CConstaterende datZaanstad
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage 7 Stikstofdepositie

Raadsvergadering 25 november 2021, gemeente ZaanstadBij agendapunt: Bp Aanpak verkeersdruk Thorbeckeweg31.521 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 3 van 4

In oudere, meer verzuurde veenmosrietlanden zijn de effecten van verzurende depositie door ammoniak nog groter. De tijdelijke depositie van maximaal 0,01 mol N/ha/jr is dermate gering en kortdurend dat dit geen verandering brengt in de verzuring van het habitattype of invloed kan hebben op de thans stabiele trend in oppervlakte en kwaliteit. Uit de systeemanalyse in het Natura 2000-

41 (56)

2021/24868

beheerplan komen geen omstandigheden naar voren waarom een dusdanig geringe tijdelijke toename in stikstofdepositie ecologische effecten kan hebben op veenmosrietlanden. Het project AVANT vormt daarom geen knelpunt voor behoud van oppervlakte en kwaliteit van H7140B in het Naardermeer. Significante gevolgen voor het habitattype door aanleg van project AVANT zijn dan ook uitgesloten. H3140 - Kranswierwateren (laagveengebieden) De instandhoudingsdoelstelling voor het habitattype is ‘behoud oppervlakte en kwaliteit’. De huidige oppervlakte is ca. 136 ha waarvan het merendeel (95%) van goede kwaliteit is. De trend in kwaliteit en oppervlak is positief (Provincie Noord-Holland 2016f). Er is geen sprake van een overschrijding van de KDW (2.143 mol N/ha/jr) in het gebied (Provincie NoordHolland 2016f). Er is dus geen knelpunt t.a.v. stikstofdepositie. De tijdelijke depositie van maximaal 0,01 mol N/ha/jr zal dan ook geen ecologisch effect op het habitattype hebben en ook geen knelpunt vormen voor behoud van oppervlakte en kwaliteit. Significante gevolgen voor het habitattype door aanleg van project AVANT zijn dan ook uitgesloten. H4010B - Vochtige heiden (laagveengebied) De instandhoudingsdoelstelling voor het habitattype is ‘behoud oppervlakte en kwaliteit’. De huidige oppervlakte is ca. 0,3 ha met een matige kwaliteit.

De trend in kwaliteit is negatief en oppervlak is stabiel (Provincie Noord-Holland 2016f). Er is sprake van een overschrijding van de KDW (786 mol N/ha/jr) in het gebied (Provincie Noord-Holland 2016f). Het habitattype is vatbaar voor verzuring, maar dit leidt doorgaans niet tot het verdwijnen van de heidesoorten. Uit Midden Noord-Holland is van een aantal standplaatsen met een hoge depositie (en fosfaatrijke oppervlaktewater) bekend, dat het heideoppervlak zich binnen 15 jaar met meer dan 100% kan uitbreiden. Hoewel sprake is van een overschrijding van de KDW zal de tijdelijke depositie van maximaal 0,01 mol N/ha/jr geen ecologisch effect op het habitattype hebben en ook geen knelpunt vormen voor behoud van oppervlakte en verbetering van kwaliteit. Significante gevolgen voor het habitattype door aanleg van project AVANT zijn dan ook uitgesloten. Lg05 -Grote-zeggenmoeras (leefgebied zeggekorfslak) In het Naardermeergebied werd de zeggekorfslak in 2007/8 op dertien plaatsen aangetroffen. De soort lijkt beperkt te zijn tot het zuidelijk deel van het gebied. Leefgebieden van zeggekorfslak komen langs de oostoever van de Wijde Blik over een traject van ca. 700 m vrij algemeen voor. Het leefgebied bestaat hier uit een open oevervegetatie met veel grote zeggen, waaronder oeverzegge en pluimzegge.

Voorts is de soort in lage aantallen aangetroffen langs sloten in moerasbossen ten zuiden van de Wijde Blik, ook hier in oeveren verlandingsvegetaties met grote zeggen. Direct ten noorden van de spoorlijn is tot nu toe slechts 1 locatie van een kleine populatie bekend, langs de uiterste zuidrand van het Grote Meer. Ook hier betreft het leefgebied een open verlandingsvegetatie met oeverzegge. Voor het behoud van de soort is het van belang dat de strook met oever- en pluimzegge tussen de schraalgraslanden en de Wijde Blik niet jaarlijks wordt gemaaid. Ten aanzien van de stikstofdepositie kan het volgende over het leefgebied worden gezegd. Het leefgebied wordt gevormd door plantengemeenschappen met oeverzegge, moeraszegge en scherpe zegge. Dit komt grotendeels overeen met de situatie in het Naardermeer, waar de soort vooral in zeggenmoeras langs de bosranden voorkomt . Deze locaties komen overeen met Lg 05 Grote-zeggenmoeras, waarvan de KDW 1.714 mol N bedraagt. Onder de huidgie omstandigheden vindt op 3 locaties een overschrijding van de KDW plaats. Uitgaande van de huidige verspreiding van de zeggekorfslak, is op maximaal 1,0 ha van het leefgebied een probleem te verwachten vanwege stikstofoverbelasting.

Op locaties waar zowel het leefgebied als de soort voorkomt, en waar de KDW wordt overschreden, zijn effecten van stikstofdepositie op de instandhoudingsdoestelling niet uit te sluiten. Op dit soort locaties is

42 (56)

2021/24868

te verwachten dat er versnelde bosvorming gaat optreden, waardoor kwaliteit en omvang van het leefgebied kan afnemen. Gedurende de periode 2015-2030 neemt de stikstofoverbelasting af, waardoor de effecten op termijn minder zullen worden. Omdat tot aan 2030 een beperkt oppervlak van het leefgebied een stikstofoverbelasting kent, blijven tot aan 2030 maatregelen nodig om negatieve effecten voldoende uit te kunnen sluiten (Provincie Noord-Holland 2016f). Hoewel sprake is van een overschrijding van de KDW en maatregelen nodig zijn om instandhoudingsdoelen voor het leefgebied te realiseren zal de tijdelijke depositie van maximaal 0,01 mol N/ha/jr geen ecologisch effect op het leefgebied hebben en ook geen knelpunt vormen. Significante gevolgen voor het Lg05 en de instandhoudingsdoelstelling van de zeggekorfslak door aanleg van project AVANT zijn dan ook uitgesloten. 9.4 Conclusie Het geplande project AVANT leidt niet tot een zodanige toename aan stikstofdepositie dat hierdoor sprake is van ecologische effecten of significante gevolgen voor instandhoudingsdoelen van Natura 2000-gebied Naardermeer.

Er zijn namelijk in Naardermeer geen zodanige omstandigheden dat een geringe toename aan stikstofdepositie van 0,01 mol N/ha/jr kan leiden tot een in ecologische zin aantoonbare aantasting van kwaliteit of oppervlakteverlies van de habitattypen en/of leefgebieden van kwalificerende soorten. Voor twee van de zeven habitattypen waarop sprake is van een tijdelijke depositietoename vormt stikstofdepositie geen knelpunt. Voor de andere habitattypen is de huidige (matige) overbelasting van stikstofdepositie niet het belangrijkste knelpunt. Voor geen van de aangewezen soorten is stikstofdepositie een knelpunt voor het halen van de instandhoudingsdoelen.

43 (56)

2021/24868

10

Effecten Eilandspolder

10.1 Instandhoudingsdoelstellingen De Eilandspolder is een oude polder met grasland, natuurlijk ontstane meertje en verlandingsvegetaties. Het gebied is van groot belang voor de noordse woelmuis en is van belang als vogelgebied. Er komen echter ook belangrijke verlandingsvegetaties voor. Van belang als broedgebied voor broedvogels van rietmoeras en rietruigte (rietzanger) (natura2000.nl). Het gebied is definitief aangewezen als Natura 2000-gebied op grond van zowel de Vogelrichtlijn als de Habitatrichtlijn. In het Natura 2000-aanwijzingsbesluit zijn instandhoudingsdoelstellingen geformuleerd voor twee habitattypen (tabel 10.1). Het gebied is tevens aangewezen voor drie habitatrichtlijnsoorten, een broedvogelsoort en zeven nietbroedvogelsoorten. Voor geen van deze soorten is stikstofdepositie een knelpunt in het gebied (Provincie Noord-Holland 2016g). Effecten van het project AVANT op deze soorten vanwege stikstofdepositie zijn daarom op voorhand uitgesloten. Tabel 10.1. Instandhoudingsdoelstellingen habitattypen. > betekent uitbreiding; = betekent behoud. KDW=kritische depositiewaarde in mol N/ha/jr.

Habitattype

subtype

Oppervlakte

Kwaliteit

KDW6

H6430B - Ruigten en zomen

harig wilgenroosje

=

=

H7140B - Overgangs- en trilvenen

veenmosrietlanden

=

=

Niet gevoelig 714

10.2 Stikstofdepositie Uit de AERIUS berekening blijkt dat het project AVANT tijdens de aanlegfase zorgt voor een tijdelijke geringe depositietoename op een habitattypen (tabel 10.2). Tijdens de gebruiksfase is er geen sprake van een depositietoename. Tabel 10.2. KDW=kritische depositiewaarde in mol N/ha/jr en hoogste bijdrage van project AVANT tijdens de aanlegfase.

Habitattype

subtype

KDW

Hoogste bijdrage AVANT

H7140B - Overgangs- en trilvenen

veenmosrietlanden

714

0,01

10.3 Beoordeling effecten stikstofdepositie op habitattypen H7140B - Overgangs- en trilvenen (veenmosrietlanden) De instandhoudingsdoelstelling voor het habitattype is ‘behoud van oppervlakte en behoud van kwaliteit’. Veenmosrietland is een tijdelijk stadium in de verlandingsreeks en kent daardoor een natuurlijke variatie in oppervlakte en kwaliteit. In de huidige situatie is 0,21 ha aan veenmosrietland aanwezig. Op grond van de vegetatiekenmerken is het te beschouwen als van goede kwaliteit. Veenmosrietland is in ons land in de loop van de twintigste eeuw sterk achteruitgegaan door verzuring, verdroging, eutrofiëring, verbossing en verzoeting. Verbossing treedt spontaan op wanneer het maaibeheer wordt gestaakt. In de periode 1994-2004 is het areaal bos in de laagveengebieden toegenomen en zijn veel perceelskernen van veenmosrietlanden veranderd in de richting van verdere dominantie door zuurminnende plantensoorten. In de Eilandspolder-Oost is het kleine oppervlak 6 De KDW-waardes zijn afkomstig uit Aerius en zijn de actuele waardes, maar kunnen afwijken van de waarden

zoals vermeld in het beheerplan.

44 (56)

2021/24868

veenmosrietland vooral het gevolg van niet adequaat beheer: sinds 1999 is veel oppervlak veenmosrietland verdwenen of omgezet in moerasruigten. Hierdoor is het aanwezige oppervlak sterk afgenomen tot kleine plekken met veenmosrietland (Provincie NoordHolland 2016g). Het gebied kent een stikstofdepositie die de KDW (714 mol N/ha/j) van het habitattype matig overschrijdt. Vanwege deze overschrijding zijn er verzurende en eutrofiërende effecten van stikstofdepositie, wat kan leiden tot versnelde successie (boomopslag) (Provincie Noord-Holland 2016g). Duidelijk is dat het te voeren beheer en de slechte waterkwaliteit (hoge N en P belasting) primair verantwoordelijk zijn voor het al dan niet behalen van de instandhoudingsdoelstelling voor dit habitattype. De toevoer van stikstof via atmosferische depositie is hierbij ondergeschikt voor de voedselrijkdom van de bodem ter plaatse van het habitattype ten opzichte van de aanvoer vanuit het water. De tijdelijke geringe toename aan stikstofdepositie (maximaal 0,01 mol N/ha/jr) tijdens de aanlegfase heeft dan ook geen significante gevolgen voor het halen van de instandhoudingsdoelstelling. 10.4 Conclusie Het geplande project AVANT leidt niet tot een zodanige toename aan stikstofdepositie dat hierdoor sprake is van ecologische effecten of significante gevolgen voor instandhoudingsdoelen van Natura 2000-gebied Eilandspolder.

Er zijn namelijk in Eilandspolder geen zodanige omstandigheden dat een geringe toename aan stikstofdepositie van 0,01 mol N/ha/jr kan leiden tot een in ecologische zin aantoonbare aantasting van kwaliteit of oppervlakteverlies van de habitattypen en/of leefgebieden van kwalificerende soorten. Voor een van de twee habitattypen waarop sprake is van een tijdelijke depositietoename vormt stikstofdepositie geen knelpunt. Voor het andere habitattype is de huidige matige overbelasting van stikstofdepositie niet het belangrijkste knelpunt. Voor geen van de aangewezen soorten is stikstofdepositie een knelpunt voor het halen van de instandhoudingsdoelen.

45 (56)

2021/24868

11

Effecten Oostelijke Vechtplassen

11.1 Instandhoudingsdoelstellingen De Oostelijke Vechtplassen bestaat uit een reeks van laagveengebieden tussen de Vecht en de oostrand van Utrechtse heuvelrug. In het gebied bevinden zich door turfwinning ontstane meren en plassen, meest met een zandondergrond, sommige aanzienlijk verdiept door zandwinning. De combinatie van rivierinvloeden en invloeden van het watersysteem van de zandgronden heeft een rijke schakering van typen van moeras en moerasvegetaties doen ontstaan. In het gebied zijn twee belangrijke gradiënten te onderscheiden: van noord naar zuid loopt een gradiënt van meer gesloten gebied (bos) naar meer open landschap (grasland, trilveen en rietland), terwijl van west naar oost een gradiënt is te zien van toenemende kwel (in petgaten en trilvenen).Belangrijk broedgebied voor broedvogels van rietmoerassen (Roerdomp, Purperreiger) en zeer belangrijk voor broedvogels van moerassen met veel waterriet en lange oeverlijnen (Woudaap, Grote karekiet). Ook van enig belang als broedgebied voor enkele andere moeras- en watervogels (Porseleinhoen, Zwarte stern, IJsvogel) (natura2000.nl) Het gebied is definitief aangewezen als Natura 2000-gebied op grond van zowel de Vogelrichtlijn als de Habitatrichtlijn. In het Natura 2000-aanwijzingsbesluit zijn instandhoudingsdoelstellingen geformuleerd voor tien habitattypen (tabel 11.1).

Het gebied is tevens aangewezen voor elf habitatrichtlijnsoorten, negen broedvogelsoorten en acht niet-broedvogelsoorten. Voor geen van deze soorten is stikstofdepositie een knelpunt in het gebied (Provincie Noord-Holland 2016h). Effecten van het project AVANT op deze soorten vanwege stikstofdepositie zijn daarom op voorhand uitgesloten. Tabel 11.1. Instandhoudingsdoelstellingen habitattypen. > betekent uitbreiding; = betekent behoud. KDW=kritische depositiewaarde in mol N/ha/jr.

Habitattype

subtype

Oppervlakte

Kwaliteit

KDW7

H3140 -Kranswierwateren H3150 -Meren met krabbenscheer en fontuinkruiden H4010B -Vochtige heiden H6410 -Blauwgraslanden H6430A -Ruigten en zomen

-

> >

> >

2.143 2.143

laagveengebied moerasspirea

= = =

= > =

H6430B -Ruigten en zomen

harig wilgenroosje

=

=

H7140A -Overgangs- en trilvenen H7140B - Overgangs- en trilvenen H7210 -Galigaanmoerassen H91D0 -Hoogveenbossen

trilvenen

>

>

786 1.071 niet gevoelig niet gevoelig 1.214

veenmosrietlanden

>

>

714

-

> =

> =

1.571 1.786

11.2 Stikstofdepositie Uit de AERIUS berekening blijkt dat het project AVANT tijdens de aanlegfase zorgt voor een tijdelijke geringe depositietoename op drie habitattypen (tabel 11.2). Tijdens de gebruiksfase is er geen sprake van een depositietoename. 7 De KDW-waardes zijn afkomstig uit Aerius en zijn de actuele waardes, maar kunnen afwijken van de waarden

zoals vermeld in het beheerplan.

46 (56)

2021/24868

Tabel 11.2. KDW=kritische depositiewaarde in mol N/ha/jr en hoogste bijdrage van project AVANT tijdens de aanlegfase.

Habitattype

subtype

KDW

Hoogste bijdrage AVANT

H3150 - Meren met krabbenscheer en fonteinkruiden (buiten afgesloten zeearmen) H91D0 - Hoogveenbossen H3140 - Kranswierwateren

-

2.143

0,01

-

1.786 2.143

0,01 0,01

11.3 Beoordeling effecten stikstofdepositie op habitattypen H3150 -Meren met krabbenscheer en fonteinkruiden (buiten afgesloten zeearmen) De instandhoudingsdoelstelling voor het habitattype is ‘uitbreiding oppervlakte en kwaliteit’. De huidige oppervlakte is ca. 642 ha waarvan het merendeel (ca. 60%) van een matige kwaliteit is. De trend in kwaliteit en oppervlak is stabiel tot negatief (Provincie Noord-Holland 2016h). Er is geen sprake van een overschrijding van de KDW (2.143 mol N/ha/jr) in het gebied (Provincie Noord-Holland 2016h). De tijdelijke depositie van maximaal 0,01 mol N/ha/jr zal dan ook geen ecologisch effect op het habitattype hebben en ook geen knelpunt vormen voor uitbreiding van oppervlakte en kwaliteit. Significante gevolgen voor het habitattype door aanleg van project AVANT zijn dan ook uitgesloten. H91D0 - Hoogveenbossen De instandhoudingsdoelstelling voor het habitattype is ‘behoud oppervlakte en kwaliteit’. De huidige oppervlakte is ca. 395 ha met zowel een matige als goed kwaliteit. De trend in kwaliteit en oppervlak is onbekend (Provincie Noord-Holland 2016h). Er is sprake van een overschrijding van de KDW (1.786 mol N/ha/jr) in het gebied (Provincie Noord-Holland 2016h). Langs de randen het gebied zijn effecten van eutrofiëring te verwachten op locaties waar de stikstofdepositie het hoogst is.

Het zal hier vooral gaan om vergrassing door pijpenstrootje (Moliniacaerulea) en/of toename van stikstofminnende struiken als bramen (Rubus) en appelbes (Aronia x prunifolia). In tegenstelling tot het Naardermeer komen in het Oostelijk Vechtplassengebied vooral kleine, geïsoleerde oppervlakten voor van het habitattype. Deze kleine bosoppervlakten zijn gevoeliger voor randeffecten als verdroging (vanuit het naastliggende gebied, met name mineralisatie en oxidatie van het veen) en vooral eutrofiëring door indringend voedselrijk oppervlaktewater. Verhoogde concentraties van stikstof en fosfaat in het oppervlaktewater kunnen leiden tot een toename van grassen, bramen en appelbes. Deze vergrassing of ‘verstruiking’ treedt vooral langs de randen van het hoogveenbos op, in een zone die het meest wordt beïnvloed door voedselrijk oppervlaktewater. Bij verdroging kan zelfs het gehele bosoppervlak vergrassen en met een ondergroei van bramen bedekt raken. Effecten van verdroging en vermesting via het oppervlaktewater zullen in kleine bosoppervlakten nauwelijks te onderscheiden zijn van eutrofiëringseffecten veroorzaakt door stikstofdepositie. Bij kleine oppervlakten zullen effecten als verdroging en vermesting via het oppervlaktewater een grotere invloed op de kwaliteit hebben dan de vermestende effecten van stikstofdepositie.

Op locaties met veenmosrijk berkenbroek leidt verruiging van de ondergroei met pijpenstrootje, braam en appelbes tot een afname van de kwaliteit. Op locaties waar Braam-Berkenbroek voorkomt zijn daarentegen weinig extra effecten te verwachten. De kans dat hier op termijn ook veenmosvorming ontstaat wordt bij eutrofiëringseffecten echter als gering ingeschat. Op verdroogde locaties is eveneens een zeer stabiel Braam-Berkenbroek te verwachten (Provincie Noord-Holland 2016h). Omdat de KDW tot aan 2030 plaatselijk wordt overschreden, zijn effecten van stikstofdepositie op de instandhoudingsdoelstelling van het habitattype lokaal niet helemaal uit te sluiten. Op deze locaties betreffen het vooral effecten die de kwaliteit van het habitattype kunnen aantasten (afname veenmosoppervlak). Effecten

47 (56)

2021/24868

t.a.v. het oppervlak worden niet verwacht, waardoor behoud van oppervlak geborgd is. Op de oppervlakten waar de KDW permanent wordt overschreden is in de veenmosrijke broekbossen behoud van kwaliteit op de lange termijn alleen met zekerheid te garanderen als er maatregelen worden genomen die de waterkwaliteit verbeteren (Provincie NoordHolland 2016h). De tijdelijke depositie van maximaal 0,01 mol N/ha/jr zal dan ook geen ecologisch effect op het habitattype hebben en ook geen knelpunt vormen voor behoud van oppervlakte en verbetering van kwaliteit. Significante gevolgen voor het habitattype door aanleg van project AVANT zijn dan ook uitgesloten. H3140 - Kranswierwateren De instandhoudingsdoelstelling voor het habitattype is ‘uitbreiding oppervlakte en kwaliteit’. De huidige oppervlakte is ca. 154 ha waarvan het merendeel (ca. 60%) van een matige kwaliteit is. De trend in kwaliteit en oppervlak varieert per deelgebied. Zo is er een toename in gegraven petgaten, een sterke afname in het Hol en de Tienhovense Plassen en een afname in Hollands Ankeveense Plassen (Provincie Noord-Holland 2016h). Er is geen sprake van een overschrijding van de KDW (2.143 mol N/ha/jr) in het gebied (Provincie Noord-Holland 2016h).

De tijdelijke depositie van maximaal 0,01 mol N/ha/jr zal dan ook geen ecologisch effect op het habitattype hebben en ook geen knelpunt vormen voor uitbreiding van oppervlakte en kwaliteit. Significante gevolgen voor het habitattype door aanleg van project AVANT zijn dan ook uitgesloten. 11.4 Conclusie Het geplande project AVANT leidt niet tot een zodanige toename aan stikstofdepositie dat hierdoor sprake is van ecologische effecten of significante gevolgen voor instandhoudingsdoelen van Natura 2000-gebied Oostelijke Vechtplassen. Er zijn namelijk in Oostelijke Vechtplassen geen zodanige omstandigheden dat een geringe toename aan stikstofdepositie van 0,01 mol N/ha/jr kan leiden tot een in ecologische zin aantoonbare aantasting van kwaliteit of oppervlakteverlies van de habitattypen en/of leefgebieden van kwalificerende soorten. Voor twee van de drie habitattypen waarop sprake is van een tijdelijke depositietoename vormt stikstofdepositie geen knelpunt. Voor het andere habitattype (Hoogveenbossen) is de huidige overbelasting van stikstofdepositie niet het belangrijkste knelpunt. Voor geen van de aangewezen soorten is stikstofdepositie een knelpunt voor het halen van de instandhoudingsdoelen.

48 (56)

2021/24868

12

Effecten Schoorlse Duinen

12.1 Instandhoudingsdoelstellingen Het gebied Schoorlse Duinen beslaat een strook kalkarme (en plaatselijk kalkrijkere) duinen die ligt tussen Bergen en de Hondsbossche Zeewering. Hier bevinden zich de hoogste duinen van ons land, tot maximaal 58 m boven zeeniveau.Het is een gevarieerd en uitgestrekt duinlandschap dat reliëfrijk en landschappelijk zeer afwisselend is. In het westen liggen lagere zeereepduinen, gevolgd door een sterk geaccidenteerd landschap met uitgestrekte valleicomplexen, die over een grote oppervlakte zijn begroeid met dophei- en kraaiheivegetatie. De binnenduinrand is vrijwel geheel bebost. Een deel van deze bossen zijn oude loofbossen, een ander deel bestaat uit naaldbossen, die gezien de ouderdom en het lokaal voorkomen van zeldzame planten grote natuurwaarde hebben. In het zuidelijk deel lopen de boscomplexen door tot aan het buitenduin. In 1997 is ter hoogte van de Parnassiavallei een kerf aangebracht in de 100-150 m brede zeereep om zeewaterinvloed tot in de binnenduinen terug te brengen (natura2000.nl) Het gebied is definitief aangewezen als Natura 2000-gebied op grond van de Habitatrichtlijn. In het Natura 2000-aanwijzingsbesluit zijn instandhoudingsdoelstellingen geformuleerd voor vijftien habitattypen (tabel 12.1) (Provincie Noord-Holland 2016i). Tabel 12.1. Instandhoudingsdoelstellingen habitattypen. > betekent uitbreiding; = betekent behoud.

KDW=kritische depositiewaarde in mol N/ha/jr.

Habitattype

subtype

Oppervlakte

Kwaliteit

KDW8

H2110 - Embryonale duinen H2120 - Witte duinen H2130A - Grijze duinen H2130B - Grijze duinen H2140A - Duinheiden met kraaihei H2140B - Duinheiden met kraaihei H2150 - Duinheide met struikhei H2160 - Duindoornstruwelen H2170 - Kruipwilgstruwelen H2180A - Duinbossen H2180B - Duinbossen H2180C - Duinbossen H2190A - Vochtige duinvalleien H2190C - Vochtige duinvalleien H3260A - Beken en rivieren met waterplanten

kalkrijk kalkarm vochtig

> > = > =(<)

= > = > >

1.429 1.429 1.071 714 1.071

droog

=

>

1.071

droog

=

=

1.071

droog vochtig binnenduinrand open water

= = > = = =

= = > = = =

2.000 2.286 1.071 2.214 1.786 1.000

ontkalkt

>

>

1.071

waterranonkels

>

>

niet gevoelig

12.2 Stikstofdepositie Uit de AERIUS berekening blijkt dat het project AVANT tijdens de aanlegfase zorgt voor een tijdelijke geringe depositietoename op drie habitattypen (tabel 12.2). Tijdens de gebruiksfase is er geen sprake van een depositietoename. 8 De KDW-waardes zijn afkomstig uit Aerius en zijn de actuele waardes, maar kunnen afwijken van de waarden

zoals vermeld in het beheerplan.

49 (56)

2021/24868

Tabel 12.2. KDW=kritische depositiewaarde in mol N/ha/jr en hoogste bijdrage van project AVANT tijdens de aanlegfase.

Habitattype

subtype

KDW

Hoogste bijdrage AVANT

H2130B - Grijze duinen H2180A - Duinbossen H2180C - Duinbossen

kalkarm droog binnenduinrand

1.071 1.071 1.786

0,01 0,01 0,01

12.3 Beoordeling effecten stikstofdepositie op habitattypen H2130B - Grijze duinen (kalkarm) De instandhoudingsdoelstelling voor het habitattype is ‘uitbreiding oppervlakte en verbetering kwaliteit’. De huidige oppervlakte is ca. 103 ha waarvan het merendeel (ca. 60%) van een matige kwaliteit is. De trend in kwaliteit en oppervlak is onbekend (Provincie Noord-Holland 20161). Er is sprake van een overschrijding van de KDW (1.071 mol N/ha/jr) in het gebied (Provincie Noord-Holland 2016i). Voor het habitattype is de versnelde opslag en vergrote beschikbaarheid van voedingsstoffen een knelpunt. De meest grootschalige vastlegging van de duinen vanaf de vorige eeuwwisseling heeft plaatsgevonden in het oude secundair verstoven duincomplex waar dit habitattype van nature het best tot z'n recht komt. Binnen het kalkarme Waddendistrict zijn deze relatief oude duinen al sterk uitgeloogd. Daarom heeft de hoge stikstofdepositie hier de grootste effecten gehad. Alle kalkarme duingraslanden lijken gevoelig voor hoge stikstofdepositie. De benutting van een hoge stikstofdepositie door de vegetatie is niet in alle gebieden hetzelfde, maar is afhankelijk van o.a. pH, de fosfaatbeschikbaarheid en organische stof in de bodem. Fosfaat wordt gebonden in calcium of ijzerfosfaat.

In het Waddendistrict waartoe Schoorl behoort, en waar ijzergehalten sowieso laag zijn, is ijzer ook in jonge bodems alleen in organische vorm aanwezig, en is de P-binding dus altijd zwak. Fosfaat is hier vrijwel altijd beschikbaar. De hoeveelheid N beperkt hier de mate van opname van nutriënten. Dit type duingraslanden is daarom van nature door stikstof gelimiteerd, wat het gevoelig maakt voor verhoogde stikstofdepositie (Provincie Noord-Holland 2016i). Duurzaam herstel van kalkarme grijze duinen is vooral op deze locaties lastig, enerzijds vanwege de hoge depositie, anderzijds door de landschapsecologische positie aan de binnenduinrand waardoor de natuurlijke dynamiek ontbreekt of sterk is gedempt. Erosie door recreatief medegebruik leiden tot ontwikkeling van veelal minder goed verzadigde gemeenschappen. Door de reductie van stikstofdepositie in het middenduin, kunnen op grotere oppervlakten die momenteel niet kwalificeren maar wel in de landschapsecologische zone voor grijze duinen liggen, zich weer kwalificerende vegetaties ontwikkelen. Daarnaast zal een deel van de vegetaties van het kalkrijkere subtype (H2130A) zich ontwikkelen tot het kalkarmere subtype via natuurlijke successie (Provincie Noord-Holland 2016i).

De tijdelijke depositie van maximaal 0,01 mol N/ha/jr zal dan ook geen ecologisch effect op het habitattype hebben en ook geen knelpunt vormen voor behoud van oppervlakte en kwaliteit. Significante gevolgen voor het habitattype door aanleg van project AVANT zijn dan ook uitgesloten. H2180A - Duinbossen (droog) De instandhoudingsdoelstelling voor het habitattype is ‘uitbreiding oppervlakte en kwaliteit’. Er is sprake van een overschrijding van de KDW (1.071 mol N/ha/jr) in het gebied (Provincie Noord-Holland 2016i). De huidige oppervlakte is ca. 236 ha waarvan het merendeel (ca. 60%) van een matige kwaliteit is. Over het geheel genomen is de kwaliteit van het habitattype H2180A lang niet optimaal. De Dit betekent dat de staat van instandhouding gunstig is (Provincie Noord-Holland 2016). De tijdelijke depositie van maximaal 0,01 mol N/ha/jr zal dan ook geen ecologisch effect op het habitattype hebben en ook geen knelpunt vormen voor behoud van oppervlakte en kwaliteit. Significante gevolgen voor het habitattype door aanleg van project AVANT zijn dan ook uitgesloten.

50 (56)

2021/24868

H2180C - Duinbossen (binnenduinrand) Voor het habitattype is geconstateerd dat er geen sprake is van overschrijding van de KDW (1.786 mol N/ha/jr). De tijdelijke depositie van maximaal 0,01 mol N/ha/jr zal dan ook geen ecologisch effect op het habitattype hebben en ook geen knelpunt vormen voor uitbreiding van oppervlakte en kwaliteit. Significante gevolgen voor het habitattype door aanleg van project AVANT zijn dan ook uitgesloten. 12.4 Conclusie Het geplande project AVANT leidt niet tot een zodanige toename aan stikstofdepositie dat hierdoor sprake is van ecologische effecten of significante gevolgen voor instandhoudingsdoelen van Natura 2000-gebied Schoorlse Duinen. Er zijn namelijk in Schoorlse Duinen geen zodanige omstandigheden dat een geringe toename aan stikstofdepositie van 0,01 mol N/ha/jr kan leiden tot een in ecologische zin aantoonbare aantasting van kwaliteit of oppervlakteverlies van de habitattypen en/of leefgebieden van kwalificerende soorten. Voor een van de drie habitattypen waarop sprake is van een tijdelijke depositietoename vormt stikstofdepositie geen knelpunt. Voor de andere habitattypen is de huidige overbelasting van stikstofdepositie niet het belangrijkste knelpunt.

51 (56)

2021/24868

13

Cumulatie van effecten

Dit hoofdstuk gaat in op de toetsing van mogelijke cumulatieve effecten van stikstof op de drie Natura 2000-gebieden waarop project AVANT zorgt voor een tijdelijke geringe toename aan stikstofdepositie. Cumulatie van stikstof kan ontstaan op habitattypen en/of leefgebieden binnen een Natura 2000-gebied. Het beoordelingskader voor cumulatie is beschreven in paragraaf 2.3. Sinds 29 mei 2019 zijn slechts een beperkt aantal vergunningen verleend voor projecten, waarbij sprake is van een toename aan stikstofdepositie. Dit heeft te maken met het feit dat de vergunningverlening rond projecten lange tijd stil heeft gelegen, in afwachting van de uitspraak van de ABRvS inzake het PAS. Vergunningsaanvragen zijn daarom tot recent veelal aangehouden of afgewezen. Uit onze inventarisatie is één Wnb vergunning naar voren gekomen waarmee een (tijdelijke) toename aan stikstofdepositie wordt toegestaan op een van de drie Natura 2000-gebieden. Het betreft project Vollers Hoogtij, waarbij sprake is van een tijdelijke toename aan stikstofdepositie van maximaal 0,04 mol N/ha/jr op Natura 2000-gebied Polder Westzaan. Ons is dus niet gebleken dat er andere projecten zijn die zijn vergund maar nog niet zijn uitgevoerd in de omgeving van project AVANT, welke tot cumulatie van effecten kan leiden.

Overige Wnb-vergunningen die zijn afgegeven voor een van de drie natura 2000-gebieden hebben namelijk betrekking op projecten die (per saldo) niet tot een toename aan stikstofdepositie leiden. Tabel 13.1 Maximale depositietoename (mol N/ha/jr) van project Vollers Hoogtij op de drie Natura 2000-gebied. De informatie is afkomstig uit het besluit en de AERIUS bijlage gepubliceerd op ODNH.nl. Project Vollers Hoogtij (Bulkopslag Cacao Westzaan)

Datum vergunning 01-04-2020

Ilperveld

Jisperveld

Polder Westzaan

0,00

0,00

0,04 op H7140B

Project Vollers Hoogtij zal naar alle waarschijnlijkheid niet tegelijkertijd worden uitgevoerd als project AVANT en ook niet op exact dezelfde locaties tot toename aan stikstofdepositie leiden. Van cumulatie van stikstofdepositie zal dan ook waarschijnlijk geen sprake zijn. Als de depositie toch op dezelfde locatie zou plaatsvinden dan zou project AVANT in combinatie met project Vollers Hoogtij tijdens de aanlegfase een maximale tijdelijke toename hebben van 0,07 mol N/ha/jr op habitattype H7140B - Overgangs- en trilvenen. Op zowel H91D0 - Hoogveenbossen als op H4010B - Vochtige heiden heeft project Vollers Hoogtij een maximaal projecteffect van 0,01 mol N/ha/jr tijdens de aanlegfase, blijkt uit de AERIUS Bijlage van het project. In combinatie met project AVANT zou de maximale tijdelijke toename op habitattype H91D0 - Hoogveenbossen 0,04 mol N/ha/jr en H4010B Vochtige heiden 0,042 mol N/ha/jr kunnen zijn. In de effectbeoordeling maakt een eventuele cumulatie met project Vollers Hoogtij geen verschil in de conclusies. Dit is hieronder per habitattype toegelicht. Cumulatieve effectbeoordeling H7140B - Overgangs- en trilvenen Uit de systeemanalyse uit het Natura 2000-beheerplan komen echter geen dusdanige omstandigheden naar voren dat een tijdelijke cumulatieve depositietoename van maximaal

52 (56)

2021/24868

0,07 mol N/ha/jr ecologisch meetbare of waarneembare ecologische effecten zal hebben. Duidelijk is dat het te voeren beheer en de slechte waterkwaliteit (hoge stikstof en fosfaat belasting) primair verantwoordelijk zijn voor het al dan niet behalen van de instandhoudingsdoelstelling voor dit habitattype. De toevoer van stikstof via atmosferische depositie is hierbij ondergeschikt voor de voedselrijkdom van de bodem ter plaatse van het habitattype ten opzichte van de aanvoer vanuit het water. De tijdelijke geringe cumulatieve toename aan stikstofdepositie (maximaal 0,07 mol N/ha/jr) tijdens de aanlegfase heeft dan ook geen significante gevolgen voor het halen van de instandhoudingsdoelstelling. Cumulatieve effectbeoordeling H91D0 - Hoogveenbossen De instandhoudingsdoelstelling voor het habitattype is ‘behoud van oppervlakte en behoud van kwaliteit’. De huidige oppervlakte is 18 ha. Hiervan heeft ca. 87% een goede kwaliteit en 13% een matige kwaliteit, De trend met betrekking tot oppervlakte en kwaliteit is positief. Er zijn geen stikstof gerelateerde knelpunten (Provincie Noord-Holland 2016c). Er is ook niet of nauwelijks sprake van een overschrijding van de KDW (1.786 mol N/ha/jr) in het gebied.

De tijdelijke gecumuleerde depositie van maximaal 0,04 mol N/ha/jr zal dan ook geen ecologisch effect op het habitattype hebben en ook geen knelpunt vormen voor behoud van het oppervlakte en kwaliteit. Significante gevolgen voor het habitattype door aanleg van project AVANT zijn dan ook uitgesloten. Cumulatieve effectbeoordeling H4010B - Vochtige heiden Hoewel stikstofdepositie negatieve invloed heeft op de kwaliteit is de kwaliteit nog steeds goed en de oppervlakte niet afgenomen. Uit de systeemanalyse uit het Natura 2000beheerplan (Provincie Noord-Holland 2016c) komen geen dusdanige omstandigheden naar voren dat een tijdelijke gecumuleerde depositietoename van maximaal 0,02 mol N/ha/jr ecologisch meetbare of waarneembare ecologische effecten zal hebben. Er zal geen extra opslag van houtige gewassen of exoten plaatsvinden, vermindering van de soortenrijkdom of kwaliteitsverlies optreden. Ook op het oppervlakte of uitbreidingsmogelijkheid van het habitattype heeft een dergelijk geringe tijdelijke depositietoename geen effect. De conclusie is daarom dat de stikstofdepositie door aanleg van AVANT geen significante gevolgen heeft voor het habitattype.

53 (56)

2021/24868

14

Conclusie

14.1 Conclusies per Natura 2000-gebied Op basis van de uitgevoerde ecologische beoordeling zijn de conclusies: Ilperveld, Varkensland, Oostzanderveld & Twiske In het Ilperveld, Varkensland, Oostzanderveld & Twiske zijn geen zodanige omstandigheden dat een geringe toename aan stikstofdepositie in de range van 0,06 tot 0,19 mol N/ha/jr kan leiden tot een in ecologische zin aantoonbare aantasting van kwaliteit of oppervlakteverlies van de habitattypen en/of leefgebieden van kwalificerende soorten. Voor twee van de vier habitattypen waarop sprake is van tijdelijke depositietoename vormt stikstofdepositie geen knelpunt. Voor de andere twee habitattypen is de huidige matige overbelasting van stikstofdepositie niet het belangrijkste knelpunt. Voor geen van de aangewezen soorten is stikstofdepositie een knelpunt voor het halen van de instandhoudingsdoelen. Wormer en Jisperveld & Kalverpolder In het Wormer en Jisperveld & Kalverpolder zijn geen zodanige omstandigheden dat een geringe toename aan stikstofdepositie in de range van 0,02 tot 0,04 mol N/ha/jr kan leiden tot een in ecologische zin aantoonbare aantasting van kwaliteit of oppervlakteverlies van de habitattypen en/of leefgebieden van kwalificerende soorten. Voor twee van de drie habitattypen waarop sprake is van een tijdelijke depositietoename vormt stikstofdepositie geen knelpunt.

Voor het andere habitattype is de huidige matige overbelasting van stikstofdepositie niet het belangrijkste knelpunt. Voor geen van de aangewezen soorten is stikstofdepositie een knelpunt voor het halen van de instandhoudingsdoelen. Polder Westzaan In Polder Westzaan zijn geen zodanige omstandigheden dat een geringe toename aan stikstofdepositie van 0,01 tot 0,03 mol N/ha/jr kan leiden tot een in ecologische zin aantoonbare aantasting van kwaliteit of oppervlakteverlies van de habitattypen en/of leefgebieden van kwalificerende soorten. Voor twee van de drie habitattypen waarop sprake is van een tijdelijke depositietoename vormt stikstofdepositie geen knelpunt. Voor het andere habitattype is de huidige matige overbelasting van stikstofdepositie niet het belangrijkste knelpunt. Voor geen van de aangewezen soorten is stikstofdepositie een knelpunt voor het halen van de instandhoudingsdoelen. Kennemerland-Zuid In Kennemerland-Zuid zijn geen zodanige omstandigheden dat een geringe toename aan stikstofdepositie van 0,01 mol N/ha/jr kan leiden tot een in ecologische zin aantoonbare aantasting van kwaliteit of oppervlakteverlies van de habitattypen en/of leefgebieden van kwalificerende soorten. Voor twee van de veertien habitattypen waarop sprake is van een tijdelijke depositietoename vormt stikstofdepositie geen knelpunt.

Voor het andere habitattype is de huidige matige overbelasting van stikstofdepositie niet het belangrijkste knelpunt. Voor geen van de aangewezen soorten is stikstofdepositie een knelpunt voor het halen van de instandhoudingsdoelen. Noordhollands Duinreservaat In het Noordhollands Duinreservaat zijn geen zodanige omstandigheden dat een geringe toename aan stikstofdepositie van 0,01 mol N/ha/jr kan leiden tot een in ecologische zin aantoonbare aantasting van kwaliteit of oppervlakteverlies van de habitattypen en/of leefgebieden van kwalificerende soorten. Voor twee van de veertien habitattypen waarop sprake is van een tijdelijke depositietoename vormt stikstofdepositie geen knelpunt. Voor

54 (56)

2021/24868

het andere habitattype is de huidige matige overbelasting van stikstofdepositie niet het belangrijkste knelpunt. Voor geen van de aangewezen soorten is stikstofdepositie een knelpunt voor het halen van de instandhoudingsdoelen. Naardermeer In het Naardermeer zijn geen zodanige omstandigheden dat een geringe toename aan stikstofdepositie van 0,01 mol N/ha/jr kan leiden tot een in ecologische zin aantoonbare aantasting van kwaliteit of oppervlakteverlies van de habitattypen en/of leefgebieden van kwalificerende soorten. Voor twee van de zeven habitattypen waarop sprake is van een tijdelijke depositietoename vormt stikstofdepositie geen knelpunt. Voor het andere habitattype is de huidige matige overbelasting van stikstofdepositie niet het belangrijkste knelpunt. Voor geen van de aangewezen soorten is stikstofdepositie een knelpunt voor het halen van de instandhoudingsdoelen. Eilandspolder In Eilandspolder zijn geen zodanige omstandigheden dat een geringe toename aan stikstofdepositie van 0,01 mol N/ha/jr kan leiden tot een in ecologische zin aantoonbare aantasting van kwaliteit of oppervlakteverlies van de habitattypen en/of leefgebieden van kwalificerende soorten. Voor een van de twee habitattypen waarop sprake is van een tijdelijke depositietoename vormt stikstofdepositie geen knelpunt.

Voor het andere habitattype is de huidige matige overbelasting van stikstofdepositie niet het belangrijkste knelpunt. Voor geen van de aangewezen soorten is stikstofdepositie een knelpunt voor het halen van de instandhoudingsdoelen. Oostelijke Vechtplassen In de Oostelijke Vechtplassen zijn geen zodanige omstandigheden dat een geringe toename aan stikstofdepositie van 0,01 mol N/ha/jr kan leiden tot een in ecologische zin aantoonbare aantasting van kwaliteit of oppervlakteverlies van de habitattypen en/of leefgebieden van kwalificerende soorten. Voor twee van de drie habitattypen waarop sprake is van een tijdelijke depositietoename vormt stikstofdepositie geen knelpunt. Voor het andere habitattype is de huidige matige overbelasting van stikstofdepositie niet het belangrijkste knelpunt. Voor geen van de aangewezen soorten is stikstofdepositie een knelpunt voor het halen van de instandhoudingsdoelen. Schoorlse Duinen In de Schoorlse Duinen zijn geen zodanige omstandigheden dat een geringe toename aan stikstofdepositie van 0,01 mol N/ha/jr kan leiden tot een in ecologische zin aantoonbare aantasting van kwaliteit of oppervlakteverlies van de habitattypen en/of leefgebieden van kwalificerende soorten. Voor een van de drie habitattypen waarop sprake is van een tijdelijke depositietoename vormt stikstofdepositie geen knelpunt.

Voor de andere habitattypen is de huidige matige overbelasting van stikstofdepositie niet het belangrijkste knelpunt. Voor geen van de aangewezen soorten is stikstofdepositie een knelpunt voor het halen van de instandhoudingsdoelen. 14.2 Cumulatie Uit onze inventarisatie is één Wnb vergunningen naar voren gekomen waarmee een (tijdelijke) toename aan stikstofdepositie wordt toegestaan op een van de drie Natura 2000gebieden. Het betreft project Vollers Hoogtij, waarbij sprake is van een tijdelijke toename aan stikstofdepositie van maximaal 0,04 mol N/ha/jr op Natura 2000-gebied Polder Westzaan. Ons is dus niet gebleken dat er andere projecten zijn die zijn vergund maar nog niet zijn uitgevoerd in de omgeving van project AVANT, welke tot cumulatie van effecten kan leiden.

55 (56)

2021/24868

Project Vollers Hoogtij zal naar alle waarschijnlijkheid niet tegelijkertijd worden uitgevoerd als project AVANT en ook niet op exact dezelfde locaties tot toename aan stikstofdepositie leiden. Van cumulatie van stikstofdepositie zal dan ook waarschijnlijk geen sprake zijn. Als de depositie onverhoopt toch op dezelfde locatie zou plaatsvinden dan zou project AVANT in combinatie met project Vollers Hoogtij tijdens de aanlegfase een maximale tijdelijke toename hebben van 0,07 mol N/ha/jr op habitattype op habitattype H7140B - Overgangsen trilvenen. Op zowel H91D0 - Hoogveenbossen als op H4010B - Vochtige heiden heeft project Vollers Hoogtij een maximaal projecteffect van 0,01 mol N/ha/jr tijdens de aanlegfase. In combinatie met project AVANT zou de maximale tijdelijke toename op deze habitattypen respectievelijk 0,04 mol N/ha/jr en 0,02 mol N/ha/jr kunnen zijn. In de effectbeoordeling maakt een eventuele cumulatie met project Vollers Hoogtij geen verschil in de conclusies. Ook in combinatie met dit project zijn significante gevolgen voor Polder Westzaan uitgesloten. 14.3 Eindconclusie Het geplande project AVANT leidt niet tot een zodanige toename aan stikstofdepositie dat hierdoor zelfstandig, of in combinatie met andere plannen of projecten, sprake is van ecologische effecten of significante gevolgen voor Natura 2000-gebieden.

56 (56)

2021/24868

Literatuur Aptroot, A. 2010. Vergelijking van de vegetatie van de veenmosrietlanden en de flora in het Wormer- en Jisperveld tussen 1984 en 2009.: Rapport Natuurmonumenten, ’s Graveland, 24 pp + bijlagen. Cunha, A., S.A. Power, M.R. Ashmore, P.R.S. Green, B.J. Haworth, and R. Bobbink. 2002. "Whole ecosystem nitrogen manipulation: an updated review." Report-Joint Nature Conservation Committee (331). Dobben, H.F. van, R. Bobbink, D. Bal, and A. van Hinsberg. 2012. Overzicht van kritische depositiewaarden voor stikstof, toegepast op habitattypen en leefgebieden van Natura 2000. Wageningen: Alterra. Kleijberg, Reinoud. 2020. Natura 2000 gebieden rond de Amsterdamse haven. Krupa, S. V. 2003. "Effects of atmospheric ammonia (NH3) on terrestrial vegetation: a review." Environmental Pollution 124 (2):179-221. doi: https://doi.org/10.1016/S0269-7491(02)00434-7. Lilleskov, Erik A, Thomas W Kuyper, Martin I Bidartondo, and Erik A Hobbie. 2019. "Atmospheric nitrogen deposition impacts on the structure and function of forest mycorrhizal communities: a review." Environmental Pollution 246:148-162. Provincie Noord-Holland. 2016a. Natura 2000 beheerplan Ilperveld, Varkensland, Oostzanerveld en Twiske 2016-2022. Provincie Noord-Holland. 2016b. Natura 2000 beheerplan Wormer- en Jisperveld & Kalverpolder 2016-2022. Provincie Noord-Holland. 2016c. Natura 2000 beheerplan Polder Westzaan 2016-2022.

Haarlem. Provincie Noord-Holland. 2016d. Natura 2000 beheerplan Kennemerland-Zuid 2018-2024. Haarlem. Provincie Noord-Holland. 2016e. Natura 2000 beheerplan Noordhollands Duinreservaat 2018-2024. Haarlem. Provincie Noord-Holland. 2016f. Natura 2000-beheerplan Naardermeer 2020-2026. Haarlem. Provincie Noord-Holland. 2016g. Natura 2000 beheerplan Eilandspolder 2016-2022. Haarlem. Provincie Noord-Holland. 2016h. 95 Oostelijke Vechtplassen gebiedsanalyse M16L 20-062017_NH. Haarlem. Provincie Noord-Holland. 2016i. Natura 2000-beheerplan Schoorlse Duinen (86). Haarlem. Velders, G.J.M., Aben, J.M.M., G.P. Geilenkirchen, H.A. den Hollander, L. Nguyen, van der Swaluw, E., W.J. de Vries, and R.J. Wichink Kruit. 2018. Grootschalige concentratie- en depositiekaarten Nederland. Bilthoven: Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu (RIVM).

2021/24868

Bijlage 1

Notitie AVANT – AERIUS-berekening, separaat verstrekt, zie document SWNL0268587, revisie D2, d.d. 5 november 2020 op de sharepointsite

2021/24868

Notitie Onderwerp: AVANT – AERIUS-berekening Projectnummer: 368983 Referentienummer: SWNL0268587 Datum: 05-11-2020

1

Inleiding

1.1 Aanleiding Vervoerregio Amsterdam werkt samen met projectpartners gemeente Zaanstad, gemeente Oostzaan, provincie Noord-Holland en Rijkswaterstaat om de doorstroming van het openbaar vervoer, wegverkeer en fietsverkeer op en nabij de Thorbeckeweg – N516 te verbeteren. In het project Aanpak Verkeersdruk Ambacht N516 Thorbeckeweg (AVANT), dat zich in de Planuitwerkingsfase bevindt, worden verschillende maatregelen getroffen om de doorstroming te verbeteren, zoals uitbreiding van wegen, een fietsbrug, een fietstunnel en een onderdoorgang voor het wegverkeer ter hoogte van de Wibautstraat. Tevens wordt een bestaand tankstation verplaatst langs de N516 en wordt bij de Poelenbrug een nieuw kruispunt aangelegd. Ter hoogte van de kruising N516 en Wibautstraat, wordt de N516 verdiept om een ongelijkvloerse kruising van het oost-west verkeer met het noord-zuid verkeer op de Wibautstraat te realiseren. In Figuur 1-1 is de globale ligging van het plangebied weergegeven.

Figuur 1-1 Globale ligging van het plangebied te Zaandam (met nummer 2 aangegeven)

In de planvoorbereidingsfase is een voorkeursalternatief vastgesteld. Dit voorkeursalternatief is het meest kansrijk, biedt de meeste voordelen, heeft een breed draagvlak onder omgevingspartijen en het is het enige alternatief dat een robuuste oplossing biedt voor het kruispunt Vijfhoek. Het biedt tevens de beste inpassingsmogelijkheden voor de HOV maatregelen en heeft de hoogst gemiddelde snelheden voor OV en het wegverkeer.

Sweco Velperweg 26 6824 BJ Arnhem Postbus 485 6800 AL Arnhem Nederland

T +31 88 811 66 00 www.sweco.nl

Sweco Nederland B.V. Arnhem Handelsregister 30129769 Statutair gevestigd te De Bilt

Rik Zegers Adviseur T +31 88 811 43 14 M +31 6 20 40 65 00 1 (7)

2021/24868

In de Planuitwerkingsfase wordt de technische en financiële haalbaarheid van het project nader onderzocht. Sweco Nederland B.V. werkt in opdracht van de Vervoerregio Amsterdam aan de planuitwerking van het project door onder andere het opstellen van een Referentie Ontwerp en het uitvoeren van alle benodigde onderzoeken om de technische en financiële haalbaarheid van het project te onderzoeken. Één van de onderzoeken betreft een onderzoek stikstofdepositie 1.2 Doel van het onderzoek In deze notitie is het onderzoek stikstofdepositie beschreven, zowel voor de aanlegfase als de gebruiksfase. Hierbij is in het kader van de wet- en regelgeving voor natuur nagegaan of er vanuit deze wet- en regelgeving mogelijke belemmeringen zijn voor het opnemen van het voornemen in een bestemmingsplan. Als onderdeel hiervan dienen de effecten van het plan op de stikstofdepositie in stikstofgevoelige Natura 2000-gebieden inzichtelijk te worden gemaakt. Daarbij dient te worden nagegaan of als gevolg van het plan significante negatieve effecten optreden in 1) stikstofgevoelige habitattypen en/of 2) stikstofgevoelige leefgebieden. In dit rapport zijn de uitgangspunten en resultaten vastgelegd van de berekeningen van de stikstofdepositie als gevolg van de realisatie van de voorgenomen planontwikkeling.

2

Toetsingskader

2.1 Wet natuurbescherming Met de Wet natuurbescherming (Wnb) worden soorten en habitattypen van Natura 2000-gebieden beschermd waarvoor instandhoudingsdoelstellingen zijn geformuleerd. Uit art. 2.7 Wnb volgt dat een project of plan niet mag leiden tot significant negatieve gevolgen voor Natura 2000-gebieden. In veel Natura 2000-gebieden is door een overbelasting van stikstof (stikstofoxiden en ammoniak) een probleem met de realisatie van de instandhoudingsdoelstellingen. Nieuwe ontwikkelingen die een toename van de stikstofdepositie tot gevolg hebben kunnen hierdoor significante negatieve effecten hebben voor de instandhoudingsdoelstellingen. Effecten van een plan of een project op de stikstofdepositie kunnen ontstaan tijdens de bouwfase en/of gebruiksfase. Met het rekenmodel AERIUS Calculator kan de stikstofdepositie (mol N/ha/jaar) op stikstofgevoelige Natura 2000-gebieden ten gevolge van de ontwikkeling worden berekend. Voor het berekenen van de stikstofdepositie worden in het rekenmodel de emissies van stikstof in de verschillende situaties ingevoerd. Het rekenmodel berekent vervolgens de verspreiding van deze stikstofemissies en de stikstofdepositie binnen Natura 2000-gebieden op stikstofgevoelige habitattypen en stikstofgevoelige leefgebieden van soorten.

2.2 Beoordeling stikstofdepositie projecten Indien uit de berekeningen met AERIUS Calculator blijkt dat er geen sprake is van een toename van de stikstofdepositie (kleiner dan of gelijk aan 0,00 mol N/ha/jaar) dan zijn significante gevolgen voor Natura 2000-gebieden op voorhand uit te sluiten. Er is dan voor het onderdeel stikstofdepositie geen vergunningplicht Wet natuurbescherming. Indien uit de berekening blijkt dat er sprake is van een toename aan stikstofdepositie (groter dan 0,00 mol N/ha/jaar) op reeds overbelaste habitattypen is meestal een passende beoordeling en Wnb vergunning nodig. Alleen indien op voorhand vaststaat dat stikstofdepositie geen risico vormt voor het halen van de instandhoudingsdoelen kunnen significante gevolgen in een voortoets uitgesloten worden. Er is dan geen vergunning nodig.

2 (8)

2021/24868

Bij habitattypen is de rol van de voortoets beperkt. Overschrijding van de KDW betekent namelijk meestal dat stikstofdepositie een risico vormt voor het halen van de instandhoudingsdoelen. Bij stikstofgevoelige leefgebieden is de rol van de ecologische voortoets wat groter dan bij habitattypen. Een overschrijding van de KDW van stikstofgevoelige leefgebieden betekent namelijk niet direct dat de haalbaarheid van de instandhoudingsdoelen van de soorten die hierin leven in het geding is. Dat kan in de voortoets beoordeeld worden. Een Wnb-vergunning kan in de volgende situatie verleend worden: x na intern salderen is de toename van de stikstofdepositie fl 0,00 mol N/ha/jaar1; x in het stikstofregistratiesysteem is voldoende depositieruimte om de effecten van het project te salderen2. x uit een passende beoordeling, eventueel inclusief extern salderen, blijkt dat significante gevolgen voor de gebieden zijn uitgesloten; x na het succesvol doorlopen van de ADC-toets3. Indien uit de AERIUS-berekening blijkt dat er sprake is van een toename van de stikstofdepositie (groter dan 0,00 mol N/ha/jaar) en niet aan één van bovenstaande beschreven situaties is voldaan kan geen vergunning Wet natuurbescherming worden verleend.

2.3 Beoordeling stikstofdepositie bestemmingsplannen Een (wijziging van een) bestemmingsplan kan alleen worden vastgesteld als het plan geen significant effect heeft op de Natura 2000-gebieden ten opzichte van de feitelijke en planologisch legale situatie. Dit is het geval indien uit de AERIUS berekeningen blijkt dat er geen sprake is van een toename van de stikstofdepositie (kleiner dan of gelijk aan 0,00 mol N/ha/jaar). Indien uit de berekening blijkt dat er sprake is van een toename aan stikstofdepositie (groter dan 0,00 mol N/ha/jaar) op reeds overbelaste habitattypen is net als bij projecten meestal een passende beoordeling nodig en tenminste een voortoets. Als uit de passende beoordeling (of voortoets) blijkt dat significante gevolgen zijn uitgesloten, of als de ADC-toets met succes is doorlopen, mag het bestemmingsplan vastgesteld worden. De Wet natuurbescherming staat dan niet in de weg aan de uitvoerbaarheid van het plan.

3

Effecten planontwikkeling

Als gevolg van de planontwikkeling ontstaan emissies van stikstof (NOx en NH3) tijdens de werkzaamheden in de aanlegfase en/of gebruiksfase van het plan. Beide fases zijn onderzocht om te beoordelen of de voorgenomen planontwikkeling een toename in stikstofdepositie oplevert op de omliggende Natura 2000-gebieden. 3.1 Emissies aanlegfase Tijdens de aanlegfase worden mobiele werktuigen ingezet voor de werkzaamheden en zijn er transportbewegingen voor de aan- en afvoer van materieel en materialen. 1 Juridisch gezien is er dan geen vergunning nodig tenzij de interne saldering als mitigerende maatregel gezien moet worden. Volgens beslisboom van de rijksoverheid is wel een vergunning nodig bij toepassing intern salderen. 2 Met het stikstofregistratiesysteem is depositieruimte gecreëerd door maatregelen die de stikstofdepositie verminderen. Een deel van deze depositieruimte kan worden ingezet voor het verlenen van een natuurvergunning. Voorlopig is het stikstofregistratiesysteem alleen beschikbaar voor woningbouwprojecten en een beperkt aantal infrastructurele projecten. 3 Dit is een onderzoek waaruit naar voren komt dat er geen Alternatieven zijn voor het project, er Dwingende reden van groot openbaar belang zijn en waarbij Compensatie voor Natura 2000-gebieden plaatsvindt.

3 (8)

2021/24868

Hierbij ontstaan emissies van stikstof. Voor de verwachte werkzaamheden is een inschatting gemaakt van de totale inzet van de mobiele werktuigen en het verkeer. Op basis van de Realisatieplanning (368983-W505.80-Uitvoeringsplanning-D1.0) die voor het project is opgesteld, zullen naar verwachting in het maatgevende jaar (tweede jaar van uitvoering) de meeste werkzaamheden en dus de meeste emissies plaatsvinden. Dit zal maximaal 65% van de werkzaamheden zijn. In de emissieberekeningen is dit verdisconteerd. 3.1.1 Emissies mobiele werktuigen Voor de werkzaamheden aan de weg is stap voor stap in kaart gebracht welke activiteiten er plaatst moeten vinden en welke mobiele werktuigen en transportmiddelen daarvoor nodig zijn. Vervolgens is een inschatting gemaakt van het benodigde vermogen van de mobiele werktuigen en de draaiuren. De emissies NOx van de mobiele werktuigen zijn bepaald op basis van de emissiefactoren (g/kWh) behorende bij het type en stage-klasse van materieel dat wordt ingezet, het totaal geïnstalleerde vermogen (kW) van het materieel, het belastingpercentage van het totaal geïnstalleerde vermogen, de duur (uur) van inzet en het percentage stationair draaien en de cilinderinhoud van het materieel4. Als uitgangspunt is aangenomen dat alle werktuigen in stageklasse IV vallen. In het rekenmodel zijn de emissies ingevoerd als een vlakbron.

Ter hoogte van de laad/los locatie op het gronddepot is een puntbron gemodelleerd, waaraan de emissies voor het laden en lossen ter plekke van het gronddepot zijn toegevoegd. In bijlage 1 zijn de uitgangspunten en de berekende emissies voor de aanlegfase weergegeven. 3.1.2 Emissies wegverkeer Het aantal benodigde transportmiddelen (zware vrachtwagens) voor het aanleveren van materiaal en het aantal benodigde busjes voor personenvervoer (lichte verkeer) zijn bepaald op basis van de uit te voeren werkzaamheden. In bijlage 1 zijn deze gegevens weergegeven. Om van en naar het plangebied te komen zijn er diverse aan- en afvoerroutes, namelijk: x Via de snelweg A8 afkomstig vanaf het noorden. x Via de snelweg A8 afkomstig vanaf het zuiden. x Via de snelweg A10, waarbij de aan- en afvoerroutes hetzelfde zijn. Daarnaast vindt er transport van grond plaats tussen het plangebied en het Gronddepot de Noorder IJplas aan de Oostzanerdijk 205. Aangenomen is dat over deze drie aan- en afvoerroutes naar de snelwegen het aantal transportbewegingen evenredig zijn verdeeld. Dit betekent dat over elke aan- en afvoerroute hetzelfde aantal transportbewegingen plaatsvindt. In onderstaande tabel is het aantal vervoersbewegingen per type voertuig en aan- en afvoerroutes weergegeven. Er is van uitgegaan dat 65% van de vervoersbewegingen in het maatgevende jaar plaatsvinden.

4 De emissie zijn berekend volgens de methode beschreven op: https://www.aerius.nl/nl/factsheets/emissieberekening-mobiele-werktuigen/15-10-2020

4 (8)

2021/24868

Tabel 3-1

Overzicht aantal voertuigen aanlegfase

Type vervoersmiddel

Totaal aantal voertuigen

Totaal aantal vervoersbewegingen 4.443 11.848

Totaal aantal vervoersbewegingen maatgevende jaar 2.888 7.701

Licht verkeer Zware vrachtwagens Zware vrachtwagens gronddepot

2.221 5.924 10.444

Aantal vervoersbewegingen per oprit/ afrit/ jaar 482 1.284

20.887

13.577

13.577

Voor de lichte voertuigen en het zware vrachtverkeer is de gemiddelde emissie-standaard (g/km/voertuig) van het Nederlandse wagenpark in 2022 toegepast. Voor de transportroutes naar de snelweg is het snelheidsprofiel ‘snelweg, 80 km/uur’ gehanteerd. Voor de transportroute naar het gronddepot is het snelheidsprofiel ‘binnen bebouwde kom’ gehanteerd. In figuur 3.1 zijn de transportroutes weergegeven.

Figuur 3.1: Overzicht transportroutes. (1 = transportroute naar gronddepot, 2 = plangebied, 3 = laden/lossen depot, 4-9 = transport op- afritten van de snelwegen

3.1.3 Projecteffect aanlegfase Voor de aanlegfase is het projecteffect berekend. Het projecteffect is de maximale toename van de stikstofdepositie in omliggende natuurgebieden als gevolg van het plan. De uitvoering van het project duurt twee jaar en start in 2022. Aangenomen wordt dat in het eerste jaar 65% van de emissies zal plaatsvinden. De berekeningen van de stikstofdepositie zijn uitgevoerd voor het maatgevende jaar 2022. De berekeningen zijn uitgevoerd met AERIUS Calculator 2020. Het resultaatbestand (pdf) van AERIUS Calculator voor de aanlegfase is opgenomen in bijlage 2. Het maximale projecteffect in de aanlegfase is 0,19 mol N/ha/jaar.

5 (8)

2021/24868

3.2 Gebruiksfase Ten gevolge van de aanpassing van de Thorbeckeweg treden er veranderingen op in de verkeersintensiteiten op de omliggende wegen. De veranderingen in intensiteiten zorgen voor veranderingen in de emissies van stikstof en daarmee wijzigingen in de stikstofdepositie. Om de wijzigingen in de stikstofdepositie inzichtelijk te maken zijn verschilberekeningen gemaakt van de situatie zonder planrealisatie (referentiesituatie) en de plansituatie voor de jaren 2024, 2030 en 20335 (deze laatste is berekend op basis van de emissiefactoren van 2030). 3.2.1 Emissiebronnen Door Sweco zijn berekeningen gemaakt met het verkeersmodel ZVPM van de gemeente Zaanstad voor de referentiesituatie en plansituatie6. Op basis van de verkeersintensiteiten in het verkeersmodel is een selectie gemaakt van de wegen waarop ten gevolge van het plan een toe- of afname van 100 of meer motorvoertuigen per dag optreedt en waarvan met redelijkheid kan worden aangenomen dat dit door het plan wordt veroorzaakt en geen artefact in het model is. Op grond van de bovengenoemde analyse wordt het in figuur 2.1 weergegeven wegennetwerk gehanteerd voor de AERIUS-berekeningen.

Figuur 3-1

Gehanteerd wegennetwerk

De emissies van het wegverkeer worden door het rekenprogramma bepaald op basis van de emissiefactoren (g/km) behorende bij het snelheidsprofiel van de verschillende typen voertuigen, het aantal vervoersbewegingen per type voertuig en de lengte van de afgelegde weg per vervoersbeweging. 5

2024 is doorgerekend omdat dat het eerste volledige jaar van openstelling is. Daarnaast zijn 2030 en 2033 doorgerekend om een doorkijk te geven naar de toekomst. 6 “Notitie update verkeersmodelgegevens en toets ontwerp” met referentienummer SWNL0255863, d.d. 31-012020

6 (8)

2021/24868

Voor de wegen uit figuur 2-1 zijn de verkeersintensiteiten van de referentiesituatie en de plansituatie voor de drie jaren in het rekenmodel ingevoerd. Afhankelijk van het type weg, is het snelheidsprofiel ‘Snelweg’, ‘Buitenwegen’ (N-wegen) of ‘Binnen bebouwde kom’ gehanteerd. 3.2.2 Stikstofdepositie Voor de gebruiksfase is op basis van bovenstaande emissiebronnen de stikstofdepositie berekend op de omliggende stikstofgevoelige Natura 2000-gebieden. De berekeningen van de stikstofdepositie zijn uitgevoerd met AERIUS Calculator versie 2020. De rekenresultaten zijn los meegeleverd met deze notitie en zijn opgenomen in bijlage 3. Voor alle drie de jaren geldt dat er in de gebruiksfase geen gebieden zijn waar de stikstofdepositie meer dan 0,00 mol N/ha/jaar toeneemt. Het maximale projecteffect in de gebruiksfase is 0,00 mol N/ha/jaar.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/10711172/1