Bijlage 1. Bestemmingsplan Bruchem, Krangstraat (Veldzicht) tussen 3b en 7
Tekst van het document
In hoofdstuk 4 wordt ook op deze beleidsstukken ingegaan. En op 20 juni 2019 heeft de gemeenteraad van Zaltbommel het 'Beleid huisvesting arbeidsmigranten gemeente Zaltbommel 2019' vastgesteld. Dit beleid geldt als een actualisatie van hetzelfde beleid uit 2017. In het beleid regelt de gemeente Zaltbommel de huisvesting van arbeidsmigranten op twee verschillende manieren: Kleinschalige huisvesting in de bestaande woonomgeving en geconcentreerde huisvesting aan de rand van de kernen. De opgave om een goed huisvestingsbeleid te ontwikkelen, gericht op het huisvesten van ten minste 1.500 personen, is voor de gemeente een gegeven. De behoefte aan nieuwe huisvestingslocaties neemt als gevolg van nieuwe (bedrijfs)ontwikkelingen alleen maar toe. De gemeente wil dat iedere inwoner gedegen en verantwoord wordt gehuisvest. Dat geldt zodoende ook voor (tijdelijke) arbeidsmigranten. Tegelijkertijd wil de gemeente ook dat de omgeving zo min mogelijk hinder ondervindt van het (tijdelijk) huisvesten van arbeidsmigranten. Met dit beleid wil de gemeente Zaltbommel een helder kader bieden waarbinnen de huisvesting van arbeidsmigranten mag plaatsvinden. Het gemeentelijke beleid richt zich op het huisvesten van arbeidsmigranten die in de eerste instantie in de gemeente Zaltbommel werkzaam zijn. In het beleid heeft de gemeente een aantal beleidsuitgangspunten opgesteld.
Alle locaties voor huisvesting van arbeidsmigranten dienen aan deze uitgangspunten te voldoen. Deze uitgangspunten richten zich met name op de kwaliteit van wonen en de kwaliteit van de leefomgeving met betrekking tot arbeidsmigranten. In 2020 is een ontwerpbestemmingsplan in procedure gebracht, om dit beleid in ruimtelijke zin te vertalen.
2.4
Toetsing beleidskaders
Een en ander is derhalve passend binnen het rijks- en provinciaal en gemeentelijk beleid, met uitzondering van het bestemmingsplan. Het rijksbeleid wordt niet aangetast. Het provinciaal beleid wordt in acht genomen. Om deze reden is er dan ook planologisch gezien geen probleem om de ontwikkeling door te zetten.
Pagina 19
Bestemmingsplan ‘Bruchem, Krangstraat (Veldzicht) tussen 3b en 7’
HOOFDSTUK 3 HUIDIGE EN BEOOGDE SITUATIE 3.1
Zaltbommel - Bruchem
De Gemeente Zaltbommel ligt in de noordwestelijke helft van de Bommelerwaard, in het Gelders Rivierengebied. In het noorden grenst Zaltbommel aan de Waal, in het zuiden aan de Maas en in het westen aan de Afgedamde Maas. De rivieren hebben door afzetting van zand en klei stroomruggen gevormd die bepalend zijn voor de woongeschiedenis van het gebied. Zaltbommel telt 28.910 inwoners, waarvan 1685 in het oostelijk gelegen Bruchem (1 januari 2020). Sinds 1999 hoort Bruchem bij deze gemeente. De gemeente bestaat naast de stad Zaltbommel, uit twaalf kernen te weten: Aalst, Bern, Brakel, Bruchem, Delwijnen, Gameren, Kerkwijk, Nederhemert (Noord en Zuid), Nieuwaal, Poederoijen en Zuilichem. Bruchem ligt op een stroomrug van de Waal middenin de Bommelerwaard dicht bij de stad Zaltbommel. De naam Bruchem bestaat uit twee delen: bruc en hem. Bruc komt van broek, dat laagland of een weiland betekent. Hem is afgeleid van heim, dat woonplaats betekent. Bruchem ligt in het rivierkleigebied van de Bommelerwaard, op een hoogte van ruim 2 meter. Het landschap wordt ingenomen door weilanden en tuinbouwbedrijven. Ten westen van Bruchem loopt de Bommelse Zuiderwetering. De directe omgeving is naar het noorden en het oosten aan het verstedelijken. De historische dorpskern van Bruchem heeft haar originele cultuurhistorische waardevolle karakteristiek weten te behouden.
Het lineaire karakter van de belangrijkste ontsluitingswegen is nog duidelijk aanwezig en herkenbaar. Het historische deel bestaat uit de bebouwing rondom de belangrijkste wegen; de Dorpsstraat, Peperstraat, Molenstraat en Vreedstraat. De bebouwing aan de Dorpsstraat vormt het oudste deel van Bruchem. De verschillende planmatige uitbreidingen van Bruchem zijn beperkt en hebben zich geschikt naar de bestaande landschappelijke en dorpsstructuur. Vrijwel heel Bruchem heeft een groene uitstraling door de vrijstaande boerderijen en woningen op ruime percelen met veelal diepe voortuinen. De belangrijkste straat in het dorp is de Dorpsstraat. De laanbomen langs deze straat en de boerderij met boomgaard midden in het dorp versterken het groene karakter. Aan de uitvalswegen Peperstraat en Molenstraat zijn veelal grote boerderijen op woerden gebouwd wat karakteristiek is voor de bebouwing van voornamelijk voor 1900 in Bruchem. De woningen staan over het algemeen wisselend geordend op de kavel, niet allemaal op gelijke afstand van de weg en niet in dezelfde rooilijn. De panden in het dorp hebben overwegend een individuele uitstraling en bestaan voornamelijk uit één of twee bouwlagen. De bouwhoogte is sterk afwisselend en de bebouwing kent hoofdzakelijk een zadeldak, met of zonder wolfeinden, schilddak of mansardekap.
Over het algemeen is er sprake van een baksteenarchitectuur en een eenvoudige agrarische vormgeving. In figuur 9 zijn historische kaarten opgenomen die de ontwikkeling van Bruchem tonen.
Figuur 9 a: tot 19 50 – solitaire bebouw ing aan de linte n
Pagina 20
Bestemmingsplan ‘Bruchem, Krangstraat (Veldzicht) tussen 3b en 7’
Figuur 9 b: 1 950-1970 - eer ste planm atige inbr eidinge n
Figuur 9c : 1970- 2020 – groots chaligere uitbreidinge n naar het zuidwes te n
3.2
Bestaande situatie plangebied en directe omgeving
Op het perceel Krangstraat 5 Bruchem staat een agrarische bedrijfswoning en aantal schuren, ter grootte van circa 375 m2. De gronden zijn in gebruik (geweest) als weide en akkerland. De gronden liggen tussen de noordwestelijk gelegen Krangstraat en de zuidoostelijk liggende Peperstraat, te midden van burgerwoningen en een opleidings- en vergaderlocatie (figuur 10 en 11). Het plangebied grenst aan de noordzijde aan de Bommelse Weiden. Dit is een open en laag gelegen gebied in de Bommelerwaard dat de stad Zaltbommel ruimtelijke van de kern Bruchem scheidt. De komgronden waren vroeger nat en moeilijk begaanbaar en zijn lange tijd niet geschikt geweest voor bewoning. Deze historischgeografische patronen zijn terug te zien in het landschap. De Krangstraat ligt op de rand van de oeverwal en kent een open lintbebouwingsstructuur met diverse doorzichten richting de Peperstraat. Hierbij bevindt de woning/ boerderij zich in de eerstelijns bebouwing direct aan de straat, daarachter staan grootschaligere bouwmassa’s in de vorm van loodsen, schuren en/of kassencomplexen die sinds de jaren 60 van de vorige eeuw zijn geplaatst voor sierteelt. Daar weer achter liggen de onbebouwde weides en akkerbouwgronden.
Pagina 21
Bestemmingsplan ‘Bruchem, Krangstraat (Veldzicht) tussen 3b en 7’
De zuidelijker gelegen Peperstraat is de oude ontginningsbasis bovenop de oeverwal en kent een dichte lintbebouwing. Rond de gebouwen werden bomen en struiken aangeplant, waardoor de oeverwal als een relatief besloten lint in het verder open landschap zichtbaar is.
Figuur 1 0: L uchtfoto Bruc hem (bron: bing.c om/maps 20 20)
Figuur 1 1: L uchtfoto plange bie d (bron: bing.com/m aps 2020)
Pagina 22
Bestemmingsplan ‘Bruchem, Krangstraat (Veldzicht) tussen 3b en 7’
3.3
Beoogde situatie
Stedenbouwkundige visie Op basis van een ruimtelijke en functionele analyse van de omgeving is een globale stedenbouwkundige visie (figuur 12) geformuleerd voor de agrarische gronden, die deel uitmaakten van het voormalige bedrijf aan de Krangstraat 5. De ambitie is om passende landschappelijke en bouwensembles te realiseren die aansluiten op de aanwezige lintstructuur, met vaak karakteristieke (voormalige) agrarische bebouwing en het landschappelijke karakter van de omgeving. Speciale aandacht bij de verdere uitwerking gaat uit naar duurzaamheid, samenhang en collectiviteit. Hiermee zijn ingrediënten gevonden voor een onderscheidend woonconcept dat zowel kwalitatief als kwantitatief iets toevoegt aan het bestaande woningaanbod in Bruchem. De visie gaat uit van een ruimtelijke opbouw in drie zones: •
•
•
Vanaf de Krangstraat gezien sluit de 1e zone aan op de lintstructuur. Dit gebeurt in de vorm van twee ensembles die in opbouw en uitstraling verwijzen naar het karakter van oorspronkelijke boerenerven. In deze zone is de woningdichtheid het hoogst en zijn de woningen ondergebracht in bouwvolumes die geïnspireerd zijn op lokale boerderijen en bijbehorende schuren. In de 2e bebouwingszone is de woningdichtheid lager en zijn de woningen gesitueerd rondom een centrale groene ruimte. De bouwvolumes zijn kleinschaliger en dienen te passen bij de architectuur van de boerenerven maar zijn er niet nadrukkelijk mee verbonden. De 3e zone heeft een onbebouwde groene inrichting die geschikt gemaakt wordt als leefgebied voor de aanwezige steenuilen en heeft een voorziening voor het bergen van regenwater.
In de uitwerking van de visie zijn de beschreven kenmerken van de drie afzonderlijke zones herkenbaar in de bouwvolumes, architectonische vormgeving en inrichting van de buitenruimte. De samenhang tussen, en goede beleefbaarheid van, deze drie zones wordt gevormd door een duidelijke zichtlijn vanaf het open agrarische landschap aan de Krangstraat tot in de achterliggende, landschappelijk ingerichte zone.
Figuur 1 2: Ste denbouwkundige vis ie
Pagina 23
Bestemmingsplan ‘Bruchem, Krangstraat (Veldzicht) tussen 3b en 7’
Verkavelingsplan De stedenbouwkundige visie vormt de basis voor de nadere uitwerking in een verkavelingsplan (figuur 13). Vanwege de gewenste ruimtelijke kwaliteit en adequate inpassing in de omgeving is hiervoor een aantal uitgangspunten geformuleerd: • In het lint langs de Krangstraat dient het plan de uitstraling te hebben van een boerenerf. De meest geschikte locatie is ter plaatse van de bestaande bebouwing van de boerderij Veldzicht. De ontsluiting van dit boerenerf vindt rechtstreeks plaats op de Krangstraat. • De lintbebouwing langs de Krangstraat dient zorgvuldig te zijn vormgegeven. Deze dient met een representatieve gevel naar de Krangstraat georiënteerd te worden. • Er wordt een groene zone/buffer aan de zuidoost zijde van het plangebied ingericht. • Langs de watergangen aan de oost- en westrand van het plangebied dienen ruime groenzones gerealiseerd te worden. Deze groenranden fungeren enerzijds als onderhoudsstrook voor de watergangen en anderzijds dient met toepassing van groen voorkomen te worden dat een "harde" overgang tussen het landelijk gebied en de bebouwing ontstaat. In deze groenzones kunnen wandelroutes worden opgenomen. • De groenzone tussen de bebouwing en de watergang/waterretentie aan de zuidzijde van het plangebied inrichten als landschappelijk open gebied (bv. een paarden- of schapenweide).
Dit open gebied doet tevens dienst als foerageergebied voor de aanwezige steenuilenpopulatie. • Positioneer de waterretentie aan de langszijden en/of aan de achterzijde van het plangebied en pas natuurvriendelijke oevers toe. • Het parkeren nabij de woningen situeren. • Positioneer speelgelegenheid binnen het woongebied voor de doelgroep 1 tot 6 jaar en 7 tot 12 jaar. • Realiseer een hondenuitlaatplaats (met opruimplicht). • Waar mogelijk zongerichte verkaveling toepassen. • Goot- en bouwhoogte van respectievelijk maximaal circa 6 en circa 11 meter voor de woningen. Specifieke aandacht gaat uit naar de woningen die in het lint van de Krangstraat worden gesitueerd met de uitstraling van een boerenerf. Deze goot- en bouwhoogte dient afgestemd te worden op de hoogte van de omliggende bestaande woningen. • Ontsluiting van het woongebied voor gemotoriseerd verkeer via de Krangstraat. • Een veilige route voor voetgangers naar het dorp. • Kapvorm van de woningen afgestemd op de omgeving. Hierna volgend wordt beschreven hoe deze uitgangspunten verwerkt zijn. Zone 1 – Het boerenerf Het schetsontwerp gaat langs de Krangstraat uit van een tweetal boerderijclusters.
Deze clusters zijn in ruimtelijke opzet en uitstraling nadrukkelijk een verwijzing naar de oorspronkelijke boerenerven in de omgeving, door de samenstelling van de bouwvolumes, die variëren tussen 1 laag met kap en 2 lagen met kap, en de wijze waarop deze compact zijn gesitueerd aan een informele buitenruimte. Voor de inrichting in deze zone wordt geen gebruikelijk straatprofiel aangelegd, maar wordt het principe gehanteerd van een erf-/ pleinruimte uit één materiaal, zonder hoogteverschillen en met een subtiele aanduiding van de afzonderlijke parkeerplaatsen. Het doorzicht naar het achterliggende gedeelte van de nieuwe woonbuurt is ter plaatse van de entree breed waardoor de beide naast elkaar liggende “boerenerven” goed van elkaar te onderscheiden zijn. Vervolgens vernauwt de ruimte zich door het toepassen van plantvakken met heesters om zo de overgang naar de tweede zone aan te geven. Zone 2 – Wonen om het groen Door de woningen achter de eerste zone enkel parallel aan de plangrenzen te positioneren ontstaat er een forse open groene ruimte die een contrast vormt met de meer intieme “boerenerven”. Het groene binnengebied biedt ruimschoots gelegenheid voor speelelementen en een hondenuitlaatplek. De centrale groene ruimte staat in verbinding met de landschappelijk ingerichte zone en vergroot daarmee de sfeer van een woonomgeving met een sterk groen karakter.
In tegenstelling tot de bebouwing in zone 1 zijn er in de gevelwanden rondom de groene ruimte meer doorzichten en neemt de ruimte tussen de afzonderlijke woningen toe naarmate men dichter bij de landschappelijke zone komt. De bouwhoogte neemt van 2 bouwlagen met kap aan de kant van zone 1 af naar 1,5 laag met kap richting de landschappelijke zone om de overgang naar de openheid van het achterliggende terrein te ondersteunen. Pagina 24
Bestemmingsplan ‘Bruchem, Krangstraat (Veldzicht) tussen 3b en 7’
Het openbare parkeren in deze zone is verdeeld over het gebied zodat deze dicht bij de woningen gesitueerd is. Aan de achterzijde van de woningen is een strook vrij gehouden om onderhoud van de sloten mogelijk te maken en er de mogelijkheid is om met beplanting een groene overgang naar de omliggende percelen te bereiken. Alle groene erfafscheidingen die direct langs de omringende sloten liggen zullen daarom onderdeel uitmaken van deze groene overgangszone. Zone 3 – De landschappelijke zone De landschappelijk zone achter in het plangebied zal een inrichting krijgen die het leefgebied van de steenuil verbeterd en benut worden voor waterretentie. De strook waarin het regenwater geborgen wordt functioneert mede als ruimtelijke barrière naar de percelen aan de Peperstraat. Deze zone is, juist vanwege de aanwezigheid van de steenuil, niet toegankelijk voor recreanten of bedoeld als hondenuitlaatplaats. Via de regels en verbeelding wordt dit verankerd.
Figuur 1 3: Ver kave lingsplan
Woningbouwprogramma De regels van dit bestemmingsplan maken de bouw van maximaal 50 woningen mogelijk. Het hier opgenomen verkavelingsplan voorziet in 49 woningen. Deze woningen worden vooral ontwikkeld voor de woningzoekenden in Bruchem. Ze worden bij het plan betrokken om daarmee draagvlak te creëren. Het woningbouwprogramma wordt in overleg afgestemd op de behoefte en op de invulling van andere woningbouwlocaties in Bruchem. Er wordt gedacht aan het realiseren van een brede mix met eengezinswoningen, starterswoningen, nultredenwoningen (onder andere voor senioren), eenpersoonshuishoudens, bouwkavels en zorg. Hiervan is 70% voor de vrije sector bedoeld en 30% voor de sociale sector. Er komen sociale huurwoningen, betaalbare sociale koopwoningen, koopwoningen en vrije sector woningen, een en ander conform het Woningbehoefteonderzoek (zie paragraaf3.2). De fasering is afgestemd op de vraag vanuit de markt en geschiedt in overleg met de gemeente.
Pagina 25
Bestemmingsplan ‘Bruchem, Krangstraat (Veldzicht) tussen 3b en 7’
Verkeer en parkeren De langzaamverkeersroutes (figuur 14) lopen op formele en informele wijze door het plan heen en komen samen op één punt aan de Krangstraat waar een nieuw aan te leggen veilige voetgangersroute langs de Krangstraat naar de dorpskern leidt. De gemeente zal zich hiertoe inspannen, zoals blijkt uit krediet, beschikbaar gesteld door de gemeenteraad in juni 2019 in relatie tot dit nieuwbouwplan. Voor autoverkeer wordt het gebied met een inen uitritconstructie op één punt ontsloten op de Krangstraat. Voor de gehele woonbuurt zal een maximale snelheid van 30 km/u gelden.
Figuur 1 4: Ver keers onts luiting
Voor het parkeren (figuur 15) geldt de norm van 2 parkeerplaatsen per woning, ongeacht de woningtypologie. Met het totaal van maximaal 49 woningen dienen er zodoende tenminste 98 parkeerplekken voorzien te worden. Minimaal 15 parkeerplaatsen hiervan (0,3 parkeerplek per woning) dienen daarvan openbaar toegankelijk te zijn. In de hiernavolgende afbeelding wordt inzicht gegeven wat de parkeercapaciteit binnen het plan is en hoe deze verdeeld wordt over de buurt. De conclusie is dat er met 101 beschikbare parkeerplekken ruimschoots aan de vereiste 98 parkeerplekken voldaan kan worden. In de regels is de parkeernota vastgelegd, inclusief de eventuele rechtsopvolgers daarvan, conform het gemeentelijke parapluplan vanwege parkeren. Naar de parkeernormen wordt verwezen, waar met een goede motivering, bijvoorbeeld bij aaneengebouwde woningen, van kan worden afgeweken.
Pagina 26
Bestemmingsplan ‘Bruchem, Krangstraat (Veldzicht) tussen 3b en 7’
Figuur 1 5: Par keer balans
De Krangstraat vormt een verbindingsweg tussen Bruchem en Zaltbommel. De Krangstraat is gedeeltelijk buiten de bebouwde kom gelegen (erftoegangsweg 60 km/u) en ter hoogte van het plangebied ligt deze binnen de bebouwde kom (50 km/u). De wegbreedte ter hoogte van het plangebied is ongeveer 4,50m en de huidige verkeersintensiteit is ongeveer 1.300 motorvoertuigen per (werkdag)etmaal. Om te bepalen hoeveel verkeersbewegingen de woningen in het plan genereren, wordt gebruik gemaakt van CROW-publicatie 381 (toekomstbestendig parkeren). De locatie wordt getypeerd als "weinig stedelijk gebied" in "rest bebouwde kom". De verkeersgeneratie is gemiddeld 7,4 (tussenwoning) tot 8,2 (vrijstaande woning) motorvoertuigbewegingen per woning per etmaal (weekdag). Uitgaande van het huidige woningbouwprogramma is dit, omgerekend naar werkdagintensiteiten, afgerond 410 motorvoertuigbewegingen per etmaal. In relatie tot de functie van de weg en de huidige intensiteiten kan de Krangstraat het extra verkeer als gevolg van het plan prima verwerken. In algemene zin is op de Krangstraat de relatief hoge fietsintensiteit een aandachtspunt, mede omdat dit een schoolfietsroute is. In combinatie met het wegprofiel zonder fietsvoorzieningen, de ontsluitende functie voor gemotoriseerd verkeer en het gebruik door landbouwverkeer zorgt dit voor een verhoogde gevaarzetting voor fietsers.
De gemeente heeft in haar Masterplan Fietspaden deze problematiek erkend. Voor de Krangstraat is hierin de opgave opgenomen om te komen tot de aanleg van fietsstroken. Bij de Perspectiefnota wordt hiervoor een voorbereidingskrediet aangevraagd Openbare ruimte De openbare ruimte en infrastructuur dient conform het dan van toepassing zijnde Handboek inrichting openbare ruimte gemeente Zaltbommel ontworpen en uitgevoerd te worden. Daarbij zal specifieke aandacht worden besteed aan de speelvoorzieningen in het plangebied. Conform het handboek dient in het plangebied een speelgelegenheid met speeltoestellen te worden gerealiseerd met een oppervlakte van minimaal ca. 3% van het uitgeefbare oppervlak. In het plangebied dient zodoende een 273 m2 grote speelplek aangelegd te worden door initiatiefnemer met ongeveer 8 tot 10 speeltoestellen. Hiervoor wordt een apart inrichtingsplan/speelvoorzieningenplan opgesteld dat ter goedkeuring wordt voorgelegd aan de gemeente. Binnen één jaar na oplevering van de eerste woning(en) dient de speelvoorziening te zijn aangelegd. Pagina 27
Bestemmingsplan ‘Bruchem, Krangstraat (Veldzicht) tussen 3b en 7’
Met betrekking tot de beplanting in de openbare ruimte wordt speciaal rekening gehouden met het vergroten van de biodiversiteit en het implementeren van voorstellen uit de Bee Deal (bijvriendelijke plantsoenen, heesters en kruiden- en bloemenrijk grasland). Vanwege de aanwezigheid van een steenuilenpopulatie is er tevens extra aandacht voor het optimaliseren van het foerageergebied in de landschappelijke zone (zone 3). De steenuil houdt van veel variatie binnen zijn territorium. Het landschap dat hiertoe gecreëerd wordt heeft alle elementen om zoveel mogelijk prooi aan te trekken en past goed in het reeds aanwezige landschap van de omgeving Bruchem. De exacte inrichting van deze zone en de mate waarin het toegankelijk zal zijn, wordt beschreven in bijlage 8. Beeldkwaliteitplan Aanvullend op het welstandsbeleid is voor deze locatie een beeldkwaliteitplan opgesteld. Gelijktijdig met het bestemmingsplan, zal dit beeldkwaliteitplan worden vastgesteld zodat het juridische rechtskracht heeft bij aanvragen om omgevingsvergunning. Hierin is aandacht besteed aan de kwalitatieve borging van de vormgeving en uitstraling van de woningen, de erfafscheidingen en de inrichting van de buitenruimte (beplanting, verharding en straatmeubilair). Kortheidshalve wordt hiervoor verwezen naar bijlage 10. Het plan maakt integraal onderdeel uit van de planregels.
In dit plan wordt ook ingegaan op groene erfafscheidingen op hoekpercelen; ook privaatrechtelijk wordt dit waar mogelijk geborgd. En waar nodig wordt dit geborgd. in de bestemmingsplanregels. Dit geldt bijvoorbeeld ook voor het niet toestaan van rolluiken, daar dit de uitstraling van een woning danig beïnvloedt. Te allen tijde geldt overigens dat vergunningvrije regels door een beeldkwaliteitplan of privaatrechtelijke afspraken niet zonder meer opzij kunnen worden gezet. Duurzaamheid De Wet Voortgang Energietransitie (VET) is aangenomen. Hierdoor hoeft nieuwbouw vanaf 1 juli 2018 niet meer verplicht aangesloten te worden op aardgas. De initiatiefnemer en de gemeente Zaltbommel hebben afgesproken om de ontwikkeling gasloos te realiseren. Daarnaast dient er uiteraard voldaan te worden aan de technische eisen van het bouwbesluit (EPC-norm, isolatie, e.d.). Op het gebied van duurzaamheid is er geen vastgesteld gemeentelijk beleid. Het woningbouwprogramma bestaat uit een mix van projectmatig te realiseren woningen en woningen in de vrije sector. Voor de projectmatige woningen zal een flexibel en duurzaam woningconcept worden toegepast. Dit bouwconcept is 48 tot 60% circulair en levert een energieprestatie van EPC 0,4/BENG. Het kan zelfs gerealiseerd worden als energie-neutrale woningen en ‘nul op de meter’ woningen.
Duurzaamheid gaat echter niet enkel over de energieprestatie van de gebouwen. Ook de inrichting van de buitenruimte speelt hierbij een belangrijke rol. Zo dient in de nieuwe woonbuurt ernstige wateroverlast door hoosbuien of verdroging door langdurige hitte voorkomen te worden. Het plan voorziet in een overmaat aan capaciteit om regenwater (tijdelijk) te bergen, zie paragraaf ‘4.3 Water’. Het regenwater wordt zoveel mogelijk oppervlakkig afgevoerd en deels door middel van greppels naar een wadi en paddenpoel in het achterterrein gevoerd. Het bergend vermogen van deze greppels is bovendien niet meegenomen in de berekening van de waterretentie waardoor de feitelijke capaciteit nog hoger ligt. Om te zorgen dat deze wadi een functie krijgt voor watergebonden dieren als padden en kikkers wordt deze wadi gedeeltelijk verdiept tot minimaal 0,6 meter onder de laagste waterstand (nazomerstand). De wadi heeft flauwe oevers met een talud van 1:6. De oevers bieden schuil-, migratie- en paargelegenheid voor verscheidene watergebonden dieren. In combinatie met een houtopstand of ruige begroeïng biedt dit geschikt voortplantings- én landhabitat voor amfibieën. Om verlanding te voorkomen dient de poel af en toe uitgebaggerd te worden. De oeverranden worden gelijk met de wadi beheerd zoals het overige graslandschap.
Ook voor de paddenpoel wordt een diepte van 0,6 meter aanbevolen om het aanbod aanwezige prooidieren te vergroten. Flauwe oevers zorgen ervoor dat een steenuil kan drinken zonder in het water te vallen. Mocht een onervaren steenuil in het water komen, kan deze via de flauwe overs op land klimmen. De openbare ruimte krijgt daarbij een natuurlijke inrichting die de biodiversiteit sterk zal vergroten. Dit mede naar aanleiding van de inrichtingsmaatregelen die genomen dienen te worden om het gebied beter geschikt te maken als foerageergebied voor de aanwezige steenuilenpopulatie. Veel van deze maatregelen overlappen met de adviezen voor natuurinclusief bouwen: het toepassen van natuurlijke oevers en het aanplanten van geschikte bomen, hagen, heesters, bloemen en kruiden. Daarmee zal dit plan voorzien in een hoge ambitie op het gebied van duurzaamheid, passend bij de huidige tijd en de duurzaamheid-en klimaatdoelstellingen die Nederland heeft. Pagina 28
Bestemmingsplan ‘Bruchem, Krangstraat (Veldzicht) tussen 3b en 7’
HOOFDSTUK 4 SECTORALE ASPECTEN, KWALITEIT VAN DE LEEFOMGEVING 4.1
Bodem
Het landelijk beleid gaat uit van het principe dat de bodem geschikt dient te zijn voor de beoogde functie. Met andere woorden, de bodemkwaliteit mag geen onaanvaardbaar risico opleveren voor de gebruikers van de bodem. De gewenste functie bepaalt als het ware de gewenste bodemkwaliteit. Voor alle bestemmingen waar een functiewijziging of herinrichting wordt voorzien, dient de bodemkwaliteit door middel van een bodemonderzoek in beeld te worden gebracht. Wettelijk is bepaald dat een omgevingsvergunningplichtig bouwwerk niet mag worden gebouwd op een zodanig verontreinigd terrein, dat schade of gevaar is te verwachten voor de gezondheid van de gebruikers of het milieu. De bodemtoets moet worden uitgevoerd bij het wijzigen of opstellen van een bestemmingsplan of afwijkingsbesluit. Bij grond afvoer en grondverzet vanaf het plangebied naar elders treden de regels van het Besluit bodemkwaliteit in werking. Deze regels wijken af van de voor het rapport gehanteerde regels van de Wet Bodembescherming. De uiteindelijke beslissing met betrekking tot de functionele geschiktheid van de bodem voor de beoogde doelstelling is strikt voorbehouden aan het bevoegd gezag. Er is een onderzoek uitgevoerd augustus 2017 , bijlage 3. Een onderzoek uit 2007 is niet meer geldig.
Op de diverse (deel)locaties zijn in de grond en het grondwater maximaal licht verhoogde gehalten aangetoond voor de NEN-parameters en/of bestrijdingsmiddelen. De index van 0,5 wordt hierbij niet overschreden en/of benaderd, waardoor geen nader onderzoek en/of sanerende maatregelen noodzakelijk zijn. Uit de resultaten van het waterbodemonderzoek blijkt dat de baggerspecie in de watergangen van verspreidbaar is op het naastgelegen perceel. Ter plaatse van de puinverharding achter op het perceel van het erf is sprake van een ernstige asbestverontreiniging die niet spoedeisend is. Op basis van het nader onderzoek kan worden gesteld dat verontreiniging enkel in de puinverharding aanwezig is en niet in de grond. De asbesthoudende puinverharding heeft een oppervlakte van circa 600 m2 en een gemiddelde laagdikte van circa 0,5 meter. Derhalve wordt de omvang van de ernstige verontreiniging met asbest geschat op circa 300 m3. In verband met de ernstige verontreiniging met asbest in de puinhoudende verharding dient in ieder geval ter plaatse herontwikkelingslocatie en ten behoeve van de noodzakelijke civieltechnische werkzaamheden sanerende maatregelen te worden uitgevoerd.
De sanerende maatregelen dienen plaats te vinden conform de beoordelingsrichtlijnen SIKB 6000 “Milieukundige begeleiding van (water)bodemsanering en nazorg” en SIKB 7000 “Uitvoering van (water)bodemsaneringen en ingrepen in de waterbodem”. Voorafgaand aan de sanering dient een plan van aanpak en/of een melding conform Besluit asbestwegen te worden ingediend bij het bevoegd gezag. Het overig deel van de puinverharding die aanwezig is op de onderzoekslocatie is niet verontreinigd met asbest (gehalten < 100 mg/kg d.s.). Wel kunnen in deze verharding nog asbesthoudende materialen aanwezig zijn. Hoewel hiertoe geen verplichting bestaat, is besloten deze ook te verwijderen. Aangezien het puin nog asbesthoudende materialen kan bevatten wordt geadviseerd deze afvalstroom tevens aan te bieden bij een erkende verwerker. Voor hergebruik van de vrijkomende grond van het overig terrein (licht verhoogde gehalten) buiten de onderzoekslocatie dient, indien van toepassing, voor de afvoer van de grond een keuring conform het Besluit bodemkwaliteit te worden uitgevoerd, alvorens een toepassingslocatie kan worden geselecteerd. Er zal sprake zijn van een gesloten grondbalans.
4.2
Archeologie en cultuurhistorie
Archeologie In Europees verband is het zogenaamde ‘Verdrag van Malta’ tot stand gekomen. Uitgangspunt van dit verdrag is het archeologisch erfgoed zo veel mogelijk in situ te behouden. Waar dit niet mogelijk is, dient het bodemarchief met zorg ontsloten te worden. Bij het ontwikkelen van ruimtelijk beleid moet het archeologisch belang vanaf het begin meewegen in de besluitvorming. Om dit meewegen te laten plaatsvinden wordt, naast de in ontwikkeling zijnde regelgeving en beleid, een economische factor toegevoegd. De kosten voor het zorgvuldig omgaan met het bodemarchief, dus de kosten voor inventarisatie, (voor)onderzoeken, bodemonderzoek en documentatie, worden door de initiatiefnemer betaald. Pagina 29
Bestemmingsplan ‘Bruchem, Krangstraat (Veldzicht) tussen 3b en 7’
Op 1 januari 2007 is de Wet op de Archeologische Monumentenzorg in werking getreden. De uitgangspunten van het Verdrag van Malta worden hiermee in de Nederlandse wetgeving geïmplementeerd. Sinds 2007 zijn gemeenten wettelijk belast met de zorgplicht voor het archeologisch erfgoed. Dat wil zeggen dat men rekening dient te houden met de in de bodem aanwezige, dan wel te verwachten archeologische resten. In het kader van een goede ruimtelijke ordening in relatie tot de Monumentenwet kan vooronderzoek naar mogelijke waarden nodig zijn. Is de verwachting dat er archeologisch waardevolle zaken aanwezig kunnen zijn , dan is vooronderzoek nodig. Op 7 juli 2011 heeft de gemeenteraad van Zaltbommel een archeologische inventarisatie en archeologiebeleid met een bijbehorende kaart vastgesteld. Hierin zijn onder meer vrijstellingsgrenzen voor oppervlakten en diepten opgenomen. Het gemeentelijk beleid is op 1 september 2011 in werking getreden. De reden voor het vaststellen van het beleid is het voorkomen van onnodig onderzoek en slechts voor de gebieden waar archeologische waarden te verwachten zijn, wel te besluiten tot nader onderzoek (en alleen als de ontwikkeling de beide vrijstellingsgrenzen overschrijdt). Het bovengenoemde beleid is vertaald in dit bestemmingsplan. Op de archeologische vindplaatsenen verwachtingskaart zijn alle archeologische onderzoeken en vondstmeldingen verwerkt.
Verder is deze kaart op bureauonderzoek gebaseerd. Met betrekking tot bodemkundige en geologische gegevens is gebleken dat voor de gemeente Zaltbommel de zanddieptekaarten van het Gelders Rivierengebied het beste uitgangsmateriaal vormden. De kaarten beslaan namelijk het gehele oppervlak van de gemeente en ze zijn gebaseerd op grootschalige veldonderzoeken die specifiek zijn gericht op het in kaart brengen van de ontstaansgeschiedenis van het landschap. Aan de hand van het Actueel Hoogtebestand Nederland is een verdere detaillering in de begrenzing van het onderzoeksgebied gemaakt. De archeologische vindplaatsen- en verwachtingskaart gaat uit van een intact landschap met gave bodemprofielen. In werkelijkheid zijn grote delen van het gebied in meer of mindere mate verstoord door allerlei bodemtechnische ingrepen in het verleden. De mate van deze verstoringen en het effect ervan op de archeologische resten in het gebied zijn globaal bekend. De archeologische vindplaatsen- en verwachtingskaart doet dan ook globaal uitspraken over de mate van bodemverstoring, maar doet geen uitspraken over de gaafheid van te verwachten archeologische resten. Als een initiatiefnemer kan aantonen dat het terrein diepgaand is verstoord, geldt voor het verstoorde deel geen onderzoeksverplichting.
Figuur 1 6: Bele ids kaar t
Op de beleidskaart is de planlocatie grotendeels geduid met waarde archeologie 3. Op de verwachtingenkaart (figuur 17) is het gebied geduid als vroege middeleeuwen en oeverzon.
Pagina 30
Bestemmingsplan ‘Bruchem, Krangstraat (Veldzicht) tussen 3b en 7’
Figuur 1 7: Arche ologisc he v indplaatse n en verwac htinge n
Op grond van de resultaten van het archeologisch bureauonderzoek en inventariserend verkennend veldonderzoek van ADC uit februari 2006 (bijlage 2) behoeft geen aanvullend archeologisch onderzoek uitgevoerd te worden, mits de bodem aan de noordwestelijke zijde niet dieper dan 3 meter wordt omgezet. Op 8 mei 2013 is op basis van dit onderzoek een Selectiebesluit Archeologische Monumentenzorg opgesteld. Dit besluit is aan bijlage 2 toegevoegd. Omdat niet aannemelijk is gemaakt dat er daadwerkelijk archeologische indicatoren aanwezig zijn, is het terrein vrijgegeven. Dit geldt niet voor de conserverende bestemming voor Krangstraat 3c. Daar blijft de archeologische bestemming op het perceel rusten. Indien bij de uitvoering van de werkzaamheden onverwacht toch archeologische resten worden aangetroffen, dan is conform artikel 5.10 en 5.11 van de Erfgoedwet aanmelding van de desbetreffende vondsten bij Onze Minister c.q. de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed, namens deze de gemeente Zaltbommel, verplicht. Cultuurhistorie Sinds 1 januari 2012 is artikel 3.1.6 Bro gewijzigd en verdient cultuurhistorie nadrukkelijk aandacht in een bestemmingsplan. De wet- en regelgeving op rijksniveau rondom cultureel erfgoed is vastgelegd in de Erfgoedwet uit 2016. Het is het belangrijkste sectorale instrument voor de bescherming van cultureel erfgoed.
In de Erfgoedwet is geregeld hoe monumenten aangewezen kunnen worden als beschermd monument. De wet heeft betrekking op gebouwen en objecten, stads- en dorpsgezichten, archeologische waarden en op het uitvoeren van archeologisch onderzoek. De locatie is genomineerd voor de werelderfgoedlijst, als Hollandse Waterlinie. Menselijke ingrepen hebben voor kenmerkende en waardevolle cultuurhistorische waarden gezorgd. In de gemeente Zaltbommel zijn waardevolle elementen aanwezig die een natuurlijke geschiedenis hebben en die een door de mens gevormde geschiedenis hebben. De gemeente Zaltbommel heeft een cultuurhistorische inventarisatie uitgevoerd naar zowel waardevolle structuren, gebieden en dorpsgezichten als afzonderlijke elementen. Dat heeft geresulteerd in een inventarisatiekaart die op 7 juli 2011 door de gemeenteraad is vastgesteld. Belangrijke cultuurhistorische waarden zijn: • de aan de rivieren gerelateerde oeverwallen met bebouwingsstructuren; • de wetering Capreton; • de Nieuwe Hollandse Waterlinie; • rijksbeschermde stads- en dorpsgezichten (Zaltbommel en Bruchem-Zuid); • gemeentelijk beschermd dorpsgezicht (Gameren); • gemeentelijke en rijksmonumenten en • historische buitenplaatsen (Huis Brakel). Pagina 31
Bestemmingsplan ‘Bruchem, Krangstraat (Veldzicht) tussen 3b en 7’
De planlocatie is een oude ontginning op afwisselend nat-droge stroomruggen, een bestaande kade. Onderstaand een uitsnede van de provinciale cultuurhistorische waardenkaart. Het versterken van de regionale identiteit en eigenheid van Gelderland is een ambitie uit het uitvoeringsprogramma Cultuur & Erfgoed. Het kaartbeeld geeft geen totaalbeeld van al het erfgoed dat Gelderland rijk is, maar is een weergave van de identiteiten waarmee Gelderland zich onderscheidt van andere provincies. Het erfgoed is weergegeven in objecten, lijnelementen en landschappen (figuur 18).
Figuur 1 8: Prov inc iale c ultuur historische waarde nkaart
Figuur 1 9: C ultuur his torisc he inventar is atiekaart gemee nte
Pagina 32
Bestemmingsplan ‘Bruchem, Krangstraat (Veldzicht) tussen 3b en 7’
Ook op de gemeentelijke cultuurhistorische kaart (figuur 19) zijn er voor de locatie geen belemmerende aandachtspunten.
4.3
Water
Water en ruimtelijke ordening hebben met elkaar te maken. Enerzijds is water één van de sturende principes in de ruimtelijke ordening en kan daarmee beperkingen opleggen aan het ruimtegebruik. Anderzijds kunnen ontwikkelingen in het ruimtegebruik ongewenste effecten hebben op de waterhuishouding. Een goede afstemming tussen beiden is derhalve noodzakelijk om problemen, zoals wateroverlast, slechte waterkwaliteit, verdroging te voorkomen. Volgens het Bro is een watertoets in ruimtelijke plannen verplicht. De initiatiefnemer dient in een vroeg stadium overleg te voeren met de waterbeheerder over een ruimtelijk planvoornemen. Hiermee wordt voorkomen dat ruimtelijke ontwikkelingen in strijd zijn met duurzaam waterbeheer. Het plangebied ligt binnen het beheergebied van Waterschap Rivierenland, verantwoordelijk voor het waterkwantiteits- en waterkwaliteitsbeheer. Bij het tot stand komen van de beoogde ontwikkeling wordt overlegd gevoerd met de waterbeheerder over deze waterparagraaf. De opmerkingen van de waterbeheerder worden vervolgens verwerkt in deze waterparagraaf. Beleid duurzaam stedelijk waterbeheer Op verschillende bestuursniveaus zijn de afgelopen jaren beleidsnota's verschenen aangaande de waterhuishouding, allen met als doel een duurzaam waterbeheer (kwalitatief en kwantitatief).
Deze paragraaf geeft een overzicht van de voor het plangebied relevante nota's, waarbij het waterschapsbeleid en het gemeentelijk beleid nader worden behandeld. Kaderrichtlijn Water (KRW) De Europese Kaderrichtlijn Water (KRW) geeft een kader voor de bescherming van de ecologische en chemische kwaliteit van oppervlaktewater en grondwater. Zo dienen alle waterlichamen in 2015 een ‘goede ecologische toestand’ (GET) te hebben bereikt en dienen sterk veranderende c.q. kunstmatige wateren in 2015 een ‘goed ecologisch potentieel’ (GEP) te hebben bereikt. De chemische toestand dient in 2015 voor alle wateren (natuurlijk en kunstmatig) goed te zijn. Waterbeheer 21e eeuw (WB21) In september 2000 heeft de commissie Waterbeheer 21e eeuw advies uitgebracht over het toekomstig waterbeheer in Nederland. Belangrijk onderdeel van WB21 is het uitgangspunt van ruimte voor water. Er mag geen afwenteling plaatsvinden. Berging moet binnen het stroomgebied plaatsvinden. Dit betekent onder andere het aanwijzen en in stand houden van waterbergingsgebieden. Daarnaast wordt verdroging bestreden en worden watertekorten verminderd. Nationaal Waterplan (NWP) Het Nationaal Waterplan (NWP) is het rijksplan voor het waterbeleid voor de periode 2016-2021.
Dit nieuwe Nationaal Waterplan geeft de hoofdlijnen, principes en richting van het nationale waterbeleid in de planperiode 2016-2021, met een vooruitblik richting 2050. Het kabinet speelt proactief in op de verwachte klimaatveranderingen op lange termijn, om overstromingen te voorkomen. Binnen de planperiode gaan realistische maatregelen in uitvoering die een antwoord bieden op de opgaven voor de korte termijn en voldoende mogelijkheden openlaten om op langere termijn verdere stappen te zetten. Het kabinet sluit daarmee aan bij de resultaten van het Deltaprogramma. Met deze handelwijze is Nederland koploper en toonaangevend voorbeeld in de wereld. Met dit Nationaal Waterplan zet het kabinet een volgende ambitieuze stap in het robuust en toekomstgericht inrichten van ons watersysteem, gericht op een goede bescherming tegen overstromingen, het voorkomen van wateroverlast en droogte en het bereiken van een goede waterkwaliteit en een gezond ecosysteem als basis voor welzijn en welvaart. Het kabinet streeft naar een integrale benadering, door natuur, scheepvaart, landbouw, energie, wonen, recreatie, cultureel erfgoed en economie (inclusief verdienvermogen) zo veel mogelijk in samenhang met de wateropgaven te ontwikkelen. De ambitie is dat overheden, bedrijven en burgers zich in 2021 meer bewust zijn van de kansen en bedreigingen van het water in hun omgeving.
Iedereen neemt zijn eigen verantwoordelijkheid om samen te komen tot een waterrobuuste ruimtelijke inrichting, het beperken van overlast en rampen en verstandig handelen in extreme situaties. Het waterveiligheidsbeleid in het rivierengebied berust op twee pijlers: rivierverruiming en dijkversterking.
Pagina 33
Bestemmingsplan ‘Bruchem, Krangstraat (Veldzicht) tussen 3b en 7’
Nationaal Bestuursakkoord Water (NBW) In de aard en omvang van de nationale waterproblematiek doen zich structurele veranderingen voor. Klimaatveranderingen, zeespiegelstijging, bodemdaling en verstedelijking maken een nieuwe aanpak in het waterbeleid noodzakelijk. In februari 2001 sloten daarom Rijk, Interprovinciaal Overleg, Unie van Waterschappen en Vereniging van Nederlandse Gemeenten de Startovereenkomst Waterbeleid 21e eeuw. Daarmee werd de eerste stap gezet in het tot stand brengen van de noodzakelijke gemeenschappelijke aanpak. Twee jaar later worden de resultaten van die samenwerking en van voortschrijdende kennis en inzicht neergelegd in dit Nationaal Bestuursakkoord Water (NBW). Het NBW-actueel 2008 is een actualisatie van het NBB uit 2003. Met dit NBW akkoord leggen de overheden vast op welke wijze, met welke middelen en langs welk tijdspad zij gezamenlijk de grote wateropgave voor Nederland in de 21e eeuw willen aanpakken. Het akkoord benadrukt de gezamenlijke verantwoordelijkheid voor het op orde krijgen en houden van het totale watersysteem. Het geeft aan welke instrumenten ingezet worden om de opgave te realiseren, welke taken en verantwoordelijkheden iedere partij daarbij heeft en hoe partijen elkaar in staat willen stellen hun taken uit te voeren.
Waterwet De Waterwet van 22 december 2009 vervangt een aantal bestaande wetten, zoals het Waterbeleid 21e eeuw en de Kaderrichtlijn Water, op het gebied van waterbeheer. De Waterwet is gericht op integraal waterbeheer, met de doelstelling voorkoming en waar nodig beperking van overstromingen, wateroverlast en waterschaarste in samenhang met bescherming en verbetering van de chemische en ecologische kwaliteit van watersystemen en vervulling van maatschappelijke functies van watersystemen. Provinciaal Waterplan 2016-2021. De hoofdzaken van het provinciaal beleid voor water zijn gericht op een veerkrachtig en duurzaam water- en bodemsysteem. Dit systeem bestaat uit bodem en ondergrond, grondwater en oppervlaktewater en is duurzaam als het ook in de toekomst kan blijven functioneren en in stand kan worden gehouden tegen maatschappelijk aanvaardbare kosten. De provincie onderschrijft de ambitie van de Europese Kaderrichtlijn Water dat uiterlijk in 2027 het grond- en oppervlaktewater in Europa schoon en ecologisch gezond moet zijn en dat er voldoende water is voor duurzaam gebruik en voert deze uit. De beschermde gebieden voor grondwater, waterberging, de Kaderrichtlijn Water en Natura 2000 zijn leidend bij de uitwerking van dit beleid in programma’s of in kaders in de verordening.
Er worden condities gesteld voor effectief en zuinig gebruik van drinkwater, speciale waterecologie (Hoogst Ecologisch Niveau wateren en Specifiek Ecologische Doelstelling wateren), (grond)waterafhankelijke landnatuur plus de beschermingszones natte landnatuur en grondwateronttrekkingen voor drinkwater en industrie, groter dan 150.000 m3/jaar. De provincie stelt via uitvoerend beleid de doelen voor de regionale wateren voor de Kaderrichtlijn Water vast en geeft daarbij ook invulling aan de voorzieningenniveaus. Met de Gelderse waterschappen en de landbouw geeft de provincie invulling aan het vasthouden van water in de bodem, het grondwater en de haarvaten van het watersysteem. Bescherming tegen overstromingen vindt primair plaats op basis van preventie, waar nodig aangevuld met maatregelen in de ruimtelijke ordening en evacuatie. Deze bescherming gebeurt bij voorkeur in combinatie met het ontwikkelen en versterken van karakteristieke riviernatuur in Natura 2000-gebieden. Regionaal Waterprogramma Gelderland De provincie is vanuit diverse invalshoeken betrokken bij het thema water: vanuit de provinciale rol op het gebied van water en ondergrond, drinkwater, waterveiligheid en wateroverlast, natuur, waterkwaliteit en diverse gebruiksfuncties. In dit plan wordt dat nader uitgewerkt. De Omgevingsvisie Gaaf Gelderland, is in de geest van de nieuwe Omgevingswet ingevuld.
In het verlengde daarvan wordt deze visie op hoofdlijnen aangevuld met een detaillering van het beleid in dit waterprogramma. De visie en het waterprogramma vormen samen ‘het beleid’. De ambitie is de komende jaren toe te werken naar een programma, dat vanuit raakvlakken in het provinciale beleid, bijvoorbeeld vanuit urgenties op gebiedsniveau, is ingevuld. Naar analogie van wat gezegd wordt in de Omgevingsvisie Gaaf Gelderland: het gaat om het vinden van synergie, samenhang en uitruilmogelijkheden, om Gelderland ook in de toekomst gaaf te houden. Raakvlakken worden in elk geval voorzien tussen water en de beleidsterreinen van bodembeheer, natuur-/ soortenbescherming, Natura 2000, klimaatadaptatie en met de programma’s van gebiedsontwikkeling Waar en hoe, wordt de komende jaren onderzocht, met de ambitie dit concreet te maken in programma(‘s) onder de nieuwe Omgevingswet. Zo staat Gelderland gesteld voor de toekomst. Dit waterprogramma is daarvoor een begin. Het bevat geen nieuw beleid, maar is een voortzetting van het bestaande waterbeleid. Pagina 34
Bestemmingsplan ‘Bruchem, Krangstraat (Veldzicht) tussen 3b en 7’
Waterschapsbeleid Met het Waterbeheerprogramma 2016-2021 'Koers houden, kansen benutten' blijft het waterschap Rivierenland op koers om het rivierengebied veilig te houden tegen overstromingen, om voldoende schoon water te hebben en om het afvalwater effectief te zuiveren. Hiermee trekt het Waterschap Rivierenland de lijn door van het vorige waterbeheerplan. Bij de uitvoering van het programma beweegt het waterschap mee met veranderingen en benutten zij de kansen die zich voordoen in de regio. Om inhoudelijke ambities te bereiken ligt het accent in de periode 2016-2021 onder meer op: • Gebiedsgericht werken; • Waterbewustzijn; • Innovatie. Het waterbeheerprogramma is het centrale beleidsdocument van het waterschap. Het programma biedt houvast voor bestuurders en ambtenaren. De doelen en maatregelen in het waterbeheerprogramma zijn opgesteld samen met provincies, gemeenten en andere partijen. Het waterschap houdt rekening met provinciale functies en werkt mee aan het realiseren van provinciale doelen. Het Waterbeheerprogramma 2016-2021 Koers houden, kansen benutten is bepalend voor het waterbeleid. Dit plan gaat over het waterbeheer in het hele rivierengebied en het omvat alle watertaken van het waterschap: waterkeringen, waterkwantiteit, waterkwaliteit en waterketen. Daarnaast beschikt het Waterschap Rivierenland over een verordening: de Keur voor waterkeringen en wateren.
Hierin staan de geboden en verboden die betrekking hebben op watergangen en waterkeringen. Voor het uitvoeren van werkzaamheden kan een vergunning nodig zijn. De werkzaamheden in of nabij de watergangen en waterkeringen worden getoetst aan de beleidsregels. Water- en rioleringsplan Bommelerwaard 2017-2021 Het WRP is hét overkoepelend beleidsplan waarin de gemeente de ambities rondom riolering en water verwoorden. De bekostiging van de maatregelen hiervoor wordt geborgd in het uitvoeringsprogramma. Bij dit WRP zet de gemeente de werkwijze van het WRP 2012-2016 voort. Een resultaatgerichte methodiek wordt gehanteerd waarbij op basis van beelden en keuzes beleid is vastgelegd. Het beleidskader richt zich op de kenmerken veilig, functioneel, heel en schoon. Het beleidskader voor de gemeentelijke watertaken bestaat uit vier onderdelen, stedelijk afvalwater, hemelwater, grondwater en oppervlaktewater. De eerste drie onderdelen corresponderen met de drie wettelijke zorgplichten van de gemeente. Het vierde onderdeel is een gemeenschappelijke taak van gemeenten en waterschap voor schoon en voldoende water (in lijn met de Waterschapswet en Waterwet). Bij het bepalen van de ambitie, kunnen drie kwaliteitsniveaus worden gebruikt, met elk een eigen prijskaartje. Gekozen is voor de basis-ambitie ten aanzien van stedelijk afvalwater, hemelwater, grondwater en oppervlaktewater.
Keur Waterschap Rivierenland 2014 Het waterschap is verantwoordelijk voor het waterbeheer (waterkwaliteit en –kwaliteit) binnen het plangebied. Voor waterhuishoudkundige ingrepen is de Keur van toepassing. De Keur is een waterschapsverordening die gebods- en verbodsbepalingen bevat met betrekking tot ingrepen die consequenties hebben voor de waterhuishouding en het waterbeheer. Zo mag men bijvoorbeeld geen hemelwater, afkomstig van nieuw verhard oppervlak, op een oppervlaktewaterlichaam lozen. Als er veel extra verharding bijkomt, moet er waterneutraal worden gewerkt; er moet gecompenseerd worden door bijvoorbeeld extra bergingscapaciteit. Er is sprake van A-, B- en C-watergangen incl. beschermingszones in of nabij het gebied. Gezien de omvang van het plan en daarbij verwachte toename in verhard oppervlak dient deze gecompenseerd te worden in de vorm van waterberging (figuur 20). Er zal een voorwaardelijke plicht worden opgenomen voor het realiseren van een waterberging van minimaal 813 m3. Bij de uitvoering van de wadi en poel wordt rekening gehouden met het voorkomen van verdrinking door de steenuil.
Pagina 35
Bestemmingsplan ‘Bruchem, Krangstraat (Veldzicht) tussen 3b en 7’
Figuur 2 0: I npass ing w ater ber ging
Uit de watertoets van 16 maart 2020 (bijlage 6) blijkt dat bij de planuitwerking water expliciet en op evenwichtige wijze in beschouwing wordt genomen. Hiermee wordt hemelwater op een duurzame wijze verwerkt. Op basis van de randvoorwaarden en uitgangspunten is de ontwikkeling dan ook in zowel ruimte als tijd waterneutraal uit te voeren. Er worden dan ook vanuit het oogpunt van de waterhuishouding geen belemmering verwacht ten aanzien van de bestemmingswijziging en de uitvoering van het plan. Er komt een berging van 845 m3. Tijdig wordt een watervergunning aangevraagd volgens de keur nu er nabij de watergangen werkzaamheden plaatsvinden. Over het plan is in februari 2020 vooroverleg geweest met het waterschap. Het plan is, vanwege de hoogteligging, ook afgestemd met de bewoners van Krangstaat 5.
4.4
Geluidhinder
Sinds 1 januari 2007 is de Wet geluidhinder (Wgh) van kracht. Geluidsgevoelige ontwikkelingen moeten aan deze wet worden getoetst. In de Wgh is bepaald dat de geluidsbelasting als gevolg van wegverkeerslawaai, spoorweglawaai en/of industrielawaai op de gevels van (andere) geluidsgevoelige gebouwen getoetst moet worden aan de in de Wgh opgenomen (voorkeurs)grenswaarden. In een 30 km/uur-gebied kan toetsing veelal achterwege blijven. De Krangstraat is een 50 km/uur-weg. Voor dit plan is een geluidsonderzoek uitgevoerd, bijlage 4, d.d. 13 maart 2020 waaruit blijkt dat voor één woning in blok 5 aan de Krangstraat een ontheffing hogere grenswaarden aan het college van burgemeester en wethouders moet worden gevraagd. Bron- en overdrachtsmaatregelen zijn niet doelmatig. Deze woning is op een afstand van de weg gesitueerd die overeenkomt met reeds bestaande bebouwing aan de Krangstraat en voegt zich daarmee in het heersende stedenbouwkundige beeld aan deze weg. Door de overige bouwblokken die gericht zijn op de Krangstraat verder naar achteren te plaatsen, wordt de gewenste stedenbouwkundige situatie gecreëerd dat geïnspireerd is op een boerenerf. Hierbij kennen de verschillende gebouwen een hiërarchie door afwisseling in rooilijn en bouwvolume. De geluidsbelasting is met 50 dB hoger dan de waarde van 48 dB maar lager dan de ontheffingswaarde van 63dB.
Deze ontheffing moet zijn verleend voordat de gemeenteraad een besluit neemt omtrent vaststelling van het bestemmingsplan. Het ontwerpbesluit tot ontheffing kan gelijktijdig terinzage met het ontwerpbestemmingsplan. Pagina 36
Bestemmingsplan ‘Bruchem, Krangstraat (Veldzicht) tussen 3b en 7’
4.5
Luchtkwaliteit
Doel van de Wet luchtkwaliteit 2007 is het verbeteren van de luchtkwaliteit waarbij gewenste ruimtelijke ontwikkelingen doorgang kunnen vinden. In deze wet is de Europese richtlijn luchtkwaliteit geïmplementeerd. Voor luchtkwaliteit is stikstofdioxide het meest maatgevend. Daarnaast zijn ook de concentraties van fijn stof van belang. Het Besluit niet in betekenende mate bijdragen (AmvB), verder te noemen het Besluit NIBM, legt vast wanneer een project niet in betekenende mate bijdraagt aan de concentratie van een bepaalde stof en daarmee geen verdere toetsing nodig is. De Ministeriële Regeling, verder aan te duiden als de Regeling NIBM, geeft voor een aantal categorieën van projecten een (getalsmatige) invulling aan de NIBM-grens. Het gaat onder meer om woningbouw- en kantoorprojecten en enkele soorten van inrichtingen (bijvoorbeeld emplacementen, kassen en andere landbouwinrichtingen). Een project is NIBM als aannemelijk is dat het project een toename van de concentratie veroorzaakt van maximaal 3% van de grenswaarde voor het jaargemiddelde concentratie van fijn stof en stikstofdioxide. Dit komt overeen met 1,2 μg/m³ voor zowel fijn stof als stikstofdioxide. Voor woningbouw aan één ontsluitingsweg is een grens van 1500 woningen bepaald. Het project ligt heel ver onder deze grens. Het project leidt dus ‘niet in betekenende mate’ tot een verslechtering van de luchtkwaliteit.
Onderdeel van de Wet luchtkwaliteit is niet alleen het Besluit NIBM maar ook het Besluit gevoelige bestemmingen. De grootste bron van luchtverontreiniging in Nederland is het wegverkeer. Het besluit legt aan weerszijden van rijkswegen en provinciale wegen zones vast. Bij rijkswegen is deze zone 300 meter, bij provinciale wegen 50 meter. Bij realisatie van 'gevoelige bestemmingen' binnen deze zones is toetsing aan de grenswaarden die genoemd zijn in de Wet luchtkwaliteit nodig. Dit besluit is opgesteld om mensen die extra gevoelig zijn voor een matige luchtkwaliteit aanvullend te beschermen. Deze 'gevoelige bestemmingen' zijn scholen, kinderdagverblijven en verzorgings-, verpleeg- en bejaardentehuizen. Woningen en ziekenhuizen/klinieken zijn geen gevoelige bestemmingen als bedoeld in dit besluit. Bovendien ligt de planlocatie niet binnen een dergelijke zone. Worst-case berekening voor de bijdrage van het extra verkeer als gevolg van een plan op de luchtkwaliteit Jaar van planrealisatie
2020
Extra voertuigbewegingen (weekdaggemiddelde) Aandeel vrachtverkeer NO2 in μg/m3 PM10 in μg/m3
392 0,0% 0,32 0,06 1,2
Extra verkeer als gevolg van het plan
Maximale bijdrage extra verkeer Grens voor "Niet In Betekenende Mate" in μg/m3
Conclusie: De bijdrage van het extra verkeer is niet in betekenende mate: geen nader onderzoek nodig.
Op de website van het milieu- en natuurplanbureau zijn grootschalige concentratiekaarten (GCN-kaarten, Atlas Leefomgeving) van luchtverontreinigende stoffen opgenomen. De kaarten (figuur 21 en 22) geven een beeld van de luchtkwaliteit in Nederland en hebben betrekking op zowel recente als toekomstige jaren. Voor het jaar 2017 is de achtergrondconcentratie in het projectgebied voor stikstofdioxide 20 μg/m3 en voor fijn stof is dit 21 μg/m3. De grenswaarden zijn in 2020 voor stikstofdioxide 40 μg/m3 en voor fijn stof 40 μg/m3. Dit betekent dat de achtergrondconcentraties ver onder de normen blijven. Een en ander betekent dat een luchtkwaliteitsonderzoek niet noodzakelijk is en dat dit aspect geen belemmering vormt voor de voorgestane ontwikkeling.
Pagina 37
Bestemmingsplan ‘Bruchem, Krangstraat (Veldzicht) tussen 3b en 7’
Figuur 2 1: Fijns tof 2017
Figuur 2 2: Stiks tofdioxide 201 7
Pagina 38
Bestemmingsplan ‘Bruchem, Krangstraat (Veldzicht) tussen 3b en 7’
4.6
Externe veiligheid
Beleidsvisie Gemeente Zaltbommel Met de beleidsvisie externe veiligheid van 28 november 2013 geeft de Gemeente Zaltbommel haar visie op de beheersing van veiligheidsrisico’s. De gemeente Zaltbommel hanteert de onderstaande ambities bij nieuwe situaties in de omgeving van aanwezige risicobronnen en bij nieuwe risicobronnen. 1. Provinciale en gemeentelijke wegen binnen de gemeente worden niet beschouwd als relevante transportroutes voor het vervoer van gevaarlijke stoffen. 2. Een risicobedrijf, dat vergelijkbaar is met een Bevi-inrichting, en de omgeving daarvan worden op een gelijke wijze behandeld als een Bevi-inrichting en haar omgeving. Vergelijkbare risicobedrijven zijn bijvoorbeeld een LNG-tankstation of een mijnbouwinrichting voor gaswinning. 3. Een specialist externe veiligheid en de Veiligheidsregio Gelderland-Zuid worden vroegtijdig betrokken bij een ruimtelijk besluit voor een plangebied dat ligt in de in deze visie vastgestelde zones. 4. Een standaard verantwoordingstekst mag worden gebruikt bij een ruimtelijk besluit voor een plangebied, waarbij de gevolgen op een zwaar ongeval zeer gering zijn en/of de mogelijkheden voor de zelfredzaamheid/bestrijdbaarheid redelijk tot goed zijn. 5. Het bestuur wordt in ieder geval actief betrokken bij de voorbereiding van besluiten waarbij wordt afgeweken van onderstaande ambities. 6.
In woongebieden worden geen nieuwe Bevi-inrichtingen en andere stationaire risicobronnen geïntroduceerd. Voor een nieuw gasdrukregel- en meetstation geldt (onder bepaalde voorwaarden) een uitzondering. Externe veiligheid gaat over de beheersing van activiteiten met gevaarlijke stoffen. Die activiteiten kunnen bestaan uit het opslaan, verwerken of transporteren van gevaarlijke stoffen. Deze activiteiten kunnen een risico veroorzaken voor de leefomgeving. De risico's worden uitgedrukt in twee risicomaten: het plaatsgebonden en het groepsrisico. Voor de beoordeling van een ruimtelijk plan moet voor externe veiligheid worden vastgesteld of het plangebied is gelegen binnen het invloedsgebied van specifieke risicovolle inrichtingen, relevante transportroutes voor het vervoer van gevaarlijke stoffen of relevante buisleidingen. Toetsingskaders zijn het "Besluit externe veiligheid inrichtingen” (Bevi), het "Besluit externe veiligheid transportroutes" (Bevt) en het "Besluit externe veiligheid buisleidingen" (Bevb). Daarnaast zijn in het Vuurwerkbesluit en het Activiteitenbesluit milieubeheer veiligheidsafstanden genoemd die rond stationaire risicobronnen, niet zijnde een inrichting die valt onder het Bevi, moeten worden aangehouden. Onderzoek Het plan voorziet zelf niet in de oprichting van een Bevi-inrichting of een andere stationaire risicobron.
Uit de regionale signaleringskaart externe veiligheid blijkt verder dat het plangebied niet ligt binnen: • het invloedsgebied van een inrichting die valt onder het Bevi; • de veiligheidsafstanden van andere stationaire risicobronnen; • het invloedsgebied van een relevante buisleiding voor het transport van gevaarlijke stoffen; • het invloedsgebied van een relevante transportweg of een basisnetroute voor het vervoer van gevaarlijke stoffen over het spoor, de weg en het water. Het aspect externe veiligheid is dus voor het plangebied niet relevant. Het aspect externe veiligheid vormt geen belemmering voor het plan.
Pagina 39
Bestemmingsplan ‘Bruchem, Krangstraat (Veldzicht) tussen 3b en 7’
Figuur 2 7: Prov inc iale r is ico kaart
4.7
Ecologie / flora en fauna
Op basis van de natuurwetgeving is het van belang bij de ruimtelijke planvorming vooraf te onderzoeken of en welke dier- en plantensoorten er voorkomen, wat hun beschermingsstatus is en wat de effecten zijn van de ingreep op het voorbestaan van de gevonden soorten. Voorafgaand aan de gewenste wijziging dient onderzocht te worden of er sprake is van een aantasting van wettelijk beschermde natuurwaarden op basis van de groene wet- en regelgeving. Onderstaand zijn de diverse aspecten ten aanzien van natuurwaarden beschreven. Wet natuurbescherming De Wet natuurbescherming vervangt vanaf 1 januari 2017 drie wetten: de Natuurbeschermingswet 1998, de Boswet en de Flora- en Faunawet. Doel van de Wet natuurbescherming is drieledig: 1. bescherming van de biodiversiteit in Nederland; 2. decentralisatie van verantwoordelijkheden; 3. vereenvoudiging van regels.
Pagina 40
Bestemmingsplan ‘Bruchem, Krangstraat (Veldzicht) tussen 3b en 7’
In onderstaande paragrafen wordt getoetst of de ontwikkeling invloed heeft op de beschermde gebieden en soorten die zijn opgenomen in de Wet natuurbescherming. Volledigheidshalve kan verwezen naar de ecologische quickscan van 1 april 2019 (bijlage 1). Gebiedsbescherming De gebiedsbescherming is beperkt tot de Natura 2000-gebieden en eventueel buiten het Natuur Netwerk gelegen bijzondere provinciale natuurgebieden. De bescherming van het Natuur Netwerk Nederland (NNN) is reeds beschermd in het Barro en provinciale Vr. In Nederland zijn 164 Natura 2000-gebieden aangewezen. Per Natura 2000-gebied zijn instandhoudingsdoelstellingen (voor soorten en vegetatietypen) opgesteld. Iedereen die vermoedt of kan weten dat zijn handelen of nalaten, gelet op de instandhoudingdoelen, nadelige gevolgen voor een Natura 2000-gebied kan hebben, is verplicht deze handelingen achterwege te laten of te beperken. Het bevoegd gezag kan schadelijke activiteiten beperken en eisen dat een vergunning in het kader van de Wet Natuurbescherming (Wnb) wordt aangevraagd. Regulier beheer en bestaand gebruik zijn (of worden) opgenomen in Natura 2000-beheerplannen. Na vaststelling van de beheerplannen hoeft daarvoor geen vergunning aangevraagd te worden. Zoals uit figuur 23 blijkt, ligt de planlocatie niet in of nabij een gebied dat voor de Natura 2000 en/of Natuurbeschermingswet relevant is.