CConstaterende datWoudenberg
Koppel je AI →
Document · PDF

11 TG-Ontwerpomgevingsvisie 16 december 2025-gecomprimeerd .pdf

Raadscommissie 10 februari 2026, gemeente WoudenbergBij agendapunt: 9: Wensen en bedenkingen zienswijzen ontwerp-UPLG, Povi en -verordening38.583 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 3 van 5

Beschouwd vanuit de Europese Kaderrichtlijn Water en ook vanuit het Natuurnetwerk Nederland (het netwerk van bestaande en nieuw aan te leggen natuurgebieden) is het belangrijk dat beken in tijden van droogte ‘watervoerend’ blijven (niet droogvallen); dit met het oog op de ecologie. Bovendien is het belangrijk dat de Natura 2000-gebieden (aangewezen vanuit de Europese Vogelrichtlijn en de Habitatrichtlijn), die ook verdrogingsgevoelig zijn, voldoende (kwel)water hebben. Dit nemen we mee als we aan de slag gaan met de uitvoering van de gebiedsgerichte aanpak in het landelijk gebied. Ook werken we samen met waterschappen en het Rijk aan een beter overzicht en een betere registratie van alle ‘onttrekkingen’ (water uit de bodem halen, waarvoor in veel gevallen een vergunning nodig is). Het Rijk heeft een handreiking voor een grondwateronttrekkingenplafond laten opstellen, die wij gebruiken bij het opstellen van een provinciaal grondwateronttrekkingenplafond. Het doel hiervan is om het totaal aan grondwateronttrekkingen en de impact hiervan op functies in beeld te brengen. Op basis van het grondwateronttrekkingenplafond kan in de toekomst een ‘voorkeursvolgorde’ worden bepaald, waarin bijvoorbeeld kan staan dat bij grondwatertekorten bij beregening voor landbouwgewassen eerst water uit het oppervlaktewater wordt gebruikt, als alternatief voor grondwater.

In tijden van extreme droogte treedt de regionale verdringingsreeks in werking (er zijn er meerdere in de provincie Utrecht); deze zijn opgenomen in het Besluit kwaliteit leefomgeving en in de Omgevingsverordening. In ons Bodemen waterprogramma staat meer over die reeks, die duidelijk maakt welke groepen of functies in tijden van droogte en zoetwatertekorten voorrang krijgen. Samen met de Veiligheidsregio, negen gemeenten en met terreinbeheerders op de Utrechtse Heuvelrug, verkennen we mogelijkheden voor het nemen van preventieve maatregelen om het risico op een onbeheersbare natuurbrand terug te dringen. Het beperken van de effecten van hitte Door klimaatverandering zijn er vaker langdurige perioden van hitte met hogere temperaturen. Met name in het stedelijk gebied zorgt langdurige hitte voor achteruitgang van de kwaliteit van leven en voor negatieve gezondheidseffecten voor diverse kwetsbare bevolkingsgroepen, zoals hittestress. Hierbij worden vooral mensen geraakt die in ‘versteende’ wijken wonen, waarin het minder makkelijk is om de koelte op te zoeken. Tijdens hittegolven is het aantal vroegtijdige sterftegevallen vaak hoger. Ook is er een grote kans op toename van luchtverontreiniging, op het verslechteren van de kwaliteit van het oppervlaktewater en op een toename van ziekteverwekkers in onder andere zwemwater (zwemlocatie).

Tegelijkertijd stijgt de vraag naar water (om te drinken, te verkoelen en mee te sproeien) juist als de beschikbaarheid van water afneemt. Daarnaast gaat hitte vaak gepaard met een langere droge periode, waarbij er risico is op natuur- en bermbranden. Ook heeft hitte negatieve effecten op onze infrastructuur, doordat bijvoorbeeld de kans op bermbranden toeneemt, bruggen uitzetten waardoor ze vaker niet meer open kunnen en het wegdek kan smelten. Daarom zetten we in op het klimaatbestendig maken van de infrastructuur (zie paragraaf 4.5 Goede Bereikbaarheid). Ten slotte heeft hitte ook invloed op het welzijn van dieren. De kwaliteit van leven neemt af en ze kunnen makkelijker ziek worden. Ook gaat door hitte de productie van gehouden dieren achteruit (zie paragraaf 4.3 Toekomstbestendige natuur en landbouw).

49 Ontwerp Omgevingsvisie provincie Utrecht

We gaan de negatieve effecten van hitte in het stedelijk gebied verminderen door de aanleg van groenblauwe structuren (groen en water) door de steden en dorpen te stimuleren. Die bieden ruimte voor koelte. Met de waterschappen en gemeenten werken we aan het verminderen van verharding en aan meer groen (planten, bomen, geveltuinen en groene daken). Natuur, groen en recreatievoorzieningen zoals zwemwater worden tijdens perioden van hitte vaker gebruikt voor het zoeken van koelte. De provincie houdt toezicht op de waterkwaliteit en de veiligheid van de bestaande zwemlocaties en stimuleert gemeenten, terreinbeherende organisaties en anderen om meer zwemlocaties aan te bieden (zie paragraaf 4.7 Gezonde omgeving en vrije tijd). Hitte: een urgent en onderbelicht thema Het veranderende klimaat zorgt voor steeds hogere temperaturen en langere perioden van hitte. Deze opwarming raakt ons allemaal, maar heeft op bepaalde plekken en voor specifieke groepen mensen extra grote gevolgen. Juist in dichtbebouwde, versteende gebieden zonder voldoende groen of water, lopen de temperaturen snel op. Hier kunnen hittestress en nachthitte de leefbaarheid sterk onder druk zetten. Terwijl overstromingen of stormschade vaak direct zichtbaar en tastbaar zijn, blijven de effecten van hitte – zoals oversterfte, overbelasting van de zorg en verminderde leefbaarheid – vaak onzichtbaar.

Dit maakt hitte tot een sluipend risico dat snel wordt onderschat. Juist daarom is het belangrijk dat hitte hoger op de agenda komt. Alleen door het structureel mee te nemen in integraal beleid, kunnen we de samenleving beter beschermen tegen extreme warmte. Hitte is dus niet alleen een gezondheidsprobleem, maar ook een ruimtelijk vraagstuk. De manier waarop we onze leefomgeving inrichten – van straatniveau tot wijk en regio – bepaalt in belangrijke mate hoe goed we bestand zijn tegen extreme warmte. Daarom willen we hitte structureel meenemen in ruimtelijke beleidskeuzes en projecten. Denk aan: ▪ stedelijke verdichting met oog voor koelte: door bij binnenstedelijke woningbouwprojecten en transformaties nadrukkelijk te sturen op vergroening, schaduw en ventilatie; ▪ koele netwerken in de wijk: aaneenschakeling van groene en waterrijke plekken die verkoeling bieden tijdens hete dagen en die goed bereikbaar zijn voor iedereen; ▪ slimme inrichting van infrastructuur en buitenruimte: materialen en ontwerpprincipes toepassen die hittestress beperken (zoals lichte verharding, schaduwstructuren en waterdoorlatende ondergronden); ▪ aandacht voor kwetsbare plekken en doelgroepen: via hittestresstesten in ruimtelijke plannen én via sociaal-ruimtelijke interventies zoals koelteplekken in de buurt, hittebestendige woonzorglocaties en toegankelijke openbare koele gebouwen.

Niet iedereen is in staat zich zelfstandig tegen hitte te beschermen. Dit maakt hitte ook een thema van sociale ongelijkheid. Zo hebben mensen in kwetsbare wijken vaker te maken met slecht geïsoleerde woningen, weinig groen en beperkte sociale netwerken. Hier willen we als provincie, samen met gemeenten en GGD Regio Utrecht, op inspelen via lokale hitteplannen, bewustwordingscampagnes en ruimtelijke investeringen. Onze ambitie is dat hitte uiterlijk in 2028 een vast onderdeel is van de beleids- en uitvoeringspraktijk bij gemeenten en samenwerkingspartners. Dat doen we via het ‘Integraal Actieplan Hitte’, waarin de thema’s gebied, gebouw en gezondheid samenkomen. Hiermee sluiten we aan op de landelijke Hitteaanpak 2025 en leggen we een duidelijke koppeling met de fysieke leefomgeving. Afbeelding 12. Hitte in de stad (bron: Thomas Klomp)

50 Ontwerp Omgevingsvisie provincie Utrecht

Klimaatbestendig en waterrobuust ontwikkelen van woon- en werklocaties Om een klimaatbestendige, veilige, aantrekkelijke en gezonde leefomgeving voor inwoners te bereiken en in stand te houden, vinden wij het belangrijk om bestaande en nieuwe woon- en werklocaties klimaatbestendig en waterrobuust te ontwikkelen. Deze ontwikkelingen vragen om een integrale afweging tussen de verschillende thema's van toekomstbestendig bouwen. Wij vinden het belangrijk dat nieuwe woon- en werklocaties worden ontwikkeld op geschikte plekken (water en bodem sturend). In gebieden die qua water en bodem ongeschikt zijn voor verstedelijking staan we geen nieuwbouw toe, tenzij er geen alternatief is. Naast het beleid en de regels die er al zijn, gebruiken we hier ook de watergeschiktheidskaart voor nieuwe woon- en werklocaties voor. Die is gemaakt door de Utrechtse Waterpartners: de waterschappen, drinkwaterbedrijven en Rijkswaterstaat Midden-Nederland (zie ook de box watergeschiktheidskaart voor nieuwe woon- en werklocaties in paragraaf 4.6). Met deze kaart kunnen ruimtelijke ontwikkelingen (bijvoorbeeld plannen voor nieuwbouw) vroegtijdig worden beoordeeld aan de hand van wat het bodem- en watersysteem aankan. De geschiktheidskaart geeft vroegtijdig inzicht over eventuele uitdagingen vanuit het bodem- en watersysteem bij ruimtelijke ontwikkelingen.

Dit helpt bij het maken van toekomstbestendige keuzes voor nieuwe woon- en werklocaties. Ook helpt de kaart om deze locaties en de omgeving klimaatadaptief te ontwikkelen en toekomstige schade en overlast te beperken. We faciliteren en stimuleren gemeenten bij het klimaatbestendig ontwikkelen van locaties aan de hand van de thema’s van toekomstbestendig bouwen (zie paragraaf 4.6 Vitale steden en dorpen). In de Omgevingsverordening nemen we een motiveringsplicht op in artikel 9.15 en 9.17: gemeenten moeten bij nieuwe ontwikkelingen motiveren hoe ze de thema’s van toekomstbestendig bouwen hebben toegepast. Ook richten we ons op de klimaatbestendige inrichting van bestaand bebouwd gebied. We faciliteren en stimuleren gemeenten bij het klimaatbestendig herinrichten en herontwikkelen van bestaand bebouwd gebied, volgens de Afspraken Klimaatadaptief Bouwen Utrecht.

Kaart 7. De beleidskaart toont de geografische ligging van de werkingsgebieden van ons beleid op het gebied van een klimaatbestendig en waterveilige leefomgeving

51 Ontwerp Omgevingsvisie provincie Utrecht

Uitvoering geven aan beleid voor ‘klimaatbestendige en waterveilige leefomgeving’ Vanuit de rollen Stimuleren

Participeren

Realiseren

Reguleren

▪ ▪ ▪ ▪ ▪ ▪ ▪ ▪ ▪ ▪ ▪ ▪ ▪

Toelichting Aandachtspunten en randvoorwaarden meegeven bij (gebieds)ontwikkelingen, onder meer via de watergeschiktheidskaart. Kennisdelen op www.provincie-utrecht.nl/klimaatadaptatie Afspraken klimaatadaptief bouwen Utrecht Opstellen regionale adaptatiestrategieën. Programma veilige en mooie dijken. Deltaprogramma’s zoetwater en ruimtelijke adaptatie. Deltaregio Centraal Holland. Ontwikkelingsprogramma Regionale waterkeringen. Bodem- en waterprogramma provincie Utrecht 2022-2027. Opstellen Beleidsprogramma Bodem en Water 2028-2033 provincie Utrecht. Uitvoeringsprogramma Klimaatadaptatie 2025-2028. Blauwe agenda Utrechtse Heuvelrug Regels voor waterbergingsgebied, overstroombaar gebied, zwemwaterlocaties, klimaatadaptief bouwen, wateroverlast en regionale waterkeringen.

Tegengaan van CO2-uitstoot en remmen van bodemdaling in veenweidegebieden In het veenweidegebied stoten de veengronden veel CO2 uit en komt vaak bodemdaling voor. Bodemdaling heeft grote maatschappelijke gevolgen; het leidt tot schade aan gebouwen en infrastructuur en tot steeds hogere onderhoudskosten, ook in het landelijk gebied. De hoogteverschillen in het landschap die ontstaan door bodemdaling maken het voor waterschappen steeds kostbaarder en technisch lastiger om gebruik van dat land mogelijk te maken. Ook in het licht van klimaatverandering en zeespiegelstijging is bodemdaling een zorgelijke ontwikkeling (zie beleidskaart 8: tegengaan bodemdaling en CO2-uitstoot landelijk gebied). Aandachtsgebied CO2-uitstoot en bodemdaling landelijk gebied In het veenweidegebied ligt de focus op aanpassingen in het bodem- en watersysteem om de uitstoot van broeikasgassen uit veenbodems te verminderen, bodemdaling te remmen, de natuur te herstellen (met name Natura 2000-gebieden), weidevogelgebieden uit te breiden, de waterkwaliteit te verbeteren en beter om te gaan met te veel en te weinig water als gevolg van grotere weersextremen. Die aanpassingen gaan zoveel mogelijk samen met de cultuurhistorische kwaliteiten van het gebied. De CO₂-uitstoot in veenweidegebied ontstaat voornamelijk door het ‘ontwateren’ van de grond ten behoeve van de functie (vooral landbouw).

In het Klimaatakkoord is afgesproken dat voor veenweide een nationale reductiedoelstelling van de CO₂-uitstoot geldt van 1 megaton (Mton) CO₂-equivalenten. We verminderen de uitstoot van broeikasgassen en remmen de bodemdaling door grondwaterstanden te verhogen. Dat gebeurt door middel van een vrijwillige aanleg van waterinfiltratiesystemen en door te streven naar, zoals dat technisch heet, een drooglegging van zomerhalfjaargemiddeld 40 centimeter, onder andere met hulp van ruimtelijk instrumentarium’. Het verhogen van de grondwaterstanden betekent dat het onvermijdelijk is dat boeren in veenweidegebieden met nattere omstandigheden te maken krijgen. We gaan voor kleinere droogleggingen en streven naar een sterkere sturing via het omgevingsbeleid. Ook introduceren we een nieuwe functie: ‘veenweidelandbouw’. Dat is een vorm van landbouw waarbij gewerkt wordt met hogere grondwaterstanden. Met deze nieuwe landbouwfunctie kunnen waterschappen bij het nemen van een peilbesluit het belang van het remmen van bodemdaling en het beperken van CO2-uitstoot volwaardig meenemen. In ongeveer een tiende van het veenweidegebied gaan we uit van een verdere vernatting, een drooglegging van zomerhalfjaargemiddeld tot ongeveer 20 centimeter. Dat leidt tot ander grondgebruik. We doen dit op ‘slimme plekken’, namelijk sterk dalende en/of natte gebieden.

Op die plekken kijken we ook naar combinaties met andere opgaven, zoals het aanpakken van stikstof in N2000-gebieden en weidevogelgebieden ontwikkelen. 52 Ontwerp Omgevingsvisie provincie Utrecht

Door vernatting groeien we in de provincie Utrecht toe naar veenweidegebieden met daarin een natuurinclusieve, extensievere landbouw, bij hogere grondwaterstanden en met meer natuurgebieden. Met hogere grondwaterstanden in veenweidegebieden wordt bijgedragen aan de doelen voor onder andere stikstofreductie en biodiversiteit, waaronder weidevogels. Bij het verkleinen van de droogleggingen zal goed naar de effecten op de waterkwaliteit gekeken moeten worden. Met een verhoging van ongeveer 2 centimeter per jaar en compenserende maatregelen, zoals de aanleg van natuurvriendelijke oevers, voorkomen we dat peilverhogingen negatieve effecten hebben op de waterkwaliteit. Ook kunnen er mogelijk combinaties worden gemaakt met andere opgaven zoals waterberging of energietransitie. In landbouwgebieden met veengronden die kwetsbaar zijn voor oxidatie (inklinken) als de bodem wordt bewerkt, verbieden we bodembewerkingen die tot gevolg hebben dat veen aan de oppervlakte wordt gebracht. Het onderhoud van permanent grasland is wel toegestaan, evenals een overgang naar 'natte teelten’. De gemeenten moeten op basis van de Omgevingsverordening beperken bodembewerking regelen in de omgevingsplannen. Ook grondeigenaren hebben een verantwoordelijkheid voor het verminderen van bodemdaling.

De aanpak en uitgangspunten zijn uitgewerkt in het Utrechts Programma Landelijk Gebied (UPLG) en beleidsuitwerking zal ook plaatsvinden in het Bodem- en waterprogramma 2028-2033. Voor het veenweidedossier hebben we in 2025 een bestuurlijke Taskforce Veenweiden voor de provincie Utrecht opgericht. Daar wordt besproken over welke gebieden dit precies gaat, welke verschillende instrumenten door de verschillende overheden ingezet moeten worden om dit te bereiken en hoe dit proces moet worden vormgegeven. Uiteindelijk komt de aanpak in de volgende wijziging van de Omgevingsvisie te staan (en eventueel in de Omgevingsverordening), in de gemeentelijke omgevingsplannen en in de peilbesluiten van de waterschappen. De bedoeling is dat alle peilbesluiten uiterlijk 2035 zijn aangepast. Het westelijk veenweidegebied stopt overigens niet bij de provinciegrens. Ook in Groene Hart-verband nemen we deel aan werkgroepen rond laagveen, vanuit de NOVEX-samenwerking. Daarnaast participeren we in het Nationaal Programma Veenweide en binnen het Interprovinciaal Overleg voor de veenweidegebieden van Nederland. In 2050 wordt het veenweidelandschap gekenmerkt door hogere grondwaterstanden. Dit was nodig om zowel de bodemdaling tegen te gaan als de CO2-uitstoot uit de veenbodems te verminderen.

Peilverhogingen en de inzet van waterinfiltratiesystemen hebben het mogelijk gemaakt dat grondwaterstanden konden worden verhoogd. Het resultaat is dat de uitstoot van broeikasgassen uit de veenbodems sterk is verminderd en de bodemdaling sterk is afgeremd. Functies hebben zich hier geleidelijk op aangepast. Aandachtsgebied bodemdaling stedelijk gebied De voornaamste oorzaak voor bodemdaling in stedelijk gebied is ‘zetting’. Dat woord betekent: inklinking en daling van de bodem door het gewicht van bebouwing, wegen, ophoogmateriaal en zwaar verkeer. De bodemdaling in stedelijk gebied door zetting kan oplopen tot enkele centimeters per jaar; de gevolgen moeten worden aangepakt met een mix van maatregelen (zie beleidskaart 8: aandachtsgebied bodemdaling stedelijk gebied). In nieuw te ontwikkelen stedelijk gebied verwachten we van de gemeenten dat ze anders gaan bouwen, bijvoorbeeld drijvend of op palen of terpen. Ook het bouwen van woningen zonder kruipruimte gaat helpen. Het beleid van de provincie voor bodemdaling in het stedelijk gebied is vooral gericht op het ondersteunen van gemeenten en particulieren. Funderingen en funderingsschade door bodemdaling Voor zowel het landelijk als stedelijk gebied geldt dat funderingsschade door bodemdaling kan optreden.

Hoewel de verantwoordelijkheid hiervoor in eerste instantie bij de eigenaar ligt, kunnen overheden gebiedsgericht wel oplossingen bieden en maatregelen nemen. Ook is er het Fonds Duurzaam Funderingsherstel; dit landelijke fonds helpt particulieren die geen marktconforme lening kunnen krijgen met noodzakelijk herstel van hun fundering. Bij de inrichting van de fysieke leefomgeving moet de impact op funderingen meegewogen worden. Decentrale overheden werken intensief samen, de Omgevingswet biedt juridische ruimte. De komende tijd zullen wij onze rol ten aanzien van funderingsschade verder gaan onderzoeken en invullen. 53 Ontwerp Omgevingsvisie provincie Utrecht

Kaart 8. De beleidskaart toont de geografische ligging van de werkingsgebieden van ons beleid op het gebied van het tegengaan van CO2-uitstoot en remmen van bodemdaling in veenweidegebieden

Uitvoering geven aan beleid voor tegengaan CO2-uistoot en remmen bodemdaling in veenweidegebieden Vanuit de rollen Stimuleren

Participeren Realiseren

Reguleren

Toelichting Taskforce Veenweide. Samenwerkingsverband klimaatslim boeren Groene Hart. Samenwerking IPO veenweideprovincies. Kennisdeling en -ontwikkeling met verschillende partijen, nationaal, regionaal en lokaal (onder meer Veenweide Innovatie Programma NL, Veenweide Innovatie Centrum en Nationaal Onderzoekprogramma Veenweide). ▪ Nationaal Programma Veenweide (NPV). ▪ Bodem- en waterprogramma provincie Utrecht 2022-2027. ▪ Opstellen van een Beleidsprogramma Bodem en Water 2028-2033 provincie Utrecht. ▪ Utrechts Programma Landelijk Gebied 2026-2035. ▪ Regels voor het beperken van bodembewerking en om rekening te houden met de effecten van bodemdaling bij nieuwbouwplannen. ▪ Regels en instrumenten voor het sturen op verkleining van droogleggingen. ▪ ▪ ▪ ▪

54 Ontwerp Omgevingsvisie provincie Utrecht

4.3

Toekomstbestendige natuur en landbouw

Wijzigingen ontwerp Omgevingsvisie 2025 paragraaf 4.3 - Inhoudelijke aanpassingen m.b.t. internationale en nationale verplichtingen natuur, maatregelen buiten Natura 2000-gebieden, realisatie Natuurnetwerk Nederland en Groene Contour-gebieden, realisatie natuurverbindingen, uitbreiden en verbeteren leefgebied weidevogels, strategisch bosbeleid, natuurinclusief, basiskwaliteit natuur buiten natuurgebieden, ganzenrustgebieden, natuurbrandpreventie - Inhoudelijke aanpassingen m.b.t. nevenactiviteiten agrarische bedrijven, vrijkomende agrarische bebouwing, duurzaam lokaal voedsel, gewasbeschermingsmiddelen, omgang landbouwgrond - Update teksten Natuur en landbouw zijn de twee grootste ‘ruimtegebruikers’ in het landelijk gebied. Ze leveren een belangrijke bijdrage aan de maatschappij. De provincie Utrecht draagt zorg voor het behoud en de verdere ontwikkeling van de natuur en ondersteunt de transitie naar een duurzame landbouw. In de provincie hebben we het bos- en heidegebied van de Utrechtse Heuvelrug, maar ook het rivierengebied, het Veenweidegebied, de Eemvallei en het stedelijk gebied. Door de verscheidenheid aan natuursystemen zijn de natuurwaarden en biodiversiteit hoog en komen er in onze provincie veel bijzondere plant- en diersoorten voor. Tegelijkertijd staat de biodiversiteit onder druk.

Natuur biedt mogelijkheden voor recreatie, rust en verkoeling, zorgt voor zuivering van water en lucht en kan water bergen bij intensieve neerslag en hoogwater. De nabijheid van natuur trekt ook bedrijven aan. Voor de landbouw draagt een hoge biodiversiteit bij aan een rijk bodemleven, een goede bodemstructuur en aan de bestuiving van gewassen. De biodiversiteit staat echter door intensieve landbouw onder druk. De landbouw heeft maatschappelijke waarde als voedselproducent en als beheerder van het landschap. Daarnaast biedt de landbouw mogelijkheden voor recreatie en zorg. Er is in onze provincie vooral ‘grondgebonden’ landbouw, zoals melkveehouderij en fruitteelt. De ‘opgaven’ waar we voor staan, hebben te maken met de natuur (waaronder stikstof), klimaatmitigatie, -adaptatie, de bodem, het water en het milieu. Landbouw kan niet meer overal, vaak zijn er voorwaarden aan het landgebruik gekoppeld. De provincie Utrecht pakt opgaven integraal en gebiedsgericht aan. Wij werken richting 2050 samen met onze partners toe naar een landbouwsector met economisch rendabele bedrijven die circulair, natuurinclusief, klimaatneutraal en dierwaardig zijn, en die dicht bij de inwoners staan.

Afbeelding 13. Collage met sfeerbeeld van een aantal beoogde ontwikkelingen vanuit het thema toekomstbestendige natuur en landbouw (bron: BVR i.s.m. provincie Utrecht, 2025)

55 Ontwerp Omgevingsvisie provincie Utrecht

4.3.1 Rijke en veerkrachtige natuur in een natuurinclusieve samenleving Opgaven Een rijke en veerkrachtige natuur is niet alleen van belang voor de natuur zelf, maar ook voor de samenleving. In een ‘natuurinclusieve’ samenleving genieten mensen van de natuur en houden ze ook rekening met de natuur. De biodiversiteit en de functies van het natuurlijk ecosysteem staan al langere tijd onder druk. Stikstofverbindingen en andere ‘nutriënten’ zorgen voor verzuring van de bodem en/of verhogen de voedselrijkdom. Dat leidt tot het verdwijnen van plantensoorten en daarvan afhankelijke diersoorten. De verontreiniging van bodem, water en lucht door onder andere gewasbeschermingsmiddelen leidt tot achteruitgang van de plant- en diersoorten. De natuur is verder versnipperd geraakt, de kwaliteit van bestaande natuurgebieden gaat achteruit en buiten de natuurgebieden is minder plek voor wilde dieren en planten. Door intensief ruimtegebruik en door bijvoorbeeld woningbouw en de aanleg van bedrijventerreinen komt de natuur verder in de verdrukking. Droogte door klimaatverandering en wateronttrekkingen leidt vooral op de hogere delen van de Utrechtse Heuvelrug tot problemen. Daarnaast leiden ingrepen in de waterhuishouding tot verdroging van veengebieden en de flanken van de Utrechtse Heuvelrug. Ook verdringen invasieve exoten inheemse soorten.

Daarbij is de behoefte aan recreatie en dus de druk op natuurgebieden toegenomen en kunnen evenementen leiden tot piekdrukte en tijdelijke verstoring van de natuur. Ook hierdoor neemt de biodiversiteit af en verdwijnen planten en dieren. Het voorgaande betekent dat er grote opgaven liggen om de staat van de natuur te herstellen (zie kaart 9: Opgavekaart Rijke en veerkrachtige natuur en natuurinclusieve samenleving). In het bijzonder gaat het om de soorten en habitats (leefgebieden) die zijn aangewezen in de Europese Vogelrichtlijn en Habitatrichtlijn (VHR). Daarvan is in de Europese Natuurherstelverordening vastgelegd wanneer herstelmaatregelen moeten zijn genomen. Dit betekent onder andere dat Natura 2000-gebieden niet mogen verslechteren en dat er herstelmaatregelen in en buiten Natura 2000-gebieden getroffen moeten worden. Ook is er een forse, verplichte opgave voor extra natuur en meer agrarisch natuurbeheer. Het gaat hierbij onder meer om bepaalde bostypen, moeras en weidevogelgraslanden. De realisatie en versterking van het Natuurnetwerk Nederland (NNN) en van robuuste ecologische structuren, ecologische verbindingszones en groenblauwe dooradering is nodig voor het bereiken van onze doelstellingen. Op plekken waar deze verbindingen infrastructuur kruisen, kunnen knelpunten ontstaan die door middel van faunapassages kunnen worden opgelost.

Ook buiten natuurgebieden zal de biodiversiteit moeten worden hersteld om te zorgen voor een gunstige staat van instandhouding van van nature in het wild voorkomende soorten. Op basis van het klimaatakkoord hebben we een opgave voor het revitaliseren en uitbreiden van bos. Deze opgave kan ook bijdragen aan de doelstellingen op het gebied van biodiversiteit. De vraag naar meer groen en meer natuur stijgt; het aantal bezoeken aan de natuur neemt in de komende jaren naar verwachting verder toe. Niet alleen doordat het aantal inwoners stijgt, maar ook door meer bezoekers uit binnen- en buitenland. Dit zorgt voor kansen voor de bewustwording van natuur en natuureducatie, maar legt ook een druk op de natuur.

Ambities ▪

2050: de biodiversiteit is ten opzichte van 1990 toegenomen. In overeenstemming met de nationaal- en internationaalrechtelijke verplichtingen zijn dier- en plantensoorten die van nature in Utrecht in het wild voorkomen behouden en hersteld. Dit geldt ook voor hun biotopen en habitats zowel in landelijk als stedelijk gebied. ▪ 2050: we voldoen aan de instandhoudingsdoelstellingen voor de Natura 2000-gebieden gelegen in de provincie Utrecht. ▪ 2030: verslechtering van de Natura 2000-gebieden is gestopt en herstelmaatregelen voor de Natura 2000gebieden zijn met prioriteit uitgevoerd, met name voor de meest stikstofgevoelige natuur. ▪ 2050: de provincie Utrecht heeft een robuust, klimaatbestendig natuurnetwerk van hoge kwaliteit. De kwaliteit van het NNN is hersteld. ▪ 2030: alle nieuwe natuur die al van functie is veranderd is met hoogwaardige natuur ingericht. 56 Ontwerp Omgevingsvisie provincie Utrecht

▪ ▪ ▪ ▪ ▪ ▪ ▪

2035: alle nieuwe natuur die nog nodig is voor het NNN heeft de functie natuur en is met hoogwaardige natuur ingericht. We zetten ons maximaal in op eerdere realisatie. 2040: in totaal is 3.000 hectare natuur in de ‘Groene contour’ gerealiseerd en toegevoegd aan het NNN. 2050: natuurgebieden zijn verbonden door robuuste ecologische structuren, ecologische verbindingen en faunavoorzieningen. 10% van het landelijk gebied bestaat uit groenblauwe dooradering. 2030: 5% van het landelijk gebied bestaat uit groenblauwe dooradering. 2050: bossen zijn uitgebreid, vitaal, toekomstbestendig, beschermd en maatschappelijk gewaardeerd. 2040: bossen zijn uitgebreid met 1500 hectare in het NNN, de Groene contour of ook daarbuiten (vanaf 2020) en zijn vitaal. 2050: de provincie Utrecht heeft een natuurinclusieve samenleving en er is een grote maatschappelijke betrokkenheid bij natuur. De natuur heeft een hoge belevingswaarde.

Onze overkoepelende ambitie is een rijke veerkrachtige natuur in een natuurinclusieve samenleving. Dit doel bereiken we als provincie niet alleen, maar samen met onze partners, waaronder het Rijk. Waarbij we afhankelijk zijn van randvoorwaarden en condities van anderen, waaronder de beschikbare middelen. Voor natuur komt een groot deel van onze ambities direct voort uit (inter)nationale afspraken en wettelijke kaders, waaronder de Vogelrichtlijn, de Habitatrichtlijn, de Europese Natuurherstelverordening en de Omgevingswet. Deze ambities hebben we niet alleen om zorg te dragen voor de natuur zelf, maar ook voor een gezonde leefomgeving voor de inwoners, nu en voor de toekomstige generaties. In de box Europese natuurherstelverordening is een samenvatting van de doelen uit de in 2024 vastgestelde Natuurherstelverordening opgenomen. Europese natuurherstelverordening Doel: stoppen en herstellen van de achteruitgang van de biodiversiteit in Europa. De in 2024 van kracht geworden Europese Natuurherstelverordening (NHV) heeft als doel de biodiversiteit te herstellen en de achteruitgang te stoppen. Het specifieke doel van de verordening is om gedegradeerde ecosystemen in de gehele EU tegen 2050 in een goede staat te brengen en tegen 2030 goed op weg te zijn naar herstel.

De natuurhersteldoelen in de NHV hebben betrekking op een breed scala aan ecosystemen, namelijk: terrestrische, kust- en zoetwaterecosystemen, mariene ecosystemen, stedelijke ecosystemen, rivieren en uiterwaarden, landbouwecosystemen en bosecosystemen. Voor deze ecosystemen zijn in de NHV meerdere op herstel gerichte bindende streefdoelen en resultaatverplichtingen opgenomen. De NHV overlapt met een groot aantal internationale en Europese regels die al van toepassing zijn, zoals de Vogelen Habitatrichtlijn en de Kaderrichtlijn Water, en concretiseert de doelen en tijdspaden. Met name voor stedelijke ecosystemen, herstel van bestuiverpopulaties en landbouwecosystemen zijn er opgaven in de NHV opgenomen die bestaand beleid aanvullen. Dit heeft onder meer betrekking op de verbetering van de biodiversiteit, zoals insectenpopulaties, het herstel van de populaties van boerenlandvogels en het herstel van organische bodems (met betrekking tot ontwaterde veengebieden). De NHV verplicht de lidstaten om binnen twee jaar (medio 2026) een natuurplan op te stellen. Hierin moeten doelstellingen worden aangeven voor 2030, 2040 en 2050. Het Rijk is dus primair verantwoordelijk voor de implementatie van de verordening.

Maar veel van de opgaven die in de verordening zijn opgenomen komen naar verwachting bij provincies terecht, gezien de beleidsen uitvoeringsverantwoordelijkheid die zij hebben voor het onderwerp natuur. Afbeelding 14. Bestuiving gewone brem door sachembij (bron: Tjomme Fernhout)

57 Ontwerp Omgevingsvisie provincie Utrecht

Beleid Biodiversiteit in onze Provincie Utrecht De kern van ons natuurbeleid is het behouden en herstellen van de biodiversiteit, het beschermen en ontwikkelen van beleefbare natuur en het stimuleren van een natuurinclusieve samenleving. Biodiversiteit gaat over alle van nature in het wild voorkomende dier- en plantsoorten, maar ook over andere organismen, zoals paddenstoelen. Veel bijzondere en beschermde plant- en diersoorten komen alleen voor in natuurgebieden, maar er zijn ook veel soorten waarvan een belangrijk deel van het leefgebied in de stad of in het agrarisch gebied ligt. Voor het voortbestaan van soorten is het essentieel dat hun leefgebieden met elkaar verbonden zijn. Voor herstel van de natuur en de biodiversiteit is het op orde brengen van de water- en bodemcondities en het omlaag brengen van ‘drukfactoren’ een voorwaarde. Het natuurbeleid is in belangrijke mate verweven met het klimaat-, bodem-, water-, landbouw- en milieubeleid. Het natuurbeleid richt zich zowel op de natuurgebieden als op de gebieden daarbuiten. Natuurgebieden en -verbindingen We werken aan het beschermen, verder ontwikkelen en onderling verbinden van natuurgebieden. Natura 2000-gebieden We zetten ons beleid allereerst in om verdere verslechtering van de Natura 2000-gebieden te voorkomen en waar nodig beschermde soorten en habitats te herstellen.

Herstelmaatregelen baseren we op de Natuurdoelanalyses (NDA’s), de beoordeling van die analyses door de Ecologische Autoriteit en de op basis daarvan vastgestelde Natura 2000-beheerplannen. Om de natuur in de Natura 2000-gebieden te herstellen, worden zowel in als in een zone rondom de Natura 2000-gebieden maatregelen genomen. In deze overgangsgebieden rondom Natura 2000-gebieden worden essentiële percelen ingericht als natuur, komt hydrologisch systeemherstel tot stand (terugbrengen van een watersysteem naar een natuurlijkere staat) en wordt de verbinding met andere natuurgebieden verbeterd. In de directe nabijheid van stikstofgevoelige Natura 2000-gebieden komen stikstofzones waar nog maar zeer beperkt dierlijke mest en geen kunstmest mag worden uitgereden. Ook stimuleren we daar extensievere en natuurinclusieve landbouw. Binnen Natura 2000-gebieden moet het uitrijden van mest vrijwel helemaal stoppen. In de hele provincie dringen we de uitstoot van ammoniak terug (zie paragraaf 4.2.2). Hiervoor nemen we regels op in de Omgevingsverordening. We blijven in het kader van het (landelijke) Verbeterprogramma VHR-Monitoring monitoren wat nodig is voor natuurherstel en passen waar nodig ons beleid aan. Natuurnetwerk Nederland We werken aan een klimaatbestendig en robuust Natuurnetwerk Nederland (NNN).

We beschermen onze natuurgebieden en zorgen voor voldoende omvang, kwaliteit en samenhang. We werken aan een hoge natuurkwaliteit. Dit doen we met passend natuurbeheer en door de abiotische omstandigheden te verbeteren. Daarnaast pakken we belangrijke drukfactoren aan, zoals waterkwaliteit, beschikbaarheid van water, stikstof, nutriënten uit meststoffen, schadelijke gewasbeschermingsmiddelen en invasieve exoten. Door middel van functieverandering en inrichting gaan we onverminderd door met het realiseren van de nog resterende hectares uit het natuurpact. Deze hectares worden ingericht met hoogwaardige natuur die bijdraagt aan (inter)nationale verplichtingen op het gebied van biodiversiteit, zoals het herstel van Natura 2000-gebieden of van soorten en habitats van de Vogel- en Habitatrichtlijn. We geven aan welke percelen essentieel zijn en passen indien nodig de begrenzing aan. In de Omgevingsverordening is de meest actuele begrenzing opgenomen. In de Omgevingsverordening zijn regels opgenomen om het Natuurnetwerk Nederland (NNN) te beschermen en zijn de wezenlijke kenmerken en waarden van het NNN vastgelegd. Zoals in de Omgevingswet is vastgelegd, moeten de oppervlakte, samenhang en kwaliteit behouden en verbeterd worden. We zetten in op het voorkomen van aantasting. Hieronder vallen ook tijdelijke aantastingen, bijvoorbeeld door evenementen.

Hierop zijn alleen onder strenge voorwaarden uitzonderingen mogelijk, bijvoorbeeld als een ontwikkeling een aantoonbare meerwaarde heeft voor de natuur.

59 Ontwerp Omgevingsvisie provincie Utrecht

Cultuurhistorische waarden en natuurwaarden hangen sterk samen. Het binnen het NNN gelegen erfgoed, zoals de historische buitenplaatsen, cultuurlandschappen en het militaire erfgoed, zijn zowel historisch van belang als voor de natuur. Dat biedt kansen voor een gezamenlijke aanpak. Binnen het NNN ligt niet alleen natuurgebied; er zijn ook terreinen met een andere functie, zoals agrarisch gebied, vakantieparken, zorginstellingen en defensieterreinen. Het behoud van een groene inrichting van deze terreinen draagt bij aan de kwaliteit van het NNN. Het gebied waar de militaire terreinen Leusderheide en Vlasakkers liggen, kunnen we niet aanwijzen als NNN, maar wel als ‘militair oefenterrein met bijzondere natuurwaarden’. We houden contact over het behoud van die bijzondere waarden en op het moment dat het militaire gebruik eindigt, voegen we beide terreinen toe aan het NNN. Met name op de Utrechtse Heuvelrug is er sprake van een verhoogd risico op onbeheersbare natuurbranden. Door klimaatverandering, met langere periodes met droogte, neemt het risico op natuurbranden toe. De provincie werkt, mede vanuit dit natuurbelang, aan preventieve maatregelen, samen met de Veiligheidsregio Utrecht, gemeenten, terreinbeheerders en beheerders van infrastructuur. Groene contour De Groene contour helpt om het NNN voldoende robuust te maken en het leefgebied voor planten en dieren te versterken.

We onderzoeken of binnen de Groene contour (en de nog te realiseren natuur binnen NNN) meer natuuropgaven, zoals de opgaven voor Vogel- en Habitatrichtlijnsoorten en herstel Natura 2000-gebieden, gerealiseerd kunnen worden. We gaan hierbij na welke natuuropgaven gecombineerd moeten of kunnen worden en of daar de begrenzing op moet worden aangepast. In het Akkoord van Utrecht is afgesproken om 3.000 hectare Groene contour te realiseren. Een deel is in de Omgevingsverordening nog niet op de kaart gezet. Deze hectares zetten we ook in voor 'natuuropgaven’. In de Omgevingsverordening is de bescherming van de Groene contour uitgewerkt. Bossen, bomen en houtopstanden Het versterken van de veerkracht en vitaliteit van onze bossen is nodig omdat bossen onder druk staan, onder andere door verzuring, vermesting en klimaatverandering. Een langetermijnvisie is noodzakelijk, omdat maatregelen soms pas over twintig, vijftig of zelfs honderd jaar zichtbaar zijn. Uitbreiding van bos en bomen en houtopstanden vindt zowel binnen als buiten het NNN en de Groene contour plaats. In het agrarisch gebied maken bomen onderdeel uit van de groenblauwe dooradering. Boeren kunnen ook meer bomen planten (‘agroforestry’) en er moet meer bos komen in en rondom steden en dorpen, onder andere in het kader van het project Groen Groeit Mee.

Gezien de opgaven voor klimaatneutraliteit en duurzaamheid en de vraag naar duurzame producten, is het gewenst om meer gebruik te maken van lokaal geproduceerd hout. De provincie Utrecht ambieert een lichte toename van de houtoogst voor duurzaam gebruik en hoogwaardige toepassingen. De bossen en bomen die geen onderdeel uitmaken van wat heet 'de gemeentelijke begrenzing houtkap’, vallen in de categorie 'houtopstanden’. Houtopstanden zijn beschermd onder de Omgevingswet, waaraan de provincie invulling geeft met behulp van vergunningverlening en handhaving. Waardevolle houtopstanden, oude bosgroeiplaatsen en waardevolle kleine landschapselementen beschermen we extra in de Omgevingsverordening. Dit vanwege hun bijzondere waarden voor de natuur, cultuurhistorie en het landschap.

60 Ontwerp Omgevingsvisie provincie Utrecht

Natuurverbindingen In de provincie Utrecht onderscheiden we natuurverbindingen op drie niveaus: Robuuste ecologische structuren: Dit zijn grote aaneengesloten eenheden van natuur: de Utrechtse Heuvelrug, de Natte as door het veenweidegebied en het rivierengebied langs de Nederrijn en Lek. Hier liggen grote oppervlaktes van het Natuurnetwerk Nederland. Het is de basis voor onze natuur, waarin soorten hun hele levenscyclus kunnen voltooien en van waaruit ze zich verder kunnen verspreiden over de provincie en naar aangrenzende provincies. Toch ontbreken er nog schakels, en er zijn barrières om op te lossen, zoals aanwezige wegen en stuwen. We vullen ontbrekende schakels in en streven ernaar om de knelpunten op te lossen, zodat grote robuuste natuursystemen ontstaan die tegen een stootje kunnen. Ecologische verbindingen: De ecologische verbindingen verbinden de grotere en kleinere natuurgebieden met elkaar. Dit zorgt voor een natuurnetwerk van voldoende omvang, waardoor bijzondere soorten ook in de kleinere natuurgebieden blijven bestaan. De verbindingen bestaan vaak uit brede watergangen of brede beplantingsstroken met kruidenrijke randen. De ecologische verbindingen zijn soms ook een op zichzelf staand natuursysteem, zoals bijvoorbeeld de Kromme Rijn.

Wanneer zo’n systeem optimaal wordt ingericht met bijvoorbeeld natuurlijke oevers en een gezond waterpeil, kunnen veel soorten in dit systeem leven en zich verspreiden in de haarvaten van het natuursysteem. Ook hier is het van belang om knelpunten met infrastructuur op te lossen. Op enkele plaatsen zijn ‘stapstenen’ in de vorm van kleine natuurgebieden nodig. Groenblauwe dooradering: Met de groenblauwe dooradering willen we het landelijk gebied buiten de natuurgebieden geschikt maken voor de (voorheen) algemene soorten planten en dieren. De dooradering bestaat uit natuurvriendelijk ingerichte en beheerde sloten en andere landschapselementen zoals houtwallen, voederhagen, kleine bosjes en poelen. Ook kruidenrijke randen langs akkers en weilanden, bloeiende bermen, bomenrijen en soortenrijke dijken horen bij de groenblauwe dooradering. De provincie stimuleert de aanleg via subsidies en via het Platform Groenblauwe Dooradering, waarin veel verschillende partijen samenwerken. Het beheer loopt op veel plekken via het agrarisch natuurbeheer. Overheden hebben een eigen verantwoordelijkheid voor het natuurvriendelijk beheer van de terreinen die in hun bezit zijn.

Afbeelding 15. Foto's van diverse natuurverbindingen in de provincie Utrecht (bron: NMU en Provincie Utrecht)

Natuurverbindingen Voor het functioneren van het NNN zijn natuurverbindingen nodig waarlangs planten en dieren zich makkelijk kunnen verplaatsen. Dit is ook van belang voor de uitwisseling van genetisch materiaal tussen verschillende populaties, waardoor de planten en dieren gezond en veerkrachtig blijven. Verbindingen dragen bij aan herstel van natuurgebieden (waaronder de Natura 2000-gebieden). Ook zorgen verbindingen ervoor dat soorten flexibel zijn als leefomstandigheden veranderen. Door verbindingen kunnen soorten voldoende voedsel vinden en zich voortplanten. Dit onderwerp is alleen maar belangrijker geworden door de klimaatverandering. Het is belangrijk om versnippering te voorkomen. Daarnaast zetten we in op het realiseren en verbeteren van robuuste ecologische structuren, ecologische verbindingen en groenblauwe dooradering (zie box Natuurverbindingen). Bij knelpunten met infrastructuur zijn faunavoorzieningen (zoals een ecoduct of een tunnel) nodig. Groenblauwe dooradering draagt ook bij aan de ‘connectiviteit’. We beheren bermen en sloten langs de wegen en watervaarwegen op een ecologisch verantwoorde manier en stimuleren partners om natuurvriendelijke oevers en kleine landschapselementen aan te leggen. We werken in het beleidsprogramma Natuur de natuurverbindingen inclusief de oplossingen voor knelpunten met infrastructuur verder uit.

61 Ontwerp Omgevingsvisie provincie Utrecht

Planten en dieren Als provincie zijn we verantwoordelijk voor het behoud en herstel van de van nature in Nederland in het wild voorkomende dier- en plantensoorten. Onder andere het beleid zoals beschreven onder ‘natuurgebieden en verbindingen’ en onder ‘bodem en water’ (paragraaf 4.2) draagt hieraan bij. Beschermde- en bedreigde soorten De verantwoordelijkheid van de provincie wordt extra groot als het gaat om soorten die zijn opgenomen in de Europese Vogel- en Habitatrichtlijn en voor bedreigde soorten die op een ‘rode lijst’ staan. Deze soorten moeten we in een gunstige staat van instandhouding brengen. Indien nodig wordt een leefgebied verbeterd en/of vergroot. Het gaat daarbij bijvoorbeeld om het inrichten van extra moeras of open natuur, maar we kiezen er ook voor om agrarische en stedelijke natuur een stimulans te geven. Voor de beschermde soorten voorkomen we verslechtering onder meer via vergunningverlening en handhaving onder de Omgevingswet. Wie iets wil in de fysieke leefomgeving moet rekening houden met natuurwetgeving; we willen dat dit in een vroeg stadium gebeurt. We stimuleren het werken met 'soortmanagementplannen’ en werken aan het beheersen dan wel uitroeien van invasieve exoten ter bescherming van de inheemse flora en fauna.

Weidevogels Voor het voortbestaan van diverse weidevogels, en vooral de grutto, heeft Nederland in internationaal verband een grote verantwoordelijkheid. Deze soorten zijn beschermd onder de Vogelrichtlijn. In het NNN ligt een aantal natuurgebieden waar veel weidevogels voorkomen. Ook de agrarische open graslanden zijn voor die vogels van belang. In de agrarische weidevogelkerngebieden stimuleren we verbetering van de kwaliteit van het gebied, onder andere via agrarisch natuurbeheer. Om aan internationale doelen te voldoen, moet het leefgebied van weidevogels verbeterd en uitgebreid worden. Dat kan in de weidevogelkerngebieden en in omliggende gebieden. We werken het beleid verder uit en passen zo nodig via de Omgevingsverordening de begrenzingen aan. Naast een goed beheer zijn in weidevogelleefgebied belangrijk: openheid van het landschap, rust en een hoog grondwaterpeil voor weidevogels. We beschermen weidevogelkerngebieden met in de Omgevingsverordening opgenomen instructieregels. De stand van de weidevogels wordt in de gaten gehouden; zo nodig wordt de begrenzing van de weidevogelkerngebieden aangepast. Bestuivers Bestuivers waaronder bijen en andere insecten nemen af in onze provincie. Hoe we die trend proberen te keren en het aantal ‘bestuivers’ weer willen zien groeien, beschrijven we in het Beleidsprogramma Natuur.

Algemene soorten/ Basiskwaliteit Natuur We zetten ons samen met onze partners in voor het behouden en versterken van de Basiskwaliteit Natuur. Basiskwaliteit Natuur is een minimumniveau van ecologische voorwaarden die nodig zijn om algemene soorten algemeen te houden en ecosystemen duurzaam in stand te houden, met name buiten natuurgebieden. Schadebestrijding Samen met de Faunabeheereenheid Utrecht zetten we in op het voorkomen van schade veroorzaakt door in het wild levende dieren en het voorkomen van aanrijdingen met in het wild levende dieren. Indien schadebestrijding onafwendbaar is, stimuleren we via het Omgevingsprogramma Faunabeleid en Monitoring de diervriendelijkste methode hiervoor. Ganzen In ganzenrustgebieden geven wij ruimte aan overwinterende ganzen. In deze gebieden geldt dat ganzen in bepaalde periodes niet verontrust en bejaagd mogen worden en wordt de foerageerfunctie (het feit dat ganzen hier voedsel kunnen vinden) beschermd. Buiten deze gebieden zijn meer mogelijkheden voor verjaging. We onderzoeken hoe we 62 Ontwerp Omgevingsvisie provincie Utrecht

de bescherming in deze gebieden meer in balans kunnen brengen met andere ontwikkelingen die bijdragen aan onze provinciale belangen. Natuurinclusieve samenleving Beleving Beleving van de natuur draagt bij aan de brede welvaart van de mens. Daarom moet natuurgebied zoveel mogelijk worden opengesteld. Hierbij onderzoeken wij of zonering en het aanwijzen van rustgebieden bij kan dragen aan een balans tussen recreatie en natuur (zie box paragraaf 4.7.2). Gebieden voor dagrecreatie in het NNN zijn bedoeld voor recreatie, maar ook om recreanten beter te spreiden in een gebied. Door onder andere onze inzet op Groen Groeit Mee, groenblauwe dooradering en natuurinclusieve landbouw kan het landelijke gebied aantrekkelijker en toegankelijker worden voor recreanten. Dit helpt om een betere balans te bereiken tussen natuur en recreatie. Natuur in het agrarisch gebied Voor het herstel van de biodiversiteit in het landelijk gebied is natuurinclusieve landbouw van groot belang (zie ook paragraaf 4.3.2). Daarnaast streven we ook in het agrarisch gebied naar een Basiskwaliteit Natuur. Hieraan dragen een groenblauwe dooradering van het landschap en agrarisch natuurbeheer bij. Natuur in de stad We werken samen met onze partners aan het creëren van stadsnatuur.

Dat doen we onder andere door het stimuleren van ‘natuurinclusief ontwikkelen’, waarbij zaken als groene daken, gevelbeplanting en nestkasten voor vogels en vleermuizen onderdeel worden van een bouwplan. Ook de ‘groenbeleving’ in de stad willen we aanwakkeren: meer natuur in de buurt en meer groene buurtprojecten. Vrijwilligerswerk stimuleren en meer natuureducatie helpt ook en dit alles draagt bij aan een grotere sociale samenhang in een buurt. Voor maximale impact focussen we in het begin op de meest ‘versteende’ wijken (zie paragraaf 4.7 Gezonde omgeving en vrije tijd). Natuurinclusief ontwikkelen Natuurinclusief ontwikkelen, met aandacht voor de specifieke eisen voor beschermde en niet beschermde soorten, heeft een positief effect op de staat van instandhouding van deze soorten en leidt tot versterking van de biodiversiteit en de ontwikkeling en het behoud van een Basiskwaliteit Natuur. Tegelijkertijd levert het een bijdrage aan een prettige leefomgeving, aan de mogelijkheden voor natuurbeleving in de stad en in het landelijk gebied en daarmee ook aan het welzijn en de gezondheid van mensen.

We nemen natuurinclusief als uitgangspunt bij alle ruimtelijke ontwikkelingen en we stimuleren en ondersteunen gemeenten, woningcorporaties, projectontwikkelaars en andere initiatiefnemers bij het uitvoeren van natuurinclusieve maatregelen bij nieuwbouw, energietransitie, renovatie en/of het natuurinclusief (her-)inrichten van de openbare ruimte. Maatschappelijke betrokkenheid De provincie ondersteunt organisaties binnen en buiten de stad die met vrijwilligers werken en groene activiteiten voor inwoners organiseren. Vrijwilligers zijn onmisbaar in de monitoring en het beheer van natuur. Samen met maatschappelijke partners ondersteunen we innovatieve projecten die de binding tussen natuur en de inwoners en bedrijven versterken. Dit draagt bij aan de waardering van natuur en vergroot daarmee het draagvlak voor (investeringen in) natuurbeheer en natuurontwikkeling.

63 Ontwerp Omgevingsvisie provincie Utrecht

Kaart 10. De beleidskaart toont de geografische ligging van de werkingsgebieden van ons beleid op het gebied van een veerkrachtige natuur in een natuurinclusieve samenleving

Uitvoering geven aan beleid voor veerkrachtige natuur in een natuurinclusieve samenleving Vanuit de rollen Stimuleren Participeren

Realiseren

Reguleren

Toelichting Subsidies voor natuurherstel en natuurbeheer. Programma Groen Groeit Mee. Platform groenblauwe dooradering. Gebiedsontwikkeling Hart van de Heuvelrug. Strategisch bosbeleid ‘Meer en beter bos voor Utrecht’. Landschapsuitvoeringsplan. Opstellen beleidsprogramma Natuur (vervangt Natuurvisie en beleidskader Wet natuurbescherming). ▪ Utrechts Programma Landelijk Gebied 2026-2029. ▪ Beleidsprogramma Faunabeleid en monitoring. ▪ Instructieregels voor bescherming van Natuurnetwerk Nederland, Natura 2000-gebieden, Groene contour gebieden, weidevogelkerngebieden en waardevolle houtopstanden oude bosgroeiplaatsen. ▪ Activiteitenregels voor bescherming van Natura 2000-gebieden, ganzenrustgebieden, kleine landschapselementen en houtopstanden. ▪ ▪ ▪ ▪ ▪ ▪ ▪

4.3.2 Duurzame landbouw Opgaven In het landelijk gebied moet veel gebeuren met betrekking tot stikstof (afname van de uitstoot en vergunningverlening), de natuur, klimaatmitigatie en -adaptatie, de bodem en het water en de volksgezondheid. Al deze opgaven en de aanpassingen die dit vraagt hebben invloed op de bedrijfsvoering van de agrariërs in onze 64 Ontwerp Omgevingsvisie provincie Utrecht

provincie. Voorbeelden van maatregelen zijn: het gebruik van schadelijke gewasbeschermingsmiddelen verlagen, zorgen voor groenblauwe dooradering en meer ‘agroforestry’, meer biologisch areaal realiseren en agrarisch natuurbeheer (zie kaart 11: Opgavekaart Duurzame landbouw). Een transitie van de landbouwbedrijven is aanstaande en dat vraagt om aanpassingen van de agrarische bedrijfsvoering die van invloed zijn op het financieel-economisch perspectief van de sector. Dat perspectief moet er wel zijn en dus is het tijd voor duidelijk beleid van de overheid. Bijna de helft (46%) van het grondgebied van de provincie Utrecht wordt gebruikt voor landbouwdoeleinden. Ook is de agrarische sector is beheerder van ons aantrekkelijke cultuurlandschap. Twee op de drie Utrechtse landbouwbedrijven hebben nevenactiviteiten, zoals agrarisch natuurbeheer, agrotoerisme, zorg, educatie of de verwerking en verkoop van landbouwproducten. Daarnaast zien we een opkomst van lokale gemeenschapslandbouw; dat gaat om burgers die collectief voedsel inkopen bij de agrariër of zich voor langere tijd aan een agrarisch bedrijf verbinden. Er zijn veel agrarische bedrijven in de provincie die stoppen; tot 2030 komt ongeveer 1,3 miljoen vierkante meter aan agrarische bebouwing vrij. Voorkomen moet worden dat er leegstand of ondermijnend gebruik plaatsvindt of dat het landschap wordt aangetast.

Ambities ▪ ▪ ▪

▪

2050: een landbouwsector met economisch rendabele bedrijven die circulair, natuurinclusief, klimaatneutraal en dierwaardig zijn (kringlooplandbouw) en dicht bij de inwoners staan. 2030: minimaal 50% van de grondgebonden bedrijven heeft een natuurinclusieve bedrijfsvoering. 2030: de nutriëntenkringlopen zijn op het laagst mogelijke niveau gesloten (kringlooplandbouw). Daarnaast is de sector een rol gaan spelen in de productie en opslag van duurzame energie. De provincie Utrecht is een voorbeeld voor andere gebieden in de verbinding stad-land en heeft een vitale, duurzame landbouwsector. Die is met name gericht op voedselproductie, met bijbehorend verdienmodel. De provincie heeft een agrarisch cultuurlandschap dat toegankelijk en aantrekkelijk is om in te recreëren. 2030: op minimaal 15% van het landbouwareaal wordt een biologische bedrijfsvoering toegepast, in lijn met de landelijke doelstellingen. We willen deze ontwikkeling voortzetten richting 2050.

Deze ambities worden uitgewerkt in de volgende paragrafen.

65 Ontwerp Omgevingsvisie provincie Utrecht

Beleid Op weg naar een kringlooplandbouw Het sluiten van kringlopen binnen agrarische ondernemingen moet op een zo laag mogelijk niveau gebeuren. Dit betekent dat stoffen als koolstof en stikstof continu worden hergebruikt, waarbij er geen stoffen verloren gaan of worden toegevoegd. Onder kringlooplandbouw verstaan we: agrarische biomassa en de daarin opgeslagen voedingsstoffen worden vastgehouden in het voedselsysteem. Er wordt rekening gehouden met het opbrengend vermogen van de bodem. Door zuinig om te gaan met schaarse grondstoffen en minder biomassa te verspillen, hoeven minder voedingsstoffen van elders te worden aangevoerd in de vorm van bijvoorbeeld kunstmest en geïmporteerd veevoer. De landbouw in de provincie Utrecht bestaat voor een groot deel uit veehouderij. Daarom willen we op het gebied van kringlooplandbouw samenwerken met gebieden die meer akkerbouw hebben, zoals Flevoland. Door uitwisseling van mest en gewassen kunnen bedrijven hun afvalstoffen hergebruiken, wat leidt tot minder afval en een efficiënter gebruik van grondstoffen. De Utrechtse Monitor Duurzame Landbouw (UMDL) biedt melkveehouders en fruittelers inzicht in Kritische Prestatie Indicatoren (KPI's) van het eigen bedrijf. Met behulp van die KPI’s kunnen doelen worden gesteld voor onder andere water, de bodem, de natuur en klimaatmitigatie.

Kennisuitwisseling is ook een belangrijk onderdeel van de UMDL, waarmee we natuurinclusieve kringlooplandbouw willen stimuleren Naast het sluiten van kringlopen is het voorkomen van voedselverspilling belangrijk. Waar dat niet mogelijk is, moet voedsel worden verwerkt tot nieuwe grondstoffen voor veevoer of voor hoogwaardige materialen. Het composteren of verbranden van voedsel zijn de minst wenselijke opties. Natuurinclusieve landbouw Onder natuurinclusieve landbouw verstaan we: een vorm van duurzame landbouw die optimaal gebruik maakt van de natuurlijke omgeving en die integreert in de bedrijfsvoering. Natuurinclusieve landbouw bestaat uit drie onderdelen: ▪ Het inzetten van natuurlijke processen als alternatief voor externe ‘inputs’, zoals kunstmest en chemische gewasbeschermingsmiddelen ('benutten'). ▪ Het verminderen van de impact van ongewenste emissies op de natuur ('sparen'). ▪ Het zorgen voor de natuur, biodiversiteit en het landschap door het nemen van maatregelen gericht op specifieke soorten of landschapselementen (‘verrijken’). De landbouw wordt natuurinclusiever door agrarisch natuurbeheer, waardoor boerenlandvogels weer talrijk aanwezig zijn en sloten rijk zijn aan biodiversiteit. Ook kunnen boeren kleine landschapselementen creëren of samenwerken met terreinbeherende organisaties bij het beheer van bepaalde natuurtypen.

Ook agroforestry kan een belangrijke rol spelen in de verbinding tussen landbouw en natuur. Voedselbossen zien wij ook als een vorm van agroforestry, waarmee Utrechtse boeren voedsel kunnen produceren, de agrarische productie kunnen ondersteunen en een bijdrage kunnen leveren aan onder andere het landschap, de recreatiemogelijkheden en klimaatmitigatie en -adaptatie. Een gezonde en vitale landbouwbodem: ▪ is een belangrijke basis voor goede voedselproductie; ▪ helpt bij het verwerken van overtollig water bij zware regenval; ▪ helpt tegen uitspoeling van nutriënten (waaronder stikstof en fosfor) naar het grond- en oppervlaktewater; ▪ bevat veel biodiversiteit; ▪ heeft geen ‘verdichte’ lagen (samengedrukt, waardoor gewassen minder goed hun wortels kwijt kunnen); ▪ heeft een organisch stofgehalte (percentage plantaardig en dierlijk materiaal dat is afgebroken) dat op peil blijft of zelfs toeneemt. ▪ De provincie ondersteunt de kennisontwikkeling die nodig is en het uitrollen van bewezen maatregelen.

67 Ontwerp Omgevingsvisie provincie Utrecht

Natuurinclusieve landbouw vraagt om ‘teeltsystemen’ die tegen een stootje kunnen. Ter bescherming wordt bij het bestrijden van plagen zoveel mogelijk gebruik gemaakt van natuurlijke vijanden (zoals roofmijten en sluipwespen) om het natuurlijk systeem te herstellen. Dit draagt bij aan de vermindering van het gebruik van schadelijke gewasbeschermingsmiddelen. Als provincie willen we het gebruik van schadelijke gewasbeschermingsmiddelen maximaal terugdringen. We gaan een integraal provinciaal uitvoeringsprogramma voor gewasbeschermingsmiddelen uitwerken, dat de impact en het gebruik van schadelijke gewasbeschermingsmiddelen minimaliseert. In de Omgevingsverordening verbieden we op percelen de omschakeling naar sierteelt op volle grond. Onder sierteelt verstaan we bollenteelt, bloemen, bomen en vaste planten, omdat bij de teelt van deze gewassen relatief veel chemische gewasbeschermingsmiddelen worden gebruikt. Deze middelen hebben een negatief effect op de waterkwaliteit en volksgezondheid. Een uitzondering wordt gemaakt voor sierteelt die geen gebruik maakt van die middelen. Manieren voor de landbouwsector om klimaatneutraal te zijn: energiebesparing, energieproductie (voor het eigen bedrijf en/of voor anderen), koolstofopslag in de bodem, in gewassen en in hout, en het terugbrengen van de uitstoot van broeikasgassen (CO₂, lachgas en methaan).

Klimaatmitigatie Klimaatmitigatie vormt een essentieel onderdeel van een toekomstbestendige Utrechtse landbouw. Verdere opwarming van onze leefomgeving heeft namelijk directe gevolgen voor de bodemkwaliteit, waterbeschikbaarheid en biodiversiteit in de provincie. Door gericht maatregelen te nemen kan de landbouwsector niet alleen zijn eigen kwetsbaarheid verminderen, maar ook actief bijdragen aan het tegengaan van klimaatverandering. Het toepassen van klimaatvriendelijke teeltmethoden, het verlagen van (methaan)emissies uit veehouderij en bodem, het vergroten van koolstofvastlegging via bodembeheer en in biobased bouwmaterialen, en het stimuleren van circulaire en natuurinclusieve bedrijfsvoering zijn hierbij cruciaal. Stikstof De depositie van stikstof (stikstofverbindingen die vanuit de lucht op de bodem, in het water of op de gewassen neerkomen) is in de provincie Utrecht een belangrijke oorzaak voor het niet halen van de Natura 2000-doelstellingen. Vermindering ervan is nodig om de achteruitgang van kwetsbare natuurgebieden een halt toe te roepen en natuurherstel mogelijk te maken. Dit is ook noodzakelijk om tot houdbare en duurzame vergunningverlening te kunnen komen. Daarvoor moeten we maatregelen nemen die gericht zijn op het herstel van natuur en het kunnen onderbouwen van additionaliteit.

Het ‘additionaliteitsvereiste’ stelt dat vrijkomende stikstofdepositieruimte alleen mag worden gebruikt voor de verlening van vergunningen, als vaststaat dat die stikstofdepositieruimte niet nodig is om verslechtering van Natura 2000-gebieden te voorkomen en perspectief te houden op herstel. Anders gezegd, de stikstofreductie moet extra zijn ten opzichte van wat er nodig is om verslechtering van de natuur te voorkomen én te kunnen zorgen dat de natuur zich kan herstellen. De provincie Utrecht is vanuit de Omgevingswet ‘bevoegd gezag’ voor het verlenen van natuurvergunningen, bijvoorbeeld voor de agrarische sector, woningbouwbedrijven, energiebedrijven en aanbieders van mobiliteitsoplossingen. Momenteel verloopt vergunningverlening moeizaam, omdat de additionaliteit, moeilijk onderbouwd kan worden, omdat veel natuur achteruitgaat. Om vergunningverlening op termijn (regionaal) weer mogelijk te maken is het zaak dat er juridisch geborgde plannen opgesteld worden die voldoende zekerheid bieden dat natuurherstel met deze plannen gaat optreden. Met ‘borging’ wordt in dit kader bedoeld dat het behalen van de doelen in wet- en regelgeving onontkoombaar wordt gemaakt. Om tot houdbare en duurzame vergunningverlening te kunnen komen, moeten we maatregelen nemen die gericht zijn op het herstel van natuur en het kunnen onderbouwen van additionaliteit.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://gemeentebestuur.woudenberg.nl/api/v1/meetings/4263/documents/72971