO is ruimte voor economische ontwikkeling in combinatie met een (substantiële) versterking van de samenhang tussen aangrenzende en inliggende natuurgebieden.

Pagina 42

Bestemmingsplan ‘Bruchem, Krangstraat (Veldzicht) tussen 3b en 7’

Figuur 2 4: N atuur ne twerk Nederland

De ecologische verbindingszones maken deel uit van de GO, evenals de weidevogelgebieden en de rustgebieden voor winterganzen. De provincie treft maatregelen vanwege de bescherming, de instandhouding of het herstel van biotopen, leefgebieden, een gunstige staat van instandhouding en het Natuurnetwerk Nederland. De provincie beschermt de achttien Natura2000 gebieden die in het GNN liggen. Verder richt het beleid zich op behoud van de basiskwaliteit van landschappen in Gelderland. Voor de landschappen van bovenregionale waarde geldt een beschermingsregiem met kernkwaliteiten en met een juridisch vangnet in de verordening, zodat de provincie in gesprek kan komen indien het provinciaal belang in het geding raakt. Een nabijgelegen GNN ligt op voldoende afstand, te weten ruim 2 km. Soortenbescherming De soortenbeschermende werking is rechtstreeks opgenomen in de Wnb. In hoofdstuk 3 van de Wnb zijn de beschermingsregimes in drie aparte paragrafen neergelegd. Per beschermingsregime is bepaald welke verboden er gelden en onder welke voorwaarden ontheffing of vrijstelling kan worden verleend door het bevoegd gezag. Hieronder zijn de drie beschermingsregimes weergegeven: 1. Beschermingsregime soorten Vogelrichtlijn; Dit zijn alle van nature in Nederland in het wild levende vogels (zoals bedoelt in artikel 1 van de Vogelrichtlijn). 2.

Beschermingsregime soorten Habitatrichtlijn; Dit zijn soorten die genoemd zijn in Bijlage IV van de Habitatrichtlijn, Bijlage I en II van het Verdrag van Bern en Bijlage II van het Verdrag van Bonn. In de bijlagen van de Verdragen van Bern en Bonn worden ook vogels genoemd. 3. Beschermingsregime andere soorten. Dit zijn soorten die genoemd zijn in Bijlage onderdeel A en B van de Wet natuurbescherming. Het gaat hier om de bescherming van zoogdieren, amfibieën, reptielen, vissen, dagvlinders, libellen, kevers en vaatplanten voorkomend in Nederland.

Pagina 43

Bestemmingsplan ‘Bruchem, Krangstraat (Veldzicht) tussen 3b en 7’

De Wnb regelt de bescherming van circa 300 in het wild voorkomende soorten inheemse planten en dieren. In de Wnb is onder meer bepaald dat beschermde diersoorten niet gedood, gevangen of verontrust mogen worden en plantensoorten niet geplukt, uitgestoken of verzameld mogen worden. Bovendien dient iedereen voldoende zorg in acht te nemen voor in het wild levende dieren en planten. Daarnaast is het niet toegestaan om hun directe leefomgeving, waaronder nesten en holen, te beschadigen, te vernielen of te verstoren. Bij het beoordelen van de in het plangebied voorkomende beschermde soorten gaat het primair om soorten die door de ingreep direct beïnvloed worden, doordat: • zij fysiek aangetast worden (doden/verwonden van dieren, verwijderen van planten); • zij verstoord worden (toename van geluid of licht); • hun vaste verblijfplaatsen c.q. groeiplaatsen aangetast of verstoord worden. Alle vogelsoorten hebben een bepaalde mate van bescherming. Er geldt een verbod op handelingen die nesten of eieren beschadigen of verstoren. Daarbij kan het naast broedende vogels, ook gaan om vogels die hun verblijfplaats het hele jaar gebruiken en ook jaarrond beschermd zijn. Ook handelingen die een vaste rust- of verblijfplaats van beschermde vogels verstoren zijn niet toegestaan.

Ten aanzien van vogelsoorten geldt dat, indien de werkzaamheden buiten het broedseizoen plaatsvinden, geen overtreding plaats zal vinden van de wetgeving ten opzichte van volgens. Het aanvragen van een ontheffing is dan niet aan de orde. De wet kent geen standaardperiode voor het broedseizoen. Het gaat erom of er een broedgeval is. De periode april tot half juli kan globaal worden aangehouden voor het niet uitvoeren van werkzaamheden. Voor alle beschermde soorten, dus ook voor de soorten die zijn vrijgesteld van de ontheffingsplicht, geldt een zogenaamde algemene zorgplicht. Indien tijdens de uitvoering van de werkzaamheden beschermde soorten worden waargenomen dienen maatregelen te worden genomen om schade aan deze individuen zo veel mogelijk te voorkomen. De quickscan d.d. 1 april 2019, bijlage 1, concludeert: Algemeen voorkomende vogels: verwijderen van vegetatie buiten het broedseizoen In de opgaande vegetaties komen in het broedseizoen mogelijk beschermde vogelnesten voor. Het gaat om vogels waarvan het nest niet jaarrond wordt beschermd en waarvoor geen omgevingscheck nodig is. Doden en vernielen van broedvogels/eieren/jongen moet worden voorkomen door het verwijderen van opgaande vegetaties buiten het broedseizoen uit te voeren (buiten de periode 15 maart – 15 juli).

Door naleving van deze mitigerende maatregel worden ten aanzien van vogels geen overtredingen van de Wnb begaan. Algemeen voorkomende grondgebonden zoogdieren en amfibieën In het plangebied komen mogelijk zoogdieren en amfibieën voor, die onder de Wnb zijn beschermd. Het gaat om algemeen voorkomende soorten (zogenaamde A-soorten), waarvoor in de provincie Gelderland een algemene vrijstelling geldt in geval van ruimtelijke ontwikkeling en beheer en onderhoud. Dit houdt in dat deze soorten verstoord mogen worden, zonder dat daar vooraf een ontheffing voor is verkregen. In de quickscan zijn kleine marterachtigen niet als problematisch aangemerkt aan de hand van te weinig dekking. Daarmee is er waarschijnlijk geen verblijflocatie op het perceel aanwezig is; daarom is er geen aanvullend onderzoek of ontheffing aan de orde. De inrichting van het achtergebied is geschikt voor kleine marterachtigen. Mocht het gebied dus gebruikt worden als foerageergebied door een bunzing dan is dat positief. De vos is vrijgesteld van bescherming als het om ruimtelijke ontwikkelingen gaat. De soort is voldoende flexibel om een ander hol in gebruik te nemen. Als zorgplicht is een ecologisch werkprotocol mogelijk met maatregelen om doding te voorkomen. Echter het hol bevindt zich buiten de planlocatie en is doding niet aan de orde.

Steenuil: aanvullend onderzoek en mitigatie vooraf In het plangebied bevindt zich een steenuilennestkast die als nest en/of roestplaats voor de steenuil dient. Daarnaast dient het in het plangebied gelegen paardenweitje als foerageerhabitat van deze soort. Steenuilennesten, hun roestplaatsen en foerageergebied zijn streng beschermd onder de Wet natuurbescherming. Het mogen vernietigen van deze elementen kan alleen met een ontheffing op de Wet Natuurbescherming. In 2012 is al onderzoek gedaan naar de steenuil. Dit onderzoek met mitigerende maatregelen was verouderd en in april 2020 is een nieuw onderzoek uitgevoerd (zie bijlage 8). In deze ‘rapportage ontheffingsaanvraag en activiteitenplan steenuil’ zijn onder andere de adequate maatregelen verwoord om overtreding van een verbodsbepaling te voorkomen of om afbreuk aan de gunstige staat van instandhouding te mitigeren of te Pagina 44

Bestemmingsplan ‘Bruchem, Krangstraat (Veldzicht) tussen 3b en 7’

compenseren. De tijdelijke, permanente en cumulatieve effecten op de functionaliteit, zowel in kwaliteit als kwantiteit, voor de desbetreffende soort zijn mede opgenomen in het ecologisch activiteitenplan. Middels het activiteitenplan is ontheffing aangevraagd voor een nestlocatie en een deel van het functioneel leefgebied. De ontheffing is voor 5 jaar aangevraagd; de werkzaamheden kunnen pas beginnen als de ontheffing is verleend. Het conceptbesluit voor de ontheffing is op 16 maart 2021 verleend. Omdat nieuwe nestkasten aangeboden gaan worden ter compensatie voor het verlies van één nestlocatie dient aanvullend onderzoek uitgevoerd te worden om te bepalen of ter plaatse van de beoogde compensatiekasten reeds territoria aanwezig zijn. Daarom wordt in 2020 een aanvullend onderzoek naar nestlocaties en territoria van steenuilen in omgeving van de planlocatie uitgevoerd. In de periode half februari tot eind april zijn een drietal avondbezoeken uitgevoerd. Het aanvullende onderzoek (zie bijlage 9) concludeert dat de onderzoekslocatie ligt binnen de invloedsferen van minimaal 3 steenuil territoria. De werkzaamheden en gebruiksfase van de woonwijk leidt vanwege de relatief kleine afstand tot de nestlocatie naar verwachting tot verstoring van één steenuil territorium.

Daarbij zal het verdwijnen van de paardenweide leiden tot het wegnemen van een gedeelte van het essentieel foerageergebied. Afbreuk van de functionaliteit van een steenuil territorium (voortplantingsplaats) als gevolg van ruimtelijke ontwikkeling is een overtreding van de Wet natuurbescherming. Voor de compensatie van het wegvallen van één steenuil territorium worden op basis van onderhavig onderzoek drie additionele nestlocaties gerealiseerd buiten de aangetroffen actieve steenuil territoria. Niet alleen worden alternatieve nestkasten geplaatst. Om de functionaliteit van de broedlocaties rond het perceel te garanderen dient het functioneel leefgebied tevens van voldoende kwaliteit te zijn. Dit betekent dat in de planvorming ook voldoende oppervlak functioneel wordt ingericht om het weggenomen foerageergebied te compenseren. Het te verdwijnen optimaal foerageergebied van circa 2.500 m2 zal ruimschoots gecompenseerd worden door het aanbieden van een natuurzone van circa 5.580 m2 ingericht als optimaal functioneel leefgebied voor de steenuil op het zuidoostelijke gedeelte van de planlocatie. Via een specifieke aanduiding binnen de groenbestemming wordt dit gebied publiekrechtelijk beschermd.

De inrichtingsmaatregelen bestaan uit onder andere: • het aanbieden van drie alternatieve nestkasten; • het omzetten van circa 0,6 ha agrarisch bouwland naar extensief begraasd/gemaaid weiland met overhoeken; • de aanleg van een hoogstamboomgaard; • aanplant struweel en/of haag; • de aanleg van natuurvriendelijke oevers; • de aanleg van een houtril/takkenwal, een muizenruiter of –piramide; • solitaire boom; • het aanbieden van uitkijkposten. Door de maatregelen die tevens met een voorwaardelijke plicht zijn vastgelegd, kan de steenuil blijven voortbestaan en komt de gunstige staat van instandhouding niet in het geding. Te allen tijde geldt de zorgplicht. Dit houdt in dat indien mogelijk schadelijke effecten op soorten zoveel mogelijk dienen te worden voorkomen. Te denken valt aan het verplaatsen van dieren naar veilige locaties buiten het werkgebied indien zij aangetroffen worden tijdens de werkzaamheden, of daar direct aan voorafgaand. Indien alsnog (onvermoed) zwaarder beschermde soorten worden aangetroffen, dient invulling te worden gegeven aan zorgvuldig handelen. Om invulling te geven aan het zorgvuldig handelen dient gewerkt te worden volgens de voorschriften van een gedragscode. Geadviseerd wordt om de ‘Gedragscode flora en faunawetgeving, Ruimtelijke ontwikkeling en inrichting van de vereniging Stadwerk’ te hanteren.

Deze gedragscode is van toepassing op de uitvoering van aanlegwerkzaamheden in groenvoorzieningen. Door te handelen volgens deze gedragscode wordt schade aan (lokale) populaties van beschermde planten en dieren voorkomen of tot een minimum beperkt.

4.8

Milieuzonering

Door het aanbrengen van een zone tussen bedrijvigheid en gevoelige bestemmingen (zoals woningbouw) kan de overlast ten gevolge van bedrijfsactiviteiten zo laag mogelijk gehouden worden. Zonering is met name van toepassing bij nieuwbouw van woningen en andere gevoelige functies in de directe omgeving van een bedrijf en bij vestiging van een nieuw bedrijf in de directe omgeving van gevoelige bestemmingen. Bij deze toets blijft een eigen bedrijfswoning buiten beschouwing. Een bedrijfswoning van derden wordt als reguliere burgerwoning beschouwd. Pagina 45

Bestemmingsplan ‘Bruchem, Krangstraat (Veldzicht) tussen 3b en 7’

In de VNG-brochure ‘Bedrijven en milieuzonering’ (2009) zijn aan de bedrijven dan wel bedrijfsactiviteiten milieucategorieën en richtafstanden toegekend. De genoemde afstanden zijn adviserend en indicatief, de situatie ter plaatse kan reden zijn om hiervan af te wijken. Bedrijven worden beoordeeld op gevaar, stof, geur en geluid. Deze brochure is als hulpmiddel (niet als blauwdruk) opgesteld om toe te passen bij plannen en toetsmomenten van ruimtelijke ontwikkeling, aldus ook de ondertitel van de brochure. De brochure is niet bedoeld om bij de beoordeling van een aanvraag omgevingsvergunning voor milieu te worden geraadpleegd. Er bestaat geen plicht om de brochure te hanteren. Wel is dit een algemeen aanvaarde methode in Nederland gebleken. Milieucategorie in relatie tot afstand ‘rustige woonwijk’ 1 10 meter 2 30 meter 3.1 50 meter 3.2 100 meter 4.1 200 meter 4.2 300 meter. De afstanden zijn de afstanden tussen de bedrijvigheid/voorzieningen en de milieugevoelige bestemming; dus in beginsel de afstand van het bedrijfsperceel tot de gevel van de woning. De VNG-publicatie geeft richtafstanden tot het omgevingstype ‘rustige woonwijk’.

Indien de aard van de omgeving dit rechtvaardigt, kunnen gemotiveerd gereduceerde richtafstanden, één stap kleiner, worden aangehouden bij het omgevingstype ‘gemengd gebied’, dat gezien de aanwezige functiemenging of ligging nabij drukke wegen al een hogere milieubelasting kent. Dit geldt ook voor lintbebouwing in het buitengebied met overwegend agrarisch en andere bedrijvigheid. Hiervan is thans sprake. In de omgeving van het plangebied zijn agrarische bedrijven, een autohandel, kwekerij en kinderdagverblijf aanwezig en enkele burgerwoningen. Uit het akoestisch onderzoek is gebleken dat het omgevingsgeluid hoog is, hetgeen mede bevestigt dat van een gemengd gebied kan worden gesproken. De aan te houden afstanden worden veelal gerekend vanaf de bedrijfsinrichting, de perceelsgrens, aangezien bedrijfsactiviteiten ook buiten kunnen plaatsvinden. De afstand wordt gemeten tot de achtergevel van de woning. In de nabijheid van de planlocatie liggen enkele agrarische bedrijven. Alsmede naast de locatie, op Krangstraat 3c is een opleidingscentrum met kantoor- en vergaderfunctie c.q. ingenieursbureau gevestigd. In de VNGbrochure is hiervoor geen specifieke regel aanwezig; Kantoren en congres-faciliteiten worden als categorie 1 aangemerkt; onderwijs als categorie 2. Op dit adres worden ook andere bedrijfsactiviteiten uitgevoerd, te weten de stallen van landbouwvoertuigen en -materieel.

Dit is geconstateerd en vastgelegd in een controlerapport van de Omgevingsdienst Rivierenland d.d. 21 juni 2021. Er is geen sprake van buitenstalling nog van fysieke werkzaamheden zoals zagen, lassen, reparatie en onderhoud. Het is een zogenoemd A-bedrijf, waarvoor geen plicht geldt tot het indienen van een milieumelding en waarvoor nu geen akoestisch onderzoek is vereist. De huidige activiteiten zijn te scharen onder milieucategorie 2. Het bedrijf is niet als een regulier loonwerkbedrijf te beschouwen. Volgens het bestemmingsplan zijn hier ook agrarisch verwante bedrijven en aan het buitengebied gebonden bedrijven toelaatbaar. De voorbeelden die in de begripsbepalingen van het bestemmingsplan zijn benoemd maken zelfs categorie 3.2-bedrijvigheid mogelijk in theorie. In de praktijk kan hiervan echter nooit sprake zijn, gelet op de bestaande burgerwoning Krangstraat 3b en de geprojecteerde naastgelegen nieuwbouwwoning ten noorden van het bestaande bedrijf. Aan milieuwetgeving zou niet voldaan kunnen worden. Ter illustratie, een dierenpension/asiel wordt als categorie 3.2 beschouwd, een kennel als 3.1 en een hoveniersen loonwerkbedrijf als categorie 2 of 3.1, afhankelijk van de omvang van de bedrijfsinrichting. Bijbehorende gereduceerde richtafstanden zijn 50 meter voor categorie 3.2, 30 meter voor categorie 3.1 en 10 meter voor categorie 2.

Op dit moment is de bedrijfsbestemming slechts op 11 meter gelegen vanaf het bestemmingsvlak Wonen. Het bouwvlak van de bestemming Wonen loopt namelijk nog door over de gehele voorziene achtertuin. Categorie-2 bedrijvigheid, waarvan nu sprake is, is daarmee toelaatbaar. Een goed woonen leefklimaat, mocht er zich een categorie 3.1 of 3.2 bedrijf vestigen, kan echter niet worden gegarandeerd, gekeken naar de maximale benutting van de geldende bestemmingsregels. Inmiddels is met het betreffende bedrijf overleg gevoerd en is overeenstemming bereikt tussen ontwikkelaar, gemeente en het bedrijf om voor het bedrijf planologisch maatwerk te bieden en de bedrijfsactiviteiten, naar de huidige situatie, te beperken tot bedrijvigheid uit categorie 1 en 2. Dit is alleen mogelijkheid door het bedrijf mee te nemen in het bestemmingsplan voor de Krangstraat en daarmee publiekrechtelijk diens rechten vast te leggen. Pagina 46

Bestemmingsplan ‘Bruchem, Krangstraat (Veldzicht) tussen 3b en 7’

Via een afwijkingsvergunning voor een hogere categorie bedrijvigheid kan, mede op basis van een akoestisch onderzoek nog maatwerk worden geleverd. Tussen het bedrijf en de nieuwe woningen wordt de afstand van 11 meter gewaarborgd door een groenstrook van 5 meter, in eigendom van het bedrijf, en een groenstrook met watergang van 6 meter, in eigendom van ontwikkelaar. Voor de volledigheid is het bouwvlak van het bedrijf nog van vorm veranderd, wordt een deel van het terrein uitgesloten voor (buitenopslag)activiteiten en zal een deel van de achtertuinen van de nieuwe woningen worden aangemerkt als zijnde ‘niet voor bewoning geschikt’, dat wil zeggen dat er bijvoorbeeld geen mantelzorgunit kan worden gerealiseerd. Daarmee wordt zelfs een bewoningsvrije zone gegarandeerd van 30 in plaats van 10 meter meter tussen de loods en nieuwe woningen, nodig mocht er alsnog een afwijkingsprocedure worden gevolgd voor bedrijvigheid in categorie 3.1. In het akoestisch onderzoek dat dan nodig zal zijn, zal blijken of eventueel de bestaande burgerwoning Krangstraat 3b en de hiernaast gelegen geprojecteerde nieuwe woning belemmerend zullen zijn. Samenvattend kan geconcludeerd worden dat er, door het naastgelegen bedrijfsperceel aan de Krangstraat 3c mee te nemen in de planvorming en de bedrijfsbestemming te beperken tot maximaal milieucategorie 2, aan de richtafstanden wordt voldaan.

Er is een goed woon- en leefklimaat, de bedrijvigheid wordt niet verder belemmerd door de nieuwbouw, een goede ruimtelijke ordening is geborgd.

4.9

Geurhinder

De Wet geurhinder en veehouderij (Wgv) vormt voor de beoordeling van aanvragen om vergunning in het kader van de Wet milieubeheer het toetsingskader voor de geurhinder vanuit veehouderijen. De Wgv stelt normen aan de geurbelasting van veehouderijen op geurgevoelige objecten en stelt minimale afstanden vast van veehouderijen tot geurgevoelige objecten. Om te beoordelen of sprake is van een goed woon- en verblijfklimaat wordt bij een ruimtelijke ordeningstoets voor de omgekeerde werking eveneens de Wet geurhinder en veehouderij toegepast. De geurbelasting is afkomstig van dieren waarvoor in de Regeling geurhinder en veehouderij (Rgv) een omrekeningsfactor is vastgesteld (bijvoorbeeld varkens, vleesvee, pluimvee, schapen en geiten). De geurbelasting wordt uitgedrukt in odour units per kubieke meter lucht (ouE/m3). De maximaal toegestane geurbelasting van veehouderijen op geurgevoelige objecten is afhankelijk van de ligging (concentratiegebied of niet-concentratiegebieden en binnen of buiten de bebouwde kom). Naast geurnormen houdt de Wgv ook rekening met (vaste) afstanden van veehouderijen tot geurgevoelige objecten. Bij deze afstanden gaat het om dieren waarvoor in de Rgv geen omrekeningsfactoren zijn vastgesteld (bijvoorbeeld melkrundvee en paarden).

De minimaal aan te houden afstand bedraagt 50 meter tot een geurgevoelig object buiten de bebouwde kom en 100 meter tot een geurgevoelig object binnen de bebouwde kom. De bedrijfswoning die tot de veehouderij zelf behoort, wordt niet aangemerkt als geurgevoelig object. Deze afstanden gelden ongeacht het aantal dieren dat er gehouden wordt. De te toetsen afstand wordt gemeten tussen de buitenzijde van een geurgevoelig object en het dichtstbijzijnde emissiepunt. Daarnaast moet de afstand van de buitenzijde van een dierenverblijf (onafhankelijk van de diersoort die er gehouden wordt) minimaal 25 meter bedragen tot een geurgevoelig object buiten de bebouwde kom en 50 meter bedragen tot een geurgevoelig object binnen de bebouwde kom. Iedere gemeente heeft de mogelijkheid om eigen geurbeleid op te stellen. De gemeente Zaltbommel heeft een geurverordening vastgesteld. In deze geurverordening is de locatie opgenomen. De gemeenteraad heeft voor elke locatie besloten dat de geurbelasting een bepaalde maximale norm OUe/m3 mag hebben. Dit in afwijking van de wettelijke regels van het Activiteitenbesluit en de Wet geurhinder en veehouderij. Voorgrondbelasting is de geurbelasting veroorzaakt door de veehouderij die voor dat geurgevoelige object dominant is. Dus de geurbelasting van die veehouderij die de meeste geur bij het geurgevoelige object veroorzaakt.

Omdat het een grote veehouderij is of omdat veehouderij dichtbij het geurgevoelig object ligt. Achtergrondbelasting is de totale geurbelasting van alle veehouderijen in de omgeving van het geurgevoelige object. Dus de geurbelasting door de veelheid aan veehouderijen in de omgeving van een geurgevoelig object.

Pagina 47

Bestemmingsplan ‘Bruchem, Krangstraat (Veldzicht) tussen 3b en 7’

Figuur 2 5: V aste afs tande n bouwblokke n

Figuur 26 : Voor grondbelas ting huidige s ituatie

Figuur 2 7: Voor grondbelas ting toe kom stige situatie

Figuur 28: Ac hte rgr ondbe lasting toekoms tige situatie

Gebleken (figuren 25 tot en met 29) is dat er in de nabijheid geen agrarische bedrijven zijn gevestigd die invloed hebben op de te realiseren woningen. In het onderzoek omtrent geur, bijlage 7, van maart 2020 wordt geconcludeerd dat uitsluitend voor de voorgrondbelasting ten gevolge van de veehouderij aan de Kolkweg 7 in Bruchem een te hoge geurbelasting wordt berekend. De maximale geurbelasting bedraagt 2,2 ouE/m³ voor de meest zuidelijk gelegen rekenpunten. De wettelijke geurnorm van 2,0 ouE/m³ wordt hiermee overschreden. Echter kan op basis van het percentage geurgehinderden en de GGD-richtlijn worden gesteld dat de milieukwaliteit ter plekke van de woningbouw ten gevolge van de veehouderij redelijk goed zal zijn. Dit blijkt ook uit de berekening van de achtergrondbelasting. Tevens wordt de bestaande veehouderij aan de Kolkweg 7 reeds in zijn uitbreiding beperkt door de bestaande bebouwde kom van Bruchem.

Pagina 48

Bestemmingsplan ‘Bruchem, Krangstraat (Veldzicht) tussen 3b en 7’

Figuur 2 9: Achter grondbelas ting huidige s ituatie

Geconcludeerd wordt dat ter plekke van de nieuwbouwwoningen een acceptabel woon- en leefklimaat gerealiseerd zal worden. Echter wordt er niet voldaan aan de wettelijke geurnorm van 2,0 ouE/m³. Om de beoogde geurgevoelige objecten binnen het plangebied aan de Krangstraat 5 mogelijk te maken, dient de gemeente in de geurverordening de geurnorm voor het gebied te wijzigen. Er wordt voorgesteld om voor het plangebied aan de Krangstraat 5, waarbinnen geurgevoelige objecten gerealiseerd zullen worden, een geurnorm van 2,5 ouE/m³ acceptabel te achten. Deze procedure wordt gelijktijdig gevoerd met de zienswijzenprocedure over het ontwerpbestemmingsplan.

4.10 Overige belemmeringen, kabels en leidingen Er zijn geen overige belemmeringen bekend. Voorafgaand aan de bouwwerkzaamheden zal een Klic-melding worden uitgevoerd, waardoor eventueel overige aanwezige kabels en leidingen aangetoond kunnen worden waarmee rekening gehouden dient te worden bij werkzaamheden. De benodigde tracébreedte voor de aan te leggen ondergrondse kabels en leidingen bedraagt circa 1 meter. Voor de toegankelijkheid van kabels en leidingen dient het nutstracé onder het trottoir gepland te worden (niet onder groen (strook)). In principe 0.30 meter uit de perceelsgrens. Ontwikkelaar spant zich in voor de aanleg van bijvoorbeeld glasvezel.

4.11 Spuitzone boomgaarden Er zijn in Nederland geen wettelijke bepalingen over minimaal aan te houden afstanden tussen gronden waarop gewassen in de open lucht worden geteeld, zoals fruitbomen, en nabij gelegen woningen. In de ruimtelijke ordeningspraktijk bestaat een vuistregel om een afstand van 50 meter aan te houden. Het is een afstand die door de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State algemeen wordt toegepast en geaccepteerd wordt tussen percelen met open teelten en woningen. Bij deze afstand wordt ervan uitgegaan dat enerzijds de bedrijfsvoering van de agrariër niet wordt belemmerd en anderzijds dat er geen nadelige effecten optreden voor de gezondheid van omwonenden. Een woning is een spuitzone-gevoelig-object. Hetgeen door het bestemmingsplan mogelijk wordt gemaakt, is daarbij bepalend. Bij het beoordelen van de gevolgen van het gebruik van gewasbeschermende middelen wordt gekeken naar de gezondheid van mensen en de kwaliteit van het oppervlaktewater. Het is redelijk daarbij uit te gaan van de woning en niet van de tuin. De in de praktijk gehanteerde vuistregel van 50 meter is een indicatieve afstand. Dat wil zeggen dat er omstandigheden zijn waarin hiervan kan worden afgeweken. Voor de gemeente bestaat er een onderzoeksplicht naar de te hanteren afstand in de specifieke situatie. In de nabijheid van het plangebied zijn geen boomgaarden.

Binnen de omliggende agrarische bestemming is het evenwel mogelijk om boomgaarden te hebben/ houden.

Pagina 49

Bestemmingsplan ‘Bruchem, Krangstraat (Veldzicht) tussen 3b en 7’

Ingevolge jurisprudentie over spuitzones hoeft niet in alle gevallen rekening te worden gehouden met agrarische gronden waar fruitbomen mogelijk zijn (zie uitspraak van de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State van 20 december 2017 (ECLI:NL:RVS:2017:3524)). Indien de wijziging van het gebruik van de agrarische gronden naar teelt met een spuitzone binnen de planperiode niet wordt voorzien en als de eigenaar/gebruiker van de gronden geen concreet voornemen heeft om de gronden als boomgaard te gebruiken is zo'n wijziging zodanig onwaarschijnlijk dat de raad bij de vaststelling van het bestemmingsplan dat woningbouw mogelijk maakt, geen rekening hoeft te houden met spuitzones. Bovenstaande is hier van toepassing en dus behoeft er geen rekening te worden gehouden met spuitzones.

4.12 Explosieven Op een onbekend aantal plaatsen in Nederland liggen nog bommen, granaten en andere munitie uit de Tweede Wereldoorlog. Tot op heden worden bij grond- en waterwerkzaamheden nog nagenoeg dagelijks nietgesprongen conventionele explosieven gevonden. Ook in en boven de Bommelerwaard hebben tijdens de Tweede Wereldoorlog allerlei oorlogshandelingen plaatsgevonden waarbij niet tot ontploffing gekomen explosieven en munitie is achtergebleven. Onder Conventionele Explosieven (CE) wordt verstaan: elk explosief dat niet als geïmproviseerd, nucleair, biologisch of chemisch kan worden aangemerkt. CE worden ook wel aangeduid als Niet-Gesprongen Explosieven (NGE). Volgens een mondiale, militaire inschatting is van al het materieel dat gedurende de Tweede Wereldoorlog (1940-1945) verschoten of afgeworpen is, ondergronds 10% en onder water 15% niet tot ontploffing gekomen. Wanneer deze explosieven bij werkzaamheden worden aangetroffen, kunnen deze gevaar opleveren voor de werknemers en de publieke veiligheid. Daarnaast kunnen deze vondsten een zware belasting voor het milieu vormen. Werkgevers zijn volgens ARBO-wetgeving verantwoordelijk voor het veilig kunnen uitvoeren van werkzaamheden door werknemers binnen onze gemeente.

Daarom zijn zij verplicht om bij ruimtelijke ontwikkelingen historisch vooronderzoek te doen om de kans op de aanwezigheid van niet gesprongen CE met zekerheid te kunnen uitsluiten. In 2016 heeft de gemeente Zaltbommel een historisch vooronderzoek en explosievenkansenkaart voor de gehele gemeente laten opstellen. Op deze kaart zijn alle risicogebieden of wel 'verdachte' gebieden op het gebied van niet gesprongen CE aangegeven. Het plangebied is deels als ‘verdacht’ (figuur 30) aangemerkt. De locatie is in niet naoorlogs vergraven of verstoorde grond en er is sprake van grondroerende werkzaamheden. Vanuit de Arbo wetgeving is de werkgever verplicht om voorafgaand aan werkzaamheden de veiligheid van uw werknemers veilig te stellen via een risico-inventarisatie en evaluatie (RI&E). Daarom is het advies nader onderzoek naar explosieven uit te voeren in de vorm van een projectgebonden risicoanalyse (PRA) op het gebied van Conventionele Explosieven.

Figuur 3 0: ex plosievenkanse nkaar t

Uit bijlage 11, een detectierapportage van 19 maart 2020, blijkt dat er 106 objecten gedetecteerd zijn in het verdachte gebied, welke voldoen aan de te verwachten CE. Tevens zijn er enkele kleine gebieden verstoord en konden niet alle plekken worden gedetecteerd. Om het gebied vrij te geven van explosieven zijn vervolgwerkzaamheden vereist. Waar de grond geroerd gaat worden, moet de verstoring worden verwijderd. De aangetroffen objecten worden benaderd (vrijgraven) en als dat explosieven blijken te zijn, dan verwijderd. Gelijktijdig kan dan aanvullend onderzoek worden gedaan op de deellocatie waar tijdens de detectie niet Pagina 50

Bestemmingsplan ‘Bruchem, Krangstraat (Veldzicht) tussen 3b en 7’

gemeten kon worden en aangetroffen objecten meteen te benaderen. Voor het deel waar de objecten niet individueel te onderscheiden waren, wordt alleen aanvullende actie ondernomen als daadwerkelijk explosieven worden aangetroffen op de andere terreindelen. In alle gevallen dient het 'Protocol Toevalsvondst' te worden nageleefd.

4.13 Vormvrije MER-beoordeling. Een milieueffectrapportage (MER), en de bijbehorende procedure (m.e.r.), is een hulpmiddel om de belangen van het milieu volwaardig te betrekken bij de besluitvorming omtrent plannen en projecten. Het gaat hierbij wel enkel om plannen en projecten die kunnen leiden tot initiatieven waarmee het milieu mogelijk nadelig kan worden beïnvloed. Als uitgangspunt geldt voor plannen, waaronder bestemmingsplan, onderstaande criteria om te beoordelen of een MER noodzakelijk is: - Plannen die kaderstellend zijn voor toekomstige m.e.r.(beoordelings)plichtige besluiten; - Plannen waarvoor een passende beoordeling nodig is in verband met een mogelijk significant negatief effect op Natura 2000 gebieden. Om te bepalen of een m.e.r.-beoordeling noodzakelijk is dient bepaald te worden of de ontwikkeling de drempelwaarden uit lijst D van het Besluit m.e.r. overschrijdt, of de ontwikkeling in een kwetsbaar gebied ligt en of er belangrijke milieugevolgen zijn. In het plangebied worden woningen mogelijk gemaakt. De ontwikkeling dient getoetst te worden aan activiteit D 11.2 uit de Bijlage bij het Besluit m.e.r. Deze activiteit betreft een stedelijk ontwikkelingsproject.

In het geval van een stedelijk ontwikkelingsproject is direct een m.e.r.-beoordeling noodzakelijk als de activiteit gaat om de bouw van 2.000 woningen of meer in een aaneengesloten gebied of als de activiteit een omvang heeft van 100 hectare. Geconcludeerd kan worden dat de beoogde bouw van woningen ver beneden de drempelwaarde ligt zoals opgenomen in het Besluit m.e.r.. Voor het overige vinden binnen het plangebied geen activiteiten plaats die opgenomen zijn in de C- of D-lijst van het Besluit m.e.r. Er geldt derhalve geen plicht tot het opstellen van een MER. Daarnaast geldt dat voor alle andere gevallen onder de grenzen uit de C- en D-lijst van het Besluit m.e.r. ook een m.e.r.-beoordeling plaats moet vinden waarin op grond van selectiecriteria als bedoeld in bijlage III bij de EEGrichtlijn milieu-effectbeoordeling niet kan worden uitgesloten dat de activiteit belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu kan hebben. Hierbij wordt onder andere gekeken naar de omvang van het project, de cumulatie met andere projecten en het gebruik van natuurlijke hulpbronnen betreffen. Deze zaken zijn uitgebreid onderzocht in het kader van onderhavige toelichting, tezamen met alle andere milieuhygiënische en planologische aspecten.

Uit de beoordeling van de milieueffecten van de voorgenomen ontwikkelingen blijkt dat, op basis van de selectiecriteria als bedoeld in bijlage III bij de EEG-richtlijn milieueffectbeoordeling, er geen belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu zijn. Inzake een mogelijke MER-plicht, geldt voorts dat er bij onderhavige situatie geen sprake is van een plan waarvoor een passende beoordeling nodig is in verband met een mogelijk significant negatief effect op Natura 2000-gebieden. Zoals reeds uitgebreid uiteengezet heeft onderhavige ontwikkeling met zekerheid geen mogelijk significant effect op de Natura 2000- gebieden. In onderdeel A van de bijlage bij het Besluit m.e.r is bepaald wat verstaan wordt onder een gevoelig gebied. Als gevoelig gebied zijn gebieden aangewezen die beschermd worden op basis van de natuurwaarden, landschappelijke waarden, cultuurhistorische waarden en waterwingebieden. Uit het onderhavige hoofdstuk, waaraan de resultaten van de toetsing juncto artikel 3.1.6 Bro worden weergegeven, blijken geen belemmeringen. Het plangebied behoort niet tot een waterwinlocatie, waterwingebied of grondwaterbeschermingsgebied. Ook behoort het plangebied niet tot een gebied waarbinnen een Rijksmonument ligt of een Bèlvéderegebied. In dit hoofdstuk zijn tevens de verschillende milieueffecten beschouwd, zoals geluid, geur, water en luchtkwaliteit.

Hieruit blijkt dat er door de ontwikkeling inderdaad geen sprake zal zijn van nadelige milieugevolgen. Er is dus geen sprake van de verplichting tot het opstellen van een MER en het doorlopen van de bijbehorende procedure. Wel heeft er, voordat het ontwerpbestemmingsplan terinzage is gelegd, een vormvrije m.e.r.beoordeling plaatsgevonden, waarbij alle relevante planologische en milieuhygiënische aspecten zijn getoetst en akkoord bevonden. Er zijn geen belangrijke nadelige milieugevolgen te verwachten. Het voorontwerpbestemmingsplan is als aanmeldnotitie beschouwd, op basis waarvan de vormvrij beoordeling heeft plaatsgevonden voordat het ontwerpbestemmingsplan terinzage is gelegd.

Pagina 51

Bestemmingsplan ‘Bruchem, Krangstraat (Veldzicht) tussen 3b en 7’

HOOFDSTUK 5 JURIDISCHE ASPECTEN 5.1

Planvorm

Het bestemmingsplan ‘Bruchem, Krangstraat (Veldzicht) tussen 3b en 7’ kan gekarakteriseerd worden als een ontwikkelingsplan. Eén en ander heeft geresulteerd in een planopzet met een globaal kaartbeeld, in die zin dat met ruime bouwvlakken wordt gewerkt, en een uniforme opzet van de bepalingen. Het plan wordt digitaal vastgesteld volgens SVBP2012/IMRO2012. Het juridische gedeelte van het bestemmingsplan bestaat uit een set regels met bijbehorende geometrisch bepaalde planobjecten als vervat in het GML-bestand NL.IMRO.0297.BGBBP20200001-VS01. Bij ieder plan hoort een toelichting, maar dit onderdeel heeft als zodanig geen rechtskracht. De regels vallen in vier hoofdstukken uiteen. Hoofdstuk 1 bevat de inleidende regels, hoofdstuk 2 regelt de bestemmingen, hoofdstuk 3 omvat de algemene regels en in hoofdstuk 4 zijn de overgangsen de slotregels weergegeven. Voorzover relevant zijn parapluplannen verankerd zoals de Parapluherziening verkamering woningen van november 2020 en het vastgestelde plan met betrekking tot parkeren.

5.2

Toelichting op de bestemmingen

1 INLEIDENDE REGELS Begrippen (artikel 1) In dit artikel worden begrippen gedefinieerd, die in de regels worden gehanteerd. Bij de toetsing aan het bestemmingsplan moet worden uitgegaan van de in dit artikel aan de betreffende woorden toegekende betekenis. Wijze van meten (artikel 2) In dit artikel wordt aangegeven hoe de in de regels gehanteerde maten, die bij het bouwen in acht genomen dienen te worden, gemeten moeten worden. 2 BESTEMMINGSREGELS Bedrijf (artikel 3) Deze bestemming wordt opgenomen voor het bedrijf (kantoor en onderwijs, opslag landbouwmaterieel) aan de Krangstraat 3c waarbij de bedrijfsactiviteiten uit milieucategorie 1 en 2 toelaatbaar zullen zijn, mits in principe agrarisch verwant of aan het buitengebied gebonden. Bouwregels, voorzover relevant, worden overgenomen uit het vigerende bestemmingsplan. Er is geen bedrijfswoning mogelijk en daarmee is een regeling voor bijbehorende bouwwerken evenmin nodig. Met een afwijkingsvergunning kan maatwerk worden geboden. Via een aanduiding wordt vastgelegd dat buitenopslag op een deel van het terrein wordt uitgesloten. Groen (artikel 4) De bestemming ʹGroenʹ omvat de openbaar toegankelijke groenvoorzieningen binnen het plangebied alsmede het compensatiegebied vanwege de steenuil. Daartoe wordt een aanduiding opgenomen.

Binnen deze bestemming is onder andere ruimte voor beplanting, de aanleg van paden, speelvoorzieningen, plaatsing van beeldende kunstwerken en waterberging. Verkeer-Verblijfsgebied (artikel 5) De gronden in deze bestemming zijn in de eerste plaats bestemd voor wegen en parkeervoorzieningen. Binnen de bestemming ‘Verkeer‐Verblijfsgebied’ is verder ruimte voor de aanleg van speel‐ en groenvoorzieningen en retentievoorzieningen (berging regenwater). In de regels is een beperkte bebouwingsregeling opgenomen voor bouwwerken, geen gebouwen zijnde, waaronder bewegwijzering en speeltoestellen. Water (artikel 6) De gronden zijn bestemd voor watergangen en waterberging. Op de gronden zijn uitsluitend bouwwerken, geen gebouwen zijnde, ten behoeve van de bestemming toegestaan. Wonen-1 (artikel 7) Deze bestemming is gegeven aan de gronden waar de woningen met de bijbehorende tuinen gebouwd (en aangelegd) kunnen worden. Binnen de bestemming Woongebied is ruimte voor maximaal 50 woningen. Alle woningen dienen in een bouwvlak te worden gebouwd. Op de verbeelding is aangegeven welk type woning is toegestaan en wat de hoogtemaatvoering is. Pagina 52

Bestemmingsplan ‘Bruchem, Krangstraat (Veldzicht) tussen 3b en 7’

In de regels is de maximale bebouwingsdiepte opgenomen. De aangebouwde en de vrijstaande bijbehorende bouwwerken van de woningen dienen op een minimale afstand van 3 meter achter het verlengde van de voorgevel(lijn) van het hoofdgebouw te worden gebouwd. Over de bijbehorende bouwwerken is verder onder andere bepaald dat de gezamenlijke oppervlakte van de aangebouwde, vrijstaande bijbehorende bouwwerken, overkappingen en bouwwerken, geen gebouwen zijnde, niet meer mag bedragen dan 100 m2, mits de bebouwing niet meer dan 50% van de ruimte van het perceel inneemt dat achter het verlengde van de achtergevel van het hoofdgebouw gelegen is. Er worden voorwaardelijke verplichtingen opgenomen ten aanzien van het compensatiegebied voor de steenuil, waterberging en sloop. Op de verbeelding is ook een aanduiding weergegeven voor niet-voor bewoning geschikte bijbehorende bouwwerken. Er is een specifieke bepaling opgenomen over een (levende) groene erfafscheiding. Wonen-2 (artikel 8) Voor de bestaande woning ‘Veldzicht’ aan de Krangstraat 5 wordt de bestemming Wonen-2 gebruikt, voorzien van een bouwvlak en toegesneden op de bestaande maatvoering. Een voorwaardelijke verplichting voor sloop van de voormalige agrarische bedrijfsbebouwing is opgenomen.

Waarde - Archeologie 3 (artikel 9) Dit is een conserverende dubbelbestemming, voor Krangstraat 3c. 3 ALGEMENE REGELS Anti-dubbeltelregel (artikel 10) Om misbruik van de bouwregels te voorkomen, is in dit artikel bepaald dat gronden, die al eens als berekeningsgrondslag voor een bouwvergunning hebben gediend, niet nogmaals als zodanig kunnen dienen. Doel van deze zogenaamde dubbeltelregel is te voorkomen dat, wanneer volgens een bestemmingsplan bepaalde gebouwen niet meer dan een bepaald deel van een bouwperceel mogen beslaan, het opengebleven terrein niet nog eens meetelt bij het toestaan van een ander gebouw, waaraan een soortgelijke eis wordt gesteld. Algemene bouwregels (artikel 11) In dit artikel wordt een en ander vastgelegd over ondergeschikte bouwdelen. Algemene afwijkingsregels (artikel 12) In dit artikel is een afwijkingsbevoegdheid volgens de Wabo opgenomen betreffende het overschrijden van de in het plan opgenomen maatvoeringen met maximaal 10%. Overige regels (artikel 13) In dit artikel zijn de voorwaardelijke verplichtingen opgenomen ten aanzien van parkeren en laden en lossen. 4 OVERGANGS- EN SLOTREGELS Overgangsrecht (artikel 14) In lid 1 zijn de overgangsregels ten aanzien van het bouwen opgenomen.

Bouwwerken die, op het moment dat het bestemmingsplan in werking is, bestaan of (kunnen) worden gebouwd met inachtneming van de Wabo en die afwijken van het bestemmingsplan mogen gedeeltelijk worden veranderd of vernieuwd mits de bestaande afwijkingen naar aard en omvang niet worden vergroot. Is het bouwwerk verloren gegaan naar aanleiding van een calamiteit dan mag het bouwwerk volledig worden vernieuwd of veranderd mits de bouwaanvraag daarvoor binnen 2 jaar na de calamiteit wordt ingediend. Dit geldt niet voor bouwwerken die zonder Omgevingsvergunning voor het bouwen zijn gebouwd in strijd met het toen geldende plan en voor illegaal gebruik van bouwwerken. Een afwijkingsmogelijkheid is opgenomen om in te springen op onbillijkheid van overwegende aard. Lid 2 betreft het overgangsrecht met betrekking tot gebruik van onbebouwde gronden en bouwwerken, dat afwijkt van het bestemmingsplan op het moment dat dit plan in werking treedt. Dit gebruik mag worden voortgezet. Wijziging van het afwijkend gebruik is slechts toegestaan indien de afwijking hierdoor niet wordt vergroot.

Pagina 53

Bestemmingsplan ‘Bruchem, Krangstraat (Veldzicht) tussen 3b en 7’

Slotregel (artikel 15) In dit artikel is ten slotte de naam van het bestemmingsplan opgenomen.

5.3

Handhaving

Het bestemmingsplan vormt de juridische vertaling van het ruimtelijk beleid dat de komende periode van tien jaar gevoerd zal worden. Naast een evenwichtig en doelmatig opgezet bestemmingsplan is bij de realisering van de ruimtelijke doelstellingen een actieve opstelling van de gemeente gewenst om ongewenste ontwikkelingen tegen te gaan en anderzijds zo mogelijk ook gewenste ontwikkelingen actief te stimuleren. Ruimtelijk beleid is dynamisch van aard. Bij de uitvoering van het ruimtelijk beleid heeft de gemeente naast het bestemmingsplan en het daaraan gekoppelde vergunningstelsel meerdere instrumenten, waaronder bekendheid geven aan en draagvlak creëren voor het ruimtelijk beleid, en toezicht en handhaving. Bij het opstellen van het bestemmingsplan wordt gestreefd naar helderheid in regelgeving, zodat in praktijk geen misvattingen kunnen ontstaan. De term handhaving wordt vaak eng uitgelegd als uitsluitend het toepassen van sancties achteraf, zoals bestuursdwang en dwangsommen. Dit wordt de repressieve vorm van handhaving genoemd. Handhaving bestaat echter ook uit het stellen van normen, het geven van voorlichting en het houden van toezicht op een goede uitvoering. Dit is de preventieve invalshoek. In de meest optimale situatie zou sanctionering niet nodig moeten zijn. De gemeente heeft de beginselplicht om het bestemmingsplan te handhaven.

De mogelijke vervolgstappen zijn het toepassen van het overgangsrecht, het rechtstreeks legaliseren binnenplans, het legaliseren na afwijking en het aanschrijven en toepassen van bestuursdwang. In bijzondere situaties kan een afwijking van het bestemmingsplan worden gedoogd. Van belang is om eenmaal geconstateerde afwijkingen gestructureerd en zo mogelijk integraal af te handelen. In de Wro wordt voorgeschreven dat er jaarlijks gerapporteerd wordt over het gevoerde beleid. In dat kader zal ook verantwoording worden afgelegd over het handhavingsbeleid. In dit bestemmingsplan is aangesloten bij de actuele maatschappelijke behoefte voor wat betreft bouwen en gebruik. Vervolgens is door middel van het opnemen van diverse flexibiliteitsbepalingen (algemene afwijkingsregels, algemene wijzigingen) in voldoende mate ingespeeld op eventuele toekomstige ontwikkelingen. De verbeelding, de regels en de toelichting zijn zodanig op elkaar afgestemd dat interpretatieen uitvoeringsproblemen zo veel mogelijk worden voorkomen, en, dat zodoende handhavingssituaties worden voorkomen.

Pagina 54

Bestemmingsplan ‘Bruchem, Krangstraat (Veldzicht) tussen 3b en 7’

HOOFDSTUK 6 UITVOERBAARHEID 6.1

Economische uitvoerbaarheid

In de Wro is in afdeling 6.4 de regelgeving rondom grondexploitatie opgenomen. Centrale doelstelling van deze afdeling is om in de situatie van particuliere grondexploitatie te komen tot een verbetering van het gemeentelijk kostenverhaal en de versterking van de gemeentelijke regie bij locatieontwikkeling. In artikel 6.12 Wro is bepaald dat de gemeenteraad een exploitatieplan vaststelt voor gronden waarop een bouwplan is voorgenomen. In artikel 6.2.1 Bro is vastgelegd wat onder een bouwplan wordt verstaan. Hieronder valt onder meer de bouw van een of meer woningen, alsmede de uitbreiding van een gebouw met ten minste 1.000 m² bruto vloeroppervlakte. In de Wro (artikel 6.12, lid 2) is tevens opgenomen dat kan worden afgeweken van de verplichting tot het opstellen van een exploitatieplan in bij algemene maatregel van bestuur aangegeven gevallen dan wel als kostenverhaal anderszins is verzekerd. Dit is het geval indien de gemeente en de initiatiefnemer en/of de ontwikkelende partij een privaatrechtelijke overeenkomst hebben gesloten over de verdeling van kosten bij de grondexploitatie. In het bestemmingsplan worden nieuwe woningen gerealiseerd, zodat van een bouwplan sprake is. Voor dit bestemmingsplan wordt gekozen voor een anterieure overeenkomst. Ambtelijke kosten, kosten voor het bestemmingsplan en eventuele planschade enzovoorts worden hierin opgenomen.

Conform artikel 6.12 Wro jo artikel 6.2.1 Bro hoeft derhalve niet voldaan te worden aan de beginselplicht tot het vaststellen van een exploitatieplan. Voor de gemeente Zaltbommel verloopt het plan budgettair neutraal. Conform artikel 3.1.6, sub f Bro is ook aandacht geschonken aan de economische uitvoerbaarheid van het plan. Initiatiefnemer bekostigt het project uit eigen middelen (mede door de verkoop van de kavels).

6.2

Maatschappelijke uitvoerbaarheid

Inspraak Namens de initiatiefnemer is de omgeving in een omgevingsdialoog (inloopavond 12 november 2019) geïnformeerd omtrent de plannen. Het plan is tevens ingevolge de gemeentelijke inspraakverordening ter inzage gelegd in voorontwerp gelijktijdig met het vooroverleg van 27 augustus 2020 tot en met 7 oktober 2020. Een informatieavond is in deze periode georganiseerd op 7 september 2020. De omgeving wordt in elk geval op meerdere manieren van de plannen op de hoogte gesteld. 5 Inspraakreacties zijn ingediend, opgenomen in bijlage 13 bij dit plan met tevens het Eindverslag inspraak. Het ontwerpbestemmingsplan wordt na het vooroverleg zes weken terinzage gelegd, met eventueel nogmaals een informatieavond, waarbij de mogelijkheid wordt geboden zienswijzen in te dienen, alvorens de gemeenteraad een besluit omtrent vaststelling zal nemen. Daarna staat beroep open bij de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State. Het plan is digitaal ontsloten via de gemeentelijke website en de landelijke website ruimtelijkeplannen.nl. In de Staatscourant en het gemeentelijk weekblad is van de procedure kennisgegeven. Er zijn zienswijzen ingediend, die zijn besproken in de zienswijzenota, bijlage 14.

Overleg Ter voldoening aan het bepaalde in artikel 3.1.1 Bro dient bij de voorbereiding van een bestemmingsplan, waar nodig, overleg gepleegd te worden met besturen van gemeenten, het waterschap, met Rijks- en provinciale diensten et cetera. Voor dit plan is, gelijktijdig met de inspraak/informatie-procedure, onder meer overleg -op digitale wijze- gepleegd met: • Provincie Gelderland; • Waterschap; • Regionale Brandweer. De vooroverlegreacties zijn eveneens in bijlage 13 opgenomen met de beoordeling ervan. De provincie geeft een positief advies op het plan. Het past in de regionale afspraken woningbouwprogrammering en voldoende aandacht is besteed aan biodiversiteit en duurzaamheid.

Pagina 55

Bestemmingsplan ‘Bruchem, Krangstraat (Veldzicht) tussen 3b en 7’

Bestemmingsplan ‘Bruchem, Krangstraat (Veldzicht) tussen 3b en 7’ Regels

Gemeente Zaltbommel

Status:

Vast te stellen

Datum:

13 juli 2021

ID:

NL.IMRO.0297.BGBBP20200001-VS01

Inhoudsopgave

Inhoud Hoofdstuk 1 Inleidende regels ....................................................................................................... 3 Artikel 1 Begrippen .................................................................................................................................. 3 Artikel 2 Wijze van meten ....................................................................................................................... 9 Hoofdstuk 2 Bestemmingsregels .................................................................................................. 10 Artikel 3 Bedrijf ...................................................................................................................................... 10 Artikel 4 Groen ...................................................................................................................................... 12 Artikel 5 Verkeer-Verblijfsgebied .......................................................................................................... 13 Artikel 6 Water ...................................................................................................................................... 14 Artikel 7 Wonen-1 .................................................................................................................................

15 Artikel 8 Wonen-2 ................................................................................................................................. 20 Artikel 9 Waarde - Archeologie 3 .......................................................................................................... 24 Hoofdstuk 3 Algemene regels ...................................................................................................... 28 Artikel 10 Anti-dubbeltelregel ............................................................................................................... 28 Artikel 11 Algemene bouwregels .......................................................................................................... 29 Artikel 12 Algemene afwijkingsregels ................................................................................................... 30 Artikel 13 Overige regels ....................................................................................................................... 31 Hoofdstuk 4 Overgangs- en slotregels ......................................................................................... 32 Artikel 14 Overgangsrecht .....................................................................................................................

32 Artikel 15 Slotregel ................................................................................................................................ 33

Bijlage 1: inrichtingsmaatregelen activiteitenplan steenuil Bijlage 2: Aan huis gebonden beroepen en bedrijven Bijlage 3: Illustratie sloop Bijlage 4: Staat van bedrijfsactiviteiten

Pagina 2

Bestemmingsplan ‘Bruchem, Krangstraat (Veldzicht) tussen 3b en 7’

Hoofdstuk 1 Inleidende regels Artikel 1 Begrippen 1.1 plan het bestemmingsplan Bruchem, Krangstraat (Veldzicht) tussen 3b en 7 van de gemeente Zaltbommel. 1.2 bestemmingsplan de

geometrisch

bepaalde

planobjecten

zoals

vervat

in

het

GML-bestand

NL.IMRO.0297.BGBBP20200001-VS01 met de bijbehorende regels en eventuele bijlagen. 1.3 aangebouwd bijbehorend bouwwerk een gebouw, dat aan het hoofdgebouw is gebouwd en dat naar aard en indeling is bedoeld voor uitbreiding van en/of aanvulling op de woonfuncties van het hoofdgebouw tenzij in de regels anders is bepaald. 1.4 aan het buitengebied gebonden bedrijven bedrijven die door hun aard of activiteiten functioneel aan het buitengebied gebonden zijn. Voorbeelden van aan het buitengebied gebonden bedrijven zijn een hoveniersbedrijf, paardenpension/ -stalling, kennel/ dierenasiel en hondensportaccommodatie. 1.5 aan huis gebonden beroep het in een woning met bijbehorende gebouwen beroepsmatig verlenen van diensten op administratief, juridisch, medisch, therapeutisch, kunstzinnig, ontwerptechnisch of hiermee gelijk te stellen gebied, zulks met behoud van de woonfunctie van de betreffende woning (zie bijlage 2 Aan huis gebonden beroepen en bedrijven). 1.6 aan huis verbonden (bedrijfs)activiteiten het verlenen van diensten c.q. het uitoefenen van ambachtelijke - geheel of overwegend door middel van handwerk uit te oefenen - bedrijvigheid, waarvan de aard, omvang en uitstraling zodanig zijn, dat de activiteit in de woning en/of de daarbij behorende gebouwen, met behoud van de woonfunctie ter plaatse, kan worden uitgeoefend (zie bijlage 2 Aan huis gebonden beroepen en bedrijven).

1.7 aanduiding een geometrisch bepaald vlak of figuur, waarmee gronden zijn aangeduid, waar ingevolge de regels eisen worden gesteld ten aanzien van het gebruik en/of het bebouwen van deze gronden. 1.8 aanduidingsgrens de grens van een aanduiding indien het een vlak betreft. 1.9 achtergevel een van de openbare weg en/of fiets- en voetpad afgekeerde gevel van een hoofdgebouw.

Pagina 3

Bestemmingsplan ‘Bruchem, Krangstraat (Veldzicht) tussen 3b en 7’

1.10 achtergrens bouwvlak een van de openbare weg en/of fiets- en voetpad afgekeerde grens van het bouwvlak. 1.11 agrarisch verwant bedrijf bedrijven die gericht zijn op het leveren van diensten en goederen aan agrarische bedrijven zoals het bewerken, vervoeren en/of verhandelen van agrarische producten en bedrijven die zich richten op een combinatie van agrarische- en zorgfuncties. Voorbeelden van agrarisch verwante bedrijven zijn (loon)werkbedrijven, veehandelsbedrijven, dierenklinieken voor grootvee, groothandels in agrarische gewassen en zorgboerderijen. 1.12 arbeidsmigrant personen die hun vaste woon-, of verblijfplaats in een ander Europees land dan Nederland hebben en op grond van een EU-paspoort of tewerkstellingsvergunning legaal in Nederland werkzaam zijn. 1.13 bebouwing één of meer gebouwen en/of bouwwerken geen gebouwen zijnde. 1.14 bestemmingsgrens de grens van een bestemmingsvlak. 1.15 bestemmingsvlak een geometrisch bepaald vlak met eenzelfde bestemming. 1.16 bouwgrens de grens van een bouwvlak. 1.17 bouwen het plaatsen, het geheel of gedeeltelijk oprichten, vernieuwen of veranderen en het vergroten van een bouwwerk, alsmede het geheel of gedeeltelijk oprichten, vernieuwen of veranderen van een standplaats. 1.18 bouwperceel een aaneengesloten stuk grond, waarop ingevolge de regels een zelfstandige, bij elkaar behorende bebouwing is toegelaten.

1.19 bouwperceelgrens een grens van een bouwperceel. 1.20 bouwvlak een geometrisch bepaald vlak, waarmee gronden zijn aangeduid, waar ingevolge de regels bepaalde gebouwen en bouwwerken geen gebouwen zijnde zijn toegelaten.

Pagina 4

Bestemmingsplan ‘Bruchem, Krangstraat (Veldzicht) tussen 3b en 7’

1.21 bouwwerk elke constructie van enige omvang van hout, steen, metaal of ander materiaal, die hetzij direct hetzij indirect met de grond is verbonden, hetzij direct of indirect steun vindt in of op de grond, bedoeld om ter plaatse te functioneren. 1.22 bouwwijze de wijze van bouwen van een hoofdgebouw, te weten vrijstaand, twee-aaneen of aaneengebouwd, waarbij: •

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij iBabs is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/10507108/1