CConstaterende datWoudenberg
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage 2 - Financiele scan provincie Utrecht.pdf

Raadscommissie 22 juni 2021, gemeente WoudenbergBij agendapunt: 4: Kaderbrief 2022-202535.721 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 4

-

Neem de berekening van het saldo sociaal domein (Jeugdzorg en Wmo) volgens de door de gemeente gehanteerde definitie op in de begroting en de jaarrekening zodat dit tekort beter kan worden geduid.

-

Licht de in het meerjarig overzicht van reserves in de begroting ook de (meerjarige) reservemutaties toe.

-

Neem in de meerjarenbegroting ook een meerjarig overzicht van voorgenomen investeringen (MIP) en de dekking hiervan op.

24

1.2

Weerbaarheid en wendbaarheid financiële positie

Met ingang van de begroting 2016 moeten vijf financiële kengetallen in de begroting en jaarrekening worden opgenomen. Daarmee kan snel een globaal beeld worden gevormd van de financiële positie. Het zijn kengetallen die iets zeggen over de ‘weerbaarheid’ (kan de gemeente tegen een stootje?) en ‘wendbaarheid’ (kan de gemeente zich relatief snel aanpassen aan veranderende omstandigheden?) van de gemeentelijke begroting. Voor de weerbaarheid is het van belang te weten hoe groot het eigen vermogen is, hoeveel schulden de gemeente heeft en waarvoor deze schulden zijn aangegaan. De kengetallen daarvoor zijn de solvabiliteit, de nettoschuldquote en de grondexploitatie. Een wendbare begroting kan snel worden aangepast als er zich tegenvallers voordoen. Dat is een begroting waarvan de inkomsten op korte termijn kunnen worden verhoogd (stijging tarief OZB omdat de woonlasten zich nog onder het landelijke gemiddelde bevinden) en de lasten op korte termijn kunnen worden bijgesteld omdat er meer structurele baten dan structurele lasten zijn. De kengetallen daarvoor zijn “belastingcapaciteit” en “structurele exploitatieruimte”. Beoordeling van de kengetallen in samenhang Een afzonderlijk kengetal zegt weinig over hoe de financiële positie moet worden beoordeeld.

Zo hoeft een hoge schuld geen nadelig effect te hebben op de financiële positie, maar is dat afhankelijk of en wat er aan eigen vermogen en structurele baten tegenover die schuld staat en hoe groot de kans is dat de schuld weer wordt afgelost. Het is dus, met andere woorden, niet mogelijk om een individueel kengetal te gebruiken voor de beoordeling van de financiële positie. Zo worden voorraden strategische gronden en onderhanden werk bouwgrondexploitatie door gemeenten meestal met leningen gefinancierd. Maar bij verkoop vallen de geldmiddelen weer vrij om de leningen af te lossen. De kengetallen zullen altijd in samenhang moeten worden bezien, omdat ze alleen gezamenlijk en in hun onderlinge verhouding een goed beeld kunnen geven van de financiële positie van een gemeente. Er zijn geen landelijke normen voor de kengetallen omdat deze erg afhangen van de lokale situatie. Omdat de kengetallen in de eerste plaats bedoeld zijn om inzicht te geven in de financiële positie ten behoeve de horizontale verantwoording (raad), is een externe normering ook niet aan de orde. Het is de rol van het college om aan de hand van de kengetallen de financiële positie toe te lichten en de rol van de raad om eventueel bijstellingen te verlangen. Of dit plaats vindt op basis van “normen” die zijn bepaald of anderszins, is aan de gemeente.

Wel moeten de vijf verplichte kengetallen in de begroting en jaarrekening worden opgenomen en in samenhang door de gemeenten worden toegelicht. Voor de financiële kengetallen of een andere wijze van sturingsinformatie geldt, net als voor de weerstandscapaciteit, dat het collegeakkoord het moment kan zijn om daar afspraken over te maken. Op dat moment kan de raad aangeven welk financieel beleid hij voor ogen heeft. Om de in deze paragraaf opgenomen kengetallen enigszins te kunnen duiden is aansluiting gezocht bij de door de VNG (Vereniging van Nederlandse Gemeenten) gehanteerde signaleringswaarden. De VNG heeft een aantal signaleringswaarden ontwikkeld om een grofmazige waardering te geven aan deze kengetallen. Deze zijn onderverdeeld in drie groepen. In tabel 1.2.1 is dit zichtbaar gemaakt.

25

Tabel 1.2.1 signaleringswaarden financiële kengetallen GTK en VNG

Kengetal

Minst risicovol

Hoe interpreteren

Meest risicovol

Neutraal

Signaleringswaarden

Weerbaarheid: 1. Schuld a. zonder correctie doorgeleende gelden Hoe lager het percentage hoe beter

< 90%

van 90% t/m 130% > 130%

b. met correctie doorgeleende gelden

< 90%

van 90% t/m 130% > 130%

2. Eigen vermogen (Solvabiliteit)

Hoe hoger het percentage hoe beter > 50%

van 20% t/m 50% < 20%

3. Grondexploitatie

Hoe lager het percentage hoe beter

van 20% t/m 35% > 35%

Hoe lager het percentage hoe beter

< 20%

Wendbaarheid: 4. Structurele exploitatieruimte

Hoe hoger het percentage hoe beter > 0%

5. Belastingcapaciteit

Hoe lager het percentage hoe beter

< 95%

0%

< 0%

van 95% t/m 105% > 105%

 Netto schuldquote: hoe zwaar drukt de schuld op de begroting? Hier wordt de schuldpositie van de gemeente uitgedrukt in een percentage van de omvang van de jaarlijkse exploitatie (inkomsten exclusief mutaties in reserves).  Netto schuldquote, gecorrigeerd met verstrekte leningen De gemeente leent soms geleend geld door aan andere organisaties. Om inzicht te krijgen in hoeverre er sprake is van doorlenen, wordt de netto schuldquote zowel in- als exclusief doorgeleende gelden weergegeven. Op die manier wordt duidelijk wat het aandeel van de verstrekte leningen is en wat dit betekent voor de schuldenlast.  Solvabiliteit: welk deel van het gemeentebezit is betaald met eigen middelen? Dit is het eigen vermogen als aandeel in het balanstotaal. Ofwel: de solvabiliteitsratio geeft aan welk deel van het balanstotaal niet door schuld is gefinancierd. Een solvabiliteitsratio van minder dan 20% geeft aan dat een gemeente zijn bezit met relatief veel schulden heeft belast.  Grondexploitatie: heeft de gemeente relatief veel grond en loopt zij daardoor risico? De boekwaarde van de voorraden grond moet worden terugverdiend bij de verkoop. Als dat niet lukt, kan de grondexploitatie een negatieve impact hebben op de financiële positie van de gemeente. De accountant beoordeelt ieder jaar in hoeverre de gronden tegen een actuele waarde op de balans zijn opgenomen.

Het kengetal wordt berekend door de boekwaarde (netto, dus na aftrek van de verliesvoorzieningen) van de in exploitatie genomen gronden te delen door het totaal van de baten (excl. mutaties reserves). 

Structurele exploitatieruimte: heeft de gemeente voldoende structurele middelen om haar structurele lasten te dekken? De relevantie van het kengetal structurele exploitatieruimte is om te weten welke structurele ruimte een gemeente heeft om de eigen lasten te dragen, of welke structurele stijging van de baten of structurele daling van de lasten daarvoor nodig is. 

Belastingcapaciteit: heeft de gemeente relatief hoge woonlasten uit gemeentelijke belastingen en is er ruimte deze belastingen te verhogen? Hieronder wordt verstaan de woonlasten voor een meerpersoonshuishouden in jaar t ten opzichte van het landelijk gemiddelde in jaar t-1. Hiermee komt tot uitdrukking de ruimte die een gemeente heeft om zijn belastingen te verhogen. Zijn de woonlasten laag, dan kan bij tegenvallers gemakkelijk worden bijgestuurd door bijvoorbeeld de onroerendezaakbelasting te verhogen In onderstaande tabel zijn deze kengetallen in beeld gebracht voor de gemeente Woudenberg voor de jaren 2017 tot en met 2021. De tabel is ontleend aan de jaarrekeningen 2017 tot en met 2019 en de begroting 2021-2024 van de gemeente.

26

Tabel 1.2.2 Financiële kengetallen Jaarstukken

Begroting

Ratio

2017

2018

2019

2020

2021

netto schuldquote

50,8%

50,4%

50,0%

25,7%

10,6%

Netto schuldquote gecorrigeerd voor verstrekte leningen 50,8%

50,4%

46,3%

25,7%

10,6%

Solvabiliteitsratio

30,5%

25,5%

20,7%

30,0%

38,2%

Grondexploitatie

37,5%

34,8%

30,8%

17,8%

-7,0%

Structurele exploitatieruimte

-2,5%

-6,5%

-4,6%

-0,1%

-4,0%

Belastingcapaciteit

102,4% 104,3% 104,2% 117,7%

119,7%

In de volgende paragrafen vindt nadere duiding plaats bij de in de tabel in beeld gebrachte financiële kengetallen.

1.2.1 Weerbaarheid Als wordt gekeken naar de ratio’s die inzicht geven in de weerbaarheid van de financiële positie, dan is er geen eenduidige positieve conclusie met betrekking tot de weerbaarheid van de financiële positie van de gemeente Woudenberg te trekken. De schuldpositie is relatief laag en de boekwaarde van de grondexploitaties dalen door verkoop van gronden. Echter de ontwikkeling van de reservepositie geeft wel reden tot zorg. De schuld is relatief laag en zal nog verder afnemen, de solvabiliteit (reservepositie) is naar objectieve maatstaven niet zeer sterk en zit in 2019 dicht bij classificatie “meest risicovol”. De solvabiliteit neemt in de komende jaren toe, niet zozeer doordat de reserves sterk toenemen (tussen 2019 en 2023 wordt een daling van de stand van de reserves met € 0,5 miljoen geprognosticeerd) maar vooral door daling van het balanstotaal. Dit is het gevolg van de verwachte afname van de schulden en afname van de boekwaarde van de grondexploitaties. De boekwaarde van de in exploitatie zijnde grondexploitaties is in 2019 nog relatief hoog, maar neemt in de komende jaren af doordat diverse grondexploitaties worden afgesloten. De ontwikkeling van de schulden Het in 2021 berekende kengetal voor de schuld is enigszins geflatteerd. De schuld wordt afgezet tegen de inkomsten (exclusief de onttrekkingen uit de reserves).

Onderdeel van de baten in de begroting 2021 is een bedrag van € 12,2 miljoen aan verrekeningen met betrekking tot grondexploitaties en € 8,7 miljoen aan opbrengsten grondverkopen grondexploitaties. Beide bedragen zorgen voor een hoge omzet, zodat ten opzichte daarvan het kengetal schuld lager is dan bij een “reguliere” omzet. In onderstaande tabel 1.2.37 is de langlopende schuld op 31-12-2019 per inwoner weergegeven. En ook de vaste schuld min de financiële vaste activa, dus feitelijk de schuld die de gemeente heeft ter financiering van de eigen activiteiten. Tabel 1.2.3 Schuld per inwoner per 31-12-2019 2019 werkelijk (bedrag per inwoner)

Vaste schulden met een looptijd Financiële Vaste schuld van één jaar of vaste activa min financiële langer (doorgeleend) vaste activa

Gemeente Woudenberg

1.377

186

1.191

Gemeenten in de selectiegroep (gemiddelde)

1.317

227

1.090

Gemeentegrootte 10.000 tot 20.000 inwoners

1.203

292

911

Provincie Utrecht

1.768

197

1.571

Nederland

2.247

422

1.825

De hoogte van de schuld is redelijk vergelijkbaar met die van de gemeenten in de selectiegroep. De schuld van de gemeente Lopik is zeer laag, dus dat beïnvloed wel het gemiddelde. Hattem heeft bijvoorbeeld een vaste schuld van € 2.038 per inwoner en 7

Gebaseerd op de gemeentelijke cijfers die zijn gepubliceerd op www.findo.nl 27

Kapelle van € 2.234. De gemeenten Montfoort en Reusel-de Mierden hebben een iets lagere schuld per inwoner dan Woudenberg. Als wordt gekeken naar de werkelijke ontwikkeling van de vaste schuld tussen 31 december 2016 en 31 december 2019 dan is de constatering dat de schuld met € 0,8 miljoen is afgenomen. De gemeente verwacht vanaf 2019 echter een redelijk forse daling van de schuld. In 2021 wordt voor een totaal van € 7,9 miljoen op geldleningen afgelost. In 2021 verwacht de gemeente geen nieuwe leningen aan te trekken. Of dit ook daadwerkelijk het geval is, hangt af van de ontwikkeling op het gebied van de grondexploitaties “Nijverheidsweg”, “Amalialaan”, “Hoevelaar fase 1” en de “Spoorzone” evenals van andere aan- en verkopen. Bij de in de begroting 2021-2024 opgenomen prognose van de schuldontwikkeling is uitgegaan van een positief scenario. In hoeverre de schuld daalt of toeneemt, hangt dus af van de door de gemeente te nemen besluiten in bovengenoemde ontwikkelingen. Grafiek 1.2.1 Ontwikkeling vaste schuld

Investeringen Vaste geldleningen worden aangetrokken om de door de gemeente gerealiseerde investeringen te financieren. Ook wordt het eigen vermogen (de gelden van de nog niet ingezette reserves) gebruikt als financieringsmiddel. Op 31 december 2019 had de gemeente een vaste schuld van € 18,1 miljoen, terwijl de boekwaarde van de vaste activa per die datum € 24,9 miljoen bedroeg. De investeringen zijn dus voor 73 % belast met vaste schuld. Echter niet alleen de investeringen zijn gefinancierd met leningen, ook voor de grondvoorraad heeft de gemeente geld geleend. Door afwikkeling van diverse grondexploitaties in de komende jaren komt er geld vrij voor het verlagen van de schuld. Als wordt ingezoomd op de boekwaarde van de activa per 31 december 2019 (zie tabel 1.2.4) is te zien, dat de boekwaarde in totaal lager is dan het gemiddelde van de selectiegroep. Dit betreft vooral: Bedrijfsgebouwen (en woonruimten) en investeringen t.b.v. kostendekking (vooral riolering)

28

Tabel 1.2.4 boekwaarde vaste activa per 31-12-2019 ten opzichte van gemiddelde van de selectiegroep Boekwaarden per 31-12-2019 (x € 1 miljoen)

Hattem

Kapelle

Lopik

Montfoort

Reusel-de Mierden

Gemiddelde selectiegroep

Woudenberg

Verschil met gemiddelde -0,5

immateriële vaste activa

0,6

1,0

0,0

0,0

0,8

0,5

0,0

Gronden en terreinen (incl. NIEGG)

5,4

1,4

0,0

0,8

1,5

1,8

3,0

1,2

Bedrijfsgebouwen en woonruimten

8,5

15,5

11,9

12,2

10,9

11,8

7,8

-4,0

Grond/weg/water werken

0,1

0,0

0,0

0,0

0,2

0,1

0,2

0,2

Investeringen t.b.v. kostendekking

7,2

8,2

2,0

4,7

8,1

6,0

2,1

-3,9

Erfpacht

0,0

7,4

0,0

0,0

0,3

1,5

0,0

-1,5

Vervoermiddelen

0,2

0,1

0,0

0,1

0,1

0,1

0,1

0,0

Machines, apparaten, installaties

1,1

0,9

0,3

0,8

0,2

0,6

2,5

1,9

Overige materiële vaste activa

0,9

0,3

1,2

1,8

0,1

0,9

0,3

-0,5

Investeringen openbare ruimte maatschappelijk nut

4,5

14,4

2,1

2,0

4,6

5,5

6,4

0,9

Financiële vaste activa

10,1

2,0

1,3

0,4

0,4

2,8

2,5

-0,4

Totaal boekwaarde

38,6

51,2

18,8

22,9

27,0

31,7

24,9

-6,8

3.135

€ 4.002

€ 1.290

Boekwaarde per inwoner

€

€

1.631

€

2.046

€

2.368

€

1.849

€

Bij de gemeenten in de selectiegroep valt vooral de relatief hoge boekwaarde bij de gemeente Kapelle op. Deze gemeente heeft een hoge boekwaarde bedrijfsgebouwen en woonruimte en investeringen in de openbare ruimte met maatschappelijk nut (vooral wegen). En heeft daarnaast gronden in erfpacht in bezit. Woudenberg verantwoordt de boekwaarde van de gebouwen De Schans en het Cultuurhuis onder de investeringen in de openbare ruimte met maatschappelijk nut. De gemeente geeft aan, dat De Schans hieronder is geplaatst aangezien de gemeente gedeeltelijk eigenaar is van dit multifunctioneel gebouw wat volgens de gemeente moeilijk verhandelbaar is. In het cultuurhuis zitten diverse culturele instellingen zoals Bibliotheek, Stichting Kunst en Cultuur, Stichting Oud Woudenberg en de Rabobank. Gezien de gebruikers van dit pand vindt de gemeente, dat ook dit gebouw moeilijk verhandelbaar is. Volgens de definitie van het de begrotingsvoorschriften (het BBV) zijn dit gebouwen met een maatschappelijke functie en vallen ze daardoor onder de bedrijfsgebouwen (investeringen met economisch nut). In het kader van deze financiële scan is dit niet zeer belangrijk, omdat het totaal van de boekwaarde daardoor niet wijzigt. Wel kan het bij de vergelijking met de gemeenten uit de selectiegroep een enigszins vertekend beeld geven op de specifieke activasoorten.

De boekwaarde van de vaste activa is op 31 december 2019 € 1.849 per inwoner, het gemiddelde van de selectiegroep is € 2.368 per inwoner en het gemiddelde van de groottegroep 10.000 – 20.000 inwoners is € 2.6508 per inwoner. In de begroting 2021 wordt ervan uitgegaan, dat de boekwaarde van de vaste activa de komende jaren per saldo (investeringen minus afschrijvingen) zal afnemen naar circa € 19 miljoen in 2024. De ontwikkeling van het eigen vermogen (solvabiliteit) De solvabiliteit (eigen vermogen als percentage van het balanstotaal) van Woudenberg heeft de signaleringswaarde “neutraal”. De werkelijke ontwikkeling van de reserves van 31 december 2016 tot en met 31 december 2019 is in grafiek 1.2.2 weergegeven evenals de in de begroting 2021-2024 opgenomen prognose van de ontwikkeling van de reserves vanaf 2020. Voor de algemene reserve is niet de stand gebruikt die in het overzicht reserves en voorzieningen in de begroting 2021-2024 is opgenomen (€ 1,9 miljoen, zie blz. FB 9 begroting 2021-2024), maar de stand die de gemeente als basis voor het herschikken van de reserves (zie verderop in dit hoofdstuk) neemt (€ 0,65 miljoen, zie blz. PA 12 begroting 2021-2024).

De stand per 1 januari 2020 is gecorrigeerd met mutaties naar aanleiding van al aangegane verplichtingen via raadsbesluiten (vooral investeringen) en het nadelige jaarresultaat 2019, welke nog ten laste moet worden gebracht van de algemene reserve.

8

Bron: www.findo.nl

29

-519

Grafiek 1.2.2 Ontwikkeling reserves

De toename van de reserves in 2017 wordt vooral veroorzaakt door toevoeging van het batige rekeningssaldo over 2016 (€ 0,38 miljoen) aan de bestemmingsreserve sociaal domein, winstneming grondexploitaties en de opbrengst van verkoop van schoolgebouwen. Tussen 2017 en 2019 is een sterke daling (€ 3,4 miljoen) van de reserves te zien. Oorzaken hiervan zijn de onttrekkingen aan de bestemmingsreserves die worden ingezet om afschrijvingslasten te dekken. Jaarlijkse wordt hier circa € 0,5 miljoen aan onttrokken. Ook zijn de overige bestemmingsreserves afgenomen, vooral door inzet van de reserve sociaal domein. In grafiek 1.2.2a is de ontwikkeling van de reserves sociaal domein weergegeven in de jaren 2017 tot en met 2019. De reserve was jaarlijks niet toereikend om de geraamde en de werkelijke onttrekkingen op te vangen. De reserve is op peil gehouden door deze in 2017 en 2018 vanuit de resultaatbestemming jaarrekeningen aan te vullen. In 2019 tot en met 2021 wordt het benodigde bedrag onttrokken uit de reserve dorpsvoorzieningen en toegevoegd aan de reserve sociaal domein. Grafiek 1.2.2a Ontwikkeling reserve sociaal domein

Daarnaast zijn uit de algemene reserve onder meer het nadelig resultaat jaarrekening 2016, de lasten van I&A samenwerking, lasten samenwerking BAG/WOZ/Belastingen en het op peil brengen voorziening afvalstoffenheffing gedekt. Ten laste van de algemene reserve grondbedrijf is onder meer een verliesvoorziening

30

gevormd en de waardevermindering Laagerfseweg 45 afgeboekt. In de begroting 2021-2024 wordt ten opzichte van de werkelijke stand op 31 december 2019 een afname van de reserves tot en met 2023 met € 0,5 miljoen voorzien. De bestemmingsreserves ter dekking van kapitaallasten nemen in die periode verder af met circa € 1,3 miljoen evenals de algemene reserve die in 2020 door de gemeente wordt gecorrigeerd van € 1,9 miljoen naar € 0,65 miljoen). De algemene reserve grondbedrijf neemt met € 2,3 miljoen toe. Op 31 december 2019 had de gemeente vijftien bestemmingsreserves. De grootste financiële omvang hebben de bestemmingsreserves kapitaallasten Cultuurhuis en kapitaallasten centrumplan. In oktober 2020 heeft de raad de “Notitie herschikking reserves” behandeld. Bij de behandeling van de kaderbrief 2021-2024 is ook de reservepositie van de gemeente besproken waarbij geconstateerd werd, dat de stand van de algemene reserve, gelet op de verwachte tekorten in de begroting, te laag is. Daarom is besloten om de volgende bestemmingsreserves in te zetten voor het versterken van de algemene reserve: Reserve kapitaallasten cultuurhuis tot een bedrag van € 1,2 miljoen Reserve kunstwerken tot een bedrag van € 0,1 miljoen Algemene reserve grondbedrijf tot een bedrag van € 0,4 miljoen In de kaderbrief 2021-2024 zijn de risico's voor het grondbedrijf berekend op € 0,5 miljoen.

De omvang van de algemene reserve grondbedrijf dient minimaal € 0,5 miljoen te bedragen om de risico's te kunnen afdekken. De algemene reserve grondbedrijf neemt de komende jaren toe. De gemeente wil de overschotten in grondexploitaties beschikbaar houden voor de toekomstige ontwikkelingen in Woudenberg Oost. Na herschikking van de reserves blijft de totale stand van de reserve gelijk, maar nemen de bestemmingsreserves af ten gunste van de algemene reserve. Overigens is in grafiek 1.2.3 geen rekening gehouden met de in de begroting 2021-2024 geraamde jaarlijkse tekorten. Vooralsnog wordt ervan uitgegaan dat de gemeente vanaf 2022 alsnog een structureel sluitende begroting realiseert. Als dat niet lukt, zal dit ook een nadelig effect op de reservepositie hebben, omdat tekorten ten laste van de algemene reserve komen. Grafiek 1.2.3 Ontwikkeling reserves na verwerking notitie herschikking reserves

Het beleid van de reserves is vastgelegd in de jaarlijkse Kadernota. Ieder jaar worden in de Kadernota de reserves en voorzieningen geactualiseerd. Onderstaand is een vergelijking opgenomen van de algemene reserve en de bestemmingsreserve met de selectiegroep.

31

Tabel 1.2.5 Vergelijking met de selectiegroep (algemene reserve is exclusief jaarresultaat) Reusel-de Montfoort Mierden

Gemiddelde Verschil selectiemet groep Woudenberg gemiddelde

Hattem

Kapelle

Lopik

Algemene reserve

6,8

5,3

8,4

4,9

8,5

6,8

2,0

Algemene reserve grondbedrijf

0,0

0,0

0,0

0,0

0,0

0,0

0,9

0,9

Totaal algemene reserves (x € 1 miljoen)

6,8

5,3

8,4

4,9

8,5

6,8

2,9

-3,8

410

€ 578

Stand per 31-12-2019 (x € 1 miljoen)

Totaal algemene reserves per inwoner

€

554

€

€

346

€

642

€

505

€

218

-4,8

€

Bestemmingsreserves algemeen

1,7

0,9

5,0

2,1

5,2

3,0

2,4

-0,6

Bestemmingsreserves ter dekking kapitaallasten

0,8

17,0

1,3

0,0

1,2

4,1

3,9

-0,1

Bestemmingreserve grondexploitatie

0,3

0,8

0,0

0,0

0,0

0,2

0,0

-0,2

Totaal bestemmingsreserves (x € 1 miljoen)

2,8

18,6

6,3

2,1

6,5

7,3

6,3

-0,9

225

€ 1.457

€ 430

Totaal bestemmingsreserves per inwoner

€

€

151

€

491

€

542

€

469

€

Op 31 december 2019 bedragen de algemene reserves (exclusief –nadelig- saldo jaarrekening 2019) van Woudenberg € 218 per inwoner en de bestemmingsreserves € 469 per inwoner. De algemene reserves van Woudenberg zijn op 31 december 2019 € 288 per inwoner lager dan het gemiddelde van de selectiegroep. De bestemmingsreserves van Woudenberg zijn € 73 per inwoner lager dan het gemiddelde van de selectiegroep. Bij de bestemmingsreserves ter dekking van kapitaallasten valt het hoge bedrag bij Kapelle op. Deze gemeente heeft dergelijke reserves voor onder meer de brede school, sportcentrum en aanleg van een tunnel. Het gemiddelde bedrag per inwoner van de algemene reserves (inclusief algemene reserve grondbedrijf/grondexploitatie) van alle Utrechtse gemeenten bedraagt per 31-12-2019 € 399. Het gemiddelde bedrag per inwoner van de bestemmingsreserves van alle Utrechtse gemeenten bedraagt per 31-12-2019 € 786.9 De ontwikkeling van de grondexploitaties Het kengetal grondexploitaties bevindt zich in 2021 de range ‘minst risicovol’ en is zelfs negatief (er is dus een negatieve boekwaarde, dus meer inkomsten dan uitgaven). In de begroting 2021-2024 is een lichte stijging te zien, maar het kengetal blijft ook dan nog ruimschoots binnen de range ‘minst risicovol’.

Het kengetal geeft aan, dat het aandeel van de boekwaarde van de grondexploitaties in het totaal van de baten (exclusief onttrekkingen aan de reserves) van de begroting (op 31 december 2021) gering is. Het kengetal gaat uit van de boekwaarde na aftrek van de gevormde verliesvoorziening. De verliesvoorziening bedroeg op 31 december 2019 circa € 0,4 miljoen. Gemeente Woudenberg kent per 31 december 2019 zes lopende grondexploitaties, waarvan vier woningbouwexploitaties en twee bedrijventerreinen. Twee exploitaties zijn verliesgevend. Bij de bedrijventerreinen is dat Spoorzone A.2 en bij de woningbouw is dat Nijverheidsweg. De zes grondexploitaties worden in principe in de komende vier jaar afgerond en financieel afgewikkeld. Naast de gronden in exploitaties is er ook sprake bezit dat nog in exploitatie genomen moet worden. Dit betreft Hoevelaar fase 2 (ontsluiting Hoevelaar op de N224). Hiervoor heeft de gemeente een voorziening getroffen van € 1,2 miljoen. Deze voorziening staat echter, conform de begrotingsvoorschriften, niet bij de grondexploitaties (debetkant van de balans), maar bij de voorzieningen aan de creditkant van de balans. Vanwege de opgaven in diverse regio’s op het gebied van woningbouw, verwerven gemeenten ook gronden met het oog op gebiedsontwikkeling die op langere termijn gaat spelen.

Dergelijke gronden, waarvan op voorhand vaststaat dat deze als bouwgrond zullen gaan fungeren, maar waarvoor nog geen operationele grondexploitatie is vastgesteld worden in de regel als ‘warme grond’ geduid. Deze gronden worden op de balans opgenomen onder de materiële vaste activa tegen verwervingskosten. Ingeval de gronden

9

-288

Bron: www.Findo.nl

32

-73

nog geen bestemming hebben gekregen als bouwgrond, bestaat de kans dat (tijdelijk) afwaardering moet plaatsvinden naar de waarde volgens de geldende bestemming. Daarnaast is er ook sprake van strategische aankopen. Onder de gronden en terreinen (vaste activa) is in 2019 de aanschaf van het perceel Laagerfseweg 45 opgenomen. Het perceel met bedrijfswoning maakt deel van een groter geheel wat in 2009 door de gemeente Woudenberg is aangekocht. De in 2019 aangekocht woning was in 2009 nog bewoond, na einde bewoning had de gemeente het recht van 1e koop. Voor verdere ontwikkeling óf verkoop van het perceel, afhankelijk van toekomstige plannen, was aanschaf van dit perceel noodzakelijk. De in exploitatie genomen complexen hebben op 31 december 2019 een boekwaarde van € 12,6 miljoen. Er is op 31 december 2019 sprake van een bedrag van circa € 9,5 miljoen aan nog te maken kosten en circa € 24 miljoen aan nog te realiseren opbrengsten. Het beleid inzake grondexploitatie is vastgelegd in de “nota grondbeleid 2019”. De gemeente Woudenberg heeft voor een situationeel grondbeleid gekozen, dat wil zeggen dat de gemeente binnen gestelde kaders per ontwikkeling kiest welke vorm van grondbeleid ze wil voeren. De grondexploitaties worden jaarlijks herzien. De voordelen van de grondexploitatie worden ten gunste gebracht van de algemene reserve grondbedrijf.

Eventuele nadelen komen ten laste van deze reserve. In tabel 1.2.6 is de boekwaarde van de in exploitatie genomen gronden (de nettowaarde, dus na aftrek van al genomen verliezen) opgenomen voor Woudenberg en de gemeenten in de selectiegroep. De gemiddelde boekwaarde van de gemeenten in de selectiegroep is € 3,9 miljoen en het gemiddelde van het balanstotaal is 9,5% Ten opzichte van de selectiegroep is de boekwaarde (op 31 december 2019) relatief hoog evenals het aandeel in het balanstotaal. Tabel 1.2.6 Boekwaarde grondexploitatie in vergelijking tot de selectiegroep (31-12-2019)

Bedragen x € 1 miljoen Hattem Kapelle Lopik Montfoort Reusel-de Mierden Woudenberg

Gronden in % van exploitatie balanstotaal -0,3 -0,8% 7,0 11,2% 0,0 0,0% 1,2 4,3% 11,7 24,3% 12,6 30,0%

Conclusies Weerbaarheid Algemeen Als wordt gekeken naar de ratio’s die inzicht geven in de weerbaarheid van de financiële positie, dan is er geen eenduidige positieve conclusie met betrekking tot de weerbaarheid van de financiële positie van de gemeente Woudenberg te trekken. De schuldpositie is relatief laag en de boekwaarde van de grondexploitaties dalen door verkoop van gronden. Echter de ontwikkeling van de reservepositie geeft wel reden tot zorg. -

-

Schuldpositie De schuld is ten opzichte van de daarvoor geldende signaleringswaarde als percentage van de inkomsten relatief laag. De gemeente verwacht in de komende jaren een verdere daling van de schuld (vooral door ontvangst van inkomsten uit de grondexploitaties). De werkelijke ontwikkeling van de schuld hangt af van de ontwikkeling op het gebied van de grondexploitaties en van andere aan- en verkopen. De hoogte van de schuld is redelijk vergelijkbaar met die van de gemeenten in de selectiegroep. Vaste activa/investeringen De boekwaarde van de vaste activa in totaal lager is dan het gemiddelde van de selectiegroep. Dit betreft vooral:

33

-

-

-

-

Bedrijfsgebouwen (en woonruimten) en investeringen t.b.v. kostendekking (vooral riolering)

Reservepositie De reservepositie staat onder druk als gevolg van nadelige rekeningsaldi en de in de begroting 2021-2024 geprognosticeerde tekorten. Tussen 2017 en 2019 zijn de reserves met € 3,4 miljoen afgenomen. Dit betreft vooral de algemene reserves (algemene reserve en reserve grondbedrijf). Ook de bestemmingsreserves zijn afgenomen als gevolg van het dekken van afschrijvingslasten en inzet van de reserve sociaal domein. Jaarlijks wordt circa € 0,5 miljoen aan de reserves onttrokken voor het dekken van afschrijvingslasten. De reserves dekking kapitaallasten en reserve sociaal domein worden ingezet als dekkingsmiddel in de exploitatiebegroting. Er is in de komende jaren minder ruimte in de reserves om (afschrijvings)lasten te dekken. De algemene reserves van Woudenberg zijn op 31 december 2019 € 288 per inwoner lager dan het gemiddelde van de selectiegroep. De bestemmingsreserves van Woudenberg zijn € 73 per inwoner lager dan het gemiddelde van de selectiegroep. Grondexploitaties Het aandeel van de boekwaarde van de grondexploitaties in exploitatie in het totaal van de baten (exclusief onttrekkingen aan de reserves) is in de jaarrekening 2019 nog relatief hoog, maar neemt in de begroting 2021-2024 snel af.

Wat kan er beter De afhankelijkheid van de exploitatiebegroting van de reservepositie (reserve sociaal domein, reserves ter dekking van kapitaallasten) maakt de financiële positie minder wendbaar. Bij vervang van activa of zodra een reserve uitgeput raakt (sociaal domein), kunnen dekkingsproblemen in de exploitatiebegroting ontstaan.

Aanbevelingen -

Zet in op het verbeteren van de reservepositie (de solvabiliteit) en ontwikkel daar beleid op.

-

Stuur nog strakker op het voorkomen van nadelige rekeningssaldi (zie ook de aanbeveling hierover bij hoofdstuk 1.1).

34

1.2.2 Wendbaarheid De ontwikkeling van de structurele exploitatieruimte Bij dit kengetal wordt gekeken naar de structurele baten en de structurele lasten in vergelijking met de totale baten. Een positief percentage betekent, dat de structurele baten toereikend zijn om de structurele lasten te dekken. Er is dan sprake van meer flexibiliteit in de begrotingen, dus ruimte voor nieuw beleid of om structurele tegenvallers op te vangen. In de begroting 2021-2024 (blz. PA 15) berekent de gemeente dit kengetal voor alle begrotingsjaren negatief. Er is dan ook in alle begrotingsjaren sprake van een structureel nadelig begrotingssaldo. Dit heeft ertoe geleid dat de provincie Utrecht de gemeente onder het verscherpte preventieve toezicht heeft gesteld. Om dit om te buigen naar batige saldi moet de ingezette bezuinigingsoperatie (waaronder een bezuinigingsdialoog) de beoogde financiële ruimte opleveren. Ook moeten nog in de begroting opgenomen taakstellingen uit vorige begrotingen worden gerealiseerd. Er was een taakstelling in vorige begroting van € 0,4 mijoen welke voor een deel is gerealiseerd. Het deel wat nog niet is gerealiseerd is meegenomen in de nieuwe bezuinigingsoperatie sociaal domein. In zijn algemeenheid kan worden gesteld, dat de lasten in grotere mate beïnvloedbaar zijn dan de baten.

De gemeente is voor een groot deel van de inkomsten afhankelijk van de gemeentefondsuitkering en de specifieke uitkeringen. Deze zijn niet door de gemeente te beïnvloeden. Belangrijkste inkomstenbronnen die wel beïnvloedbaar zijn, zijn heffingen, belastingen en baten uit bezit. Vooral de mogelijkheid tot het heffen van belasting komt dan in beeld. Er zijn diverse manieren om de flexibiliteit in beeld te brengen, bijvoorbeeld door na te gaan wat wettelijke taken zijn en wat niet. Er zou dan ruimte kunnen worden gevonden in het schrappen van gemeentelijk beleid en ambitie. Ook kan worden aangegeven waar is gekozen voor een minimale- of een andere uitvoering van taken. Voordat wordt gekeken naar de onderverdeling van lasten en baten in het algemeen wordt ingegaan op keuzes die de gemeente heeft gemaakt die invloed hebben op de flexibiliteit van de begroting. Waarbij doet zich een (mogelijk) negatief effect op de flexibiliteit van de begroting voor?  De structurele onttrekkingen uit de reserves ter dekking van afschrijvingslasten ad € 0,5 miljoen kunnen bij noodzakelijke vervanging tot een budgettair probleem in de begroting leiden. Immers als bij vervanging geen nieuwe reserve beschikbaar is om de afschrijvingslasten te dekken moet alsnog dekking in de exploitatiebegroting worden gevonden.  Tot en met 2018 werden de lasten sociaal domein neutraal in de begroting geraamd.

In 2018 werd het begrote tekort na aftrek van de te ontvangen extra rijksuitkering ten laste van de reserve sociaal domein gebracht. Ook in 2019 tot en met 2021 werd een deel van het tekort ten laste van de reserve sociaal domein gebracht (€ 574.000, € 376.000 en € 146.000). Nu deze reserve uitgeput raakt, komen de volledige lasten van het sociaal domein ten laste van de exploitatiebegroting. Daarvoor moet dus alsnog structurele dekking worden gevonden.  Hoewel de financiële effecten van de in de prognoses opgenomen groei van de gemeente zowel aan de lastenkant al als de batenkant worden ingeboekt zijn de ingeboekte baten (algemene uitkering, OZB) hoger dan de lasten. Een tegenvallende groei heeft een negatief effect op de financiële positie van de gemeente omdat de baten daarvan al structureel zijn ingeboekt.  Er is nog een nog uit te voeren bezuinigingsoperatie met een forse opgave.  Er is een verhoging van het budget wegen benodigd van gemiddeld € 35.000 per jaar. Het hogere budget dekt de gemeente jaarlijks uit de reserve wegen. Voor de benodigde verhoging van het onderhoudsbudget wegen is dus nog geen structurele dekking in de begroting opgenomen. Onderverdeling baten en lasten Om een indruk te krijgen hoe de baten en lasten op kostenniveau zijn opgebouwd en hoe deze zich verhouden tot de gemeenten in de selectiegroep en de gemeenten in de

35

groottegroep 10.000-20.000 inwoners is op basis van de begroting 2021 een vergelijking gemaakt. De begroting 2021 van Woudenberg bestaat voor circa 1/3e deel (33%) uit baten en lasten met betrekking tot de grondexploitatie. Dit beïnvloedt de resultaten bij een vergelijking op basis van baten en lasten uitgedrukt in een percentage van de omzet. Dit bemoeilijkt een zuivere vergelijking. Daarom zijn de baten en lasten met betrekking tot de grondexploitaties bij zowel Woudenberg, de gemeenten in de selectiegroep en de gemeenten in de groottegroep 10.000-20.000 inwoners uit de cijfers geëlimineerd. Uit onderstaande afbeelding10 komt naar voren dat circa 67% van de baten (exclusief baten grondexploitaties) van Woudenberg bestaan uit uitkeringen van het rijk. Daarna volgen qua grootte de gemeentelijke belastingen met circa 15%. Feitelijk zit de flexibiliteit aan de batenkant vooral in de post gemeentelijke belastingen. Deze zijn het meest beïnvloedbaar door de gemeente. Leges worden ook door de gemeente zelf vastgesteld, maar deze zijn gerelateerd aan de hoogte van de daar tegenover staande lasten. De leges mogen nooit hoger zijn dan 100% van deze lasten (kostendekkend). Grafiek 1.2.4 Baten begroting 2021

De opbouw van de baten is bij alle gemeenten redelijk hetzelfde. Op de volgende bladzijde is een vergelijking opgenomen (op basis van de begroting 2021) van de opbouw van de baten van de gemeenten in de selectiegroep en van gemeenten in de grootteklasse 10.000 tot 20.000 inwoners. De conclusie is, dat er (los van de grondopbrengsten in 2021 die uit de cijfers zijn geëlimineerd) geen substantiële verschillen zijn. De uitkeringen van het rijk als percentage van de omzet zijn vergelijkbaar met die van de gemeenten in de selectiegroep en hoger dan het gemiddelde van de gemeenten in de grootteklasse. Ook de belastingopbrengsten liggen als percentage van de omzet niet ver uit elkaar. De inzet van reserves als dekkingsmiddel is in Woudenberg in vergelijking met de selectiegroep hoog, maar is gelijk aan de groottegroep. De opbrengst van huren en pachten is in Woudenberg relatief laag. Tabel 1.2.7 Baten begroting 2021 vergeleken

10

Bron gegevens: www.findo.nl

36

Baten begroting 2021

Gemiddelde selectieWoudenberg groep

10.00020.000 inwoners

Uitkeringen rijk

67,1%

68,0%

64,3%

Belastingen

15,4%

16,0%

15,0%

Leges

7,5%

8,1%

7,0%

Inzet reserves

5,5%

1,7%

5,5%

Overige baten

2,9%

3,1%

4,2%

Huur en pacht

1,1%

2,2%

2,6%

Dividend

0,2%

0,3%

0,5%

Rentebaten

0,1%

0,1%

0,4%

Overige verrekeningen

0,2%

0,4%

0,7%

100%

100%

100%

In tabel 1.2.7 is een vergelijking opgenomen (op basis van de begroting 2021) van de opbouw van de lasten van de gemeenten in de selectiegroep en van gemeenten in de grootteklasse 10.000 tot 20.000 inwoners. Ook hierbij zijn weer de aan de grondexploitatie gerelateerde lasten geëlimineerd uit de cijfers. Tabel 1.2.8 Lasten begroting 2021 vergeleken

Lasten begroting 2021

Gemiddelde 10.000selectie20.000 Woudenberg groep inwoners

Sociale uitkeringen

21,5%

16,7%

17,8%

Overige goederen en diensten

20,0%

15,1%

18,8%

Salarissen en sociale lasten

19,7%

23,8%

17,7%

Gemeenschappelijke regelingen

13,9%

20,5%

19,9%

Inkomensoverdrachten (incl. subsidies)

7,7%

9,4%

9,9%

Duurzame goederen

4,6%

2,9%

2,1%

Afschrijvingslasten

4,2%

4,8%

4,5%

Inhuur derden

3,2%

2,9%

1,5%

Toevoeging aan reserves

2,4%

0,2%

3,1%

Toevoeging aan voorzieningen

1,9%

1,8%

2,0%

Kapitaaloverdrachten

0,1%

0,1%

0,3%

Belastingen

0,1%

0,4%

0,5%

Rentelasten

0,3%

1,0%

1,0%

Overigen verrekeningen

0,3%

0,4%

0,8%

100%

100%

100%

Het meest opvallend in tabel 1.2.8 is het, vooral ten opzichte van de gemeenten in de selectiegroep, hoge percentage lasten op de kostensoort “sociale uitkeringen”. Het is echter aannemelijk, dat dit een verband heeft met het relatief lage percentage bij de kostensoort “bijdragen aan gemeenschappelijke regelingen”. Vooral de gemeenten Kapelle en Lopik ramen relatief weinig lasten op “sociale uitkeringen” (ten opzichte van Woudenberg en de andere gemeenten in de selectiegroep), maar weer relatief veel lasten op “gemeenschappelijke regelingen”. Het gemiddelde van de selectiegroep wordt bij deze twee kostensoorten vooral door deze twee gemeenten beïnvloed. Een verklaring daarvoor kan zijn het verschillend toepassen van de IV-311 voorschriften. In de instructie met betrekking tot de IV-3 staat: “Criterium bij welke instelling de uitgaven aan sociale uitkeringen in geld moeten worden geboekt is bij welke instelling de ‘verantwoording van het budget’ ligt. Bijvoorbeeld een 11

IV-3 staat voor Informatieverstrekking aan derden (Vooral aan het CBS). Gemeenten moeten hun rekeningsen begrotingscijfers volgens een vaststaand format aanleveren aan het CBS. Omdat gemeenten vrij zijn in de indeling van hun begroting, moeten alle grootboeknummers ook een “IV-3 labeling” krijgen. Niet alle gemeenten gaan hier eenduidig mee om.

37

aantal gemeenten werkt samen in een gemeenschappelijke regeling voor de uitvoering van de bijstand. Als zij daarbij ook de bevoegdheden overgedragen, dan dienen de uitkeringen in geld bij de gemeenschappelijke regeling te worden geboekt. Blijft echter de beslissingsbevoegdheid bij de gemeenten liggen, dan is verantwoording door de gemeente van toepassing. De bijdragen aan gemeenschappelijke regeling zal dan, voor wat betreft de inkomensoverdrachten, voornamelijk bestaand uit inkomensoverdrachten ter kostendekking van de uitvoering.” Daarnaast ramen de gemeenten Hattem, Kapelle en Reusel-de Mierden ook lasten voor gemeenschappelijke regelingen op het taakveld overhead. Woudenberg heeft op dat taakveld geen lasten voor gemeenschappelijke regelingen. Bij de vergelijking van de structurele (netto)lasten in hoofdstuk 3 zal hier meer inzicht in moeten ontstaan. Uitgedrukt in een bedrag per inwoner zijn de lasten voor gemeenschappelijke regelingen € 162 per inwoner lager dan het gemiddelde van de gemeenten in de selectiegroep. De lasten sociale uitkeringen € 109 per inwoner lager. De salarislasten zijn € 92 per inwoner lager dan het gemiddelde van de gemeenten in de selectiegroep. De kosten voor “overige goederen en diensten” zijn daarentegen € 106 hoger. De gemeente geeft aan, dat Woudenberg relatief veel taken heeft uitbesteed.

De ontwikkeling van de belastingcapaciteit Uit het kengetal belastingcapaciteit komt naar voren dat de stijging van de woonlasten hoger is dan het landelijk gemiddelde. Dit is overigens een eigen beleidskeuze van de gemeente, net als een eventuele lagere stijging dan het landelijk gemiddelde. In hoofdstuk 2 wordt uitgebreid op ingegaan de belangrijkste eigen inkomstenbronnen van de gemeente en de woonlasten in 2021. Deze worden vergeleken met de selectiegroep. Ook wordt aandacht besteed aan de heffingen in relatie tot de selectiegroep. Conclusies -

-

Algemeen De begroting van de gemeente Woudenberg bevat niet veel flexibiliteit als gevolg van een negatieve uitgangspositie in de begroting 2021-2024 (in alle begrotingsjaren een tekort) en als gevolg daarvan nog in te vullen taakstellingen en bezuinigingsopgaven. De exploitatiebegroting is de afgelopen jaren afhankelijk van de reservepositie, bijvoorbeeld door inzet van de reserves ter dekking van afschrijvingslasten en de reserve sociaal domein. Bij noodzakelijke vervanging of uitputting van deze reserves moet alsnog dekking in de exploitatiebegroting worden gevonden. Vooral bij het sociaal domein is hier nu sprake van. De, per saldo positieve, financiële effecten van de groei van de gemeente zijn al ingeboekt. Een tegenvallende groei heeft een negatief effect op de financiële positie. Naast het verlagen van lasten kan de gemeente nog financiële ruimte vinden door in te zetten ruimte op verhogen van de Onroerende zaakbelastingen (OZB), ervan uitgaande dat de leges, de rioolheffing en de afvalstoffenheffing al kostendekkend zijn.

38

1.3

Weerstandsvermogen (beleid, risico’s, weerstandscapaciteit)

In het BBV is voorgeschreven dat in de begroting en de jaarstukken een paragraaf weerstandsvermogen en risicobeheer moet worden opgenomen. Het weerstandsvermogen wordt bepaald door de mate waarin de gemeente in staat is financiële risico’s en tegenvallers op een zodanige wijze op te vangen waardoor het op dat moment bestaande voorzieningenniveau ongewijzigd kan blijven. Door aandacht voor het weerstandsvermogen te hebben kan bijvoorbeeld worden voorkomen dat elke financiële tegenvaller dwingt tot bezuinigingen. Het weerstandsvermogen bestaat uit enerzijds de beschikbare weerstandscapaciteit en anderzijds de risico’s waarvoor de gemeente nog geen maatregelen heeft getroffen en die van materiële betekenis kunnen zijn voor de financiële positie. Naast de inventarisatie van de weerstandscapaciteit en de risico’s bevat de paragraaf tevens het beleid over beide. Omdat de risico’s die gemeenten lopen verschillen, is er geen algemene norm voor de relatie tussen de weerstandscapaciteit en de risico’s. Gemeenten dienen zelf een beleidslijn te formuleren over de in de organisatie noodzakelijk geachte weerstandscapaciteit in relatie tot de risico’s. Wel dient de weerstandscapaciteit voldoende te zijn om de risico’s af te dekken. De weerstandsratio (beschikbare weerstandscapaciteit in relatie tot de benodigde weerstandscapaciteit) moet dus minimaal 1 zijn.

Een waarde hoger dan 1 geeft aan dat tegenvallers kunnen worden opgevangen zonder grote ingrepen te doen in het voorzieningenniveau. Woudenberg heeft het beleid over risicomanagement vastgelegd · Notitie risicomanagement (2006); · Reserves en voorzieningen (jaarlijks via de Kadernota). Aanvullend daarop is in mei 2020 de “notitie reservepositie en weerstandsvermogen” verschenen. In die notitie is de ontwikkeling van de reserves geschetst en zijn de risico’s geactualiseerd. De conclusie was, dat het weerstandvermogen te laag dreigt te worden. Daarom is bij de behandeling van de begroting 2021-2024 de notitie “herschikking reserves Woudenberg” vastgesteld. Daarin wordt de algemene reserve verhoogd ten laste van de bestemmingsreserve kapitaallasten cultuurhuis, de reserve kunstwerken en de algemene reserve grondbedrijf. In de nota risicomanagement 2006 staat beschreven hoe risico’s worden geïnventariseerd, beoordeeld, beheerst, bewaakt en bijgestuurd. In 2015 is de nota risicomanagement door de gemeente bekeken en hieruit is naar voren gekomen dat de uitgangspunten van de nota nog steeds van toepassing zijn. Prioritering van risico’s vindt plaats aan de hand van een schaalindeling van de kans (groot, gemiddeld, klein). Woudenberg onderscheidt programmarisico’s en risico’s die voortvloeien uit de grondexploitatie.

In de begroting 2021 krijgt “gevolgen budgetoverschrijding sociaal domein” het hoogste risicobedrag, gevolgd door de algemene uitkering. Bij de grondexploitatie hebben de “overige gronden” en dan vooral perceel Laagerfseweg het hoogste risico. Het totale risicobedrag is in 2021 berekend op € 1,7 miljoen (€ 1,2 miljoen programmarisico’s en € 0,5 miljoen risico’s grondexploitatie). De gemeente rekent tot de weerstandscapaciteit: - Algemene reserve - Algemene reserve grondbedrijf - Onbenutte belastingcapaciteit Algemeen wordt een weerstandsratio van 1 gekwalificeerd als “voldoende”. De bandbreedte voor deze kwalificatie is een weerstandsratio van 1 tot en met 1,4. In onderstaande tabellen zijn de weerstandsratio’s voor de jaren 2017 tot en met 2019 (werkelijk) en 2020 en 2021 (begroot) opgenomen. Deze zijn berekend op basis van de informatie in de jaarstukken en begrotingen van de gemeente.

39

Tabel 1.3.1 Weerstandsratio vanaf 2017 (bedragen x 1 miljoen) Algemene reserve Algemene reserve grondbedrijf Onbenutte belastingcapaciteit Weerstandscapaciteit (A)

2017 € 3,3 € 1,8 € 1,0 € 6,0

Werkelijk 2018 € 2,8 € 1,0 € 1,0 € 4,8

2019 € 2,0 € € 1,2 € 3,2

Begroot 2020 2021 € 1,8 € 0,6 € € 0,5 € 1,2 € 1,3 € 3,0 € 2,5

Risicobedrag (na weging) (B)

€

€

0,7

€ 0,5

€ 1,1

6,43

6,07

2,61

Weerstandsratio (A/B)

2,3 2,67

€

1,7 1,46

De weerstandsratio komt in 2021 uit op 1,46 wat ruim voldoende is. In tabel 1.3.1 is te zien dat de algemene reserve grondbedrijf vanaf 2019 niet meer wordt meegenomen bij de berekening van de weerstandscapaciteit. De gemeente geeft hiervoor als reden dat zij deze reserve beschikbaar wil houden voor de toekomstige ontwikkelingen in Woudenberg-Oost. In de begroting 2021 wordt de algemene reserve grondbedrijf echter wel weer meegerekend. De gemeente geeft aan deze reserve nu voor het bedrag aan risico’s grondexploitaties (= € 486.000) wordt meegenomen bij de berekening van de weerstandscapaciteit. Het resterende deel van deze reserve wordt beschikbaar gehouden voor de toekomstige ontwikkelingen in Woudenberg-Oost. Het risicobedrag fluctueert. In 2018 daalt het ten opzichte van 2017 behoorlijk en vanaf 2020 neemt het weer toe. Belangrijkste oorzaken daarvan zijn de risico’s sociaal domein en grondexploitaties. De gemeente neemt bij de berekening van de risico’s bij de jaarrekeningen het in de jaar gerealiseerde saldo (werkelijke lasten ten opzichte van de raming) mee als risico. In 2017 was er sprake van een tekort van € 1 miljoen, in 2018 van € 0,35 miljoen. Bij de risico’s grondexploitaties is in 2018 vooral het risico voor de exploitatie Hoevelaar afgenomen.

De toename van de risico’s in 2020 (begroot) wordt veroorzaakt door het sociaal domein (hoger risico lastenontwikkeling) en risico stelpost tijdelijke rijksmiddelen en daarnaast enkele nieuwe risico’s, waaronder voorziening pensioenregeling wethouders. Voor de grondexploitaties raamt de gemeente in 2020 geen risicobedrag omdat voor eventuele verliezen verliesvoorzieningen zijn gevormd. In de begroting 2021 neemt het risicobedrag weer toe, omdat er weer een risicobedrag voor grondexploitaties (€ 0,5 miljoen) is opgenomen, vooral voor perceel Laagerfseweg. Het door de gemeente in de begroting 2021 opgenomen bedrag aan risico’s ad € 1,7 miljoen komt in totaal neer op een bedrag van € 126 per inwoner. Het gemiddelde bedrag aan risico’s is in de selectiegroep bedraagt € 2,9 miljoen ofwel € 215 per inwoner. Vooral de gemeenten Hattem, Lopik en Reusel-de Mierden hebben een relatief groot bedrag aan risico’s. Bij Hattem is dit vooral bedrijvenpark Hattemerbroek (€ 1,3 miljoen) en afgegeven garanties (€ 0,9 miljoen). Lopik raamt voor risico’s Covid-19 een bedrag van € 2,9 miljoen. Reusel-de Mierden heeft voor de grondexploitaties een risicobedrag van € 1,6 miljoen opgenomen. Tabel 1.3.2 Risico’s als bedrag per inwoner Risico's: Risico's: totaal- bedrag per Begroting 2021 bedrag inwoner Hattem

€

4.965.000

€

403

Kapelle

€

761.000

€

59

Lopik

€

5.125.000

€

351

Montfoort

€

1.096.000

€

78

Reusel-de Mierden

€

2.462.000

€

186

Woudenberg

€

1.693.000

€

126

40

Conclusies -

Algemeen In de begroting 2021 is de weerstandsratio voor de risico’s, inclusief de risico’s grondexploitatie, 1,46. Daarmee is deze ruim voldoende te noemen. Het risicobedrag omgerekend naar een bedrag per inwoner is lager dan het gemiddelde per inwoner van de selectiegroep.

Aanbevelingen -

Stel kaders vast voor de bandbreedte waarbinnen de weerstandsratio zich moet bevinden.

-

Stel vast of de in de algemene reserve grondbedrijf gereserveerde gelden voldoende zijn voor de toekomstige ontwikkelingen in Woudenberg-Oost en welke impact dit eventueel heeft op het weerstandsvermogen van de gemeente.

-

Actualiseer de Notitie risicomanagement 2006.

-

Stuur op het versterken van het weerstandsvermogen, bijvoorbeeld door verkoop van bezit of inzet van een deel van de geraamde hogere baten door groei van de gemeente hiervoor.

41

1.4

Overhead

In het vernieuwde BBV (Staatsblad nummer 101- Besluit van 5 maart 2016) is als uitgangspunt voor de definitie overhead vastgelegd, dat kosten zoveel mogelijk direct worden toegerekend aan de betreffende taken/activiteiten. Dit betekent dat alle bedrijfskosten die direct verbonden zijn aan activiteiten/taken/producten die gericht zijn op de externe klant, in de betreffende taakvelden moeten worden geregistreerd. De overhead wordt centraal begroot en verantwoord op het overzicht overhead via taakveld 0.4 Overhead. In het BBV is één uitzondering gemaakt op het verplicht centraal begroten en verantwoorden van overhead. Dit betreft de toerekening van overhead aan grondexploitaties en te activeren investeringen. Deze uitzondering is gemaakt, omdat het niet toerekenen van overhead aan dergelijke investeringen anders zou leiden tot een begrotingstekort. De jaarlijkse overheadlasten van deze investeringen zouden dan namelijk in één keer ten laste van de exploitatie moeten worden gebracht, in plaats van deze te activeren en meerjarig af te schrijven. Kort samengevat komt de wijziging van het BBV op dit onderdeel neer op de volgende uitgangspunten:  Directe kosten zoveel mogelijk direct toerekenen aan de betreffende taakvelden.  Ondersteunende taken zijn niet direct dienstbaar aan de externe klant of het externe product en behoren daarom tot de overhead.

 Sturende taken vervult door hiërarchisch leidinggevenden behoren tot de overhead. De bijbehorende loonkosten behoren ondeelbaar tot de overhead. De gewijzigde verwerking van overhead in begroting en jaarrekening geldt met ingang van de begroting 2017. Vanaf dat jaar moeten gemeenten ook de verplichte beleidsindicator “overhead als % van de totale lasten” (exclusief toevoegingen aan reserve) in de begroting en jaarrekening opnemen. Er zijn diverse andere mogelijkheden om de overhead aan te relateren, bijvoorbeeld als een percentage van het totaal aantal fte’s. Door de korte tijd dat ervaring is opgedaan met het apart zichtbaar maken van de overhead, kunnen nog geen definitieve conclusies worden verbonden aan vergelijkingen van de kosten van overhead tussen gemeenten. Zo is niet zeker of alle gemeenten eenduidig met het bepalen van de overhead omgaan. Het is bekend dat gemeenten bijvoorbeeld kapitaallasten van het gemeentehuis niet eenduidig in de begroting verwerken. Sommige gemeenten dekken de lasten (deels) uit een reserve. Of een bedrag ineens (wat in het verleden nog was toegestaan en nu niet meer) of via jaarlijkse onttrekking ter dekking van kapitaallasten, waardoor ze geen (volledig) onderdeel uitmaken van de kosten van overhead.

Gemeenten die ambtelijk samenwerken, verwerken de overhead in de eigen begroting op een andere wijze, namelijk als onderdeel van de diverse taakvelden en niet apart op het taakveld overhead. De reden is dat ingeval een organisatie diensten afneemt van een samenwerkingsverband de overhead van het samenwerkingsverband onderdeel is van het uurtarief, dat aan de gemeente wordt doorbelast. Deze lasten komen als gevolg daarvan op de diverse taakvelden en niet op het taakveld overhead. De hoogte van de overhead is, naast de organisatorische indeling, ook afhankelijk van de mate waarin een gemeente taken heeft uitbesteed. Een gemeente die veel taken uitbesteedt, heeft minder eigen overhead. De overhead van de organisatie waaraan taken zijn uitbesteed, is onderdeel van de aan de gemeente in rekening gebrachte uurbedragen en zijn geen onderdeel van de overhead van de gemeente. Er mag vanuit worden gegaan dat hier, door bijvoorbeeld de VNG of de commissie BBV, in de komende jaren nader onderzoek naar wordt gedaan. Om toch een indicatie te geven van de huidige stand van zaken is een vergelijking gemaakt van de kosten van overhead (de lasten) als percentage van de lasten (exclusief toevoegingen aan de reserves) met de gemeenten uit de selectiegroep.

In onderstaande tabel 1.4.1 is overigens het in de begroting van Lopik en Montfoort vermelde percentage Overhead ten opzichte van de lasten (Lopik 27%, Montfoort 22,3%)

42

gecorrigeerd. Deze waren te hoog berekend. Het percentage overhead bij Woudenberg is enigszins vertekend, gelet op het relatief hoge bedrag aan lasten in 2021 door het ramen van de grondexploitaties. Desondanks is de overhead per inwoner relatief laag. Het gemiddelde van de overhead per inwoner van de gemeenten in de selectiegroep bedraagt € 363. Woudenberg zit daar ruim onder. Tabel 1.4.1 Overhead (nettolasten) Overhead

Begroting 2021 Bedrag (x 1 miljoen)

Hattem Kapelle Lopik Montfoort Reusel-de Mierden Woudenberg

€ € € € € €

4,5 4,2 6,2 4,6 4,9 3,8

Bedrag % van per de lasten inwoner 18,0% 362 12,0% 330 18,8% 428 16,4% 327 14,3% 368 10,5% 284

Aanbevelingen -

Stel op regelmatige basis aan de hand van de “Notitie Overhead” van de commissie BBV, vast of de aan overhead toegerekende lasten en baten conform de in die notitie opgenomen definitie van overhead plaatsvindt.

-

Blijf de ontwikkeling van de overhead ten opzichte van bijvoorbeeld regiogemeenten en eventueel landelijk beschikbaar komende cijfers volgen. En doe, voor zover dit nog niet gebeurt en voor zover door de gemeente zelf gewenst, op termijn onderzoek naar de hoogte van de overhead in vergelijking tot andere gemeenten.

43

1.5

Onderhoud kapitaalgoederen

Het beheer van kapitaalgoederen (wegen, water, groen, riolering, gebouwen, sportfaciliteiten etc.) is belangrijk omdat er directe invloed is op het woon-, leef- en werkklimaat van iedereen. Kapitaalgoederen zijn ook nodig om de programmadoelen van de gemeente te realiseren. Om bijvoorbeeld economische ontwikkeling te stimuleren is een goede bereikbaarheid van belang, om onderwijs te geven zijn schoolgebouwen nodig, straatlantaarns en de inrichting van groen leveren een bijdrage aan de sociale veiligheid. De riolering draagt bij aan de gemeentelijke milieudoelstellingen. Kapitaalgoederen leggen blijvend beslag op de gemeentelijke begroting. Niet alleen is geld nodig voor de aanschaf of aanleg, maar ook voor de jaarlijkse kosten van onderhoud. Deze kosten moeten passen binnen de begroting van de gemeente. Een zo volledig mogelijk overzicht en onderbouwing van deze kosten zijn daarom belangrijk voor een goed inzicht in de financiële positie. Bezuinigingen op onderhoud kunnen ertoe leiden dat de gemeente uiteindelijk duurder uit is. Uitstel van noodzakelijk onderhoud schuift kosten naar de toekomst of leidt tot kapitaalvernietiging. De raad is autonoom om het kwaliteitsniveau vast te stellen. Kapitaalvernietiging en/of onveilige situaties moeten echter worden voorkomen. Het vast te stellen kwaliteitsniveau mag daarom niet onvoldoende zijn.

De te maken beleidskeuzes kunnen per voorziening of gebied verschillen, bijvoorbeeld door voor de wegen in het centrum van de gemeente een hoger kwaliteitsniveau en voor de wegen in het buitengebied een lager kwaliteitsniveau vast te stellen. Verschillende keuzes resulteren in verschillende kosten voor beheer. De raad kan kiezen uit kwaliteitsniveaus bij onderhoud, elk met een eigen kostenplaatje. Bij kapitaalgoederen wordt onderscheid gemaakt in dagelijks (klein) onderhoud en in groot onderhoud. Bij klein onderhoud gaat het om dagelijkse reparaties die noodzakelijk zijn om het object in goede, werkende en veilige staat te houden tegen een van tevoren vastgesteld kwaliteitsniveau. Groot onderhoud is in de regel gepland onderhoud van veelal ingrijpende aard als gevolg van slijtage, dat op een substantieel deel van het object wordt uitgevoerd en na een langere periode van gebruik moet worden verricht. Klein en groot onderhoud houden of brengen een object in goede, oorspronkelijke staat en is dus niet van invloed op de bepaalde gebruiksduur (afschrijvingstermijn) van het object en mag daarom niet worden geactiveerd. Als er echter sprake is van renovatie, waarbij het object niet in dezelfde staat blijft en er sprake is van grote kwaliteitstoename, dan moeten de kosten wel worden geactiveerd en over meerdere jaren worden uitgesmeerd.

Uiteraard moeten de financiële gevolgen van het onderhoud van de kapitaalgoederen volledig in de begroting zijn opgenomen. Om dat te bewerkstelligen is nodig dat:  Alle kapitaalgoederen in beeld zijn (ook de kapitaalgoederen die al zijn afgeschreven en daardoor niet in de administratie zijn terug te vinden, maar nog wel bestaan).  De huidige en gewenste staat van onderhoud is vastgesteld (zodat het eventueel extra benodigde budget kan worden bepaald).  De kwaliteit en de kosten van kapitaalgoederen systematisch met elkaar in verband worden gebracht.  De financiële gevolgen zijn vertaald in de begrotingen door middel van het beschikbaar stellen van voldoende budgetten. Achterstallig onderhoud Er kan sprake zijn van achterstand of achterstallig onderhoud als onderhoud niet tijdig volgens de planning wordt uitgevoerd. Bij achterstand is de kwaliteit van het betreffende object (nog) niet aangetast. Bij achterstallig onderhoud is dat wel het geval: er wordt niet (meer) voldaan aan het door de raad vastgestelde minimale kwaliteitsniveau of de wettelijke norm. Achterstallig onderhoud kan ook ontstaan door een onvoldoende financiële vertaling in de begroting van het door de raad vastgestelde kwaliteitsniveau. In de notitie “Materiële vaste activa” (januari 2020) van de Commissie BBV is een belangrijke wijziging doorgevoerd met betrekking tot het ramen van achterstallig onderhoud.

44

Dit houdt in dat het niet langer acceptabel is om het achterstallig onderhoud in te lopen binnen vier jaar tijd. In de praktijk betekent dit, dat de gemeente de voorziening achterstallig onderhoud op basis van artikel 44 lid 1a BBV in één keer moet vormen (in het begrotingsjaar waarin de omvang van het achterstallig onderhoud is vastgesteld en duidelijk is welke maatregelen moeten worden getroffen). Doorgaans wordt de voorziening gevormd middels een overheveling vanuit de (algemene) reserves. In bepaalde gevallen kan achterstallig onderhoud ook worden verholpen door het gehele kapitaalgoed versneld te vervangen. In dat geval is het uiteraard niet nodig om hiervoor nog een voorziening voor achterstallig onderhoud te treffen. De gemeente geeft aan, dat er sprake is van beperkt achterstallig onderhoud bij straten, wegen en pleinen en bij het gemeentehuis. Voor de kapitaalgoederen geldt dat de meeste van de door de raad vastgestelde (beleids)plannen redelijk recent zijn vastgesteld. In februari 2014 heeft de raad de nota IBOR vastgesteld. In deze nota is vast komen te staan dat het huidige onderhoudsniveau van beeldkwaliteit B/C (sober en doelmatig) alleen duurzaam in stand is te houden door naast jaarlijks integraal cyclisch onderhoud ook aandacht te besteden aan planmatig onderhoud voor de renovatie en omvorming van “versleten en niet passende” voorzieningen.

Dit houdt in dat bij een gelijkblijvend regulier onderhoudsbudget in de begroting ook investeringen worden gedaan op het gebied van renovaties. Het onderhoud aan de kapitaalgoederen is gesplitst in regulier en groot onderhoud. Eerder waren voor een groot deel van het groot- en ingrijpend onderhoud voorzieningen getroffen. In 2012 is een aantal voorzieningen voor groot onderhoud (zowel groot onderhoud gemeentelijke gebouwen als voor de onderwijsgebouwen) omgezet naar reserves. Dit betekent, dat zowel het klein als groot onderhoud ten laste van de exploitatie komen, waarna een onttrekking vanuit de reserve ter dekking van de kosten van het groot onderhoud plaatsvindt. Het deel van de kosten voor klein onderhoud blijven ten laste van de exploitatie. Er is nog wel een onderhoudsvoorziening voor vervanging en onderhoud van de riolering. Wegen Uit het wegenbeheerplan 2019-2023 komt naar voren, dat er een structureel tekort is op het budget voor het beheer en onderhoud van de verhardingen. Er is een verhoging van het budget wegen benodigd van gemiddeld € 35.000 per jaar. Het hogere budget dekt de gemeente voor de periode 2020-2023 jaarlijks uit de reserve wegen. Begrotingsjaar 2024 valt onder het nog op te stellen wegenbeheerplan 2024-2028. De gemeente dekt een eventueel tekort 2024 ook uit de reserve wegen.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://gemeentebestuur.woudenberg.nl/api/v1/meetings/1222/documents/30862