Bijlage Dynamisch handboek Zaans omgevingsplan
Tekst van het document
Artikel 6.X
Algemene regels 1. Door het veranderen van een bouwwerk mag het bebouwde oppervlakte niet groter worden. 2. Door het veranderen van een bouwwerk mag het bouwvolume niet groter worden.
Bruidsschat De algemene regels zijn een vertaling van artikel 22.27 sub i van de Bruidsschat. De regeling is leesbaarder gemaakt. Inhoudelijk is er geen wijziging beoogd. Onder 3 van de regeling in de Bruidsschat is niet overgenomen, omdat niet duidelijk is wat deze bepaling toevoegt op de algemene bepalingen in paragraaf 6.2.1.
20
2021/4385
Toepassingsbereik lid 2 Sommige veranderingen van een bouwwerk vallen ook onder de definitie van bouwen. Bijvoorbeeld: het bouwen van een dakkapel op een woning is onder meer geregeld in subparagraaf 6.2.9.4, maar is tevens een verandering van het hoofdgebouw. Het is niet de bedoeling dat deze paragraaf veranderingen regelt die al in andere paragrafen van deze afdeling zijn geregeld. Met andere woorden: het bouwen van dakkapel is al geregeld in een andere paragraaf en valt daarom niet binnen de reikwijdte van deze paragraaf.
Is verplaatsen veranderen? In de definitie van bouwen is zowel het veranderen van een bouwwerk als het plaatsen van een bouwwerk opgenomen. Het plaatsen van een bouwwerk wordt dus niet gezien als het veranderen en valt niet binnen de reikwijdte van deze paragraaf. Het plaatsen van een bouwwerk (en daarmee ook het verplaatsen van een bestaand bouwwerk) wordt getoetst aan de andere regels voor het bouwen. Bijvoorbeeld: het verplaatsen van een hoofdgebouw wordt getoetst aan de regels voor het bouwen van een hoofdgebouw in paragraaf 6.2.4.
Paragraaf 6.2.4 Het bouwen van een hoofdgebouw
Artikel 6.X
Toepassingsbereik Deze paragraaf geldt voor het bouwen van een hoofdgebouw.
Artikel 6.X
Oogmerk De regels in deze paragraaf zijn gesteld met oog op: a. het regelen van de ruimtelijke hoofdvolumes; b. het bewaken van de eenheid van het stedenbouwkundig ensemble; c. het bewaken van de eenheid van de plek (genius loci); en d. het verzekeren van een leesbare en herkenbare omgeving.
Artikel 6.X
Vergunningplicht Het is verboden zonder omgevingsvergunning een hoofdgebouw te bouwen.
Artikel 6.X
Beoordelingsregels Een omgevingsvergunning voor het bouwen van een hoofdgebouw wordt verleend als: 1. wordt gebouwd in het werkingsgebied ‘bouwvlak’; 2. de goothoogte niet hoger is dan de aangegeven hoogte als in het werkingsgebied ‘maximum goothoogte X m’ wordt gebouwd; 3. de bouwhoogte niet hoger is dan de aangegeven hoogte als in het werkingsgebied ‘maximum bouwhoogte X m’ wordt gebouwd; 4. niet meer dan het aangegeven % van de oppervlakte wordt bebouwd als in het werkingsgebied ‘maximum bebouwingspercentage X %’ wordt gebouwd; 5. naar het oordeel van B&W de bouwhoogte passend is in de omgeving als niet in het werkingsgebied ‘maximum bouwhoogte X m’ wordt gebouwd; en 6. naar het oordeel van B&W voldoende laad-, los- en parkeervoorzieningen voor auto's en fietsen worden gerealiseerd op deze locatie of in de directe omgeving daarvan.
21
2021/4385
Hoofdgebouwen Hoofdgebouwen zijn erg bepalend in het sturen op een stedenbouwkundige eenheid. Om die reden is ervoor gekozen hoofdgebouwen vergunningplichtig te maken, net zoals dat in de huidige regelgeving gedaan is.
Vangnet: ‘passend binnen de omgeving’ Het uitgangspunt is dat elk hoofdgebouw wordt voorzien van een werkingsgebied met een maximale bouw- en/of goothoogte. Dat is een grote opgave, maar wel wenselijk gelet op de ruimtelijke uitstraling van hoofdgebouwen. Met zo’n grote tekenopgave kan het mis gaan dat een hoofdgebouw wel een bouwvlak krijgt, maar geen maximale bouwhoogte. Voor die gevallen is in de beoordelingsregels een vangnet opgenomen. Bij de vergunningverlening moet het college dan afwegen of de aangevraagde bouwhoogte passend is binnen de omgeving. Met de zinsnede ‘naar het oordeel van B&W’ wordt benadrukt dat het college hier beoordelingsvrijheid toekomt. Paragraaf 6.2.5 Het bouwen van een bijbehorend bouwwerk Subparagraaf 6.2.5.1 Algemene bepalingen over het bouwen van een bijbehorende bouwwerk
Artikel 6.X
Toepassingsbereik 1. Deze paragraaf geldt voor het bouwen van een bijbehorend bouwwerk. 2. Onder het bouwen van een bijbehorend bouwwerk wordt ook verstaan het uitbreiden daarvan.
Artikel 6.X
Oogmerk De regels in deze paragraaf zijn gesteld met oog op: a. het bieden van ruimte aan aanvullende bebouwing op het erf, anders dan het hoofdgebouw; b. het waarborgen van het stedenbouwkundig ensemble; c. het waarborgen van het straatbeeld; d. het herkenbaar houden van de hiërarchie tussen het hoofd- en bijgebouw; en e. het waarborgen van de ruimtelijke kwaliteit van de aangrenzende erven.
Artikel 6.X
Algemene regels 1. 2. 3. 4. 5.
Een bijbehorend bouwwerk staat op de grond. Een bijbehorend bouwwerk ligt in het achtererfgebied. Een bijbehorend bouwwerk biedt alleen verblijfsgebied in de eerste bouwlaag. Een bijbehorend bouwwerk heeft geen balkon. Als het bebouwingsgebied kleiner of gelijk is aan 100 m2 dan is de oppervlakte van bijbehorende bouwwerken niet meer dan 50% van het bebouwingsgebied. 6. Als het bebouwingsgebied groter is dan 100 m2 dan is de oppervlakte van bijbehorende bouwwerken niet meer dan 50 m2 +20% van het deel van het bebouwingsgebied dat groter is dan 100 m2. 7. Als het bebouwingsgebied groter is dan 300 m2 dan is de oppervlakte van bijbehorende bouwwerken niet meer dan 90 m2 +20% van het deel van het bebouwingsgebied dat groter is dan 300 m2 en ten hoogste 150 m2.
22
2021/4385
Artikel 6.X
Verbod Het is verboden de volgende bouwwerken uit te breiden: a. een woonwagen; b. een hoofdgebouw waarvan in de omgevingsvergunning of dit omgevingsplan is bepaald dat het hoofdgebouw slechts tijdelijk is toegestaan; en c. een bouwwerk voor recreatief nachtverblijf door één huishouden.
Een bijbehorend bouwwerk staat op de grond Een bijbehorend bouwwerk moet op de grond staan, deze eis is afkomstig van de huidige vergunningvrije regels. Hiermee wordt onder andere geborgd dat een hoofdgebouw niet ‘zwevend’ wordt uitgebreid, dus bijvoorbeeld door een balkon op de 2e verdieping van een pand te realiseren. Ook is het door deze regel onmogelijk om een woonboot uit te breiden, waardoor een nadrukkelijk verbod (zoals dat wel geldt voor woonwagens) niet nodig is. Deze regel gaat niet over het bouwen van meerdere bouwlagen. Onder voorwaarden mag een bijbehorend bouwwerk bijvoorbeeld ook een kap hebben.
Geen dakterras In de oude regeling zat ook een bepaling dat geen dakterras is toegestaan op een bijbehorend bouwwerk. Het gebruiken van een dak als dakterras en het bouwen van een dakterrasafscheiding zijn op andere plekken in het omgevingsplan geregeld. Daarom zijn deze regels hier geschrapt.
Bruidsschat Het verbod is een vertaling van artikel 22.36 sub a onder 4 van de Bruidsschat. Sub b is tekstueel aangepast zodat de regeling beter leesbaar is. Inhoudelijk is er geen wijziging beoogd.
Subparagraaf 6.2.5.2 Het bouwen van een bijbehorend bouwwerk zonder kap
Artikel 6.X
Toepassingsbereik Deze subparagraaf geldt voor het bouwen van een bijbehorend bouwwerk zonder kap.
Artikel 6.X
Algemene regels 1. Een bijbehorend bouwwerk zonder kap is niet hoger dan 5 m. 2. Een bijbehorend bouwwerk zonder kap is niet hoger dan de eerste verdiepingsvloer van het hoofdgebouw +0,3 m. 3. Een bijbehorend bouwwerk zonder kap is niet hoger dan de bouwhoogte van het hoofdgebouw.
Aanvullende regels Alle regels in het omgevingsplan gelden altijd in aanvulling op elkaar, tenzij dat nadrukkelijk anders is bepaald. Deze regels gelden in ieder geval in aanvulling op de regels voor het bouwen van een bijbehorend bouwwerk als bedoeld in subparagraaf 6.2.5.1. Een bijbehorend bouwwerk zonder kap is namelijk ook een bijbehorend bouwwerk.
23
2021/4385
Algemene regels De algemene regels gelden aanvullend op elkaar. De hoogte van een bijbehorend bouwwerk moet dus aan alle drie de bepalingen voldoen. In de praktijk betekent dit vaak dat het bijbehorend bouwwerk niet hoger mag zijn dan de eerste verdiepingsvloer van het hoofdgebouw +0,3 m. Omdat er ook hoofdgebouwen denkbaar zijn met een zeer hoge eerste verdiepingsvloer is een maximum hoogte van 5 m opgenomen. Als een hoofdgebouw geen kap heeft en maar 1 bouwlaag heeft, dan zou de basisregel ervoor zorgen dat het bijbehorend bouwwerk 0,3 m hoger is dan het hoofdgebouw. In dat geval is een vangnet opgenomen dat de hoogte niet hoger mag zijn dan de bouwhoogte van het hoofdgebouw. Dit is een omzetting van de oude landelijke regels voor het vergunningvrije bouwen.
Het bijbehorend bouwwerk Het bijbehorend bouwwerk zonder kap is in de oude landelijke regels voor het vergunningvrije bouwen in het hele achtererfgebied toegestaan, zowel dichtbij het hoofdgebouw als op het uiteinde van het erf. Er komen pas aanvullende regels in beeld wanneer een initiatiefnemer een kap op het bijbehorend bouwwerk wil realiseren, dat is geregeld in subparagraaf 6.2.5.3.
Subparagraaf 6.2.5.3 Het bouwen van een bijbehorend bouwwerk met kap
Artikel 6.X
Toepassingsbereik Deze subparagraaf geldt voor het bouwen van een bijbehorend bouwwerk met kap.
Artikel 6.X
Algemene regels 1. Een bijbehorend bouwwerk met kap ligt op meer dan 4 m afstand tot het oorspronkelijk hoofdgebouw. 2. De goothoogte van een bijbehorend bouwwerk met is niet hoger dan 3 m. 3. De daknok van de kap is gevormd door ten minste 2 schuine dakvlakken. 4. De hellingshoek van de kap is niet meer dan 55°. 5. Een bijbehorend bouwwerk met kap is niet hoger dan: a. (de afstand van de daknok tot de perceelsgrens in [m] x 0,47) + 3 m; en b. 5 m.
Aanvullende regels Alle regels in het omgevingsplan gelden altijd in aanvulling op elkaar, tenzij dat nadrukkelijk anders is bepaald. Deze regels gelden in ieder geval in aanvulling op de regels voor het bouwen van een bijbehorend bouwwerk als bedoeld in subparagraaf 6.2.5.1. Een bijbehorend bouwwerk met kap is namelijk ook een bijbehorend bouwwerk.
24
2021/4385
Strengere regels voor een kap Het bijbehorend bouwwerk zonder kap is in de oude landelijke regels voor het vergunningvrije bouwen in het hele achtererfgebied toegestaan, zowel dichtbij het hoofdgebouw als op het uiteinde van het erf. Er komen pas aanvullende regels in beeld wanneer een initiatiefnemer een kap op het bijbehorend bouwwerk wil realiseren. Deze aanvullende regels zijn wenselijk omdat een bijbehorend bouwwerk met kap ruimtelijk gezien veel lijkt op een hoofdvolume. Een kap op een bijbehorend bouwwerk is pas wenselijk wanneer er voldoende afstand is tussen het hoofdgebouw en het bijbehorend bouwwerk. Voor woningen is op grond van de nota woonbebouwing een aanvullende mogelijkheid opgenomen, deze is geregeld in subparagraaf 6.2.5.X.
Subparagraaf 6.2.5.4 Het bouwen van een bijbehorend bouwwerk voor huisvesting in verband met mantelzorg
Artikel 6.X
Toepassingsbereik Deze subparagraaf geldt voor het bouwen van een bijbehorend bouwwerk voor huisvesting in verband met mantelzorg.
Artikel 6.X
Bijzondere regeling Onder ‘functioneel verbonden met het hoofdgebouw’ als bedoeld in de definitie van een bijbehorend bouwwerk wordt in ieder geval verstaan huisvesting in verband met mantelzorg als dat plaatsvindt bij een woning.
Artikel 6.X
Bijzondere regeling Een bijbehorend bouwwerk voor de huisvesting in verband met mantelzorg mag in afwijking van het maximumbebouwingspercentage als bedoeld in artikel 6.X lid 6, 7 en 8 worden gebouwd, als: a. het bijbehorend bouwwerk wordt gebruikt voor huisvesting in verband met mantelzorg; b. het bijbehorend bouwwerk in zijn geheel of in delen verplaatsbaar is; c. de oppervlakte van het bijbehorend bouwwerk 100 m2 of minder is; d. het bijbehorend bouwwerk buiten de bebouwde ligt; en e. het bijbehorend bouwwerk wordt verwijderd wanneer het niet meer gebruikt wordt voor huisvesting in verband met mantelzorg.
Mantelzorg De regels wekken de indruk dat mantelzorg overal is toegestaan, als er maar een hoofdgebouw staat. Dat is echter niet het geval. In de definitie van ‘huisvesting in verband met mantelzorg’ in het Bbl (dat van toepassing is op dit omgevingsplan) is geregeld dat deze huisvesting alleen mag plaatsvinden bij een woning.
Bruidsschat De eerste bijzondere regeling is een omzetting van artikel 22.25 van de Bruidsschat. De redactie is aangepast om de bepaling leesbaarder te maken, inhoudelijk is geen wijziging beoogd.
25
2021/4385
Bruidsschat De tweede bijzondere regeling is een omzetting van artikel 22.37 lid 2 van de Bruidsschat. De redactie is aangepast om de bepaling leesbaarder te maken. De regeling in de Bruidsschat bevat een tekstuele fout waardoor de regels onbedoeld een beperkende werking hebben, terwijl ze juist een aanvullende mogelijkheid moeten bieden. In de regels van het omgevingsplan is die fout er uit gehaald waardoor de bepaling inhoudelijk weer overeenkomt met de oude mogelijkheden van het vergunningvrije bouwen in het Besluit omgevingsrecht.
Paragraaf 6.2.6 Het bouwen van een gebouw
Artikel 6.X
Toepassingsbereik 1. Deze paragraaf geldt voor het bouwen van een gebouw. 2. Deze paragraaf geldt niet voor het bouwen van: a. hoofdgebouwen; b. bijbehorende bouwwerken; en c. gebouwen als bedoeld in artikel 2.15f van het Besluit bouwwerken leefomgeving.
Artikel 6.X
Verbod Het is verboden een gebouw te bouwen.
PM: Gebouwen De regeling voor gebouwen is nu een restartikel. In bestaande woonwijken zullen gebouwen vrijwel altijd een hoofdgebouw of een bijbehorend bouwwerk zijn, daarvoor zijn al regels gesteld. Daarom is het alleen nog nodig om een vangnet op te nemen over andere gebouwen. Waarschijnlijk wordt deze regeling verder ingevuld wanneer er regels over bedrijventerreinen worden opgesteld. Daar staan vaak meerdere gebouwen op 1 perceel, waardoor het toestaan van slechts 1 hoofdgebouw belemmerend werkt.
Paragraaf 6.2.7 Het bouwen van een ander bouwwerk, geen gebouw zijnde
Artikel 6.X
Toepassingsbereik 1. Deze paragraaf geldt voor het bouwen van een ander bouwwerk, geen gebouw zijnde. 2. Deze paragraaf geldt niet voor het bouwen van: a. bouwwerken waarvoor in de andere paragrafen van deze afdeling regels zijn gesteld; en b. bouwwerken als bedoeld in artikel 2.15f van het Besluit bouwwerken leefomgeving.
Artikel 6.X
Vergunningplicht Het is verboden zonder omgevingsvergunning een bouwwerk als bedoeld in artikel 6.X te bouwen.
Artikel 6.X
Beoordelingsregels Een omgevingsvergunning voor het bouwen van een bouwwerk als bedoeld in artikel 6.X kan worden verleend als naar het oordeel van B&W: 26
2021/4385
a. het bouwwerk geen gevaar vormt voor de verkeersveiligheid; b. het bouwwerk geen gevaar vormt voor het waterbeheer; c. de hoogte, het volume, de plaatsing en de uitstraling van het bouwwerk passend zijn binnen de omgeving; d. de privacy van derden niet onevenredig wordt aangetast; en e. er geen onaanvaardbare vermindering van het daglicht optreedt als gevolg van de schaduw van het bouwwerk.
Andere bouwwerken, geen gebouw zijnde Deze paragraaf geldt alleen voor bouwwerken waarvoor in de andere regels van deze afdeling (de afdeling bouwen) geen regels zijn gesteld. Deze regels gelden bijvoorbeeld niet voor het bouwen van een erfafscheiding, omdat daar al regels over zijn gesteld in paragraaf 6.2.8. Tevens geldt deze paragraaf niet voor het bouwen van bouwwerken die vergunningvrij zijn op grond van het Besluit bouwwerken leefomgeving, omdat het wettelijk is geregeld dat die bouwwerken niet getoetst worden aan het omgevingsplan.
Vergunningplicht Er is voor gekozen deze restparagraaf vorm te geven als een vergunningplicht in plaats van een algeheel verbod. Alles afwegende biedt de vergunningplicht de meeste rechtszekerheid: 1. Een algeheel verbod is niet rechtszeker, omdat het voor de hand ligt dat steeds een buitenplanse afwijking zal worden aangevraagd waarvoor dan in het OP geen beoordelingsregels staan. 2. Een algemene maximale bouwhoogte opnemen is arbitrair, die zal dan vanwege de rechtszekerheid zo laag zijn dat het de facto alsnog neer komt op een verbod. 3. De open normen die nu in de beoordelingsregel zijn opgenomen kunnen niet in een algemene regel worden gevat, omdat een algemene regel geen nader afwegingsmoment kent. Door te werken met een vergunningplicht met beleidsvrijheid en open normen kan het college steeds een afweging maken van de belangen in het concrete geval. Als na enige tijd blijkt dat er op grond van deze paragraaf vaak vergunningen worden aangevraagd voor een bepaald type bouwwerk, dan kan de raad op basis daarvan besluiten om voor dat type bouwwerk concrete regels in het omgevingsplan op te nemen. Dat kan niet nu al, omdat dit restartikel juist is bedoeld voor bouwwerken waar nu nog niet aan is gedacht.
27
2021/4385
Beleidsvrijheid In de aanhef van de beoordelingsregels is opgenomen dat de omgevingsvergunning ‘kan worden verleend’. Door het opnemen van het woord ‘kan’ is het de bedoeling dat het college beleidsvrijheid toekomt, dat wilt zeggen dat een aanvraag ook geweigerd kan worden als er aan de beoordelingsregels voldaan is. Het college heeft de vrijheid om af te wegen of zij in een concreet geval gebruik wil maken van de bevoegdheid om het bouwen van een ‘ander bouwwerk, geen gebouw zijnde’ toe te staan. In dit geval is ervoor gekozen deze beleidsvrijheid toe te kennen omdat het hier om een restparagraaf gaat. Het is op voorhand niet duidelijk voor welke bouwwerken deze vergunning wordt aangevraagd. Het kan gaan om heel kleine bouwwerken die geen invloed hebben op de omgeving, maar ook om heel omvangrijke bouwwerken met veel invloed op de omgeving.
Beknoptere toetsing De beoordelingsregels zijn breed opgesteld omdat zij zowel kleine als grote ‘andere bouwwerken, geen gebouw zijnde’ moeten regelen. Bij kleine ‘andere bouwwerken, geen gebouw zijnde’ kan de toetsing van de beoordelingsregels beknopter plaatsvinden. Als er gelet op de beperkte omvang, hoogte of ligging van het bouwwerk geen aanleiding is te vermoeden dat niet aan de beoordelingsregels kan worden voldaan, dan kan de vergunning worden verleend. Zo is het bijvoorbeeld niet noodzakelijk om een schaduwstudie uit te voeren om te toetsen of er sprake is van een ‘onaanvaardbare vermindering van daglicht’ als daar geen aanleiding toe is. Hetzelfde geldt voor de andere beoordelingsregels. In bestemmingsplannen waren ‘andere bouwwerken, geen gebouw zijnde’ toegestaan tot maximaal 3 m hoog (in combinatie met een omgevingsvergunning voor het bouwen). Het is denkbaar dat het college voor bouwwerken tot diezelfde grens (3 m) blijft uitgaan van een beknoptere toets.
Stedenbouwkundige toetsing De beoordelingsregel ‘de hoogte, het volume, de plaatsing en de uitstraling van het bouwwerk passend zijn binnen de omgeving’ is een stedenbouwkundige afweging. Hierin weegt onder meer mee of het bouwwerk: - geen nadelige impact heeft op het straatbeeld; en - de visuele relatie tussen de gevels aan de publieke ruimte en de publieke ruimte niet ondermijnt. Bovenstaande geeft inzicht in de stedenbouwkundige afweging maar is geen limitatieve lijst. De stedenbouwkundige afweging is veel breder dan hierboven geschetst. Paragraaf 6.2.8 Het bouwen van een erf- of perceelafscheiding Subparagraaf 6.2.8.1 Algemene bepalingen over het bouwen van een erf- of perceelafscheiding
Artikel 6.X
Toepassingsbereik 1. Deze subparagraaf geldt voor het bouwen van een erf- of perceelafscheiding. 2. Deze subparagraaf geldt niet voor het bouwen van een erf- of perceelafscheiding als bedoeld in artikel 2.15f lid j van het Besluit bouwwerken leefomgeving. 28
2021/4385
Artikel 6.X
Oogmerk De regels in deze subparagraaf zijn gesteld met oog op: a. het benadrukken van de grens tussen publieke en private ruimte; b. het bevorderen van de sociale veiligheid; en c. het behouden van: 1. de openheid van het voorerf; 2. een visuele en fysieke relatie tussen de publieke en de private ruimte; en 3. een vriendelijk aangezicht.
Artikel 6.X
Algemene regels 1. Een erf- of perceelafscheiding ligt achter de lijn die langs de voorkant van het gebouw evenwijdig loopt aan het aangrenzend openbaar gebied. 2. Een erf- of perceelafscheiding is niet hoger dan 2 m. 3. Een erf- of perceelafscheiding heeft een functionele relatie met een gebouw op het perceel.
Erfafscheiding tot 2 m Deze paragraaf regelt wanneer erfafscheidingen tot 2 m zijn toegestaan. In alle andere gevallen geldt de vergunningvrije regeling in artikel 2.15f lid j van het Besluit bouwwerken leefomgeving, waarin erfafscheidingen tot 1 m zijn toegestaan.
De lijn die langs de voorkant van het gebouw evenwijdig loopt aan het aangrenzend openbaar gebied Lid 1 van de algemene regels beschrijft een lijn die tot inwerkingtreding van de Omgevingswet werd omschreven als een combinatie van de ‘voorgevelrooilijn’ en de ‘zijgevelrooilijn’. In het omgevingsplan worden deze vormen niet gebruikt maar is ervoor gekozen te omschrijven hoe de lijn loopt. In de onderstaande afbeelding is zichtbaar hoe de lijn loopt (nog gebaseerd op de oude systematiek). Het betreft de combinatie van de ‘voorgevelrooilijn’ en de ‘voorgevelrooilijn (zijgevel gekeerd naar openbaar gebied)’.
29
2021/4385
Bruidsschat De algemene regels zijn een vertaling van artikel 22.27 sub f van de Bruidsschat. De regeling is leesbaarder gemaakt. De regel dat een erfafscheiding 1 m terug moet liggen ten opzichte van openbaar groen of een weg is in de bruidsschat vervallen en komt daarom ook niet in het omgevingsplan terug.
Subparagraaf 6.2.8.2 Het bouwen van een erf- of perceelafscheiding (2 m hoogte op het hele perceel) Artikel 6.X
Toepassingsbereik 1. Deze subparagraaf geldt voor het bouwen van een erf- of perceelafscheiding. 2. Deze subparagraaf geldt niet voor het bouwen van een erf- of perceelafscheiding als bedoeld in artikel 2.15f lid j van het Besluit bouwwerken leefomgeving.
Artikel 6.X
Oogmerk De regels in deze subparagraaf zijn gesteld met oog op: a. het voorkomen van onveilige situaties; en b. het bemoeilijken van inbraak bij panden met weinig sociale controle.
Artikel 6.X
Bijzondere regeling In afwijking van artikel 6.X lid 1 mag een erf- of perceelafscheiding tot 2 hoog ook worden gebouwd voor de lijn die langs de voorkant van het gebouw evenwijdig loopt aan het aangrenzend openbaar gebied.
Bijzondere regeling Deze regeling zorgt er kortgezegd voor dat ook voor de voorgevel van een pand een erfafscheiding tot 2 m hoog is toegestaan. Dit wordt bereikt door lid 1 van de algemene regels over erfafscheidingen (algemeen) uit te schakelen. De andere algemene regels blijven gelden.
Optionele regeling Deze regeling staat niet standaard aan. De regeling kan worden aangezet voor gebieden waar een erfafscheiding tot 2 m wenselijk is, bijvoorbeeld op bedrijventerreinen. Redenen om een hogere erfafscheiding toe te staan kunnen er onder andere in gelegen zijn dat het onveilig is het erf te betreden gelet op de activiteiten die daar plaatsvinden, of om inbraak tegen te gaan in panden waar weinig sociale controle is (bijvoorbeeld omdat buiten werktijd niemand aanwezig is). Voor dat deze regeling wordt aangezet moet ook stedenbouwkundig worden afgewogen of de hogere erf- of perceelafscheiding aanvaardbaar is.
30
2021/4385
Paragraaf 6.2.9 Het bouwen van een bouwwerk bij een woning
Nota woonbebouwing 2020 In de nota woonbebouwing 2020 zijn extra bouwmogelijkheden opgenomen voor bestaande woningen. De bouwmogelijkheden van de nota woonbebouwing 2020 zijn vertaald naar de regels in deze paragraaf. Als in de nota ten aanzien van een bouwwerk geen concrete regels zijn opgenomen, maar bepaald is dat een maatwerkafweging moet worden gemaakt, dan is die bouwmogelijkheid niet opgenomen. In die gevallen wordt de maatwerkafweging (net zoals in de situatie vóór het omgevingsplan) gemaakt op basis van een aanvraag omgevingsvergunning voor het buitenplans afwijken van het omgevingsplan.
Nota woonbebouwing 2020 – maatwerk bouwwerken Sommige bouwwerken hebben in de nota woonbebouwing 2020 geen concrete regels gekregen, maar zijn ook niet nadrukkelijk verboden. Voor die bouwwerken is in de nota bepaald dat een maatwerkafweging moet plaatsvinden bij de vergunningverlening. Voor die bouwwerken wordt de maatwerkafweging (net zoals in de situatie vóór het omgevingsplan) gemaakt op basis van een aanvraag omgevingsvergunning voor het buitenplans afwijken van het omgevingsplan.
Werkingsgebied Deze paragraaf kan worden aangezet voor alle bestaande woonwijken maar kan ook worden aangezet voor specifieke woonwijken. In nieuwere woonwijken is in de stedenbouwkundige opzet al nagedacht over aanvullende bouwmogelijkheden, in die gevallen is het niet altijd wenselijk om ook nog eens de aanvullende bouwmogelijkheden van de nota woonbebouwing toe te staan. Er ontstaat dan een stapeling van mogelijkheden waarvoor de nota niet is bedacht. In die gevallen kan het wenselijk zijn deze paragraaf niet ‘aan te zetten’.
Subparagraaf 6.2.9.1 Algemene bepalingen over het bouwen van bouwwerk bij een woning
Artikel 6.X
Toepassingsbereik Deze paragraaf geldt voor het bouwen van een bouwwerk bij een woning.
Artikel 6.X
Oogmerk De regels in deze paragraaf zijn gesteld met oog op: a. het bieden van ruimte om een woning uit te breiden; b. het beschermen van de ruimtelijke kwaliteit: 1. van een woning 2. van het bijbehorende bouwwerk; en 3. van de buurt of wijk en vooral als een bouwwerk invloed kan hebben op de openbare ruimte en de beleving daarvan. c. het voorkomen dat de privacy van derden onevenredig wordt aangetast; en d. het voorkomen dat er een onaanvaardbare vermindering van het daglicht optreedt als gevolg van de schaduw van het bouwwerk.
31
2021/4385
Subparagraaf 6.2.9.2 Het bouwen van een bijbehorend bouwwerk met kap bij een woning
Artikel 6.X
Toepassingsbereik Deze paragraaf geldt voor het bouwen van een bijbehorend bouwwerk met kap bij een woning binnen 4 m afstand tot het oorspronkelijk hoofdgebouw.
Artikel 6.X
Bijzondere regeling Voor het bouwen van een bouwwerk als bedoeld in artikel 6.X gelden de regels in deze subparagraaf in plaats van de regels in subparagraaf 6.2.5.3.
Artikel 6.X
Algemene regels 1. Een bouwwerk als bedoeld in artikel 6.X is alleen toegestaan bij een hoofdgebouw dat een kap heeft. 2. De dakhelling van een bouwwerk als bedoeld in artikel 6.X is gelijk of kleiner dan de dakhelling van het hoofdgebouw. 3. De kapvorm van een bouwwerk als bedoeld in artikel 6.X is gelijk aan de kapvorm van het hoofdgebouw. 4. De nok van de kap van een bouwwerk als bedoeld in artikel 6.X heeft ten minste 2 schuine delen. 5. Een bouwwerk als bedoeld in artikel 6.X ligt binnen 4 m van het oorspronkelijk hoofdgebouw. 6. Een bouwwerk als bedoeld in artikel 6.X heeft geen mansardekap. 7. Een bouwwerk als bedoeld in artikel 6.X met een stolpkap ligt niet voor de achtergevel van het hoofdgebouw. 8. Een bouwwerk als bedoeld in artikel 6.X ligt ten minste 3 m achter de voorgevel van het hoofdgebouw. 9. Een bouwwerk als bedoeld in artikel 6.X ligt ten minste 3 m van een woning op een buurperceel. 10. De goothoogte van een bouwwerk als bedoeld in artikel 6.X is niet hoger dan de eerste verdiepingsvloer van het hoofdgebouw +0,3 m; en 11. De bouwhoogte van een bouwwerk als bedoeld in artikel 6.X is niet hoger dan de bouwhoogte van het hoofdgebouw -1,5 m.
Artikel 6.X
Bijzondere regeling In afwijking van artikel 6.X lid 3 mag een bouwwerk als bedoeld in artikel 6.X ook verblijfsgebied op de verdiepingen hebben.
Artikel 6.X
Bijzondere regeling Als het hoofdgebouw een mansardekap heeft, dan geldt in afwijking van artikel 6.X lid 2 en 3 dat: a. de hellingshoek van het dakvlak niet groter mag zijn dan de hellingshoek van een denkbeeldige lijn tussen de goothoogte en de bouwhoogte; en b. als kapvorm alleen een zadeldak is toegestaan.
32
2021/4385
Bijzondere regeling Als een bijbehorend bouwwerk met kap binnen 4 m afstand tot het oorspronkelijk hoofdgebouw wordt gebouwd, dan is het niet de bedoeling dat de algemene regeling ook van toepassing is. Die algemene regeling verbiedt namelijk het bouwen van een bijbehorend bouwwerk met kap op zo’n dichte afstand tot het oorspronkelijk hoofdgebouw. In de zone buiten 4 m afstand tot het oorspronkelijk hoofdgebouw geldt de algemene regeling nog steeds, want die zone hoort niet tot het toepassingsbereik van deze paragraaf. Met andere woorden: normaal mag een bijbehorend bouwwerk met kap alleen op een grotere afstand tot het oorspronkelijk hoofdgebouw, maar deze paragraaf biedt de extra mogelijkheid om ook dichtbij het oorspronkelijk hoofdgebouw een bijbehorend bouwwerk met kap te bouwen.
Stolpkap In de nota woonbebouwing 2020 is bepaald dat deze bouwmogelijkheden bij een hoofdgebouw met een stolpkap alleen zijn toegestaan als het bijbehorend bouwwerk achter de achtergevelrooilijn ligt. Die figuur (een achtergevelrooilijn) is niet opgenomen in het omgevingsplan, maar de regel heeft hetzelfde doel. Het is dus niet zo dat het bijbehorend bouwwerk alleen recht achter de achtergevel mag liggen, hij mag ook naast de achtergevel liggen. Zolang het bouwwerk maar niet voor de achtergevel ligt.
Bijzondere regeling mansardekap Zie de afbeelding voor de denkbeeldige lijn als beschreven in de regel.
Subparagraaf 6.2.9.3 Het bouwen van een bubbelbad bij een woning
Artikel 6.X
Toepassingsbereik Deze subparagraaf geldt voor het bouwen van een bubbelbad bij een woning.
Artikel 6.X
Algemene regels 1. Een bubbelbad is alleen toegestaan in het achtererfgebied. 2. Per achtererfgebied is 1 bubbelbad toegestaan. 3. Een bubbelbad is niet groter dan 20% van het achtererfgebied en niet groter dan 10m2. 4. Een bubbelbad is niet hoger dan 1 m. 5. Een bubbelbad is alleen voor particulier gebruik. 6. Een bubbelbad heeft geen overkapping.
33
2021/4385
Wat is een bubbelbad? Er is geen begripsomschrijving van ‘bubbelbad’ opgenomen, omdat de uitleg in het gangbare taalgebruik voldoende duidelijk is. De rechter toetst in die gevallen de definitie in de Dikke van Dale. Daar uit blijkt dat een bad dat verwarmt is en bubbels maakt een bubbelbad is.
Subparagraaf 6.2.9.4 Het bouwen van een dakkapel op een woning
Artikel 6.X
Toepassingsbereik 1. Deze subparagraaf geldt voor het bouwen van een dakkapel op een woning. 2. Deze subparagraaf geldt niet voor het bouwen van een dakkapel als bedoeld in artikel 2.15f sub b van het Besluit bouwwerken leefomgeving.
Artikel 6.X
Bijzondere regeling Voor het bouwen van een dakkapel aan een woning gelden de regels in deze subparagraaf in plaats van de regels in paragraaf 6.2.5 (bijbehorende bouwwerken).
Artikel 6.X
Algemene regels 1. 2. 3. 4. 5. 6. 7. 8.
Per dakvlak van een woning zijn er niet meer dan 2 dakkapellen. Dakkapellen op hetzelfde dakvlak liggen niet boven of onder elkaar. Een dakkapel is niet hoger dan 1,75 m. Een dakkapel ligt ten minste 0,5 m onder de bouwhoogte van het gebouw. Een dakkapel ligt ten minste 0,5 m van de perceelgrens. Een dakkapel ligt ten minste 0,5 m van de zijkant van het dak. Tussen dakkapellen is ten minste 0,5 m afstand. De voet van een dakkapel ligt ten minste 0,5 m hoger dan de goothoogte van het gebouw. 9. De voet van een dakkapel ligt niet hoger dan 1 m boven de goothoogte van het gebouw. 10. Een dakkapel in het voordakvlak is niet breder dan 50% van de voorgevel. 11. Een dakkapel in het voordakvlak is niet breder dan 4,5 m.
Artikel 6.X
Verbod Het is verboden een dakkapel te bouwen op of aan de volgende bouwwerken: a. een woonwagen; b. een hoofdgebouw waarvan in de omgevingsvergunning is bepaald dat het hoofdgebouw slechts tijdelijk is toegestaan; en c. een bouwwerk voor recreatief nachtverblijf door één huishouden.
34
2021/4385
Algemene regels Het toetsingskader van een dakkapel aan een woning zijn dermate concreet dat er geen afwegingsruimte meer in zit. Daarom zijn ze omgezet naar algemene regels. Dit wil echter niet zeggen dat de dakkapellen vergunningvrij zijn. In de regels over het bouwen in een welstandsgebied zijn deze dakkapellen aangewezen als vergunningplichtig omdat het gaat om dakkapellen gericht naar openbaar toegankelijk gebied. Het verschil zit erin dat in deze paragraaf de maten en het volume van de dakkapel zijn geregeld. Die maten zijn dermate concreet dat een nader afwegingsmoment niet nodig is. De vraag of de dakkapel qua uiterlijk past binnen de omgeving wordt wel beantwoord in een nader afwegingsmoment, want die afweging is sterk afhankelijk van de omstandigheden van het concrete geval. Wat in de ene straat past, kan in de andere straat weer niet passen.
Vergunningvrije dakkapellen Dakkapellen die in de oude wetgeving vergunning vrij zijn blijven ook in het omgevingsplan vergunningvrij. Die dakkapellen zijn opgenomen in artikel 2.15f sub b van het Besluit bouwwerken leefomgeving, waarvoor deze paragraaf niet geldt.
Subparagraaf 6.2.9.5 Het bouwen van een dakterrasafscheiding bij een woning
Artikel 6.X
Toepassingsbereik Deze subparagraaf geldt voor het bouwen van een dakterrasafscheiding bij een woning.
Artikel 6.X
Algemene regels 1. Een dakterrasafscheiding is 1 m hoog. 2. In afwijking van lid 1 is een dakterrasafscheiding 1,2 m hoog als de vloer van het dakterras hoger ligt dan 13 m. 3. Een dakterrasafscheiding is niet hoger dan de zichtbaarheidslijn. 4. Een dakterrasafscheiding ligt ten minste 1 m achter de voorgevel. 5. Een dakterrasafscheiding ligt binnen 4 m van het oorspronkelijke hoofdgebouw.
Waar mag een dakterras? Deze paragraaf regelt alleen het bouwen van een dakterrasafscheiding bij een woning. Of een dakterras is toegestaan is geregeld in paragraaf 6.3.2.
Hoogtes De hoogtes zijn gebaseerd op de eisen aan dakterrasafscheidingen uit artikel 2.18 van het bouwbesluit (nu overgenomen in het Besluit bouwwerken leefomgeving).
Subparagraaf 6.2.9.6 Het bouwen van een erf- of perceelafscheiding tussen de voorgevel en een bijbehorend bouwwerk bij een woning
Artikel 6.X
Toepassingsbereik Deze subparagraaf geldt voor het bouwen van een erf- of perceelafscheiding tussen de voorgevel en een bijbehorend bouwwerk bij een woning. 35
2021/4385
Artikel 6.X
Bijzondere regeling Voor het bouwen van een bouwwerk als bedoeld in artikel 6.X geldt de regel in deze subparagraaf in plaats van de regels in paragraaf 6.2.8 (Het bouwen van een erf- of perceelafscheiding).
Artikel 6.X
Algemene regel Een bouwwerk als bedoeld in artikel 6.X is niet hoger dan 2 m.
Bijzondere regeling Deze regeling is voor woningen die legaal een bijbehorend bouwwerk (zoals een berging) voor de voorgevel hebben staan. Als dat bijbehorend bouwwerk op afstand van de voorgevel staat, dan is er vaak de wens om het gat tussen de voorgevel en het bouwwerk op te vullen met een erfafscheiding tot 2 m hoog. In de nota woonbebouwing 2020 is die mogelijkheid geboden. Subparagraaf 6.2.9.7 Het bouwen van een erf- of perceelafscheiding voor een zijgevel gericht naar openbaar gebied bij een woning
Artikel 6.X
Toepassingsbereik 1. Deze subparagraaf geldt voor het bouwen van een erf- of perceelafscheiding voor een zijgevel gericht naar openbaar gebied bij een woning. 2. Deze subparagraaf geldt niet voor het bouwen van een erf- of perceelafscheiding als bedoeld in artikel 2.15f lid j van het Besluit bouwwerken leefomgeving.
Artikel 6.X
Bijzondere regeling Voor het bouwen van een bouwwerk als bedoeld in artikel 6.X gelden de regels in deze subparagraaf in plaats van de regels in subparagraaf 6.2.8.1.
Artikel 6.X
Algemene regels 1. Een bouwwerk als bedoeld in artikel 6.X is niet hoger dan 2 m. 2. Een bouwwerk als bedoeld in artikel 6.X ligt ten minste 3 m achter de voorgevel. 3. Het straatprofiel naast de zijgevel is breder dan 20 m.
Subparagraaf 6.2.9.8 Het bouwen van een erker aan de voorgevel van een woning
Artikel 6.X
Toepassingsbereik Deze subparagraaf geldt voor het bouwen van een erker aan een voorgevel bij een woning.
Artikel 6.X
Bijzondere regeling Voor het bouwen van een erker aan een voorgevel gelden de regels in deze subparagraaf in plaats van de regels in subparagraaf 6.2.5.1, 6.2.5.2, 6.2.5.3 en 6.2.9.2.
Artikel 6.X
Vergunningplicht Het is verboden zonder omgevingsvergunning een erker aan een voorgevel te bouwen.
Artikel 6.X
Beoordelingsregels Een omgevingsvergunning voor het bouwen van een erker aan een voorgevel wordt verleend als: 1. de erker niet breder is dan 66% van de voorgevel; 36
2021/4385
2. de erker niet dieper is dan 50% van de afstand van de voorgevel tot de perceelgrens aan de voorkant van het hoofdgebouw en niet meer dan 1,5 m; en 3. de erker niet hoger is dan de eerste verdiepingsvloer van het hoofdgebouw +0,3 m. Subparagraaf 6.2.9.9 Het bouwen van een luifel boven de voordeur van een woning
Artikel 6.X
Toepassingsbereik Deze subparagraaf geldt voor het bouwen van een luifel boven de voordeur van een woning.
Artikel 6.X
Algemene regels 1. 2. 3. 4.
Artikel 6.X
Een luifel hangt boven de voordeur. Een luifel is niet breder dan 2 m. Een luifel is niet dieper dan 1 m. Een luifel is niet hoger dan de bovenkant van de voordeur +0,5 m.
Verplichte aansluiting met een erker Als aan de voorgevel een erker is gebouwd of gelijk met de luifel wordt gebouwd, dan is de luifel even diep en hoog als de erker. Artikel 6.X lid 3 en 4 zijn niet van toepassing.
Boven de voordeur De luifel hangt boven de voordeur maar kan breder zijn dan de voordeur zelf. Het is dus niet zo dat als de voordeur maar 1 m breed is dat de luifel dan ook maar 1 m breed mag zijn.
Subparagraaf 6.2.9.10 Het bouwen van een scootsafe in het voorerfgebied van een woning
Artikel 6.X
Toepassingsbereik Deze subparagraaf geldt voor het bouwen van een scootsafe in het voorerfgebied van een woning.
Artikel 6.X
Bijzondere regeling Voor het bouwen van een scootsafe in het voorerfgebied gelden de regels in deze subparagraaf in plaats van de regels in subparagraaf 6.2.5.1, 6.2.5.2, 6.2.5.3 en 6.2.9.2.
Artikel 6.X
Vergunningplicht Het is verboden zonder omgevingsvergunning een scootsafe in het voorerfgebied te bouwen.
Artikel 6.X
Vergunningvoorschrift Aan een omgevingsvergunning voor het bouwen van een scootsafe in het voorerfgebied wordt het volgende voorschrift verbonden:
“De scootsafe wordt verwijderd zodra er geen medische indicatie meer is voor het gebruik van de scootmobiel.” Artikel 6.X
Beoordelingsregels Een omgevingsvergunning voor het bouwen van een scootsafe in het voorerfgebied kan worden verleend als naar het oordeel van B&W: 1. er een medische indicatie voor het gebruik van de scootmobiel is; 2. de scootsafe niet groter is dan nodig voor het stallen van een scootmobiel; 3. de scootmobiel niet in de andere bouwwerken op het perceel gestald kan worden; 37
2021/4385
4. de verkeersveiligheid niet onevenredig wordt aangetast; en 5. de gebruiksmogelijkheden van omliggende gronden en gebouwen niet worden aangetast.
Beleidsvrijheid In de aanhef van de beoordelingsregels is opgenomen dat de omgevingsvergunning ‘kan worden verleend’. Door het opnemen van het woord ‘kan’ is het de bedoeling dat het college beleidsvrijheid toekomt, dat wilt zeggen dat een aanvraag ook geweigerd kan worden als er aan de beoordelingsregels voldaan is. Het college heeft de vrijheid om af te wegen of zij in een concreet geval gebruik wil maken van de bevoegdheid om het bouwen van een scootsafe toe te staan.
Subparagraaf 6.2.9.11 Het bouwen van een sport- of speeltoestel bij een woning
Artikel 6.X
Toepassingsbereik 1. Deze subparagraaf geldt voor het bouwen van een sport- of speeltoestel bij een woning. 2. Deze subparagraaf geldt niet voor het bouwen van een sport- of speeltoestel als bedoeld in artikel 2.15f lid i van het Besluit bouwwerken leefomgeving.
Artikel 6.X
Algemene regels 1. 2. 3. 4. 5.
Een sport- of speeltoestel bij een woning ligt ten minste 3 m van de perceelgrens. Een sport- of speeltoestel bij een woning ligt in het achtererfgebied. Een sport- of speeltoestel bij een woning is niet hoger dan 3 m. Een sport- of speeltoestel bij een woning is alleen voor particulier gebruik. Een sport- of speeltoestel bij een woning functioneert alleen met behulp van de zwaartekracht of de fysieke kracht van de mens.
Sport- of speeltoestel De wetgever gebruikt het begrip ‘sport of speeltoestellen’ in het Besluit bouwwerken leefomgeving maar heeft ervoor gekozen daar het begrip niet te definiëren. De rechter toetst in die gevallen de definitie in de Dikke van Dale. In het omgevingsplan is geen definitie opgenomen zodat de regels op gelijke manier uitgelegd kunnen worden als de rijksregels.
Particulier gebruik en zwaartekracht Lid 4 en 5 zijn overgenomen uit de landelijke vergunningvrije regels voor sport- en speeltoestellen in artikel 2.15f lid i van het Besluit bouwwerken leefomgeving.
Subparagraaf 6.2.9.12 Het bouwen van een zwembad bij een woning
Artikel 6.X
Toepassingsbereik Deze subparagraaf geldt voor het bouwen van een zwembad bij een woning.
Artikel 6.X
Algemene regels 1. Een zwembad ligt in het achtererfgebied. 2. Een zwembad ligt ten minste 3 m achter de voorgevel van het hoofdgebouw. 3. Een zwembad ligt ten minste 3 m van de perceelgrens. 38
2021/4385
4. 5. 6. 7.
Een zwembad is niet groter dan 35 m2. Een zwembad is niet hoger dan 0,2 m boven het maaiveld. Een zwembad is alleen voor particulier gebruik. Een zwembad heeft geen overkapping.
Hoogte van een zwembad Een zwembad bij een woning mag op grond van de nota woonbebouwing niet hoger zijn dan 0,2 m. Hiermee is het deel bedoeld dat hoger is dan het peil (zie de meetbepaling van hoogte). Met andere woorden, het deel dat boven de grond uit steekt (de grond is niet altijd even hoog als het peil, zie de meetbepalingen).
Paragraaf 6.2.10 Het bouwen van een nutsvoorziening en infrastructuur Subparagraaf 6.2.10.1 Het bouwen van een bouwwerk voor een infrastructurele en openbare voorziening
Artikel 6.X
Toepassingsbereik a. Deze subparagraaf geldt voor het bouwen van een bouwwerk voor: a. een nutsvoorziening; b. de waterhuishouding; c. het meten van de luchtkwaliteit; d. het telecommunicatieverkeer; e. het openbaar vervoer; f. het wegverkeer; g. het spoorwegverkeer; h. het waterverkeer; en i. het luchtverkeer. b. Deze subparagraaf geldt niet voor het bouwen van een bouwwerk als bedoeld in artikel 2.15f lid p van het Besluit bouwwerken leefomgeving.
Artikel 6.X
Oogmerk De regels in deze subparagraaf zijn gesteld met oog op: a. het bieden van een extra meter hoogte voor infrastructurele en openbare voorzieningen ten opzichte van de vergunningvrije mogelijkheden uit het Bbl; en b. het in voldoende mate voorzien in: a. infrastructurele voorzieningen; b. toegang tot openbare voorzieningen; en c. dataverzameling voor klimaat, milieu en natuur.
Artikel 6.X
Bijzondere regeling Voor het bouwen van een bouwwerk als bedoeld in artikel 6.X gelden de regels in deze paragraaf in plaats van de regels in paragraaf 6.2.6 (Gebouwen) en paragraaf 6.2.7 (Andere bouwwerken, geen gebouw zijnde).
Artikel 6.X
Algemene regels 1. Een bouwwerk als bedoeld in artikel 6.X is een infrastructurele of openbare voorziening. 2. Een bouwwerk als bedoeld in artikel 6.X is niet hoger dan 4 m. 3. Een bouwwerk als bedoeld in artikel 6.X is niet groter dan 15 m2.
39
2021/4385
Infrastructurele of openbare voorziening De bouwwerken genoemd in het toepassingsbereik kunnen ook door een particulier worden gebouwd of gebruikt. In die gevallen is het niet wenselijk de bouwwerken vergunningvrij te maken. Deze systematiek volgt uit de landelijke regels in artikel 2.15f lid p van het Besluit bouwwerken leefomgeving. Om het beeldend te maken: met deze regels kan wel een bushokje aan de weg geplaatst worden als het hok daadwerkelijk gebruikt wordt voor het wachten op de bus door een ieder (= een openbare voorziening), maar niet een bushokje op het eigen erf dat niet gebruikt wordt voor het wachten op de bus door een ieder.
Extra meter Vergunningsvrij zijn deze bouwwerken reeds toegestaan tot een bouwhoogte van 3 meter, maar het komt ook voor dat deze bouwwerken tussen de 3 en 4 meter hoog zijn. In die gevallen is het onwenselijk om voor elk bouwwerk voor een infrastructurele of openbare voorziening dat hoger is dan 3 meter, maar kleiner is dan 4 meter, af te wijken van het omgevingsplan. Volledigheidshalve benoemen wij dat er nog andere regels gelden voor het plaatsen van bouwwerken voor nutsvoorzieningen. Zo moet er bijvoorbeeld voor het plaatsen van een trafohuisje ook een vergunning worden aangevraagd op grond van de Algemene verordening infrastructuur Zaanstad (AVOI).
Subparagraaf 6.2.10.2 Het bouwen van een buisleiding voor gevaarlijke stoffen
Artikel 6.X
Toepassingsbereik Deze subparagraaf geldt voor het bouwen van een buisleiding voor gevaarlijke stoffen.
Artikel 6.X
Oogmerk De regels in deze subparagraaf zijn gesteld met oog op: a. het zoveel mogelijk beschermen van (zeer) kwetsbare gebouwen; en b. het voorkomen van een slechter wordende veiligheid rond buisleidingen voor gevaarlijke stoffen.
Artikel 6.X
Algemene regel Een buisleiding voor gevaarlijke stoffen ligt in het werkingsgebied ‘buisleiding voor gevaarlijke stoffen’.
Bouwen, gebruiken en beschermen van een buisleiding voor gevaarlijke stoffen Er zijn 3 verschillende activiteiten geregeld ten aanzien van een buisleiding voor gevaarlijke stoffen: het bouwen, het gebruiken en het beschermen. Op deze plek is alleen het bouwen geregeld.
40
2021/4385
Nieuwe buisleiding voor gevaarlijke stoffen mogelijk maken Het mogelijk maken van een nieuwe buisleiding voor gevaarlijke stoffen is alleen mogelijk als onderzoek is verricht naar de aanvaardbaarheid. Daarom is ervoor gekozen om in het omgevingsplan alleen bestaande buisleidingen voor gevaarlijke stoffen toe te staan (met een werkingsgebied). Voor het realiseren van een nieuwe buisleiding voor gevaarlijke stoffen is een omgevingsplanwijziging nodig, zodat in dat traject de aanvaardbaarheid grondig onderzocht kan worden. In zo’n geval is het alleen nog nodig het nieuwe tracé op de verbeelding in te tekenen met het werkingsgebied uit de algemene regel, daarmee is de bouw mogelijk gemaakt.
Subparagraaf 6.2.10.3 Het bouwen van een hoogspanningsverbinding en daarvoor noodzakelijke hulpmiddelen
Artikel 6.X
Toepassingsbereik Deze subparagraaf geldt voor het bouwen van: a. een hoogspanningsverbinding; en b. een voor een hoogspanningsverbinding noodzakelijk hulpmiddel.
Artikel 6.X
Oogmerk De regels in deze subparagraaf zijn gesteld met oog op: a. het zoveel mogelijk beschermen van woningen, scholen, crèches en kinderopvangplaatsen; en b. het voorkomen van een verslechtering van de veiligheid rond hoogspanningsverbindingen.
Artikel 6.X
Algemene regels 1. Een hoogspanningsverbinding ligt of hangt in het werkingsgebied ‘hoogspanningsverbinding’. 2. Een mast voor een hoogspanningsverbinding ligt in het werkingsgebied ‘bouwvlak’. 3. Een mast voor een hoogspanningsverbinding is niet hoger dan de aangegeven hoogte als in het werkingsgebied ‘maximum bouwhoogte X m’ wordt gebouwd. 4. Een voor een hoogspanningsverbinding noodzakelijk hulpmiddel ligt in het werkingsgebied ‘bouwvlak’ en het werkingsgebied ‘hoogspanningsverbinding’.
Bouwen, gebruiken en beschermen van een hoogspanningsverbinding Er zijn 3 verschillende activiteiten geregeld ten aanzien van een hoogspanningsverbinding: het bouwen, het gebruiken en het beschermen. Op deze plek is alleen het bouwen geregeld.
Nieuwe hoogspanningsverbinding mogelijk maken Het mogelijk maken van een nieuwe hoogspanningsverbinding is alleen mogelijk als onderzoek is verricht naar de aanvaardbaarheid. Daarom is ervoor gekozen om in het omgevingsplan alleen hoogspanningsverbindingen toe te staan (met een werkingsgebied). Voor het realiseren van een hoogspanningsverbinding is een omgevingsplanwijziging nodig, zodat in dat traject de aanvaardbaarheid grondig onderzocht kan worden. In zo’n geval is het alleen nog nodig het nieuwe tracé op de verbeelding in te tekenen met het werkingsgebied uit de algemene regel, daarmee is de bouw mogelijk gemaakt. 41
2021/4385
Relatie met Besluit kwaliteit leefomgeving Artikel 5.159 lid 1 van het Besluit kwaliteit leefomgeving is een instructieregel over hoogspanningsverbindingen met een spanning van tenminste 220 kV. Die specificatie hebben we niet overgenomen, omdat we ook hoogspanningsverbindingen met een spanning van meer dan 220kV willen regelen. De regeling in deze paragraaf geldt voor alle hoogspanningsverbindingen.
Voor een hoogspanningsverbinding noodzakelijk hulpmiddel Deze subparagraaf regelt ook dat de noodzakelijke hulpmiddelen voor een hoogspanningsverbinding gebouwd mogen worden. Hiermee worden de hulpmiddelen bedoeld als genoemd in artikel 5.159 van het Besluit kwaliteit leefomgeving. De regels in het omgevingsplan staan ook hulpmiddelen toe voor hoogspanningsverbindingen met een spanning van minder dan 220 kV. In de begripsbepalingen van het omgevingsplan is het begrip ‘voor een hoogspanningsverbinding noodzakelijk hulpmiddel’ uitgelegd. Over het algemeen staan deze hulpmiddelen onder de mast van de hoogspanningsverbinding. Soms is het om technische redenen niet mogelijk het hulpmiddel onder de mast te plaatsen, in dat geval kan een omgevingsvergunning om af te wijken van het omgevingsplan worden aangevraagd.
Woningen, scholen, crèches en kinderopvangplaatsen Uit een advies van het Rijk op 2005 blijkt dat het niet wenselijk is dat kinderen langdurig verblijven binnen de magneetveldzone. De bescherming van de relevante activiteiten zijn nadrukkelijk benoemd in de oogmerken van het artikel. Om die reden zijn de locaties waar het bouwen van hoogspanningsverbinding is toegestaan beperkt tot een werkingsgebied. Subparagraaf 6.2.10.4 Het bouwen van een waterstaatswerk
Artikel 6.X
Toepassingsbereik Deze subparagraaf geldt voor het bouwen van een waterstaatswerk.
Artikel 6.X
Algemene regel Een waterstaatswerk voldoet aan de legger als bedoeld in artikel 2.39 lid 1 van de Omgevingswet.
42
2021/4385
Begrip waterstaatswerken Waterstaatswerken is gedefinieerd in de Omgevingswet en is daarom van toepassing op dit omgevingsplan. Het begrip is breed gedefinieerd: oppervlaktewaterlichaam, bergingsgebied, waterkering of ondersteunend kunstwerk. Onder een ondersteunend kunstwerk worden bouwwerken verstaan die worden gerealiseerd ten behoeve van het algehele watersysteem. Om het beeldender te maken: voor een waterkering (= waterstaatswerk) kunnen onder meer de volgende bouwwerken worden gebouwd als ondersteunend kunstwerk, mits die voldoen aan de regels van de waterbeheerder en nodig zijn ten behoeve van het algehele watersysteem: erfafscheidingen; oeverstroken; oevervoorzieningen; kaden; oeververdedigingswerken; bruggen; waterkruisingen dammen; taluds; tunnels; onderdoorgangen; duikers; en steigers.
Algemene regel De ligging, vorm, afmeting en constructie van een waterstaatswerk is uitputtend geregeld in de legger als bedoeld in artikel 2.39 lid 1 van de Omgevingswet. Het waterschap of het rijk (afhankelijk van wie de waterbeheerder is) hebben voor waterstaatswerken dus al regels gestel, daarom is het niet noodzakelijk dezelfde regels in het omgevingsplan te herhalen. Als een bouwwerk niet nadrukkelijk in het omgevingsplan is geregeld, dan valt het bouwen ervan onder de restparagraaf ‘overige bouwwerken’. Daarom is het wel nodig om te benoemen dat waterstaatswerken zijn toegestaan (mits zij aan de legger voldoen), zodat waterstaatswerken niet onder de restparagraaf vallen.
PM: Cultuurhistorische dijken De leggers van het waterschap en het Rijk gaan over primaire en regionale waterkeringen. Zaanstad kent echter ook dijken die niet (meer) functioneren als waterkering. Deze dijken zijn om cultuurhistorische redenen belangrijk om in stand te houden. Wanneer de regels voor cultuurhistorie worden uitgewerkt, kan ook een regeling worden opgenomen voor deze dijken.
Relatie met Verordening Fysieke Leefomgeving Zaanstad De 2e fase van de Verordening Fysieke Leefomgeving Zaanstad bevat regels over havens en vaarwegen. Deze moeten nog worden omgezet naar het omgevingsplan.
43
2021/4385
Subparagraaf 6.2.10.5 Het bouwen van een duiker in water
Artikel 6.X
Toepassingsbereik Deze subparagraaf geldt voor het bouwen van een duiker in water.
Artikel 6.X
Algemene regel Het is toegestaan een duiker in water te bouwen.
Niet op de stoel van het waterschap In recente bestemmingsplannen was een algemene regeling opgenomen voor het bouwen van duikers en bruggen boven water. Sindsdien is gebleken dat de aspecten die geregeld werden in de bestemmingsplanregels, ook al geregeld werden in de Keur van het Waterschap. Het betreft dan regels over de minimale doorvaarthoogte, de minimale en maximale diameter, de maximale lengte, etc. Voor het bouwen van een duiker in of brug boven water is altijd een vergunning nodig van het waterschap. Om die reden is ervoor gekozen om duikers toe te staan en verder niet aan regels te verbinden. Hier regels opnemen met dezelfde strekking als die van het waterschap is een onnodige regeldrukverhoging.
Duiker in water Alleen duikers in water zijn toegestaan. Daarmee wordt ook bedoeld een duiker die slechts sporadisch in het water ligt, bijvoorbeeld in een waterbergingsgebied. Duikers die niet in het water liggen zijn niet toegestaan. Dit is om te voorkomen dat er duikers worden gebouwd die niet binnen het vergunningstelsel van het waterschap vallen.
PM In de verdere uitwerking van het omgevingsplan kan in overleg met het waterschap worden bepaald welke aanvullende regels wenselijk zijn in het omgevingsplan.
Subparagraaf 6.2.10.6 Het bouwen van een brug over water en waterbergingsgebied
Artikel 6.X
Toepassingsbereik Deze subparagraaf geldt voor het bouwen van een brug over water en waterbergingsgebied.
Artikel 6.X
Oogmerk De regels in deze subparagraaf zijn gesteld met oog op: a. het behouden van vaarroutes; b. het beschermen van de veiligheid op het water; en c. het bereikbaar houden van waterstaatswerken voor inspectie en onderhoud.
Artikel 6.X
Algemene regels De bouwhoogte van een brug boven water of boven waterbergingsgebied is niet hoger dan 3 m.
44
2021/4385
Artikel 6.X
Vergunningplicht Met een omgevingsvergunning kan het bouwen van een bouwwerk als bedoeld in artikel 6.X worden toegestaan in afwijking van artikel 6.X om een hogere brug te bouwen.
Artikel 6.X
Beoordelingsregels Een omgevingsvergunning voor het bouwen van een bouwwerk als bedoeld in artikel 6.X wordt verleend als: a. wordt gebouwd in het werkingsgebied ‘brug’; b. de bouwhoogte niet hoger is dan de aangegeven hoogte als in het werkingsgebied ‘maximum bouwhoogte X m’ wordt gebouwd; en c. naar het oordeel van B&W de vaarwegen niet onevenredig worden belemmerd.
‘boven water en waterbergingsgebied’ De regels in deze paragraaf gelden voor het bouwen van een brug boven water en waterbergingsgebied. Het woord ‘waterbergingsgebied’ is toegevoegd omdat de regels ook gelden voor bijvoorbeeld leegstaande sloten die slechts sporadisch gevuld zijn met water.
Geen doorvaarthoogte en -breedte In bestemmingsplan staan soms nog bouwregels over de minimale doorvaarthoogte en –breedte. Nu is gebleken dat voor bruggen boven water al een vergunning van het waterschap vereist is. In het toetsingskader van het waterschap is ook een minimale doorvaarthoogte en –breedte opgenomen. Om die reden is het niet meer nodig dit in het omgevingsplan te regelen.
Relatie algemene regels en vergunningplicht De algemene regels staan voornamelijk kleine bruggen toe. Wanneer een brug niet binnen de algemene regels past, dan kan de brug toch met een vergunning worden toegestaan. Omdat het dan voornamelijk grotere bruggen zal betreffen is in de beoordelingsregels opgenomen dat zo’n brug alleen in het werkingsgebied ‘brug’ mag worden gebouwd en dat een maximale bouwhoogte geldt.
Een nieuwe grote brug realiseren Alleen bestaande grote bruggen (daarmee wordt bedoeld: bruggen die niet passen binnen de algemene regels) zijn voorzien van een werkingsgebied ‘brug’. Dat betekent dat voor een nieuw te realiseren grote brug eerst een planwijziging moet worden doorlopen zodat voor die brug een werkingsgebied ‘brug’ gaat gelden. Dit is bewust gedaan, omdat een grote brug veel impact kan hebben op onder meer de natuur, de leefomgeving van mensen en de verkeerstromen.
Vaarwegen onevenredig belemmeren Een vergunning voor een brug kan alleen verleend worden als de vaarwegen niet onevenredig worden belemmerd. Een onevenredige belemmering kan bijvoorbeeld bestaan uit het (te) onveilig worden van de vaarwegen door een belemmering van het zicht, een te smalle doorvaartbreedte of een te lage doorvaarthoogte. In de beoordeling van deze norm is het advies van de afdeling Havens & Vaarwegen van belang. Zij toetsen de Nautische richtlijnen. 45
2021/4385
Paragraaf 6.2.11 Het bouwen bij een agrarische activiteit
Artikel 6.X
Toepassingsbereik Deze paragraaf geldt voor het bouwen van een bouwwerk op een plek waar agrarische activiteiten zijn toegestaan.
Artikel 6.X
Aanvraagvereisten Als een omgevingsvergunning voor het bouwen wordt aangevraagd voor een plek waar agrarische activiteiten zijn toegestaan dan worden in ieder geval gegevens en documenten verstrekt die samenhangen met een uit te brengen advies van de Agrarische Adviescommissie.
Bruidsschat De aanvraagvereisten zijn een vertaling van artikel 22.35 sub g van de Bruidsschat.
PM Deze regeling moet nog worden aangepast wanneer er regels voor agrarische activiteiten worden geschreven. Dan is het ook belangrijk artikel 22.27 sub g van de Bruidsschat te betrekken in deze regels.
Afdeling 6.3
Het gebruik van bouwwerken
Paragraaf 6.3.1 Het gebruiken van een bouwwerk op een erf
Artikel 6.X
Toepassingsbereik Deze paragraaf geldt voor het gebruiken van een bouwwerk op een erf.
Artikel 6.X
Oogmerk De regels in deze paragraaf zijn gesteld met oog op het behoud van de ruimtelijke eenheid tussen de erfbebouwing en het hoofdgebouw.
Artikel 6.X
Algemene regels 1. Een bouwwerk wordt gebruikt ter ondersteuning van de hoofdactiviteit op het erf. 2. Een bouwwerk op het erf op een afstand van meer dan 4 m tot het oorspronkelijke hoofdgebouw wordt gebruikt als functioneel ondergeschikt aan de activiteiten in het hoofdgebouw. 3. Lid 2 geldt niet voor een bijbehorend bouwwerk dat wordt gebruikt voor huisvesting in verband met mantelzorg. 4. Als een bijbehorend bouwwerk bestaat uit een deel dat op meer, en een deel dat op minder dan 4 m van het oorspronkelijk hoofdgebouw ligt zonder een inwendige scheidingsconstructie tussen beide delen, dan geldt lid 2 ook voor het deel dat binnen 4 m afstand tot het oorspronkelijk hoofdgebouw ligt.
Ondersteuning van de hoofdactiviteit Onder ondersteuning van de hoofdactiviteit wordt mede verstaan parkeren, mits dat plaatsvindt voor de hoofdactiviteit.
46
2021/4385
Functioneel ondergeschikt aan de hoofdactiviteit Lid 2 bevat een verzwaring van de hoofdregel in lid 1. Alle bouwwerken op het erf mogen alleen gebruikt worden ter ondersteuning van de hoofdactiviteit, maar voor bouwwerken op een afstand van meer dan 4 m tot het oorspronkelijk hoofdgebouw geldt aanvullend dat deze alleen functioneel ondergeschikt gebruikt mogen worden aan de hoofdactiviteit.
Bruidsschat Lid 3 van de algemene regels is een gedeeltelijke omzetting van artikel 22.36 sub a lid 2 onder ii van de Bruidsschat. Het ‘functioneel ondergeschikt’ zijn van het erf aan het hoofdgebouw is hier geregeld. Het deel dat gaat over het gebruik het erf is geregeld in paragraaf 6.4.4. Lid 4 van de algemene regels is een omzetting van artikel 22.37 lid 1 Bruidsschat. Paragraaf 6.3.2 Het gebruiken van een dak als dakterras
Artikel 6.X
Toepassingsbereik Deze paragraaf geldt voor het gebruiken van een dak als dakterras.
Artikel 6.X
Oogmerk De regels in deze paragraaf zijn gesteld met het oog op: a. het beschermen van de privacy van de buurpercelen; b. het voorkomen van een verrommeling van het straatbeeld.
Artikel 6.X
Vergunningplicht Het is verboden zonder omgevingsvergunning een dak als dakterras te gebruiken.
Artikel 6.X
Aanvraagvereisten Bij de aanvraag voor een omgevingsvergunning voor het gebruiken van een dak als dakterras worden de volgende documenten en gegevens verstrekt: a. een situatieschets van: 1. het hoofdgebouw met daarop aangegeven de oorspronkelijke achtergevel; 2. het dakterras; 3. de ontsluiting van het dakterras; 4. de afstand van het dakterras tot de oorspronkelijke achtergevel en de voorgevel; 5. de afstand van het dakterras tot de buurpercelen; en 6. het dakterras in relatie tot de zichtbaarheidslijn.
Artikel 6.X
Beoordelingsregels Een omgevingsvergunning voor het gebruiken van een dak als dakterras kan alleen worden verleend als naar het oordeel van B&W: a. de gebruiksmogelijkheden van het perceel en de aangrenzende percelen niet onevenredig wordt aangetast; b. de bezonningssituatie op de aangrenzende percelen niet onevenredig wordt aangetast; c. het dakterras wordt ontsloten vanuit het hoofdgebouw;