CConstaterende datZaanstad
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage 7 Stikstofdepositie

Raadsvergadering 25 november 2021, gemeente ZaanstadBij agendapunt: Bp Aanpak verkeersdruk Thorbeckeweg31.521 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 4

2021/24868

Rapport Projectnummer: 368983 Referentienummer: SWNL0270982 Datum: 08-01-2021

Ecologische beoordeling stikstofdepositie AVANT Een nader onderzoek ten aanzien van stikstofdepositie in het kader van de wet- en regelgeving voor natuur

Definitief

Opdrachtgever: Vervoersregio Amsterdam Postbus 626 1000 AP AMSTERDAM

Sweco Robijnstraat 11 1812 RB Alkmaar Postbus 214 1800 AE Alkmaar

T +31 88 811 66 00 www.sweco.nl

Sweco Nederland B.V. Gebiedsadvies Handelsregister 30129769 Statutair gevestigd te De Bilt

Maikell Verkade Adviseur ecologie M +31 6 53 82 35 19

2021/24868

Verantwoording Titel

Ecologische beoordeling stikstofdepositie AVANT

Subtitel

Een nader onderzoek ten aanzien van stikstofdepositie in het kader van de weten regelgeving voor natuur

Projectnummer

368983

Referentienummer

SWNL0270982

Revisie

D1.0

Datum

08-01-2021

Auteur(s)

Maikell Verkade

E-mailadres

maikell.verkade@sweco.nl

Gecontroleerd door

Maarten Mouissie

Paraaf gecontroleerd

Goedgekeurd door

Johan Vreugdenhil

Paraaf goedgekeurd

2 (56)

2021/24868

Inhoudsopgave 1

Inleiding .................................................................................................................. 5

1.1

Aanpak verkeersdruk Zaanstad Zuid en Thorbeckeweg......................................... 5

1.2

Stikstofdepositie ten gevolge van AVANT ............................................................... 6

1.3

Doel van de ecologische beoordeling ..................................................................... 6

2

Wettelijk beoordelingskader................................................................................. 7

2.1

Wet natuurbescherming .......................................................................................... 7

2.1

Beoordelingskader stikstofdepositie ........................................................................ 7

2.2

Beoordeling cumulatieve effecten ........................................................................... 8

3

Ecologische beoordeling effecten stikstofdepositie ......................................... 9

3.1

Ecologische effecten stikstofdepositie..................................................................... 9

3.2

Kleine tijdelijke depositie door mobiele werktuigen ...............................................10

3.3

Gebied- en projectspecifieke beoordeling .............................................................10

4

Effecten Ilperveld, Varkensland, Oostzanderveld & Twiske ...........................12

4.1

Instandhoudingsdoelstellingen ..............................................................................12

4.2

Stikstofdepositie.....................................................................................................12

4.3

Beoordeling effecten stikstofdepositie op habitattypen .........................................13

4.4

Conclusie ...............................................................................................................14

5

Effecten Wormer en Jisperveld & Kalverpolder ...............................................15

5.1

Instandhoudingsdoelstellingen ..............................................................................15

5.2

Stikstofdepositie.....................................................................................................15

5.3

Beoordeling effecten stikstofdepositie op habitattypen .........................................15

5.4

Conclusie ...............................................................................................................17

6

Effecten Polder Westzaan...................................................................................18

6.1

Instandhoudingsdoelstellingen ..............................................................................18

6.2

Stikstofdepositie.....................................................................................................18

6.3

Beoordeling effecten stikstofdepositie op habitattypen .........................................18

6.4

Conclusie ...............................................................................................................21

7

Effecten Kennemerland-Zuid..............................................................................22

7.1

Instandhoudingsdoelstellingen ..............................................................................22

7.2

Stikstofdepositie.....................................................................................................23

7.3

Beoordeling effecten stikstofdepositie op habitattypen .........................................23

7.4

Conclusie ...............................................................................................................28

8

Effecten Noordhollands Duinreservaat .............................................................30

8.1

Instandhoudingsdoelstellingen ..............................................................................30

8.2

Stikstofdepositie.....................................................................................................31

3 (56)

2021/24868

8.3

Beoordeling effecten stikstofdepositie op habitattypen .........................................31

8.4

Conclusie ...............................................................................................................37

9

Effecten Naardermeer .........................................................................................39

9.1

Instandhoudingsdoelstellingen ..............................................................................39

9.2

Stikstofdepositie.....................................................................................................40

9.3

Beoordeling effecten stikstofdepositie op habitattypen .........................................40

9.4

Conclusie ...............................................................................................................43

10

Effecten Eilandspolder........................................................................................44

10.1

Instandhoudingsdoelstellingen ..............................................................................44

10.2

Stikstofdepositie.....................................................................................................44

10.3

Beoordeling effecten stikstofdepositie op habitattypen .........................................44

10.4

Conclusie ...............................................................................................................45

11

Effecten Oostelijke Vechtplassen ......................................................................46

11.1

Instandhoudingsdoelstellingen ..............................................................................46

11.2

Stikstofdepositie.....................................................................................................46

11.3

Beoordeling effecten stikstofdepositie op habitattypen .........................................47

11.4

Conclusie ...............................................................................................................48

12

Effecten Schoorlse Duinen.................................................................................49

12.1

Instandhoudingsdoelstellingen ..............................................................................49

12.2

Stikstofdepositie.....................................................................................................49

12.3

Beoordeling effecten stikstofdepositie op habitattypen .........................................50

12.4

Conclusie ...............................................................................................................51

13

Cumulatie van effecten .......................................................................................52

14

Conclusie..............................................................................................................54

14.1

Conclusies per Natura 2000-gebied ......................................................................54

14.2

Cumulatie...............................................................................................................55

14.3

Eindconclusie.........................................................................................................56

Literatuur ..............................................................................................................................57

Bijlagen Bijlage 1

Notitie AVANT – AERIUS-berekening

4 (56)

2021/24868

1

Inleiding

1.1 Aanpak verkeersdruk Zaanstad Zuid en Thorbeckeweg Vervoerregio Amsterdam werkt samen met projectpartners gemeente Zaanstad, gemeente Oostzaan, provincie Noord-Holland en Rijkswaterstaat om de doorstroming van het openbaar vervoer, wegverkeer en fietsverkeer op en nabij de Thorbeckeweg – N516 te verbeteren. In het project Aanpak Verkeersdruk Ambacht N516 Thorbeckeweg (AVANT), dat zich in de Planuitwerkingsfase bevindt, worden verschillende maatregelen getroffen om de doorstroming te verbeteren, zoals uitbreiding van wegen, een fietsbrug, een fietstunnel en een onderdoorgang voor het wegverkeer ter hoogte van de Wibautstraat. Tevens wordt een bestaand tankstation verplaatst langs de N516 en wordt bij de Poelenbrug een nieuw kruispunt aangelegd. Ter hoogte van de kruising N516 en Wibautstraat, wordt de N516 verdiept om een ongelijkvloerse kruising van het oost-west verkeer met het noord-zuid verkeer op de Wibautstraat te realiseren. In figuur 1-1 is de globale ligging van het plangebied weergegeven.

Figuur 1-1 Globale ligging van het plangebied te Zaandam (met nummer 2 aangegeven)

In de planvoorbereidingsfase is een voorkeursalternatief vastgesteld. Dit voorkeursalternatief is het meest kansrijk, biedt de meeste voordelen, heeft een breed draagvlak onder omgevingspartijen en het is het enige alternatief dat een robuuste oplossing biedt voor het kruispunt Vijfhoek. Het biedt tevens de beste inpassingsmogelijkheden voor de HOV maatregelen en heeft de hoogst gemiddelde snelheden voor OV en het wegverkeer. In de Planuitwerkingsfase wordt de technische en financiële haalbaarheid van het project nader onderzocht. Sweco Nederland B.V. werkt in opdracht van de Vervoerregio Amsterdam aan de planuitwerking van het project door onder andere het opstellen van een Referentie Ontwerp en het uitvoeren van alle benodigde onderzoeken om de technische en financiële haalbaarheid van het project te onderzoeken. Één van de onderzoeken betreft een onderzoek stikstofdepositie.

5 (56)

2021/24868

1.2 Stikstofdepositie ten gevolge van AVANT Uit de uitgevoerde AERIUS berekening blijkt dat op drie Natura 2000-gebieden sprake is van een tijdelijke toename aan stikstofdepositie tijdens de aanleg van het project. Het gaat om een tijdelijke depositie van maximaal 0,19 mol N/ha/jr in Natura 2000-gebied Ilperveld, Varkensland, Oostzanerveld & Twiske. Tevens vindt een tijdelijke maximale depositie plaats in de volgende Natura 2000-gebieden: 0,04 mol N/ha/jr in Wormer- en Jisperveld & Kalverpolder, 0,03 mol N/ha/jr in Polder Westzaan, 0,01 mol N/ha/jr in Kennemerland-Zuid, 0,01 mol N/ha/jr in Noordhollands Duinreservaat, 0,01 mol N/ha/jr in Naardermeer, 0,01 mol N/ha/jr in Eilandspolder, 0,01 in mol N/ha/jr Oostelijke Vechtplassen en 0,01 mol N/ha/jr in Schoorlse Duinen. Tijdens de gebruiksfase is geen sprake van een depositietoename door het project. Omdat in deze gebieden stikstof gevoelige habitattypen aanwezig zijn en de kritische depositiewaarden al worden overschreden kunnen effecten niet op voorhand uitgesloten worden. Er is daarom een ecologische beoordeling nodig. De rekenmethodiek voor de emissies en stikstofdepositie van het project AVANT zijn beschreven in de Sweco notitie ‘AVANT – AERIUS Berekening’ (kenmerk SWNL0268587, d.d. 05-11-2020).

1.3 Doel van de ecologische beoordeling Het doel van de ecologische beoordeling is het beoordelen of stikstofdepositie door AVANT significant negatieve gevolgen kan hebben voor Natura 2000-gebieden. Het gaat daarbij om het beschrijven van de effecten op stikstofgevoelige habitattypen en soorten in de drie Natura 2000-gebieden, waar sprake is van een tijdelijke toename aan stikstofdepositie door het project. De significantie van de effecten is beoordeeld aan de hand van de instandhoudingsdoelstellingen. Indien significante gevolgen niet zijn uit te sluiten kan het bevoegd gezag alleen een vergunning verlenen indien is voldaan aan de ADC-criteria. Dat betekent dat het project nodig is omwille van een dwingende reden van groot openbaar belang, er geen alternatief mag zijn met minder grote effecten op Natura 2000 en de nodige compenserende maatregelen worden getroffen.

6 (56)

2021/24868

2

Wettelijk beoordelingskader

2.1 Wet natuurbescherming Bescherming van Natura 2000-gebieden vindt plaats op grond van de Wet natuurbescherming, die op 1 januari 2017 in werking is getreden en voor wat betreft het aspect Natura 2000 de Natuurbeschermingswet 1998 vervangt. Onder Natura 2000-gebieden vallen de gebieden die op grond van de Europese Vogelrichtlijn en/of Habitatrichtlijn zijn aangewezen. De essentie van het beschermingsregime voor deze gebieden is dat de duurzame instandhouding van soorten en habitats binnen de Europese Unie wordt gewaarborgd. Daarbij zijn instandhoudingsdoelstellingen geformuleerd voor natuurlijke habitats en/of soorten. Dit kunnen behoudsdoelstellingen zijn voor habitats en leefgebieden van soorten die zich al op het gewenste niveau (kwalitatief en kwantitatief) bevinden of uitbreidings- respectievelijk verbeterdoelstellingen voor habitats en leefgebieden van soorten die zich nog niet op het gewenste niveau bevinden. Om dit toetsbaar te maken kent de Wet natuurbescherming (Wnb) een goedkeuringsvereiste voor plannen die significante gevolgen voor de betreffende gebieden kunnen hebben (artikel 2.7, eerste lid, Wnb), en een vergunningplicht voor projecten die (significant) negatieve gevolgen voor de betreffende gebieden kunnen hebben (artikel 2.7, tweede lid, Wnb).

De goedkeuring of de vergunning wordt alleen verleend wanneer voldoende zeker is dat de instandhoudingsdoelstellingen voor het betreffende Natura 2000gebied niet in het geding zijn. Wanneer significante gevolgen voor Natura 2000-gebieden op grond van een ecologische beoordeling niet kunnen worden uitgesloten, kan alleen goedkeuring aan het project of een vergunning voor het project worden verleend indien de ADC-toets met succes doorlopen kan worden (artikel 2.8, vierde lid, Wnb). Dat betekent dat het project nodig is omwille van een dwingende reden van groot openbaar belang, er geen alternatief mag zijn met minder grote effecten op Natura 2000 en de nodige compenserende maatregelen worden getroffen. 2.1 Beoordelingskader stikstofdepositie Als gevolg van de uitspraak van de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State (hierna: ABRvS) d.d. 29 mei 2019 kan de generieke Passende Beoordeling die aan het Programma Aanpak Stikstof (hierna: PAS) ten grondslag lag, niet langer worden gebruikt voor toestemmingverlening voor activiteiten die stikstofdepositie veroorzaken op stikstofgevoelige Natura 2000-gebieden. Voor projecten waarvoor significante gevolgen door stikstofdepositie niet op voorhand zijn uit te sluiten, moet daarom een eigen ecologische beoordeling uitgevoerd worden.

Deze ecologische beoordeling moet duidelijkheid geven of stikstofeffecten van het project zelfstandig of in combinatie met andere plannen en projecten significante gevolgen hebben voor Natura 2000-gebieden. Dit moet beoordeeld worden aan de hand van de instandhoudingsdoelstellingen. Deze beoordeling is uitgevoerd aan de hand van de volgende vragen: · Wat is de kritische depositiewaarde van de habitat (KDW1)? · Wat is de maximale totale depositie op de habitat? · Hoe groot is het maximale projecteffect? · Wat is de huidige kwaliteit van de habitat? · Vormt stikstofdepositie een knelpunt voor het halen van de instandhoudingsdoelstelling? 1 De kritische depositiewaarde is de grenswaarde voor stikstofdepositie op kwetsbare natuur waarboven het risico

bestaat dat de kwaliteit van het habitat significant wordt aangetast door de verzurende en/of vermestende invloed van atmosferische stikstofdepositie (Van Dobben et al. (2012).

7 (56)

2021/24868

De huidige staat van instandhouding en de bestaande achtergronddepositie bepalen of stikstof een knelpunt vormt voor een habitattype of leefgebiedstype. Een onderschrijding van de (naderende) KDW maakt stikstof een beperkt tot geen knelpunt. Een goede staat van instandhouding bij een overschrijding van de KDW indiceert een lokale stikstofongevoeligheid. 2.2 Beoordeling cumulatieve effecten Conform de Wet natuurbescherming dient beoordeeld te worden of een project zelfstandig of in combinatie met andere plannen of projecten tot significante effecten kan leiden op instandhoudingsdoelen van een Natura 2000-gebied. In de praktijk (en de rechtspraak) ontstaan vaak discussies over de reikwijdte van de cumulatietoets. In eerdere uitspraken heeft de Afdeling bestuursrechtspraak dan ook verduidelijkt om welke ontwikkelingen het gaat. Enkele voorbeelden zijn de zaken ‘ABRvS 29 januari 2020, ECLI:NL:RVS:2020:301, (Wnb-vergunning Windpark Gooyum-Houw), r.o. 43.1, ABRvS 24 december 2019, ECLI:NL:RVS:2019:4448, (bestemmingsplan "Poortgebied Bergsche Heide en ontsluitingsweg"), r.o. 12-12.1) en ABRvS 22 april 2020 ECLI:NL:RVS:2020:1125’. Hieruit blijkt dat bij de cumulatietoets slechts rekening gehouden moet worden met andere projecten waarvoor een vergunning reeds is verleend, maar nog niet (of slechts ten dele) ten uitvoer is gelegd.

Projecten waarvoor een vergunning is vereist, maar nog niet is verleend worden beschouwd alsnog te ‘onzeker’ en hoeven in de cumulatietoets niet meegenomen te worden. Ditzelfde geldt voor projecten die reeds zijn uitgevoerd; waarbij de gedachte geldt dat de gevolgen van die activiteiten reeds in de huidige situatie zijn verdisconteerd. Voor de vraag of een project in de beoordeling moet worden betrokken is dus zowel van belang in welke fase van het besluitvormings- en uitvoeringsproces het project zich bevindt (vergunning verleend + niet/ten dele uitgevoerd) als de mogelijke effecten die ervan uit gaan (zie ook ABRvS 9 september 2015, ECLI:NL:RVS:2015:2848).

8 (56)

2021/24868

3

Ecologische beoordeling effecten stikstofdepositie

3.1 Ecologische effecten stikstofdepositie Stikstofdepositie bestaat in gereduceerde vorm (NH3, ammoniak) en geoxideerde vorm (stikstofoxide, NOx). Beide vormen van stikstof kunnen worden omgezet tot de nutriënten ammonium (NH4) en nitraat (NO3). De extra aanvoer van deze voedingsstoffen kan vooral bedreigend zijn voor voedselarme habitattypen. Door de verrijking kan de vegetatie verruigen en kunnen kenmerkende soorten van schrale milieus verdwijnen. Daarnaast kan depositie van stikstof en dan vooral depositie van ammoniak, leiden tot een daling van de bodem-pH. Door verzuring verdwijnen gevoelige soorten en neemt de soortenrijkdom en kwaliteit van zuurgevoelige habitattypen af. Ecologisch gezien zijn er geen aantoonbare verschillen in de kwaliteit van een habitat tussen depositieverschillen die kleiner zijn dan 1 kilogram per hectare per jaar. De kritische depositiewaarden heeft namelijk een onzekerheidsmarge van 1 kg (van Dobben et al. 2012). Een kg stikstofdepositie staat ongeveer gelijk aan een depositie van 70 mol. In experimentele studies zijn zelden negatieve effecten aangetoond na experimentele deposities van minder dan 5 kg N/ha/jr (350 mol N/ha/jr) en zeker niet bij stikstofgiften van minder dan 1 kg N/ha/jr (70 mol N/ha/jr) (Cunha et al. 2002). Van nature varieert de stikstofdepositie op habitattypen binnen en tussen jaren.

Door meteorologische omstandigheden van jaar tot jaar variaties in de depositie optreden in de orde van grootte van 10% (Velders et al. 2018). Bij de huidige gemiddelde landelijke achtergronddepositie van circa 1.700 mol N/ha/jr is de variatie zo’n 170 mol. Gevolgen door stikstof op een habitattype wordt over het algemeen veroorzaakt op basis van deposities over een langere periode. Gelet op de natuurlijk variatie in depositie kan stikstofdepositie op een bepaalde locatie niet met een grotere nauwkeurigheid dan op honderden molen/ ha/jaar of hele kilogrammen N/ha/jr vastgesteld worden. In de wetenschappelijke literatuur is het dan ook gebruikelijk om stikstofdepositie uit te drukken in kg/h/jr, waarbij de auteurs afronden op 1 kg (van Dobben et al. 2012, Krupa 2003, Cunha et al. 2002, Lilleskov et al. 2019). AERIUS rekenresultaten tot 0,01 mol/ha/jr reflecteren dan ook een theoretische nauwkeurigheid, die niet empirisch meetbaar is. Kleine tijdelijke deposities leiden niet tot meetbare veranderingen in groeisnelheid en vegetatiesamenstelling (Kleijberg 2020). De aanwezige habitattypen in Nederland produceren jaarlijks 2.000 – 6.000 kg droge stof. Voor deze biomassaproductie is gemiddeld 30 – 90 kg N/ha/jaar nodig circa 2.150 – 6.400 mol N/ha/jaar.

Dit betreft de totale aanvoer van stikstof, dus ook vanuit bronnen naast atmosferische depositie zoals via grond- en oppervlakte water, nalevering uit de bodem, mineralisatie van organisch materiaal en natuurlijke bemesting (via dieren of vee dat ingezet wordt bij natuurlijke begrazing). Een eenmalige depositie van 1 mol/ha/jaar komt overeen met 0,02 – 0,05% van de jaarlijks benodigde hoeveelheid stikstof voor natuurlijke habitats. Een deel hiervan zal uitspoelen naar het grondwater of uit de bodem verdwijnen door denitrificatie. Ook wanneer deze dosis volledig ter beschikking komt aan de vegetatie, leidt dit niet tot meetbare veranderingen in groeisnelheid van individuele planten, en daarmee tot veranderingen in concurrentiepositie (Kleijberg 2020). Samengevat is het duidelijk dat langdurige overschrijding van de kritische depositiewaarden negatieve gevolgen heeft voor kwaliteit en oppervlakte van habitattypen, maar dat dit niet geldt voor kleine tijdelijke stikstofdepositietoename. Tijdelijke projecteffecten van enkele honderdsten of tienden van molen per hectare hebben zeker geen meetbare of waarneembare ecologische effecten op stikstofgevoelige habitattypen en leefgebieden van

9 (56)

2021/24868

soorten. Voor dergelijke kleine tijdelijke stikstoftoenames zijn significante gevolgen voor Natura 2000-gebieden eigenlijk op voorhand uit te sluiten. 3.2 Kleine tijdelijke depositie door mobiele werktuigen Voor tijdelijke projecten met een kleine toename van de depositie kleiner dan of gelijk aan 0,05 mol N/ha/jaar over een periode van 2 jaar of een equivalent daarvan 2 in de aanlegfase kan beredeneerd worden dat negatieve gevolgen op stikstofgevoelige habitats op voorhand kunnen worden uitgesloten. In de aanlegfase worden mobiele werktuigen en ander materieel ingezet, die tijdelijk stikstofemissies veroorzaken. Dit materieel wordt, verspreid over Nederland, telkens opnieuw ingezet voor verschillende projecten. De emissies van dit materieel vormen daardoor bestaande emissiebronnen die al sinds de aanwijzing van de Natura 2000gebieden onderdeel uitmaken van de bestaande achtergronddepositie. Dit materieel veroorzaakt, ten opzichte van de totale achtergronddepositie, een minieme deken die, voor wat betreft de ruimtelijke verdeling, vrijwel constant is. De emissie veroorzaakt door dit materieel is bovendien in de loop van de tijd steeds lager geworden door het schoner worden van motoren en het toepassen van emissiereducerende technieken. De inzet van het materieel voor een project betreft in feite het telkens verschuiven van bestaande bronnen naar een nieuwe locatie.

Het inzetten van dit materieel op een nieuwe locatie kan op zichzelf tot een minieme lokale tijdelijke depositieverhoging leiden. Een dergelijke beperkte toename kan echter nooit van invloed zijn op de omvang en ruimtelijke verdeling van de totale depositiedeken als gevolg van de jaarlijkse inzet van al het zich in Nederland bevindende materieel. Daarmee kan een tijdelijke inzet van materieel geen negatieve gevolgen hebben op het behalen van de instandhoudingsdoelstellingen van stikstofgevoelige habitats of leefgebieden van Natura 2000-gebieden. Op grond van bovenstaande is het inmiddels de praktijk dat veel bevoegde gezagen, waaronder het ministerie van LNV, I&M en verschillende provincies, een Wnb-vergunning voor projecten met een dergelijk kleine toename niet nodig achten. Zij geven een positieve afwijzing bij een vergunningaanvraag. 3.3 Gebied- en projectspecifieke beoordeling Feitelijk kan reeds geconcludeerd worden dat ecologisch meetbare effecten als mede signicante gevolgen door aanleg van AVANT op voorhand zijn uit te sluiten.

In het Natura 2000-gebied Wormer- en Jisperveld & Kalverpolder is namelijk slechts sprake van een maximale tijdelijke depositietoename van 0,04 mol N/ha/jr, 0,03 mol N/ha/jr in Polder Westzaan, 0,01 mol N/ha/jr in Kennemerland-Zuid, 0,01 mol N/ha/jr in Noordhollands Duinreservaat, 0,01 mol N/ha/jr in Naardermeer, 0,01 mol N/ha/jr in Eilandspolder, 0,01 in mol N/ha/jr Oostelijke Vechtplassen en 0,01 mol N/ha/jr in Schoorlse Duinen. Alleen in Natura 2000-gebied Ilperveld, Varkensland, Oostzanerveld & Twiske is de maximale depositietoename 0,19 mol N/ha/jr, dus hoger dan 0,05 mol N/ha/jr. Ook deze tijdelijke toename is echter gering dat hier geen ecologische effecten van zijn te verwachten. In voorliggende ecologische beoordeling wordt echter niet zonder meer uitgegaan van een vooraf vastgestelde grenswaarde. Habitats met een maximaal berekend projecteffect > 0,00 mol N/ha/jr worden project- en gebiedsspecifiek beschouwd. Gekeken is of zich gebiedsspecifieke omstandigheden voordoen waaronder een dergelijke kleine toename aan 2 Dus bijvoorbeeld voor een toename van 0,1 mol N/hectare/jaar voor een periode van 1 jaar of een toename van

0,01 mol N/hectare/jaar voor een periode van 10 jaar.

10 (56)

2021/24868

stikstofdepositie alsnog zou kunnen leiden tot een in ecologische zin aantoonbaar verschil in de kwaliteit van een habitat en significante gevolgen kan hebben voor het halen van de instandhoudingsdoelen.

11 (56)

2021/24868

4

Effecten Ilperveld, Varkensland, Oostzanderveld & Twiske

4.1 Instandhoudingsdoelstellingen Het Ilperveld, Oostzanerveld en Varkensland vormen tesamen het grootste uitgeveende laagveencomplex ten noorden van Amsterdam. In het huidige karakter van het gebied wordt de langdurige invloed van brak water weerspiegeld, die echter in de laatste eeuw sterk verminderd is. De veenterreinen zijn van internationale betekenis vanwege het voorkomen van de prioritaire soort noordse woelmuis, veenmosbegroeiingen met gewone dophei en een naar verhouding grote oppervlakte aan overgang strooiselruigten en de soorten bittervoorn, grote modderkruiper, kleine modderkruiper, rivierdonderpad en meervleermuis. Belangrijk broedgebied voor broedvogels van rietmoerassen met veel waterriet en wat overjarig riet (roerdomp, bruine kiekendief, snor, rietzanger) en broedvogels van natte graslanden (kemphaan, watersnip) met kale, hoge, plekken langs oevers (visdief) (natura2000.nl). Het gebied is definitief aangewezen als Natura 2000-gebied op grond van zowel de Vogelrichtlijn als de Habitatrichtlijn. In het Natura 2000-aanwijzingsbesluit zijn instandhoudingsdoelstellingen geformuleerd voor vijf habitattypen (tabel 4.1). Het gebied is tevens aangewezen voor vijf habitatrichtlijnsoorten, zeven broedvogelsoorten en zes nietbroedvogelsoorten. Voor geen van deze soorten is stikstofdepositie een knelpunt in het gebied (Provincie Noord-Holland 2016a).

Effecten van het project AVANT op deze soorten vanwege stikstofdepositie zijn daarom op voorhand uitgesloten. Tabel 4.1. Instandhoudingsdoelstellingen habitattypen. > betekent uitbreiding; = betekent behoud. KDW=kritische depositiewaarde in mol N/ha/jr.

Habitattype H3140 - Kranswierwateren H91D0 - Hoogveenbossen H6430B - Ruigten en zomen H7140B - Overgangs- en trilvenen H4010B - Vochtige heiden

subtype

Oppervlakte

Kwaliteit

KDW3

harig wilgenroosje

> = =

= = =

veenmosrietlanden

>

=

2.143 1.786 Niet gevoelig 714

laagveengebied

>

=

786

4.2 Stikstofdepositie Uit de AERIUS berekening blijkt dat het project AVANT tijdens de aanlegfase zorgt voor een tijdelijke geringe depositietoename op vier habitattypen (tabel 4.2). Tijdens de gebruiksfase is er geen sprake van een depositietoename. Tabel 4.2. KDW=kritische depositiewaarde in mol N/ha/jr en hoogste bijdrage van project AVANT tijdens de aanlegfase.

Habitattype

subtype

KDW

Hoogste bijdrage AVANT

H7140B - Overgangs- en trilvenen H91D0 - Hoogveenbossen H4010B - Vochtige heiden H3140 - Kranswierwateren

veenmosrietlanden laagveengebied laagveen

714 1.786 789 2.143

0,19 0,18 0,16 0,06

3 De KDW-waardes zijn afkomstig uit Aerius en zijn de actuele waardes, maar kunnen afwijken van de waarden

zoals vermeld in het beheerplan.

12 (56)

2021/24868

4.3 Beoordeling effecten stikstofdepositie op habitattypen H7140B - Overgangs- en trilvenen (veenmosrietlanden) De instandhoudingsdoelstelling voor het habitattype is ‘uitbreiding van oppervlakte en behoud van kwaliteit’. Het Natura 2000 beheerplan meldt dat ontwikkelingen in het Wormeren Jisperveld, maar ook in Waterland-Oost, laten zien dat met de juiste beheermaatregelen het oppervlak aan H7140B ondanks de hoge depositie succesvol kan worden uitgebreid. In de huidige situatie is in het gebied ongeveer 50 ha4 veenmosrietland aanwezig. Hiervan heeft circa 70% een goede kwaliteit en 30% een matige kwaliteit (Provincie Noord-Holland, 2016, 2017). Sinds 2004 is de trend in dit Natura 2000-gebied licht negatief. Het gebied kent een stikstofdepositie die de KDW (714 mol N/ha/j) van het habitattype matig overschrijdt. Vanwege deze overschrijding zijn er verzurende en eutrofiërende effecten van stikstofdepositie, wat kan leiden tot versnelde successie (boomopslag). Uit de systeemanalyse uit het Natura 2000-beheerplan (Provincie Noord-Holland 2016a) komen echter geen dusdanige omstandigheden naar voren dat een tijdelijke depositietoename van maximaal 0,08 mol N/ha/jr ecologisch meetbare of waarneembare ecologische effecten zal hebben.

Duidelijk is dat het te voeren beheer en de slechte waterkwaliteit (hoge N en P belasting) primair verantwoordelijk zijn voor het al dan niet behalen van de instandhoudingsdoelstelling voor dit habitattype. De toevoer van stikstof via atmosferische depositie is hierbij ondergeschikt voor de voedselrijkdom van de bodem ter plaatse van het habitattype ten opzichte van de aanvoer vanuit het water. De tijdelijke geringe toename aan stikstofdepositie (maximaal 0,19 mol N/ha/jr) tijdens de aanlegfase heeft dan ook geen significante gevolgen voor het halen van de instandhoudingsdoelstelling (uitbreiding oppervlakte en behoud kwaliteit). H91D0 - Hoogveenbossen De instandhoudingsdoelstelling voor het habitattype is ‘behoud van oppervlakte en behoud van kwaliteit’. De huidige oppervlakte is ca. 14 ha. De kwaliteit in 57% van de oppervlakte is goed, 43% is van matige kwaliteit. De trend is positief. Er zijn geen stikstof gerelateerde knelpunten (Provincie Noord-Holland 2016a). Er is ook niet of nauwelijks sprake van overschrijding van de KDW (1.786 mol N/ha/jr) in het gebied. De tijdelijke depositie van maximaal 0,18 mol N/ha/jr zal dan ook geen ecologisch effect op het habitattype hebben en ook geen knelpunt vormen voor behoud van het oppervlakte en kwaliteit. Significante gevolgen voor het habitattype door aanleg van project AVANT zijn dan ook uitgesloten.

H4010B - Vochtige heiden De instandhoudingsdoelstelling voor het habitattype is ‘uitbreiding van oppervlakte en behoud van kwaliteit’. De huidige oppervlakte is slechts 1,2 ha. De kwaliteit is goed. Vochtige laagveenheiden ontwikkelen zich uit oudere veenmosrietlanden, onder invloed van het reguliere beheer van maaien in de nazomer of begin herfst (augustus/september) en het afvoeren van het maaisel. De KDW van H4010B is 786 mol N/ha/j. Er is sprake van een overbelasting. Dit zorgt voor versnelde opslag houtige gewassen (vooral zachte berk), toename van de exoot cranberry, vermindering soortenrijkdom (mossen en hogere planten) en moeizame successie uit H7140B. Door vermesting kunnen heidesoorten in de verdrukking komen en het oppervlakte afnemen. Verzuring zal niet zorgen voor oppervlakteverlies. Verzuring leidt doorgaans niet tot het verdwijnen van de heide. Veel van het huidig oppervlak aan heide dat in Midden Noord-Holland aanwezig is, was al aanwezig in de periode 1940 – 1945 en in de periode 1975 – 1985. Afgaande op de toegenomen heideoppervlakten in het Guisveld en Waterland-Oost, sinds respectievelijk 1980 en 1995, is nog steeds wel uitbreiding van 4 Het gerapporteerde areaal verschilt in de verschillende bronnen, daarom een afgerond gemiddelde genomen.

13 (56)

2021/24868

H4010B te verwachten bij een stikstofdepositie boven 1.000 mol N/ha/j (Provincie NoordHolland 2016a). Ook in het Wormer- en Jisperveld en het Ilperveld heeft, ondanks de hoge stikstofdepositie, op enkele bestaande locaties sinds 1983 – 1985 een bescheiden uitbreiding van het oppervlak plaatsgevonden (Aptroot 2010). De ontwikkeling van laagveenheide op nieuwe locaties gaat doorgaans traag. Dat heeft deels te maken met de geringe dispersiecapaciteit van de inheemse heidesoorten. Voorts is het aantal bronpopulaties met heidesoorten gering, wat de kans op vestiging en uitbreiding op nieuwe locaties bemoeilijkt (Provincie Noord-Holland 2016a). Dit knelpunt staat los van de stikstofdepositie. 

Hoewel stikstofdepositie negatieve invloed heeft op de kwaliteit is de kwaliteit nog steeds goed en de oppervlakte niet afgenomen. Uit de systeemanalyse uit het Natura 2000beheerplan (Provincie Noord-Holland 2016a) komen geen dusdanige omstandigheden naar voren dat een tijdelijke depositietoename van maximaal 0,16 mol N/ha/jr ecologisch meetbare of waarneembare ecologische effecten zal hebben. Er zal geen extra opslag van houtige gewassen of exoten plaatsvinden, vermindering van de soortenrijkdom of kwaliteitsverlies optreden. Ook op het oppervlakte of uitbreidingsmogelijkheid van het habitattype heeft een dergelijk geringe tijdelijke depositietoename geen effect. De conclusie is daarom dat de stikstofdepositie door aanleg van AVANT geen significante gevolgen heeft voor het habitattype. H3140 - Kranswierwateren De instandhoudingsdoelstelling voor het habitattype is ‘uitbreiding van oppervlakte en behoud van kwaliteit’. De huidige oppervlakte is ca. 8 ha. De kwaliteit is overwegend matig, slechts 1% is goed. De trend is negatief, maar er zijn geen stikstof gerelateerde knelpunten. Er is ook niet of nauwelijks sprake van overschrijding van de KDW (2.143 mol N/ha/jr) in het gebied. De afname in oppervlak wordt veroorzaakt door te weinig beschikbaarheid van helder water, waarbij licht tot op de bodem komt (Provincie Noord-Holland 2016a).

De tijdelijke depositie van maximaal 0,06 mol N/ha/jr maakt hierin geen verschil. Het zal geen ecologisch effect op het habitattype hebben en ook geen knelpunt vormen voor behoud van het oppervlakte en kwaliteit. Significante gevolgen voor het habitattype door aanleg van project AVANT zijn dan ook uitgesloten. 4.4 Conclusie Het geplande project AVANT leidt niet tot een zodanige toename aan stikstofdepositie dat hierdoor sprake is van ecologische effecten of significante gevolgen voor instandhoudingsdoelen van Natura 2000-gebied Ilperveld, Varkensland, Oostzanderveld & Twiske. Er zijn namelijk in Ilperveld, Varkensland, Oostzanderveld & Twiske geen zodanige omstandigheden dat een geringe toename aan stikstofdepositie in de range van 0,06 tot 0,19 mol N/ha/jr kan leiden tot een in ecologische zin aantoonbare aantasting van kwaliteit of oppervlakteverlies van de habitattypen en/of leefgebieden van kwalificerende soorten. Voor twee van de vier habitattypen waarop sprake is van een tijdelijke depositietoename vormt stikstofdepositie geen knelpunt. Voor de andere twee habitattypen is de huidige matige overbelasting van stikstofdepositie niet het belangrijkste knelpunt. Voor geen van de aangewezen soorten is stikstofdepositie een knelpunt voor het halen van de instandhoudingsdoelen.

14 (56)

2021/24868

5

Effecten Wormer en Jisperveld & Kalverpolder

5.1 Instandhoudingsdoelstellingen Het Wormer- en Jisperveld en de Kalverpolder zijn onderdelen van het brakke laagveengebied, dat zich in Noord-Holland heeft gevormd door verlanding onder invloed van brak water in petgaten; rietlandbeheer en begrazing hebben bij die ontwikkeling de vegetatiestructuur en de vestiging van vegetatie en fauna nader gestuurd. In het Vogelrichtlijngebied komt een groot areaal weide- en hooiland voor, dat een belangrijke bijdrage levert aan de betekenis als vogelgebied. Zeer belangrijk broedgebied voor broedvogels van natte graslanden (kemphaan) en belangrijk broedgebied voor broedvogels van rietmoerassen (roerdomp, rietzanger) (natura2000.nl). Het gebied is definitief aangewezen als Natura 2000-gebied op grond van zowel de Vogelrichtlijn als de Habitatrichtlijn. In het Natura 2000-aanwijzingsbesluit zijn instandhoudingsdoelstellingen geformuleerd voor vier habitattypen (tabel 5.1). Het gebied is tevens aangewezen voor vijf habitatrichtlijnsoorten, drie broedvogelsoorten en drie nietbroedvogelsoorten. Voor geen van deze soorten is stikstofdepositie een knelpunt in het gebied (Provincie Noord-Holland 2016b). Effecten van het project AVANT op deze soorten vanwege stikstofdepositie zijn daarom op voorhand uitgesloten. Tabel 5.1. Instandhoudingsdoelstellingen habitattypen. > betekent uitbreiding; = betekent behoud.

KDW=kritische depositiewaarde in mol N/ha/jr.

Habitattype

subtype

Oppervlakte

Kwaliteit

KDW

H7140B - Overgangs- en trilvenen H6430B - Ruigten en zomen

veenmosrietlanden

=

=

714

harig wilgenroosje

=

=

H91D0 - Hoogveenbossen H4010B - Vochtige heiden

laagveengebied

= >

= =

Niet gevoelig 1.786 786

5.2 Stikstofdepositie Uit de AERIUS berekening blijkt dat het project AVANT tijdens de aanlegfase zorgt voor een tijdelijke geringe depositietoename op drie habitattypen (tabel 5.2). Tijdens de gebruiksfase is er geen sprake van een depositietoename. Tabel 5.2. KDW=kritische depositiewaarde in mol N/ha/jr en hoogste bijdrage van project AVANT tijdens de aanlegfase.

Habitattype

subtype

KDW

Hoogste bijdrage AVANT

H7140B - Overgangs- en trilvenen H91D0 - Hoogveenbossen H4010B - Vochtige heiden

veenmosrietlanden laagveengebied

714 1.786 789

0,04 0,02 0,02

5.3 Beoordeling effecten stikstofdepositie op habitattypen H7140B - Overgangs- en trilvenen (veenmosrietlanden) De instandhoudingsdoelstelling voor het habitattype is ‘behoud van oppervlakte en behoud van kwaliteit’. Het Natura 2000 beheerplan (Provincie Noord-Holland 2016b) meldt dat ontwikkelingen in het Wormer- en Jisperveld, maar ook in Waterland-Oost, laten zien dat met de juiste beheermaatregelen het oppervlak aan H7140B ondanks de hoge depositie succesvol kan worden uitgebreid. In de huidige situatie is in het gebied 14,3 ha veenmosrietland aanwezig. Hiervan heeft ca. 65% een goede kwaliteit en 35% een matige

15 (56)

2021/24868

kwaliteit (Provincie Noord-Holland 2016b). De trend in dit Natura 2000-gebied verschilt per deelgebied. Zo is de trend in het Wormer- en Jisperveld met betrekking tot het oppervlak positief, maar in de Kalverpolder negatief. Plaatselijk is de kwaliteit achteruitgegaan. Het gebied kent een stikstofdepositie die de KDW (714 mol N/ha/j) van het habitattype matig overschrijdt. Vanwege deze overschrijding zijn er verzurende en eutrofiërende effecten van stikstofdepositie, wat kan leiden tot versnelde successie (boomopslag). (Provincie NoordHolland 2016b). Duidelijk is dat het te voeren beheer en de slechte waterkwaliteit (hoge N en P belasting) primair verantwoordelijk zijn voor het al dan niet behalen van de instandhoudingsdoelstelling voor dit habitattype. De toevoer van stikstof via atmosferische depositie is hierbij ondergeschikt voor de voedselrijkdom van de bodem ter plaatse van het habitattype ten opzichte van de aanvoer vanuit het water. De tijdelijke geringe toename aan stikstofdepositie (maximaal 0,04 mol N/ha/jr) tijdens de aanlegfase heeft dan ook geen significante gevolgen voor het halen van de instandhoudingsdoelstelling. H91D0 - Hoogveenbossen De instandhoudingsdoelstelling voor het habitattype is ‘behoud van oppervlakte en behoud van kwaliteit’. De huidige oppervlakte is 1,4 ha. De kwaliteit is van matige kwaliteit.

De trend met betrekking tot oppervlakte is negatief en voor de kwaliteit stabiel. Er zijn geen stikstof gerelateerde knelpunten (Provincie Noord-Holland 2016b). Er is ook niet of nauwelijks sprake van overschrijding van de KDW (1786 mol N/ha/jr) in het gebied. De tijdelijke depositie van maximaal 0,02 mol N/ha/jr zal dan ook geen ecologisch effect op het habitattype hebben en ook geen knelpunt vormen voor behoud van het oppervlakte en kwaliteit. Significante gevolgen voor het habitattype door aanleg van project AVANT zijn dan ook uitgesloten. H4010B - Vochtige heiden De instandhoudingsdoelstelling voor het habitattype is ‘uitbreiding van oppervlakte en behoud van kwaliteit’. De huidige oppervlakte is slechts 1,0 ha. De kwaliteit in 57% van de oppervlakte is goed, 43% is van matige kwaliteit. Vochtige laagveenheiden ontwikkelen zich uit oudere veenmosrietlanden, onder invloed van het reguliere beheer van maaien in de nazomer of begin herfst (augustus/september) en het afvoeren van het maaisel. De KDW van H4010B is 786 mol N/ha/j. Er is sprake van een overbelasting. Dit zorgt voor versnelde opslag houtige gewassen (vooral zachte berk), toename van de exoot cranberry, vermindering soortenrijkdom (mossen en hogere planten) en moeizame successie uit H7140B. Door vermesting kunnen heidesoorten in de verdrukking komen en het oppervlakte afnemen.

Verzuring zal niet zorgen voor oppervlakteverlies. Verzuring leidt doorgaans niet tot het verdwijnen van de heide. Afgaande op de toegenomen heideoppervlakten in het Guisveld en Waterland-Oost, sinds respectievelijk 1980 en 1995, is nog steeds wel uitbreiding van H4010B te verwachten bij een stikstofdepositie boven 1.000 mol N/ha/j (Provincie Noord-Holland 2016b). Ook in het Wormer- en Jisperveld en het Ilperveld heeft, ondanks de hoge stikstofdepositie, op enkele bestaande locaties sinds 1983 – 1985 een bescheiden uitbreiding van het oppervlak plaatsgevonden (Aptroot 2010). De ontwikkeling van laagveenheide op nieuwe locaties gaat doorgaans traag. Dat heeft deels te maken met de geringe dispersiecapaciteit van de inheemse heidesoorten. Voorts is het aantal bronpopulaties met heidesoorten gering, wat de kans op vestiging en uitbreiding op nieuwe locaties bemoeilijkt (Provincie Noord-Holland 2016b). Dit knelpunt staat los van de stikstofdepositie. Hoewel stikstofdepositie negatieve invloed heeft op de kwaliteit is de kwaliteit goed tot matig en de oppervlakte niet afgenomen. Uit de systeemanalyse uit het Natura 2000-beheerplan (Provincie Noord-Holland 2016b) komen geen dusdanige omstandigheden naar voren dat

16 (56)

2021/24868

een tijdelijke depositietoename van maximaal 0,02 mol N/ha/jr ecologisch meetbare of waarneembare ecologische effecten zal hebben. Er zal geen extra opslag van houtige gewassen of exoten plaatsvinden, vermindering van de soortenrijkdom of kwaliteitsverlies optreden. Ook op het oppervlakte of uitbreidingsmogelijkheid van het habitattype heeft een dergelijk geringe tijdelijke depositietoename geen effect. De conclusie is daarom dat de stikstofdepositie door aanleg van AVANT geen significante gevolgen heeft voor het habitattype. 5.4 Conclusie Het geplande project AVANT leidt niet tot een zodanige toename aan stikstofdepositie dat hierdoor sprake is van ecologische effecten of significante gevolgen voor instandhoudingsdoelen van Natura 2000-gebied Wormer- en Jisperveld & Kalverpolder. Er zijn namelijk in Wormer- en Jisperveld & Kalverpolder geen zodanige omstandigheden dat een geringe toename aan stikstofdepositie in de range van 0,02 tot 0,04 mol N/ha/jr kan leiden tot een in ecologische zin aantoonbare aantasting van kwaliteit of oppervlakteverlies van de habitattypen en/of leefgebieden van kwalificerende soorten. Voor twee van de drie habitattypen waarop sprake is van een tijdelijke depositietoename vormt stikstofdepositie geen knelpunt. Voor het andere habitattype is de huidige matige overbelasting van stikstofdepositie niet het belangrijkste knelpunt.

Voor geen van de aangewezen soorten is stikstofdepositie een knelpunt voor het halen van de instandhoudingsdoelen.

17 (56)

2021/24868

6

Effecten Polder Westzaan

6.1 Instandhoudingsdoelstellingen In de polder Westzaan komen verschillende stadia voor van brakke verlanding zoals de jonge stadia met ruwe bies. Het is een van de belangrijkste veenweidegebieden voor brakke ruigten met echt lepelblad en echte heemst en brakke graslanden. Naast jonge verlandingsstadia zijn ook bloemrijke veenmosrietlanden, veenmosrijke trilvenen en moerasheiden goed ontwikkeld. Door de ligging zijn er kansen het brakke karakter te behouden en te versterken. Het gebied is een kerngebied voor de noordse woelmuis (natura2000.nl). Het gebied is definitief aangewezen als Natura 2000-gebied op grond van de Habitatrichtlijn. In het Natura 2000-aanwijzingsbesluit zijn instandhoudingsdoelstellingen geformuleerd voor vier habitattypen (tabel 6.1). Het gebied is tevens aangewezen voor vier habitatrichtlijnsoorten. Voor geen van deze soorten is stikstofdepositie een knelpunt in het gebied (Provincie Noord-Holland 2016c). Effecten van het project AVANT op deze soorten vanwege stikstofdepositie zijn daarom op voorhand uitgesloten. Tabel 6.1. Instandhoudingsdoelstellingen habitattypen. > betekent uitbreiding; = betekent behoud. KDW=kritische depositiewaarde in mol N/ha/jr.

Habitattype

subtype

Oppervlakte

Kwaliteit

KDW

H7140B - Overgangs- en trilvenen H6430B - Ruigten en zomen

veenmosrietlanden

=

=

714

harig wilgenroosje

>

>

H91D0 - Hoogveenbossen H4010B - Vochtige heiden

laagveengebied

= >

= =

Niet gevoelig 1.786 786

6.2 Stikstofdepositie Uit de AERIUS berekening blijkt dat het project AVANT tijdens de aanlegfase zorgt voor een tijdelijke geringe depositietoename op drie habitattypen (tabel 6.1). Tijdens de gebruiksfase is er geen sprake van een depositietoename. Tabel 6.2. KDW=kritische depositiewaarde in mol N/ha/jr en hoogste bijdrage van project AVANT tijdens de aanlegfase.

Habitattype

subtype

KDW

Hoogste bijdrage AVANT

H7140B - Overgangs- en trilvenen H91D0 - Hoogveenbossen H4010B - Vochtige heiden

veenmosrietlanden laagveengebied

714 1.786 789

0,03 0,02 0,01

6.3 Beoordeling effecten stikstofdepositie op habitattypen H7140B - Overgangs- en trilvenen (veenmosrietlanden) De instandhoudingsdoelstelling voor het habitattype is ‘behoud van oppervlakte en behoud van kwaliteit’. In de huidige situatie is in het gebied 14,7 ha veenmosrietland aanwezig. Hiervan heeft circa 61% een goede kwaliteit en 39% een matige kwaliteit (Provincie NoordHolland 2016c). De trend in dit Natura 2000-gebied verschilt per deelgebied. Zo is de trend in het Guisveld met betrekking tot de kwaliteit positief, maar in de overige delen negatief. Het gebied kent een stikstofdepositie die de KDW (714 mol N/ha/j) van het habitattype matig tot sterk overschrijdt. Vanwege deze overschrijding zijn er verzurende en eutrofiërende effecten van stikstofdepositie, wat kan leiden tot versnelde successie (boomopslag). Uit de

18 (56)

2021/24868

systeemanalyse uit het Natura 2000-beheerplan (Provincie Noord-Holland 2016c) komen echter geen dusdanige omstandigheden naar voren dat een tijdelijke depositietoename van maximaal 0,01 mol N/ha/jr ecologisch meetbare of waarneembare ecologische effecten zal hebben. Duidelijk is dat het te voeren beheer en de slechte waterkwaliteit (hoge N en P belasting) primair verantwoordelijk zijn voor het al dan niet behalen van de instandhoudingsdoelstelling voor dit habitattype. De toevoer van stikstof via atmosferische depositie is hierbij ondergeschikt voor de voedselrijkdom van de bodem ter plaatse van het habitattype ten opzichte van de aanvoer vanuit het water. Op 7 september 2020 is met de heer A. van Dorp5 een veldbezoek in Polder Westzaan uitgevoerd waarbij het habitattype veenmosrietlanden is bezocht (zie figuur 6.1.). Doel van het veldbezoek was om een indruk te krijgen van de kwaliteit van het bezochte habitattype en de overige habitattypen en of dit overeenkomt met wat in het beheerplan is beschreven. De problemen die in het huidige beheerplan worden beschreven wordt bevestigd door het veldbezoek. Met name de aanwezigheid van de invasieve exoot appelbes wordt als een groot probleem ervaren.

De conclusie op basis van de systeemanalyse en het veldbezoek is dat de tijdelijke geringe toename aan stikstofdepositie (maximaal 0,03 mol N/ha/jr) tijdens de aanlegfase geen significante gevolgen heeft voor het halen van de instandhoudingsdoelstelling.

Figuur 6.1.

Van rechts naar links: impressie veenmosrietlanden in Polder Westzaan, veldbezoek veenmosrietlanden, appelbes en ronde zonnedauw.

5 De heer A. Van Dorp was ten tijde van het veldbezoek werkzaam bij Staatsbosbeheer als boswachter ecologie.

19 (56)

2021/24868

Vervolg figuur 6.1.

Van rechts naar links: kraaiheide en recent geplagd deel veenmosrietland.

H91D0 - Hoogveenbossen De instandhoudingsdoelstelling voor het habitattype is ‘behoud van oppervlakte en behoud van kwaliteit’. De huidige oppervlakte is 18 ha. Hiervan heeft ca. 87% een goede kwaliteit en 13% een matige kwaliteit. De trend met betrekking tot oppervlakte en kwaliteit is positief. Er zijn geen stikstof gerelateerde knelpunten (Provincie Noord-Holland 2016c). Er is ook niet of nauwelijks sprake van een overschrijding van de KDW (1786 mol N/ha/jr) in het gebied. De tijdelijke depositie van maximaal 0,02 mol N/ha/jr zal dan ook geen ecologisch effect op het habitattype hebben en ook geen knelpunt vormen voor behoud van het oppervlakte en kwaliteit. Significante gevolgen voor het habitattype door aanleg van project AVANT zijn dan ook uitgesloten. H4010B - Vochtige heiden De instandhoudingsdoelstelling voor het habitattype is ‘uitbreiding van oppervlakte en behoud van kwaliteit’. De huidige oppervlakte is slechts 0,58 ha. De kwaliteit is goed. Vochtige laagveenheiden ontwikkelen zich uit oudere veenmosrietlanden, onder invloed van het reguliere beheer van maaien in de nazomer of begin herfst (augustus/september) en het afvoeren van het maaisel. De KDW van H4010B is 786 mol N/ha/j. Er is sprake van een matige overbelasting.

Dit zorgt voor versnelde opslag houtige gewassen (vooral zachte berk), toename van de exoot cranberry, vermindering soortenrijkdom (mossen en hogere planten) en moeizame successie uit H7140B. Door vermesting kunnen heidesoorten in de verdrukking komen en het oppervlakte afnemen. Verzuring zal niet zorgen voor oppervlakteverlies. Verzuring leidt doorgaans niet tot het verdwijnen van de heide. Veel van het huidig oppervlak aan heide dat in Midden Noord-Holland aanwezig is, was al aanwezig in de periode 1940 – 1945 en in de periode 1975 – 1985. Afgaande op de toegenomen heideoppervlakten in het Guisveld en Waterland-Oost, sinds respectievelijk 1980 en 1995, is nog steeds wel uitbreiding van H4010B te verwachten bij een stikstofdepositie boven 1.000 mol N/ha/j (Provincie NoordHolland 2016c). Ook in het Polder Westzaan heeft, ondanks de hoge stikstofdepositie, op enkele bestaande locaties sinds 1983 – 1985 een bescheiden uitbreiding van het oppervlak plaatsgevonden (Aptroot 2010). De ontwikkeling van laagveenheide op nieuwe locaties gaat doorgaans traag. Dat heeft deels te maken met de geringe dispersiecapaciteit van de inheemse heidesoorten. Voorts is het aantal bronpopulaties met heidesoorten gering, wat de kans op vestiging en uitbreiding op nieuwe locaties bemoeilijkt (Provincie Noord-Holland 2016c). Dit knelpunt staat los van de stikstofdepositie.

Hoewel stikstofdepositie negatieve invloed heeft op de kwaliteit is de kwaliteit nog steeds goed en de oppervlakte niet afgenomen. Uit de systeemanalyse uit het Natura 2000beheerplan (Provincie Noord-Holland 2016c) komen geen dusdanige omstandigheden naar

20 (56)

2021/24868

voren dat een tijdelijke depositietoename van maximaal 0,02 mol N/ha/jr ecologisch meetbare of waarneembare ecologische effecten zal hebben. Er zal geen extra opslag van houtige gewassen of exoten plaatsvinden, vermindering van de soortenrijkdom of kwaliteitsverlies optreden. Ook op het oppervlakte of uitbreidingsmogelijkheid van het habitattype heeft een dergelijk geringe tijdelijke depositietoename geen effect. De conclusie is daarom dat de stikstofdepositie door aanleg van AVANT geen significante gevolgen heeft voor het habitattype. 6.4 Conclusie Het geplande project AVANT leidt niet tot een zodanige toename aan stikstofdepositie dat hierdoor sprake is van ecologische effecten of significante gevolgen voor instandhoudingsdoelen van Natura 2000-gebied Polder Westzaan. Er zijn namelijk in Polder Westzaan geen zodanige omstandigheden dat een geringe toename aan stikstofdepositie van 0,01 mol N/ha/jr kan leiden tot een in ecologische zin aantoonbare aantasting van kwaliteit of oppervlakteverlies van de habitattypen en/of leefgebieden van kwalificerende soorten. Voor twee van de drie habitattypen waarop sprake is van een tijdelijke depositietoename vormt stikstofdepositie geen knelpunt. Voor het andere habitattype is de huidige matige overbelasting van stikstofdepositie niet het belangrijkste knelpunt.

Voor geen van de aangewezen soorten is stikstofdepositie een knelpunt voor het halen van de instandhoudingsdoelen.

21 (56)

2021/24868

7

Effecten Kennemerland-Zuid

7.1 Instandhoudingsdoelstellingen Kennemerland-Zuid is een uitgestrekt duingebied aan de zuidkant van het Noordzeekanaal. Het is een reliëfrijk en landschappelijk afwisselend gebied, dat grotendeels bestaat uit kalkrijke duinen. De overgang tussen de kalkrijke jonge duinen en ontkalkte oude duinen ligt ter hoogte van Zandvoort. Dit levert een soortenrijke en kenmerkende begroeiing op, met duinroosvegetaties in het open duin, duingraslanden, vochtige en droge duinvalleien, plasjes, goed ontwikkelde struwelen en diverse vormen van duinbossen. Vegetaties van vochtige en natte duinvalleien komen met name voor ten zuiden van Zandvoort, waarvan het Houtglob het best ontwikkelde kalkrijke, natte duinvallei is. Het areaal kalkrijk duingrasland is vooral rondom Zandvoort groot. Hier komen over voorbeelden van het zeedorpenlandschap voor. De oudere duinen van het zuidoostelijk gedeelte herbergen goed ontwikkeld kalkarm duingrasland. Ook zijn er in het zuidelijke puntje en ter hoogte van Zandvoort paraboolduincomplexen aanwezig. Het Kennemerstrand is de enige locatie langs de Hollandse vastelandsduinen waar een jonge strandvlakte met embryonale duinen en een uitgestrekte oppervlakte met kalkrijke duinvalleien aanwezig is. Aan de binnenduinrand zijn diverse landgoederen aanwezig.

Hier zijn een aantal oude buitenplaatsen gelegen, die voor een aanzienlijk deel bebost zijn met naaldbos en loofbos, waaronder oude bossen met rijke stinzeflora. (natura2000.nl). Het gebied is definitief aangewezen als Natura 2000-gebied op grond van de Habitatrichtlijn. In het Natura 2000-aanwijzingsbesluit zijn instandhoudingsdoelstellingen geformuleerd voor zeventien habitattypen (tabel 7.1). Het gebied is tevens aangewezen voor vier habitatrichtlijnsoorten. Voor geen van deze soorten is stikstofdepositie een knelpunt in het gebied (Provincie Noord-Holland 2016d). Effecten van het project AVANT op deze soorten vanwege stikstofdepositie zijn daarom op voorhand uitgesloten. Zekerheidshalve is in paragraaf 7.3 nog wel het effect van stikstofdepositie op Lg12 (zoom, mantel en droog struweel van de duinen) beoordeeld. Dit is leefgebied van de aangewezen habitatrichtlijnsoort nauwe korfslak. De overige drie aangewezen habitatrichtlijnsoorten zijn niet afhankelijk van stikstofgevoelige leefgebieden. Tabel 7.1. Instandhoudingsdoelstellingen habitattypen. > betekent uitbreiding; = betekent behoud. KDW=kritische depositiewaarde in mol N/ha/jr.

Habitattype

subtype

Oppervlakte

Kwaliteit

KDW

H2110 - Embryonale duinen H2120 - Witte duinen H3120A - Grijze duinen H3120B - Grijze duinen H3120C - Grijze duinen H2150 - Duinheiden met struikhei H2160 - Duindoornstruwelen H2170 - Kruipwilgstruwelen H2180A - Duinbossen H2180B - Duinbossen H2180C - Duinbossen H2190A - Vochtige duinvalleien H2190B - Vochtige duinvalleien

kalkrijk kalkarm heischraal -

= > > = > =

= > > > > =

1.429 1.429 1.071 714 714 1.071

droog vochtig binnenduinrand open water

= (<) = (<) = = > >

= = = = > >

2.000 2.286 1.071 2.214 1.786 1.000

kalkrijk

>

>

1.429

22 (56)

2021/24868

H2190C - Vochtige duinvalleien H2190D - Vochtige duinvalleien H7210 - Galigaanmoerassen

ontkalkt

=

=

1.071

hoge moerasplanten -

>

>

=

=

niet gevoelig 1.571

7.2 Stikstofdepositie Uit de AERIUS berekening blijkt dat het project AVANT tijdens de aanlegfase zorgt voor een tijdelijke geringe depositietoename op drie habitattypen en een leefgebied (tabel 7.2). Tijdens de gebruiksfase is er geen sprake van een depositietoename. Tabel 7.2. KDW=kritische depositiewaarde in mol N/ha/jr en hoogste bijdrage van project AVANT tijdens de aanlegfase.

Habitattype

subtype

KDW

Hoogste bijdrage AVANT

H2180A - Duinbossen H2180C - Duinbossen H2130A - Grijze duinen H2160 - Duindoornstruwelen H2180B - Duinbossen H2130B - Grijze duinen H2120 - Witte duinen H2190A - Vochtige duinvalleien H2190B - Vochtige duinvalleien H2170 - Kruipwilgstruwelen H2190C - Vochtige duinvalleien H2190A - Vochtige duinvalleien H2150 - Duinvalleien met struikhei Lg12 - Zoom, mantel en droog struweel van de duinen

droog binnenduinrand kalkrijk vochtig kalkarm open water kalkrijk ontkalkt open water -

1.071 1.786 1.071 2.000 2.214 714 1.429 1.000 1.429 2.286 1.071 1.000 1.071 1.643

0,01 0,01 0,01 0,01 0,01 0,01 0,01 0,01 0,01 0,01 0,01 0,01 0,01 0,01

7.3 Beoordeling effecten stikstofdepositie op habitattypen H2180A - Duinbossen (droog) De instandhoudingsdoelstelling voor het habitattype is ‘behoud van oppervlakte en kwaliteit’. De huidige oppervlakte is ca. 1169 ha waarvan de kwaliteit goed is. De trend met betrekking tot oppervlakte is stabiel en die van de kwaliteit neemt af (Provincie Noord-Holland 2016d). Er is sprake van een overschrijding van de KDW (1.071 mol N/ha/jr) in nagenoeg het gehele gebied. Het belangrijkste knelpunt in de droge duinbossen is de aanwezigheid van exoten of andere habitatvreemde soorten in de ondergroei, vooral Amerikaanse vogelkers en populier. Stikstofdepositie versnelt de uitbreiding van deze soorten. In vrijwel het gehele gebied is sprake van (integrale) begrazing, met uitzondering van het merendeel van de Amsterdamse Waterleidingduinen. In dit deelgebied vormt te intensieve begrazing door damherten mogelijk ook een knelpunt. Doordat er veel damherten voorkomen treedt weinig verjonging op van het bos en gaan Amerikaanse vogelkers en esdoorn domineren. Over de vraag of aanwezigheid van esdoorn een probleem is bestaat discussie: mogelijk horen ze wel thuis in duinbossen en daarnaast kunnen ze een gunstige invloed uitoefenen op strooisel- en humuskwaliteit (herstelstrategie H2180C). Daarnaast vormen stikstofdepositie, onder andere leidend tot verzuring en verbraming belangrijke knelpunten.

Hoge stikstofrijkdom (al dan niet afkomstig van depositie) uit zich in bossen door een toename van nitrofiele soorten in de ondergroei, zoals brede stekelvaren, bochtige smeele, braam en grote brandnetel. Ook in Kennemerland-Zuid is een toename van deze soorten zichtbaar.

23 (56)

2021/24868

Als gevolg hiervan ontstaat een monotone ondergroei waarin kenmerkende soorten worden verdrongen (Provincie Noord-Holland 2016d). De tijdelijke depositie van maximaal 0,01 mol N/ha/jr zal dan ook geen ecologisch effect op het habitattype hebben en ook geen knelpunt vormen voor behoud van het oppervlakte en kwaliteit. Significante gevolgen voor het habitattype door aanleg van project AVANT zijn dan ook uitgesloten. H2180C - Duinbossen (binnenduinrand) De instandhoudingsdoelstelling voor het habitattype is ‘behoud van oppervlakte en kwaliteit’. De huidige oppervlakte is ca. 319 ha. De kwaliteit van de binnenduinrandbossen in Kennemerland-Zuid is gedeeltelijk goed. In de Noordduinen komen voornamelijk rompgemeenschappen Eiken-Beukenbos voor, die volgens het profieldocument als matige kwaliteit te boek staan. In de Amsterdamse Waterleidingduinen is de kwaliteit matig. Vanwege de grote aantallen stinzenplanten hebben een aantal kleine binnenduinrandbossen bij Heemstede en Haarlem een zeer hoge kwaliteit. De trend in de oppervlakte en kwaliteit is licht positief door veroudering van het bos (Provincie NoordHolland 2016d). Er is sprake van een matige overschrijding van de KDW (1.786 mol N/ha/jr) in een klein deel (8%) van het gebied. Het grootste knelpunt voor binnenduinrandbossen in Kennemerland-Zuid is de aanwezigheid van habitatvreemde soorten (o.a.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/10711172/1