Bestemmingsplan Brakel-West, bijlagen bij de toelichting Bijlage 10 Watertoets
Tekst van het document
4.2.1
Samenvatting Met de ontwikkeling van Brakel-West neemt het verhard oppervlak met 25.159 m2 toe ten opzichte van de huidige situatie. Daarnaast vinden er diverse wijzigingen in het bestaande watersysteem plaats. Een overzicht van de verschillende waterbergingsopgaven is in tabel 4-4 weergegeven. Om de waterhuishouding niet te verslechteren geldt een compensatieplicht van: • Openbare ruimte: 2.586 m3 (600 + 1.671 + 315); • Voor privéterrein geldt een extra bergingseis tussen 708 m3 (ca. 18 mm) en 787 m3 (20 mm). Zoals beschreven in hoofdstuk 03.4 is de bergingseis van 20 mm per m2 een aanvulling op de wateropgave van waterschap Rivierenland. Tabel 4-4 Waterbergingsopgave verschillende beleidsstukken
Scenario
Wateropgave (m3)
Waterschap
Compensatie gedempte watergangen (OR)
Waterschap
T10+10% (OR) T100+10% (OR)* 20 mm verhard oppervlak (privéterrein) Hoogwater (T10) (hele plangebied)
600 m3 (2.220 m2) 1.097 m3 1.671 m3 787 m3 >315 m3
Waterbeheerder
Gemeente Kwel
*Voor de opgave is de T100+10% maatgevend
4.3
Watercompensatieplan Uitgangspunten De keuze waar de benodigde compensatie moet plaatsvinden, hangt af van de beschikbare mogelijkheden en gebiedskenmerken. Dit is in samenspraak met de gemeente en het waterschap bepaald. Er geldt wel een voorkeursvolgorde voor de keuze van de locatie. Deze is als volgt: 1. Compensatie in hetzelfde peilgebied als de demping / verhardingstoename, nabij de demping / verhardingstoename; 2. Compensatie in hetzelfde peilgebied als de demping / verhardingstoename, niet nabij de demping / verhardingstoename; 3. Compensatie in een lagergelegen peilgebied, als de waterstaathuishoudkundige situatie dat toelaat. Waterschap Rivierenland hanteert de volgende voorkeursvolgorde voor de benodigde waterberging door versnelde afvoer door toename verharding: 1. Behoud van infiltratie; 2. Compensatie door realiseren extra oppervlaktewater; 3. Compensatie door middel van alternatieve vormen van waterberging. blad 34 van 74
Watertoets Brakel-West te Zaltbommel projectnummer 0485570.100 21 mei 2024 revisie 04 Gemeente Zaltbommel
Er is gekozen om een deel van de waterberging en compensatie door gedempte watergangen in twee verschillende peilgebieden te realiseren. Dit is noodzakelijk omdat het met het beoogde plan en de grondeigendommen niet haalbaar is om de berging binnen de woningbouwlocatie in te passen. Het stedenbouwkundig plan Brakel-West bevat een deel van de te realiseren waterberging in een centrale bergingsvoorziening (deelgebied OR) met een oppervlak van 5.890 m2 en een deel in een zuidelijke waterberging vijver van 5.305 m2 (deelgebied berging Rietsingel). In totaal wordt 11.195 m2 gereserveerd voor waterberging. Het oppervlak is berekend van insteek tot insteek. In Figuur 4-4 is een eerste impressie te vinden van de toekomstige waterhuishouding uit de ‘Proefverkaveling’ van Kuiper Compagnons (tekening met datum 23-02-2024) ten opzichte van de huidige situatie. Opp. 5.890 m2 Peilgebied BOM207
Opp. 5.305 m2 Peilgebied BOM200
Figuur 4-4 Locatie waterbergingsgebieden ten opzichte huidige regionaal watersysteem.
4.3.1
Hemelwaterbelasting Waterberging openbare ruimte In het plangebied wordt op twee locaties water geborgen. In deze paragraaf is berekend hoeveel waterberging mogelijk is in de beoogde voorzieningen. Centrale waterberging voorzieningen (deelgebied OR) Om de kans op verhoogde kwel te verkleinen krijgt de waterberging voorziening een maximale diepte van 0,4 m- mv en een maximale waterdiepte van 0,3 m. de in de huidige situatie aanwezig A-watergang (ID 007432) wordt onderdeel van de centrale waterbergingsvoorziening. De watergang wordt verplaatst en gedeeltelijk gedempt of overkluist met duikers. De centrale waterbergingsvoorziening wordt aangesloten met duikers, en de bestaande afwateringsrichting (A-watergang ID 007433) wordt gehandhaafd. In de toekomst krijgt deze waterweg een B-leggerstatus (zie paragraaf 5.2) omdat deze een bergende functie heeft en geen afvoerende. In Figuur 4-5 is een schetsontwerp van de centrale waterbergingsvoorziening weergegeven. Bij dit ontwerp functioneert de waterberging als overstromingsgebied tijdens extreme neerslag. Bij het reguliere waterpeil is dit gebied droog. blad 35 van 74
Watertoets Brakel-West te Zaltbommel projectnummer 0485570.100 21 mei 2024 revisie 04 Gemeente Zaltbommel
Figuur 4-5 Voorgestelde dwarsprofiel.
Bij een regenbui die eenmaal per 10 jaar kan voorkomen met 10% opslag door de klimaatverandering (T=10+10%) is een peilstijging van 0,3 m toegestaan. Rekening houdend met een oppervlak van 3.670 m2 en een talud van minimaal 1:3 is het mogelijk om ca. 1.101 m3 water te bergen. Beschikbare oppervlak = 5.890 m2 – 2.220 m2 (door dempen watergangen) = 3.670 m2 Bij een regenbui die eenmaal per 100 jaar kan voorkomen met 10% opslag door de klimaatverandering (T=100+10%) kan het peil stijgen tot de laagste putdekselhoogte op wijkniveau.
Figuur 4-6 Toegestane waterberging tijdens een regenbui T100+10% (bron: Water- en Rioleringsplan Bommelerwaard 2022-2026)
Waterberging Rietsingel Het ontwerp omvat het realiseren van een waterberging met een oppervlak van 5.305 m2. De vijver heeft een diepte van 0,4 m t.o.v. maaiveld (0,3 m waterberging + 0,1 m waking). Met deze dieptes ontstaat er ruimte om 1.592 m3 water te bergen (T10+10%). In bijlage 7 zijn verschillende varianten uitgewerkt met diverse dieptes, waarbij de minimale diepte van 0,4 m (0,3 m waterberging + 0,1 m waking) wordt gehanteerd. Ook bij een diepere voorziening is 0,3 m waterdiepte voor de berging beschikbaar bij een herhalingskans van eens in de 100 jaar (T100). Een diepere berging valt bovendien niet droog doordat de grondwaterstand dan boven de bodem van de berging staat. Bij elke variant wordt ervoor gezorgd dat via de duiker naar de Rietsingel de voorziening weer volledig kan leeglopen. Aandachtspunt is dat deze duiker langer is dan volgens het beleid van het waterschap toegestaan is. Het lijkt echter niet mogelijk om een open water verbinding te maken door de aanwezigheid van woningen, straat en diverse andere leidingen. In de vervolgfase zal dit in het waterhuishouding nader worden uitgewerkt.
blad 36 van 74
Watertoets Brakel-West te Zaltbommel projectnummer 0485570.100 21 mei 2024 revisie 04 Gemeente Zaltbommel
Waterberging op eigen terrein Zoals vermeldt in het Water- en Rioleringsplan Bommelerwaard 2022-2026 van gemeente Zaltbommel is de perceeleigenaar verantwoordelijk voor de verwerking van het regenwater op eigen terrein. Voor de ontwikkeling Brakel-West geldt een bergingseis van 20 mm over de totale verharde oppervlakte. De gemeente streeft ernaar het verhard oppervlak af te koppelen. Conform het beleid van gemeente Zaltbommel heeft het de voorkeur om 100% van het hemelwater te infiltreren of hergebruiken op eigen terrein en anders volgens het principe vasthouden, bergen, afvoeren te verwerken in het openbaar gebied. Vasthouden en vertraagd afvoeren van hemelwater vormt het uitgangspunt omdat de kleiige ondergrond, ondiepe grondwaterstand en kwelsituatie infiltratie niet mogelijk maken. Een combinatie van de volgende maatregelen is raadzaam: • Aanleg van groene daken • Afkoppeling van de regenpijp; • Het maken van open gootjes met olieafscheider voor afwatering naar waterlopen; • Het plaatsen van regentonnen. Groene daken De gemeente heeft de voorkeur om hemelwater vast te houden door middel van groene daken. De types groene daken variëren van intensieve groene daken met retentievoorzieningen tussen 30 l/m2 tot 80 l/m2, tot sedumdaken met 20 l/m² berging). Bij de aanleg van groene daken dient rekening te worden gehouden met de sterkte van de constructie.
De bebouwing dient het gewicht van het groenblauwe dak aan te kunnen. Tevens dient het waterbergende dak over voldoende bergingscapaciteit te beschikken. Het water mag niet eerder dan 24 uur afgevoerd worden en de berging dient binnen 48 uur weer beschikbaar te zijn. Het ontwerp van de woningen en zorgwoningen is nog niet beschikbaar. Als uitgangspunt wordt aanbevolen dat elk perceel minimaal het dakoppervlak buffert. Ondergrondse waterberging Voorgesteld wordt dat alle woningen een ondergrondse bergingsvoorziening op eigen terrein hebben. Als uitgangspunt is gehanteerd dat elk perceel 1 m3 aan regenwater buffert waar minimaal het dakoppervlak op is aangesloten. Een rechtstreekse afvoer van overige oppervlakken (bijvoorbeeld de oprit) naar openbaar terrein is toegestaan. De voorziening kan alleen als gesloten kelder worden uitgevoerd met noodoverloop naar het HWA-stelsel. waarbij de bodem van de voorziening op of boven de GHG is aangelegd. De voorzieningen krijgen een overloop naar openbaar terrein door de aanleg van een overstortdrempel naar het gemeentelijk HWA-stelsel. Conform het Water en Rioleringsplan Bommelerwaard (WRP) van Gemeente Zaltbommel zijn de perceeleigenaren verantwoordelijk voor het goed blijven functioneren van de voorziening.
Als dit vanwege de beschikbare ruimte niet mogelijk is, voornamelijk in rijwoningen en appartementen, kan het hemelwater dat van daken tot afstroming komt op een regenton op worden. Het realiseren van de bergingsvoorziening op eigen terrein is onderdeel van de bouw van de woning en geen onderdeel van het bouw- en woonrijp maken van de openbare ruimte. Hierdoor kan dit niet in het bestemmingsplan worden opgenomen. Aanvullende maatregelen voor klimaatadaptatie: Naast bovengenoemde maatregelen kunnen ook de volgende klimaatadaptieve maatregelen worden geïmplementeerd: • Aanleg van bomen: bomen zijn van fundamenteel belang voor de opname en retentie van water en voor het verminderen van verdamping; • Maak zoveel mogelijk schaduwen. Een (kleine) boom met een half transparante kroon kan helpen om vochtverlies uit de bodem te verminderen; • Zorg ervoor dat de grond helemaal bedekt is. Een bloemrijk grasveld droogt bijvoorbeeld minder snel uit dan een gemaaid gazon;
blad 37 van 74
Watertoets Brakel-West te Zaltbommel projectnummer 0485570.100 21 mei 2024 revisie 04 Gemeente Zaltbommel
• •
Door reliëf in de tuin kan het hemelwater zonder overlast stromen naar lagergelegen delen van de tuin en daar een tijd vastgehouden worden; Zoveel mogelijk tegels en stenen in de tuin vermijden.
blad 38 van 74
Watertoets Brakel-West te Zaltbommel projectnummer 0485570.100 21 mei 2024 revisie 04 Gemeente Zaltbommel
5.
Toetsing toekomstige waterhuishouding In dit hoofdstuk is de toekomstige situatie getoetst aan het beleid en de in Bijlage 1 opgenomen uitgangpunten en randvoorwaarden.
5.1
Grondwater Ontwateringsdiepte Om het risico op grondwateroverlast te beperken dient de ontwateringsdiepte voldoende te zijn. De ontwateringsdiepte is de afstand tussen de Representatief Hoogste Grondwaterstand (RGH) en het straatpeil, het maaiveld en/of vloerpeil (zie figuur 5-1). De RHG (Representatief Hoogste Grondwaterstand) komt in dit gebied overeen met de GHG.
Figuur 5-1: Schematische weergave ontwateringsdiepte (bron: Visie water en riolering Utrecht)
Ten noorden van de Groenesteeg is de GHG circa 0,4 à 0,7 m -mv (maaiveldhoogte: tussen NAP +1,9 m en NAP +1,6 m, en GHG: NAP +1,2 m). Om aan de eisen voor ontwateringsdiepte te voldoen, moet het toekomstig peil van de vloeren begane grond minimaal op NAP +2,2 m komen te liggen. Voor de wegen is een minimaal niveau van NAP +1,9 m nodig. Ten zuiden van de Groenesteeg is de GHG circa 0,6 m -mv (maaiveldhoogte: NAP +1,50 m en GHG: NAP +0,9 m). Om aan de eisen voor ontwateringsdiepte te voldoen moet het toekomstig peil van de vloeren begane grond minimaal op NAP +1,9 m komen te liggen. Op basis van de beschikbare grondwaterstandsgegevens kan worden geconcludeerd dat de ontwikkeling Brakel West met het huidige maaiveldniveau niet voldoet aan de vereiste ontwateringsdiepte. De voorgestelde aanleghoogtes komen overeen met het wegniveau en benodigde drooglegging. In het kader van de randvoorwaarden, wensen en ambities van de gemeente wordt geadviseerd om het bestaande maaiveld gemiddeld 0,5 meter te verhogen (zie figuur 5-2). Het is mogelijk dat de voorgestelde verhoging per locatie verschilt, dit dienst in de vervolgfase verder te worden uitgewerkt. Geadviseerd wordt om tijdens de ontwerpfase de gekozen vloerpeilen te laten controleren door een deskundige.
blad 39 van 74
Watertoets Brakel-West te Zaltbommel projectnummer 0485570.100 21 mei 2024 revisie 04 Gemeente Zaltbommel
Figuur 5-2 Gemiddelde ophoging per locatie op basis van de GHG voor de periode 2005-2016
Het ontwerp van de weg- en vloerpeilen moet voldoen aan meerdere factoren. Het hemelwater moet (zoveel mogelijk) bovengronds afvoeren naar de waterbergingsvoorzieningen, het moet voldoende hoog worden aangelegd om de ontwateringsnormen te halen en de hoogtes moeten goed aansluiten op de aansluitende omgeving en daar geen (grond)wateroverlast veroorzaken. Voor het bepalen van de ontwerphoogtes gelden onder meer de volgende uitgangspunten: • Het wegprofiel inclusief parkeren en voetpaden ligt op 1 oor naar de goot, incidenteel is een wegvak tonrond ontworpen; • Het aangehouden verhang van de weg: o Dwarsrichting 1:50 (2%); o Lengteprofiel 1:250 (4 ‰); o Soms kan hiervan worden afgeweken om een goede afwatering of aansluiting te waarborgen; o Het bouwpeil van de woningen ligt hoger dan de weg. Kwel Het plangebied bevindt zich in kwelgevoelig gebied. Er is sprake van een huidige kwelflux van meer dan 3 mm/dag. In de vervolgfase dient een berekening voor de hoeveelheid kwel die in het plangebied wordt verwacht te worden uitgevoerd. Er kan doorgaans worden gestart met een Mazure-berekening. Dit betreft een analytische, stationaire kwelberekening met een T=10 hoogwaterstand op de rivier en het polderpeil op (winter)streefpeil. De uitkomst van deze berekening wordt gebruikt om te bepalen of er een aanvullende modelberekening vereist is.
Het waterschap heeft gedurende een overleg op 1 augustus 2023, met de gemeente en Antea Group, aangegeven, dat de Mazure-berekening bij het watertoetsproces valt. Dit is echter nog niet mogelijk, omdat er te weinig grondwaterstand- en bodemgegevens beschikbaar zijn.
blad 40 van 74
Watertoets Brakel-West te Zaltbommel projectnummer 0485570.100 21 mei 2024 revisie 04 Gemeente Zaltbommel
Grondwatermonitoring Zoals eerder beschreven bestaat er grote onzekerheid over de grondwaterstanden. Opgemerkt dient te worden dat er ter plaatse van het plangebied zelf geen grondwaterstandsmetingen zijn uitgevoerd. Geadviseerd wordt om in een latere fase op verschillende locaties peilbuizen in het plangebied te plaatsen, om zo een betrouwbaarder en gedetailleerder beeld te krijgen over het grondwater. Dit is echter pas mogelijk als de gronden voor de gemeente en/of ontwikkelende partij toegankelijk zijn.
5.2
Watersysteem Drooglegging Om wateroverlast te voorkomen dient de droogleging voldoende te zijn. De drooglegging is de afstand tussen het maaiveld en het streefpeil/zomerpeil. Ten noorden van de Groenesteeg is het laagste huidige maaiveld gemiddeld gelegen op ca. NAP +1,80 m. Rekening houdend met een zomerpeil van NAP +0,75 m, is de drooglegging bij handhaving van huidig maaiveld 1,05 m. Op grond van de droogleggingseisen van minimaal 1,00 m voor straatpeil en minimaal 0,70 m voor groenvoorzieningen wordt geconcludeerd dat aan de droogleggingseisen wordt voldaan. Voor het bouwpeil geldt een droogleggingseis van 1,3 m. Om hieraan te voldoen, is een minimale aanleghoogte van NAP +2,25 m vereist. Met de voorgestelde aanleghoogte is het tevens mogelijk om ook aan de droogleggingseisen te voldoen. In het zuidelijke deel van de Groenesteeg bevindt het laagste huidige maaiveld zich gemiddeld op NAP +1,50 m. Met een zomerpeil van NAP +0,2 m resulteert dit in een drooglegging van ongeveer 1,3 m bij handhaving van het huidige maaiveld. Op grond van de droogleggingseisen van minimaal 1,00 m voor straatpeil en minimaal 0,70 m voor groenvoorzieningen wordt geconcludeerd dat aan de droogleggingseisen wordt voldaan.
Op grond van de droogleggingseisen van minimaal 1,30 m voor vloerpeil begane grond, wordt geconcludeerd dat het voorgestelde ontwerp bij handhaving van het huidige maaiveld aan de droogleggingseisen voldoet. Werking watersysteem Op basis van de afgesproken leggerstatus dient bij het toekomstige ontwerp van het watersysteem rekening worden gehouden met de onderhoudszones van het A- en B-water. Bij A-wateren geldt een beschermingszone van 4 m . Bij B-wateren is dat 1 m. Op basis van de huidige informatie is deze ruimte gereserveerd. De voorlopige status van de watergangen is weergegeven in figuur 5-3. Wij adviseren om, zodra de technische tekeningen beschikbaar zijn, nog eens samen met het waterschap de status te bekijken. Overwogen kan worden in latere fase het transport naar bergingsgebied Rietsingel via een watergang of greppel te faciliteren. Dit ligt in lijn met de wens van het waterschap voor een open water verbinding met de Rietsingel. Daarnaast adviseert het waterschap om van de huidige C-watergang die BOM207 en BOM200 verbindt een A- watergang te maken. Dit heeft te maken met de aanleg van een peilscheidend kunstwerk (zie Figuur 5-3) en de afvoerfunctie die de watergang krijgt. De noodzaak hiervan is afhankelijk van de gekozen uitwerkingsrichting en kan pas nader worden uitgewerkt in de vervolgfase bij een waterhuishoudkundig plan.
blad 41 van 74
Watertoets Brakel-West te Zaltbommel projectnummer 0485570.100 21 mei 2024 revisie 04 Gemeente Zaltbommel
C-water*
A-water*
Te graven greppel
B-water****
B-water B-water
C-water** A-water ***
Figuur 5-3 Voorgesteld leggerstatus van de waterlopen zoals besproken met het waterschap en gemeente. * Geen verandering van de huidige legger status ** In het ontwerp wordt uitsluitend rekening gehouden met de herinrichting van de C-waterweg. Hierin zal in principe geen waterberging plaatsvinden *** Het waterschap adviseert dit als A-water te beschouwen **** In de nadere uitwerking worden de duikers in lengte conform het beleid gemaximeerd op 12 m.
Stabiliteit Het is bij nieuwe en het te vergraven oppervlaktewater belangrijk dat de stabiliteit van het talud en de bodem wordt gewaarborgd. Het is noodzakelijk om bij het technisch ontwerp een opbarstberekening uit te voeren. Doorstroming In de huidige situatie loopt langs de Appelweg één primaire watergang van oost naar west. Deze primaire watergangen watert af richting het gemaal de “Engsteeg”. In de toekomstige situatie dient de afwaterende functie van deze watergang behouden te blijven. De watergang ligt in peilgebied BOM207. Het zomerpeil (ZP) van NAP +0,75 m en het winterpeil (WP) van NAP +0,55 m mag niet worden gewijzigd. Om wateroverlast te voorkomen dient deze watergang opgenomen te worden in het stedenbouwkundig ontwerp (minimaal 1 op 1).
blad 42 van 74
Watertoets Brakel-West te Zaltbommel projectnummer 0485570.100 21 mei 2024 revisie 04 Gemeente Zaltbommel
In de huidige situatie ligt een C-watergang langs de zuidzijde van de Groenesteeg. Uit een veldbezoek is gebleken dat de bodem van deze waterloop aanzienlijke verschillen vertoont, wat resulteert in verschillende waterstanden in de sloot. In deze watergang vindt in principe geen nieuwe waterberging plaats. De leggerstatus verandert daarom niet. Aanbevolen wordt deze waterloop opnieuw in te richten en de aansluiting op de waterberging Rietsingel te verzekeren. Hoe dit eruit komt te zien is in deze fase niet uitgewerkt, maar er zijn in afstemming met gemeente en waterschap wel verschillende oplossingsopties benoemd. Deze zijn in de volgende alinea kort benoemd en in de bijlage 8 uitgebreid opgenomen. Om de doorstroming van het centrale waterbergingsgebied te garanderen dienen er duikers te worden toegevoegd aan het ontwerp. Gezien de B-leggerstatus van dit gebied en conform beleidsregel WT 7, dienen de benodigde duikers een minimale diameter van 0,80 m te hebben. Bovendien is een minimale afstand van 10 m tussen duikers nodig. Met het waterschap en de gemeente is afgestemd dat afstromend hemelwater van de ontwikkeling wordt verzameld en afgevoerd naar het zuidelijke deelgebied. Het is hierbij van belang dat het afstromend water hier ook daadwerkelijk kan komen. In figuur is een overzicht van de werking van het watersysteem en benodigde kunstwerken weergegeven.
Om een vertraagde afvoer te realiseren worden 2 knijpconstructies toegevoegd (rode stippen). De richting van de hemelwaterafvoer is aangegeven met een pijl. Als scheiding tussen de verschillende peilgebieden is een stuw nodig, deze komt in de watergang ten norden van de Groenesteeg. De locatie van de benodigde kunstwerken is indicatief weergegeven (oranje driehoek).
Te graven greppel
Figuur 5-4 Werking watersysteem
Werking waterberging Rietsingel Voor de bergingsberekening in paragraaf 4.3.1 is uitgegaan van de optie om een ondiepe, droogvallende, bergende wadi in te richten. Het niveau van de bodem van berging ligt dan echter boven het waterpeil in de watergang er naartoe. Dit betekent dat het water niet onder vrij verval het bergingsgebied in kan stromen. Daarom zijn vier opties benoemd om de berging zo goed mogelijk te kunnen inzetten. Met de beschikbare informatie over bodemopbouw, diepteligging van de persleiding en grondeigendommen is het nog niet mogelijk in dit stadium voor één optie te kiezen. De gemeente en het waterschap zijn wel overeengekomen dat met deze blad 43 van 74
Watertoets Brakel-West te Zaltbommel projectnummer 0485570.100 21 mei 2024 revisie 04 Gemeente Zaltbommel
opties in de volgende fase de waterberging verder kan worden vormgegeven. Iedere optie heeft voor- en nadelen, die afgewogen moeten worden. De vier opties zijn: 1. Met gemaal water in berging pompen; 2. Waterberging uitgraven tot 1,5 m-mv, zodat water onder vrij verval de berging in kan stromen. In dat geval is het geen droogvallende waterberging, maar een watervoerende waterberging; 3. Lange leiding van BOM207 naar waterberging; 4. Tijdelijk hoger peil toestaan in watergang naar waterberging bij extreme buien zodat de berging onder vrij verval kan volstromen. De uitwerking en visualisatie van de opties zijn weergegeven in bijlage 8. Door het dempen en graven van een watergang kunnen verschillende effecten optreden in het grondwatersysteem. Naast de mogelijke vernatting als gevolg van maximale vulling van de waterberging, kan ook de vergroting van de bodemdiepte van 0,4 m naar 1,5 m leiden tot een drainerende werking op de omgeving, waardoor in de omgeving de grondwaterstand verlaagd wordt Deze veranderingen kunnen invloed hebben op de grondwaterstanden in de omgeving en op de hydrologische balans. Ook door het dempen van watergangen vindt in de buurt van deze locaties een verhoging van de grondwaterstand plaats.
Het is van belang om deze effecten zorgvuldig te overwegen bij het ontwerp van de waterberging en de rest van het watersysteem en om de impact op het grondwatersysteem nauwkeurig te evalueren. Dit kan onder meer worden gedaan door middel van monitoring van grondwaterstanden voor en na de aanleg van de waterberging. Toetsing Waterberging Met de voorgestelde maatregelen is het mogelijk 2.693 m3 water tijdelijk te bergen bij een bui die eenmaal per 10 jaar optreedt met 10% opslag door klimaatverandering (T10+10%). Er wordt dus voldaan aan de benodigde wateropgave van 1.097 m³. Conform beleid kan bij een regenbui die eens in de 100 jaar voorkomt, met een toeslag van 10% als gevolg van klimaatverandering (T100+10%), het peil mag hier eveneens 0,3 m stijgen. Met de voorgestelde maatregelen is eveneens 2.693 m3 water te bergen voor T100+10%. Geconcludeerd wordt dat het voorgestelde watersysteem voldoet aan de door het waterschap en de gemeente opgestelde wateropgave van 1.671 m³. Een overzicht van de totaal bergingscapaciteit ten opzichte van de wateropgave is in tabel 5-1 weergegeven. Tabel 5-1 Samenvatting water bergingscapaciteit. Scenario Wateropgave (m3) Oppervlak waterberging (m2) T10+10% 1.097 5.890 (OR) 5.305 (Rietsingel) T100+10% 1.671 5.890 (OR) 5.305 (Rietsingel)
Dempen watergangen (m2) (-) 2.220 n.v.t (-) 2.220 n.v.t
Beschikbare oppervlak (m2) 3.670 5.305 3.670 5.305
Berging capaciteit per maatregel (m3) 1.101 (OR) 1.592 (Rietsingel) 1.101 (OR) 1.592 (Rietsingel)
Totaal berging capaciteit (m3) 2.693 2.693
In bovenstaande tabel is per scenario de potentiële waterberging uiteengezet. Dit zijn indicatieve waarden aangezien het ontwerp van de ontwikkeling Brakel-West nog niet voltooid is. De exacte werking van het watersysteem wordt nader uitgewerkt in volgende fasen. Voorkomen wateroverlast Waterschap Rivierenland en gemeente Zaltbommel hanteren dat hemelwater binnen eigen perceel moet worden vasthouden. Tevens heeft het de voorkeur om hemelwater op percelen op eigen terrein te verwerken en anders volgens het principe bergen, vasthouden, en vertraagd afvoeren principe te verwerken in het openbaar gebied. Belangrijk is dat de ontwikkeling geen wateroverlast mag veroorzaken voor aangrenzende percelen. Door voldoende waterberging in het watersysteem te realiseren wordt voldaan aan de huidige regelgeving met een klimaatopslag van 10%. Omdat de klimaatscenario’s voorspellen dat er meer hevige buien te verwachten
blad 44 van 74
Watertoets Brakel-West te Zaltbommel projectnummer 0485570.100 21 mei 2024 revisie 04 Gemeente Zaltbommel
zijn, zijn aanvullende maatregelen gewenst. Met de vasthoudmaatregelen van de gemeente, aanvullend op de opgave van het waterschap, wordt invulling gegeven aan het tegengaan van droogte en opvangen van piekbuien. Ook wordt het maaiveldniveau in het plangebied gelijkmatig aangelegd, zodat het noordelijke deel van het plangebied niet met extra water op straat te maken krijgt bij piekbuien. Bij de realisatie van de waterhuishouding plan/technisch ontwerp en voor de aanvraag van de bijbehorende omgevingsvergunningen moet worden aangetoond dat dat de ontwikkeling aan deze eisen kan voldoen. Klimaatadaptatie In aanvulling van de benodigde compensatie-eis voor het verhard oppervlak zijn klimaatadaptieve mogelijkheden binnen het plangebied geïnventariseerd. In het WRP staat dat ondergrondse infiltratievoorzieningen niet worden geaccepteerd. Oppervlaktewater heeft de voorkeur, de toepassing van wadi’s is ook een mogelijkheid. Halfverharding heeft vanwege de slecht doorlatende ondergrond in het plangebied nihil effect op de berging van overtollig hemelwater. Wel kunnen de toekomstige woningen worden voorzien van groene daken. De toepassing van groene daken levert verschillende voordelen op; • Het vangt regenwater op, dit vermindert de belasting op het rioolstelsel. • Het draagt bij aan de vermindering van CO2-uitstoot. Het werkt isolerend waardoor stookkosten worden verminderd.
• Gedurende hoge temperaturen straalt het groene dak minder warmte uit. Dit heeft een gunstig effect op de omgevingstemperatuur, en verminderd daarmee de hittestress in het plangebied. Hittestress binnen het plangebied kan verder worden verminderd door de aanplant van bomen en/of andere vegetatie. Dit heeft als voordeel dat het plangebied robuuster is gedurende langdurige periodes van droogte doordat het water beter wordt vastgehouden.
5.3
Afvalwaterbelasting In het plangebied worden circa 270 nieuwbouwwoningen gerealiseerd bestaande uit rijwoningen en tweeonder-één kap woningen, vrijstaande woningen en woonzorg. Het is onbekend hoeveel inwoners er gemiddeld per huishouden gaan wonen. In de gemeente Zaltbommel, in de wijk Brakel wonen gemiddeld 2,5 personen per huishouden3. Dit resulteert in een benodigde DWA-afvoer voor 675 personen, oftewel vervuilingseenheden. Per dag zorgt één persoon gemiddeld voor 12 liter per inwoner per uur. De toekomstige DWA-belasting is daarmee gemiddeld ca. 8,1 m3 per uur. Het DWA-stelsel moet hierop worden gedimensioneerd. Er dient een gescheiden stelsel te worden aangelegd. De DWA-afvoer kan worden aangesloten op de riolering in de Groenesteeg/Molensteeg waarna het onder vrij verval afvoert naar het gemaal, zoals is weergegeven in Figuur 5-5. In Brakel is grootschalig afgekoppeld in het centrum en noordoosten van de kern zodat ruimte is ontstaan op het gemengde stelsel om de DWA-afvoer van de ontwikkeling Brakel West af te voeren richting het waterschapsgemaal.
3
Website KadastraleKaart.com, Brakel: https://kadastralekaart.com/wijken/wijk-01-brakel-WK029701 blad 45 van 74
Watertoets Brakel-West te Zaltbommel projectnummer 0485570.100 21 mei 2024 revisie 04 Gemeente Zaltbommel
Rioolgemaal Brakel (beheerder waterschap)
Figuur 5-5 Overzicht rioolstelsel langs de Molensteeg.
5.4
Waterkwaliteit In de toekomstige situatie mag de waterkwaliteit niet verslechteren. Dit houdt in dat er geen negatieve gevolgen zijn op het omliggende grond- en/of oppervlaktewatersysteem. Derhalve dient bij voorkeur gewerkt te worden met niet-uitlogende materialen. Ook moet afstromend hemelwater zoveel mogelijk gescheiden afgevoerd worden om vervuiling te voorkomen. Een voorbeeld hiervan is dat hemelwater dat op het dak valt schoner is dan hemelwater dat valt op een intensief gebruikte parkeerplaats of weg. Er dient hierbij rekening te worden gehouden met het beleidsstuk “Samen door één buis”. Bij de aanleg van nieuw oppervlaktewater moeten doodlopende watergangen worden voorkomen in verband met de waterkwaliteit. De toepassing van natuurvriendelijke oevers wordt aanbevolen. De aanleg van natuurvriendelijke oevers draagt bij aan een verhoging van de natuurwaarde, ofwel de ecologische waterkwaliteit, verbetering van de chemische waterkwaliteit en een verbetering van de belevings- en recreatiewaarde4.
4
Handreiking natuurvriendelijke oevers, september 2009, STOWA: https://www.stowa.nl/sites/default/files/assets/PUBLICATIES/Publicaties%202000-2010/Publicaties%2020052009/STOWA%202009-37.pdf blad 46 van 74
Watertoets Brakel-West te Zaltbommel projectnummer 0485570.100 21 mei 2024 revisie 04 Gemeente Zaltbommel
5.5
Waterveiligheid Uit de leggerkaart van waterschap Rivierenland blijkt dat het plangebied zich niet in de kern- of beschermingszone van waterkeringen bevindt. Om deze reden zijn er geen effecten op de waterveiligheid.
5.6
Vervolg Na de ruimtelijke procedure moet voor de realisatie te zijner tijd nog een Watervergunning aangevraagd worden. Bij de aanvraag voor de watervergunning moeten de definitieve ontwerptekeningen toegevoegd worden en is een nadere uitwerking van de waterhuishouding noodzakelijk. Onderdeel hiervan is dat ook de berekening van de kweltoename en de toetsingsberekening. Hierin moet ook de fasering en aanpassing van de waterhuishouding meegenomen worden. De initiatiefnemer zal voor alle benodigde waterhuishoudkundige voorzieningen één watervergunning aanvragen. Hier zal te zijner tijd verder afstemming over plaatsvinden met het waterschap.
5.6.1
Voorwaardelijke verplichting waterhuishouding Gemeente Zaltbommel en waterschap Rivierenland hebben gezamenlijk nagedacht over de inrichting van het watersysteem om tot een integraal ontwerp te komen. Om de uitwerking van de openstaande punten en keuzes goed te borgen zijn voor het vervolg de volgende voorwaardelijke verplichtingen voor de waterhuishouding geformuleerd: 1. Een omgevingsvergunning voor het bouwen volgens het bepaalde in 6.2 wordt uitsluitend verleend onder de voorwaarden dat: a. een nader onderzoek naar kwelwater (kwelberekening) is uitgevoerd; b. naar aanleiding van onder ander dat nadere onderzoek de noodzakelijke (compenserende) waterhuishoudkundige voorzieningen (waaronder ook waterberging wordt verstaan) op basis van het geldende beleid van de gemeente en het Waterschap Rivierenland zijn uitgewerkt in een waterhuishoudkundig plan voor het gehele plangebied, dat in overleg met het Waterschap is opgesteld. 2. Het bevoegd gezag kan bij omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde onder 1 mits: a. geen onevenredige aantasting plaatsvindt van de in de omgeving aanwezige functies en waarden; b. geen onevenredige aantasting plaatsvindt van belangen van eigenaren en gebruikers van omliggende gronden; c. het Waterschap Rivierenland een positief advies heeft afgegeven op het waterhuishoudkundig plan.
blad 47 van 74
Watertoets Brakel-West te Zaltbommel projectnummer 0485570.100 21 mei 2024 revisie 04 Gemeente Zaltbommel
Bijlagen
blad 48 van 74
Watertoets Brakel-West te Zaltbommel projectnummer 0485570.100 21 mei 2024 revisie 04 Gemeente Zaltbommel
Bijlage 1 Uitgangspunten en randvoorwaarden In aanvulling op het geformuleerde beleid zijn door waterschap Rivierenland en gemeente Zaltbommel tijdens het opstellen van dit rapport aanvullende uitgangspunten en randvoorwaarden meegegeven. Waterschap Rivierenland Onderstaand volgt een overzicht van de aanvullende informatie ten opzichte van de informatie in paragraaf 3.3. •
Voor het te dempen water omdat dit volledig gecompenseerd moet worden teruggebracht, moet per categorie aangeven worden of dit oppervlak A-, B- of C-watergang betreft. o Ten behoeve van dit plan wordt ook een deel (westelijke bassin van de kassen) van de Awatergang gedempt. Dit geldt tevens voor B-watergang 033069. De compensatie moet in hetzelfde peilgebied plaatsvinden in verband met de kwelgevoeligheid in het gebied. Het advies van het waterschap is om de kwelwatergangen in het gebied te behouden en eventueel extra kwelwatergangen aan te leggen waar mogelijk. Dit om overlast te voorkomen/beperken. • Voor de toename aan verharding en de daarbij horende compensatie geldt beleidsregel 5.14 en 5.16 uit de beleidsregels behorend bij de waterschapverordening. • Voor de verschillende verhardingspercentages op perceel niveau worden de volgende kengetallen aangehouden: o 70% verharding voor vrijstaande woningen; o 80% verharding voor twee-onder-een kap woningen; o 90% verharding voor rijwoningen; o 100% voor appartementencomplexen; o 100% openbaar verhard. o In het plangebied is er sprake van een groot kassencomplex. Een deel van dit kassencomplex is aangesloten op een bassin dat niet direct is aangesloten op het oppervlaktewatersysteem in beheer van het waterschap. Dit bassin is in 2016 gerealiseerd. De kassen zelf waren al ruimschoots eerder aanwezig dan het bassin.
Voor de kassen is in het verleden watercompensatie gegraven. Het oppervlak van de bestaande kassen mag dus worden afgetrokken van het verhard oppervlak in de nieuwe situatie voor de compensatie betreft. o Uitgangspunt is dat zoveel als mogelijk in hetzelfde peilgebied gecompenseerd moet worden. Wanneer dit echt niet mogelijk blijkt kan daarna worden gekeken naar een lagergelegen peilgebied. o De A-watergang in het ‘midden’ van het plangebied moet een goede doorstroming hebben zodat er geen stilstaand water ontstaat. o Het onderhoud van de waterberging wordt uitgevoerd door de gemeente en is mogelijk vanaf de flauwe taluds. o Bij de inrichting moet rekening gehouden worden met de kwelgevoeligheid van het gebied. o Het noordelijke deel van het plangebied is kwelgevoelig. Een mogelijkheid om de effecten van een toename aan kwel te compenseren is het creëren van extra ontwatering en/of extra berging in het watersysteem. Extra drainage moet altijd worden gecompenseerd door extra berging in het watersysteem aangezien het de afvoer versneld. o Vanwege de kwelgevoeligheid van het plangebied adviseert het waterschap in een vroegtijdig stadium te laten doorrekenen of de nieuw ontworpen A-watergang een opbarstrisico geeft.
Waterberging Rietsingel Het waterschap heeft voor waterberging Rietsingel de volgende aandachtspunten: o De ‘vierkante’ bak moet volgens de afvoernorm (1,5l/s/ha) van het waterschap afwateren op het nabijgelegen watersysteem. Zo nodig moet er een knijpconstructie worden aangelegd om dit te realiseren. Het is van belang dat de afwatering van de dakoppervlakken via een HWA-stelsel eerst naar de berging worden afgevoerd, en niet direct op de sloot worden geloosd. o Bij het ontgraven moet rekening gehouden worden met opbarstrisico in de wadi en een voldoende dikke kleilaag om dit tegen te gaan. o Er moet een beheer- en onderhoudsplan worden opgesteld. o De afwatering naar de zuidzijde moet bij voorkeur plaatsvinden met een openwaterverbinding.
blad 49 van 74
Watertoets Brakel-West te Zaltbommel projectnummer 0485570.100 21 mei 2024 revisie 04 Gemeente Zaltbommel
Leggerstatus watergangen o De watergangen met een door/afvoerende functie krijgen de A-status. Dit geldt voor de Awatergang langs de Engweg (primair) en voor de watergang die het water naar de waterberging afvoert. o De watergangen die een bijdrage leveren aan de bergingsopgave moeten op/afgewaardeerd worden naar B-watergang. Dit geldt voor alle watergangen die invulling geven aan de bergingsopgave en de meanderende watergang, die afgewaardeerd wordt naar B-status; o Ook de C-watergangen die als compensatie dienen worden B-watergangen omdat de berging geborgd moet zijn in de legger. Droogweerafvoer In het toekomstige plan komen er 270 woningen bij. Dit heeft gevolgen voor de hoeveelheid water wat afwatert op het gemeentelijk rioleringsstelsel. De verantwoordelijkheid hiervan ligt bij de gemeente zelf. Vanwege de capaciteit van de RWZI, wil het waterschap graag inzicht hebben in de hoeveelheid vervuilingseenheden. Daarnaast wil het waterschap weten bij welk gemaal, van het waterschap, het afvalwater (DWA) wordt aangeboden. Klimaatadaptatie Het waterschap heeft aangegeven dat klimaatadaptatie een belangrijk uitgangspunt vormt. Het toekomstige ontwerp dient aan te sluiten op de kernpunten van het Delta Programma Ruimtelijke Adaptatie (DPRA). De kern van het Deltaprogramma is dat Nederland in 2050 klimaatbestendig en waterrobuust is ingericht.
Overheden gaan ervoor zorgen dat schade door hittestress, wateroverlast, droogte en overstromingen zo min mogelijk toeneemt en letten daarop bij de aanleg van nieuwe woonwijken en bedrijventerreinen, het opknappen van bestaande bebouwing, vervanging van rioleringen en wegonderhoud etc. Er is daarom aan het bestemmingsplan een alinea toegevoegd die aandacht besteedt aan de mogelijkheden om klimaatadaptatie toe te passen in het plangebied. Op basis van de klimaatatlas (zie figuurB1-1) blijkt dat met name het noordelijke deel van het plangebied gevoeliger is voor wateroverlast bij een bui van 70 mm/2 uur. Door klimaatverandering zal dit type buien steeds vaker voorkomen. Graag ziet het waterschap terug hoe de ontwikkeling hiermee rekening gaat houden.
Figuur B5-6 Waterdiepte na een intense bui (70 mm/2 uur) dat eens in de 100 jaar voorkomt (bron: klimaatatlas)
blad 50 van 74
Watertoets Brakel-West te Zaltbommel projectnummer 0485570.100 21 mei 2024 revisie 04 Gemeente Zaltbommel
Gemeente Zaltbommel Onderstaand volgt een kort overzicht van de aanvullende informatie de informatie uit paragraaf 3.4. Dit omvat informatie met betrekking tot vasthoudmaatregelen op particulier en openbaar terrein, de ontwateringseisen en de aansluiting van de droogweerafvoer. Vasthoudmaatregelen De gemeente wil dat ook op particulier terrein meer water vastgehouden wordt. Dit mag met regentonnen, groene daken, gesloten ondergronds reservoir of ten uiterste openbaar gebied. Het vasthouden van water is aanvullend aan de opgave van het waterschap. De gemeente wil hier graag ook een voorschrift voor opnemen in de regels van het bestemmingsplan. • Vanuit de gemeente geldt de eis dat 20 mm hemelwater geborgen moet worden over het totaal verhard oppervlak, bij voorkeur op eigen terrein. Dit is aanvullend op de eis van het waterschap van 43,6 mm. • Berging op eigen terrein kan via een bergende wadi, waterbergende daken, ondergrondse berging, regentonnen of andere oplossingen. Als dit niet mogelijk is dan is berging in openbaar gebied ook een optie. Infiltratie naar grondwater zal niet effectief zijn vanwege de hoge grondwaterstanden, die bij hoog water in de Waal kunnen stijgen tot aan maaiveld.
Ontwateringseisen • De gemeente heeft aangegeven dat de volgende ontwateringseisen gelden: o 0,70 m bij erftoegangswegen o 0,50 m bij tuinen en groenvoorzieningen Droogweerafvoer In de nabijheid van het plangebied ligt een gemengd stelsel. Er dient een gescheiden rioolstelsel te worden aangelegd in het plangebied, waarbij de droogweerafvoer op het gemengde rioolstelsel wordt aangesloten en onder vrij verval afvoert naar het waterschapsgemaal.
blad 51 van 74
Watertoets Brakel-West te Zaltbommel projectnummer 0485570.100 21 mei 2024 revisie 04 Gemeente Zaltbommel
Bijlage 2 Beleidsregel 5.16 Nieuwe lozingen vanaf verhard oppervlak
blad 52 van 74
5.16 Nieuwe lozingen vanaf verhard oppervlak Wijziging beleidsregel: Zaaknr.
Datum vastgesteld:
omschrijving wijziging:
Kader Keur Deze beleidsregel gaat over keurartikel 3.4:Het is verboden zonder watervergunning van het bestuur neerslag door nieuw verhard oppervlak versneld tot afvoer te laten komen.
Verklaring van een aantal begrippen Nieuwe lozingen kunnen zijn: - Nieuw verhard oppervlak. Dit zijn alle oppervlakken die voor nieuwbouw, wegen, etc., verhard worden. Hierdoor kan het hemelwater ter plaatse niet langer in de (voorheen onverharde) grond infiltreren. Daardoor treedt er een versnelde afvoer van het hemelwater op. - Afgekoppeld bestaand verhard oppervlak. Hier betreft het vaak de vervanging van een bestaand gemengd rioolstelsel door een (verbeterd) gescheiden rioolstelsel. De 'extra' afvoer van hemelwater kan worden geneutraliseerd door het vergroten van de bergingscapaciteit van het watersysteem. De compensatiemaatregelen moeten zo dicht mogelijk bij het lozingspunt worden gemaakt en in ieder geval in hetzelfde peilgebied als waar het lozingspunt wordt aangebracht of aanwezig is. Voor welke oppervlaktewaterlichamen geldt deze beleidsregel? Deze beleidsregel heeft betrekking op de gebieden waar nieuwe lozingen van verhard oppervlak, in zowel stedelijk als landelijk gebied, van invloed kan zijn op de waterhuishouding van het watersysteem dat wordt beheerd door Waterschap Rivierenland. Bij het toepassen van vegetatiedaken kan de benodigde bergingscapaciteit worden teruggebracht, indien wordt voldaan aan de toetsingscriteria. Bij een halfverhard oppervlak kan de benodigde bergingscapaciteit worden teruggebracht, afhankelijk van de aard van de verharding.
Deze situaties zullen afzonderlijk moeten worden berekend. Bij kunstgrasvelden kan de benodigde bergingscapaciteit worden teruggebracht, indien wordt voldaan aan de toetsingscriteria. Raakvlakken met ander beleid De versnelde afvoer van hemelwater wordt meestal gecompenseerd door het graven van nieuwe oppervlaktewaterlichamen en/of het verbreden van bestaande oppervlaktewaterlichamen. Deze oppervlaktewaterlichamen moeten aan bepaalde voorwaarden voldoen. Deze voorwaarden zijn beschreven in beleidsregel 5.14, "Het (ver)graven van (nieuwe) oppervlaktewaterlichamen" en in beleidsregel 5.1 “werkzaamheden in oppervlaktewaterlichamen”. Bij nieuwe lozingen van hemelwater van bestaand verhard oppervlak, zogenaamde afkoppeling, worden aanvragen getoetst aan de Beslisboom Afkoppelen en Compensatie van het waterschap. Per geval wordt getoetst of de afvoer van het hemelwater op oppervlaktewaterlichamen moet worden gecompenseerd. Er is ook raakvlak met beleidsregel 5.2 als de uitbreiding van verhard oppervlak plaatsvindt in het winterbed van de Linge, de Korne, Oude Zederik en het Merwedekanaal. Voor het maken van uitstroomvoorzieningen in een A-water geldt een algemene regel (zie bijlage 1, WT 14).
Doel van het beleid Het doel van deze beleidsregel is om de versnelde afvoer van hemelwater als gevolg van de uitbreiding van het verhard oppervlak in het beheersgebied te beperken tot de maatgevende afvoer van het landelijk gebied. Een uitbreiding van het verhard oppervlak moet dus, vanuit waterhuishoudkundig oogpunt, waterbalans-neutraal plaatsvinden.
Toelichting op de beleidsregel Waterberging en afvoer Regenwater dat op een onverharde bodem valt dringt voor een belangrijk deel in de bodem. Het komt dan uiteindelijk in het grondwater of via ondergrondse afstroming in oppervlaktewater. (wegzijging en kwel). Slechts een klein deel stroomt bovengronds af naar het oppervlaktewater. Ter plaatse van verhard oppervlak zal het regenwater nauwelijks of niet in de bodem dringen. Vrijwel al het water stroomt direct af naar het oppervlaktewatersysteem en/of naar het rioleringssysteem. Dit betekent dat bij een flinke regenbui het oppervlaktewatersysteem een grote afvoerpiek moet kunnen opvangen. De realisatie van nieuw verhard oppervlak moet waterneutraal worden uitgevoerd. Dit betekent dat de aanvrager voldoende compenserende maatregelen moet nemen, zodat het oppervlaktewatersysteem na het gereedkomen van de verharding niet zwaarder wordt belast dan voordien. Dit kan onder andere bereikt worden door het graven van nieuwe oppervlaktewaterlichamen, het vergroten van bestaande oppervlaktewaterlichamen of het aanleggen van wadi’s. De aanvrager moet bij de aanvraag zelf aangeven op welke manier en waar hij de compensatie gaat maken.
Om te voorkomen dat individuele bewoners voor kleine voorzieningen zoals serres, tuinschuurtjes, enkele woning, 2 etc., moeten compenseren geldt er een eenmalige vrijstelling van de compensatieplicht van 500 m voor stedelijk 2 gebied en 1.500 m voor landelijk gebied. (Voor kleinere oppervlaktes hoeft dus niet te worden gecompenseerd, bij grotere oppervlaktes mogen de vrijgestelde oppervlaktes daarop in mindering worden gebracht). Voor de glastuinbouw en/of pot- en containercultuur is bij de toetsingscriteria een afwijkende regeling opgenomen. Dit heeft te maken met het feit dat men (in de meeste gevallen) op grond van andere wettelijke eisen toch al een bassin moet bouwen voor goed gietwater. Zo'n bassin leent zich in een wat groter formaat ook voor het compenseren van uitbreiding van verhard oppervlak. Er geldt hierbij wel een hogere norm voor de glastuinbouw en/of pot- en containercultuur dan voor andere sectoren. Als uitgangspunt voor de compensatieberekening wordt T=50 als maatgevende bui gehanteerd. Dit betekent dat de te hanteren vuistregel 3 3 gesteld wordt op 580 m /ha (in plaats van 436 m /ha). Indien hemelwater in deze sectoren geborgen zal worden in 3 waterbassin van minimaal 3500 m /ha en zonder overloop, is er vrijstelling van compensatieplicht.
Toetsingscriteria 1. Aanvragen worden aan de algemene toetsingscriteria getoetst. Daarnaast gelden de volgende bijzondere toetsingscriteria:
2. Er geldt geen compensatieverplichting in individuele gevallen als het verhard oppervlak op het omringende perceel loost en de afstand tot een oppervlaktewaterlichaam, binnen hetzelfde of een lager gelegen peilgebied, groter is dan 100 meter. In individuele gevallen geldt er ook geen compensatieplicht voor de in de agrarische sector gangbare koe- en kavelpaden (hieronder vallen niet de verharde inrit en erfverharding).
3. De maximale afvoer van water uit het plangebied mag niet meer zijn dan 1,5 l/s/ha (landelijke afvoernorm). Er moet voldoende berging zijn bij extremere omstandigheden. Er wordt gerekend met twee ontwerpbuien namelijk: - de T=10+10% neerslag; Daarbij mag het peil niet meer dan 20 cm stijgen in de deelgebieden die op bijlage 2 zijn aangegeven. In de overige gebieden bedraagt de maximale peilstijging 30 cm. 3 Vuistregel hierbij is 436 m berging per ha verhard oppervlak; - de T=100+10%-neerslag; Hierbij is een peilstijging toegestaan tot laagste putdekselhoogte op 3 wijkniveau. Vuistregel hierbij is 664 m berging per ha verhard oppervlak.
4. In het kader van een watertoetsadvies kan het waterschap om locatiespecifieke, waterhuishoudkundige redenen afwijken van de maximale peilstijging. Dit is bijvoorbeeld het geval bij uitbreiding van nieuw stedelijk gebied. In dat geval wordt de uitbreiding in het kader van de watertoets getoetst op een aantal
maatgevende situaties en bijbehorende waterhuishoudkundige eisen. Deze staan beschreven in de Handreiking Watertoets van Waterschap Rivierenland. Aanvragen om watervergunning voor nieuw stedelijk gebied worden daarom aan een eventueel aanwezig positief watertoetsadvies getoetst. Bij het ontbreken van een dergelijk positief watertoetsadvies wordt voor deze gebieden een maximale peilstijging van 20 c.q. 30 cm gehanteerd (zie toetsingscriterium 3).
5. Er geldt een vrijstelling van de compensatieplicht voor lozen vanaf nieuw verhard oppervlak van 500 m2 2
binnen stedelijk gebied (bebouwde kom) en 1.500 m in landelijk gebied. De lozing op zich is op grond van de Keur wel vergunningplichtig. Indien er geen andere vergunningplichtig activiteiten worden ondernomen dan het maken van nieuw verhard oppervlak, is er voor de van compensatieplicht vrijgestelde oppervlaktes een algemene regel (WT 5).
6. Als het te verharden oppervlak kleiner is dan 500 m², respectievelijk 1.500 m² en op zichzelf staat (door de aanvrager kan worden aangetoond dat niet te verwachten valt dat de verharde oppervlakte later veel groter zal worden door aanbouw of uitbreiding met kleinere delen), is geen compensatie nodig. Als het verharde oppervlak in eerste instantie weliswaar kleiner is dan 500 m², respectievelijk 1.500 m², maar deel uitmaakt van een groter geheel, bijvoorbeeld een planologisch bepaalde mogelijkheid, zou er van latere aanbouw of uitbreiding een cumulatief effect kunnen uitgaan. In deze gevallen moet bij een volgende uitbreiding, die het totaal verharde oppervlak groter doet zijn dan 500 m², respectievelijk 1.500 m², de meerdere oppervlakte alsnog worden gecompenseerd.
7. Bij hemelwaterlozing van een verhard oppervlak groter dan 500 m², respectievelijk 1.500 m², moet de aanvrager voorzieningen treffen om de landelijk afvoer te realiseren door middel van: - het creëren van extra waterberging op het eigen terrein door middel van het graven of vergroten van een oppervlaktewaterlichaam, en/of - het creëren van extra retentie in het oppervlaktewaterlichaam waarop wordt geloosd door vergroten van het profiel van de oppervlaktewaterlichaam, en/of - het graven van nieuw oppervlaktewaterlichaam binnen hetzelfde peilgebied en aangesloten op bestaande A- of B-wateren, en/of - het creëren van extra berging door het aanleggen van wadi’s.
8. Er kan onderscheid gemaakt worden in wadi’s met de volgende functie: a. berging met tevens infiltratie of, b. alleen berging (droogvallende retentie) waarbij aan de volgende uitgangspunten moet worden voldaan: Berging met infiltratie Berging max. toegestane berging T=100+10% (tot aan maaiveld) T=100+10% (tot aan maaiveld) max. ledigingstijd 48 tot 96 uur 48 tot 96 uur GHG (Gemiddeld Hoogste > 50 cm onder bodem wadi gelijk aan of lager dan bodem wadi Grondwaterstand) leggerstatus B, indien direct gekoppeld aan A B, indien direct gekoppeld aan A systeem, anders geen systeem, anders geen
9. In het kader van duurzaam bouwen en bestrijding van verdroging, kan ook het infiltreren van schoon dakwater in de grond in principe als mogelijkheid worden geaccepteerd. Bij de aanvraag moet de afmeting en constructie van de infiltratievoorziening goed in beeld worden gebracht. Aanvrager moet aantonen dat de infiltratievoorziening goed kan functioneren en dat geen versnelde afvoer naar het oppervlaktewater zal ontstaan. In het grootste gedeelte van het beheergebied is infiltratie niet mogelijk, omdat de grondslag (klei, veen) niet geschikt is. Daarentegen kan het ook wenselijk zijn om uit waterkwaliteitsoverwegingen hemelwater van wegen, dat niet via het talud naar oppervlaktewater wordt afgevoerd, juist wel te infiltreren in wadi’s of andere infiltratievoorzieningen.
10. Compensatie voor verhard oppervlak kan zowel plaatsvinden in een nieuw oppervlaktewaterlichaam als in een bestaand oppervlaktewaterlichaam. De aanvrager moet bij de aanvraag zelf aangeven op welke manier en waar hij de compensatie gaat maken. Het waterschap toetst vervolgens of dat voldoende is.
Soms heeft het waterschap om locatiespecifieke redenen een voorkeur voor compensatie in een nieuw dan wel bestaand oppervlaktewaterlichaam. Als er compensatie plaatsvindt in een bestaand oppervlaktewaterlichaam, dan gaat de voorkeur uit naar compensatie in B-wateren boven compensatie in A-wateren. Dit onder andere op basis van het veroorzakersbeginsel. Daarbij is compensatie in A-wateren minder gewenst vanwege optredende problemen in de sfeer van eigendom en onderhoud.
11. Als de aanvrager kan aantonen dat compensatie in een B- of A-water redelijkerwijs niet mogelijk is, kan het waterschap ook compensatie in bestaande of nieuwe C-wateren toelaten.
12. In het stedelijk gebied kan een uitbreiding tussen 500 m² en 1.500 m² worden gecompenseerd door participatie in een waterbergingsbank. De aanvrager moet dan door middel van een verklaring van de gemeente welke een watervergunning heeft voor een waterbergingsbank, kunnen aantonen dat op deze manier wordt voldaan aan de compensatieplicht.
13. In eerste instantie moet de berging bij het lozingspunt worden gemaakt. Als de aanvrager aantoont dat dit niet mogelijk is, dan kan de berging elders in het peilgebied worden gerealiseerd. De aanvrager is in dat geval ook verantwoordelijk voor een voldoende aanvoer vanaf de lozing naar de berging. Daardoor kunnen tussen het lozingspunt en de berging geen problemen ontstaan. Als geloosd wordt op een ander oppervlaktewaterlichaam dan waar de compensatie wordt gemaakt, moet het watersysteem tussen het lozingspunt en de locatie van de gemaakte compensatie voldoende capaciteit hebben om te voorkomen dat door de lozing te grote peilstijging, opstuwing of stroomsnelheid kan ontstaan. De aanvrager moet dit door middel van een hydraulische berekening aantonen.
14. Als de aanvrager aantoont dat compensatie in hetzelfde peilvak niet mogelijk of onwenselijk is, kan het waterschap op grond van waterhuishoudkundige argumenten toelaten dat compensatie in een benedenstrooms gelegen peilvak plaatsvindt.
15. In het kader van duurzaam bouwen kan ook compensatie in de vorm van vegetatiedaken in principe worden geaccepteerd. Bij de aanvraag moet de effectiviteit van het vegetatiedak worden aangetoond door middel van een (berekenings-)rapport en een onderhoudsplan van het vegetatiedak.
16. Vegetatiedaken als nieuw verhard oppervlak moeten voor 70 % in open water worden gecompenseerd. Dit geldt alleen voor een vegetatiedakoppervlak van minimaal 1000 m².
17. Van de compensatieplicht voor nieuw verhard oppervlak, kan de oppervlakte van recent gesloopte gebouwen worden afgetrokken. De sloop mag niet langer dan 5 jaar geleden zijn geweest en er moet gesloopt zijn met het doel om te herbouwen. De eigenaar die gesloopt heeft moet wel zelf de aanvraag indienen. Deze regel geldt niet voor rechtsopvolgers, omdat deze de gekochte grond zonder de gesloopte gebouwen aantreffen en voor nieuw verhard oppervlak met de gebruikelijke compensatie rekening moeten houden.
18. In principe kan voor overcompensatie watervergunning worden verleend, als de watervergunninghouder de overcompensatie binnen maximaal 5 jaar na de dag waarop de watervergunning werd verzonden zal inzetten. De watervergunninghouder kan gemaakte overcompensatie niet aan anderen overdragen. Deze regel geldt niet voor een gemeentelijke waterbergingsbank.
19. Voor nieuw verhard oppervlak in de glastuinbouw en/of pot- en containercultuur geldt dat compensatie van hemelwater voor maximaal 75% in een te bouwen bassin mag plaatsvinden. Als uitgangspunt voor de compensatieberekening wordt T=50 als maatgevende bui gehanteerd. Dit betekent dat de te hanteren 3 vuistregel gesteld wordt op 580 m /ha.
20. Er geldt een vrijstelling van de compensatieplicht voor nieuw verhard oppervlak in de glastuinbouw en/of 3
pot- en containercultuur, indien het hemelwater wordt geborgen in een bassin van minimaal 3500 m per ha. en zonder aanwezigheid van een overloop.
21. Bij pot- en containercultuur op lavabakken geldt dat lavabakken enerzijds als nieuw verhard oppervlak gelden, terwijl anderzijds de bakken zelf bergend vermogen bezitten. Voor de toepassing van het compensatiebeleid wordt het bergend vermogen van de lavabakken zelf, gesteld op 50%.
22. Voor de compensatieberekening van lavabakken geldt daarom een vuistregel van 290 m3/ha. Deze compensatie mag ook voor maximaal 75% in een bassin plaatsvinden.
23. Voor de compensatie van minimaal 25% nieuw verhard oppervlak in de glastuinbouw (buiten het bassin) geldt de voorkeurreeks als vermeld onder punt 7 en het criterium als vermeld onder punt 13.
24. Bij nieuw aan te leggen sportvelden moet worden gecompenseerd voor versnelde afvoer van hemelwater naar het watersysteem. Afhankelijk van het type ondergrond moet voor een bepaald percentage worden gecompenseerd ten opzichte van 100% verhard oppervlak. Deze percentages zijn in onderstaande tabel weergegeven.
Percentage compensatie sportvelden Toekomstige situatie Huidige situatie
Sportveld Natuurgras (gedraineerd)
Sportveld Kunstgras (gravel e.d.)
Sportveld Verhard (beton, tegels e.d.)
Onverhard (gedraineerde/ ongedraineerde weiland en grond)
20 %
50 %
100 %
Sportveld Natuurgras (gedraineerd)
-
30 %
80 %
Watertoets Brakel-West te Zaltbommel projectnummer 0485570.100 21 mei 2024 revisie 04 Gemeente Zaltbommel
Bijlage 3 Beleidsregel 5.14 Het (ver)graven van (nieuwe) oppervlaktewaterlichamen
blad 53 van 74
5.14 Het (ver)graven van (nieuwe) oppervlaktewaterlichamen Wijziging beleidsregel: Zaaknr.
Datum vastgesteld:
omschrijving wijziging:
Kader Keur Deze beleidsregel gaat over keurartikel 3.2 onder 1, 2 en 3: 1. Het is verboden zonder watervergunning van het bestuur gebruik te maken van een waterstaatswerk of bijbehorende beschermingszones door, anders dan in overeenstemming met de waterhuishoudkundige functies, daarin, daarop, daarboven, daarover of daaronder handelingen te verrichten, werken te behouden of vaste substanties of voorwerpen te leggen, te laten staan, te vervangen, te verwijderen of te vervoeren. 2. Het is verboden zonder watervergunning van het bestuur een waterstaatswerk te wijzigen, te vervangen of te verwijderen. 3. Het is verboden zonder watervergunning van het bestuur waterkeringen en oppervlaktewaterlichamen (met inbegrip van de daarin gelegen en daartoe ten dienste staande kunstwerken) aan te leggen of te graven met als bedoeling deze te verbinden met bestaande waterstaatswerken.
Verklaring van een aantal begrippen Onder oppervlaktewaterlichamen worden in deze context wateren verstaan die onderdeel vormen van, of van invloed zijn op, het watersysteem. Er zijn verschillende soorten oppervlaktewaterlichamen: A-wateren: zijn oppervlaktewaterlichamen met een primaire functie voor het waterhuishoudkundig systeem. Het water heeft deze functie als een landelijk gebied met een oppervlakte vanaf 50 ha. of als een stedelijk gebied met een oppervlak vanaf 25 ha. afhankelijk is van dit water voor de wateraanvoer en/of de waterafvoer en de waterberging; B-wateren: zijn oppervlaktewaterlichamen met een secundaire functie voor het waterhuishoudkundig systeem. Het water heeft deze functie als een landelijk gebied met een oppervlakte tussen de 20 en 50 ha. of als een stedelijk gebied met een oppervlak tussen 10 en 25 ha. afhankelijk is van dit water voor de wateraanvoer en/of de waterafvoer en de waterberging; C-wateren: zijn oppervlaktewaterlichamen met een tertiaire functie voor het waterhuishoudkundig systeem. Het water heeft deze functie als een landelijk gebied met een oppervlakte tot 20 ha. of als een stedelijk gebied met een oppervlak tot 10 ha. afhankelijk is van dit water voor de waterberging.
Voor welke oppervlaktewaterlichamen geldt deze beleidsregel? Deze beleidsregel heeft betrekking op alle oppervlaktewaterlichamen, voor zover deze onderdeel zijn of zullen worden van het watersysteem dat wordt beheerd door Waterschap Rivierenland. Raakvlakken met ander beleid Nieuwe oppervlaktewaterlichamen worden meestal gegraven als compensatie voor de demping van oppervlaktewaterlichamen en/of voor de versnelde afvoer van hemelwater ten gevolge van de uitbreiding van verhard oppervlak. Een demping van een oppervlaktewaterlichaam wordt getoetst aan de algemene toetsingcriteria. Voor nieuwe lozingen van hemelwater van verhard oppervlak geldt een aparte beleidsregel (5.16). Voor het graven van oppervlaktewaterlichamen (voorkeursvolgorde compenseren, afmetingen) geldt een aparte beleidsregel (5.1)
Doel van het beleid Het doel van deze beleidsregel is het beschermen van het watersysteem. In dit geval gaat het om het voorkomen van stremming en stuwing in de aan- en afvoer van water, het waarborgen van een goede