CConstaterende datZaanstad
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage 7 Stikstofdepositie

Raadsvergadering 25 november 2021, gemeente ZaanstadBij agendapunt: Bp Aanpak verkeersdruk Thorbeckeweg31.521 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 4

aangeplante populieren) en exoten (o.a. Amerikaanse vogelkers). Stikstofdepositie versnelt de uitbreiding van dergelijke soorten. Daarnaast vormen voor veel binnenduinrandbossen de verdroging en de intensieve begrazing door damherten een belangrijk knelpunt. In stinzenbossen kunnen hoge nutriëntenconcentraties mogelijk een knelpunt vormen; ook hier draagt stikstofdepositie aan bij. Lokaal, m.n. bij kleinere eigenaren, zou vermesting door honden een knelpunt kunnen vormen. Effecten van de hoge stikstofdepositie zijn in de binnenduinrandbossen lokaal waar te nemen door verbraming en groei van haakmos. Verruiging van de ondergroei doet zich beperkt voor. De kwaliteit wordt in de huidige situatie vooral bepaald door exoten en gebiedsvreemde soorten (Provincie Noord-Holland 2016d). De tijdelijke depositie van maximaal 0,01 mol N/ha/jr is dermate gering dat dit geen ecologisch effect op het habitattype zal hebben en ook geen knelpunt vormt voor behoud van het oppervlakte en kwaliteit. Significante gevolgen voor het habitattype door aanleg van project AVANT zijn dan ook uitgesloten. H2130A - Grijze duinen (binnenduinrand) De instandhoudingsdoelstelling voor het habitattype is ‘uitbreiding oppervlakte en verbetering kwaliteit’. De huidige oppervlakte is ca 1.580 ha, wat een matige kwaliteit heeft. De trend met betrekking tot oppervlakte en kwaliteit is negatief.

Stikstofdepositie vormt een van de knelpunten, maar speelt nauwelijks een rol (Provincie Noord-Holland 2016d). In de Amsterdamse Waterleidingduinen wordt melding gemaakt van verstarring, veroudering en verruiging door lage dynamiek, zure en vermestende neerslag en afnemende konijnenstand. Op veel plaatsen domineert duinriet en zandzegge en rukt Amerikaanse vogelkers op. In het grootste deel van het gebied leidt ontkalking tot verzuring en daarmee tot versnelde successie naar soortenarme rompgemeenschappen van het habitattype. Er mag worden aangenomen dat het areaal zal verder afnemen door o.a. gebrek aan dynamiek, afname van de konijnenpopulatie en stikstofdepositie waardoor versnelde bodemontkalking en successie optreedt. Kalkarm grijs duin rukt op naar het westen ten kosten van kalkrijk grijs duin. Bij het Van Limburg-Stirumkanaal kunnen grijze duinen zich wellicht uitbreiden door successie. In de Noordduinen is ook sprake van verzuring, waardoor successie van grijs duin richting rompgemeenschappen plaatsvindt. Alleen wanneer ingrepen worden gedaan om de dynamiek te herstellen, de konijnenstand zich herstelt en door intensief (begrazings)beheer kan het totale areaal gelijk blijven of toenemen. Dit wordt onder andere gedaan in het project Noordwest Natuurkern in de Kennemerduinen en Duin en Kruidberg (Provincie Noord-Holland 2016d). Er is sprake van

24 (56)

2021/24868

een matige overschrijding van de KDW (1.071 mol N/ha/jr) in 2020 in het gebied op 27% van de oppervlakte. Er zijn geen stikstof gerelateerde knelpunten (Provincie Noord-Holland 2016d). De tijdelijke depositie van maximaal 0,01 mol N/ha/jr zal dan ook geen ecologisch effect op het habitattype hebben en ook geen knelpunt vormen voor uitbreiding oppervlakte en verbetering kwaliteit. Significante gevolgen voor het habitattype door aanleg van project AVANT zijn dan ook uitgesloten. H2160 - Duindoornstruwelen De instandhoudingsdoelstelling voor het habitattype is ‘behoud van oppervlakte en kwaliteit’. De huidige oppervlakte is ca. 1644 ha. De kwaliteit van ruim de helft van het aanwezige areaal is beoordeeld als goed. De trend met betrekking tot oppervlakte is positief en die van de kwaliteit is stabiel. Er is geen sprake van een overschrijding van de KDW (2.000 mol N/ha/jr) in het gebied (Provincie Noord-Holland 2016d). De tijdelijke depositie van maximaal 0,01 mol N/ha/jr zal dan ook geen ecologisch effect op het habitattype hebben en ook geen knelpunt vormen voor behoud van het oppervlakte en kwaliteit. Significante gevolgen voor het habitattype door aanleg van project AVANT zijn dan ook uitgesloten. H2180B - Duinbossen (vochtig) De instandhoudingsdoelstelling voor het habitattype is ‘behoud van oppervlakte en verbetering van kwaliteit’. De huidige oppervlakte is ca.

134 ha waarvan het merendeel van matige kwaliteit is. De trend in de oppervlakte en kwaliteit is positief door veroudering van het bos (Provincie Noord-Holland 2016d). Er is sprake van een een overschrijding van de KDW (2.214 mol N/ha/jr) op een verwaarloosbaar klein deel van het areaal aan de orde (0,2 ha) (Provincie Noord-Holland 2016d); er is dan ook geen stikstof knelpunt. De tijdelijke depositie van maximaal 0,01 mol N/ha/jr zal dan ook geen ecologisch effect op het habitattype hebben en ook geen knelpunt vormen voor behoud van oppervlakte en verbetering van kwaliteit. Significante gevolgen voor het habitattype door aanleg van project AVANT zijn dan ook uitgesloten. H2130B - Grijze duinen (kalkarm) De instandhoudingsdoelstelling voor het habitattype is ‘behoud van oppervlakte en kwaliteit’. De huidige oppervlakte is ca. 845 ha. Hiervan heeft ca. 60% een goede kwaliteit. De trend met betrekking tot oppervlakte is positief. De oppervlakte neemt toe als gevolg van ontkalking van kalkrijke grijze duinen. Het is echter waarschijnlijk dat de kwaliteit van het habitattype een negatieve trend vertoont door gebrek aan dynamiek, stikstofdepositie en afname van de konijnenpopulatie (Provincie Noord-Holland 2016d). Er is sprake van een overschrijding van de KDW (714 mol N/ha/jr) in het gebied.

De hoge stikstofdepositie, in combinatie met beperkte begrazing en een gebrek aan dynamiek, hebben in geleid tot vergrassing met o.a. duinriet en verstruweling. Een ander knelpunt is de opmars van Amerikaanse vogelkers en andere exoten zoals grauwe abeel, gewone esdoorn, Japanse duizendknoop, rimpelroos en mahonie, die voor een deel het gevolg zijn van de stikstofdepositie. Ook verzuring als gevolg van zure depositie (m.n. ammoniak), aanwezigheid van adelaarsvaren en bladval vanuit aangeplante bossenvormen belangrijke knelpunten (Provincie Noord-Holland 2016d). De tijdelijke depositie van maximaal 0,01 mol N/ha/jr is dermate gering dat dit geen ecologisch effect op het habitattype zal hebben en ook geen knelpunt vormt voor behoud van het oppervlakte en kwaliteit. Significante gevolgen voor het habitattype door aanleg van project AVANT zijn dan ook uitgesloten.

25 (56)

2021/24868

H2120 - Witte duinen De instandhoudingsdoelstelling voor het habitattype is ‘uitbreiding oppervlakte en verbetering kwaliteit’. De huidige oppervlakte is ca. 176 ha, waarvan een groot deel van matige kwaliteit is. Afhankelijk van waar je je bevindt in het gebied is de trend positief of negatief (Amsterdamse Waterleidingduinen). Zo zijn er op verschillende locaties effectgerichte maatregelen genomen die gunstig zijn voor de witte duinen. Ter plekke van de Van Limburg Stirum vallei, het Verlaten Veld, De Bruid van Haarlem en Groot Olmen is geplagd, gegraven, reliëf hersteld en gestopt met het onttrekken van grondwater. Dit heeft geleid tot herstel van de grondwaterdynamiek en verstuiving en heeft de ontwikkeling van witte duinen bevorderd. Daarentegen wordt in de Amsterdamse Waterleidingduinen een afname van het habitattype verwacht door successie naar grijze duinen. Deze afname zal het komende decennium deels gecompenseerd worden door nieuwvorming van witte duinen ter hoogte van het in 2006 gedempte deel van het Van Limburg Stirum kanaal. Er zijn geen stikstof gerelateerde knelpunten (Provincie Noord-Holland 2016d). Het belangrijkste knelpunt is het wegvallen van verstuiving en dynamiek in de zeereep. De beperkte verstuiving is in hoofdzaak een gevolg van de vastlegging van de duinen en in het bijzonder de zeereep ten behoeve van de kustverdediging.

Verhoogde stikstofdepositie versnelt dit proces door stabilisatie van het zand. Bovendien kan het leiden tot het harder gaan groeien van grassen en ook dit zal verstuiving tegengaan. De achteruitgang van het konijn in de duinen heeft het dichtgroeien nog extra bespoedigd. Met name in de zeereep is er in de witte duinen sprake van versnelde successie naar duindoornstruweel. Dit hangt mogelijk samen met stikstofdepositie, naast demping van het systeem door vooroeversuppletie. Daarnaast zorgt een verhoogde stikstofdepositie voor verruiging van de witte duinen. De hoge stikstofdepositie is hier echter niet alleen debet aan (hoewel erfenissen uit het verleden mogelijk een rol spelen); verruiging (opslag struweel en vergrassing) komt immers ook voor waar de KDW niet wordt overschreden. Er is ook niet of nauwelijks sprake van overschrijding van de KDW (1.429 mol N/ha/jr) in het gebied. De tijdelijke depositie van maximaal 0,01 mol N/ha/jr zal dan ook geen ecologisch effect op het habitattype hebben en ook geen knelpunt vormen voor uitbreiding van oppervlakte en verbetering van kwaliteit. Significante gevolgen voor het habitattype door aanleg van project AVANT zijn dan ook uitgesloten. H2190B - Vochtige duinvalleien (kalkrijk) De instandhoudingsdoelstelling voor het habitattype is ‘behoud oppervlakte en verbetering kwaliteit’. De huidige oppervlakte is ca. 75 ha, waarvan ca.

55 ha met een goede kwaliteit. De trend in kwaliteit is negatief door verzuring en gebrek aan verstuiving (Provincie NoordHolland 2016d). Er is sprake van een matige overschrijding van de KDW (1.429 mol N/ha/jr) op een klein deel (ca. 3,6 ha) in het gebied. De belangrijkste knelpunten bij de instandhouding van vochtige duinvalleien (kalkrijk) zijn stikstofdepositie (eutrofiëring), verdroging en verzuring. Verdroging speelt vooral een rol in de waterwingebieden. Stikstofdepositie leidt onder andere tot versnelde successie richting struweel en bos en depositie van ammoniak kan leiden tot verzuring. Naast stikstofdepositie spelen ook andere factoren een rol bij de versnelde successie die optreedt in vochtige duinvalleien. Ook de afname van de konijnenpopulatie en een afname van de natuurlijke dynamiek door het vastleggen van de duinen hebben hier in belangrijke mate aan bijgedragen. Verzuring van vochtige duinvalleien wordt deels veroorzaakt door zure depositie van met name stikstof (ammoniak) en zwavel (SOx). Daarnaast is verzuring een proces dat samenhangt met de natuurlijke ontkalking van de duinvalleien. Doordat de duinen sterk zijn vastgelegd vindt geen verstuiving meer plaats van (kalkrijk) zand. Hierdoor wordt de ontkalking van duinvalleien versneld (Provincie Noord-Holland 2016d).

De tijdelijke depositie van maximaal 0,01 mol N/ha/jr is dermate gering dat dit geen ecologisch effect op het habitattype zal hebben en ook geen knelpunt vormt voor behoud van oppervlakte en verbetering van

26 (56)

2021/24868

kwaliteit. Significante gevolgen voor het habitattype door aanleg van project AVANT zijn dan ook uitgesloten. H2170 - Kruipwilgstruwelen De instandhoudingsdoelstelling voor het habitattype is ‘behoud van oppervlakte en kwaliteit’. De huidige oppervlakte is ca. 4,1 ha, waarvan het overgrote deel van matige kwaliteit is. De trend in de oppervlakte en kwaliteit is niet goed bekend, maar uitbreiding wordt verwacht. Er is geen sprake van een overschrijding van de KDW (2.286 mol N/ha/jr) in het gebied (Provincie Noord-Holland 2016d). De tijdelijke depositie van maximaal 0,01 mol N/ha/jr zal dan ook geen ecologisch effect op het habitattype hebben en ook geen knelpunt vormen voor behoud van het oppervlakte en kwaliteit. Significante gevolgen voor het habitattype door aanleg van project AVANT zijn dan ook uitgesloten. H2190C - Vochtige duinvalleien (ontkalkt) De instandhoudingsdoelstelling voor het habitattype is ‘behoud oppervlakte en kwaliteit’. De huidige oppervlakte is ca. 0,6 ha, met een goede kwaliteit. Er is sprake van een stabiele trend, die echter naar verwachting op korte termijn ombuigt richting een achteruitgang in kwaliteit en mogelijk ook in oppervlakte (Provincie Noord-Holland 2016d). Er is sprake van een overschrijding van de KDW (1.071 mol N/ha/jr) op een zeer klein deel (ca. 0,1 ha) in het gebied.

De belangrijkste knelpunten bij de instandhouding van het habitattype zijn eutrofiëring, verdroging en verzuring. Verdroging speelt vooral een rol in de waterwingebieden. Stikstofdepositie leidt onder andere tot versnelde successie richting struweel en bos en depositie van ammoniak kan leiden tot verzuring. Naast stikstofdepositie spelen ook andere factoren een rol bij de versnelde successie die optreedt in vochtige duinvalleien. Ook de afname van de konijnenpopulatie en een afname van de natuurlijke dynamiek door het vastleggen van de duinen hebben hier in belangrijke mate aan bijgedragen en worden mede veroorzaakt door de stikstofdepositie. Verzuring van vochtige duinvalleien wordt deels veroorzaakt door zure depositie van met name stikstof (ammoniak) en zwavel (SOx). Daarnaast is verzuring een proces dat samenhangt met de natuurlijke ontkalking van de duinvalleien. Stikstofdepositie leidt ook tot vermesting, waardoor ophoping van organisch materiaal en daarmee verzuring in de hand gewerkt worden. Doordat de duinen sterk zijn vastgelegd vindt geen verstuiving meer plaats van (kalkrijk) zand. Hierdoor wordt de ontkalking van duinvalleien versneld (Provincie Noord-Holland 2016d). De tijdelijke depositie van maximaal 0,01 mol N/ha/jr zal dan ook geen ecologisch effect op het habitattype hebben en ook geen knelpunt vormen voor behoud van oppervlakte en kwaliteit.

Significante gevolgen voor het habitattype door aanleg van project AVANT zijn dan ook uitgesloten. H2190A - Vochtige duinvalleien (open water) De instandhoudingsdoelstelling voor het habitattype is ‘uitbreiding oppervlakte en verbetering kwaliteit’. De huidige oppervlakte is ca. 120 ha, waarvan ca. 55 ha met een goede kwaliteit. De trend in de oppervlakte en kwaliteit is positief (Provincie Noord-Holland 2016d). Er is sprake van een matige overschrijding van de KDW (1.000 mol N/ha/jr) in het gebied. De twee belangrijkste knelpunten voor instandhouding van het habitattype zijn verdroging en eutrofiëring. Verdroging speelt alleen nog in de Amsterdamse Waterleidingduinen (grondwateronttrekking), rond Bokkedoorns en rondom begraafplaats Westerveld (Duin en Kruidberg) door het wegvallen van de kweldruk. Eutrofiëring wordt onder ander veroorzaakt door stikstofdepositie (zowel huidig als in het verleden) als guanotrofiëring (vermesting door vogels, speelt in de meertjes bij Bokkedoorns en mogelijk in Duin en Kruidberg en het renbaanveld in de Amsterdamse Waterleidingduinen). In de Amsterdamse Waterleidingduinen wordt het water gedefosfateerd, zodat fosfaatlimitatie intact blijft en de hoge stikstofdepositie niet of nauwelijks invloed heeft. Ook verzuring vormt

27 (56)

2021/24868

mogelijk een knelpunt, vooral in minder goed gebufferde plasjes. Verzuring hangt uiteraard sterk samen met stikstofdepositie (i.h.b. ammoniakdepositie). Ook een onnatuurlijk peilbeheer in de infiltratiegebieden vormt een knelpunt bij een goede ontwikkeling van Vochtige duinvalleien (open water). In de Amsterdamse Waterleidingduinen is het dichtgroeien van plasjes met riet een probleem. De verwachting is echter dat het maximum hiervan is bereikt en dat er geen verdere uitbreiding van riet zal plaatsvinden (Provincie Noord-Holland 2016d). De tijdelijke depositie van maximaal 0,01 mol N/ha/jr zal dan ook geen ecologisch effect op het habitattype hebben en ook geen knelpunt vormen voor uitbreiding van oppervlakte en verbetering van kwaliteit. Significante gevolgen voor het habitattype door aanleg van project AVANT zijn dan ook uitgesloten. H2150 - Duinvalleien met struikhei De instandhoudingsdoelstelling voor het habitattype is ‘behoud van oppervlakte en kwaliteit’. De huidige oppervlakte is ca. 4,8 ha, met een matige kwaliteit. De trend met betrekking tot oppervlakte is positief en die van de kwaliteit is negatief (Provincie Noord-Holland 2016d). Er is sprake van een overschrijding van de KDW (1.071 mol N/ha/jr) in het gebied.

Vergrassing kan het gevolg zijn van hoge stikstofaanvoer uit de lucht, maar vergrassing hangt ook heel vaak samen met wijzigingen in het terreingebruik, met name in de begrazingsdruk. Verder speelt de opbouw van organisch materiaal een belangrijke rol in het geheel. In oudere duinheiden, bijvoorbeeld aan de binnenduinrand, is het humusgehalte van de bovenste decimeters vaak vrij hoog. Wanneer hier de begrazing wegvalt, kunnen zandzegge en verschillende grassen zich plotseling sterk uitbreiden. In de Amsterdamse Waterleidingduinen (waar het overgrote deel van de voorkomende duinheiden met struikhei staat) is sprake van verruiging met zandzegge en Amerikaanse vogelkers mede als gevolg van de stikstofdepositie. Deze soorten profiteren van hoge stikstofaanvoer uit de lucht (Provincie Noord-Holland 2016d). De tijdelijke depositie van maximaal 0,01 mol N/ha/jr is dermate gering dan ook geen effect zal hebben op verdere vestiging van zandzegge en Amerikaanse vogelkers en dan ook geen effect zal hebben. Project AVANT vormt dan ook geen knelpunt voor behoud van het oppervlakte en kwaliteit van het habitattype. Significante gevolgen voor het habitattype door aanleg van project AVANT zijn dan ook uitgesloten. Lg12 - Zoom, mantel en droog struweel van de duinen (leefgebied nauwe korfslak) Er is sprake van een overschrijding van de KDW (1.643 mol N/ha/jr) in het gebied.

Voor de nauwe korfslak is met name de aanwezigheid van bladstrooisel en struweelvegetatie van belang. De soort zit ook op boomstronken en de voet van boomstammen, vooral waar het licht en warm is. Geschikt strooisel is met name dat van populierachtigen, meidoorn, liguster en duindoorn. Onder en nabij naaldbomen en eiken is de nauwe korfslak weinig of niet aanwezig. Geschikt habitat voor de nauwe korfslak overlapt met de habitattypen H2160 Duindoornstruweel, H2190B -Vochtige duinvalleien (kalkrijk) en ruigten en zomen (geen instandhoudingsdoelstelling). Daarnaast komt de nauwe korfslak voor in het stikstofgevoelige leefgebied Lg12 -Zoom, mantel en droog struweel van de duinen (Provincie Noord-Holland 2016d). De tijdelijke depositie van maximaal 0,01 mol N/ha/jr zal dan ook geen ecologisch effect op het leefgebied hebben. Significante gevolgen voor de instandhoudingsdoelstelling van de nauwe korfslak door aanleg van project AVANT zijn dan ook uitgesloten. 7.4 Conclusie Het geplande project AVANT leidt niet tot een zodanige toename aan stikstofdepositie dat hierdoor sprake is van ecologische effecten of significante gevolgen voor instandhoudingsdoelen van Natura 2000-gebied Kennemerland-Zuid. Er zijn namelijk in Kennemerland-Zuid geen zodanige omstandigheden dat een geringe toename aan stikstofdepositie van 0,01 mol N/ha/jr kan leiden tot een in ecologische zin aantoonbare

28 (56)

2021/24868

aantasting van kwaliteit of oppervlakteverlies van de habitattypen en/of leefgebieden van kwalificerende soorten. Voor twee van de veertien habitattypen waarop sprake is van een tijdelijke depositietoename vormt stikstofdepositie geen knelpunt. Voor de andere habitattypen is de huidige (matige) overbelasting van stikstofdepositie niet het belangrijkste knelpunt. Voor geen van de aangewezen soorten is stikstofdepositie een knelpunt voor het halen van de instandhoudingsdoelen.

29 (56)

2021/24868

8

Effecten Noordhollands Duinreservaat

8.1 Instandhoudingsdoelstellingen Het Noordhollands Duinreservaat is een karakteristiek voorbeeld van een Nederlands duinlandschap, zoals dat in de loop der eeuwen ontstaan is als gevolg van een samenloop van geologische, geomorfologische en klimatologische omstandigheden en menselijk handelen. Het is een biologisch, morfologisch, hydrologisch en landschappelijk geheel van duinen met natte en vochtige duinvalleien, duingraslanden, struwelen, bossen en ruigten. Het ligt op de overgang van de kalkrijke naar de kalkarme duinen. Het reservaat behoort in zijn algemeenheid tot de kalkrijke duinen; er is echter een verloop in kalkrijkdom te zien. Het meest noordelijke stuk, ten noorden van Bergen aan Zee, is, evenals het aangrenzende gebied Schoorlse duinen, kalkarm. De vegetatie weerspiegelt de kalkgehalten in de bodem: in het uiterst noordelijke deel komen kalkarme vegetaties met kraaiheide, kruipwilg, buntgras en dergelijke voor, ten zuiden van Bergen aan Zee overgaand in kalkrijke duingraslanden met duinsterretje en zeedorpenvegetaties, zoals bij Wijk aan Zee en Egmond aan Zee. Een aanzienlijk deel van het gebied is bebost met naaldbos en loofbos, die voor een deel zeer oud zijn (natura2000.nl). Het gebied is definitief aangewezen als Natura 2000-gebied op grond van de Habitatrichtlijn.

In het Natura 2000-aanwijzingsbesluit zijn instandhoudingsdoelstellingen geformuleerd voor twintig habitattypen (tabel 8.1). Het gebied is tevens aangewezen voor twee habitatrichtlijnsoorten. Voor geen van deze soorten is stikstofdepositie een knelpunt in het gebied (Provincie Noord-Holland 2016e). Effecten van het project AVANT op deze soorten vanwege stikstofdepositie zijn daarom op voorhand uitgesloten. Tabel 8.1. Instandhoudingsdoelstellingen habitattypen. > betekent uitbreiding; = betekent behoud. KDW=kritische depositiewaarde in mol N/ha/jr.

Habitattype

subtype

Oppervlakte

Kwaliteit

KDW

H2110 - Embryonale duinen H2120 - Witte duinen H2130A - Grijze duinen H2130B - Grijze duinen H2130C - Grijze duinen H2140A - Duinheiden met kraaihei H2140B - Duinheiden met kraaihei H2150 - Duinheiden met struikhei H2160 - Duindoornstruwelen H2170 - Kruipwilgstruwelen H2180A - Duinbossen H2180B - Duinbossen H2180C - Duinbossen H2190A - Vochtige duinvalleien H2190B - Vochtige duinvalleien H2190C - Vochtige duinvalleien

kalkrijk kalkarm heischraal vochtig

= > > > > =

= > > > > >

1.429 1.429 1.071 714 714 1.071

droog

=

=

1.071

-

=

=

1.071

droog vochtig binnenduinrand open water

= (<) = (<) = = > >

= = = > = >

2.000 2.286 1.071 2.214 1.786 1.000

kalkrijk

>

=

1.429

ontkalkt

=

=

1.071

30 (56)

2021/24868

H2190D - Vochtige duinvalleien H6410 - Blauwgraslanden H6430C - Ruigten en zomen H7210 - Galigaanmoerassen

hoge moerasplanten droge bosranden -

>

>

> = =

> = =

niet gevoelig 1.071 1.857 1.571

8.2 Stikstofdepositie Uit de AERIUS berekening blijkt dat het project AVANT tijdens de aanlegfase zorgt voor een tijdelijke geringe depositietoename op drie habitattypen (tabel 8.2). Tijdens de gebruiksfase is er geen sprake van een depositietoename. Tabel 8.2. KDW=kritische depositiewaarde in mol N/ha/jr en hoogste bijdrage van project AVANT tijdens de aanlegfase.

Habitattype

subtype

KDW

Hoogste bijdrage AVANT

H2180A - Duinbossen H2180C - Duinbossen H2180B - Duinbossen H2130B - Grijze duinen H2130A - Grijze duinen H2160 - Duindoornstruwelen H2190A - Vochtige duinvalleien H2170 - Kruipwilgstruwelen H2190B - Vochtige duinvalleien H2120 - Witte duinen H2130C - Grijze duinen H2140A - Duinheiden met kraaihei H2150 - Duinheiden met struikhei H2140B - Duinheiden met kraaihei Lg12 - Zoom, mantel en droog struweel van de duinen

droog binnenrandduin vochtig kalkarm kalkrijk open water kalkrijk heischraal vochtig droog -

1.071 1.786 2.214 714 1.071 2.000 1.071 2.286 1.429 1.429 714 1.071 1.071 1.071 1.643

0,01 0,01 0,01 0,01 0,01 0,01 0,01 0,01 0,01 0,01 0,01 0,01 0,01 0,01 0,01

8.3 Beoordeling effecten stikstofdepositie op habitattypen H2180C - Duinbossen (binnenrandduin) De instandhoudingsdoelstelling voor het habitattype is ‘behoud oppervlakte en kwaliteit’. De huidige oppervlakte is ca. 364 ha waarvan het merendeel (ca. 275 ha) van matige kwaliteit is. De trend in oppervlakte en kwaliteit is positief door veroudering van het bos (Provincie Noord-Holland 2016e). Er is sprake van een overschrijding van de KDW (1.786 mol N/ha/jr) in het gebied (Provincie Noord-Holland 2016e). Het habitattype ontstaat onder menselijke invloed op de landgoederen. Kenmerken van een goede structuur en kwaliteit zijn ontstaan vanuit deze antropogene aansturing. Thans ontbreekt deze aansturing in grote delen van het huidige areaal van het habitattype in het Noordhollands Duinreservaat. Begrazing neemt een deel van die rol over, maar is niet selectief. Procesgericht beheer van dit bostype levert een mengvorm op, met hoge natuurwaarde, maar geen typisch landgoedbos. Dit procesgericht beheer is een knelpunt. Verruiging door stikstofdepositie op die groeiplaatsen die niet worden begraasd, levert ruige ondoordringbare bossen op met weinig kenmerken van een goede structuur en kwaliteit. De opbouw van humuszuren in het profiel zijn negatief voor de kenmerkende basenminnende ondergroei van deze bossen. Verzuring als gevolg van stikstofdepositie is een knelpunt.

Tevens is een kenmerk van dit bostype dat het een hoge winter grondwaterstand heeft. Verdroging door dennenaanplant, grondwaterwinning en versnelde afvoer is een knelpunt. De vestiging van exoten zoals Amerikaanse vogelkers,

31 (56)

2021/24868

Japanse duizendknoop, sneeuwbes en krent is eveneens een knelpunt Provincie NoordHolland 2016e). De tijdelijke depositie van maximaal 0,01 mol N/ha/jr heeft geen ecologisch effect op vestiging van deze exoten of de kwaliteit van het habitattype en ook geen knelpunt vormen voor behoud van oppervlakte en verbetering van kwaliteit. Significante gevolgen voor het habitattype door aanleg van project AVANT zijn dan ook uitgesloten. H2180B - Duinbossen (vochtig) De instandhoudingsdoelstelling voor het habitattype is ‘behoud oppervlakte en verbetering kwaliteit’. De huidige oppervlakte is ca. 30 ha waarvan het merendeel (ca. 25 ha) van goede kwaliteit is. De kwaliteit neemt over het algemeen bezien toe door veroudering van de bossen. (Provincie Noord-Holland 2016e). Er is geen sprake van een overschrijding van de KDW (2.214 mol N/ha/jr) in het gebied (Provincie Noord-Holland 2016e). De tijdelijke depositie van maximaal 0,01 mol N/ha/jr zal dan ook geen ecologisch effect op het habitattype hebben en ook geen knelpunt vormen voor behoud van oppervlakte en verbetering van kwaliteit. Significante gevolgen voor het habitattype door aanleg van project AVANT zijn dan ook uitgesloten. H2130B - Grijze duinen (kalkarm) De instandhoudingsdoelstelling voor het habitattype is ‘uitbreiding oppervlakte en verbetering kwaliteit’. De huidige oppervlakte is ca.

458 ha waarvan iets meer dan de helft (ca. 246 ha) van goede kwaliteit is. Over de trend van het habitattype zijn weinig exacte gegevens bekend (Provincie Noord-Holland 2016e). Er is sprake van een overschrijding van de KDW (714 mol N/ha/jr) in het gebied (Provincie Noord-Holland 2016e). Door de geringe kalkbuffer is dit habitattype gevoelig voor de gevolgen van te sterke verzuring waarbij fosfaat weer vrij opneembaar wordt. In combinatie met de verhoogde stikstofdepositie kan dit tot snelle verruiging en verhouting leiden. Overpoedering door vers basenrijk zand uit diepere bodemlagen is van groot belang. Afhankelijk van de hoeveelheid humus in de bodem kan dit habitattype zich in stabiele omstandigheden ontwikkelen tot struweel en bos. Overpoedering met vers zand remt dit proces. De locaties van Grijze duinen kalkarm, waar de bodem juist door de regelmatige overpoedering weinig humus bevat, blijven gevoelig voor verstuiving. Hierdoor ontstaan graslanden die lang ongeschikt blijven voor de natuurlijke houtige vervolgstadia van de successie. Dynamiek-beperkende maatregelen en processen zoals bosaanplant en de vestiging van exoten zoals rimpelroos, krent en Amerikaanse vogelkers, in combinatie met de verhoogde stikstofdepositie vormen een knelpunt omdat dit leidt tot versnelde bodemvorming met negatieve gevolgen voor de natuurlijke dynamiek.

De bosaanplant en bodembewerking op oude landbouwgronden is een knelpunt voor de benodigde winddynamiek en kleinschalige verstuivingen. Het konijn speelt een belangrijke rol in het steeds opnieuw ontstaan van plekken met verstuivend zand. Het ontbreken van voldoende konijnen is een knelpunt (Provincie Noord-Holland 2016e). De tijdelijke depositie van maximaal 0,01 mol N/ha/jr zal dan ook geen ecologisch effect op het habitattype hebben en ook geen knelpunt vormen voor uitbreiding van oppervlakte en verbetering van kwaliteit. Significante gevolgen voor het habitattype door aanleg van project AVANT zijn dan ook uitgesloten. H2130A - Grijze duinen (kalkrijk) De instandhoudingsdoelstelling voor het habitattype is ‘uitbreiding oppervlakte en verbetering kwaliteit’. De huidige oppervlakte is ca. 998 ha waarvan het merendeel (ca. 692ha) van goede kwaliteit is. De trend voor voor zowel oppervlakte als kwaliteit is negatief (Provincie Noord-Holland 2016e). Er is sprake van een overschrijding van de KDW (1.071 mol N/ha/jr) in het gebied (Provincie Noord-Holland 2016e). Het habitattype is door het doorsijpelen van regenwater gevoelig voor de natuurlijke ontkalking. Dit proces wordt versneld door humusvorming als gevolg van stikstofdepositie en het ontbreken van

32 (56)

2021/24868

voldoende overpoedering. Afname van de konijnenpopulatie en de verhoogde stikstofdepositie zorgen voor een negatieve spiraal waar opeenvolgend de versnelde vastlegging van de laatste stuifkuilen de aanvoer van kalkrijk zand stop zet. Vervolgens wordt de natuurlijke ontkalking versneld door de opbouw van een steeds zuurder wordend humuspakket. Hierdoor verandert de mineralenhuishouding van de bodem en komen grotere hoeveelheden fosfaat beschikbaar. Deze kunnen in combinatie met de verhoogde stikstofdepositie uitmonden in een versnelde successie die zichtbaar wordt in vergrassing en verstruweling. Maaien en begrazen kan dit proces vertragen. Een beperkte maar constante vorm van dynamiek is belangrijk om dit habitattype te houden en de verzuring tegen te gaan. Bioturbatie door bijvoorbeeld mieren en konijnen speelt daarnaast een belangrijke, maar minder opvallende rol op meer gestabiliseerde locaties. Overstuiving is het belangrijkste sleutelproces. Echter als de overstuiving te sterk is, kan dit habitattype verschuiven in de richting van Witte duinen. De vestiging van exoten wordt bespoedigd door de verhoogde stikstofdepositie en de verminderde begrazing door de konijnen.

In het verleden zijn grote oppervlakten van dit habitattype bebost door de mens, deze bossen zorgen nu voor veel luwte waardoor de verstruweling van landinwaarts gelegen locaties wordt versneld en de benodigde overstuiving achterwege blijft (Provincie Noord-Holland 2016e). De tijdelijke depositie van maximaal 0,01 mol N/ha/jr zal dan ook geen ecologisch effect op het habitattype hebben en ook geen knelpunt vormen voor uitbreiding van oppervlakte en verbetering van kwaliteit. Significante gevolgen voor het habitattype door aanleg van project AVANT zijn dan ook uitgesloten. H2160 - Duindoornstruwelen De instandhoudingsdoelstelling voor het habitattype is ‘behoud oppervlakte en kwaliteit’. De huidige oppervlakte is ca. 527 ha waarvan iets meer dan de helft (ca. 273 ha) van matige kwaliteit is. De trend voor voor oppervlakte is positief en voor kwaliteit is stabiel (Provincie Noord-Holland 2016e). Er is geen sprake van een overschrijding van de KDW (2.000 mol N/ha/jr) in het gebied (Provincie Noord-Holland 2016e). De tijdelijke depositie van maximaal 0,01 mol N/ha/jr zal dan ook geen ecologisch effect op het habitattype hebben en ook geen knelpunt vormen voor behoud van het oppervlakte en kwaliteit. Significante gevolgen voor het habitattype door aanleg van project AVANT zijn dan ook uitgesloten.

H2190A - Vochtige duinvalleien (open water) De instandhoudingsdoelstelling voor het habitattype is ‘uitbreiding oppervlakte en verbetering kwaliteit’. De huidige oppervlakte is ca. 50 ha waarvan het merendeel (ca. 33 ha) van matige kwaliteit is. De trend voor voor zowel oppervlakte als kwaliteit is positief (Provincie Noord-Holland 2016e). Er is sprake van een overschrijding van de KDW (1.071 mol N/ha/jr) in het gebied (Provincie Noord-Holland 2016e). Het habitattype in het Noordhollands duinreservaat is te verdelen in twee verschillende typen al naar gelang hun ontstaan: natuurlijk of antropogeen. De wateren met een duidelijk antropogeen ontstaan bestaan uit infiltratiewateren, gegraven visvijvers en een ijsbaan. De natuurlijke wateren hebben een beperkter voorkomen. Enkele zijn spontaan de meeste zijn gemaakt in natuurbouwprojecten waarbij tot in het huidige grondwaterpakket is gegraven of zijn oude jachtputten of bomkraters. Ze zijn daardoor permanent watervoerend. Vele van deze duinmeertjes worden gebruikt als drinkplek voor de begrazing. Een knelpunt daarvan is dat de grazers de poelen kaal vreten en gebruiken als latrine. Grondwaterdaling door dennenaanplant, verstruweling en verbossing, grondwaterwinning en versnelde afvoer hebben ervoor gezorgd dat vele van de vroeger soms langdurig geïnundeerde valleien verdwenen zijn.

Dit verdwijnen van de grote natuurlijke verschillen in grondwaterstand is een knelpunt. Grote verschillen in de grondwaterstand horen bij het duingebied als geheel, dit wisselende karakter is daarmee een voorwaarde voor enkele duin gebonden soorten. Het beperken van deze seizoensgebonden wisselingen is een knelpunt. Door grootschalige

33 (56)

2021/24868

dynamiek kunnen nieuwe permanente en semipermanente duinmeren ontstaan, afgestemd op het huidige hydrologische systeem van het duin. Ontbreken van deze landschapsvormende processen is een knelpunt. Verder zijn deze duinwateren gevoelig voor stikstofdepositie en de bijbehorende opbouw van organisch afval en verzuring of verrijking afhankelijk van de plek in het duin. Ook is de introductie van exoten door de mens een knelpunt, het betreft hier de introductie van vissen, waterlelie, watercrassula, parelvederkruid en amfibieën (Provincie Noord-Holland 2016e). De tijdelijke depositie van maximaal 0,01 mol N/ha/jr zal dan ook geen ecologisch effect op het habitattype hebben en ook geen knelpunt vormen voor uitbreiding van oppervlakte en verbetering van kwaliteit. Significante gevolgen voor het habitattype door aanleg van project AVANT zijn dan ook uitgesloten. H2170 - Kruipwilgstruwelen De instandhoudingsdoelstelling voor het habitattype is ‘behoud van oppervlakte en kwaliteit’. De huidige oppervlakte is ca. 28 ha, waarvan het overgrote deel van matige kwaliteit is. De trend in de oppervlakte en kwaliteit is niet goed bekend. Er is geen sprake van een overschrijding van de KDW (2.286 mol N/ha/jr) in het gebied (Provincie Noord-Holland 2016e).

De tijdelijke depositie van maximaal 0,01 mol N/ha/jr zal dan ook geen ecologisch effect op het habitattype hebben en ook geen knelpunt vormen voor behoud van het oppervlakte en kwaliteit. Significante gevolgen voor het habitattype door aanleg van project AVANT zijn dan ook uitgesloten. H2190B - Vochtige duinvalleien (kalkrijk) De instandhoudingsdoelstelling voor het habitattype is ‘uitbreiding oppervlakte en behoud kwaliteit’. De huidige oppervlakte is ca. 40 ha, met een goede kwaliteit. De trend voor voor zowel oppervlakte als kwaliteit is positief (Provincie Noord-Holland 2016e). Er is sprake van een overschrijding van de KDW (1.429 mol N/ha/jr) in het gebied (Provincie Noord-Holland 2016e). Verdroging en verzuring zijn de grootste knelpunten voor dit habitattype. Verdroging ontstaat door dennenaanplant, verstruweling en verbossing, grondwaterwinning en versnelde waterafvoer. Verzuring ontstaat door stikstofdepositie en de opbouw van humuszuren in combinatie met beperkingen van het natuurlijke grondwaterregime waardoor in de winter geen of te weinig gebufferd grondwater in het maaiveld terechtkomt. Door de beter gestuurde infiltratietechniek is verdere verdroging door grondwaterwinning beperkt tot het minimum. Het grondwaterregime is op dit moment echter nog verre van natuurlijk. Dit heeft als gevolg dat niet alle vochtige duinvalleien hersteld zijn.

Versnelde afvoer van grondwater en te weinig effectieve neerslag door dennenaanplant en verhouting is nu een knelpunt. De prognose is dat dit knelpunt voor de westelijke helft van het duin steeds minder belangrijk wordt vanwege de verwachtte stijging van de zeespiegel en de daarmee gecorreleerde stijging van het grondwater. Hieruit kan voortkomen dat thans bestaande valleien van goede kwaliteit permanent onder water komen te staan, maar dat elders verdroogde valleien weer vochtig worden. Verstuiving vanuit de zeereep kan bestaande valleien laten meegroeien met een stijgende grondwaterspiegel. Een sluipend proces is de vorming van een regenwaterlens in de vallei. Hierdoor ontstaat een verzurend effect dat onder normale omstandigheden wordt geneutraliseerd door een stijgende grondwaterspiegel in de winter waarbij basenrijk grondwater in de zode doordringt. Het wegvallen van voldoende kweldruk en milde overpoedering in dit proces is een knelpunt. Vergrassing en verruiging, gevolgd door een versnelde successie naar struweel is een belangrijk knelpunt. Dit dichtgroeien wordt nog eens versneld door een beperkte winddynamiek door een dichtgroeien van de omgeving. Dit proces speelt met name in een deel van het habitattype die niet bereikbaar zijn voor de maaimachines. Het wegvallen van het konijn als begrazer op die plekken speelt hierin een versnellende rol.

Tijdens perioden van droogte, meestal in de tweede helft van de zomer, zijn Vochtige duinvalleien kalkrijk

34 (56)

2021/24868

goede plekken voor grazers om te grazen. Zo ontstaat ongewild een extra graasdruk in het hoofdbloeiseizoen van de valleien. Dit is een knelpunt. Nieuwe Vochtige duinvalleien kalkrijk ontstaan van nature in het voetspoor van wandelende duinen. Tegelijk worden verouderde valleien overstoven. In het voetspoor van het duin ontstaat in de vallei een complete reeks van pionierstadia tot vochtige struwelen. Het wegvallen van dit proces is een knelpunt. Verder geldt dat invasieve exoten, in dit geval vooral watercrassula, een knelpunt zijn (Provincie Noord-Holland 2016e). De tijdelijke depositie van maximaal 0,01 mol N/ha/jr zal geen ecologisch effect op de vestiging van deze exoten of de kwaliteit van het habitattype hebben en ook geen knelpunt vormen voor uitbreiding van oppervlakte en behoud van kwaliteit. Significante gevolgen voor het habitattype door aanleg van project AVANT zijn dan ook uitgesloten. H2120 - Witte duinen De instandhoudingsdoelstelling voor het habitattype is ‘uitbreiding oppervlakte en verbetering kwaliteit’. De huidige oppervlakte is ca. 186 ha waarvan het merendeel (ca. 157 ha) van goede kwaliteit is. De trend voor voor zowel oppervlakte als kwaliteit is positief (Provincie Noord-Holland 2016e). Er is sprake van een overschrijding van de KDW (1.429 mol N/ha/jr) in het gebied (Provincie Noord-Holland 2016e).

De mate en ernst van de knelpunten verschillen sterk tussen Witte duinen in de zeereep en meer landinwaarts gelegen Witte duinen in het zeeduin en middenduin. De Witte duinen als geheel hebben het meest te lijden onder de gevolgen van (oud) vastleggingsbeheer. In de zeereep is een knelpunt de verstarrende effecten van zandsuppletie. Het zand ligt daar vast en blijft vastliggen zolang er geen grootschalige afslag plaats vindt tijdens stormen. De grootschalige afslag wordt op sommige locaties beperkt door de rij embryonale duintjes die na suppletie ontstaat aan de duinvoet. Bij voldoende dynamiek in de zeereep is suppletie geen probleem. Het zand kan dan doorstuiven landinwaarts het zeeduin in. Het aantal spontane verstuivingen op plekken waar een gekerfde- dan wel paraboliserende zeereep is toegestaan, blijft ondanks ruim 20 jaar ontbreken van beheer, beperkt tot een geringe lokale toename in dynamiek. De landinwaarts gelegen pockets van Witte duinen in zeeduin en middenduin zijn gevoelig voor beperkingen in de winddynamiek. Dit knelpunt ontstaat door het dichtgroeien van het duin en de snelle successie naar struweel door versnelde bodemvorming onder invloed van een te hoge stikstoflast. De lage konijnenpopulatie speelt hierin een belangrijke rol.

Met het wegvallen van de vraat en het gegraaf worden bestaande Witte duinen niet open gehouden en ontstaan er ook geen nieuwe locaties meer in het zeeduin en middenduin. In het middenduin ontbreken op dit moment de witte duinen. De knelpunten die hierdoor ontstaan zijn een algehele verstarring van het landschap en een gebrek aan overstuivingseffecten op tal van habitattypen. Zowel in de zeereep, het zeeduin als het middenduin speelt de exoot rimpelroos een beperkende rol in de winddynamiek. In het kalkarme duin speelt ook de Amerikaanse vogelkers een rol in het breken van de winddynamiek (Provincie Noord-Holland 2016e). De tijdelijke depositie van maximaal 0,01 mol N/ha/jr ook geen ecologisch effect op de vestiging van deze exoten of de kwaliteit van het habitattype hebben en ook geen knelpunt vormen voor uitbreiding van oppervlakte en verbetering van kwaliteit. Significante gevolgen voor het habitattype door aanleg van project AVANT zijn dan ook uitgesloten. H2130C - Grijze duinen (heischraal) De instandhoudingsdoelstelling voor het habitattype is ‘uitbreiding oppervlakte en verbetering kwaliteit’. De huidige oppervlakte is ca. 7,5 ha met een goede kwaliteit. De verwachtte trend in oppervlakte is dat het areaal zal toenemen als gevolg van de recente aanleg van natte duinvalleien (Provincie Noord-Holland 2016e).

Er is sprake van een overschrijding van de KDW (714 mol N/ha/jr) in het gebied (Provincie Noord-Holland 2016e). Dit habitattype is erg kwetsbaar voor milieuveranderingen. Een kleine verandering

35 (56)

2021/24868

van de grondwaterstand kan de groeiomstandigheden ter plekke dusdanig veranderen dat het habitat snel overgaat in een ander. De aangeplante dennenbossen, verstuweling en verbossing, grondwaterontrekking en versnelde afvoer zorgen allemaal voor een verstoorde minder stabiele hydrologie. Het ontbreken van goede hydrologische omstandigheden is een knelpunt. De meeste locaties van het habitattype bestaan uit smalle randen rondom habitattype Vochtige duinvalleien (kalkrijk en kalkarm). Dichtgroeien van deze valleien vanuit de randen met struweel door te beperkt maaien van de vallei is bedreiging voor dit habitat. Tevens zorgt het dichtgroeien van de omgeving voor een beperkte windynamiek waardoor houtigen en exoten meer kans krijgen. Ook een kleine toename in de voedingstoestand heeft snel gevolgen voor het habitattype. Vergrassing en verruiging zijn hiervan het gevolg. Hierin vormen stikstofdepositie en daardoor een versnelde bodemontwikkeling en verzurende bodem een belangrijke knelpunt. Een belangrijk aspect van dit habitattype is een milde overpoedering waardoor de bodem net voldoende gebufferd blijft zonder droger te worden. Konijnen spelen hierin een belangrijke rol. Het ontbreken van beide invloeden en de landschapsverstarring zijn knelpunten (Provincie Noord-Holland 2016e).

De tijdelijke depositie van maximaal 0,01 mol N/ha/jr is dermate gering dat dit geen ecologisch effect op het habitattype zal hebben en ook geen knelpunt vormt voor uitbreiding van oppervlakte en verbetering van kwaliteit. Significante gevolgen voor het habitattype door aanleg van project AVANT zijn dan ook uitgesloten. H2140A - Duinheiden met struikhei (vochtig) De instandhoudingsdoelstelling voor het habitattype is ‘behoud oppervlakte en verbetering kwaliteit’. De huidige oppervlakte is ca. 10 ha met een goede kwaliteit. De trend, zowel in oppervlakte als in kwaliteit, voor dit habitattype is onbekend (Provincie Noord-Holland 2016e). Er is sprake van een overschrijding van de KDW (1.071 mol N/ha/jr) in het gebied (Provincie Noord-Holland 2016e). Dit habitattype bevindt zich in het Noordhollands Duinreservaat aan de zuidgrens van haar natuurlijk verspreidingsgebied. Dit maakt dit habitattype kwetsbaar voor kleine veranderingen in het klimaat. De geringe oppervlakte van 10 hectare bevindt zich voor het grootste deel in valleien. Deze valleien hebben een seizoensgebonden wisselende grondwaterstand. De periodieke inundatie is belangrijk voor de aanvoer van enige bufferende mineralen. De kenmerkende soortenrijkdom van de vegetatie in dit habitattype is daarvan afhankelijk.

De beïnvloeding van het natuurlijke grondwaterregime door aangeplant dennenbos, verstruweling, bosvorming, grondwateronttrekking en versnelde afvoer is een hydrologisch knelpunt. Het vastliggen van dynamische processen zorgt ervoor dat er geen nieuwe valleien ontstaan waar dit habitattype in juiste relatie met het huidige grondwaterniveau kan ontstaan. Ook dit is een knelpunt. Vergrassing wordt al snel in de hand gewerkt op deze primair kalkarme gronden door extra stikstofdepositie in combinatie met natuurlijke toetreding van gebufferd grondwater. De hierop volgende opbouw van humuszuren heeft een negatief effect op de algehele soortenrijkdom van dit habitattype. Ook de vestiging van struweel en exoten zoals Krent en Amerikaanse vogelkers als gevolg van verdroging en veranderingen in de bodemopbouw gaat ten koste van oppervlak en van kwaliteit. Door het dichtgroeien van de omgeving vermindert de invloed van de winddynamiek op het landschap en nemen de kansen op de benodigde kleinschalige verstuivingen en de milde overpoedering verder af. Dit overpoederen is een voorwaarde voor de kenmerkende bodemopbouw. Het ontbreken van de overpoedering is een knelpunt (Provincie Noord-Holland 2016e).

De tijdelijke depositie van maximaal 0,01 mol N/ha/jr is dermate gering dat dit geen ecologisch effect op het habitattype zal hebben en ook geen knelpunt vormt voor behoud van oppervlakte en verbetering van kwaliteit. Significante gevolgen voor het habitattype door aanleg van project AVANT zijn dan ook uitgesloten.

36 (56)

2021/24868

H2150 - Duinheiden met struikhei De instandhoudingsdoelstelling voor het habitattype is ‘behoud oppervlakte en kwaliteit’. De huidige oppervlakte is ca. 30 ha waarvan de kwaliteit matig is. De trend in de kwaliteit en oppervlak is positief (Provincie Noord-Holland 2016e). Er is sprake van een overschrijding van de KDW (1.071 mol N/ha/jr) in het gebied (Provincie Noord-Holland 2016e). Het habitattype Duinheide met struikhei ontstaat op een natuurlijke manier door de heersende winddynamiek en de daarbij horende ongunstige omstandigheden voor andere houtige soorten. Duinheide is daarom niet goed te vergelijken met binnenlandse heiden. Dit is een belangrijk aspect bij de beoordelingen van de knelpunten en oplossingen. Het wegvallen van winddynamiek door aanplant van naald- en loofbossen is een knelpunt. Ook is de primair kalkarme bodem in hoge mate gevoelig voor extra stikstofdepositie en verdergaande verzuring onder invloed van extra humusvorming. Verzuring van de duinheiden leidt tot vergrassing en het verlies van de soortenrijkdom. De stikstofdepositie en beperkte begrazing leidt tot verhouting waaronder ook exoten zoals krent en Amerikaanse vogelkers. Dit dichtgroeien van het landschap leidt tot verstarring van het landschap. Belangrijke gevolgen zijn het wegvallen van de windynamiek, versneld dichtgroeien en verdwijnen van kleinschalige verstuivingen.

Overpoedering speelt een rol in het behoud van soortenrijke mozaïeken. En gebrek aan kleinschalige overstuiving met verdergaande verzuring is dus een knelpunt (Provincie Noord-Holland 2016e). De tijdelijke depositie van maximaal 0,01 mol N/ha/jr is dermate gering dat dit geen ecologisch effect op het habitattype zal hebben en ook geen knelpunt vormt voor behoud van oppervlakte en kwaliteit. Significante gevolgen voor het habitattype door aanleg van project AVANT zijn dan ook uitgesloten. Lg12 - Zoom, mantel en droog struweel van de duinen (leefgebied nauwe korfslak). Er is sprake van een overschrijding van de KDW (1.643 mol N/ha/jr) in het gebied. In het geval van de nauwe korfslak overlapt het habitat waarin de soort voorkomt met de habitattypen H2160 -Duindoornstruweel, H2190B -Vochtige duinvalleien (kalkrijk) en H6430C -Ruigten en zomen (droge bosranden). Daarnaast kan de nauwe korfslak voorkomen in het stikstofgevoelige leefgebied zoom, mantel en droog struweel van de duinen. In de Nederlandse duinen wordt de nauwe korfslak vaker bij populierachtigen gevonden dan bij andere soorten bomen en struiken. Ook in het bladstrooisel onder en nabij meidoorn, liguster en duindoorn is de kans om de soort aan te treffen relatief groot. Onder en nabij naaldbomen en eiken (bomen met zuur strooisel) is de Nauwe korfslak weinig of niet aanwezig.

De nauwe korfslak kan in het hele duingebied op geschikte locaties worden verwacht. Omdat niet precies bekend is waar de soort voorkomt, laat staan wat de trends zijn in aantallen en verspreiding, wordt aangenomen dat deze voor kan komen waar er geschikt leefgebied aanwezig is. Waar de soort voorkomt in de genoemde habitattypen, worden reeds maatregelen genomen middels de herstelstrategieën van de habitattypen. Voor habitattype H6430C Ruigten en zomen (droge bosranden) geldt dat dit in zeer kleine oppervlakte (0,1 ha) voorkomt, in samenhang met duinbossen (H2180A en C), aan de oostrand van het Natura 2000-gebied ter hoogte van Wimmenum. De KDW van dit habitattype wordt ter plaatse niet overschreden: de totale depositie is tussen 1.400 en 1.700 mol N/ha/ jaar. Buiten de habitattypen, in leefgebied 12 wordt de KDW in het oostelijke deel van het gebied en rondom Egmond aan Zee op enkele plaatsen overschreden (Provincie Noord-Holland 2016e). De tijdelijke depositie van maximaal 0,01 mol N/ha/jr zal dan ook geen ecologisch effect op het leefgebied hebben. Significante gevolgen voor het leefgebied en de instandhouding van de nauwe korfslak door aanleg van project AVANT zijn dan ook uitgesloten. 8.4 Conclusie Het geplande project AVANT leidt niet tot een zodanige toename aan stikstofdepositie dat hierdoor sprake is van ecologische effecten of significante gevolgen voor

37 (56)

2021/24868

instandhoudingsdoelen van Natura 2000-gebied Noordhollands Duinreservaat. Er zijn namelijk in het Noordhollands Duinreservaat geen zodanige omstandigheden dat een geringe toename aan stikstofdepositie van 0,01 mol N/ha/jr kan leiden tot een in ecologische zin aantoonbare aantasting van kwaliteit of oppervlakteverlies van de habitattypen en/of leefgebieden van kwalificerende soorten. Voor twee van de veertien habitattypen waarop sprake is van een tijdelijke depositietoename vormt stikstofdepositie geen knelpunt. Voor de andere habitattypen is de huidige matige overbelasting van stikstofdepositie niet het belangrijkste knelpunt. Voor geen van de aangewezen soorten is stikstofdepositie een knelpunt voor het halen van de instandhoudingsdoelen.

38 (56)

2021/24868

9

Effecten Naardermeer

9.1 Instandhoudingsdoelstellingen Het Naardermeer is een natuurlijk meer dat op de overgang van de hoge zandgronden van het Gooi naar het (veen-) poldergebied van West-Nederland ligt. Het stond via de Vecht in open verbinding met de Zuiderzee en werd samen met zijn omgeving geteisterd door storm en vloed. Aan het eind van de 14e eeuw werd daarom het Naardermeer afgedamd en de verbinding met de Zuiderzee verbroken. Sindsdien heeft men twee maal geprobeerd het meer droog te leggen, maar na korte tijd heeft men het toch weer laten onderlopen. De waterhuishouding van het meer wordt gevoed door neerslag en kwelwater uit het Gooi. Het is het oudste Nederlandse natuurreservaat, waarin, naast watervegetaties en verlandingszones, ook zich natuurlijk en vrijwel ongestoord ontwikkelende broekbossen voorkomen. Sinds 1984 worden maatregelen genomen om het inlaatwater te zuiveren. Mede als gevolg hiervan hebben kranswiervegetaties zich hersteld. Recentelijk zijn vernattingsmaatregelen in de graslanden rondom het Naardermeer genomen, waardoor de waterhuishouding verbeterd is. In de wateren met weinig golfslag groeien drijvende waterplanten al dan niet verankerd in de waterbodem. Deze begroeiingen bestaan in het gebied grotendeels uit grote fonteinkruiden. In de kleinere watergangen komen met kleine oppervlakte krabbescheerbegroeiingen voor.

Bij verdergaande successie gaan de veenmosrietlanden en trilvenen over in drogere en zuurdere vegetatietypen die behoren tot moerasheide of veenbos. Een aanzienlijk deel van het gebied bestaat uit deze vegetatietypen. In het Laegieskampje, aan de zuidrand van het gebied, komt blauwgrasland voor (natura2000.nl) Het gebied is definitief aangewezen als Natura 2000-gebied op grond van zowel de Vogelrichtlijn als de Habitatrichtlijn. In het Natura 2000-aanwijzingsbesluit zijn instandhoudingsdoelstellingen geformuleerd voor tien habitattypen (tabel 9.1). Het gebied is tevens aangewezen voor zes habitatrichtlijnsoorten, vijf broedvogelsoorten en twee nietbroedvogelsoorten. Voor geen van deze soorten is stikstofdepositie een knelpunt in het gebied (Provincie Noord-Holland 2016f). Effecten van het project AVANT op deze soorten vanwege stikstofdepositie zijn daarom op voorhand uitgesloten. Tabel 9.1. Instandhoudingsdoelstellingen habitattypen. > betekent uitbreiding; = betekent behoud. KDW=kritische depositiewaarde in mol N/ha/jr.

Habitattype

subtype

Oppervlakte

Kwaliteit

KDW

H3130 - Zwakgebufferde venen H3140 - Kranswierwateren H3150 - Meren met krabbenscheer en fonteinkruiden H4010B - Vochtige heiden H6410 - Blauwgraslanden H6430A - Ruigen en zomen

-

=

=

571

-

= =

= =

2.143 2.143

laagveengebied moerasspirea

= > =

= > =

H6430B - Ruigen en zomen

harig wilgenroosje

=

=

H7140A - Overgangs- en trilvenen H7140B - Overgangs- en trilvenen

trilvenen

=

=

786 1.071 niet gevoelig niet gevoelig 1.214

veenmosrietlanden

=

=

714

39 (56)

2021/24868

H91D0 - Hoogveenbossen

-

=

>

1786

9.2 Stikstofdepositie Uit de AERIUS berekening blijkt dat het project AVANT tijdens de aanlegfase zorgt voor een tijdelijke geringe depositietoename op drie habitattypen (tabel 9.2). Tijdens de gebruiksfase is er geen sprake van een depositietoename. Tabel 9.2. KDW=kritische depositiewaarde in mol N/ha/jr en hoogste bijdrage van project AVANT tijdens de aanlegfase.

Habitattype

subtype

KDW

Hoogste bijdrage AVANT

H91D0 - Hoogveenbossen H3150 – Meren met krabbenscheer en fonteinkruiden, buiten afgesloten zeearmen H7140A - Overgangs- en trilvenen H7140B - Overgangs- en trilvenen H3140 - Kranswierwateren H4010B - Vochtige heiden Lg05 - Grote-zeggenmoeras

-

1.786 2.143

0,01 0,01

trilvenen veenmosrietlanden laagveengebied -

1.214 714 2.143 786 1.714

0,01 0,01 0,01 0,01 0,01

9.3 Beoordeling effecten stikstofdepositie op habitattypen H91D0 - Hoogveenbossen De instandhoudingsdoelstelling voor het habitattype is ‘behoud oppervlakte en verbetering kwaliteit’. De huidige oppervlakte is ca. 94 ha waarvan het merendeel (90%) van goede kwaliteit is. De trend in kwaliteit en oppervlak is positief (Provincie Noord-Holland 2016f). Er is sprake van een overschrijding van de KDW (1.786 mol N/ha/jr) in het gebied (Provincie Noord-Holland 2016f). Hoogveenbossen zijn erg gevoelig voor verdroging en (vooral interne) eutrofiëring. Sterkere ontwatering langs de randen, wegvallende invloed van gebufferd grondwater (minder kwel) en mogelijk grotere peilwisselingen waardoor de bossen een grotere drooglegging krijgen, kunnen tot stikstofeffecten leiden. Snelle groeiers als Appelbes, Braam en Pijpenstrootje krijgen dan de overhand in de ondergroei en kenmerkende veenmosbulten kunnen dan verdwijnen. Bij een stikstofdepositie hoger dan de kritische depositiewaarde van 1.786 mol N/ha/j is eveneens vergrassing te verwachten. Bij een hoge stikstofdepositie dient daarom verdroging en eutrofiëring van het grond- en oppervlaktewater te worden voorkomen. Essentieel t.a.v. de doelstelling behoud en uitbreiding is daarom de handhaving van een goede waterkwaliteit (Provincie Noord-Holland 2016f).

Vooral langs de randen en in het bijzonder langs de zuidwestrand van het Naardermeer wordt tot aan 2030 de KDW van het habitattype permanent overschreden. Vanaf 2020 blijft in het merendeel van het oppervlak met habitattype de depositie onder de kritische waarde (Provincie Noord-Holland 2016f). De tijdelijke depositie van maximaal 0,01 mol N/ha/jr zal dan ook geen ecologisch effect op het habitattype hebben en ook geen knelpunt vormen voor behoud van oppervlakte en verbetering van kwaliteit. Significante gevolgen voor het habitattype door aanleg van project AVANT zijn dan ook uitgesloten. H3150 - Meren met krabbenscheer (buiten afgesloten zeearmen) De instandhoudingsdoelstelling voor het habitattype is ‘behoud oppervlakte en kwaliteit’. De huidige oppervlakte is ca. 45 ha waarvan het merendeel (75%) van matige kwaliteit is. De trend in kwaliteit en oppervlak is positief (Provincie Noord-Holland 2016f). Er is geen sprake van een overschrijding van de KDW (2.143 mol N/ha/jr) in het gebied (Provincie NoordHolland 2016f). Er is dus geen knelpunt t.a.v. stikstofdepositie. De tijdelijke depositie van

40 (56)

2021/24868

maximaal 0,01 mol N/ha/jr zal dan ook geen ecologisch effect op het habitattype hebben en ook geen knelpunt vormen voor behoud van oppervlakte en kwaliteit. Significante gevolgen voor het habitattype door aanleg van project AVANT zijn dan ook uitgesloten. H7140A - Overgangs- en trilvenen (trilvenen) De instandhoudingsdoelstelling voor het habitattype is ‘verbetering oppervlakte en kwaliteit’. De huidige oppervlakte is ca. 2 ha met een matige tot goede kwaliteit. De trend in kwaliteit en oppervlak is stabiel (Provincie Noord-Holland 2016f). Er is sprake van een overschrijding van de KDW (1.214 mol N/ha/jr) in het gebied (Provincie Noord-Holland 2016f). De bestaande en toekomstige stikstofdepositie in het Naardermeer overschrijdt tot aan 2030 op minimaal 72% van het habitattype. Op alle locaties zijn daarom zowel eutrofiërende als verzurende effecten door stikstofdepositie te verwachten. Vanwege de blijvende KDW overschrijding tot aan 2030 staat zowel de behoudsdoelstelling (kwaliteit) als de uitbreidingsdoelstelling (oppervlak) permanent onder druk. Eutrofiërende effecten van stikstofdepositie kunnen worden verminderd door toepassing van een geïntegreerde aanpak systeemmaatregelen.

Deze maatregelen dienen gericht te zijn op zowel een verbetering van de waterkwaliteit (minder aanvoer N en P), als een betere benutting van basenrijk grondwater (verlichten van effecten van verzuring door een betere buffering in de wortelzone). Daarnaast zijn effectgerichte maatregelen (o.a. plaggen) en het uitvoeren van een goed beheer (maaien in nazomer) belangrijk. Verzuring door ammoniak, in combinatie met verdroging (wegvallen kwel, oxidatie en verzuring veenbodem) kan leiden tot versnelde verzuring en successie richting Veenmosrietland. Om de kans op verzuring en eutrofiëring te verkleinen is het belangrijk om effectgerichte maatregelen te laten plaatsvinden op locaties met de laagste N-depositie. Om de doelstellingen op lange termijn te garanderen zijn echter ook systeemgerichte maatregelen noodzakelijk. Deze dienen zich vooral te richten op de versterking van de invloed van bufferend grondwater (kwel). Hiermee kunnen de verzurende effecten van stikstofdepositie in de toekomst beter worden opgevangen. De oevers van het Bovenste Blik staan onder invloed van kwel; hier liggen kansen voor de ontwikkeling van nieuwe trilvenen. Behalve stikstof is ook fosfaat een belangrijke factor. In goed ontwikkelde schorpioenmostrilvenen is fosfaat een beperkende factor.

Als de fosfaat beschikbaarheid toeneemt, wordt het trilveen gevoeliger voor de vestiging van snelgroeiende veenmossen met een hoge verzuringscapaciteit. Dit kan uiteindelijk leiden tot verzuring en het verdwijnen van de karakteristieke basenrijke soorten (Provincie NoordHolland 2016f). Hoewel sprake is van een overschrijding van de KDW en maatregelen nodig zijn om instandhoudingsdoelen voor het habitattype te realiseren is de tijdelijke depositie van maximaal 0,01 mol N/ha/jr dermate gering dat dit geen invloed heeft op deze problematiek en ook geen ecologische effecten zal hebben, zoals verzuring, verruiging of verandering van de soortensamenstelling. AVANT vormt dan ook geen knelpunt voor verbetering van oppervlakte en kwaliteit. Significante gevolgen voor het habitattype door aanleg van project AVANT zijn dan ook uitgesloten. H7140B - Overgangs- en trilvenen (veenmosrietlanden) De instandhoudingsdoelstelling voor het habitattype is ‘behoud oppervlakte en kwaliteit’. De huidige oppervlakte is ca. 23 ha waarvan het merendeel (ca. 60%) van een matige kwaliteit is. De trend in kwaliteit en oppervlak is stabiel (Provincie Noord-Holland 2016f). Er is sprake van een overschrijding van de KDW (714 mol N/ha/jr) in het gebied (Provincie NoordHolland 2016f). Vanwege het ontbreken van de buffering zijn al vanaf 714 mol ook in jonge stadia Veenmosrietland effecten te verwachten.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/10711172/1