CConstaterende datZaanstad
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage Bomenbeleidsplan 2020-2050 - Bomen, de longen van Zaanstad 2

Raadsvergadering 18 februari 2021, gemeente ZaanstadBij agendapunt: Bomenbeleidsplan 2020-2050 – Bomen, de longen van Zaanstad23.927 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 3

In Zaanstad streven we naar een canopy van minimaal 20% in elke wijk. In de wijken waar de canopy 20% of hoger is, dient het percentage minimaal gelijk te blijven. In wijken waar het percentage lager dan 20% is, dient het percentage verhoogd te worden. Gestuurd wordt op een toename van de canopy van Zaanstad van gemiddeld 16% naar 20%. Canopy-berekening Bij de toetsing van nieuwe ontwikkelingen van het plangebied wordt gestart met een nulmeting. Aan de hand van de nulmeting wordt berekend hoe groot de toename van de canopy moet zijn om tot 20% canopy te komen. Gerekend wordt met de boomkroon bij een leeftijd van twintig jaar (en een plantgatinrichting van minimaal veertig jaar). Voor verblijfsplaatsen (zoals bijvoorbeeld parken) wordt gerekend met een percentage van minimaal 30% canopy.

Op de kaart (figuur 5) is te zien dat koele plekken in delen van Zaanstad in mindere mate aanwezig zijn, niet toegankelijk zijn of slecht bereikbaar zijn (rode gebieden op de kaart). Bij het streven naar een gezonde leefbare stad in 2050 is het van belang dat er voldoende koele plekken zijn, verspreid over de gehele gemeente. Het streven is hierbij dat binnen een loopafstand van 300 m een koele plek van minimaal 200 m2 aanwezig is. (figuur 6)

Het herplantplan wordt opgenomen in de kapvergunning. Hierbij wordt onder andere beoordeeld hoe groot de compensatieoppervlakte moet zijn. Het door de aanvrager aangeleverde compensatieplan wordt hieraan getoetst. Als vuistregel geldt dat één boom van de 1e grootte gecompenseerd mag worden met één boom van de 1e grootte, twee bomen van de 2e grootte of drie à vier van de 3e grootte. Andersom geldt dit ook.

Vuistregel kroonoppervlakte Boom

Kroonoppervlak

1e grootte

40 m2

2e grootte 3e grootte

20 m2 10 m2

NB. De kroonoppervlakte wordt bepaald met behulp van de boommonitor van het Norminstituut Bomen.

28

Figuur 5 Hittestressknelpuntenkaart

Figuur 6 Tabel uitgangspunten ontwerpen met hittestress MRA

29

voldoende gewaarborgd zijn. Hiervoor moeten klimaatroutes aangelegd worden. Klimaatroutes zijn wandel- en fietsroutes waar voldoende schaduw is (minimaal 30%). Deze routes zijn bij voorkeur voorzien van bomen. Bomen geven naast schaduw ook verkoeling door verdamping van water via hun bladeren (evapotranspiratie). Door het planten van grote bomen, neemt het verkoelende effect toe.

Verblijfsgebieden Belangrijke (groene) verblijfsgebieden in de stad zijn de parken, recreatiegebieden, sportparken, volkstuinen en begraafplaatsen. Gestreefd wordt naar een kroonbedekking canopy van 30% binnen deze groene (koele) verblijfsgebieden (uitgezonderd volkstuinen en sportparken). Daarnaast wordt ingezet op het verbeteren van de bereikbaarheid en toegankelijkheid en van de verblijfsgebieden.

Klimaatroutes Om klimaatroutes aan te kunnen leggen, is het van belang dat een goede analyse plaats gaat vinden van het stedelijk gebied. Kwetsbare groepen (kinderen, ouderen en zieken) en de bijbehorende belangrijke voorzieningen worden hierbij in kaart gebracht. Ook worden de koele plekken en de bestaande boomstructuur en fietsverbindingen en wandelroutes in beeld gebracht.

Linten De boomstructuur van de linten wordt voornamelijk gevormd door de aanwezigheid van oude karakteristieke en monumentale bomen in de voortuinen van de lintbebouwing. De weinige bomen in de openbare ruimte zijn veelal geplant op de oude, gedempte wegsloten langs de westzijde van de weg. Ingezet wordt op het behouden van de cultuurhistorische waarde van de linten door het beschermen van de (monumentale en) waardevolle bomen in de voortuinen.

Op basis van de hittestressknelpuntenkaart, de analyse van koele plekken, belangrijke voorzieningen en fiets- en wandelroutes, worden de klimaatroutes bepaald. Aan de hand van de bestaande boomstructuur wordt bepaald waar bomen geplant moeten worden ter versterking van de klimaatroutes. Ook hier moeten extra bomen worden geplant.

Karakteristieke Zaanse plekken Binnen de stedelijke structuur is een aantal locaties aangewezen die karakteristiek zijn voor Zaanstad, ‘de Zaanvensters’. Hieronder vallen onder andere de Zaanbocht, de Prins Hendrikkade (tot en met de Burcht), de Oostzijde (ter hoogte van de Prins Bernhardbrug) en de Zaanbocht (Wormerveer). Ingezet wordt op het versterken van het karakter van de plek door het aanvullen van de structuren en te investeren in de kwaliteit van de bestaande bomen.

Naast de aanleg van klimaatroutes moet ook geïnvesteerd worden in vergroening van de aanwezige voorzieningen, zoals schoolpleinen, speelplekken, parkeerterreinen bij winkelcentra en (clusters van) zorgvoorzieningen. Voor zowel de klimaatroutes als de koele plekken wordt gestreefd naar een canopy van 30% (met een ondergrens van 20%).

Uitvoering Boomstructuurplan Voor de boomstructuur geldt het basisprincipe: · behouden; het in stand houden bestaande structuren; · versterken; het aanhelen van de bestaande structuren; · investeren; het aanleggen van de ontbrekende structuren.

4.3 Boomstructuurplan In het boomstructuurplan van Zaanstad zijn de hoofd- en wijkstructuur, de verblijfsgebieden, de linten en karakteristieke Zaanse plekken opgenomen. Deze zijn weergegeven op de kaart in figuur 7. In het boomstructuurplan is de huidige boomstructuur opgenomen, aangevuld met de ontbrekende boomstructuur (stippellijn).

Behouden Bomen die onderdeel zijn van de boomstructuur worden zo veel mogelijk behouden, zodat deze hun functie blijven behouden. Langs de hoofdboomstructuur wordt volop ingezet op het aanplanten en behouden van bomen van de 1e grootte. Omdat de wijkstructuur een ander karakter heeft, wordt hier vooral ingezet op het behouden van de grote en middelgrote bomen. Bij extra investeringen in de bestaande bomen is het van belang dat de bomen van een redelijke tot goede kwaliteit zijn en een levensverwachting van meer dan tien jaar hebben.

Hoofd- en wijkboomstructuur In Zaanstad ontbreekt een deel van de hoofdboomstructuur, met name langs de doorgaande wegen. De doorgaande wegen liggen grotendeels binnen de bebouwde kom en verbinden de verschillende woonkernen van Zaanstad met elkaar. De hoofdboomstructuur en wijkboomstructuur binnen de kernen zijn grotendeels voorzien van één of meerdere rijen bomen. Ingezet wordt om de hoofd- en wijkboomstructuur aan te vullen en langs de provinciale wegen grote bomen te planten.

30

Bomenstructuurplan Gemeente Zaanstad 2050 LONGEN bp Begraafsplaats

Sportvelden Parken

Volkstuinen

kb Kinderboerderij

Overig groen

ADERS Hoofdboomstructuur

Toekoms ge boomstructuur

Wijk boomstructuur

Historische linten

Buurt boomstructuur

Zaanvensters

bp

bp

bp

kb

bp bp

bp

kb

bp

bp

0

1km

2km

Figuur 7 Boomstructuurkaart

Versterken Daar waar in de boomstructuur één of meerdere bomen van slechte kwaliteit of uitgevallen zijn, wordt de bestaande boomstructuur zo veel mogelijk hersteld. In de hoofdstructuur met bomen van de 1e grootte en in de wijkstructuur met bomen van de 1e of 2e grootte. Zodanig dat de bestaande boomstructuur wordt versterkt. Bomen die qua omvang en/of soort geen onderdeel zijn van de boomstructuur, worden vervangen door een andere boom, zodat de boomstructuur versterkt wordt. (figuur 8) Investeren Langs de doorgaande (provinciale) wegen ontbreekt de hoofdboomstructuur geheel of gedeeltelijk. Het ontbreken van de hoofdboomstructuur is veelal het gevolg van ruimtegebrek, zowel bovengronds als in de ondergrond. Daar waar onvoldoende ruimte beschikbaar is voor het

Figuur 8 Houtveldweg - Hoofdstructuur met bomen van de 3e grootte in de middenberm 31

planten van grote bomen, dient bij ontwikkelingen en herinrichtingen ruimte gecreëerd te worden door middel van herprofilering van wegen met de bijbehorende ondergrondse infrastructuur. Dit zijn grote investeringen.

kroonoppervlakte naar een minimum van 20% in elke wijk. Hiervoor wordt het ‘Handboek Bomen’ als uitgangspunt genomen. Voor het vergroten van de kroonoppervlakte worden de onderstaande uitgangspunten opgenomen in het beheerplan: · De kwaliteit en veiligheid van de bomen wordt minimaal eens per vier jaar (figuur 9). · Eenvoudig op te lossen gebreken worden zo spoedig mogelijk verholpen. · Er wordt extra geïnvesteerd in een goede ontwikkeling van de boom tijdens de jeugdfase. · Bij aanplant (en in beheer) wordt gezorgd voor goede ondergrondse voorzieningen (WIORZ). · Bij het vervangen van bomen wordt gekeken naar de juiste boom op de juiste plek. · Er wordt overgegaan tot kap indien de onderhoud- en verplant kosten van de boom niet langer in verhouding staan tot het te bereiken resultaat. · Er is aandacht voor het voorkomen van de verspreiding van ziektes en plagen.

4.4 Gezond bomenbestand Bij het realiseren van een aantrekkelijke stad is het van belang dat de bomen er zo gezond mogelijk en in hun natuurlijke groeivorm bij staan. Een grote boom die voldoende ruimte heeft om te groeien, wordt ervaren als een gezonde boom. Een boom met een mooie volle kroon en een rechte stam. Om dit beeld te bereiken moet aan een aantal randvoorwaarden voldaan worden. Standplaats Om bomen gezond groot te laten worden moet er voldoende ruimte zijn voor de boom om te groeien, zowel bovengronds als ondergronds. Ondergronds moet voldoende doorwortelbare ruimte zijn en daarnaast moet er voldoende voeding in de bodem aanwezig zijn. Het is dan ook van belang dat gekozen wordt voor de juiste boom op de juiste plek. In hoofdstuk 5 wordt nader ingegaan op de inrichting van de standplaats van de boom.

Met het hanteren van de bovenstaande uitgangspunten zal het aantal bomen zonder gebreken toenemen. Hierbij wordt gestreefd naar een percentage van 85% (of hoger).

Onderhoud Naast een goede standplaats heeft een boom onderhoud nodig. Zeker in de jeugdfase van de boom is het onderhoud van de boom essentieel. Een goede start geeft in de volwassen fase van de boom minder problemen. Ook het monitoren van de boom is van belang. Hiervoor wordt eens in de vier jaar een boomveiligheidscontrole uitgevoerd worden. Gebreken worden dan tijdig zichtbaar. Ziektes en plagen Door ziektes en plagen gaat de boom in kwaliteit achteruit en moet uiteindelijk gekapt worden. Bij besmettelijke ziektes, zoals onder andere iepziekte en kastanjebloedingsziekte, verdwijnen er regelmatig (oude) bomen uit het straatbeeld. Ook de overlast van plagen (bijvoorbeeld eikenprocessierups of schildluis) maakt de stad minder aantrekkelijk. Een hoge biodiversiteit, met een grote variatie aan soorten binnen de laan- en straatbeplanting, draagt bij aan het verminderen van ziektes en plagen en dus ook indirect aan een aantrekkelijke stad. In een wijk mogen daarom niet te veel bomen van dezelfde soort geplant worden. We gebruiken hiervoor de 10-20-30-regel (bijlage B). Variatie zorgt voor een goede balans.

Figuur 9 Resultaten Boomveiligheidscontrole (BVC)

Herzien Beheerplan Bomen Met de koerswijziging van het bomenbeleid is het van belang dat deze koers ook wordt doorgezet in het Beheerplan Bomen. Ook in het herziene beheerplan moet worden gestreefd naar het vergroten van de 32

Voorwaarden: · De boom wordt vervangen door één of meerdere bomen, waarbij de canopy gelijk blijft of toeneemt. · De nieuwe boom wordt voorzien van een voldoende standplaatsinrichting (zowel ondergronds als bovengronds).

4.5 Toetsingskader kernwaarden In de ‘Verordening fysieke leefomgeving’ (voorheen: Apv) zijn vijf weigeringsgronden opgenomen. Indien een omgevingsvergunning voor het vellen van houtopstanden (hierna: kapvergunning) wordt aangevraagd, dan wordt deze aanvraag getoetst aan de weigeringsgronden, zoals benoemd in de Verordening Fysieke Leefomgeving. Deze vijf weigeringsgronden komen overeen met de kernwaarden van bomen, zoals zijn opgenomen in het ‘Groen- en waterplan’.

In het onderstaande kader wordt per kernwaarde aangegeven wanneer er sprake is een minimale waarde, een verhoogde waarde en wanneer de betreffende boom een bijzondere waarde heeft.

Hieronder worden de kernwaarden nader toegelicht. Omdat alle bomen in Zaanstad waardevol worden geacht, betekent dat niet dat er geen bomen meer gekapt mogen worden in Zaanstad. Maar het betekent wel dat er altijd een gegronde reden moet zijn om een kapvergunning aan te vragen en/of te verlenen. Bij elke kapaanvraag dient daarom een belangenafweging plaats te vinden. Hierbij is het uitgangspunt dat alle bomen een minimale waarde hebben. Indien er voor minimaal één kernwaarde een verhoogde waarde van toepassing is, dan valt de boom in de zwaardere beoordelingsklasse (verhoogde waarde). Indien er sprake is van een boom met een bijzondere kernwaarde, dan valt deze in de zwaarste beschermingsklasse. Bijzondere waarde Bij bomen met een bijzondere waarde geldt het principe Nee, tenzij…. Deze bomen worden niet geveld, tenzij de boom ernstig ziek is, dood is of aantoonbaar gevaar oplevert en de levensverwachting van de boom minder dan vijf jaar is. Verhoogde waarde Wanneer er sprake is van een boom met een verhoogde waarde, wordt de boom in principe niet gekapt. De stelregel hierbij is Nee, mits…. · er een zwaarwegende reden is om de boom te kappen; · er geen mogelijkheid is om de boom duurzaam te behouden. Voorwaarden: · De boom wordt vervangen door één (of meerdere) bomen, waarbij de canopy toeneemt.

· De nieuwe boom wordt voorzien van een ruime standplaatsinrichting (zowel ondergronds als bovengronds). Minimale waarde Indien de boom voor alle vijf kernwaardes over een minimale waarde beschikt, is de stelregel Ja, mits…. · er een grondige reden is om de boom te kappen; · er geen mogelijkheid is om de boom duurzaam te behouden.

33

Cultuurhistorische waarde In het Groen- en waterplan is aangegeven wat de kernwaarde ‘Cultuurhistorische waarde’ inhoudt voor Zaanstad. Ook bomen maken hier deel van uit. · Voor de archeologische waarde geldt dat voor het planten en verwijderen van bomen in gebieden waar in het bestemmingplan (binnenkort: omgevingsplan) de bestemming archeologische waarde van toepassing is, er een omgevingsvergunning nodig is voor het kappen en/of planten van bomen. Het is van belang dat de archeologische waarden behouden blijven en schade aan (of verloren gaan van) archeologische waarden in de bodem voorkomen wordt. Het bestemmingsplan is hierin leidend. · Binnen Zaanstad zijn vier gebieden aangewezen als ‘beschermd stads- en dorpsgezicht’. In de ‘Erfgoedverordening 2010 gemeente Zaanstad’ is aangegeven dat voor het wijzigen van onroerende zaken, waaronder bomen, binnen het beschermde stads- en dorpsgezicht een omgevingsvergunning noodzakelijk is. De aangewezen beschermde stads- en dorpsgezichten zijn opgenomen in het bestemmingsplan. · In de Nota ‘De identiteit van Zaanstad’(2020) is het (cultuur)historische karakter van Zaanstad weergegeven. Onder andere de ontstaansgeschiedenis van het landschap en de bescherming van de cultuurhistorische waarden zijn hierin uitgewerkt. Ook bomen maken deel uit van het (cultuur)historische erfgoed van de Zaanstad.

· In de ‘Erfgoedverordening 2010 gemeente Zaanstad’ zijn (rijks-, provinciale en gemeentelijke) monumenten aangewezen. Een aanzienlijk deel van de monumenten in Zaanstad zijn in particulier eigendom, de bomen op deze locaties zijn beoordeeld tijdens de inventarisatie van de ‘Lijst van particuliere waardevolle bomen’ (bijlage E). Daarnaast zijn er monumenten, die niet particulier zijn (zoals de monumentale begraafplaatsen en het Wilhelminapark). Ook de landelijk geregistreerde monumentale bomen (Bomenstichting) en gedenkbomen ten aanzien van het Koninklijk Huis hebben cultuurhistorische waarde.

34

Bijzondere cultuurhistorische waarde

Bomen met een leeftijd van meer dan tachtig jaar en een levensverwachting van meer dan tien jaar hebben een bijzondere cultuurhistorische waarde. Particuliere bomen die aan deze eis voldoen zijn opgenomen op de lijst van particuliere waardevolle bomen (bijlage E). Daarnaast hebben de bomen in het monumentale Wilhelminapark en op de monumentale Begraafplaats in beginsel een bijzondere cultuurhistorische waarde. De bomen op deze locaties zijn niet individueel opgenomen en zijn als groep/ locatie opgenomen als bijzonder waardevol.

Bijzondere cultuurhistorische waarde

Er is sprake van een verhoogde cultuurhistorische waarde als de boom historisch gezien op een bijzondere locatie staat. Bijvoorbeeld bomen die binnen het beschermd stads- en dorpsgezicht staan, op dijken, linten of paden staan, bij een rijks-, provinciaal of gemeentelijk monument of in gebieden van archeologische waarde staan. Hierbij zijn naast de locatie ook de leeftijd van de boom (minimaal zestig jaar) en de levensverwachting van de boom (meer dan tien jaar) van belang bij de beoordeling van de cultuurhistorische waarde van de individuele boom.

Minimale cultuurhistorische waarde

De meeste bomen in Zaanstad zijn tijdens de wederopbouw (of later) geplant. Tijdens de oorlog is immers een groot deel van de Zaanse bomen in de houtkachel beland. Ook bij ophogingen en herinrichtingen worden steeds bomen vervangen. Zo heeft elke boom een verhaal. Bij bomen met een minimale cultuurhistorische waarde hebben bomen cultuurhistorisch gezien een minimaal onderscheidend vermogen ten opzichte van andere bomen in de buurt.

Stedelijke- en landschappelijke waarde Zaanstad heeft net als ieder ander dorp of stad een stedenbouwkundige opbouw, die voornamelijk bestaat uit gebouwen, bestrating, water en plantsoenen. Door een variatie in vormgeving, afmeting, materiaalgebruik en verschillende combinaties daarvan kan je eenvoudig je weg vinden in de stad. Een pad van grijze tegels langs de zijkant van een bestratingsvlak is bedoeld om op te lopen, de brede asfaltstrook in het midden is doorgaans waar de auto’s rijden. Dit principe geldt dit ook voor bomen. Bomen langs de wegen hebben namelijk een belangrijke rol in de stedenbouwkundige opbouw van de stad. · In het ‘Zaans Verkeers- en Vervoersplan (ZVVP)’ is aangegeven welke wegen tot de stroomwegen (onder andere Rijksweg) en gebiedsontsluitingswegen (categorie A, B of C) behoren. Deze wegen vormen samen de hoofdwegenstructuur. De wegbeplanting (bomen) langs deze wegen worden opgenomen in de hoofdboomstructuur. · Voor elke wijk is de stedenbouwkundige structuur van de wijk vastgelegd in wijkstructuurplannen. De boomstructuur zoals aangegeven in de wijkstructuurplannen behoren tot de wijkboomstructuur. De hoofden wijkboomstructuur heeft een bijzondere stedelijke en/of landschappelijke waarde en is opgenomen in het boomstructuurplan (bijlage E.3). · Ook parken en plantsoenen zijn een belangrijk onderdeel van de stedenbouwkundige opbouw van Zaanstad.

Dit zijn belangrijke verblijfs- en ontmoetingsruimtes in de stad. De parken, recreatiegebieden en bijzondere plekken langs de Zaan (Zaanvensters) hebben een verhoogde en/of bijzondere stedenbouwkundige waarde. (‘Parkennota Zaanstad 2020’ is in ontwikkeling). · De begraafplaatsen zijn (groene) verblijfsplekken, die belangrijk zijn voor de stedenbouwkundige structuur. Op de begraafplaatsen staan veel oude bomen. In de ‘Nota begraafplaatsen (concept 2020)’ zijn alle begraafplaatsen opgenomen. · Ook de volkstuinen behoren tot de belangrijke ontmoetings- en verblijfsplekken in Zaanstad. In de nota ‘Inventarisatie van de Zaanse Volkstuinen (2011)’ zijn de volkstuinen beschreven.

35

Bijzondere stedelijke en landschappelijke waarde

Langs de gebiedsontsluitingswegen staan veelal bomen van de 1e grootte. De bomen die deel uitmaken van de hoofdboomstructuur zijn onderdeel van de stedenbouwkundige structuur van Zaanstad. Deze bomen hebben een bijzondere stedelijke- en landschappelijke waarde. Daarnaast kunnen grote bomen op specifieke plekken, bijvoorbeeld in het stadscentrum, op begraafplaatsen, in parken of op pleinen, een belangrijk oriëntatiepunt in de stad zijn.

Verhoogde stedelijke en landschappelijke waarde

Bomen die deel uitmaken van de wijkboomstructuur hebben een verhoogde stedelijke of landschappelijke waarde. Veelal zijn dit de bomen langs de wijkontsluitingswegen. Individuele bomen kunnen een belangrijke bijdrage leveren als oriëntatiepunt in de wijk. Ook dan is er sprake van een verhoogde stedelijke of landschappelijke waarde.

Minimale stedelijke en landschappelijke waarde

Alle bomen dragen in meer of mindere mate bij aan de ruimtelijke beleving in de stad. Zonder bomen zou het er kaal en onherbergzaam zijn. Een grote boom draagt meer bij aan de ruimtelijke beleving dan een kleine boom. Ook bomen in groenarme wijken hebben een grotere impact op de leefomgeving. Een boom met een minimale stedelijke of landschappelijke waarde is vervangbaar.

Natuurwaarde Met de Zaanse ambitie om de biodiversiteit te verhogen en de soortenrijkdom te vergoten, is het van belang dat de verschillende (natuur)gebieden met elkaar verbonden zijn, zodat dieren zich makkelijk van de ene habitat naar de andere habitat kunnen verplaatsen. Hierdoor ontstaan minder snel geïsoleerde populaties. Kleine zoogdieren, vleermuizen, vogels en insecten kunnen zich van boom tot boom verplaatsen van de ene naar de andere ‘groene oase’. · In het buitengebied van Zaanstad (en omliggende gemeentes) zijn een aantal Natura 2000-gebieden gesitueerd. Aan de westzijde van de Zaan ligt het Natura 2000-gebied Polder Westzaan. Aan de Oostzijde van de Zaan ligt de Kalverpolder en het Wormer- en Jisperveld (gemeente Wormerland). · Rondom Zaanstad zijn een aantal gebieden die deel uit maken van het Natuurnetwerk Nederland (NNN-gebieden). Hieronder valt ook Recreatiegebied Jagersveld. · In het ‘Groen- en waterplan’ zijn de groen/blauwe netwerken opgenomen en worden diverse ecologische verbindingen aangeduid. · De parken en recreatiegebieden vormen belangrijke verblijfsplekken en verbindingen door de stad (biosteps). Zowel noord-zuid-verbindingen (onder andere Darwinpark en Burgemeester in ’t Veldpark) als oost-west-verbindingen (onder andere Vijfhoekpark en Jagersveld).

36

Bijzondere natuurwaarde

Het ecologisch onderzoek geeft aan of de onderzochte boom over een ‘Bijzondere natuurwaarde’ beschikt. De mate waarin natuurwaarden toe te schrijven zijn aan een specifieke boom is hierbij van belang. Bijvoorbeeld één boom in een vliegroute hoeft geen bijzondere waarde te hebben, wanneer de functie van deze boom wordt overgenomen door de resterende bomen, gebouwen of andere factoren. Een bijzondere waarde is alléén van toepassing als de boom een essentiële functie voor de natuurwaarde heeft. Bij de aanwezigheid van een bijzondere natuurwaarde dient bij de aanvraag van de kapvergunning aangehaakt te worden aan de ‘Wet natuurbescherming’ of er dient een vergunning ‘Wet natuurbescherming’ aangeleverd te worden.

Verhoogde natuurwaarde

Er is sprake van een verhoogde natuurwaarde als de boom onderdeel is van een lijnbeplanting (vliegroute), er holtes in de boom zitten, de boom in een park of natuurgebied staat of wanneer er nesten van jaarrond broedende vogels aanwezig zijn. Bij een verhoogde natuurwaarde dient een ecologisch onderzoek uitgevoerd te worden om te bepalen of er sprake is van een ‘Verhoogde natuurwaarde’.

Minimale natuurwaarde

Elke boom heeft een natuurwaarde. Vogels, insecten en kleine zoogdieren leven immers in bomen en eten er de vruchten van. Indien in de boom geen nesten aanwezig zijn en de boom geen verhoogde of bijzondere natuurwaarde heeft, dan wordt de natuurwaarde als minimaal beoordeeld.

Recreatiewaarde Recreatie is een vorm van ontspanning, die direct in verband staat met onze gezondheid. Recreëren in een boomrijke omgeving versterkt het effect op de gezondheid. Het recreatiegebied Jagersveld is specifiek ingericht voor recreatief gebruik. Daarnaast wordt veel gebruik gemaakt van parken, sportcomplexen, speelplekken, schoolpleinen en volkstuinen om te recreëren. De activiteiten wandelen, fietsen en varen zijn recreatieve activiteiten waarbij verplaatsing centraal staat. De aanwezigheid van een goed netwerk van fiets-, wandel- en vaarroutes is dan ook belangrijk. · In het ‘Groen- en waterplan’ zijn de belangrijkste fiets-, wandel- en vaarroutes opgenomen: • voor fietsers het landelijk opgezet knooppuntenroutenetwerk (ANWB); • voor wandelaars het wandelroutenet Noord Holland (Provincie NH); • voor bootjes het vaarwegennetwerk (Rijkswaterstaat). · De parken en recreatiegebieden vormen belangrijke plekken om te recreëren/verblijven. · Ook sportparken in de ‘Zaanse sportvisie 2020-2040, Een leven lang plezier beleven aan sport!’ (2020), volkstuincomplexen (nota ‘Inventarisatie van de Zaanse Volkstuinen, 2011) en speelplaatsen (‘Speelruimtebeleidsplan’, 2017) hebben elk voor hun eigen doelgroep een recreatieve functie, waarbij verblijven en ontmoeten een belangrijke rol spelen.

37

Bijzondere recreatieve waarde

Wanneer in een gebied met een recreatieve functie (bijvoorbeeld een park, recreatiegebied, sportcomplex, speelplek, schoolplein en volkstuin) een boom staat die op deze plek een bijzondere toevoeging heeft, is er sprake van een bijzondere recreatieve waarde. Deze bijzondere recreatieve waarde kan gelden voor zowel een solitaire boom als een groep bomen of een hele laan.

Verhoogde recreatieve waarde

Bomen in een gebied met een recreatieve functie, zoals een park, recreatiegebied, sportcomplexen, speelplekken, schoolpleinen en volkstuinen, hebben een verhoogde recreatieve waarde (verblijfs-/ ontmoetingsplek). Ook bomen langs recreatieve fiets-, wandel- of vaarroutes hebben een verhoogde recreatieve waarde.

Minimale recreatieve waarde

Er is sprake van een minimale recreatieve waarde indien de betreffende boom weinig tot geen meerwaarde biedt aan de recreatieve beleving. Bomen in woonwijken en plantsoenen hebben meestal een minimale recreatieve waarde, tenzij deze bijvoorbeeld bij een speelplek of ontmoetingsplek zijn gesitueerd.

Klimaat Bomen leveren een belangrijke bijdrage aan het klimaat. Een boom slaat CO2 op, geeft verkoeling door schaduwwerking en verdamping, vangt (regen)water op en voert dit water vertraagd af. Bovendien vangt de boom fijnstof af. In alle gevallen geldt: hoe groter de boom, hoe groter het effect van de boom op het klimaat. In een groenarme wijk is de aanwezigheid van een grote boom van groot belang. In een wijk met een hoge kroonbedekking (canopy) is het effect van de boom minder. · De canopy is per wijk weergegeven in paragraaf 4.1. In de wijken met een lage canopy dragen de bomen meer bij aan de leefbaarheid van de wijk. Bij een lage canopy heeft de boom een hogere de klimaatwaarde. · Op de hittestressknelpuntenkaart wordt aangegeven op welke plekken hitte de meeste problemen zal geven. De klimaatwaarde van bomen is hoger op plekken waar hittestress problemen oplevert. Ook op plekken waar veel kwetsbare mensen samenkomen (bijvoorbeeld verpleeghuizen, scholen enzovoort) hebben bomen een hogere klimaatwaarde. · Naast de aanwezigheid van voldoende verkoelende plekken (zoals parken en plantsoenen) is het van belang dat in het kader van de hittestress ook de routes naar deze plekken toe voorzien zijn van voldoende schaduw (klimaatroutes). · Op plaatsen waar veel auto’s rijden, zoals op stroomwegen en gebiedsontsluitingswegen, wordt meer fijnstof geproduceerd.

De bomen langs deze wegen kunnen (een deel van) het fijnstof afvangen.

38

Bijzondere klimaatwaarde

In het kader van de hittestress zijn er een aantal kwetsbare groepen, zoals ouderen, (kleine) kinderen en zieken. Op locaties waar hitte een knelpunt is en waar veel kwetsbare groepen verblijven, hebben bomen een bijzondere klimaatwaarde. Dit is in de directe omgeving van verpleeg-/verzorgingshuizen, het ziekenhuis, scholen en kinderdagverblijven.

Verhoogde klimaatwaarde

Bomen in de wijken met een canopy van minder dan 20% en bomen in gebieden waar hitte een knelpunt is, hebben een verhoogde klimaatwaarde. Ook hebben bomen een verhoogde klimaatwaarde als ze staan op de zogenaamde ‘koele (verblijfs)plekken’, bij de voorzieningen en langs de zogenaamde ‘klimaatroutes’. Grote bomen langs doorgaande wegen hebben een verhoogde klimaatwaarde indien ze bijdragen aan het verbeteren van de luchtkwaliteit.

Minimale klimaatwaarde

Alle bomen hebben een positief effect op het klimaat. Hoe ouder en hoe groter de boom, hoe meer deze in positieve zin bijdraagt aan het klimaat. Bomen met weinig bladvolume hebben een minimale klimaatwaarde.

5

Inrichting Openbare Ruimte

Bij nieuwe ontwikkelingen en in herinrichtingsprojecten krijgt de openbare ruimte een opknapbeurt. Het ophogen van het maaiveld, de aanleg van nieuwe riolering en het maken van extra parkeerplaatsen hebben een groot effect op de bestaande bomen. Hoe wordt de canopy behouden (of vergroot) bij de (her)inrichting van de openbare ruimte? En op welke wijze wordt de boomstructuur versterkt? Wat wordt er gedaan aan het beperken van hittestress? Natuurlijk worden gezonde bomen zo veel mogelijk behouden en de bestaande boomstructuur versterkt. In dit hoofdstuk worden handvatten aangereikt om de juiste keuzes te maken voor het behouden, versterken en investeren in een gezond bomenbestand. Kernwaarde van de boom Tot slot wordt vastgesteld welke kernwaardes kunnen worden toegekend aan de boom. Als de boom één of meerdere kernwaardes bezit, neemt de waarde van de boom toe. Er is dan een verhoogde of bijzondere waarde (paragraaf 4.5). Voor het kappen van de boom geldt minimaal een voorwaarde ‘Nee, tenzij…’ of ‘Ja, mits…’. Voordat met het ontwerpen van de ruimtelijke ontwikkeling of herinrichting begonnen wordt, moet bekend zijn wat de waarde van de bomen is binnen het plangebied. Op deze wijze wordt in beeld gebracht welke bomen in het ontwerp ingepast moeten worden. De waarde van de bomen is een randvoorwaarde voor het ontwerp.

5.1 Inventarisatie bestaande bomen Bij de start van een project dient een inventarisatie gemaakt te worden van de bomen binnen de projectgrens. Dit geldt zowel bij de ontwikkeling van nieuwbouw als bij de herinrichting van bestaande woonwijken. Bij deze inventarisatie wordt de omvang, de standplaats en de kwaliteit/ vitaliteit van de boom vastgesteld. Omvang van de boom Voor het bepalen van de omvang van de boom dient een aantal onderdelen van de boom opgemeten te worden, namelijk de stamomtrek, de omvang van het wortelgestel en de kroondiameter. Samen met de boomsoort en het jaar van aanplant zijn dit de basisgegevens van de inventarisatie.

5.2 Uitganspunten voor het ontwerp Bij een ruimtelijke ontwikkeling of herinrichting is het streven om zo veel mogelijk gezonde bomen te behouden. Realistisch gezien is het behouden van alle bomen bij een ontwikkeling of herinrichting niet haalbaar. Bij het maken van een ontwerp is de aanwezigheid van een goede inventarisatie van de bomen essentieel. Hierbij dient ingezet te worden op het behoud van de meest waardevolle bomen in het plangebied. Dit verhoogt de leefbaarheid van een buurt en heeft een positieve invloed op de woningwaarde. Bij het ontwerpen van een ruimtelijke ontwikkeling of herinrichting loont het om waardevolle bomen in te passen in het ontwerp.

Kwaliteit/vitaliteit van de boom Aan de hand van de soort, leeftijd en omvang van de boom kan de ontwikkeling van de boom worden vastgesteld. In combinatie met het uitgevoerde onderhoud en de boomveiligheidscontrole ontstaat een beeld van de vitaliteit van de boom. Standplaats van de boom Of de bomen in gras/beplanting of juist in de verharding staan, heeft een groot effect op de ontwikkeling van het wortelgestel. Een boom die te dicht tegen een gevel of op de erfgrens staat, geeft veelal veel overlast. Het is van belang of de boom (met name in verharding) een goed plantgat meekrijgt. Wortelopdruk kan een gevolg zijn van een slecht doorwortelbare ruimte, maar ook van een verkeerde soortkeuze.

Weergave bomen in het ontwerp In het ontwerp moeten de bestaande bomen weergegeven worden op ware grootte. Voor nieuw te planten bomen wordt de te verwachten omvang van de boom 39

weergegeven. Hierbij wordt uitgegaan van een volwassen boom (leeftijd circa twintig jaar). Zodoende is duidelijk of er voldoende ruimte is gereserveerd voor de boom. Dit geldt ook voor de bomen staande op particulier terrein die met hun kroon binnen het plangebied zijn gesitueerd. Dit om te voorkomen dat bomen te dicht op elkaar of te dicht bij de bebouwing komen te staan.

gemaakt te worden tussen de kwaliteit van de boom en de benodigde investering om de boom te handhaven. Het aanbrengen van beluchting Door de ophoging van het maaiveld wordt de uitwisseling van zuurstof met het ‘oude’ maaiveld beperkt. Zeker daar waar bestrating aangebracht wordt, leidt dit vaak tot problemen en gaat de boom in kwaliteit achteruit. Het aanbrengen van bodembeluchtingssysteem maakt dat er meer zuurstof voor de boomwortels beschikbaar is. (figuur 10) Daar waar het zuurstof gehalte in de bestaande situatie al beperkt was, wordt geadviseerd hiervoor eerst maatregelen te nemen door extra lucht in de bodem te brengen (bijvoorbeeld door de bodem te ploffen).

Kroonoppervlakte (canopy) Het streven is om de canopy binnen Zaanstad te verhogen van 16% naar 20%. In het ontwerp moet hiermee rekening gehouden worden. Bij de inventarisatiegegevens is de kroonoppervlakte van de bestaande bomen in kaart gebracht. Hiermee is de canopy van de bestande situatie te berekenen (m2 kroonoppervlakte per m2 openbare ruimte). Daarna kan uitgerekend worden wat de canopy van het ontwerp is. In het ontwerp wordt gestreefd naar een canopy van 20%. Indien dit niet mogelijk is, wordt er minimaal een toename van de canopy gerealiseerd.

Het aanbrengen van lavagranulaat Bij een ophoging is het van belang dat de druk op het bestaande maaiveld niet te groot wordt, waardoor het bestaande maaiveld nog verder zal inklinken. Door een verdere inklinking van de grond zakt het maaiveld opnieuw en wordt het zuurstofgehalte van het ‘oude’ maaiveld te laag, waardoor de boom in kwaliteit achteruit gaat. Indien mogelijk wordt aangevuld met voedselrijk, LavaBoomgranulaat. Hierdoor wordt de extra druk op de wortels beperkt, krijgt de boom extra voeding en is er meer zuurstof beschikbaar (dan bij een ophoging met zand).

Herplantplan Bij de aanvraag van een kapvergunning dient standaard een herplantplan aangeleverd te worden. Het herplantplan gaat uit van de kroonoppervlakte van de te kappen boom. Deze moet volledig gecompenseerd worden. Bij een afname van de openbare ruimte wordt de canopy groter. Dit heeft geen invloed op de herplantverplichting. Indien de herplant niet geheel binnen de plangrenzen kan worden voldaan, dan wordt deze zo veel mogelijk gecompenseerd door het planten van bomen in de boomstructuur binnen de wijk. Bomeneffectanalyse (BEA) Bij ruimtelijke ontwikkelingen en herinrichting wordt in Zaanstad zorgvuldig gekeken of de bestaande bomen in een plangebied duurzaam behouden kunnen blijven. Hierbij wordt uitgegaan van de kwaliteit van de boom (boomwaardebepaling) waarbij rekening gehouden wordt met onder andere de noodzakelijke ophoging van het te ontwikkelen terrein. Daar waar mogelijk, worden bomen ingepast in het plan of worden de bomen verplant (bij voorkeur binnen het project). Om te bepalen of de investering in de betreffende boom een zinvolle investering is, kan tijdens de planvorming een bomeneffectanalyse (BEA) uitgevoerd worden. Hiermee worden de effecten van de ontwikkeling op de betreffende boom inzichtelijk gemaakt.

Figuur 10 beluchting bij grondophoging

Verplanten of lichten van bomen Bij jonge bomen (of half volwassen bij 3e grootte) kan het aantrekkelijk zijn om de bomen op te tillen, de grond onder de boom aan te vullen tot de gewenste hoogte en ze daarna terug te plaatsen op oude, opgehoogde plantplaats. In andere gevallen is het beter om de bomen te verplanten naar een andere standplaats binnen het projectgebied. Hoe groter en ouder de bomen, des te groter is het risico op terugval in de ontwikkeling.

5.3 Handhaven bestaande bomen Zowel bij nieuwe ontwikkelingen als bij herinrichtingen is het in Zaanstad in veel gevallen ook nodig om het maaiveld op te ophogen. De meeste bomen in Zaanstad kunnen daar slecht tegen, waardoor de boom in kwaliteit achteruit gaat. De mate van achteruitgang verschilt per soort en locatie. Het handhaven van de bomen is hierdoor technisch gezien een behoorlijke uitdaging en er dient altijd een afweging 40

Drainage Indien door de werkzaamheden een stijging van het grondwater wordt verwacht, kan het aanleggen van een drainage uitkomst bieden. Hierbij kan gedacht worden aan het leggen van een drainagebuis bij de boom (net onder de grondwaterspiegel) of het aanleggen van een grindkoffer of geulen met grof zand voor een versnelde waterafvoer bij de boom. De drain of grindkoffer mag hierbij niet geplaatst worden in het wortelgestel van de boom (vanwege de kans op schade aan de wortels).

Biodiversiteit Bij de soortkeuze wordt de biodiversiteit gestimuleerd. Er wordt ook een grote variatie aan boomsoorten aangeplant. Hierbij wordt gewerkt met de 10-20-30-regel. Die houdt in dat in een wijk maximaal 30% van de bomen van dezelfde familie geplant mogen worden, 20% van de bomen van hetzelfde geslacht en een 10% van dezelfde soort. Op deze manier komt er een grotere variëteit aan soorten in de wijk staan. Ook zogenaamde drachtbomen zijn belangrijk voor insecten. Verschillende bloeitijden van bomen dragen bij aan rijkere fauna.

5.4 Het planten van bomen

Kabels en leidingen (K&L) Op veel plaatsen zijn kabels en leidingen aanwezig in de bodem. Hierdoor is de benodigde ondergrondse ruimte in veel gevallen niet beschikbaar. Als het verplaatsen van de K&L niet mogelijk is, is het door het plaatsen van een kabelgoot, antiwortelfolie, schermen of mantelbuizen mogelijk dat de boom op een kleinere afstand van de K&L geplant wordt dan gebruikelijk. Hierdoor neemt de beschikbare ondergrondse ruimte toe. Een andere optie is ervoor te kiezen om het eindbeeld aan te passen en een kleinblijvende boom te planten (let wel op de canopy!). Als de boom onvoldoende voeding en ruimte meekrijgt bij aanplant, is er sprake van een ‘verkorte omlooptijd’. Dit betekent dat de boom daardoor naar verwachting niet de omvang van een volwassen exemplaar zal bereiken.

Omdat Zaanstad is gelegen op een inklinkende veenondergrond en het maaiveld jaarlijks tussen de 0,5 en 1 cm daalt, is het noodzakelijk dat het maaiveld met enige regelmaat opgehoogd moet worden. Vaak wordt dit gecombineerd met een herinrichting van de wijk. Niet alle bomen kunnen dan blijven staan. Ook bij een nieuwe ontwikkeling (bijvoorbeeld nieuwbouw) worden bomen gekapt en nieuwe bomen geplant. Soortkeuze Bij het ontwerpen van een ruimtelijke ontwikkeling of herinrichting wordt door de ontwerper een eindbeeld bepaald. Bij dit beeld moet de juiste boomsoort gekozen worden. Bij het kiezen van de soort wordt onder andere gekeken naar de beschikbare ruimte bovengronds en ondergronds, de grondwaterstand, de grondsoort en de biodiversiteit.

Grondwater De grondwaterstand in Zaanstad varieert tussen de 40 cm in de vooroorlogse wijken en 120 cm langs een aantal hoofdverkeerswegen. Aangezien bomen niet wortelen in het grondwater, is het grondwater een grote beperking voor de doorwortelbare ruimte. Indien de grondwaterstand te hoog wordt, hebben bomen onvoldoende ruimte om te wortelen. Bij een grondwaterstand van minder dan 50 cm beneden maaiveld, is het planten van grote bomen niet wenselijk. Bij een grondwaterstand minder dan 40 cm beneden maaiveld is ook het planten van kleine bomen geen optie. Bij ruimtelijke ontwikkelingen en herinrichtingen wordt gestreefd naar een minimale drooglegging van 0,8 tot 1 m.

Plantgatinrichting Voor de inrichting van het plantgat wordt verwezen naar het Handboek Bomen (Norminstituut) en de WIORZ. Hierin zijn de standaarden voor de technische inrichting van een plantgat opgenomen. In de planvorming wordt deze standaard per boom uitgewerkt. Aan de hand van de soort, omvang en beschikbare ondergrondse ruimte worden de afmeting van het plantgat en de omlooptijd bepaald. De omlooptijd is de te verwachten periode die de boom op die plek kan blijven staan. De omlooptijd wordt vastgelegd in het bomenpaspoort. Verhoogde plantplaats Indien bij een herinrichting of ontwikkeling nieuwe bomen (met een omlooptijd van meer dan twintig jaar) geplant worden, dient er bij aanplant al rekening gehouden te worden met een toekomstige ophoging. Bomen in de bestrating worden daarom altijd met een verhoogde boomband geplant. Bij een ophoging in de toekomst is de kans daardoor groter dat de boom behouden kan blijven doordat bij de boom minder opgehoogd hoeft te worden (bij de ophoging kan de boomspiegel op gelijke hoogte met de bestrating komen te liggen). In bepaalde gevallen kan gekozen worden voor het plaatsen van een boombak (zoals bijvoorbeeld Westzijde). Zodoende is er meer ruimte voor toekomstige ophogingen.

5.5 Participatie De betrokkenheid van de inwoners van Zaanstad op het gebied van bomen is zeer groot. Naast de diverse gesprekken die zijn gevoerd met inwoners van Zaanstad, is in februari 2020 een enquête uitgezet bij het Zaanpanel over het bomenbeleid (zie bijlage A). Hierop was de respons groot: meer dan duizend betrokken inwoners van Zaanstad hebben de enquête ingevuld. Met de antwoorden is zo veel mogelijk rekening gehouden bij het maken van beleidskeuzes.

41

Eén van de vragen betrof de mate waarin de deelnemers invloed zouden willen hebben op beslissingen omtrent de bomen in de openbare ruimte (in dit geval de aanplant van nieuwe bomen). Hieruit is gebleken dat ruim 75% van de geënquêteerden invloed wil hebben op de keuze van de te planten boomsoort in hun eigen woon- en leefomgeving. (figuur 11)

Projectspecifieke uitgangspunten kunnen hieraan toegevoegd worden. Bij nieuwbouw-, herinrichtings- of vervangingsprojecten is het kappen van bomen in veel gevallen noodzakelijk. Naast het belang van het van behoud van de bomen zijn er ook andere belangen die bij een project meespelen (denk aan ophoging, riolering, kabels en leidingen, parkeren enzovoort). Het afwegen van deze belangen in het project moet zorgvuldig gedaan worden. Bij de start van het project moet daarom in beeld gebracht worden wat de kwaliteit van de bomen is en welke bomen een verhoogde of bijzondere waarde hebben.

Figuur 11 bewoners willen meebeslissen aanplant bomen

Bewonersbelangen Aan het betrekken van de bewoners bij de plannen voor de herinrichting van de openbare ruimte, vervanging en/of nieuwbouw wordt steeds meer aandacht gegeven. De buurtbewoners zijn degenen die dagelijks gebruik maken van de woonomgeving, de buurt goed kennen en de lasten en lusten van een inrichting dragen. Zij beschikken dan ook over heel veel praktische informatie over de buurt. Het is dan ook belangrijk dat de bewoners betrokken worden bij de inrichting van hun buurt. Bij zowel het kappen als het planten van bomen kunnen de belangen van bewoners onderling behoorlijk uiteenlopen. Daarnaast heeft ook de gemeente een belang. Zo wordt er gestreefd naar een de canopy van 20%, wordt de boomstructuur van de stad versterkt en worden bomen ingezet als middel bij het bestrijden van hittestress. De belangen van bewoners kunnen dan ook tegenstrijdig zijn met de doelstellingen van de gemeente. Om tijdens het communicatie- en participatietraject geen valse verwachtingen te wekken, wordt aan het begin van het traject een aantal uitgangspunten meegegeven met betrekking tot de participatie rondom bomen, die bijdragen aan een goede belangenafweging: · Bomen met een verhoogde waarde, met een goede gezondheid worden (zo veel mogelijk) gehandhaafd. · In de buurt wordt gestreefd naar de 20% canopy. · Bomen in de hoofd- en wijkstructuur vallen buiten de participatie.

Het algemeen belang is hier groter dan het buurtbelang. · Bij strijdige belangen neemt de gemeente de doorslaggevende beslissing.

42

5.6 Toolkit: ‘Bomen planten met Kwaliteit’ In de naoorlogse periode zijn in Zaanstad veel bomen geplant. Zo’n 40% van het bomenbestand is dan ook geplant in de periode tussen 1960 en 1970. Over een wijze van aanplanten en het nemen van maatregelen voor plantgatverbetering was destijds nog weinig bekend. In bepaalde wijken in Zaanstad zie je in het huidige straatbeeld dat bomen in hun ontwikkeling achterblijven. In de afgelopen twintig tot dertig jaar is veel onderzoek gedaan naar goede plantmethodes. De zes meest gangbare plantmethodes worden hieronder beschreven. Natuurlijke standplaats Indien er weinig tot geen beperkende factoren zijn voor de ondergrondse groeiplaats, kan worden volstaan met de natuurlijke standplaats. Hierbij wordt ervan uitgegaan dat er weinig tot geen ondergrondse of bovengrondse belemmeringen zijn die de natuurlijke groei van de boom beperken. De boom staat in het gras of de beplanting en kan zijn boomwortels ruim buiten het plantgat laten groeien. Deze methode is vooral geschikt voor parken en plantsoenen.

Grondverbetering: 2-4 m3 uitgerijpte compost, uitkomende grond ter plaatse verwerken Materiaal: ondergrondse verankering (bioplastic) Watergeven: rondom de boom een aarden wal aanbrengen als gietrand Kosten: minimale investering Groeiomstandigheden: goed Open plantstrook (geen belasting) In een plantstrook van minimaal 2,5 m breed, met weinig tot geen beperkende factoren bovengronds, kan worden volstaan met de methode ’open plantstrook’. Hierbij wordt ervan uitgegaan dat er ondergronds en bovengronds een plantgat is van minimaal 2,5 m breed waarin geen belemmeringen zijn die de natuurlijke groei van de boom beperken. De boom staat bij voorkeur in een plantvak met heesters of vaste planten, dit mag ook gras zijn. Kenmerkend is dat er buiten het plantgat beperkte mogelijkheden zijn voor wortelgroei. Komt meestal voor bij de wat ruimere straatprofielen (of parkeervak). Grondverbetering: 4-15 m3 bomengrond Materiaal: ondergrondse verankering (bioplastic) gietrand Watergeven: in de gietrand Kosten: beperkte investering Groeiomstandigheden: goed 43

In bestrating (matige belasting) De boom wordt geplaatst in een boomspiegel van minimaal 1 m2, al dan niet verhoogd (dit is onder andere afhankelijk van de te bereiken leeftijd). Onder de bestrating wordt een beluchtingssysteem aangebracht. Waar mogelijk wordt een ondergrondse verankering aangebracht in ongeroerde grond (boven het grondwater). In de meeste situaties is de grond geroerd door (her) inrichtingswerkzaamheden en is bovengrondse verankering noodzakelijk. Bomen in bestrating worden vooral toegepast in smallere profielen, met een hoge parkeerdruk. Grondverbetering: 6-23 m3 bomenzand Materiaal: bovengrondse verankering, gietrand en beluchting Watergeven: in de gietrand Kosten: redelijke investering Groeiomstandigheden: redelijk

Drukspreidende constructie (matige belasting) De meestvoorkomende drukspreidende constructie is de Sandwich-methode. Hierbij wordt onder de bestrating een laag kratten aangebracht, die onderling met elkaar verbonden zijn. De asdruk van auto’s wordt verspreid over een breder oppervlak. Onder de kratten kan bomenzand of bomengrond aangebracht worden. Bomengrond heeft meer voedingsstoffen, maar kan minder verdicht worden (=lagere belasting). Bomenzand heeft een lagere voedingswaarde, maar kan beter verdicht worden. De Sandwich-methode wordt meestal gebruikt onder parkeerstroken. Grondverbetering: 6-25 m3 bomenzand (of 5-16 m3 bomengrond) Materiaal: drukspreidende constructie, boompalen, gietrand, beluchting Watergeven: in gietrand Kosten: hoge investering Groeiomstandigheden: redelijk (bij gebruik van bomengrond: goed)

44

Boomgranulaat (zware belasting) Onder de rijbaan kan in plaats van een fundering van puingranulaat ook boomgranulaat toegepast worden. Boomgranulaat heeft het voordeel dat er extra voeding is toegevoegd voor de boom en er voldoende zuurstof aanwezig is voor de boom. De boom zal hierdoor geen wortelopdruk geven. Bij het toepassen van granulaat is meestal veel ondergrondse ruimte nodig. Graafwerkzaamheden ten behoeve van bijvoorbeeld kabels en leidingen zijn kostbaar. Geadviseerd wordt om voor de K&L mantelbuizen aan te brengen. In verband met de vele huisaansluitingen is deze constructie meestal minder geschikt voor woonwijken en zal voornamelijk in de hoofdstructuur toegepast worden. Grondverbetering: 8-33 m3 boomgranulaat verwerken Materiaal: ondergrondse verankering, gietrand en beluchting Watergeven: in de gietrand Kosten: hoge investering Groeiomstandigheden: redelijk goed Boombunker (zeer zware belasting) De boombunker is een dichte betonnen bak die in de grond wordt geplaatst. In de bak worden de omstandigheden voor de boom gereguleerd. De boombunker is geschikt voor zeer zware belasting en kan hierdoor ook toegepast worden onder stroomwegen (bijvoorbeeld provinciale weg). Vanwege de hoge kosten in aanleg én onderhoud is het aanbrengen van boombunkers voorbehouden aan zeer bijzondere locaties.

Door onder andere de installatie en regulatie van de vochthuishouding brengt dit hoge kosten met zich mee. Grondverbetering: 5-14 m3 bomengrond verwerken Materiaal: waterreguleringssysteem verankering aan bunker en beluchting Watergeven: vochtregulering Kosten: zeer hoge investering Groeiomstandigheden: goed (gereguleerd)

45

46

6

Bomen en Wetgeving

Bij het kappen van bomen (ofwel het vellen van houtopstanden) zijn meerdere wetten van toepassing, zoals Wet natuurbescherming, de Omgevingswet en de Verordening Fysieke Leefomgeving (voorheen Apv). In dit hoofdstuk wordt de kern van de wetgeving weergegeven, zoals die is geregeld binnen Zaanstad. 6.1 Wet natuurbescherming (Wnb)

strategische visie van Zaanstad. In de strategische visie wordt ook de ondergrondse ruimte meegenomen. Naast de boom zelf wordt hiermee ook de ruimte voor boomwortels meegenomen. In hoofdstuk 5 wordt hier nader op ingegaan. De bestemmingsplannen worden uiteindelijk vervangen door het omgevingsplan. De hoofdboomstructuur, zoals weergegeven in paragraaf 4.3, wordt meegenomen in de ontwikkeling van het omgevingsplan. In de huidige bestemmingsplannen zijn bepalingen opgenomen voor de bescherming van bomen, zoals door het benoemen van stads- en dorpsgezichten waarbinnen een omgevingsvergunning nodig is voor het verwijderen of aanbrengen van bomen. Ook is er soms vanuit het bestemmingsplan een omgevingsvergunning nodig voor het aanbrengen of verwijderen van bomen in gebieden met een archeologische waarde. Tot slot kan in de Omgevingswet een omgevingswaarde vastgesteld worden. Hiermee wordt de te bereiken kwaliteit van de fysieke leefomgeving vastgelegd. Vooruitlopend op de invoering van de Omgevingswet wordt in dit bomenbeleid een minimale canopy van 20% van de openbare ruimte nagestreefd als omgevingswaarde.

Op 14 oktober 1976 zijn in de gemeenteraad de grenzen van deze ‘Bebouwde kom Boswet’ vastgesteld, zodanig dat de gehele gemeente Zaanstad valt binnen de ‘Bebouwde kom Boswet’. In hoofdstuk 4 van de Wet natuurbescherming is opgenomen dat het verbod op het vellen van houtopstanden (artikel 4.2) niet van toepassing is voor houtopstanden, die staan binnen de bij besluit van de gemeenteraad vastgestelde grenzen ‘Bebouwde kom Boswet’(artikel 4.1a). De vergunningsplicht voor het vellen van houtopstanden is geregeld in de Verordening Fysieke Leefomgeving (voorheen: Algemene plaatselijke verordening). Deze verordening wordt in 2022 onderdeel van de Omgevingswet. Voor alle overige bepalingen is de Wet natuurbescherming wel van toepassing. Bij het vellen van houtopstanden dient te allen tijden rekening gehouden te worden met beschermde soorten die gebruik kunnen maken van de boom. In bepaalde gevallen kan het aanvragen van een vergunning Wet natuurbeheer hiervoor noodzakelijk zijn (hoofdstuk 3 Wnb).

6.3 Verordening fysieke leefomgeving

Ook voor het vellen van houtopstanden in een Natura 2000-gebied is in de meeste gevallen een vergunning Wet natuurbeheer noodzakelijk (hoofdstuk 2 Wnb).

6.2 Omgevingswet

Bomen zijn belangrijk voor de leefbaarheid van Zaanstad, het is daarom belangrijk om de bomen in Zaanstad te beschermen. Voor een groot deel van de bomen in Zaanstad geldt daarom een vergunningsplicht voor het kappen van bomen.

De Omgevingswet treedt naar verwachting in werking op 1 januari 2022. Deze Omgevingswet kent een aantal ‘juridische’ instrumenten. Zo is er op rijks-, provinciaal en gemeentelijk niveau onder andere de omgevingsvisie, de omgevingswaarde en het omgevingsplan. De omgevingsvisie is een strategische langetermijnvisie betreffende de fysieke leefomgeving. In hoofdstuk 1 is weergegeven welke raakvlakken bomen hebben met de

In de Verordening Fysieke Leefomgeving is opgenomen dat er een vergunningsplicht geldt voor het kappen van bomen als: · de boom zich bevindt op een openbare plek, of; · de boom staat vermeld op de ‘lijst van particuliere waardevolle bomen’, of; · de boom staat op een terrein dat is opgenomen op de ‘gebiedenkaart vergunningsplicht kappen’. 47

Niet alle bomen in Zaanstad kunnen behouden blijven, hiervoor zijn verschillende redenen. Een boom kan ziek zijn of gevaar opleveren voor zijn omgeving. Ook bij nieuwbouw- en/of herinrichtingsprojecten kan het kappen van bomen noodzakelijk zijn. Bij elke vergunningsaanvraag dient een zorgvuldige afweging gemaakt te worden, voordat een boom gekapt mag worden. Het is daarom belangrijk dat bij de aanvraag van een vergunning voor het kappen van een boom de reden van de kap duidelijk wordt aangegeven. Ook dient bij de aanvraag een herplantplan aangeleverd te worden. Zodoende kan beoordeeld worden of na de kap kan worden voldaan aan de herplantverplichting.

- recreatiewaarde; - klimaatwaarde. Verzoeken om bomen toe te voegen en/of te verwijderen van de ‘Bomenlijst’ worden beoordeeld aan de hand van de bovengenoemde criteria. Jaarlijks kan de ‘Bomenlijst’ worden herzien en door het college vastgesteld. Minimaal eens per tien jaar wordt de ‘Bomenlijst’ opnieuw geïnventariseerd. Boomcontrole De bomen op de ‘Bomenlijst’, de particuliere waardevolle bomen, zijn voor Zaanstad belangrijke bomen. De gemeente controleert deze bomen eens in de vier jaar op gebreken, door middel van een boomveiligheidscontrole (BVC). De eigenaar van de boom wordt op de hoogte gebracht van het benodigde onderhoud, de conditie en levensverwachting van de betreffende boom. Het onderhoud van de boom blijft de verantwoordelijkheid van de eigenaar van de boom. Voor bomen op de ‘Bomenlijst’ wordt zeer terughoudend omgegaan met het afgeven van een kapvergunning.

Dat het kappen van bomen in de stad onvermijdelijk is, neemt niet weg dat er op toegezien wordt dat het kappen van bomen zorgvuldig wordt uitgevoerd. Met behulp van de vergunningsplicht wordt een afweging gemaakt tussen de verschillende belangen. Hierdoor worden bomen minder snel gekapt en wordt toegezien op het planten van nieuwe bomen als er bomen gekapt moeten worden.

Bomen op openbare plaatsen

‘Gebiedenkaart vergunningsplicht kappen’

Voor het kappen van bomen in de openbare ruimte is een omgevingsvergunning nodig. Naast de gemeentelijke bomen zijn dit ook bomen van andere overheden, zoals Provincie en Waterschap, die in de openbare ruimte staan. Het gaat hierbij onder andere om de straat- en laanbomen, bomen in parken, plantsoenen en recreatiegebieden die vrij toegankelijk zijn.

Ook het kappen van bomen die staan in de gebieden zoals weergegeven op de ‘Gebiedenkaart vergunningplicht kappen’ (verder: ‘Gebiedenkaart’), is vergunningsplicht. Voor de bomen binnen deze gebieden geldt dat er een verhoogde kans is dat de boom over één of meerdere kernwaarden beschikt. Bij de aanvraag van een kapvergunning wordt daarom een extra controle wordt uitgevoerd naar de aanwezigheid van deze kernwaarden. Bij de belangenafweging wordt rekening gehouden met de aanwezige kernwaarden, die een weigeringsgrond voor de kapvergunning kunnen zijn. De ‘Gebiedenkaart vergunningplicht kappen’ is opgenomen in bijlage D. Verzoeken om gebieden toe te voegen en/of te verwijderen van de ‘Gebiedenkaart’ worden beoordeeld aan de hand van de onderstaande criteria. Jaarlijks kan de ‘Gebiedenkaart’ worden herzien. Minimaal eens per tien jaar wordt de ‘Gebiedenkaart’ opnieuw geïnventariseerd.

Bomen op de ‘lijst van beschermde bomen’ Ook voor bomen staande op de ‘lijst van beschermde bomen’ is voor het kappen een omgevingsvergunning noodzakelijk. Op de bomenlijst staan particuliere bomen met een bijzondere waarde (tuinen en erven) en waardevolle bomen op private terreinen (bedrijven, stichtingen, verenigingen enzovoort). In bijlage E is de ‘Bomenlijst’ opgenomen. Criteria ‘Bomenlijst’: Bomen die opgenomen zijn op de ‘Bomenlijst’ moeten voldoen aan de volgende criteria: 1. De boom moet een minimale leeftijd van zestig jaar hebben. 2. De boom dient voldoende gezond te zijn en heeft een levensverwachting van minimaal tien jaar. 3. De boom moet verder voldoen aan één (of meerder) van de volgende criteria: - cultuurhistorische waarde; - stedelijke en landschappelijke waarde; - natuurwaarde;

CRITERIA ‘GEBIEDENKAART VERGUNNINGPLICHT KAPPEN’ Gebieden die zijn opgenomen op de ‘Gebiedenkaart’ voldoen aan één of meerdere van de volgende criteria: 1. Het gebied voldoet niet in zijn geheel aan de definitie van ‘openbare plaats’ zoals weergegeven in de Verordening fysieke leefomgeving (ofwel is hier onduidelijkheid over). 2. Het gebied is in eigendom van een (semi-) overheidsinstantie. 3. Het betreft een verblijfsgebied en/of natuurgebied. 48

ad. 1. Hierbij worden de parken gezien als een openbare plaats (ook het Darwinpark), tenzij deze niet in eigendom zijn van de gemeente (zoals bijvoorbeeld het Wilhelminapark en de Zaanse Schans). ad. 2. Hieronder vallen grote terreinen, al dan niet openbaar toegankelijk, waarop veel bomen staan. Dit zijn terreinen van onder andere Provincie, Hoogheemraadschap, Staatsbosbeheer, Stichting Landschap Noord-Holland, NS/Prorail, Forbo enzovoort. ad 3. Verblijfsgebieden zijn gebieden waarbij het de bedoeling is om daar langer te verblijven dan wanneer men zich van A naar B verplaatst. Hieronder vallen onder andere de begraafplaatsen, volkstuinencomplexen, sportcomplexen, schoolterreinen en zorginstellingen.

Deze weigeringsgronden komen overeen met de kernwaarden uit het ‘Groen- en waterplan’ en met het Toetsingskader kernwaarden in paragraaf 4.5. Hierin is aangegeven dat alle bomen (in meer of mindere mate waardevol zijn en er bij elke kapaanvraag een belangenafweging plaats moet vinden. Als bij de aanvraag van de kapvergunning geen opgaaf van reden wordt gedaan, wordt de vergunning geweigerd. Ook als de opgaaf van reden slechts de natuurlijke eigenschappen van een boom bevat, zoals het feit dat er blaadjes afvallen, er beestjes inzitten en dat de boom schaduw geeft, zijn geen reden om een kapvergunning te verlenen. De waarde van de boom zal bij de belangenafweging doorslaggevend zijn. Bijvoorbeeld bij zonnepanelen zal het algemeen belang; ‘de waarde van de boom’ veelal zwaarder wegen dan het individuele belang; ‘de energieopbrengst van zonnepanelen’. Omdat niet alle bomen even waardevol zijn, wordt in het Toetsingskader kernwaarden (paragraaf 4.5) onderscheid gemaakt in minimale waarde, verhoogde waarde en bijzondere waarde. Hierbij wordt voor bomen met een minimale waarde een ‘ja, mits-principe’ gehanteerd en bij bomen met een verhoogde waarde en bomen met een bijzondere waarde wordt het ‘nee, tenzij-principe’ gehanteerd als uitgangspunt bij de belangenafweging. Bij iedere kapvergunning wordt een herplantplicht opgelegd.

Meldplicht In een aantal gevallen wordt een uitzondering gemaakt op de vergunningsplicht, te weten bij acuut gevaar/ instabiliteit, besmettelijke ziektes (zoals bijvoorbeeld iepziekte), dunning in houtopstanden en bij dode bomen. Dan is er geen vergunning nodig voor het kappen de boom, maar geldt er een meldplicht. Voor het kappen van deze bomen wordt geen vergunning afgegeven, wel wordt hiervan melding gemaakt bij het College van B&W. Bij gevaarzetting (bijvoorbeeld bij storm) of een besmettelijke ziekte (zoals iepziekte) wordt het college hierover indien nodig achteraf geïnformeerd. In het geval van dunning in houtopstanden en bij dode bomen, dient hiervan vier weken voorafgaand aan de voorgenomen kap melding gedaan te worden. Het college wordt hierover vooraf geïnformeerd. De gemeente controleert of meldplicht voor de voorgenomen kap voldoende is. Onder dunning in houtopstanden wordt verstaan: het dunnen van bomen in het bos, bosplantsoen of een plantsoen. Bij het dunnen mag maximaal een derde van het aantal bomen/boomvormers verwijderd worden. En de duurzame instandhouding van de houtopstand dient gewaarborgd te blijven.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/9674915/1