11 TG-Ontwerpomgevingsvisie 16 december 2025-gecomprimeerd .pdf
Tekst van het document
Als provincie zijn we in onze aanpak voor stikstofreductie sterk afhankelijk van het Rijk, want het stikstofbeleid van de provincies is aanvullend op het beleid van het Rijk. In de gehele provincie willen we in 2035 de ammoniakemissie met 46% hebben teruggebracht ten opzichte van 2019. Dit willen we bereiken via twee sporen, een generiek en gebiedsspecifiek spoor. De generieke aanpak betreft het provinciebreed terugdringen van ammoniakuitstoot. Dat moet worden bereikt door de autonome ontwikkeling, landelijke opkoopregelingen en door het stoppen van ‘derogatie’, waardoor agrariërs minder mest mogen uitrijden op 68 Ontwerp Omgevingsvisie provincie Utrecht
hun percelen. Als provincie zetten we voor de grondgebonden veehouderij in op reducties door voer- en managementmaatregelen (zoals minder eiwitrijk voeren en vee meer uren in de wei laten staan), geborgd via een emissieplafond per hectare. Niet-grondgebonden veehouderij is niet functioneel gebonden aan een locatie in het landelijk gebied en draagt minder bij aan het beheer daarvan. Het voer wordt meestal vanaf een andere plek aangevoerd en de mest wordt afgevoerd. Voor de niet-grondgebonden veehouderij zetten we in op stalinnovaties (met als uitgangspunt: toepassing van de beste beschikbare technieken) en managementmaatregelen om de emissies te reduceren. De reducties willen we via de Omgevingsverordening borgen middels een emissieplafond per hectare voor de grondgebonden landbouw en een emissieplafond per gerealiseerde dierplaats voor niet grondgebonden veehouderij, met als doeljaar 2035. Gebiedsgericht worden ook maatregelen getroffen. Zo mag binnen N2000-gebieden geen bemesting meer plaatsvinden. Ook rondom zes van onze stikstofgevoelige Natura 2000-gebieden zorgen we voor een reductie van stikstofemissie en -depositie, namelijk middels een stikstofzone van 250 meter rondom de stikstofgevoelige Natura 2000-gebieden (het Habitatrichtlijn deel daarvan) met binnen deze zone beperkte mestaanwending.
Voor alle negen stikstofgevoelige Natura 2000-gebieden geldt bovendien een maatwerkaanpak stalemissies. Bedrijven met grote stallen en veel vee zullen hun uitstoot verder moeten verlagen. Dit kan ook buiten de stikstofzone van 250 meter het geval zijn. Hoe sterker we hier de emissies weten te beperken, des te meer ruimte we kunnen bieden aan de rest van het landelijk gebied. We blijven als provincie de staat van de natuur monitoren en indien nodig passen we ons beleid hierop aan. Dierenwelzijn en volksgezondheid We streven in onze provincie naar een dierwaardige veehouderij. Daarmee sluiten we aan bij het rijksbeleid en de regelgeving voor dierenwelzijn. We vinden het belangrijk dat de veehouderij voldoet aan de zes principes van ‘dierwaardigheid’, zoals geformuleerd door de Raad voor Dieraangelegenheden (RDA). In deze principes staan het welzijn en de gezondheid van dieren centraal. De provincie stimuleert de sector om verder te gaan dan wat wetgeving vereist en heeft om dat voor elkaar te krijgen onder andere subsidies ter beschikking. In gebiedsprocessen is aandacht voor dierenwelzijn, bijvoorbeeld bij het nemen van emissiereducerende maatregelen. In de provinciale Omgevingsverordening is verbetering van dierenwelzijn opgenomen als voorwaarde bij vergroting van het bouwvlak. Hitte en droogte (als gevolg van klimaatverandering) hebben invloed op het welzijn van dieren.
Bij het voorkomen van hittestress hebben natuurlijke oplossingen de voorkeur, zoals een groenblauwe dooradering van weilanden en agroforestry. Emissiereducerende maatregelen in de stal, op het bedrijf en in het gebied zijn verweven met verbetering van luchtkwaliteit en hebben ook positieve invloed op de humane gezondheid. Met betrekking tot de geitenhouderij hebben we momenteel de zogeheten ‘geitenstop’. Vestiging en uitbreiding van geitenhouderij zijn momenteel niet toegestaan. De uitkomst van lopend onderzoek naar gezondheidseffecten en de risico’s wordt hiervoor afgewacht. Verdienmodel met ruimte voor ondernemerschap De provincie Utrecht biedt agrarische ondernemers steeds minder vaak ‘middelsturing’ aan: een methode waarbij bepaalde maatregelen worden opgelegd om een doel te bereiken. Steeds vaker gaan we voor ‘doelsturing’, waarbij de focus meer op de uitkomsten ligt. Dit geeft veel meer ruimte voor ondernemers om zelf te bepalen hoe ze aan doelen gaan voldoen. We ondersteunen agrariërs bij het duurzaam en economisch toekomstbestendig maken van hun bedrijf. Zo kunnen andere teelten bijdragen aan het verdienmodel. Agroforestry kan bijvoorbeeld een interessante nieuwe activiteit zijn, net als de teelt van eiwitrijke gewassen.
Agrariërs kunnen verdienen aan CO₂-opslag door koolstof vast te leggen in de bodem, door biobased materialen te verbouwen (denk aan hout, wilgentenen, hennep, vlas of miscanthus) te leveren voor de bouwopgave of aan grond-, weg- en waterbouwprojecten. Wanneer deze materialen worden verkocht aan bouwpartners, ontstaat een waardevolle extra inkomstenstroom. Daarnaast bieden sommige projecten verkoopbare certificaten of vergoedingen voor de aantoonbare hoeveelheid CO₂ die hiermee langdurig wordt opgeslagen. Vezelgewassen dragen ook bij aan een circulaire economie. Bij het overgaan op andere teelten wordt ook gekeken naar het belang van de cultuurhistorie en het landschap. 69 Ontwerp Omgevingsvisie provincie Utrecht
De provincie Utrecht ziet biologische landbouw als een belangrijke richting binnen de bredere verduurzaming van de sector. Die vorm van landbouw biedt bovendien perspectief op een toekomstbestendig verdienmodel. We streven naar een aandeel van minimaal 15% biologisch landbouwareaal in 2030, wat in lijn is met de landelijke doelstellingen. De haalbaarheid is afhankelijk van de ontwikkeling van de vraag uit de markt en van de inzet van het Rijk. Veel agrariërs in Utrecht hebben activiteiten naast de agrarische activiteiten, voor extra inkomsten. Het gaat bijvoorbeeld om recreatiemogelijkheden, het geven van educatie en het produceren van energie. Deze ‘multifunctionele’ vorm van landbouw zorgt ook voor meer verbinding tussen boer en burger. Voor het bevorderen van het ‘verbreden’ van de bedrijfsvoering en voor multifunctionele landbouw maken we meer ruimte in de provinciale Omgevingsverordening. In de zogeheten transitiegebieden (zie paragraaf 4.4.1) bieden we op basis van onze regelgeving de mogelijkheid om tijdelijk zonnevelden te realiseren als dat bijdraagt aan de gebiedsopgaven. Dit kan ook bijdragen aan het verdienmodel van de agrariër. We willen de beoogde transitie naar een circulaire en natuurinclusieve landbouw stimuleren.
We vinden het belangrijk dat niet-grondgebonden bedrijven opereren binnen de voorwaarden die gelden voor het klimaatbeleid, het bodem- en waterbeleid, het milieubeleid en dierwaardigheid. Systeeminnovaties en technische innovaties kunnen helpen om de bodem-, lucht- en waterkwaliteit goed te houden, hinder door stank te verminderen en het dierenwelzijn te verbeteren. Die innovaties ondersteunen we dus ook, door pilots te organiseren, kennis te delen en subsidies te verstrekken. Het sluiten van kringlopen is ook hier relevant: restproducten van de voedingsmiddelenindustrie kunnen bijvoorbeeld gebruikt worden als grondstof voor het produceren van veevoer. Omdat er binnen de provincie Utrecht weinig ruimte is en de belasting voor het milieu niet mag toenemen, zijn we terughoudend in het beleid voor vestigings- en groeimogelijkheden voor de niet-grondgebonden veehouderij. Grond en landbouwstructuur Een goede landbouwstructuur is een belangrijke basis voor een grondgebonden agrarisch bedrijf. Melkveehouderijbedrijven worden steeds meer grondgebonden: de bedrijven hebben meer grond bij het bedrijf, zodat de dieren meer in de wei kunnen lopen en meer eigen voer beschikbaar is. Daarmee wordt de ammoniakemissie verkleind en de hoeveelheid transport verminderd.
Duurzamer landgebruik wordt verder gestimuleerd door vrijwillige en wettelijke kavelruil en de aanleg van een daarbij passende infrastructuur. De grondgebonden landbouw is voor voedselproductie op basis van een duurzame en economisch gezonde bedrijfsvoering afhankelijk van voldoende grond. Met het bestaande areaal landbouwgrond, waar een deel van vrijkomt door agrariërs die stoppen, moet zorgvuldig worden omgegaan: de schaarse ruimte moet efficiënt worden gebruikt en ‘functies’ moeten slim worden gecombineerd. Het belang van de landbouw kan daarbij meer worden meegenomen. Juist gebieden die mogelijk zeer geschikt zijn voor voedselproductie willen we zoveel mogelijk behouden als landbouwgrond. Het gaat met name om kleigronden en klei-op-veengronden in het Kromme Rijngebied, delen van de Gelderse Vallei en delen van het Groene Hart. Dat betekent overigens niet dat er geen functiewijziging meer plaats kan vinden. Stimuleren van de consumptie van duurzaam en gezond voedsel Om bij te dragen aan de voedselzekerheid en klimaat- en duurzaamheidsdoelen te halen, moeten mensen plantaardiger gaan eten en moet er minder voedsel verspild worden. Het eten van lokaal en duurzaam geproduceerd voedsel maakt voedselproductie zichtbaarder voor inwoners en draagt eraan bij dat de boer een betere prijs krijgt voor zijn producten.
De catering in het Provinciehuis en tijdens evenementen is zoveel mogelijk lokaal en duurzaam, want goed voorbeeld doet volgen. Er ontstaan meer mogelijkheden voor lokale gemeenschapslandbouw: coöperaties van burgers en kleine agrarische bedrijven die zich richten op biodiversiteit en diversificatie van producten (onder andere: meer plantaardig) in ‘korte ketens’. Het gaat om familiebedrijven en ook om herenboeren, oogsttuinen (Community Supported Agriculture) en voedselcoöperaties. 70 Ontwerp Omgevingsvisie provincie Utrecht
Ook in de stad kunnen plekken zijn waar voedsel geproduceerd wordt in combinatie met sociale en recreatieve functies en gemeenschappen. Voorbeelden van zulke 'voedsel-verbindingsplekken' zijn stadsboerderijen en gemeenschapstuinen. Agrarische bouwpercelen en ruimtelijke ontwikkelingen voor de landbouw Om de landbouw een blijvend economisch perspectief te bieden in het landbouwgebied, staan we ondernemingen ‘in algemene zin’ toe om door te groeien tot een bouwperceel van maximaal 1,5 hectare. Voor de grondgebonden veehouderij is doorgroei naar een bouwperceel van 2,5 hectare mogelijk. Dan moet de activiteit wel in het landschap passen, moet het dierenwelzijn verbeteren, de belasting van het milieu verminderen, de impact op volksgezondheid verbeteren en de groenblauwe dooradering toenemen. Dat willen we in de toekomst meten op basis van KPI’s die al gebruikt worden in de Utrechtse Monitor Duurzame Landbouw. Nieuwvestiging van landbouwbedrijven staan we in principe niet toe. Dit omdat door de voortgaande schaalvergroting voldoende bouwkavels van stoppende bedrijven beschikbaar komen. De provincie Utrecht wil verstening en aantasting van het landschap voorkomen. Voor nieuwe duurzame voedselinitiatieven (zoals Community Supported Agriculture en ‘herenboeren’: coöperatieve boerderijen) met sociale impact wordt een uitzondering gemaakt.
Zij mogen zich vestigen op een vrijkomend agrarisch bedrijf of op een locatie die in het verleden agrarisch bedrijf was. De provincie Utrecht maakt specifiek beleid voor een aantal gebieden en soorten landbouw: ▪ Er is ‘landbouwstabiliseringsgebied’, bedoeld om de functie natuur of wonen te beschermen tegen de invloeden van niet-grondgebonden veehouderij. Uitbreiding of vestiging van niet-grondgebonden veehouderij is hier niet mogelijk. ▪ Ook is er ‘landbouwontwikkelingsgebied’, waarin niet-grondgebonden veehouderijen onder voorwaarden kunnen doorgroeien naar een bouwperceel van maximaal 2,5 hectare. ▪ Glastuinbouw concentreren we in twee ‘concentratiegebieden glastuinbouw’, in de Harmelerwaard en in de polder Derde Bedijking in De Ronde Venen. Het samengaan van glastuinbouwbedrijven vinden we uit landschappelijk oogpunt gewenst en levert economische en milieutechnische voordelen op, bijvoorbeeld door samenwerking op het vlak van duurzame energie. Zo is de winning van aardwarmte efficiënter bij grotere hoeveelheden. De toekomst van de glastuinbouw staat in beide gebieden onder druk; daarom proberen we per gebied afspraken te maken over een meer duurzame bedrijfsvoering. ▪ De vestiging en uitbreiding van geitenhouderijen staan we niet toe. Dit met het oog op de negatieve impact van die bedrijven op de volksgezondheid.
Als er wat dat betreft nieuwe ontwikkelingen zijn, gaan we ervan uit dat het Rijk gepaste maatregelen neemt. ▪ De omschakeling naar sierteelt (inclusief bloembollen, bloemen, bomen en vaste planten) en ook de verpachting van grond ten behoeve van sierteelt staan we niet toe, omdat in deze teelten veel schadelijke gewasbeschermingsmiddelen worden gebruikt. Een uitzondering geldt voor situaties waarin van het gebruik van chemisch-synthetische gewasbeschermingsmiddelen wordt afgezien. Nieuwe functies voor stoppende agrarische bedrijven Er zijn veel agrarische bedrijven die stoppen. Wanneer het bouwperceel gunstig is gelegen ten opzichte van goede landbouwgrond, en niet gelegen is in NNN of Groene Contour, dan heeft het behoud van het bouwperceel voor landbouwdoeleinden de voorkeur. Wanneer dit niet het geval is, kan de locatie gebruikt worden voor een andersoortig bedrijf of voor de functie wonen, wat kan betekenen dat de vitaliteit van het gebied behouden blijft. Vrijkomende bebouwing kan worden benut voor wonen en passende sociale en economische functies. Passend wil zeggen dat de vitaliteit van het buitengebied wordt bevorderd, hinder voor de omgeving wordt voorkomen, de nieuwe functie kleinschalig van aard is en optimaal in het landschap wordt ingepast.
Waar nodig vragen we een passende tegenprestatie om compensatie te bieden voor het feit dat er stedelijke functies in het buitengebied worden gevestigd. Sloop van overtollig geworden agrarische bedrijfsbebouwing blijft overigens het uitgangspunt. Als de agrarische functie vervalt, zijn er drie mogelijkheden: ▪ De bedrijfswoning krijgt een woonfunctie, overtollig geworden bedrijfsgebouwen worden gesloopt en het erf wordt duurzaam heringericht. 71 Ontwerp Omgevingsvisie provincie Utrecht
▪
Er komt een andere bedrijfsfunctie, waarvoor de agrarische bedrijfsbebouwing deels wordt hergebruikt, of er komt nieuwe ‘bedrijfsbebouwing', maar wel minder, in de plaats van de agrarische bedrijfsbebouwing. ▪ De bedrijfswoning krijgt een woonfunctie, overtollig geworden bedrijfsgebouwen worden gesloopt en in plaats daarvan worden één of meerdere woningen gebouwd. Combinaties zijn mogelijk, al is de combinatie van een agrarisch bedrijf met meerdere woningen (‘wonen bij de boer’) met het oog op overlast en milieurisico's in veel gevallen ongewenst. Als de functie op een locatie verandert, moet dat beperkt blijven tot het bestaande erf. De verandering moet bovendien leiden tot verbetering van de omgevingskwaliteit. Dat kan worden bereikt door een overtollig geworden gebouw te slopen. Een gemeentelijke sloopmetersystematiek kan bij ‘functieveranderingen’ van pas komen. Die systematiek biedt erfeigenaren de keuze of zij zelf een andere bedrijfsfunctie of extra woningen realiseren, of dat hun sloopmeters (door anderen) op een andere locatie worden ingezet. Hanteert een gemeente geen sloopmetersystematiek, dan wordt een sloopnorm gehanteerd: Bij functieverandering naar wonen: 2 m2 sloop in ruil voor 1 m3 woonvolume Bij functieverandering naar een bedrijfsfunctie: 50% van de agrarische bedrijfsbebouwing.
Als sloop wordt gecombineerd met de bouw van woningen, moeten die wel passen bij de plannen van de gemeente om te voorzien in de woningbehoefte. Daarom wordt het aantal woningen niet beperkt, alleen het (totale) woonvolume. Dan kunnen meer kleinere woningen in eenzelfde volume worden gerealiseerd. De gerealiseerde woningen worden meegeteld in het Provinciaal Programma Wonen en Werken (PPWW). Gemeenten kunnen binnen de provinciale instructieregels ‘ruimtelijk beleid’ of een programma vaststellen voor voormalige agrarische locaties die een nieuwe functie krijgen. In combinatie met de sloopmeterystematiek biedt dit veel flexibiliteit en veel mogelijkheden voor erfeigenaren, mits de kwaliteiten van het landelijk gebied behouden blijven of versterkt worden. De provincie ondersteunt gemeenten bij het laten bijdragen van functieveranderingen aan de ontwikkeling naar een toekomstbestendig landelijk gebied. Ook stimuleren we samenwerking tussen gemeenten bij het aanpakken van leegstand van agrarische bebouwing. Uitgangspunt is wel dat de grond die om de agrarische bebouwing heen ligt bestemd blijft voor agrarisch gebruik, tenzij functiewijziging wenselijk is voor andere opgaven, ook als onderdeel van een gebiedsproces.
72 Ontwerp Omgevingsvisie provincie Utrecht
Kaart 12. De beleidskaart toont de geografische ligging van de werkingsgebieden van ons beleid op het gebied van duurzame landbouw
Uitvoering geven aan beleid voor duurzame landbouw Vanuit de rollen Stimuleren
Realiseren
Reguleren
Toelichting Subsidies voor agrarisch natuurbeheer en aanleg en herstel kleine landschapselementen. Ondernemersprogramma met subsidies, persoonlijke ondersteuning (‘Vraagbaak Landbouw’ en plattelandscoaches) en een kennisprogramma. ▪ Bevorderen gemeentelijke regels die bijdragen aan het behouden van goed gesitueerde agrarische bouwpercelen en landbouwgrond. ▪ Utrechts Programma Landelijk Gebied 2026-2035 ▪ Toekomstbeeld Landbouw en Voedsel 2050. ▪ Uitvoeringsprogramma Landbouw en Voedsel 2026-2029 ▪ Uitvoeringsprogramma Agenda Natuurinclusief 2026-2029. ▪ Aanpak Vrijkomende Agrarische Bebouwing: Erven met Perspectief. ▪ Instructieregels voor agrarische bedrijven en agrarische bedrijfspercelen, nevenactiviteiten, omschakeling naar sierteelt, nieuwvestiging, geitenhouderijen en glastuinbouw. ▪ Regels voor stikstof ▪ ▪
73 Ontwerp Omgevingsvisie provincie Utrecht
4.4
Duurzame energie en circulaire samenleving
Wijzigingen ontwerp Omgevingsvisie 2025 paragraaf 4.4 - Inhoudelijke aanpassingen m.b.t. netcongestie, warmte-opslag en warmte-oplossingen, toekomstbestendig energiesysteem, zonne-energie - Circulaire samenleving toegevoegd aan het thema. Ruimte voor circulaire energie, beschermde status bedrijventerreinen, integrale klimaataanpak. - Update teksten De provincie Utrecht werkt hard aan een circulaire samenleving en een duurzaam, klimaatneutraal, robuust en betaalbaar energiesysteem voor alle inwoners. ‘Robuust’ betekent in dit geval: veerkrachtig, stabiel, betrouwbaar en bestand tegen storingen en schommelingen. Kenmerkend voor onze provincie is dat veel inwoners openstaan voor innovaties op het gebied van energie en dat veel bedrijven energie gespreid inkopen (waardoor ze profiteren van prijsdalingen, risico's spreiden en flexibiliteit creëren). Een derde kenmerk is dat er veel druk is op de ruimte en veel beperkingen zijn voor energieproductie, energietransport en energieopslag door andere functies. De diensteneconomie in de provincie Utrecht is groot en kan op het gebied van kennisontwikkeling en innovatie bijdragen aan de circulaire samenleving. De centrale ligging en de aanwezigheid van logistieke assen zoals het AmsterdamRijnkanaal maken de regio interessant en aantrekkelijk voor circulaire ketens.
De provincie kenmerkt zich door weinig industrie, wat betekent dat veel van de energievraag voortkomt uit de gebouwde omgeving en de mobiliteitsvraag. De concentratie van het stedelijk gebied en de grote open ruimten bieden kansen voor het verlagen van de broeikasgasuitstoot. In steden wonen meer mensen op een kleinere oppervlakte, waardoor er minder energie per persoon nodig is voor verwarming, waterbeheer en mobiliteit. Door kleinere reisafstanden is er minder afhankelijkheid van fossiele brandstoffen en kan geïnvesteerd worden in efficiënte, duurzame ov-netwerken en wandelmogelijkheden en kan het gebruik van de fiets worden gestimuleerd. Het landelijk gebied en de natuur bieden kansen om CO₂ en koolstof langdurig in de bodem op te slaan. Materialen (hout en gewassen) kunnen worden toegepast en hergebruikt in ‘biobased (ver)bouwketens om zo de levensduur van producten en materialen te verlengen.
Afbeelding 16. Collage met een sfeerbeeld van een aantal beoogde ontwikkelingen vanuit het thema duurzame energie en circulaire samenleving (bron: BVR i.s.m. provincie Utrecht, 2025)
74 Ontwerp Omgevingsvisie provincie Utrecht
4.4.1 Duurzame energie Opgaven De uitstoot van broeikasgassen en luchtvervuiling door fossiele brandstoffen zorgen voor klimaatverandering en een ongezonde leefomgeving. Om daar iets aan te doen is het belangrijk de energietransitie te versnellen. De huidige afhankelijkheid van fossiele brandstoffen geeft ook economische onzekerheid; we zijn afhankelijk van andere landen voor de levering. Tegelijkertijd leidt minder afhankelijkheid van fossiele brandstoffen tot een groei van de elektriciteitsvraag en het aanbod. Dit zorgt voor ‘netcongestie’: het elektriciteitsnet raakt overbelast omdat het aanbod en de vraag niet altijd in balans zijn. Ook heeft het net op veel plekken onvoldoende capaciteit om pieken op te vangen. Dit belemmert nieuwe aansluitingen voor woningen en bedrijven en uitbreiding van duurzame initiatieven. Doel van de energietransitie in de provincie Utrecht is de ontwikkeling naar een klimaatneutraal en duurzaam energiesysteem, passend bij de toekomstige ontwikkelingen. ‘Klimaatneutraal’ wil zeggen dat de netto-uitstoot van broeikasgassen nul is. Bij dit doel horen uitdagingen die te maken hebben met de inrichting van de fysieke leefomgeving.
Voorbeelden van die ‘ruimtelijke opgaven’ zijn: het uitbreiden van en zoeken naar nieuwe locaties voor hoogspanningsstations, het aanleggen van nieuwe hoogspanningstracés, het ontwikkelen van warmtenetten, warmteopslag en -winning uit bodem en water en het realiseren van voldoende opwekking van wind- en zonneenergie (zie kaart 13: opgavekaart Duurzame energie). Dit vereist een geïntegreerde aanpak, met aandacht voor alle bovengenoemde belangen. We werken aan de opgaven terwijl we ook kijken naar andere opgaven, bijvoorbeeld op het gebied van klimaatmitigatie en –adaptatie en mobiliteit. Ook is het van belang dat de transitie ‘inclusief’ verloopt, wat betekent dat we betaalbaarheid en het voorkomen van energiearmoede belangrijk vinden.
Ambities ▪ ▪ ▪ ▪ ▪ ▪ ▪
2030: 1,5% energie besparen per inwoner per jaar. 2030: 55% aandeel hernieuwbare elektriciteit op het eigen grondgebied opgewekt. 2030: behalen opwekdoelstellingen voor duurzame elektriciteit met grootschalige zon- en windprojecten van 2,4 TWh (doel gesteld vanuit de Regionale Energiestrategieën). 2040: klimaatneutrale energievoorziening. 2050: voldoende opwek voor energiebehoefte gebouwde omgeving. 2050: de provincie Utrecht is zo spoedig mogelijk en uiterlijk in 2050 klimaatneutraal. 2050: voor nieuwe elektriciteitsopwekking en warmtenetten lokaal zeggenschap borgen met een minimum van 50% lokaal of publiek eigendom.
Deze ambities worden uitgewerkt in de volgende paragrafen.
75 Ontwerp Omgevingsvisie provincie Utrecht
Beleid De provincie Utrecht wil in 2040 een klimaatneutrale energievoorziening hebben en zo spoedig mogelijk, uiterlijk in 2050, een klimaatneutrale provincie zijn. We maken het energiesysteem toekomstbestendig door de vraag naar en het aanbod van energie, zowel in tijd als locatie, dichter bij elkaar te brengen. Het toekomstige energiesysteem zal bestaan uit vier energieketens: elektriciteit, warmte, koolstof en waterstof. Het systeem zal zowel centraal als decentraal zijn ingericht, het laatste om minder afhankelijk te zijn van het nationale en internationale elektriciteitsnet. Lokaal zal in de provincie Utrecht energie worden opgewekt uit zon en wind, aangevuld met warmte en koude uit bodem, water en lucht. Het verwarmen van gebouwen en mobiliteit zijn de grootste energievragers van de provincie; elektriciteit is een belangrijke duurzame energiebron. Om overbelasting van het elektriciteitsnet te voorkomen, streven we ernaar om waar dat kan met collectieve warmtenetten of lokale duurzame warmtebronnen te verwarmen. Slimme netwerken zorgen ervoor dat vraag en aanbod continu op elkaar afgestemd blijven. Daarvoor is het van belang de momenten waarop er veel vraag naar energie is flexibel te maken én de energieopslag te maximaliseren. Dit is ook vastgelegd in de Energievisie 2024-2050.
Verduurzamen woningen, bedrijven en organisaties In de toekomst willen we in de provincie Utrecht geen gebruik meer maken van aardgas. Een van de voorwaarden hiervoor is dat de vraag naar warmte omlaag gaat. We voorzien huiseigenaren en bewoners van kennis en financiële ondersteuning om energiebesparende maatregelen te nemen. Gemeenten nemen het initiatief voor isolatieprojecten in slecht geïsoleerde woningen. Dit verlaagt het energieverbruik en helpt ook bij de strijd tegen ‘energiearmoede’ (laag inkomen, hoge energielasten). Er wordt ingezet op isolatiemethoden waarbij het gebruik van biobased isolatiemateriaal (bijvoorbeeld hennep of stro) wordt gestimuleerd en waarbij rekening wordt gehouden met aanwezige diersoorten zoals vleermuizen. Dit draagt bij aan een duurzamere aanpak van de isolatieopgave. Investeren in isolatie verlaagt energierekeningen voor bewoners en draagt bij aan een comfortabel binnenklimaat. Provincie en gemeenten werken hier samen aan. De provincie stimuleert ook passieve en actieve koeling. Voor bedrijven en maatschappelijke organisaties geldt de energiebesparingsplicht. Dat betekent dat voor het betreffende bedrijfs- of maatschappelijk gebouw alle van toepassing zijnde energiebesparende maatregelen met een terugverdientijd van maximaal vijf jaar moeten worden uitgevoerd. Deze staan in de Erkende maatregelenlijst (EML) van de rijksoverheid.
De omgevingsdiensten houden hier toezicht op. Daarnaast helpen we bedrijven en maatschappelijke organisaties met het treffen van andere verduurzamingsmaatregelen zoals extra energiebesparingsmaatregelen, het overstappen naar duurzame energiebronnen, het installeren van warmtepompen of warmte-koude installaties en het opslaan van energie. Ondersteuning en stimulering is er via het landelijk programma voor verduurzaming van bedrijventerreinen en de landelijke ontzorgingsprogramma's voor maatschappelijk vastgoed en het midden- en kleinbedrijf. Om te zorgen voor effectieve en efficiënte maatregelen willen we de komende jaren intensief samenwerken met gemeenten, maatschappelijke organisaties en ondernemers. Gebruik van duurzame warmte- en koudebronnen Voor de energietransitie is het belangrijk dat er gebruik wordt gemaakt van lokale warmte- en koudebronnen, zoals: ▪ Aquathermie (uit oppervlaktewater, rioolwater of drinkwater). ▪ Bodemenergie/aardwarmte (uit warmte en koude uit de ondergrond, waarbij aardwarmte uit de diepe ondergrond komt (doorgaans dieper dan 500 meter). ▪ Restwarmte van bedrijven. Met warmtenetten kan collectief van warmtebronnen gebruik worden gemaakt, kunnen die bronnen beter worden ingezet en kan warmte ook worden opgeslagen. Daarom vragen we gemeenten om waar mogelijk voor warmtenetten te kiezen.
Daarbij heeft het de voorkeur om als warmtebron voor warmtenetten zo min mogelijk gebruik te maken van ‘systeemenergiebronnen’, zoals gas en elektriciteit. In volgorde van wenselijkheid zien we bij voorkeur: ▪ warmte uit restwarmte; ▪ warmte uit aardwarmte/geothermie of zonthermie; ▪ warmte uit aquathermie; 77 Ontwerp Omgevingsvisie provincie Utrecht
▪ warmte uit overige bronnen (elektrische boiler/warmtepomp of biomassa). Waar warmtenetten niet mogelijk zijn, hebben netbewuste warmtepompen onze voorkeur. Tot 2030 kunnen dit hybride warmtepompen zijn, die flexibel met de vraag naar stroom omgaan en automatisch naar gas kunnen overschakelen. Met het oog op de ‘warmtetransitie’ bereidt de provincie zich voor op nieuwe wettelijke rollen en bevoegdheden. De nieuwe Wet collectieve warmte (Wcw) treedt naar verwachting in 2027 in werking en geeft de provincie een adviesrecht op het moment dat een collectieve warmtevoorziening betrekking heeft op het grondgebied van meerdere gemeenten. Hetzelfde geldt voor een situatie waarin een warmtebron meerdere gemeenten van warmte kan voorzien. De provincie wil vooral vooraf in overleg met de regio’s tot afspraken komen over het verdelen van warmte uit oppervlaktewater en andere schaarse bronnen. We willen een actieve bijdrage leveren aan de ontwikkeling van geothermiebronnen. Uitgangspunt is: per buurt maximaal twee ‘energiedragers’. Waarbij aangetekend dat de rol van gas bij het verwarmen van huizen en gebouwen zeer beperkt zal zijn. De voorkeur gaat uit naar de maatschappelijk meest kosteneffectieve energiesystemen, die zorgen voor zorgvuldig ruimtegebruik en gebruik van de ondergrond. We zullen gemeenten daarom ondersteunen bij het opstellen- en uitvoering van de warmteprogramma's.
Duurzame elektriciteitsopwekking De provincie ondersteunt en stimuleert gemeenten bij het maken van plannen voor duurzame elektriciteitsopwekking met zonne- en windenergie. In de Regionale Energie Strategieën (RES’en) is afgesproken om in 2030 2,4 TWh in de provincie op te wekken. Samen met kleinschalige opwek zou dat aan 55% van de elektriciteitsvraag moeten voldoen. Met de verwachte groei van de elektriciteitsvraag is het niet zeker meer dat die 55% in 2030 wordt gehaald. Dit hangt deels af van de verdere groei van de kleinschalige opwek van zonne-energie op daken. De provincie neemt haar verantwoordelijkheid om bij te dragen aan het behalen van de RES-doelstellingen. Voor windenergie in de provincie is een PlanMer opgesteld: dat is een rapport met daarin de verwachte gevolgen voor het milieu. Daaruit zijn de meest kansrijke gebieden voor windturbines in de provincie vastgesteld. Met een provinciaal projectbesluit maken wij in een aantal van deze kansrijke gebieden de ontwikkeling van windturbines planologisch mogelijk. De komende tijd zal de provincie mogelijk op meer plekken deze projectbesluiten nemen. In 2023 zijn landelijk bestuurlijke afspraken gemaakt over de ‘voorkeursvolgorde’ voor zonne-energie.
De voorkeursvolgorde voor zonne-energie betekent in grote lijnen dat zonne-energie zoveel mogelijk op daken van woningen, bedrijven en maatschappelijke voorzieningen opgewekt wordt. En dat opwek van zonne-energie op land te maken heeft met uitzonderingsregels. De komende jaren worden nieuwe afspraken gemaakt over duurzame elektriciteitsopwekking voor de periode na 2030; die afspraken zijn onderdeel van een bredere programmering van het energiesysteem van de toekomst. We gaan uit van (in totaal) 7,5 TWh duurzame opwek tot 2050. Met de huidige techniek zijn hiervoor nodig: ruim 4.200 hectare aan zon op daken en op land en ongeveer vijftig windturbines. Hoe de verdeling van energiebronnen precies zal zijn, hangt van veel factoren af en zal in de komende tijd duidelijker worden. Duurzame opwekking van energie heeft relatief veel ruimte nodig. Die willen we ook bieden, maar wel zoveel mogelijk met ‘meervoudig ruimtegebruik’ (meerdere functies op één plek heeft de voorkeur) en rekening houdend met andere opgaven. Dus zonnepanelen op daken van (nieuwe) huizen, bedrijven, et cetera. Ook het verduurzamen van bedrijventerreinen kan samengaan met het plaatsen van zonnepanelen.
En we koppelen het opwekken van zonne-energie bij voorkeur aan een gebiedsgerichte aanpak in het landelijk gebied, waarbij ook thema’s als stikstofreductie, klimaatadaptatie, natuurontwikkeling, de waterkwaliteit en de agrarische sector worden meegenomen. In de komende periode wijzen we zogeheten transitiegebieden aan; dit zijn gebieden die nu nog een agrarische bestemming hebben. Via bestuurlijk bindende afspraken of als onderdeel van een gebiedsproces zullen die op termijn van functie veranderen. Het worden dan natuur-of recreatiegebieden of ze worden gebruikt voor wonen of werken. Ook kan het zijn dat door de bodemkwaliteit (bodemdaling, vernatting, verzilting) een gebied structureel minder geschikt is of wordt voor landbouw. In bijvoorbeeld bufferzones rond Natura 2000-gebieden of bodemdalingsgebieden in veenweidelandschappen kan dan zonne-energie worden opgewekt als het bijdraagt aan de gebiedsopgaven, past in de natuur en het landschap en kan worden aangesloten op het elektriciteitsnetwerk.
78 Ontwerp Omgevingsvisie provincie Utrecht
Ook wordt gekeken naar de mogelijkheden voor ‘cablepooling’: dat is het delen van elektriciteitskabels met verschillende vormen van opwek. Ook volgen we de ontwikkeling van Small Modulair Reactors (kleine kerncentrales). Daarbij worden de technische en financiële haalbaarheid en de risico’s en effecten voor de leefomgeving nadrukkelijk meegenomen. Afhankelijk van de uitkomst daarvan kan later worden afgewogen of toepassing in onze provincie in de toekomst haalbaar en wenselijk is. Energietransitie participatie Energie wordt niet alleen duurzaam geproduceerd, maar ook eerlijk verdeeld. Bewoners en bedrijven participeren in de energietransitie door mede-eigenaar te worden van lokale energieprojecten. Dit zorgt voor zeggenschap, draagvlak en betrokkenheid. We streven naar minimaal 50% lokaal eigenaarschap bij nieuwe elektriciteitsopwekking en warmtenetten. De provincie ondersteunt energiecoöperaties bij het starten van coöperatieve energieprojecten. Hiervoor is een servicepunt voor lokale energiecoöperaties opgezet, in samenwerking met koepelcoöperatie Energie van Utrecht en de Natuur en Milieufederatie Utrecht. Energiecoöperaties en energiegemeenschappen kunnen een belangrijke rol spelen in de gebouwde omgeving door kleinschalige opwek van energie te organiseren, lokale warmteoplossingen tot stand te brengen en te helpen bij het isoleren van woningen en gebouwen.
In toenemende mate zullen energiecoöperaties ook een rol gaan spelen in collectieve warmteoplossingen. Als we vanuit de Energiewet, provinciaal belang of op verzoek van een gemeente optreden als ‘bevoegd gezag’ is de provincie verantwoordelijk voor het bevorderen van lokaal eigendom en bredere participatie voor windenergieprojecten. Dit wordt ingevuld in het Beleidskader Lokaal Eigendom en Participatie. Bij grootschalige zonne-energieprojecten zijn gemeenten bevoegd gezag en helpt de provincie bij het vormgeven van lokaal participatiebeleid. Een toekomstbestendig energiesysteem Voor een samenhangend en duurzaam energiesysteem is lokale sturing nodig, opdat de vraag naar en het aanbod van energie goed op elkaar aansluiten. De energievraag moet flexibeler worden, zodat energie goed gebruikt en opgeslagen wordt op momenten dat er veel van beschikbaar is. Slimme laadpalen gaan bijvoorbeeld laden op gunstige momenten, wat er ook voor zorgt dat energie goedkoper wordt. Het energiesysteem van de toekomst vraagt om ruimte in de fysieke leefomgeving, bijvoorbeeld voor de opslag van energie, warmtenetten en aardwarmtewinning. Die ruimte kan het best in de nabijheid van transformatorstations worden gecreëerd, of bij duurzame opwek-locaties of bedrijventerreinen. Daarbij moet ook aandacht zijn voor andere belangen, zoals de bodem- en waterkwaliteit.
Met het opstellen van een provinciaal Meerjarenprogramma Infrastructuur Energie en Klimaat (p-MIEK) krijgt de provincie invloed op de planning van de uitbreiding van de infrastructuur van het Utrechtse energiesysteem. In pMIEK-projecten zal de inzet van de provincie groter zijn dan gebruikelijk. Bestaande hoogspanningsstations worden uitgebreid en nieuwe stations worden ontwikkeld. In de komende periode willen we de p-MIEK door ontwikkelen tot het integraal programma van het energiesysteem: de productie, conversie, gebruik, transport en oplsag van elektriciteit, warmte en duurzame brandstoffen zoals waterstof. Daarmee willen we onder andere de planning van nieuwe woonwijken en bedrijventerreinen en de verwachte ontwikkeling van het energiesysteem beter op elkaar afstemmen. Om het energiesysteem toekomstbestendig te maken, moet energie een prominente rol krijgen bij het plannen van veranderingen van de inrichting van de leefomgeving ('energieplanologie’). Het gaat dan zowel om gevolgen voor de ruimtelijke ordening door noodzakelijke uitbreiding van energie-infrastructuur als om een beeld krijgen van de maximale vraag naar energie als gevolg van bijvoorbeeld de bouw van een woonwijk. Daarbij wordt gekeken hoe die ‘piekvraag’ kan worden begrensd, omdat de capaciteit van het elektriciteitsnet niet steeds uitgebreid kan worden om maar aan de vraag te blijven voldoen.
Nieuwe activiteiten waarvan een grote vraag naar warmte wordt verwacht, proberen we in de buurt van een bron van waterstof of aardwarmte te vestigen. Ook brengen we in beeld 79 Ontwerp Omgevingsvisie provincie Utrecht
waar restwarmte ingezet kan worden, bijvoorbeeld de restwarmte die vrijkomt bij de productie van waterstof. Op deze wijze werken we toe naar het programmeren van het energiesysteem van de toekomst. Energiesysteem van de toekomst In 2050 beschikt de provincie Utrecht over een volledig duurzaam en fossielvrij energiesysteem. Energie wordt voornamelijk lokaal opgewekt uit zon en wind, aangevuld met warmte uit bodem, water en lucht. Deze duurzame bronnen voorzien woningen en bedrijven van warmte via collectieve warmtenetten en elektrische warmtepompen. Slimme netwerken zorgen ervoor dat vraag en aanbod continu op elkaar afgestemd blijven, met behulp van opslag, flexibele opwek en vraagsturing. Energie wordt niet alleen duurzaam geproduceerd, maar ook eerlijk verdeeld: bewoners en bedrijven zijn mede-eigenaar van lokale energieprojecten, wat zorgt voor draagvlak en betrokkenheid. Voor de aanpak van netcongestie investeert de provincie samen met netbeheerders in het versterken en uitbreiden van de elektriciteitsinfrastructuur. Nieuwe verbindingen, zwaardere kabels en slimme oplossingen zorgen ervoor dat duurzame energie betrouwbaar getransporteerd kan worden, nu en in de toekomst. Duurzame opwek uit zon wordt waar mogelijk gekoppeld aan de gebiedsgerichte aanpak in het landelijk gebied en het verduurzamen van bedrijventerreinen.
Hierbij wordt rekening gehouden met natuur, landbouw, landschap en de lokale gemeenschap. Deze meervoudige benadering zal het vaak mogelijk maken om energieopwekking in te passen op een manier die waarde toevoegt aan het gebied. Door regionale samenwerking en stapsgewijze ontwikkeling richting 2030 en 2040 werkt Utrecht toe naar een klimaatneutraal 2050, met een veerkrachtig, circulair energiesysteem als basis.
Afbeelding 17. Energiesysteem van de toekomst (bron: provincie Utrecht)
Netcongestie en elektriciteitsinfrastructuur In de provincie Utrecht is sprake van netcongestie: op piekmomenten kan de vraag naar elektriciteit groter zijn dan het netwerk aankan. Gevolg is dat bijvoorbeeld nieuwe bedrijven niet op tijd een aansluiting op het elektriciteitsnet kunnen krijgen.
80 Ontwerp Omgevingsvisie provincie Utrecht
Om hier wat aan te doen, investeert de provincie samen met netbeheerders in het versterken en uitbreiden van de elektriciteitsinfrastructuur. Nieuwe transformatorstations, verbindingen, warmtenetten, zwaardere kabels en slimme oplossingen zorgen ervoor dat duurzame energie betrouwbaar getransporteerd kan worden, nu en in de toekomst. We zijn bereid om waar nodig de rol van bevoegd gezag op ons te nemen om ruimte voor noodzakelijke uitbreidingen mogelijk te maken. Daarnaast zetten we ons ervoor in om het energiesysteem slimmer te gebruiken (meer gebruik buiten de piekmomenten), zodat de noodzaak voor uitbreidingen van het netwerk kleiner wordt. Slim gebruik van het energiesysteem combineert op lokale schaal vraag, opslag en aanbod en stuurt via digitale middelen het gebruik. Dat vraagt standaardisatie, gegevensuitwisseling, innovatie en nieuwe regelgeving. Daarnaast gaan we netbewust bouwen: een manier van ontwerpen en bouwen waarbij rekening wordt gehouden met de beperkte capaciteit van het elektriciteitsnet. Een energietoets en netbudgetten zijn middelen om ervoor te zorgen dat nieuwe ontwikkelingen ‘netbewust’ worden vormgegeven. Innovatie De provincie ondersteunt innovaties voor de ontwikkeling van het energiesysteem. Dat kan gaan om technische innovaties, maar ook om innovatieve samenwerkingsvormen, contractvormen en verdienmodellen.
Bijvoorbeeld met ‘energiehubs’, waarbij een groep deelnemers de opwek en het gebruik van energie deelt. Voor de langere termijn kijken we naar ‘Multi-Commodity Energy Hubs’, waarbij meerdere soorten energie worden gebruikt. Dit biedt extra voordelen op het gebied van duurzaamheid, betaalbaarheid en betrouwbaarheid. Nieuwe datastandaarden en gegevensuitwisseling moeten zorgen voor een betere integratie van het energiesysteem. Om het energiesysteem goed aan te kunnen sturen, zijn slimme algoritmes en simulaties belangrijk. De inzet van digitale modellen kan het gebruik van energie en de energie-infrastructuur efficiënter maken.
Kaart 14. De beleidskaart toont de geografische ligging van de werkingsgebieden van ons beleid op het gebied van duurzame energie
81 Ontwerp Omgevingsvisie provincie Utrecht
Uitvoering geven aan beleid voor duurzame energie Vanuit de rollen Stimuleren
▪ ▪ ▪ ▪ ▪
Participeren
Realiseren
Reguleren
▪ ▪ ▪ ▪ ▪ ▪ ▪ ▪ ▪ ▪
▪ ▪
Toelichting Vraag en aanbod van energie en plaats dichter bij elkaar brengen. Ondersteunen van gemeenten in hun plannen voor opwek van zonne- en windenergie. Bevorderen innovatieve samenwerkingsvormen, contractvormen en verdienmodellen en technische innovaties. Ontwikkelen van warmtebronnen en opstellen van warmteprogramma’s. Ondersteuningsprogramma’s, voorlichting en subsidies voor verduurzaming van woningen, bedrijven en maatschappelijk vastgoed. Ondersteunen van energiecoöperaties en bewonersinitatieven. RES-regio's U16, Amersfoort en Foodvalley. Energiefonds (SETU). Utrechts Warmte Ondersteuningsbedrijf (in oprichting). Aandeelhouder Stedin. Via gebiedsgerichte aanpak (UPLG) duurzame opwek uit zon in het landelijk gebied mogelijk maken. Energievisie provincie Utrecht 2024-2050. Beleidsprogramma Energietransitie 2026-2030. Provinciaal Meerjarenprogramma Infrastructuur, Energie en Klimaat 2.0. Regels voor windenergie, zonne-energie, energie uit biomassa, behoud van energienetwerk, voor energieopslag, energietransformatie, energietransport en weging van het energiebelang bij nieuwe functies (energietoets). Afwegingskader P-MIEK 2.0. Provinciaal projectbesluit voor windenergie en uitbreiding van elektriciteitsinfrastructuur.
4.4.2 Circulaire samenleving Opgaven De economie en de maatschappij lopen vast als we niets doen aan de toenemende schaarste aan grondstoffen die nodig zijn voor ‘publieke belangen’, zoals de gezondheidszorg, de vitale infrastructuur en defensie. Ook draagt het grondstoffengebruik bij aan hedendaagse duurzaamheidsproblemen, zoals lokale milieuvervuiling, CO₂-uitstoot, afname van de biodiversiteit en een groeiende afvalberg. Voor de energietransitie en de digitale transitie is de beschikbaarheid van grondstoffen ook onontbeerlijk. Conflicten in de wereld maken de kwestie niet makkelijk: los van het menselijk leed laat de oorlog in Oekraïne ons ook de kwetsbaarheid van toeleveringsketens zien. En wat dat betekent voor de economische stabiliteit. Het is dus noodzakelijk om minder afhankelijk te worden. Mede daarom zet de provincie Utrecht de transitie in naar een circulaire samenleving in 2050. In een circulaire samenleving wordt de hoeveelheid afval geminimaliseerd en vormen de producten van vandaag de grondstoffen van morgen. We kopen niet wat we niet nodig hebben en producten en materialen worden zo ontworpen en gebruikt dat ze kunnen worden hergebruikt, gerepareerd of gerecycled. Meer bedrijven gaan zich onder meer richten op reparatie, hergebruik en opslag, het telen van biobased grondstoffen, en het ontwikkelen van andere financieringsmodellen.
Als provincie zien we het als opgave om hieraan bij te dragen. Ten bate van de circulaire economie zetten we ons in voor het behouden en beschermen van kadegebonden bedrijventerreinen en bedrijventerreinen. Ook werken we aan het efficiënt benutten van milieugebruiksruimte op bedrijventerreinen, het stimuleren van circulair bouwen en het circulair functioneren van verstedelijkingslocaties (zie kaart 15: opgavekaart Circulaire samenleving). ‘Milieugebruiksruimte’ staat voor de hoeveelheid milieubelasting, zoals geluid en geuren, die bedrijven mogen veroorzaken. De transitie naar een circulaire samenleving vraagt behalve inspanningen van bedrijven en inwoners ook om fysieke ruimte. Bijvoorbeeld voor de inzameling van goederen en materialen, (retour)logistiek, opslag, productie, verwerking, reparatie en distributie. Het Planbureau voor de Leefomgeving concludeert dat er 40% meer ruimte nodig is voor de circulaire economie. Adviesbureau Stec Groep (2025) deed onderzoek naar de ruimtevraag door de circulaire transitie in de bouw, de kunststoffensector en de maakindustrie. De toename van het ‘ruimtebeslag’ voor de drie ketens komt gezamenlijk uit op zo’n 6 tot 13% tot 2050. Hierbij gaat het niet enkel om het effect van de circulaire economie, maar om het bredere ruimtelijk-economische perspectief, waarin factoren als robotisering ook zijn meegenomen.
Deze 82 Ontwerp Omgevingsvisie provincie Utrecht
ruimtevraag is overigens niet enkel aan de circulaire transitie toe te rekenen, hij hangt ook samen met andere transities en ontwikkelingen. Ook is de krimp van niet circulaire of fossiele sectoren nog onvoldoende in beeld. In de provincie Utrecht is de ruimte schaars, zowel kwantitatief (in oppervlakte) als kwalitatief (geschikt voor circulaire transitie).
Ambities ▪ ▪
2030: het gebruik van primaire abiotische grondstoffen (waaronder fossiele brandstoffen) in de provincie is gehalveerd ten opzichte van 2016, in lijn met de nationale doelstellingen. 2050: een volledig circulaire economie, in lijn met de nationale doelstellingen. Minder milieudruk, meer leveringszekerheid en een toekomstgerichte regionale economie.
Deze ambities worden uitgewerkt in de volgende paragrafen.
83 Ontwerp Omgevingsvisie provincie Utrecht
Beleid Op Europees en nationaal niveau zijn er verschillende ontwikkelingen op het gebied van circulair beleid. De Europese Green Deal heeft als doel om Europa tegen 2050 klimaatneutraal te maken en tegelijkertijd een circulaire economie te bevorderen. Op nationaal niveau is in 2017 een grondstoffenakkoord gesloten. Het Nationaal Programma Circulaire Economie (NPCE) heeft als doel: de overgang naar een circulaire economie versnellen. Het doel in dat programma is om in 2030 50% circulair te zijn en in 2050 volledig. Het NPCE en onze eigen Beleidsvisie Circulaire Samenleving 2050 zijn onze belangrijkste ‘beleidskaders’. Ons hoofddoel is het vergroten van het welzijn van onze inwoners in alle opzichten, nu en in de toekomst. Vanuit het thema circulaire samenleving dragen we daaraan bij met drie beleidsdoelen: ▪ Minder druk op het milieu. Door minder afhankelijk te zijn van het uitputten van de aarde en door lagere schadelijke uitstoot van onder andere CO₂. ▪ Meer leveringszekerheid voor bedrijven en consumenten, doordat we minder afhankelijk van anderen zijn en meer hernieuwbare grondstoffen en spullen gebruiken. ▪ Een toekomstgerichte regionale economie die zich voorbereidt op het schaarser worden van abiotische, primaire grondstoffen en de principes van brede welvaart onderschrijft (Beleidsvisie circulaire samenleving 2050).
Onze strategie om deze doelen te behalen is het vervangen van eindige, primaire, abiotische grondstoffen (zoals metalen, mineralen en fossiele brandstoffen) door herbruikbare en biobased alternatieven. Hoog inzetten op de R-ladder We richten ons op het verminderen van abiotische primaire grondstoffen met een groot volume en/of een hoge milieubelasting. Het is belangrijk om minder grondstoffen te gebruiken, producten langer in omloop te houden en materialen terug te winnen. De ‘R-ladder’ wordt gebruikt als leidraad. Strategieën die hoog op de R-ladder staan, vragen relatief weinig fysieke ruimte. Strategieën lager op de ladder, vergen juist meer ruimte (voor opslag, verwerking en logistiek). We streven specifiek naar bedrijvigheid die aansluit bij het economisch profiel van Utrecht, zoals hooginnovatieve bedrijven. Dit biedt kansen voor het stimuleren van circulaire bedrijvigheid hoger op de R-ladder, zoals de circulariteitsstrategieën afwijzen, heroverwegen en verminderen. Bijvoorbeeld door circulaire innovaties, zoals digitale oplossingen en circulaire verdienmodellen. De centrale ligging van de provincie Utrecht en de aanwezigheid van belangrijke logistieke verbindingen, zoals het Amsterdam-Rijnkanaal, maken de regio interessant en aantrekkelijk voor circulaire ketens.
Dit biedt mogelijkheden voor de opslag, verwerkingen, distributie van ‘secundaire’ (herwonnen) grondstoffen en voor reparatiefaciliteiten. Zulke functies versterken circulaire ketens, ook buiten de regio, en maken Utrecht tot een slimme schakel in Nederland. Ook zijn er in het landelijk en stedelijk gebied kansen voor op grotere schaal circulair bouwen en ‘urban mining’ (terugwinnen van waardevolle grondstoffen uit stedelijk afval). De vraag waar je in de provincie wel of geen circulaire bedrijven wilt hebben, moet in een provincie met beperkte ruimte zorgvuldig worden afgewogen. In een ruimtelijk-economische strategie werken we uit welke circulaire functies passen bij de provincie en welke ruimtelijke impact deze schakels hebben.
85 Ontwerp Omgevingsvisie provincie Utrecht
R-ladder De R-ladder is een model dat inzichtelijk maakt hoe we anders met onze grondstoffen om kunnen gaan en onze economie circulair kunnen maken. Circulaire strategieën die hoger op de ladder staan besparen meer grondstoffen. De R-ladder geeft de mate van circulariteit aan. Deze ladder heeft zes treden (R1 tot en met R6) die verschillende strategieën van circulariteit weergeven. Hoe hoger een strategie op de R-ladder staat, hoe meer circulair de strategie is, waarbij R1 de hoogste trede is. Uiteindelijk begint circulariteit helemaal boven aan de ladder, bij het productontwerp. Hier wordt gekeken naar de functie van het product, de oorsprong van grondstoffen en energie om het te fabriceren, de manier waarop de afnemer het product gebruikt, herstelt en afneemt en het businessmodel waarbinnen dit alles gebeurt. We streven er naar strategieën zo hoog mogelijk op de R-ladder toe te passen.
Afbeelding 18. R-ladder (bron: Planbureau voor de Leefomgeving)
Kringloop sluiten op het juiste schaalniveau Voor een effectieve en efficiënte kringloop is het essentieel om per grondstof de juiste schaal te bepalen. Steeds is het idee: we doen de dingen zo lokaal mogelijk en zo regionaal, nationaal of internationaal als nodig. De schaalgrootte hangt af van de aard van de grondstof: soms kan iets op wijkniveau of op stedelijk niveau worden hergebruikt of verwerkt, terwijl andere stromen gebaat zijn bij verwerking in of buiten de regio. Belangrijk is om grondstoffen zoveel mogelijk in de buurt van de afzetmarkt te houden, zodat transportbewegingen en CO₂-uitstoot beperkt blijven en de economische waarde voor de regio behouden blijft. Ook kan het benodigde energiegebruik worden meegewogen. Met gemeenten en waterschappen zoeken we naar logische locaties voor bedrijven die afval opnieuw gebruiken (‘upcycle centers’), voor sorteercentra voor reststromen en voor depots. Binnen sectoren als de zorg en de bouw wordt al geëxperimenteerd met circulaire ketens; dit biedt kansen voor innovatie en vermindering van afvalstromen. Voorzien in ruimtebehoefte De leegstand op bedrijventerreinen in de provincie is zeer laag (circa 2% in 2024). De milieugebruiksruimte op bestaande bedrijventerreinen wordt niet volledig benut. Een deel van de bedrijven op bedrijventerreinen kunnen zich ook daarbuiten vestigen, in ‘gemengde gebieden’.
Deze feiten geven ruimte voor het beter benutten van bestaande 86 Ontwerp Omgevingsvisie provincie Utrecht
infrastructuur, het behoud van strategische locaties voor circulaire bedrijvigheid en het mogelijk maken van combinaties van functies. Om de transitie naar een circulaire samenleving te versnellen, moeten er wel (beleids)voorbereidingen worden getroffen om de fysieke leefomgeving hierop in te richten. Door nu te handelen, kunnen we ons voorbereiden op een toekomst waarin circulariteit vanzelfsprekend is. Gedurende de transitie zal de precieze vraag naar ruimte steeds duidelijker worden. Er is nu al een tekort aan fysieke ruimte voor circulaire functies, zoals opslag, verwerking en het hoogwaardig hergebruiken van grondstoffen. Het vermoeden is wel dat die vraag in 2050 zal afnemen, als de transitie naar een circulaire samenleving is voltooid. Tot die tijd bestaan lineaire en circulaire processen naast elkaar, wat dus extra transitieruimte inneemt. Het tijdig reserveren van strategische locaties voor circulaire bedrijvigheid is essentieel om te voorkomen dat deze locaties verdwijnen of een andere invulling krijgen, wat de transitie naar een circulaire samenleving belemmert. Om de transitie naar een circulaire samenleving mogelijk te maken gaat het niet alleen om de hoeveelheid ruimte die nodig is, maar ook om de kwaliteit van die ruimte. Circulaire bedrijvigheid vraagt om: ▪ een goede logistiek en een goed transportsysteem.
Circulaire processen brengen extra transportbewegingen met zich mee; dit vraagt om slimme combinaties van transport over weg, spoor en water; ▪ water- en kadegebonden bedrijventerreinen. Die spelen een sleutelrol in het bulktransport van grondstoffen en vormen een essentiële schakel in nationale en internationale ketens. Daarnaast voorkomt vervoer over water drukte op de wegen; ▪ een robuuste energie-infrastructuur. Met name processen lager op de R-ladder – zoals recycling of chemische verwerking – kennen een hoge energiebehoefte. Tegelijkertijd speelt netcongestie een beperkende rol. Voor de zoektocht naar ruimte voor circulaire energie-intensieve activiteiten kan ook het benodigde energiegebruik in worden afgewogen en dient rekening gehouden te worden met de nabijheid van energieinfrastructuur; ▪ bedrijven in de hoge milieucategorie (HMC). Om een circulaire samenleving mogelijk te maken zijn er ook grootschalige industriële activiteiten nodig. Deze activiteiten kunnen overlast geven (geur, geluid, stof). Veel circulaire processen vallen in milieucategorieën 4 tot en met 6. Dit komt door de aard van activiteiten, zoals afvalverwerking, de opslag van secundaire grondstoffen en het gebruik van energie-intensieve of risicovolle technieken. HMC-locaties in de provincie zijn schaars. In de provincie Utrecht zijn er bedrijventerreinen met een milieucategorie 1 tot en met 5.
Het behoud van terreinen met deze milieuruimte is cruciaal voor de circulaire transitie; ▪ ecosystemen van strategisch samengevoegde bedrijven. Een fysieke nabijheid maakt de uitwisseling van grondstoffen, energie en kennis mogelijk, bevordert samenwerking in de keten en gedeeld gebruik van infrastructuur, en vereenvoudigt de vergunningstrajecten. Dit leidt tot schaalvoordelen, efficiëntie en innovatie en versterkt zo de toekomstbestendigheid van de economie. Behouden en versterken circulaire schakels We zetten gericht in op het behoud, de versterking en een slim gebruik van ‘ruimtelijke schakels, bijvoorbeeld materialendepots die cruciaal zijn voor de circulaire samenleving. Zowel in stedelijke als landelijke gebieden moet aandacht zijn voor strategische locaties, diverse vormen van circulaire bedrijvigheid en de integratie van circulariteit in nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen. In ‘verstedelijkingslocaties’ wordt ingezet op circulair bouwen en renoveren met herbruikbare, biobased materialen en een modulair ontwerp. Dit is opgenomen in het convenant Toekomstbestendig Bouwen (zie paragraaf 4.6 Vitale steden en dorpen). In metropool- en regiopoorten is plek voor voorzieningen die circulair gebruik ondersteunen, zoals reparatiediensten en deelconcepten.
Daarnaast wordt gekeken naar winkelgebieden als mogelijke locaties voor reparatiemogelijkheden, wat ook bijdraagt aan de vitaliteit van dorpskernen. Dit soort bedrijvigheid vraagt om de nabijheid van consumenten. Bij grootschalige bouwprojecten worden ‘bouwhubs’ ingezet voor de tijdelijke opslag en verwerking van circulaire materialen, met het oog op efficiënt gebruik en minder transport. Het verstedelijkt gebied dient daarnaast ook als ‘urban mine’: een bron voor secundaire grondstoffen.
87 Ontwerp Omgevingsvisie provincie Utrecht
In het buitengebied biedt circulariteit kansen voor een andere rendabele bedrijfsvoering, namelijk het verbouwen van gewassen die kunnen worden gebruikt voor biobased toepassingen en de inzet van reststromen uit landbouw en bosbeheer. Agrarische bebouwing die vrijkomt kan interessant zijn voor circulaire opslag. In gebieden met grote transitieopgaven, zoals de veenweiden, kunnen circulaire verdienmodellen indirect bijdragen aan bodemherstel en de biodiversiteit. We stimuleren dat circulaire principes vanaf de start in nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen en planvorming worden meegenomen. Dat kan al in de ontwikkelfase, door een ‘circulair profiel’ te hanteren, maar ook in de bouwfase, door hernieuwbare grondstoffen te gebruiken. Daarna, in de gebruiksfase, gaat het om het introduceren van deelmobiliteit, de aanleg van een gesloten watersysteem en een efficiënt energiesysteem, het hergebruiken en inzamelen van afval en het stimuleren van de lokale economie met bijvoorbeeld repairshops en deelwinkels. Bedrijventerreinen als fundament voor de circulaire transitie De circulaire transitie vraagt niet alleen om een andere manier van produceren en consumeren, maar leidt ook tot in ieder geval 2040 tot een toenemende en veranderende vraag naar ruimte van bedrijven (Stec Groep, 2023). Bedrijventerreinen spelen in de circulaire transitie een rol.
Deze terreinen kunnen ruimte bieden aan bedrijfsactiviteiten die essentieel zijn voor de circulaire economie, zoals: recycling, logistiek, opslag en productie. Activiteiten als recycling en productie vereisen vaak veel milieuruimte, vanwege de impact op de omgeving. Tegelijkertijd zullen water- en kadegebonden bedrijventerreinen een sleutelrol spelen in het bulktransport van grondstoffen en vormen deze terreinen een essentiële schakel in nationale en internationale ketens. Dergelijke terreinen zijn echter schaars in onze provincie, wat de noodzaak onderstreept om zorgvuldig om te gaan met de bestaande ruimte. Een belangrijk knelpunt is dat veel ruimte op bedrijventerreinen onder druk staat, onder andere vanwege de woningbouwopgave en ontwikkelingen in de landbouw. Het beschermen van deze strategische plekken is daarom essentieel. Daarnaast is het beter benutten van bestaande terreinen een belangrijke opgave. Dit vraagt om slimme combinaties van functies. De ruimte op deze terreinen moet zo optimaal mogelijk worden ingevuld, met bedrijven die zich vanwege hun milieuhinder niet in gemengde gebieden kunnen vestigen. Een sleutelbegrip in deze ruimtelijke puzzel is ‘schuifruimte’. Hiermee wordt bedoeld: het creëren van flexibiliteit binnen het bestaande aanbod van werklocaties. De ruimtevraag zal de komende jaren blijven toenemen.
Adviesbureau Stec Groep (2025) concludeert uit onderzoek dat de ruimtevraag op bedrijventerreinen in Nederland tot 2050 met 6 tot 15% zal toenemen. Tegelijkertijd is het niet realistisch om te verwachten dat er op korte termijn veel ruimte vrijkomt. Dit betekent dat circulaire en lineaire bedrijvigheid voorlopig naast elkaar zullen bestaan, wat de druk op de ruimte verder vergroot. De afbeelding van Stec Groep (2023) laat dit zien. In het algemeen is het ruimtebeslag van een circulaire economie groter dan dat van een lineaire economie. Tot 2040 stijgt het ruimtebeslag onder andere door benodigde schuifruimte. In de periode 2040-2050 zal het ruimtebeslag stabiliseren, maar wel groter zijn dan de benodigde ruimte in een lineaire economie. Bedrijventerreinen vormen daarmee niet alleen een fysieke, maar ook een strategische basis voor de circulaire economie. Dit vraagt om een doordachte ruimtelijke strategie waarin bedrijventerreinen een centrale rol spelen en schuifruimte als essentieel instrument wordt ingezet.