CConstaterende datZaltbommel
Koppel je AI →
Document · PDF

1. Bestemmingsplan Gameren, Hendrikstraat Molendel Gameren

Raadsvergadering 13 juli 2023, gemeente ZaltbommelBij agendapunt: Bestemmingsplan Gameren, Hendrikstraat/ Molendel36.223 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 3 van 5

Dat is vooral van belang als de opgaven in de ruimtelijke omgeving met elkaar concurreren. Dan gaat het erom de juiste balans te vinden tussen rolvastheid en flexibiliteit. Flexibiliteit is ook nodig om in te spelen op toekomstige ontwikkelingen. De visie is nu gemaakt, onwetend wat er op ons af komt en hoe de toekomst van 2050 er precies uit gaat zien. De watervisie is ook een uitnodiging aan overheden, bedrijven en burgers om elkaar te inspireren. Waterbeheerprogramma 2022-2027 Het waterbeheerprogramma, vastgesteld 26 november 2021 door het waterschap, heeft de titel Versterken. Verbinden. Vergroenen. “Het beschrijft wat wij van 2022 tot en met 2027 willen bereiken. Met wie, hoe we dat willen doen en waarom. Met dit waterbeheerprogramma maken we geen nieuw beleid. We beschrijven de uitvoering van bestaand beleid en onze voornemens om nieuw beleid te maken. We bouwen uit wat al goed gaat en maken beter wat nog aandacht nodig heeft. We versterken. We werken in een dynamische omgeving met complexe maatschappelijke opgaven die we samen met onze partners moeten oppakken. Daarom vinden we het belangrijk om te verbinden. Daarom besteden we een apart hoofdstuk aan samenwerking. Ook vergroenen is een prominent thema in dit waterbeheerprogramma. We besteden aandacht aan extreem weer, klimaat- en energieneutraliteit en circulariteit.

Tot slot leest u uiteraard over ons dagelijks werk en onze andere speerpunten. Van het bijdragen aan een fijne leefomgeving voor mens en natuur tot het beheer van water en dijken. Van het beschermen tegen overstromingen tot het eerlijk verdelen van water en het werken aan schoon water.” Bij het opstellen van het waterbeheerprogramma is rekening gehouden met de eisen die voortvloeien uit de Europese Kaderrichtlijn Water (KRW). Maatregelen uit het waterbeheerprogramma zijn in kaart gebracht bij de door het Rijk vast te stellen Stroomgebiedbeheerplannen (SGBP’s). Water- en rioleringsplan Bommelerwaard 2022-2026 Het WRP is hét overkoepelend beleidsplan waarin de gemeente de ambities rondom riolering en water verwoorden. De bekostiging van de maatregelen hiervoor wordt geborgd in het uitvoeringsprogramma. Bij dit WRP zet de gemeente de werkwijze van het WRP 2017-2021 voort. Een resultaatgerichte methodiek wordt gehanteerd waarbij op basis van beelden en keuzes beleid is vastgelegd. Het beleidskader richt zich op de kenmerken veilig, functioneel, heel en schoon. Het beleidskader voor de gemeentelijke watertaken bestaat uit vier onderdelen, stedelijk afvalwater, hemelwater, grondwater en oppervlaktewater. De eerste drie onderdelen corresponderen met de drie wettelijke zorgplichten van de gemeente.

Het vierde onderdeel is een gemeenschappelijke taak van gemeenten en waterschap voor schoon en voldoende water (in lijn met de Waterschapswet en Waterwet). Bij het bepalen van de ambitie gebruikt de gemeente drie kwaliteitsniveaus. Elk kwaliteitsniveau heeft bijbehorende consequenties en kosten. Oftewel: elke kwaliteit heeft zijn prijskaartje. De ambitieafweging is bij aanvang van het nieuwe WRP gedaan in gemeenschappelijk verband. Er zijn geen wijzigingen ten opzichte van de vorige ambities doorgevoerd.

Pagina 46

Bestemmingsplan ‘Gameren, Hendrikstraat Molendel’

Keur Waterschap Rivierenland 2014 Het waterschap is verantwoordelijk voor het waterbeheer (waterkwaliteit en –kwaliteit) binnen het plangebied. Voor waterhuishoudkundige ingrepen is de Keur van toepassing. De Keur is een waterschapsverordening die gebods- en verbodsbepalingen bevat met betrekking tot ingrepen die consequenties hebben voor de waterhuishouding en het waterbeheer. Zo mag men bijvoorbeeld geen hemelwater, afkomstig van nieuw verhard oppervlak, op een oppervlaktewaterlichaam lozen. Als er veel extra verharding bijkomt, moet er waterneutraal worden gewerkt; er moet gecompenseerd worden door bijvoorbeeld extra bergingscapaciteit. Te beheren wateren worden verdeeld in: • A-wateren: van primair belang voor het waterbeheer en worden daarom door het waterschap onderhouden. • B-wateren: van secundair belang voor het waterbeheer en dienen door de aangrenzende eigenaren te worden onderhouden. • C-wateren: wateren die van tertiair belang zijn voor het waterbeheer waarvoor geen jaarlijkse onderhoudsplicht geldt. Er is sprake van A-, B- en C-watergangen incl. beschermingszones in of nabij het gebied (figuur 17). Gezien de omvang van het plan en daarbij verwachte toename in verhard oppervlak dient deze gecompenseerd te worden in de vorm van waterberging.

Binnen de diverse bestemmingen kunnen waterbergingen van 57 m3 (extra gegraven oppervlaktewater/watergangen) en 1.045 m3 (wadi’s) worden gerealiseerd. Het plangebied heeft geen waterkering (figuur 18); de primaire kering ligt buiten het plangebied. Het gebied ligt nabij een buitenbuitenschermingszone. Er zal niet worden gebouwd binnen 50 meter van de dijk.

Figuur 1 7: Legger w ater en

Pagina 47

Bestemmingsplan ‘Gameren, Hendrikstraat Molendel’

Figuur 1 8: Le gge r water keringen

Ten aanzien van het plan en de omgang met hemelwater zijn de volgende uitgangspunten gehanteerd. • Toepassen voorkeursvolgorde waterkwantiteit (vasthouden, bergen en afvoeren). • Toepassen voorkeursvolgorde waterkwaliteit (schoonhouden, scheiden, zuiveren). • De ontwikkeling dient hydrologisch neutraal plaats te vinden (HNO). • Niet afwentelen op anderen in ruimte en tijd. • De wateropgave baseren op de toename van het toekomstig verhard oppervlak. Vooralsnog is uitgegaan van 17.041 m2. • Wateropgave bui T=10+10%, 436 m³ per hectare verharding. • Wateropgave bui T=100+10%, 664 m³ per hectare verharding. • Compensatie dempen watergangen 158 m2 (op zomerpeil). • De maximale ledigingsduur van het systeem bij voorkeur gelijk of kleiner dan 48 uur. • Aanlegdiepte bergingsvoorzieningen boven de GHG. • GHG 2,1 m +NAP aan de oostzijde en 1,7 m +NAP aan de westzijde. • Calamiteit in beschouwing nemen (mag niet tot overlast leiden). • Bouwen volgens Duurzaam Bouwen (DuBo) principe. Er is nog geen rekening gehouden met kwelafvoer, de berekening wordt gemaakt na het bepalen van de GHG. Daarnaast wordt nog aangetoond dat geen opbarstrisico optreedt ten gevolge van de voorgenomen te graven watergangen. Watertoets Veranderingen in de grondwaterstand (stijghoogte) worden voornamelijk veroorzaakt door neerslag en verdamping, maar ook door ingrepen in de waterhuishouding.

De stijghoogte kan daardoor van dag tot dag verschillen. Voor beleid, vergunningen en ontwateringsdieptes is het belangrijk om te weten wat de actuele karakteristieken zijn, zoals de GHG en de GLG (Gemiddeld Hoogste Grondwaterstand en Gemiddelde Laagste Grondwaterstand). TNO-NITG voert het databeheer van in de omgeving aanwezige grondwaterpeilputten waarin de grondwaterstandstand in het eerste watervoerende pakket wordt gemonitord. Middels de interactieve grondwatertools ‘Isohypsen’ en ‘Grondwaterdynamiek’ van de Geologische Dienst Nederland worden de historische grondwatermeetreeksen uit het archief van TNO gesimuleerd met behulp van dagelijkse metingen van neerslag en verdamping uit gegevens van het KNMI. In het archief van TNO zijn in de directe nabijheid van de planlocatie geen bruikbare grondwaterdata beschikbaar. Voor de bepaling van de locatie specifieke grondwaterkarakteristieken is gebruik gemaakt van historische grondwaterdata van grondwatermeetpunten uit

Pagina 48

Bestemmingsplan ‘Gameren, Hendrikstraat Molendel’

de omgeving. De historische meetreeksen van de gebruikte grondwatermeetpunten zijn geïnterpoleerd naar de planlocatie. Op basis van de beschikbare gegevens is het lastig om een eenduidige Gemiddelde Hoogste Grondwaterstand (GHG) voor de planlocatie te bepalen. In overleg is besloten om voor de planlocatie vooralsnog uit te gaan van een GHG is gelegen tussen de 2,1 m +NAP in het oosten tot 1,7 m +NAP in het westen. Om meer inzicht te verkrijgen in de lokale grondwaterkarakteristieken en zodoende de GHG voor de planlocatie nauwkeuriger te bepalen is 6 december 2022 centraal op de planlocatie 1 peilbuis geplaatst waarin vooralsnog tot circa eind maart 2023 de grondwaterstand wordt gemonitord. De gemeten grondwaterstanden worden daarbij vergeleken met de grondwaterstanden uit de rondom de planlocatie gelegen grondwaterpeilputten. Afhankelijk van de waarnemingen en de verwachtte trend kan op basis van de historische meetreeksen van de grondwaterpeilputten uit de omgeving de GHG op de planlocatie worden afgeleid. Op basis van deze GHG wordt het uiteindelijke maaiveldniveau voor de woningen en openbare ruimte bepaald. In de toekomstige situatie zal het schone hemelwater niet op het vuilwater worden aangesloten maar separaat worden ingezameld en binnen de planlocatie worden verwerkt.

Het vuilwater zal in de toekomstige situatie worden aangesloten op het bestaande rioleringsstelsel in de omgeving. Het plan voorziet in de aanleg oppervlaktewater en wadi’s. Als gevolg van de beoogde ontwikkelingen worden enkele secundaire watergangen (B-water) gedempt en/of worden vergraven. De bestaande A-watergang in het plan blijft grotendeels gehandhaafd én wordt deels gedempt. De duiker in het te dempen deel van de A-watergang wordt verwijderd. De te dempen A-watergang wordt in B-water 1 op 1 gecompenseerd met nieuw open water. De niet watervoerende B-watergang (260 m2) hoeft niet te worden gecompenseerd. In totaal wordt 158 m2 (op zomerpeil) watergang gedempt. Op basis van de GHG, bodemopbouw en textuur wordt infiltratie niet mogelijk geacht. Vanuit de tijdelijke bergingsvoorziening zal (hemel)water vertraagd worden afgevoerd op het oppervlaktewater. Om de water- en bodemkwaliteit niet negatief te beïnvloeden dient bij voorkeur geen gebruik gemaakt te worden van uitlogende bouwmaterialen (koper, zink, lood). Voor het gebruik van onkruidwerende middelen in groen en op verharding dient het landelijke beleid gevolgd te worden. Bomen maken het verrichten van onderhoud lastig. Het waterschap zal het onderhoud van de A-watergang doen en hanteert een afstand van minstens 10 meter tussen de bomen.

Voor de beschermings- en schouwzones van de watergangen wordt een aanduiding op de verbeelding opgenomen. Voor meerdere activiteiten zal een watervergunning aangevraagd moeten worden c.q. geldt een meldingsplicht. Uit de watertoets van 9 mei 2023 (bijlage 24) blijkt dat bij de planuitwerking water expliciet en op evenwichtige wijze in beschouwing wordt genomen. Hiermee wordt hemelwater op een duurzame wijze verwerkt. Op basis van de randvoorwaarden en uitgangspunten is de ontwikkeling dan ook in zowel ruimte als tijd waterneutraal uit te voeren. Er worden dan ook vanuit het oogpunt van de waterhuishouding geen belemmering verwacht ten aanzien van de bestemmingswijziging en de uitvoering van het plan. Het planvoornemen voorziet in voldoende bergingscapaciteit (57 m3 in extra gegraven oppervlaktewater/watergangen en 1.045 m3 in wadi’s) om de volledige wateropgave van 57 m3 (wateropgave bui T=10+10%) en 1.044 m3 (wateropgave bui T=100+10%) en de demping van 158 m2 bovengronds te kunnen bergen. Het dempen van het bestaande oppervlaktewater is gecompenseerd door meer nieuw oppervlaktewater te graven. Het extra gegraven water, vormt dan een extra berging. Tijdig wordt een watervergunning aangevraagd volgens de keur nu er nabij de watergangen werkzaamheden plaatsvinden. Over het plan is in december 2021, februari, juli en november/december 2022 vooroverleg geweest met het waterschap.

Op 18 mei 2022 en 21 december 2022 heeft het waterschap een aanvullend advies gegeven. Mits er nog een waterhuishoudkundig plan (WHP) wordt opgesteld ten tijde van de vergunningaanvraag. Hierin zal rekening gehouden worden met kwelafvoer, waarbij de berekening wordt gemaakt na het bepalen van de GHG, én zal worden aangetoond dat er geen opbarstrisico optreedt vanwege de voorgenomen te graven watergangen. Dit uitgewerkt (doorgerekend) WHP wordt opgeleverd met de gegevens die in maart van dit jaar bekend worden van de grondwatermeting in de peilbuis die in het najaar van 2022 is geplaatst. Het aangepaste WHP moet overlegd worden bij de aanvraag van de watervergunning, nodig voor het bouwrijpmaken van het gebied.

Pagina 49

Bestemmingsplan ‘Gameren, Hendrikstraat Molendel’

Conclusie Door diverse maatregelen te nemen, onderhoudszones op te nemen en voldoende berging te realiseren, is het aspect water voldoende in acht genomen, bij deze planontwikkeling. Zeker nu er tijdig een waterhuishoudkundig plan wordt opgesteld.

5.4

Geluidhinder

Regelgeving Sinds 1 januari 2007 is de Wet geluidhinder (Wgh) van kracht. Geluidsgevoelige ontwikkelingen moeten aan deze wet worden getoetst. In de Wgh is bepaald dat de geluidsbelasting als gevolg van wegverkeerslawaai, spoorweglawaai en/of industrielawaai op de gevels van (andere) geluidsgevoelige gebouwen getoetst moet worden aan de in de Wgh opgenomen (voorkeurs)grenswaarden. In een 30 km/uur-gebied kan toetsing veelal achterwege blijven. De wegen rondom het plangebied zijn als 30 km/uur aangewezen. Onderzoek Voor dit plan is een geluidsonderzoek uitgevoerd, bijlage 23, d.d. 23 mei 2022 waaruit blijkt dat de geluidsbelasting op de nieuw te bouwen woningen ten hoogste 47 dB bedraagt. Er vindt geen overschrijding van de ten hoogste toelaatbare geluidsbelasting van 48 dB plaats. De geluidgevoelige bestemmingen zijn gelegen in de geluidszone van de Waalbanddijk en de Burgerstraat. In het kader van een goede ruimtelijke ordening zijn tevens de nabijgelegen niet-gezoneerde wegen: niet gezoneerde deel van de Waalbanddijk, niet-gezoneerde deel van de Burgerstraat, Hendrikstraat, Ridderstraat, Nieuwstraat, Peperstraat, Prinsenstraat, Jan Coolenhof en de binnenplanse wegen in het onderzoek betrokken. Er gelden vanuit akoestisch oogpunt geen belemmeringen voor de realisatie van het plan. Dit onderzoek toont aan dat er sprake is van een goed woon- en leefklimaat.

Dit ter aanvulling op hetgeen uit figuur 19 blijkt. In het onderzoek is ook rekening gehouden met de geluidsbelasting op bestaande woningen in de omgeving én de verkeersaantrekkende werking. De geluidsbelasting op de nieuw te bouwen woningen bedraagt ten hoogste 47 dB. Er vindt geen overschrijding van de ten hoogste toelaatbare geluidsbelasting van 48 dB plaats. Derhalve zal het woon- en leefklimaat ter plaatse van de nieuwe woningen gewaarborgd worden en zijn, enkel voor de realisatie van de nieuwe woningen, geen belemmeringen voor de realisatie van het plan. Uit de vergelijking van de geluidsbelasting in de toekomstige situatie met de geluidsbelasting in de heersende situatie volgt dat er geen sprake is van een toename van 2 dB. Er is derhalve geen sprake van een significante toename op de bestaande woningen. Er gelden vanuit akoestisch oogpunt geen belemmeringen voor de realisatie van het plan. Conclusie Uit het geluidsonderzoek zijn geen belemmeringen gebleken. Een goed woon- en leefklimaat voor de huidige omwonenden én de toekomstige bewoners is gegarandeerd.

Pagina 50

Bestemmingsplan ‘Gameren, Hendrikstraat Molendel’

Figuur 1 9: Ge luid, woon- e n le efklmaat (bron: A tlas lee fom geving)

5.5

Luchtkwaliteit

Regelgeving Doel van de Wet luchtkwaliteit 2007 is het verbeteren van de luchtkwaliteit waarbij gewenste ruimtelijke ontwikkelingen doorgang kunnen vinden. In deze wet is de Europese richtlijn luchtkwaliteit geïmplementeerd. Voor luchtkwaliteit is stikstofdioxide het meest maatgevend. Daarnaast zijn ook de concentraties van fijn stof van belang. Het Besluit niet in betekenende mate bijdragen (AmvB), verder te noemen het Besluit NIBM, legt vast wanneer een project niet in betekenende mate bijdraagt aan de concentratie van een bepaalde stof en daarmee geen verdere toetsing nodig is. De Ministeriële Regeling, verder aan te duiden als de Regeling NIBM, geeft voor een aantal categorieën van projecten een (getalsmatige) invulling aan de NIBM-grens. Het gaat onder meer om woningbouw- en kantoorprojecten en enkele soorten van inrichtingen (bijvoorbeeld emplacementen, kassen en andere landbouwinrichtingen). Een project is NIBM als aannemelijk is dat het project een toename van de concentratie veroorzaakt van maximaal 3% van de grenswaarde voor het jaargemiddelde concentratie van fijn stof en stikstofdioxide. Dit komt overeen met 1,2 μg/m³ voor zowel fijn stof als stikstofdioxide. Voor woningbouw aan twee ontsluitingswegen is een grens van 3000 woningen bepaald. Het project ligt heel ver onder deze grens.

Het project leidt dus ‘niet in betekenende mate’ tot een verslechtering van de luchtkwaliteit. Dit wordt onderbouwd door de berekening in de NIBM-tool.

Pagina 51

Bestemmingsplan ‘Gameren, Hendrikstraat Molendel’

Worst-case berekening voor de bijdrage van het extra verkeer als gevolg van een plan op de luchtkwaliteit Jaar van planrealisatie

2023

Extra voertuigbewegingen (weekdaggemiddelde) Aandeel vrachtverkeer NO2 in μg/m3 PM10 in μg/m3

800 1,0% 0,51 0,12 1,2

Extra verkeer als gevolg van het plan

Maximale bijdrage extra verkeer Grens voor "Niet In Betekenende Mate" in μg/m3

Conclusie: De bijdrage van het extra verkeer is niet in betekenende mate: geen nader onderzoek nodig.

Onderdeel van de Wet luchtkwaliteit is niet alleen het Besluit NIBM maar ook het Besluit gevoelige bestemmingen. De grootste bron van luchtverontreiniging in Nederland is het wegverkeer. Het besluit legt aan weerszijden van rijkswegen en provinciale wegen zones vast. Bij rijkswegen is deze zone 300 meter, bij provinciale wegen 50 meter. Bij realisatie van 'gevoelige bestemmingen' binnen deze zones is toetsing aan de grenswaarden die genoemd zijn in de Wet luchtkwaliteit nodig. Dit besluit is opgesteld om mensen die extra gevoelig zijn voor een matige luchtkwaliteit aanvullend te beschermen. Deze 'gevoelige bestemmingen' zijn scholen, kinderdagverblijven en verzorgings-, verpleeg- en bejaardentehuizen. Woningen en ziekenhuizen/klinieken zijn geen gevoelige bestemmingen als bedoeld in dit besluit. Bovendien ligt de planlocatie niet binnen een dergelijke zone. Op de website van het milieu- en natuurplanbureau zijn grootschalige concentratiekaarten (GCN-kaarten, Atlas Leefomgeving) van luchtverontreinigende stoffen opgenomen. De kaarten (figuur 20 en 21) geven een beeld van de huidige luchtkwaliteit in Nederland en hebben betrekking op zowel recente als toekomstige jaren. Voor het jaar 2020 is de achtergrondconcentratie in het projectgebied voor stikstofdioxide 12 μg/m3 en voor fijn stof is dit 15 μg/m3.

De grenswaarden zijn in 2020 voor stikstofdioxide 40 μg/m3 en voor fijn stof 40 μg/m3. Dit betekent dat de achtergrondconcentraties ver onder de normen blijven. Conclusie Een en ander betekent dat een luchtkwaliteitsonderzoek niet noodzakelijk is en dat dit aspect geen belemmering vormt voor de voorgestane ontwikkeling. De woningbouw betekent niet een verslechtering van de luchtkwaliteit noch is er sprake van een slecht woon- en leefklimaat.

Pagina 52

Bestemmingsplan ‘Gameren, Hendrikstraat Molendel’

Figuur 2 0: Fijns tof 2020

Figuur 2 1: Stiks tofdioxide 202 0

Pagina 53

Bestemmingsplan ‘Gameren, Hendrikstraat Molendel’

5.6

Externe veiligheid

Beleidsvisie Gemeente Zaltbommel Met de beleidsvisie externe veiligheid van 28 november 2013 geeft de Gemeente Zaltbommel haar visie op de beheersing van veiligheidsrisico’s. De gemeente Zaltbommel hanteert de onderstaande ambities bij nieuwe situaties in de omgeving van aanwezige risicobronnen en bij nieuwe risicobronnen. 1. Provinciale en gemeentelijke wegen binnen de gemeente worden niet beschouwd als relevante transportroutes voor het vervoer van gevaarlijke stoffen. 2. Een risicobedrijf, dat vergelijkbaar is met een Bevi-inrichting, en de omgeving daarvan worden op een gelijke wijze behandeld als een Bevi-inrichting en haar omgeving. Vergelijkbare risicobedrijven zijn bijvoorbeeld een LNG-tankstation of een mijnbouwinrichting voor gaswinning. 3. Een specialist externe veiligheid en de Veiligheidsregio Gelderland-Zuid worden vroegtijdig betrokken bij een ruimtelijk besluit voor een plangebied dat ligt in de in deze visie vastgestelde zones. 4. Een standaard verantwoordingstekst mag worden gebruikt bij een ruimtelijk besluit voor een plangebied, waarbij de gevolgen op een zwaar ongeval zeer gering zijn en/of de mogelijkheden voor de zelfredzaamheid/bestrijdbaarheid redelijk tot goed zijn. 5. Het bestuur wordt in ieder geval actief betrokken bij de voorbereiding van besluiten waarbij wordt afgeweken van onderstaande ambities. 6.

In woongebieden worden geen nieuwe Bevi-inrichtingen en andere stationaire risicobronnen geïntroduceerd. Voor een nieuw gasdrukregel- en meetstation geldt (onder bepaalde voorwaarden) een uitzondering. Externe veiligheid gaat over de beheersing van activiteiten met gevaarlijke stoffen. Die activiteiten kunnen bestaan uit het opslaan, verwerken of transporteren van gevaarlijke stoffen. Deze activiteiten kunnen een risico veroorzaken voor de leefomgeving. De risico's worden uitgedrukt in twee risicomaten: het plaatsgebonden en het groepsrisico. Voor de beoordeling van een ruimtelijk plan moet voor externe veiligheid worden vastgesteld of het plangebied is gelegen binnen het invloedsgebied van specifieke risicovolle inrichtingen, relevante transportroutes voor het vervoer van gevaarlijke stoffen of relevante buisleidingen. Toetsingskaders zijn het "Besluit externe veiligheid inrichtingen” (Bevi), het "Besluit externe veiligheid transportroutes" (Bevt) en het "Besluit externe veiligheid buisleidingen" (Bevb). Daarnaast zijn in het Vuurwerkbesluit en het Activiteitenbesluit milieubeheer veiligheidsafstanden genoemd die rond stationaire risicobronnen, niet zijnde een inrichting die valt onder het Bevi, moeten worden aangehouden. Onderzoek Het plan voorziet zelf niet in de oprichting van een Bevi-inrichting of een andere stationaire risicobron.

Uit de regionale signaleringskaart (figuur 22) externe veiligheid blijkt verder dat het plangebied niet ligt binnen: • het invloedsgebied van een inrichting die valt onder het Bevi; • de veiligheidsafstanden van andere stationaire risicobronnen; • het invloedsgebied van een relevante buisleiding voor het transport van gevaarlijke stoffen; • het invloedsgebied van een relevante transportweg of een basisnetroute voor het vervoer van gevaarlijke stoffen over het spoor en de weg. Het plangebied ligt wel binnen een invloedsgebied van de transportroute van gevaarlijke stoffen over de Waal, waarbij personen kunnen overlijden als rechtstreeks gevolg van een zwaar ongeval met toxische stoffen. Het plangebied ligt echter buiten een veiligheidszone, een plasbrandaandachtsgebied en buiten de meest relevante zones voor het groepsrisico (de 200 meter zones). Op grond van artikel 7 van het Bevt moet in dergelijke gevallen worden ingegaan op de mogelijkheden voor: • de bestrijdbaarheid van een zwaar ongeval op deze transportroute • de zelfredzaamheid met betrekking tot nog niet aanwezige (beperkt) kwetsbare objecten binnen het plangebied. Volgens artikel 9 van het Bevt moet de veiligheidsregio in de gelegenheid worden gesteld om hierover een advies uit te brengen.

Veiligheidsregio Gelderland-Zuid heeft op 12 mei 2022 aangegeven dat in dit geval sprake is van een standaardsituatie, waarvoor onderstaande verantwoordingstekst kan worden gehanteerd. Relevant hierbij is ook dat het ruimtelijke besluit geen betrekking heeft op het mogelijk maken van een (nog niet aanwezig) "bijzonder kwetsbare object", bestemd voor verminderd zelfredzame personen.

Pagina 54

Bestemmingsplan ‘Gameren, Hendrikstraat Molendel’

Bestrijdbaarheid van de omvang van een ramp of zwaar ongeval. Bij een calamiteit, waarbij toxische stoffen (kunnen) vrijkomen, zal de brandweer inzetten op het beperken of voorkomen van effecten. Deze inzet zal voornamelijk plaatsvinden bij de bron. De brandweer richt zich dan niet direct op het bestrijden van effecten in of nabij het plangebied. De mogelijkheden voor bestrijdbaarheid worden daarom niet verder in beschouwing genomen. Mogelijkheden tot zelfredzaamheid Bij een calamiteit, waarbij toxische stoffen (kunnen) vrijkomen, is het belangrijk dat de aanwezigen in het plangebied worden geïnformeerd hoe te handelen bij dat incident. Hiervoor wordt gebruik gemaakt van de zogenaamde waarschuwings- en alarmeringspalen (WAS-palen) of NL-alert. Bij het genoemde incidentscenario is het advies om te schuilen in een gebouw en de ramen, deuren en ventilatieopeningen te sluiten. In het plangebied zijn voldoende mogelijkheden aanwezig om dit advies tijdig op te volgen Conclusie Het aspect externe veiligheid is dus voor het plangebied niet belemmerend. Er is geen verantwoording groepsrisico nodig.

Figuur 2 2: Signaler ings kaart

Pagina 55

Bestemmingsplan ‘Gameren, Hendrikstraat Molendel’

5.7

Ecologie / flora en fauna

Regelgeving Op basis van de natuurwetgeving is het van belang bij de ruimtelijke planvorming vooraf te onderzoeken of en welke dier- en plantensoorten er voorkomen, wat hun beschermingsstatus is en wat de effecten zijn van de ingreep op het voorbestaan van de gevonden soorten. Voorafgaand aan de gewenste wijziging dient onderzocht te worden of er sprake is van een aantasting van wettelijk beschermde natuurwaarden op basis van de groene wet- en regelgeving. Onderstaand zijn de diverse aspecten ten aanzien van natuurwaarden beschreven. Wet natuurbescherming De Wet natuurbescherming vervangt vanaf 1 januari 2017 drie wetten: de Natuurbeschermingswet 1998, de Boswet en de Flora- en Faunawet. Doel van de Wet natuurbescherming is drieledig: 1. bescherming van de biodiversiteit in Nederland; 2. decentralisatie van verantwoordelijkheden; 3. vereenvoudiging van regels. In onderstaande paragrafen wordt getoetst of de ontwikkeling invloed heeft op de beschermde gebieden en soorten die zijn opgenomen in de Wet natuurbescherming. Volledigheidshalve kan verwezen naar de ecologische quickscan van 13 oktober 2021 (bijlage 1) waarover hierna meer. Gebiedsbescherming De gebiedsbescherming is beperkt tot de Natura 2000-gebieden en eventueel buiten het Natuur Netwerk gelegen bijzondere provinciale natuurgebieden.

De bescherming van het Natuur Netwerk Nederland (NNN) is reeds beschermd in het Barro en provinciale Vr. In Nederland zijn 164 Natura 2000-gebieden aangewezen. Per Natura 2000-gebied zijn instandhoudingsdoelstellingen (voor soorten en vegetatietypen) opgesteld. Iedereen die vermoedt of kan weten dat zijn handelen of nalaten, gelet op de instandhoudingdoelen, nadelige gevolgen voor een Natura 2000-gebied kan hebben, is verplicht deze handelingen achterwege te laten of te beperken. Het bevoegd gezag kan schadelijke activiteiten beperken en eisen dat een vergunning in het kader van de Wet Natuurbescherming (Wnb) wordt aangevraagd. Regulier beheer en bestaand gebruik zijn (of worden) opgenomen in Natura 2000-beheerplannen. Na vaststelling van de beheerplannen hoeft daarvoor geen vergunning aangevraagd te worden. Zoals uit figuur 23 blijkt, ligt de planlocatie niet in of nabij een gebied dat voor de Natura 2000 en/of Natuurbeschermingswet relevant is. Op dit vlak zijn er geen belemmeringen. Het Natura 2000-gebied Rijntakken ligt op circa 3,7 km. en is daarmee weinig relevant.

Gezien de afstand tot het omliggende Natura 2000-gebied en omdat er tussen het gebied en de beoogde ontwikkeling veel landschapselementen aanwezig zijn zoals opstallen in de vorm van woningen, bossen en wegen, is er op de omliggende Natura 2000-gebieden geen sprake van negatieve effecten zoals oppervlakteverlies, versnippering, verontreiniging, verdroging, verstoring door geluid, optische verstoring, verstoring door mechanische effecten en bewuste verandering soortensamenstelling. Verder wordt op de onderhavige locatie een bedrijf gesaneerd. Hierdoor nemen de emissies af. Gezien het vorenstaande kan geconcludeerd worden dat negatieve effecten op soorten en habitattypen in beschermde Natura 2000-gebieden zijn uitgesloten. Dit wordt onderbouwd in de Aerius-berekening d.d. 14 april 2023, zie bijlage 4. Deze berekening is gedaan met het rekenprogramma dat sinds 26 januari 2023 is geactualiseerd. In verband met de PAS/stikstof-casus die speelt sinds mei 2019 is elke toename van stikstof vanwege een project in principe ontoelaatbaar. Woningbouwprojecten kunnen leiden tot een toename van de stikstofdepositie als gevolg van bouwwerkzaamheden in de aanlegfase (bijvoorbeeld als gevolg van de aanvoer van bouwmaterialen, grondverzet op de bouwplaats en woon-werkverkeer van bouwvakkers).

Het gebruik van de woningen (de gebruiksfase) kan ook leiden tot een toename van de stikstofdepositie als gevolg van het gebruik van aardgas en het autoverkeer van bewoners en bezoekers van de woningen. Ook speelt de afstand van een plan of project tot stikstofgevoelige delen van Natura 2000 een belangrijke rol bij de beoordeling van de mogelijke effecten. Momenteel zijn er nog twee glastuinbouwbedrijven actief, die zullen stoppen nadat het plan wordt vastgesteld. Dit betekent dat de glastuinbouwbedrijven als referentiesituatie kunnen dienen met betrekking tot stikstof. De potentiële stikstofeffecten van de onderhavige woningbouwlocatie zijn uitsluitend het gevolg van verkeer en tijdelijke werkzaamheden in de aanlegfase. Omdat de woningen daarnaast gasloos worden gebouwd zal de stikstofdepositie per saldo afnemen. Pagina 56

Bestemmingsplan ‘Gameren, Hendrikstraat Molendel’

Vanwege de geringe ontwikkeling en de ruime afstand tot het dichtstbijzijnde stikstofgevoelige Natura 2000gebied kunnen ook vermesting/verzuring worden uitgesloten. Significante negatieve effecten op beschermde gebieden kunnen derhalve worden uitgesloten. Uit de berekening blijkt dan ook dat er geen sprake zal zijn van toename van stikstofdepositie groter dan 0,00 mol/ha/jaar in de aanleg- en gebruiksfase. Natuurnetwerk Nederland In de twintigste eeuw is veel Nederlandse natuur verdwenen. De overgebleven gebieden zijn vaak klein en liggen veelal ver uit elkaar. Hierdoor hebben bepaalde organismen moeite om gebieden te bereiken en zich er te handhaven, waardoor de diversiteit van planten, dieren en micro-organismen (de biodiversiteit) ook sterk achteruit gaat. Om de biodiversiteit te behouden en te versterken is het NNN opgericht. Het NNN is een netwerk van natuurgebieden en verbindingszones. Het NNN is in de eerste plaats belangrijk als netwerk van leefgebieden voor veel planten en dieren. In het NNN (figuur 24) liggen: • bestaande natuurgebieden, waaronder de 20 Nationale Parken; • gebieden waar nieuwe natuur aangelegd wordt; • landbouwgebieden, beheerd volgens agrarisch natuurbeheer; • ruim 6 miljoen hectare grote wateren: meren, rivieren, de kustzone van Noordzee en de Waddenzee; • alle Natura 2000-gebieden.

Het Rijk heeft het algemene NNN-beleid in het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) vastgelegd. Op grond van artikel 2.10.2 van het Barro moeten provincies bij provinciale verordening de NNN-gebieden aanwijzen en nauwkeurig begrenzen. Op grond van artikel 2.10.3 Barro moeten zij ook de wezenlijke kenmerken en waarden van die gebieden vastleggen. Daarnaast wijzen de provincies de natuurdoelen in de NNN aan. Elk NNN-gebied heeft een zogenaamd natuurdoel. Een natuurdoel beschrijft een bepaalde natuurkwaliteit en wordt gebruikt als een toetsbare doelstelling voor een natuurgebied. Het plangebied grenst aan een NNN (GNN).

Figuur 2 3: Overzic ht natuur te vens PAS gevoe lig

Pagina 57

Bestemmingsplan ‘Gameren, Hendrikstraat Molendel’

Gelders natuurnetwerk Vanaf 2014 zijn de provincies verantwoordelijke voor de begrenzing en de ontwikkeling van het NNN. De provincie spant zich in voor een compact en hoogwaardig stelsel van onderling verbonden natuurgebieden en behoud en versterking van de kwaliteit van het landschap. Het Gelders Natuurnetwerk (GNN) en de Groene Ontwikkelingszone (GO) worden beschermd tegen aantasting van de kernkwaliteiten: dat zijn de natuurwaarden, de potentiële waarden en de omgevingscondities. Het GNN is een samenhangend netwerk van bestaande en te ontwikkelen natuur van internationaal, nationaal en provinciaal belang. Het uitgangspunt is dat in het GNN geen nieuwe initiatieven plaatsvinden, behalve ontwikkelingen van een groot algemeen of provinciaal belang of waarvoor geen alternatieven bestaan. In de GO is ruimte voor economische ontwikkeling in combinatie met een (substantiële) versterking van de samenhang tussen aangrenzende en inliggende natuurgebieden.

Figuur 2 4: N atuur ne twerk Nederland

De ecologische verbindingszones maken deel uit van de GO, evenals de weidevogelgebieden en de rustgebieden voor winterganzen. De provincie treft maatregelen vanwege de bescherming, de instandhouding of het herstel van biotopen, leefgebieden, een gunstige staat van instandhouding en het Natuurnetwerk Nederland. De provincie beschermt de achttien Natura2000 gebieden die in het GNN liggen. Verder richt het beleid zich op behoud van de basiskwaliteit van landschappen in Gelderland. Voor de landschappen van bovenregionale waarde geldt een beschermingsregiem met kernkwaliteiten en met een juridisch vangnet in de verordening, zodat de provincie in gesprek kan komen indien het provinciaal belang in het geding raakt. Het plangebied grenst aan een GNN. Soortenbescherming De soortenbeschermende werking is rechtstreeks opgenomen in de Wnb. In hoofdstuk 3 van de Wnb zijn de beschermingsregimes in drie aparte paragrafen neergelegd. Per beschermingsregime is bepaald welke verboden er gelden en onder welke voorwaarden ontheffing of vrijstelling kan worden verleend door het bevoegd gezag. Hieronder zijn de drie beschermingsregimes weergegeven: 1. Beschermingsregime soorten Vogelrichtlijn; Dit zijn alle van nature in Nederland in het wild levende vogels (zoals bedoelt in artikel 1 van de Vogelrichtlijn). Pagina 58

Bestemmingsplan ‘Gameren, Hendrikstraat Molendel’

2.

3.

Beschermingsregime soorten Habitatrichtlijn; Dit zijn soorten die genoemd zijn in Bijlage IV van de Habitatrichtlijn, Bijlage I en II van het Verdrag van Bern en Bijlage II van het Verdrag van Bonn. In de bijlagen van de Verdragen van Bern en Bonn worden ook vogels genoemd. Beschermingsregime andere soorten. Dit zijn soorten die genoemd zijn in Bijlage onderdeel A en B van de Wet natuurbescherming. Het gaat hier om de bescherming van zoogdieren, amfibieën, reptielen, vissen, dagvlinders, libellen, kevers en vaatplanten voorkomend in Nederland.

De Wnb regelt de bescherming van circa 300 in het wild voorkomende soorten inheemse planten en dieren. In de Wnb is onder meer bepaald dat beschermde diersoorten niet gedood, gevangen of verontrust mogen worden en plantensoorten niet geplukt, uitgestoken of verzameld mogen worden. Bovendien dient iedereen voldoende zorg in acht te nemen voor in het wild levende dieren en planten. Daarnaast is het niet toegestaan om hun directe leefomgeving, waaronder nesten en holen, te beschadigen, te vernielen of te verstoren. Bij het beoordelen van de in het plangebied voorkomende beschermde soorten gaat het primair om soorten die door de ingreep direct beïnvloed worden, doordat: • zij fysiek aangetast worden (doden/verwonden van dieren, verwijderen van planten); • zij verstoord worden (toename van geluid of licht); • hun vaste verblijfplaatsen c.q. groeiplaatsen aangetast of verstoord worden. Alle vogelsoorten hebben een bepaalde mate van bescherming. Er geldt een verbod op handelingen die nesten of eieren beschadigen of verstoren. Daarbij kan het naast broedende vogels, ook gaan om vogels die hun verblijfplaats het hele jaar gebruiken en ook jaarrond beschermd zijn. Ook handelingen die een vaste rust- of verblijfplaats van beschermde vogels verstoren zijn niet toegestaan.

Ten aanzien van vogelsoorten geldt dat, indien de werkzaamheden buiten het broedseizoen plaatsvinden, geen overtreding plaats zal vinden van de wetgeving ten opzichte van volgens. Het aanvragen van een ontheffing is dan niet aan de orde. De wet kent geen standaardperiode voor het broedseizoen. Het gaat erom of er een broedgeval is. De periode april tot half juli kan globaal worden aangehouden voor het niet uitvoeren van werkzaamheden. Voor alle beschermde soorten, dus ook voor de soorten die zijn vrijgesteld van de ontheffingsplicht, geldt een zogenaamde algemene zorgplicht. Indien tijdens de uitvoering van de werkzaamheden beschermde soorten worden waargenomen dienen maatregelen te worden genomen om schade aan deze individuen zo veel mogelijk te voorkomen. Onderzoek De quickscan d.d. 13 oktober 2021, bijlage 1, concludeert dat de planontwikkeling geen negatief effect op de GNN zal hebben. Er wordt nader onderzoek naar vleermuizen geadviseerd en mitigatie vooraf, ter plaatse van het te slopen kantoor. Er is een ontheffing Wnb nodig. Voor vogels worden geen speciale adviezen gegeven behalve voor de steenuil. Voor de steenuil is aanvullend onderzoek (extra veldbezoek) nodig om te bepalen welke functie het gebied voor de steenuil heeft.

Er zijn 3 nestkasten als mitigerende maatregel opgehangen, aan de overzijde van de Waalbandijk om zo de steenuil te laten ‘landen’ waar het foerageergebied is. Dit, alsook het formeren van enkele foerageergebiedjes in het nieuwbouwplan, moet er toe bijdragen dat de situatie niet verslechtert, eerder verbetert. Vegetatie voor de kamsalamander moet behouden blijven en nabij watergangen moet worden onderzocht of dit voortplantingshabitat bevat Als de bramenruigte in het gebied behouden blijft, is geen ontheffing nodig voor de kleine marterachtigen. Er is ook extra veldbezoek ingepland voor de kamsalamander en de vleermuis. Vervolgonderzoek Uit het vervolgonderzoek d.d. 9 november 2022 (bijlage 2) blijkt dat aan de zuidwestzijde bij de regenpijp van het bedrijfsgebouw zich een paarverblijfplaats bevindt van de gewone dwergvleermuis. Overige vleermuisverblijven zijn afwezig. In de sloten in het plangebied zijn alleen algemeen voorkomende amfibieën en vissen (zogenaamde A-soorten) waargenomen, waarvoor in de provincie Gelderland een algemene vrijstelling geldt, in geval van ruimtelijke ontwikkeling, en beheer en onderhoud.

Omdat de sloten (inclusief de droog staande sloot (locatie E in figuur 3.3.2) met elkaar zijn verbonden en vis de larven van kamsalamanders eet, is het ook in andere jaren uitgesloten dat de sloten in het plangebied een functie hebben als voortplantingswater voor de kamsalamander. In een boom in de achtertuin aan de Hendrikstraat 8 bevindt zich een steenuilennestkast. In deze nestkast is dit jaar voor het eerst succesvol gebroed. Op basis van de BMP methode3 en BIJ12, kan worden aangenomen dat de waarnemingen toebehoren tot de steenuilen in het territorium behorende bij het nest aan de Hendrikstraat Pagina 59

Bestemmingsplan ‘Gameren, Hendrikstraat Molendel’

8. De graslanden in en ten westen van het plangebied, ten zuiden van de Waalbandijk, dienen als foerageergebied van het betreffende koppel steenuilen. Een concept Plan van aanpak voor beschermde soorten is in juli 2022 al voor de locatie opgesteld naar aanleiding van de voorlopige resultaten van het aanvullende onderzoek. Gebleken is dat er net buiten het plangebied aan de Hendrikstraat 8 een steenuilennest aanwezig is en dat het plangebied deel uitmaakt van het leefgebied van deze soort. Het leefgebied moet van voldoende kwaliteit en omvang zijn om het bestaande territorium en de huidige populatie in stand te houden. Tevens blijkt dat delen van het plangebied deel uitmaken van het leefgebied van de bunzing en van de landhabitat van de kamsalamander. Vleermuisverblijven zijn vooralsnog niet in het plangebied gevonden. Alhoewel de daar aanwezige begraasde weilanden voldoende voedsel bevatten voor steenuilen, zijn tijdens het steenuilenonderzoek in eerste instantie overigens geen steenuilen in dit gebied waargenomen. Dit is waarschijnlijk te wijten aan een tweetal belangrijke beperkingen in dit gebied: 1. Er is onvoldoende dekking voor steenuilen. Hierdoor vallen jagende steenuilen makkelijk ten prooi aan roofvogels of bosuil; 2. Het gras is gedurende een deel van de zomer te lang voor steenuilen. Steenuilen hebben kort gras nodig om op te jagen.

Om de eerste beperking op te lossen zijn er deze zomer door Steenuilenwerkgroep Bommelerwaard een drietal steenuilennestkasten in het gebied geplaatst. Om de tweede beperking op te lossen wordt er ingezet op het laten begrazen van 3 tot 4 ha rond de geplaatste steenuilennestkasten, zodat dat er jaarrond kort gras aanwezig is. Hiervoor is contact gezocht eigenaren van de gronden rond de steenuilenkasten, om afspraken te maken voor een periode van 10-15 jaar. Op dit moment loopt er jaarrond vee op deze gronden. Dit zorgt ervoor dat het gras kort blijft. Inmiddels is al een begrazingsovereenkomst gesloten met de eigenaar van grond aan de noordzijde van de Waalbandijk. 15 jaar lang wordt het gras kort gehouden. Het concept activiteiten- en mitigatieplan is aangepast naar aanleiding van overleg met de provincie en vormt de basis voor de ontheffingsaanvraag. In het activiteitenplan van 1 december 2022 (bijlage 3) is opgenomen dat er in het plangebied ook vleermuisverblijven gerealiseerd gaan worden met vleermuiskasten buiten het plangebied. Verder vormen meidoornhagen vormen compensatie voor de kamsalamander en bunzing. Waar mogelijk blijft braamstruweel behouden. Ook zullen enkele werkzaamheden worden uitgevoerd buiten de periode die voor de steenuil kwetsbaar is. Ook bij andere werkzaamheden wordt met de vleermuis, bunzing en kamsalamader rekening gehouden.

Tot slot vindt er monitoring plaats. Verder kunnen er in de toekomst in het gebied niet alleen verblijfplaatsen ontstaan maar zal er ook meer geschikt fourageergebied kunnen ontstaan voor de vleermuizen door de realisatie van laanbomen en tuinen. Het gebied wordt aantrekkelijker voor de gewone dwergvleermuis. Meer dan in de huidige vorm aanwezig is als kruidenarm grasland en kassen. Dit geldt ook voor wat betreft de waarde die het huidige grasland met kas heeft dat de afgelopen 10 jaar altijd intensief gebruikt is en daarom ook geen kruidenrijke vegetatie heeft kunnen ontwikkelen als fourageergebied, dus als waarde marginaal ten opzichte van het meer kruidenrijke grasland dat ontstaat met een andere begrazing aan de andere kant van de dijk. Het plangebied was toen er nog kassen grotendeels ongeschikt voor steenuilen en is door de sloop hiervan (tijdelijk) geschikt geworden. Conclusie Te allen tijde geldt de zorgplicht. Dit houdt in dat indien mogelijk schadelijke effecten op soorten zoveel mogelijk dienen te worden voorkomen. Te denken valt aan het verplaatsen van dieren naar veilige locaties buiten het werkgebied indien zij aangetroffen worden tijdens de werkzaamheden, of daar direct aan voorafgaand. Indien alsnog (onvermoed) zwaarder beschermde soorten worden aangetroffen, dient invulling te worden gegeven aan zorgvuldig handelen.

Om invulling te geven aan het zorgvuldig handelen dient gewerkt te worden volgens de voorschriften van een gedragscode. Geadviseerd wordt om de ‘Gedragscode flora en faunawetgeving, Ruimtelijke ontwikkeling en inrichting van de vereniging Stadwerk’ te hanteren. Deze gedragscode is van toepassing op de uitvoering van aanlegwerkzaamheden in groenvoorzieningen. Door te handelen volgens deze gedragscode wordt schade aan (lokale) populaties van beschermde planten en dieren voorkomen of tot een minimum beperkt.

Pagina 60

Bestemmingsplan ‘Gameren, Hendrikstraat Molendel’

Nu uit de onderzoeken verder geen belemmeringen zijn gebleken c.q. er tevens mitigerende maatregelen zijn en worden getroffen gelijktijdig met het doen van een ontheffingsaanvraag, staat ecologie de planontwikkeling niet in de weg.

5.8

Milieuzonering

Regelgeving Door het aanbrengen van een zone tussen bedrijvigheid en gevoelige bestemmingen (zoals woningbouw) kan de overlast ten gevolge van bedrijfsactiviteiten zo laag mogelijk gehouden worden. Zonering is met name van toepassing bij nieuwbouw van woningen en andere gevoelige functies in de directe omgeving van een bedrijf en bij vestiging van een nieuw bedrijf in de directe omgeving van gevoelige bestemmingen. Bij deze toets blijft een eigen bedrijfswoning buiten beschouwing. Een bedrijfswoning van derden wordt als reguliere burgerwoning beschouwd. In de VNG-brochure ‘Bedrijven en milieuzonering’ (2009) zijn aan de bedrijven dan wel bedrijfsactiviteiten milieucategorieën en richtafstanden toegekend. De genoemde afstanden zijn adviserend en indicatief, de situatie ter plaatse kan reden zijn om hiervan af te wijken. Bedrijven worden beoordeeld op gevaar, stof, geur en geluid. Deze brochure is als hulpmiddel (niet als blauwdruk) opgesteld om toe te passen bij plannen en toetsmomenten van ruimtelijke ontwikkeling, aldus ook de ondertitel van de brochure. De brochure is niet bedoeld om bij de beoordeling van een aanvraag omgevingsvergunning voor milieu te worden geraadpleegd. Er bestaat geen plicht om de brochure te hanteren. Wel is dit een algemeen aanvaarde methode in Nederland gebleken.

Milieucategorie in relatie tot afstand ‘rustige woonwijk’ 1 10 meter 2 30 meter 3.1 50 meter 3.2 100 meter 4.1 200 meter 4.2 300 meter. De afstanden zijn de afstanden tussen de bedrijvigheid/voorzieningen en de milieugevoelige bestemming; dus in beginsel de afstand van het bedrijfsperceel tot de gevel van de woning. De VNG-publicatie geeft richtafstanden tot het omgevingstype ‘rustige woonwijk’. Indien de aard van de omgeving dit rechtvaardigt, kunnen gemotiveerd gereduceerde richtafstanden, één stap kleiner, worden aangehouden bij het omgevingstype ‘gemengd gebied’, dat gezien de aanwezige functiemenging of ligging nabij drukke wegen al een hogere milieubelasting kent. Dit geldt ook voor lintbebouwing in het buitengebied met overwegend agrarisch en andere bedrijvigheid. De aan te houden afstanden worden veelal gerekend vanaf de bedrijfsinrichting, de perceelsgrens, aangezien bedrijfsactiviteiten ook buiten kunnen plaatsvinden. De afstand wordt gemeten tot de achtergevel van de woning. De nieuwe woningen komen allen achter de lintbebouwing (aan de geluidluwe kant) te liggen en met dit plan wordt het ook een aaneengesloten woongebied, met weinig andere functies erbij. Het plan is daarom te beschouwen als een rustige woonwijk. Toets In de nabijheid van de planlocatie liggen diverse bedrijven/bedrijfsbestemmingen.

In onderstaande tabel worden deze benoemd met de milieucategorie, gewenste en feitelijke afstand.

Pagina 61

Bestemmingsplan ‘Gameren, Hendrikstraat Molendel’

adres

bedrijf

milieu- aan te houden werkelijke categorie afstand afstand

opm

Burgerstraat 5

dienstwoning bakkerij

3.2

100

100

zie toelichting

Burgerstraat 7-9

bakkerij

3.2

100

90

Burgerstraat 11

teelt van snijbloemen

2

30

110

Burgerstraat 21a

melk vee (gestaakt)

3.2

100

300

Burgerstraat 2

stoffeerderij

1

10

110

Hendrikstraat 21

agrarisch hulpbedrijf (gestaakt)

3.1

50

28

plan voor 14 woningen in voorbereiding

groothandel in bestrijdingsmiddelen Hendrikstraat 25a-27 agrarisch hulpbedrijf

2

30

31

zie toelichting

3.1

50

62

Hendrikstraat 9

bouwbedrijf

2

30

60

strijdig gebruik

Nieuwstraat 13 Nieuwstraat 2b Nieuwstraat 1a

zie paragraaf geur

10 30

220 65 85

Nieuwstraat 3 Nieuwstraat 5 Nieuwstraat 11 Ridderstraat 47 Ridderstraat 24 Peperstraat 6 Peperstraat 10

agrarisch schilderswinkel 1 verkooppunt voor 2 motorbrandstoffen agrarisch zonder vee 2 agrarisch zonder vee 2 agrarisch zonder vee 2 slagerij 1 handelsonderneming fietsen 1 onbekend 2 elektotechnisch installatiebedrijf 2

30 30 30 10 10 30 30

100 140 140 75 65 65 100

Onderlangsweg 2

transportbedrijf hovenier

50

105

Hendrikstraat 25

3.1

Bakkerij Burgerstraat 7-9 Ter aanvulling op deze tabel wordt ten aanzien van de bakkerij aan de Burgerstraat 7-9 gebruik gemaakt van de motivering die is gehecht aan de omgevingsvergunning met planafwijking uit 2021 die is verleend voor het realiseren van een woning aan de Hendrikstraat 31 Gameren. Er is voor die ruimtelijke onderbouwing een maatwerkonderzoek voor wat geur en geluid gedaan. Ook in een verleende vergunning voor Hendrikstraat 12 is de milieuzonering voor de bakkerij beschreven. Een bakkerij valt onder sbi-code 4724, detailhandel brood en banket met bakken voor eigen winkel. Volgens bestemmingplan Gameren is een "bakkerij" (bk) toegestaan. Op het bedrijf is sbi-code 1071 van toepassing. Aangezien de productie > 7500 kg meel/week is dient er een richtafstand van 50 meter voor geur en geluid en 10 meter voor stof en gevaar te worden aangehouden. Deze afstand dient gemeten te worden vanaf de grens van het perceel dat de bestemming ‘Bedrijven, bakkerij’ heeft. Bij een productie hoger dan > 7500 kg meel/week wordt niet aan de richtafstand voor geur en geluid voldaan en is geen sprake van een goed woon- en leefklimaat ter plaatse. In dit geval hoeft dat niet meteen te betekenen dat het realiseren van de woning niet mogelijk is maar dan moet er aanvullend onderzoek worden uitgevoerd volgens stap 2 van de bijlage 5.2. van de VNG publicatie bedrijven en milieuzonering.

De afstand van de projectlocatie tot dit bedrijf bedraagt meer dan 50 meter. Dat betekent dat aan de richtafstand kan worden voldaan. Bovendien geldt er een maatwerkbesluit voor de bakkerij, waarin de geluidnormen zijn verruimd ten opzichte van de standaardnormering in het Activiteitenbesluit, en geluidreducerende omkasting van de compressor wordt aangebracht en middelvoorschriften zijn opgelegd met betrekking tot het aantal transportbewegingen in de nachtperiode. De bakkerij ligt dichter bij die nieuwbouwwoning Hendrikstraat 31 dan het plangebied Hendrikstraat Molendel. Bedrijf Brinkman Hendrikstraat 25-27 Ook het nabijgelegen bedrijf aan de Hendrikstraat 25-25a-27 is nader bekeken. Dit is één bedrijf, een groothandel in landbouwmachines (sbi 4661) en groothandel in kunstmest sbi-code 46752. Met name is van belang dat kunstmest niet in de buitenlucht wordt opgeslagen. Ook wordt opgemerkt dat het bedrijf op meerdere locaties actief is. Uit een controle is gebleken dat op deze vestiging geen sprake is van een groothandel in machines, waarvoor een richtafstand van 100 meter zou gelden. Een groothandel is zelfs niet toegestaan volgens het geldende bestemmingsplan. Bij de bedrijfslocatie in Gameren worden enkel bestrijdingsmiddelen en kunstmeststoffen opgeslagen en verhandeld, zoals uit een milieumelding en -controle blijkt.

Volgens tabel 1 van de publicatie Bedrijven en Milieuzonering (2009) valt een groothandel in bestrijdingsmiddelen en kunstmeststoffen onder sbi-code 46752 in milieucategorie 2. Hiervoor gelden richtafstanden van 30 meter voor geur, stof, geluid en gevaar. De Pagina 62

Bestemmingsplan ‘Gameren, Hendrikstraat Molendel’

aanduiding "R" bij het aspect "gevaar" geeft aan dat activiteiten onder de werking van het BEVI kunnen vallen. Maar uit het controlerapport blijkt dat het bedrijf maximaal 2.500 kg bestrijdingsmiddelen opslaat. Op grond van het Activiteitenbesluit en de toekomstige Omgevingswet geldt voor een opslag van deze omvang geen externe veiligheidsafstand. Ook voor de opslag van kunstmeststoffen in emballage zoals deze hier plaatsvindt geldt geen externe veiligheidsafstand. Een milieucategorie 2 als sbi-code 46752 aangeeft. past bij dit bedrijf. Ook dit bedrijf, dat op gelijke afstand ligt van Hendrikstraat 31 waar eerder vergunning is verleend, als van plangebied Hendrikstraat Molendel, vormde geen belemmering voor de bouw van de woning aan Hendrikstraat 31. Ten aanzien van Hendrikstraat 21 kan worden aangevuld dat dit bedrijf inmiddels daadwerkelijk is beëindigd en dat het vooroverleg is opgestart voor het voorontwerpbestemmingsplan voor woningbouw. Het wordt daarom aannemelijk geacht dat een milieucirkel niet langer relevant is. Voor het overige is in de tabel te zien dat bij de diverse bedrijven de werkelijke afstand groter is dan de toegestane afstand. Milieuzonering leidt niet tot een planbelemmering.

Conclusie Er is een goed woon- en leefklimaat en de bedrijvigheid wordt niet verder belemmerd door de nieuwbouw, een goede ruimtelijke ordening is geborgd, zie ook navolgende paragraaf over geur in dit bestemmingsplan, vanwege de agrarische bedrijvigheid. Temeer nu bestaande woningen al richtinggevend zijn voor de (eventuele uitbreiding van) bestaande bedrijfsactiviteiten.

5.9

Geurhinder

Regelgeving De Wet geurhinder en veehouderij (Wgv) vormt voor de beoordeling van aanvragen om vergunning in het kader van de Wet milieubeheer het toetsingskader voor de geurhinder vanuit veehouderijen. De Wgv stelt normen aan de geurbelasting van veehouderijen op geurgevoelige objecten en stelt minimale afstanden vast van veehouderijen tot geurgevoelige objecten. Om te beoordelen of sprake is van een goed woon- en verblijfklimaat wordt bij een ruimtelijke ordeningstoets voor de omgekeerde werking eveneens de Wet geurhinder en veehouderij toegepast. De geurbelasting is afkomstig van dieren waarvoor in de Regeling geurhinder en veehouderij (Rgv) een omrekeningsfactor is vastgesteld (bijvoorbeeld varkens, vleesvee, pluimvee, schapen en geiten). De geurbelasting wordt uitgedrukt in odour units per kubieke meter lucht (ouE/m3). De maximaal toegestane geurbelasting van veehouderijen op geurgevoelige objecten is afhankelijk van de ligging (concentratiegebied of niet-concentratiegebieden en binnen of buiten de bebouwde kom). Naast geurnormen houdt de Wgv ook rekening met (vaste) afstanden van veehouderijen tot geurgevoelige objecten. Bij deze afstanden gaat het om dieren waarvoor in de Rgv geen omrekeningsfactoren zijn vastgesteld (bijvoorbeeld melkrundvee en paarden).

De minimaal aan te houden afstand bedraagt 50 meter tot een geurgevoelig object buiten de bebouwde kom en 100 meter tot een geurgevoelig object binnen de bebouwde kom. De bedrijfswoning die tot de veehouderij zelf behoort, wordt niet aangemerkt als geurgevoelig object. Deze afstanden gelden ongeacht het aantal dieren dat er gehouden wordt. De te toetsen afstand wordt gemeten tussen de buitenzijde van een geurgevoelig object en het dichtstbijzijnde emissiepunt. Daarnaast moet de afstand van de buitenzijde van een dierenverblijf (onafhankelijk van de diersoort die er gehouden wordt) minimaal 25 meter bedragen tot een geurgevoelig object buiten de bebouwde kom en 50 meter bedragen tot een geurgevoelig object binnen de bebouwde kom. Iedere gemeente heeft de mogelijkheid om eigen geurbeleid op te stellen. De gemeente Zaltbommel heeft in 2010 een geurverordening vastgesteld, in september 2021 gewijzigd. In deze geurverordening is de locatie Hendrikstraat Molendel niet opgenomen. De gemeenteraad heeft voor elke locatie besloten dat de geurbelasting een bepaalde maximale norm OUe/m3 mag hebben. Dit in afwijking van de wettelijke regels van het Activiteitenbesluit en de Wet geurhinder en veehouderij. Voorgrondbelasting Voorgrondbelasting (omgekeerde werking geurwetgeving) is de geurbelasting veroorzaakt door de veehouderij die voor dat geurgevoelige object dominant is.

Dus de geurbelasting van die veehouderij die de meeste geur bij het geurgevoelige object veroorzaakt, omdat het een grote veehouderij is of omdat veehouderij dichtbij het geurgevoelig object ligt. De planlocatie wordt rondom omgeven door reeds bestaande geurgevoelige objecten. Deze belemmeren, als dat al het geval is, de omliggende veehouderijen. Alleen aan de noordzijde is de bestaande bebouwing "dunner" waardoor er mogelijk een belemmering kan optreden. Echter vanwege de ligging van de Pagina 63

Bestemmingsplan ‘Gameren, Hendrikstraat Molendel’

Waal en bijbehorende uiterwaarden is het niet aannemelijk dat er een belemmering ontstaat voor een veehouderij aan de noordzijde van de Waal.

Figuur 2 5: V aste afs tande n bouwblokke n

Figuur 26 : Voor grondbelas ting huidige s ituatie

Figuur 2 7: Voor grondbelas ting toe kom stige situatie

Figuur 28: Ac hte rgr ondbe lasting toekoms tige situatie

Achtergrondbelasting Achtergrondbelasting is de totale geurbelasting van alle veehouderijen in de omgeving van het geurgevoelige object. Dus de geurbelasting door de veelheid aan veehouderijen in de omgeving van een geurgevoelig object. De afstand tot de dichtstbijzijnde veehouderij is circa. 230 meter. Op deze locatie worden 40 schapen gehouden. De andere nog actieve veehouderijen in de omgeving liggen op meer dan 1000 meter van de planlocatie. Conclusie En gebleken (figuren 25 tot en met 29) is dat er in de nabijheid geen agrarische bedrijven zijn gevestigd die invloed hebben op de te realiseren woningen. De milieukwaliteit ter plekke van de woningbouw is goed. Tevens worden de bestaande veehouderijen reeds in een eventuele uitbreiding beperkt door de bestaande bebouwde kom van Gameren.

Pagina 64

Bestemmingsplan ‘Gameren, Hendrikstraat Molendel’

Figuur 2 9: Achter grondbelas ting huidige s ituatie

Geconcludeerd wordt dat ter plekke van de nieuwbouwwoningen een acceptabel woon- en leefklimaat gerealiseerd zal worden.

5.10 Overige belemmeringen, kabels en leidingen Er zijn geen overige belemmeringen bekend. Voorafgaand aan de bouwwerkzaamheden zal een Klic-melding worden uitgevoerd, waardoor eventueel overige aanwezige kabels en leidingen aangetoond kunnen worden waarmee rekening gehouden dient te worden bij werkzaamheden. De benodigde tracébreedte voor de aan te leggen ondergrondse kabels en leidingen bedraagt circa 1 meter. Voor de toegankelijkheid van kabels en leidingen dient het nutstracé onder het trottoir gepland te worden (niet onder groen (strook)). In principe 0.30 meter uit de perceelsgrens. Ontwikkelaar spant zich in voor de aanleg van bijvoorbeeld glasvezel.

5.11 Spuitzone boomgaarden Er zijn in Nederland geen wettelijke bepalingen over minimaal aan te houden afstanden tussen gronden waarop gewassen in de open lucht worden geteeld, zoals fruitbomen, en nabij gelegen woningen. In de ruimtelijke ordeningspraktijk bestaat een vuistregel om een afstand van 50 meter aan te houden. Het is een afstand die door de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State algemeen wordt toegepast en geaccepteerd wordt tussen percelen met open teelten en woningen. Bij deze afstand wordt ervan uitgegaan dat enerzijds de bedrijfsvoering van de agrariër niet wordt belemmerd en anderzijds dat er geen nadelige effecten optreden voor de gezondheid van omwonenden. Een woning is een spuitzone-gevoelig-object. Aangezien er zich binnen 50 meter van het plangebied geen losse agrarische gronden bevinden, waar teelt plaatsvindt en/of mogelijk zou zijn, kan het aspect spuitzone buiten beschouwing blijven.

5.12 Explosieven Op een onbekend aantal plaatsen in Nederland liggen nog bommen, granaten en andere munitie uit de Tweede Wereldoorlog. Tot op heden worden bij grond- en waterwerkzaamheden nog nagenoeg dagelijks nietgesprongen conventionele explosieven gevonden. Ook in en boven de Bommelerwaard hebben tijdens de Tweede Wereldoorlog allerlei oorlogshandelingen plaatsgevonden waarbij niet tot ontploffing gekomen explosieven en munitie is achtergebleven. Onder Conventionele Explosieven (CE) wordt verstaan: elk explosief dat niet als geïmproviseerd, nucleair, biologisch of chemisch kan worden aangemerkt. CE worden ook wel aangeduid als Niet-Gesprongen Explosieven (NGE). Volgens een mondiale, militaire inschatting is van al het materieel dat gedurende de Tweede Wereldoorlog (1940-1945) verschoten of afgeworpen is, ondergronds 10% en onder water 15% niet tot ontploffing gekomen. Wanneer deze explosieven bij werkzaamheden worden aangetroffen, kunnen deze gevaar opleveren voor de werknemers en de publieke veiligheid. Daarnaast kunnen deze vondsten een zware belasting voor het milieu vormen. Werkgevers zijn volgens ARBO-wetgeving verantwoordelijk voor het veilig kunnen uitvoeren van werkzaamheden door werknemers binnen onze Pagina 65

Bestemmingsplan ‘Gameren, Hendrikstraat Molendel’

gemeente. Daarom zijn zij verplicht om bij ruimtelijke ontwikkelingen historisch vooronderzoek te doen om de kans op de aanwezigheid van niet gesprongen CE met zekerheid te kunnen uitsluiten. Vooronderzoek In 2016 heeft de gemeente Zaltbommel een historisch vooronderzoek en explosievenkansenkaart voor de gehele gemeente laten opstellen. Op deze kaart zijn alle risicogebieden of wel 'verdachte' gebieden op het gebied van niet gesprongen CE aangegeven. Het plangebied is als ‘verdacht’ (figuur 30) aangemerkt. De locatie is in niet naoorlogs vergraven of verstoorde grond en er is sprake van grondroerende werkzaamheden. Vanuit de Arbo wetgeving is de werkgever verplicht om voorafgaand aan werkzaamheden de veiligheid van uw werknemers veilig te stellen via een risico-inventarisatie en evaluatie (RI&E). Daarom is het advies nader onderzoek naar explosieven uit te voeren in de vorm van een projectgebonden risicoanalyse (PRA) op het gebied van Conventionele Explosieven. Programma van eisen In het programma van eisen uit november 2020 is beschreven dat het gebied is verdacht op geschutsmunitie. Maar omdat de grond al geroerd is gewenst vanwege de te slopen bebouwing, is een groot deel niet langer verdacht. Een risico-analyse is wel noodzakelijk.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/12890820/1