CConstaterende datWoudenberg
Koppel je AI →
Document · PDF

06 TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22b Lambalgseweg 19_MOTIVERING.pdf

Raadscommissie 16 september 2025, gemeente WoudenbergBij agendapunt: 15: Omgevingsplan Lambalgseweg 1922.192 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 3

De strikte termijnen en maatschappelijk belang achter de Lvb-plus regeling geven voor de gemeente Woudenberg aanleiding om in onderhavig geval maatwerk toe te passen en een specifieke locatieafweging te maken. Het toestaan van twee ruimte-voor-ruimte woningen wordt op onderhavige locatie ruimtelijk aanvaardbaar geacht nu er in de beoogde nieuwe situatie sprake is van een compact erf welke in samenhang is ontworpen. Verder is van belang dat in de directe omgeving weinig agrarische bedrijfspercelen aanwezig zijn en juist veel woningen (deels op voormalige agrarische bouwpercelen). In de bocht van de Lambalgseweg ten westen van het plangebied zijn bovendien in het begin van de vorige eeuw een aantal regulier vrijstaande woningen (burgerwoningen) gerealiseerd zonder enige relatie met een agrarisch bedrijf. Tot slot wordt opgemerkt dat het realiseren van twee ruimte-voor-ruimte woningen in overeenstemming is met de Omgevingsverordening van de provincie Utrecht, welke de bouw van twee woningen toestaat wanneer 2.500 m2 tot 4.000 m2 aan bebouwing wordt gesloopt. 2. "Voor de slooplocatie en de ontwikkellocatie is een compact erf het uitgangspunt. Dit betekent dat op het erf de bebouwing niet te ver van elkaar af staat, de bebouwing een eenheid vormt en sprake is van één uitrit.

Het werkingsgebied ligt hier op eenduidige en begrensde wijze rond omheen." Aan het tweede basisprincipe wordt volledig voldaan. In de nieuwe erfopzet is er sprake van een compact erf, waarbij de bebouwing niet ver van elkaar af staat. Het nieuwe ontwerp gaat uit van de één erf-gedachte met eenheid van bebouwing en één gezamenlijke inrit. Landschappelijke inpassing In het Afwegingskader is opgenomen dat erven een beeldbepalende rol hebben in de eigenheid van het landelijk gebied. Een compact erf geldt als uitgangspunt gebaseerd op de traditionele erfopzet. De bebouwing en de landschapselementen, zoals bijvoorbeeld een boomgaard of houtsingel, vormen in het beeld van het landelijk gebied een onlosmakelijk geheel. Veranderingen op het erf hebben hun impact hierop. We vragen dan ook om een landschappelijke inpassing bij ontwikkelingen. Bij een landschappelijke inpassing kijken we zorgvuldig naar het erf en het omliggende landschap. Bij veranderingen op een erf is het belangrijk deze aan te laten sluiten op landschappelijke kenmerken. De aanwezige landschaps-, ecologische en cultuurhistorische waarden en beeldkwaliteit van de bebouwing zijn hierbij uitgangspunt. Hierdoor ontstaat een op het gebied afgestemd inrichtingsplan. De initiatiefnemer realiseert hiermee zijn eigen plannen én verbetert tegelijkertijd het landschap. Dit leidt tot verbetering van de eigen leefomgeving.

Het Afwegingskader laat ruimte voor een gemeentelijke uitwerking voor hun eigen specifiek gebied. Bij de vaststelling van het Afwegingskader door de gemeenteraad van Woudenberg op 26 september 2024, is overwogen dat de bestaande gebiedsbeschrijvingen in hoofdlijn aansluiten bij de huidige beleidskaders en

ruimte voor ontwikkeling

31

ook de kaders van de Nota Ruimtelijke Kwaliteit. Bij de op te stellen Visie Buitengebied samen met Renswoude en Leusden, zal bezien worden of meer lokale uitwerking noodzakelijk is. Tot die tijd zijn de beschrijving uit de bijlage van het afwijkingenbeleid en onze Nota Ruimtelijke Kwaliteit de basis. Met betrekking tot onderhavig intiatief is de landschappelijk inpassing reeds beschreven in paragraaf 2.4.2. De verandering van het erf sluit aan op de landschapplijke kenmerken en de herkenbaarheid en de (streek)eigenheid van het landelijk gebied wordt behouden en versterkt.

3.4

Gemeentelijk beleid

3.4.1 StructuurvisieWoudenberg2030 (inclusief oplegger 2019) Op 23 mei 2013 heeft de gemeenteraad van Woudenberg de Structuurvisie Woudenberg 2013 – 2030 vastgesteld. Op 24 januari 2019 is daarbij ook de oplegger vastgesteld. In de ruimtelijke visie wordt aangegeven hoe de gemeente denkt over de ruimtelijke invulling voor het wonen, werken en recreëren voor de jaren tot 2030. Met de oplegger is geconstateerd dat de huidige structuurvisie op hoofdlijnen nog voldoet, wel is deze geactualiseerd op een aantal onderdelen. In de Structuurvisie worden de volgende thema's beschreven: landschap en groen, wonen, economie, recreatie, verkeer, maatschappelijke voorzieningen. De relevante thema's voor onderhavige ontwikkeling zijn 'landschap en groen' en 'wonen'. Onderstaand wordt ingegaan op de betreffende thema's en worden de overige relevante zaken benoemd uit de Structuurvisie. Landschap en groen Ten aanzien van het thema 'landschap en groen' staat opgenomen dat Woudenberg in een divers en kwalitatief hoogwaardig landschap ligt. Het groen in de bebouwde kom en het buitengebied van Woudenberg maken de gemeente een aantrekkelijke plaats met een goede woon- en leefkwaliteit. De historisch aanwezige groenstructuur is ontstaan door ontginningen in de Gelderse Vallei en wordt begrensd door de stuwwal van de Utrechtse Heuvelrug.

De vallei wordt doorsneden met beken en er zijn veel historische landschapselementen aanwezig zoals houtwallen, elzensingels en historische lanen. Ook zijn in het landschap nog landschapstypen te herkennen zoals het slagen- en kampenlandschap. Hiermee vormt het landschap onmiskenbaar de onderlegger van de gemeente. Het laat niet alleen de geschiedenis en het heden zien, maar is (zeker in het buitengebied) ook een kapstok om toekomstige ontwikkelingen van haar gebruikers aan op te hangen. Deze gebruikers zijn: de agrarische sector, de landgoederen, de intrinsieke waarden van natuur en recreatie. Al eeuwenlang zijn dit de medegebruikers van het landschap. Vroeger hoofdzakelijk de agrarische sector, maar vandaag de dag is het landschap multifunctioneel in gebruik met verschillende functies. Functies die bovendien niet langer naast elkaar staan, maar steeds meer met elkaar samenwerken en in combinatie een sterk recreatief en economisch concept zijn voor het buitengebied. Kaderstellend voor de visie op het landschap is de nieuwe provinciale structuurvisie. Deze streeft naar een landelijk gebied met kwaliteit. De opgave is dan ook de diversiteit, kwaliteit en intrinsieke waarde van natuur en landschap te behouden met oog voor de dynamiek en ontwikkelingen van haar gebruikers.

Wonen Middels de oplegger is deze paragraaf komen te vervallen en wordt verwezen naar het Woningbehoefte onderzoek 2018 en het beleid zoals opgenomen in de Woonvisie 2019+. De Woonvisie 2019+ is inmiddels geactualiseerd met de vaststelling van de Woonvisie Woudenberg 2024-2030. Deze nieuwe Woonvisie komt in paragraaf 3.4.2 aan bod. Het Woningbehoefteonderzoek is eveneens inmiddels geactualiseerd naar de versie 2022. In paragraaf 4.11 wordt de inhoud daarvan uitgebreid besproken. Er is geconcludeerd dat het realiseren van drie vrijstaande woningen, waarvan één reeds mogelijk gemaakt met het wijzigingsplan 'Lambalgseweg 19', voorziet in een grote behoefte. Ontwikkellocaties

32

TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22b Lambalgseweg 19

De structuurvisie vormt het ruimtelijk kader voor verschillende projecten in de gemeente en andere nieuwe initiatieven in de toekomst. Deze dragen bij aan de ontwikkeling van het ruimtelijk-economisch structuurbeeld 2030. Een deel van de projecten betreft concrete ontwikkellocaties. Dit zijn verschillende plekken in de gemeente waar de komende jaren ruimtelijke veranderingen plaatsvinden en/of gewenst zijn. Er wordt daarbij onderscheid gemaakt tussen grootschalige en kleinschalige ontwikkelingslocaties. Het onderhavige plangebied valt niet binnen één van de in de structuurvisie aangegeven ontwikkelingslocaties. Overig Voor het overige wordt in de Structuurvisie niet nader ingegaan op eventuele functiewijziging van voormalige agrarische bedrijfspercelen. Wel staat in de oplegger van de Structuurvisie aangegeven dat gemeente Woudenberg, naast een sterke en multifucntionele agrarische sector, ruimte wil bieden om door middel van experimenten en maatwerk in te spelen op het verwachtte aantal vrij te komen vierkante meters aan stallen. Conclusie Onderhavige ontwikkeling voorziet in functieverandering, waarbij de agrarische bedrijfsfunctie wordt gewijzigd naar een reguliere woonfunctie met in totaal drie vrijstaande woningen.

De beëindiging van een intensieve veehouderij in de directe nabijheid van reguliere woningen, draagt bij aan een verbetering van de kwaliteit van de leefomgeving. Daarnaast wordt in de beoogde nieuwe situatie voorzien in stevige erfbeplanting, waarmee het contrast tussen openheid en beslotenheid wordt vergroot. Het initiatief leidt daarmee eveneens tot een versterking van het kenmerkende kampenlandschap. Tot slot blijkt uit het Woningbehoefteonderzoek 2022 dat er een grote behoefte is aan extra woningen. Concluderend is de ontwikkeling passend binnen de Structuurvisie Woudenberg 2013-2030 en oplegger.

3.4.2 WoonvisieWoudenberg2024-2030 Op 21 december 2023 is de Woonvisie 2024-2030 door de gemeenteraad vastgesteld. Vanuit de visie 'Woudenberg een prachtig dorp' wordt ingezet op groei met behoud van kleinschaligheid. De woonvisie is verder opgebouw rond een viertal thema's: 1. Betaalbaar wonen; 2. Ruimte maken voor wonen; 3. Wonen en zorg; 4. Wat goed is behouden. Uit het Woningbehoefteonderzoek 2022 volgt een forse woninbehoefte de komende jaren; de prognose is daarbij zelfs naar boven bijgesteld ten opzichte van het woonbehoefteonderzoek uit 2019. Voor onderhavige ontwikkeling zijn met name de thema's 'betaalbaar wonen' en 'ruimte maken voor wonen' van belang. De inzet voor het thema 'betaalbaar wonen' is onder meer om in projecten ook sociale huur te realiseren. In de Woonvisie is de keuze gemaakt om bij ontwikkelingen van projecten bestaande uit meer dan 10 woningen, minimaal 30% sociale huurwoningen te realiseren, tenzij er financiële, ruimtelijke en/of maatschappelijke belangen zijn om dit niet te doen. Ten aanzien van het thema 'ruimte maken voor wonen' wordt geprobeerd om de doorstroming te versnellen, onder meer met verleidelijk aanbod. Bij alles geldt dat het dorpse karakter behouden dient te blijven, omdat dit één van de grootste kwaliteiten is.

Conclusie Onderhavige ontwikkeling draagt bij aan de ambities uit de Woonvisie en sluit aan bij de vraag naar woningen, zoals deze naar voren komt in het woningbehoefteonderzoek. Met het realiseren van nieuw aanbod in de vorm van drie vrijstaande woningen in het buitengebied, wordt bijgedragen aan de gewenste doorstroming. Er is bovendien sprake van landelijk wonen dat aansluit op het bestaande karakter van de Lambalgseweg en haar directe omgeving. Nu het project uit minder dan 11 woningen bestaat, is het minimum percentage sociale huurwoningen niet van toepassing.

ruimte voor ontwikkeling

33

Hoofdstuk 4

Effecten op en van de fysieke leefomgeving

In dit hoofdstuk wordt getoetst of het plan een bijdrage levert aan een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. Hierbij wordt ingegaan op verschillende aspecten van de fysieke leefomgeving. Paragraaf 4.1 tot en met 4.13 zijn opgebouwd aan de hand van de instructieregels die het Bkl in hoofdstuk 5 geeft. Paragraaf 4.14 en verder bestaat uit overige relevante instructies, regels en beleid vanuit het rijk, de provincie of gemeente.

4.1

Omgevingsveiligheid

4.1.1 Wettelijk kader In paragraaf 5.1.2 van het Bkl worden regels gegeven over de toelaatbaarheid van de verschillende categorieën gebouwen en locaties in verband met een veiligheidsrisico dat ontstaat door een activiteit die op grond van het omgevingsplan op die locatie is toegestaan. Kwetsbare gebouwen en locaties Het Bkl werkt, net als het voorgaande recht, met de begrippen beperkt kwetsbare, kwetsbare en zeer kwetsbare gebouwen en beperkt kwetsbare en kwetsbare locaties. In bijlage VI bij het Bkl is aangegeven welke soorten gebouwen en locaties tot de verschillende categorieën behoren. Belangrijk om op te merken is dat ook gebouwen en locaties die nog niet bestaan, maar wel op grond van een omgevingsplan mogelijk gemaakt worden, tot deze categorieën worden gerekend. De lijst in bijlage VI betreft een limitatieve lijst. Indien een functie niet is genoemd in de bijlage, valt het hier dus niet onder. Het staat het bevoegd gezag vrij om functies onder een strengere categorie te scharen dan vereist. In H4 van het Bal worden de minimale afstanden van verschillende milieubelastende activiteiten tot kwetsbare locaties genoemd. Plaatsgebonden risico Artikel 5.7 Bkl bepaalt dat het plaatsgebonden risico voor kwetsbare gebouwen en locaties en zeer kwetsbare gebouwen niet groter mag zijn dan 1 op de 1.000.000.

In artikel 5.8 Bkl, in combinatie met de verschillende onderdelen van bijlagen VII van het Bkl en H4 van het Bal, is aangegeven bij welke afstanden aan het vereiste van artikel 5.7 Bkl wordt voldaan. Artikel 5.9 Bkl bepaalt vervolgens tot waar de afstanden gemeten dienen te worden. Voor beperkt kwetsbare gebouwen en locaties geldt dat het bevoegd gezag het plaatsgebonden risico van maximaal 1 op de 1.000.000 niet in acht neemt maar er rekening mee houdt. Dit houdt in dat het bevoegd gezag een eventuele afwijking van dit getal moet kunnen verantwoorden, maar dat die afwijking dus eventueel wel toegestaan is. Aandachtsgebieden Het plaatsgebonden risico, gekoppeld aan de afstanden die daar krachtens artikel 5.8 Bkl voor gelden, zorgen voor een contour rondom het risico-object waarbinnen geen kwetsbare gebouwen of locaties gerealiseerd mogen worden. De zogenaamde aandachtsgebieden voegen meer lagen aan deze contour toe. Het Bkl kent drie soorten aandachtsgebieden: een brandaandachtsgebied, explosieaandachtsgebied en een gifwolkaandachtsgebied. Net als bij het plaatsgebonden risico worden ook voor de aandachtsgebieden de begrenzingsregels gegeven in het Bkl. Het aanwijzen van een aandachtsgebied heeft twee belangrijke consequenties.

Ten eerste kan in het geval van een brand- dan wel explosieaandachtsgebied het gebied worden aangewezen als brandrespectievelijk explosievoorschriftengebied. Dit heeft gevolgen voor de bouwvoorschriften waar in het gebied te realiseren gebouwen aan moeten voldoen. Ten tweede moet rekening gehouden worden met het groepsrisico. Het groepsrisico is de kans op het overlijden van minstens tien personen per jaar als gevolg van een ongewoon voorval veroorzaakt door de risico-gevende activiteit. Het bevoegd gezag moet, net als

34

TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22b Lambalgseweg 19

bij het plaatsgebonden risico voor beperkt kwetsbare functies, rekening houden met dit groepsrisico. Het Bkl geeft zelf aan hoe het bevoegd gezag hier in ieder geval aan kan voldoen: er kan voor worden gekozen om geen (beperkt) kwetsbare gebouwen en locaties of zeer kwetsbare gebouwen te realiseren in dit aandachtsgebied. Indien deze categorieën wel worden gerealiseerd, kan het bevoegd gezag verplichten dat maatregelen worden getroffen voor de mensen in die locaties of door het aantal mensen in die locaties te beperken.

4.1.2 Beoordeling Een woning betreft een kwetsbaar gebouw, zodat getoetst dient te worden aan de wetgeving omtrent omgevingsveiligheid. Voor de beoordeling of in de omgeving van het plangebied risicovolle activiteiten en/of transportroutes gevaarlijke stoffen aanwezig zijn, is de risicokaart geraadpleegd. Onderstaande afbeelding toont een uitsnede van deze kaart.

Uitsnede risicokaart met aanduiding plangebied (bron: www.risicokaart.nl) Transport gevaarlijke stoffen Er ligt in de directe omgeving van het plangebied geen hoofdvaarweg, spoorbaan of weg waarover transport van gevaarlijke stoffen plaatsvindt. In de omgeving van het plangebied ligt op circa 300 meter van de beoogde nieuwbouw een hogedruk aardgasleiding. De beoogde nieuwbouw ligt niet binnen een aandachtsgebied. Gelet op het voorgaande zijn er vanwege het transport van gevaarlijke stoffen geen gevolgen voor het plaatsgebonden risico en het groepsrisico. Activiteiten In de directe nabijheid van het plangebied vinden geen omgevingsveiligheid-relevante activiteiten plaats, zodat er geen sprake is van een belemmering. Anderzijds is de voorgenomen planontwikkeling geen

ruimte voor ontwikkeling

35

risicovolle inrichting in het kader van het Bkl, waardoor de ontwikkeling geen gevaar vormt voor de omgeving.

4.1.3 Conclusie Er bestaat vanuit het aspect omgevingsveiligheid geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling.

4.2

Water

4.2.1 Wettelijk kader Paragraaf 5.1.3 van het Bkl bevat het wettelijk kader voor het beschermen van waterbelangen. Hierin worden regels gegeven ter bescherming van primaire waterkeringen, de kust, grote rivieren en het IJsselmeergebied. Als een omgevingsplan of omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsacitiviteit betrekking heeft op een locatie in een van deze gebieden, gelden er regels ter bescherming van waterbelangen. De gemeente heeft de verplichting het waterbelang mee te wegen bij het vaststellen van een omgevingsplan of het verlenen van een buitenplanse omgevingsplanactiviteit (artikel 5.37 Bkl). Hierbij moet het waterschap betrokken worden. Dit kan door middel van een watertoets. Een watertoets geeft aan wat de gevolgen zijn van een ruimtelijk plan voor de waterhuishouding in het betreffende gebied. Doel van de watertoets is de relatie tussen planvorming op het gebied van de ruimtelijke ordening en de waterhuishouding te versterken.

4.2.2 Beleidskader Op verschillende bestuursniveaus zijn de afgelopen jaren beleidsnota's verschenen aangaande de waterhuishouding. Deze paragraaf geeft een overzicht van de voor het plangebied relevante nota's. Rijk Het Nationaal Waterbeleid is gericht op bescherming tegen overstromingen, voldoende en schoon water en diverse vormen van gebruik van water. Het nationale beleid heeft geen directe implicaties voor dit project. Provincie Het Bodem- en waterprogramma 2022-2027 (BWP) is een uitwerking van ambities voor de bodem en het water uit de provinciale Omgevingsvisie. Onderdeel van het programma is het wettelijk verplichte Regionaal Waterplan onder de Waterwet. Het programma beschrijft hoe de provincie samen met andere partners wil werken aan ambities uit de Omgevingsvisie, welke beleidskeuzes ze maken en hoe ze hier uitvoering aan willen geven. Een van de beleidsthema's in de Omgevingsvisie is 'klimaatbestendig en waterrobuust'. Het BWP geeft invulling aan dat thema. De Omgevingsvisie beschrijft het 'wat' (ambities), het BWP het 'hoe' (uitvoering) de provincie in samenwerking met andere overheden uitvoering geeft. Het programma gaat over duurzaam gebruik van de ondergrond, circulariteit, schoon oppervlaktewater, schone bodem en grondwater, voldoende water, waterveiligheid en energie uit bodem en water. Ook actuele vraagstukken zijn onderdeel van het programma.

Het gaat dan bijvoorbeeld over omgaan met de toenemende periodes van droogte en wateroverlast, de toenemende drukte in de ondergrond en het vaststellen van doelen en maatregelen voor de Kaderrichtlijn Water (KRW). Duurzaam gebruik ondergrond is op de gehele provincie Utrecht van toepassing. Doel: De ondergrond (bodem, grondwater en diepe ondergrond) wordt nu en in de toekomst zorgvuldig, veilig en duurzaam gebruikt, waarbij: De ondergrond optimaal wordt benut voor alle uiteenlopende maatschappelijke opgaven. De kwaliteit van de ondergrond niet achteruitgaat als gevolg van het gebruik ervan en waar mogelijk verbetert.

36

TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22b Lambalgseweg 19

Waterveiligheid Het grootste deel van onze provincie, ook Woudenberg, ligt in overstroombaar gebied. Dit betekent dat bij een eventuele doorbraak van keringen Woudenberg te maken krijgt met overstromingen. De provincie en het waterschap dragen zorg voor het overstromingsgevaar en de overstromingsrisico's en neemt zowel preventieve als reactieve maatregelen. Waterschap Vallei en Veluwe Blauwe Omgevingsvisie 2050 Op 20 februari 2019 is door het algemeen bestuur van waterschap Vallei en Veluwe de Blauwe Omgevingsvisie (BOVI 2050) vastgesteld. Met deze BOVI zet waterschap Vallei en Veluwe op nieuwe wijze koers naar een duurzame en waterinclusieve leefomgeving. In de BOVI wordt gedacht vanuit drie waterprincipes: 1. Water is een ordenend principe in de ruimtelijke ordening. 2. Maximaal vasthouden en schoonhouden van water. 3. Partnerschap als watermerk. De visiekaart en waterprincipes werken door in de doelen van het nieuwe waterprogramma. Blauw Omgevingsprogramma2022-2027 Het algemeen bestuur van waterschap Vallei en Veluwe heeft op 22 november 2021 het Blauw Omgevingsprogramma 2022-2027 (BOP) vastgesteld. Het BOP is de tactische uitwerking van de Blauwe omgevingsvisie (BOVI2050).

Met als overkoepelend thema 'een waardevolle leefomgeving', worden de maatschappelijke thema's klimaatverandering, energietransitie, circulaire economie en biodiversiteit, gekoppeld aan de drie waterprincipes en geïntegreerd in vier gebiedsprogramma's. Het plangebied valt binnen het gebiedsprogramma Gelderse Vallei. In de directe omgeving van Woudenberg is onder meer het volgende doel gesteld: Landgoederen (onder andere Groot Bylaer) langs de beken en de Utrechtse Heuvelrug bieden kansen om het watersysteem te verbeteren en natuurwaarden te versterken.

4.2.3 Beoordeling Om het voornemen te toetsen aan het waterbeleid, is de digitale watertoets uitgevoerd. Het resultaat is als bijlage bij deze motivering gevoegd (Bijlage 1). Initiatienemer houdt rekening met de aangegeven uitgangspunten en adviezen. De volgende onderwerpen zijn in ieder geval van belang: Watergangen Uit de watertoets blijkt dat het plan invloed heeft op het watersysteem, waterkeringen en/of afvalwaterketen. Dit is het gevolg van het feit dat het plangebied volgens de digitale watertoets een A- of B-watergang raakt. Uit de legger Watersysteem van het Waterschap Vallei en Veluwe blijkt echter dat het plangebied uitsluitend de omliggende C-watergangen raakt. Met onderhavig initiatief blijven de betreffende watergangen onaangetast. Er vinden geen fysieke ingrepen of wijzigingen plaats aan de watergangen zelf. Vanuit het thema 'watergangen' bestaan er dan ook geen belemmeringen.

ruimte voor ontwikkeling

37

Uitsnede Legger Watersysteem (bron: Waterschap Vallei en Veluwe) Watercompensatie Aanleg van nieuw verhard oppervlak leidt tot versnelde afvoer van hemelwater naar watergangen. Om te voorkomen dat hierdoor wateroverlast ontstaat, kan aanleg van extra waterberging noodzakelijk zijn. Zo wordt het verlies van berging in de bodem gecompenseerd. De beoogde nieuwe situatie zal per saldo leiden tot een (forse) afname van het verhard oppervlak. Daarmee is watercompensatie niet benodigd. Riolering Het hemelwater van het verhard oppervlak zal naar verwachting direct worden afgevoerd naar het omliggende oppervlaktewater in de directe omgeving van het plangebied (afkoppelen). Voor wat betreft de aansluiting op het riool zal nadere afstemming plaatsvinden met de gemeente Woudenberg. Algemene aandachtspunten Vasthouden - bergen - afvoeren Een belangrijk principe is dat een deel van het hemelwater binnen het plangebied wordt vastgehouden en/of geborgen en dus niet direct afgevoerd wordt naar de riolering of het oppervlaktewater. Hiermee wordt bereikt dat de waterzuiveringsinstallatie beter functioneert, verdroging wordt tegen gegaan en piekafvoeren in het oppervlaktewater (met eventueel wateroverlast in benedenstrooms gelegen gebieden) wordt voorkomen. Bij lozing op oppervlaktewater zal hiervan een melding gedaan moeten worden bij het waterschap.

38

TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22b Lambalgseweg 19

Grondwaterneutraal bouwen Om grondwateroverlast te voorkomen adviseert het waterschap om boven de gemiddelde hoogste grondwaterstand (GHG) te ontwerpen. Dit betekent dat aspecten zoals ontwateringsdiepte en infiltratie van hemelwater, beschouwd worden ten opzichte van de GHG. Het structureel onttrekken / draineren van grondwater is geen duurzame oplossing en moet worden voorkomen. Het waterschap adviseert de initiatiefnemer dan ook om voorafgaand aan de ontwikkeling een goed beeld te krijgen van de heersende grondwaterstanden en GHG. Eventuele grondwateroverlast is in eerste instantie een zaak voor de betreffende perceeleigenaar. Schoon houden - scheiden - schoon maken Om verontreiniging van bodem, grond- en/of oppervlaktewater te voorkomen is het van belang dat het afstromende hemelwater niet verontreinigd raakt. Dit kan door nadere eisen of randvoorwaarden te stellen aan bijvoorbeeld de toegepaste (bouw)materialen. Wij vragen de initiatiefnemer om duurzame bouwmaterialen te gebruiken. De gemeente kan hiermee verder helpen.

4.2.4 Conclusie Vanuit het aspect water zijn er geen belemmeringen voor onderhavig initiatief. In het kader van het vooroverleg zal het waterschap op de hoogte worden gesteld van de planvorming.

4.3

Gezondheid en milieu

In paragraaf 5.1.4 van het Bkl wordt het wettelijk kader voor het beschermen van de gezondheid en het milieu gegeven. In deze paragraaf worden instructieregels gegeven voor luchtkwaliteit (paragraaf 5.1.4.1), geluid (paragraaf 5.1.4.2 en 5.1.4.3), trilling (paragraaf 5.1.4.4), slagschaduw van windturbines (paragraaf 5.1.4.4a), bodem (paragraaf 5.1.4.5) en geur (paragraaf 5.1.4.6). In de volgende paragrafen komen deze milieuaspecten aan bod.

4.4

Luchtkwaliteit

4.4.1 Wettelijk kader Onder de Omgevingswet is het niet meer in alle gevallen nodig om te toetsen aan luchtkwaliteit. Wel moet bij het toelaten van specifiek aangewezen activiteiten de bijdrage aan de concentratie van stikstofdioxide (NO2 ) en fijnstof (PM10) altijd worden beoordeeld. Dit geldt bij een aanvraag omgevingsvergunning voor milieubelastende activiteiten, voor het realiseren van een tunnel van ten minste 100 meter en bij de aanleg van een autoweg of autosnelweg. Daarnaast zijn er aandachtsgebieden aangewezen waarbinnen getoetst moet worden aan de luchtkwaliteit. Voor zowel stikstofdioxide als fijnstof gaat dat om Amsterdam/Haarlem, Arnhem, Eindhoven, Etten-Leur, 's-Gravenhage/Leiden, Rotterdam/Dordrecht en Utrecht. Voor alleen fijnstof gaat het om de gemeenten Asten, Barneveld, Bernheze, Ede, Leudal, Nederweert, Scherpenzeel en Venray. Het project draagt 'niet in betekende mate' (NIBM) bij, als de kalenderjaargemiddelde concentratie stikstofdioxide en fijnstof onder de 1,2 µg/m3 blijft. Dan hoeft niet getoetst te worden aan te rijksomgevingswaarden voor luchtkwaliteit.

4.4.2 Beoordeling Effecten van de ontwikkeling op de luchtkwaliteit De ontwikkeling is niet gelegen in een van de aandachtsgebieden uit het Bkl. Toetsing van de effecten van de ontwikkeling op de luchtkwaliteit is daardoor niet noodzakelijk. Er hoeft niet getoetst te worden aan de rijksomgevingswaarden voor luchtkwaliteit.

ruimte voor ontwikkeling

39

Luchtkwaliteit ter plaatse Vanuit het Bkl gelden omgevingswaarden voor stikstofdioxide (NO2 ), fijn stof (PM10) en zeer fijn stof (PM2,5). Daarnaast hanteert de World Health Organization (WHO) advieswaarden voor stikstofdioxide, fijn stof en zeer fijn stof. In de volgende tabel wordt een overzicht gegeven van de waarden ter plekke van het plangebied, de grenswaarden en de advieswaarden. De waarden zijn genomen van het Centraal Instrument Monitoring Luchtkwaliteit (cimlk.nl) en gelden voor het dichtstbijzijnde toetspunten aan de Laagerfseweg (voor wat betreft NO2 en PM2,5) en Lambalgseweg (voor wat betreft PM10). Stof

Jaar 2023

Jaar 2030

Grenswaarde

Advieswaarde

N O2

13,1 µg/m3

P M10

3

12,0 µg/m3

40 µg/m3

10 µg/m3

3

3

18,0 µg/m

16,5 µg/m

40 µg/m

15 µg/m3

P M2,5

8,7 µg/m3

7,6 µg/m3

20 µg/m3

5 µg/m3

Waarden in het plangebied, omgevingswaarden en advieswaarden luchtkwaliteit Gelet op het voorgaande wordt op de planlocatie ruimschoots voldaan aan de omgevingswaarden voor NO2 , PM10 en PM2,5. De advieswaarden van de WHO liggen ver beneden de wettelijke grenswaarden. In de huidige situatie liggen de concentraties NO2, PM10 en PM2,5 reeds tegen de advieswaarde van de WHO aan. Met inachtneming van de verwachting dat de concentraties in de toekomst verder zullen afnemen, zijn de huidige waarden acceptabel voor een goed verblijfsklimaat op de planlocatie. Hierbij wordt opgemerkt dat het beëindigen van de intensieve veehouderij aan de Lambalgseweg 19, een positief effect heeft op de luchtkwaliteit ter plaatse van het plangebied en haar directe omgeving.

4.4.3 Conclusie Het project kan worden beschouwd als een NIBM-project. Nader onderzoek naar de luchtkwaliteit kan dan ook achterwege blijven. Daarnaast is de luchtkwaliteit ter plaatse goed genoeg voor een goed woon- en leefklimaat op de planlocatie.

4.5

Geluid

4.5.1 Wettelijk kader Onder de Omgevingswet is de aanvaardbaarheid van geluidbelasting veel meer een decentrale afweging dan voorheen. In het omgevingsplan nemen gemeentes regels op waar activiteiten die geluid veroorzaken en geluidgevoelige gebouwen aan moeten voldoen. Zolang de gemeente daar nog geen keuze in heeft gemaakt, gelden de regels zoals opgenomen in paragraaf 22.3.4 van de Bruidsschat. Het Bkl stelt op rijksniveau regels voor geluid door wegen, spoorwegen en industrieterreinen in afdeling 3.5. In plaats van geluidzones zal er worden gewerkt met geluidaandachtsgebieden en geluidproductieplafondwaarden (gpp). Een geluidsaandachtsgebied is een gebied rondom bijvoorbeeld wegen, spoorwegen en industrieterreinen. Ook drukke 30km/u wegen worden hierin meegenomen. Dit gebied wordt op basis van berekeningen bepaald en beslaat het gebied waarbinnen de standaardwaarde voor geluid mogelijk wordt overschreden. Als binnen dit geluidsaandachtsgebied een geluidgevoelig gebouw wordt gerealiseerd, moet getoetst worden of voldaan wordt aan de standaardwaarden voor geluid op de gevel van een geluidgevoelig gebouw. Wat geluidgevoelige gebouwen en ruimten zijn, wordt beschreven in artikel 3.21 en 3.22 van het Bkl. Er kan onder voorwaarden afgeweken worden van de standaardwaarden voor geluid, mits wordt voldaan aan de grenswaarden.

Geluid boven de grenswaarde is niet toegestaan, behoudens enkele uitzonderingen. Een ggp is het gebied langs een (spoor)weg of rond een industrieterrein waar het geluid hoger kan zijn dan de standaardwaarde voor geluid. Het gpp geeft aan hoeveel geluid maximaal is toegestaan op een

40

TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22b Lambalgseweg 19

geluidreferentiepunt. Het bevoegd gezag monitort het geluid op dit punt. De RUD Utrecht heeft voor de gemeente Woudenberg “Geluidregels Omgevingsplan gemeente Woudenberg 2022” opgesteld. Indien de berekende geluidbelasting hoger is dan de standaardwaarde uit de Wet geluidhinder, moet er voldaan worden aan deze geluidregels.

4.5.2 Beoordeling Met het initiatief wordt voorzien in drie vrijstaande woningen. Een woning betreft een geluidgevoelig gebouw. In de directe omgeving van het plangebied is geen sprake van railverkeer of industrielawaai. Het plangebied grenst aan de voorzijde wel aan de Lambalgseweg (60 km/u). Overige relevante gemeentewegen liggen op een afstand van 300 meter en verder van de beoogde nieuwbouw. De dichtstbijzijnde provinciale weg ligt op een afstand van circa 1 kilometer van de beoogde nieuwbouw, terwijl de dichtstbijzijnde rijksweg op circa 2,5 kilometer ligt. Voor wat betreft de overige gemeentewegen, provinciale wegen en rijkswegen geldt dat de afstand dusdanig groot is dat deze geluidbronnen niet relevant zijn met betrekking tot de beoogde ontwikkeling ter plaatse van het plangebied. De Lambalgseweg betreft een smalle weg in het buitengebied van de gemeente Woudenberg met een beperkte doorgaande functie. Gelet op het karakter van deze weg met bijbehorende lage verkeersintensiteit kan zonder nader onderzoek op voorhand worden gesteld de geluidbelasting als gevolg van het wegverkeer op de Lambalgseweg niet hoger zal zijn dan de standaardwaarde van 53 Ld e n uit het Bkl, zoals die geldt voor gemeentewegen.

Voorgaande conclusie word bevestigd door het akoestisch onderzoek wegverkeerslawaai dat in 2022 is uitgevoerd in verband met de beoogde nieuwbouw van de bedrijfswoning Lambalgseweg 19 (Bijlage 2). De geluidsbelasting als gevolg van het wegverkeer op de Lambalgseweg op de beoogde nieuwe bedrijfswoning werd destijds berekend op 48 dB. De verkeersintensiteit op de Lambalgseweg is sinds 2022 niet in relevante mate gewijzigd en de nu beoogde nieuwbouw ligt op grotere afstand van de Lambalgseweg dan de destijds beoogde bedrijfswoning.

4.5.3 Conclusie Vanuit akoestisch oogpunt zijn er geen belemmeringen voor onderhavig initiatief.

4.6

Trilling

4.6.1 Wettelijk kader Trillinggevoelige gebouwen worden beschermd tegen trillingen van activiteiten en bedrijven. Wat een trillinggevoelig gebouw en trillinggevoelige ruimte is, wordt beschreven in artikel 5.80 en 5.81 van het Bkl. De gemeente neemt in haar omgevingsplan regels op omtrent trillingen. Zolang de gemeente daar nog geen keuze in heeft gemaakt, gelden de regels zoals opgenomen in paragraaf 22.3.5 van de Bruidsschat. In het Bkl worden standaardwaarden voor trillingen gegeven. De gemeente mag in haar omgevingsplan lagere waarden vaststellen. Ook mag zij onder voorwaarden hogere waarden vaststellen. In het algemeen moet binnen een afstand van 100 meter van het spoor het risico op trillingshinder worden beoordeeld. In sommige gevallen kan het zelfs nodig zijn om het onderzoeksgebied tot 250 meter aan weerszijden van het spoor uit te breiden. De afwegingen daarvoor zijn in de Handreiking Nieuwbouw en Spoortrillingen opgenomen. Met behulp van deze handreiking kunnen plannen worden gemaakt voor een gezonde fysieke leefomgeving.

4.6.2 Beoordeling Een woning betreft een trillinggevoelig gebouw. De planlocatie ligt op meer dan 250 meter van een spoorlijn. Een quickscan / onderzoek trillinghinder is niet benodigd.

ruimte voor ontwikkeling

41

4.6.3 Conclusie Het aspect trilling vormt geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling.

4.7

Slagschaduw bij windturbines

4.7.1 Wettelijk kader In paragraaf 5.1.4.4a van het Bkl worden regels gesteld voor slagschaduw van windturbines. Het gaat hierbij om regels voor windturbines met een rotordiameter van 2 meter of meer die langer dan 10 jaar ergens zullen staan. Slagschaduwgevoelige gebouwen zijn gebouwen met een woonfunctie, onderwijsfunctie, gezondheidszorgfunctie en een bijeenkomstfunctie voor kinderopvang met bedgebruik (artikel 5.98b Bkl). De gemeente moet in haar omgevingsplan rekening houden met de aanvaardbaarheid van slagschaduw van windturbines. Deze regels zijn opgenomen in paragraaf 22.3.18 van de Bruidsschat en zijn gelijk aan het beschermingsniveau uit het Activiteitenbesluit, zolang de gemeente deze regels nog niet heeft verplaatst en/of aangepast.

4.7.2 Beoordeling en conclusie De beoogde ontwikkeling is niet gelegen in de buurt van een windturbine, waardoor er geen strijdigheid is met de gestelde regels over slagschaduw.

4.8

Bodem

4.8.1 Wettelijk kader In paragraaf 5.1.4.5 van het Bkl zijn instructieregels voor het aspect bodem opgenomen. Deze regels zijn van toepassing op bodemgevoelige gebouwen. Artikel 5.89g geeft aan wanneer een gebouw als bodemgevoelig gebouw wordt aangemerkt. De gemeente moet in haar omgevingsplan de waarde voor de toelaatbare kwaliteit van de bodem opnemen. Zolang de gemeente daar nog geen keuze in heeft gemaakt, gelden de regels zoals opgenomen in paragraaf 22.2.3 en 22.3.7 van de Bruidsschat. De regels voor bodem zijn berust op drie pijlers: 1. Het voorkomen van nieuwe verontreiniging of aantasting (preventie); 2. Het meewegen van bodemkwaliteit als onderdeel van een brede afweging over de kwaliteit van de leefomgeving in relatie tot functies (toedeling van functies aan locaties); en 3. Het op duurzame en doelmatige wijze beheren van resterende historische verontreinigingen (beheer historische verontreinigingen). Indien sprake is van een functiewijziging zal er in veel gevallen een bodemonderzoek moeten worden uitgevoerd op de planlocatie. Door middel van zo'n onderzoek kan in beeld worden gebracht of de bodemkwaliteit en de beoogde functie van het plangebied bij elkaar passen.

4.8.2 Beoordeling Met het initiatief wordt voorzien in drie vrijstaande woningen. Een woning betreft een bodemgevoelig gebouw. In het kader van de destijds beoogde nieuwe bedrijfswoning is in 2022 door Hunneman Milieu-Advies Raalte BV een verkennend bodemonderzoek uitgevoerd ter plaatse van de locatie Lambalgseweg 19 in Woudenberg (Bijlage 3). De resultaten van het onderzoek luiden samengevat als volgt: In de vaste bodem zijn geen verhoogde gehalten aangetoond. In het grondwater zijn licht tot matig verhoogde gehalten aan zware metalen aangetoond. De aangetoonde gehalten betreffen naar verwachting van nature verhoogde achtergrondwaarden en vormen geen aanleiding tot nader onderzoek. Op basis van de onderzoeksresultaten is de actuele bodemkwaliteit afdoende vastgelegd, en

42

TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22b Lambalgseweg 19

bestaan geen bezwaren voor de voorgenomen nieuwbouw op de locatie. Geadviseerd wordt om bij de herontwikkeling van de locatie te werken met een gesloten grondbalans. Indien grond vrijkomt en van de locatie wordt afgevoerd is het Besluit Bodemkwaliteit van toepassing (Bbk). Af te voeren grond dient eventueel AP-04 te worden ingekeurd, voor de bepaling van de definitieve afzetmogelijkheden. Voor het overige geldt dat de gronden waarop de beoogde nieuwbouw is voorzien, momenteel nog bebouwd zijn met het bedrijfsgebouw behorende tot de pluimveehouderij. Na sloop van de opstallen zal de actuele bodemkwaliteit ter plaatse in beeld worden gebracht door middel van een bodemonderzoek. Tussen de eigenaar van de locatie Lambalgseweg 19 en de initiatiefnemer zijn afspraken gemaakt dat de grond schoon wordt opgeleverd.

4.8.3 Conclusie Met het verkennend bodemonderzoek uit 2022 is ten aanzien van een deel van het plangebied reeds geconstateerd dat de kwaliteit van de bodem en het grondwater in overeenstemming zijn met het gewenste nieuwe gebruik. Voor het overige zal de actuele bodemkwaliteit in beeld worden gebracht na sloop van de opstallen en indien noodzakelijk, door middel van eventuele sanerende maatregelen, in overeenstemming worden gebracht met het gewenste nieuwe gebruik.

4.9

Geur

4.9.1 Wettelijk kader Het Rijk heeft in het Bkl voor een aantal gebouwen specifieke regels voor geur gesteld. Het gaat hierbij om de zogenoemde geurgevoelige gebouwen. Dit zijn onder andere gebouwen met een woonfunctie. Gevangenissen, hotels, asielzoekerscentra en recreatiewoningen worden niet als woonfunctie aangemerkt. De gemeente moet voor alle geurgevoelige gebouwen zoals opgenomen in artikel 5.91 van het Bkl regels stellen in het omgevingsplan om deze gebouwen te beschermen tegen geurhinder. Voor overige gebouwen of locaties mag de gemeente zelf kiezen of zij daar specifieke regels voor geur over opneemt in het omgevingsplan. De gemeente moet daarnaast in haar omgevingsplan een 'bebouwingscontour geur' vastleggen rondom een rioolwaterzuiveringsinstallatie, rondom locaties waar landbouwhuisdieren in een dierenverblijf worden gehouden en rondom agrarische activiteiten als deze activiteiten geur veroorzaken op een geurgevoelig gebouw. Binnen de contour geldt een 'hoge bescherming' en daarbuiten een 'lage bescherming'. Voor andere geurveroorzakende activiteiten mag een gemeente zelf bepalen of zij daar geurregels voor opstelt in het omgevingsplan. Zolang de gemeente zelf nog geen regels in haar omgevingsplan heeft opgenomen omtrent geur, gelden de regels uit het tijdelijk deel van het omgevingsplan.

Dit zijn de regels uit de gemeentelijke geurverordening en de regels zoals opgenomen in paragraaf 22.3.6 van de Bruidsschat. Hierin wordt nog onderscheid gemaakt tussen locaties binnen en buiten de bebouwde kom, in plaats van een bebouwingscontour.

4.9.2 Beoordeling Met het initiatief wordt voorzien in drie vrijstaande woningen. Een woning betreft een geurgevoelig gebouw. Beoordeeld dient te worden of de nieuwe functie binnen het plangebied geurhinder ondervindt van bestaande geurveroorzakende activiteiten in de omgeving en of bestaande geurveroorzakende activiteiten niet onevenredig worden belemmerd in hun bedrijfsvoering. In de omgeving van het plangebied gaat het voor wat betreft geurveroorzakende activiteiten uitsluitend om agrarische bedrijvigheid. De afstand tot het dichtstbijzijnde agrarisch bouwvlak bedraagt circa 450 meter. Daarmee mag ter plaatse van het plangebied worden uitgegaan van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat ten opzichte van de omliggende geurveroorzakende activiteiten. Met inachtneming van de afstand tot het plangebied en het feit dat er reeds bestaande geurgevoelige gebouwen op kortere afstand

ruimte voor ontwikkeling

43

van de bestaande agrarische bouwvlakken liggen, worden omliggende agrarische bedrijven niet (verder) belemmerd door voorliggend plan. Omdat het plangebied aan de rand van een landbouwontwikkelingsgebied met onder meer intensieve veehouderijen ligt, is aanvullend gekeken naar de geurbelasting van veehouderijen in de omgeving van het plangebied. Om de geurbelasting te kunnen beoordelen, is de Atlas van de provincie Utrecht geraadpleegd. Op de kaart met geurcontouren van veehouderijen is door middel van de GES-score de milieugezondheid in beeld gebracht. De GES-score loopt uiteen van 0 tot en met 8. Het cijfer 0 is zeer goed (geen belasting voor de gezondheid), 8 is zeer onvoldoende voor de gezondheid, vanaf score 6 is er sprake van een onvoldoende. Uit onderstaande afbeelding blijkt dat het plangebied buiten de geurcontouren valt waar de milieugezondheid als onvoldoende wordt beschouwd. Daarmee mag ter plaatse van het plangebied worden uitgegaan van een aanvaardbaar woon- en verblijfsklimaat. De geurcontour die ter plaatse van het plangebied is aangeduid betreft de geurcontour van de huidige pluimveehouderij. Met de beoogde ontwikkeling verdwijnt deze geurcontour.

Uitsnede Atlas provincie Utrecht met aanduiding plangebied, geurcontouren veehouderijen

4.9.3 Conclusie Het aspect geur vormt geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling.

44

TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22b Lambalgseweg 19

4.10 Landschappelijke of stedenbouwkundige waarden en cultureel erfgoed Paragraaf 5.1.5 van het Bkl bevat regels met het oog op het beschermen van landschappelijke of stedenbouwkundige waarden. Landschappelijke of stedenbouwkundige waarden zijn een element van omgevingskwaliteit en het beschermen van die waarden is in artikel 2.1, derde lid, van de Omgevingswet opgenomen als één van de oogmerken die van belang kan zijn bij de uitoefening van taken en bevoegdheden op grond van de wet. De invulling hiervan wordt grotendeels overgelaten aan gemeenten en provincies. Op rijksniveau worden er onder meer regels gesteld over de kust, over de Waddenzee en het Waddengebied, over het zorgvuldig ruimtegebruik en het tegengaan van leegstand (de ladder voor duurzame verstedelijking) en over cultureel erfgoed. De ontwikkeling is niet in of nabij de kust, de Waddenzee of het Waddengebied gelegen, waardoor die instructieregels niet van toepassing zijn. De laatste twee onderwerpen, de laddertoets en cultureel erfgoed, komen in de volgende paragrafen aan bod.

4.11 Ladder voor duurzame verstedelijking 4.11.1

Wettelijk kader

Het nationale beleid vraagt om een zorgvuldige afweging en transparante besluitvorming bij alle ruimtelijke en infrastructurele besluiten. Dit moet met behulp van de ladder voor duurzame verstedelijking worden onderbouwd. Artikel 5.129g van het Bkl geeft aan dat als een ontwikkeling voorziet in een nieuwe stedelijke ontwikkeling, rekening moet worden gehouden met: a. b.

De behoefte aan die stedelijke ontwikkeling; en Als die stedelijke ontwikkeling is voorzien buiten het stedelijk gebied of buiten het stedelijk groen aan de rand van de bebouwing van stedelijk gebied: de mogelijkheden om binnen dat stedelijk gebied of binnen dat stedelijk groen aan de rand van de bebouwing van stedelijk gebied in die behoefte te voorzien. Dit geldt voor een stedelijke ontwikkeling die bestaat uit de ontwikkeling of uitbreiding van een bedrijventerrein, een zeehaventerrein, een woningbouwlocatie, kantoren, een detailhandelvoorziening of een andere stedelijke voorziening en die voldoende substantieel is.

4.11.2

Beoordeling

Uit jurisprudentie blijkt dat er in beginsel sprake is van een nieuwe stedelijke ontwikkeling vanaf de realisatie van 12 woningen. Onderhavig initiatief betreft de bouw van drie woningen, waardoor het doorlopen van de laddertoets niet noodzakelijk is. Desondanks is aanvullend, in het kader van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties, beoordeeld of de beoogde ontwikkeling voorziet in een behoefte. Behoefte In het ‘Woningbehoefteonderzoek Woudenberg 2022’ wordt geconcludeerd dat er tussen 2022 en 2032 een behoefte is aan 1.445 extra woningen in Woudenberg. De verwachting is naar boven bijgesteld ten opzichte van het woonbehoefteonderzoek uit 2019. De hoger dan verwachte instroom van gezinnen zorgt ook op de lange termijn voor een hogere groeiverwachting. Het grootste deel van de vraag naar extra woningen gaat om koop. Tot 2032 zijn er bijna 1.000 extra koopwoningen nodig; zo’n 70% van het programma. Die vraag wordt grotendeels gevoed door instroom uit gemeenten ten westen van Woudenberg, tot in de Randstad aan toe. Met name gezinnen kunnen daar hun woning met overwaarde verkopen en meer bieden op ruimere woningen in Woudenberg. Juist om de lokale woningzoekende (waaronder starters) tegemoet te komen, moet een deel van het koopprogramma uit het betaalbare segment bestaan, maximaal tot de NHG-grens (in 2022 € 355.000). Het gaat om zo’n 475 koopwoningen.

Daarnaast zijn er zo’n 275 middeldure koop en 225 woningen dure

ruimte voor ontwikkeling

45

koopwoningen nodig. Het programma moet bestaan uit een mix van woningtypen: vooral vrijstaande woningen en patio’s, maar ook rijwoningen, tweekappers en in beperkte mate appartementen. Gelet op het voorgaande moet worden geconcludeerd dat er sprake is van een grote behoefte aan de voorgenomen realisatie van drie vrijstaande woningen in het dure koopsegment.

4.11.3

Conclusie

Op basis van jurisprudentie blijkt dat het doorlopen van de laddertoets voor voorliggend initiatief niet noodzakelijk is. De realisatie van drie vrijstaande woningen in het dure koopsegment voorziet in een behoefte. Daarnaast voorziet onderhavige ontwikkeling in duurzaam ruimtegebruik door een bestaand bebouwd perceel met een agrarische bedrijfsfunctie te herontwikkelen naar een woonfunctie.

4.12 Cultuurhistorie en archeologie 4.12.1

Wettelijk kader

In het Bkl is bepaald dat gemeenten in hun omgevingsplan een beschermingsregime moeten opnemen voor cultureel erfgoed. Hierbij moeten de instructieregels uit paragraaf 5.1.5.5 van het Bkl in acht worden genomen. Dit gaat onder meer over: ontsiering, beschadiging of sloop van beschermde monumenten of archeologische monumenten; verplaatsing van beschermde monumenten; gebruik van monumenten ter voorkoming van leegstand; aantasting van de omgeving van een beschermd monument; aantasting van karakteristieke stads- en dorpsgezichten en cultuurlandschappen; en conserveren en in stand houden van archeologische monumenten. Tot dat de gemeentes regels over cultureel erfgoed in het omgevingsplan hebben opgenomen, geldt het tijdelijk deel van het omgevingsplan. Dit bestaat uit de geldende ruimtelijke regelingen zoals bestemmingsplannen, de gemeentelijke erfgoedverordening en de regels uit de bruidsschat.

4.12.2

Beoordeling archeologie

Op grond van het geldende omgevingsplan is op een deel aan de westzijde van het plangebied de dubbelbestemming 'Waarde - Archeologie - 2' van toepassing. Op basis van deze dubbelbestemming zijn de betreffende gronden, behalve voor de andere aldaar voorkomende bestemming(en), mede bestemd voor de bescherming en veiligstelling van te verwachten archeologische waarden. Conform de regels bij de dubbelbestemming 'Waarde-Archeologie-2' is archeologisch onderzoek nodig bij het realiseren van bouwwerken met graafwerkzaamheden dieper dan 40 cm met een oppervlakte van meer dan 100 m2 . Verder toetst de gemeente Woudenberg initiatieven aan de archeologische beleidsadvieskaart. Op deze kaart is het grootste deel van het plangebied aangewezen als een zone met een lage archeologische verwachting. Een archeologisch onderzoek is verplicht bij bodemingrepen dieper dan 30 cm over een oppervlakte groter dan 10.000 m2 . Een deel van het plangebied aan de westzijde is op de beleidsadvieskaart aangewezen als Archeologisch Waardevol Gebied (AWG). Een archeologisch onderzoek is verplicht bij bodemingrepen dieper dan 30 cm over een oppervlakte groter dan 100 m2 .

46

TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22b Lambalgseweg 19

Uitsnede archeologische beleidsadvieskaart met plangebied rood omlijnd De beoogde nieuwbouw in de vorm van de vrijstaande woningen is volledig gesitueerd op het deel van het plangebied waar in de huidige situatie het bedrijfsgebouw van de pluimveehouderij staat. Ter plaatse is de grond al geroerd bij de bouw van de huidige stallen. Daarmee zal er geen sprake zijn van een (verdere) aantasting van archeologische waarden en is archeologisch onderzoek niet benodigd. In het kader van onderhavig TAM-omgevingsplan zijn de archeologische belangen geborgd door de geldende regeling ten aanzien van archeologie over te nemen.

4.12.3

Beoordeling cultuurhistorie

De bebouwing binnen het plangebied is niet aangewezen als rijks- of gemeentelijk monument en kan niet worden aangemerkt als beeldbepalend of karakteristiek. De sloop van de bestaande bebouwing leidt dan ook niet tot schade aan bestaande cultuurhistorische bebouwing of structuren. Ten westen van het plangebied ligt wel de historische woonboerderij Lambalgseweg 9 welke al op oude kaarten is terug te vinden en als cultuurhistorisch waardevol kan worden beschouwd. Doordat ter plaatse van het plangebied is uitgegaan van 'landelijk wonen' en in de erfopzet en beeldkwaliteit rekening is gehouden met de de (stedenbouwkundige) structuur van de Lambalgseweg, wordt met de beoogde ontwikkeling geen afbreuk gedaan aan de cultuurhistorische waarden van de woonboerderij Lambalgseweg 9. Daarbij is ook van belang dat de woonboerderij Lambalgseweg 9 op een afstand van circa 100 meter van de beoogde nieuwe vrijstaande woningen ligt. Geconcludeerd kan worden dat in het plan in voldoende mate rekening is gehouden met de bestaande cultuurhistorsich waardevolle structuren en panden.

ruimte voor ontwikkeling

47

4.12.4

Conclusie

Het aspect archeologie en monumenten vormt geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling.

4.13 Ruimte voor toekomstige functies, infrastructuur en openbare buitenruimte 4.13.1

Wettelijk kader

Een evenwichtige toedeling van functies aan locaties vereist in bepaalde gevallen dat gebieden worden vrijgehouden voor toekomstige ontwikkelingen die alleen op bepaalde locaties kunnen plaatsvinden. Zo kan uitbreiding van een infrastructuurnetwerk meestal beter - en goedkoper - gebeuren op de locatie waar dat netwerk al aanwezig is. Tegelijkertijd is op veel van die locaties sprake van een vrij grote ontwikkeldruk. Daarom wordt in paragraaf 5.1.6 van het Bkl in navolging van het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) een aantal reserveringsgebieden aangewezen. Het gaat om gebiedsreserveringen voor de lange termijn voor de grote rivieren, gebieden rond autowegen, autosnelwegen en hoofdspoorwegen, gebieden voor de aanleg van buisleidingen van nationaal belang voor vervoer van gevaarlijke stoffen, ruimte voor de Parallelle Kaagbaan en de reservering van de Tweede Maasvlakte voor deep sea gebonden activiteiten.

In paragraaf 5.1.7 van het Bkl wordt geregeld dat ontwikkelingen geen belemmering mogen vormen voor militaire terreinen en objecten, oefen- en schietgebieden, militaire zend- en ontvangsinstallaties, laagvliegroutes voor jacht- en transportvliegtuigen, militair radarbeeld, elektriciteitsopwekking, kernenergiecentrales, hoogspanningsverbindingen, rijksvaarwegen, scheepvaart, communicatie-, navigatieen radarapparatuur burgerluchtvaart en landelijke fiets- en wandelroutes. Tot slot moet conform paragraaf 5.1.8 van het Bkl rekening gehouden worden met het belang van het bevorderen van de toegankelijkheid van de openbare buitenruimte voor personen met een functiebeperking.

4.13.2

Beoordeling en conclusie

Het plangebied is niet gelegen in een gebied zoals bedoeld in paragraaf 5.1.6 en 5.1.7 van het Bkl. Er is vanuit dit aspect dan ook geen belemmering voor onderhavige ontwikkeling. Voor zover er in het plangebied sprake is van openbare buitenruimte, wordt rekening gehouden met het bevorderen van de toegankelijkheid daarvan voor personen met een functiebeperking.

4.14 Flora en fauna 4.14.1

Wettelijk kader

Er moet ten allen tijde rekening gehouden worden met de flora en fauna om de natuur te beschermen. In artikel 5.1 van de Omgevingswet wordt geregeld dat er een omgevingsvergunning nodig is voor Natura 2000-activeiten en flora- en fauna-activiteiten. Een Natura 2000-activiteit is een activiteit die significante gevolgen kan hebben voor een Natura 2000-gebied. Een flora- en fauna-activiteit wordt omschreven als een activiteit met mogelijke gevolgen voor van nature in het wild levende dieren of planten. Daarnaast bevat ook de provincie regels voor het beschermen van flora en fauna. Hierbij is onderscheid gemaakt tussen soortenbescherming en gebiedsbescherming. Soortenbescherming Onder de Omgevingswet zijn veel dier- en plantensoorten beschermd. Het gaat om soorten van nationaal belang en soorten van Europees belang die onder de reikwijdte van de Vogel- en Habitatrichtlijnen vallen. Voor de soortenbescherming gelden rijksregels. De provincies zijn echter verantwoordelijk voor de soortenbescherming. Door de brede formulering van een 'flora- en fauna-activiteit' is het bij activiteiten in

48

TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22b Lambalgseweg 19

de fysieke leefomgeving vrijwel altijd nodig om te controleren of er soorten aanwezig zijn en welke soorten dat zijn, om te onderzoeken of de activiteit mogelijk gevolgen heeft voor beschermde soorten. Gebiedsbescherming Er zijn verschillende gebieden met belangrijke waarde voor flora en fauna: Natura 2000-gebieden, Natuurnetwerk Nederland (NNN) en andere bijzondere gebieden en landschappen. De Natura 2000-gebieden worden op Europees niveau beschermd en de instandhoudingsdoelstellingen zijn vastgelegd in de Omgevingswet. Het NNN is een samenhangend landelijk ecologisch netwerk dat door de provincies is aangewezen. Bijna alle Natura 2000-gebieden zijn onderdeel van het NNN. Een Natura 2000-activiteit kan zowel binnen als buiten een Natura 2000-gebied plaatsvinden, want een activiteit buiten een Natura 2000-gebied kan ook van invloed zijn op het gebied. Voor de bescherming van NNN gelden voornamelijk provinciale regels. Stikstofdepositie Veel Natura 2000-gebieden bevatten stikstofgevoelige habitattypen. Toename van de stikstofdepositie op het gebied betekent een verslechtering van de habitattypen. Om die reden moet vooraf onderzocht worden of de betreffende activiteit niet leidt tot (onevenredige) toename van stikstofdepositie op beschermde stikstofgevoelige gebieden.

Met de AERIUS calculator kan berekend worden of er bij het uitvoeren van een activiteit sprake is van een toename van de stikstofdepositie. Hierbij dient zowel de gebruikersfase als de realisatiefase doorgerekend te worden. Zodra er geen rekenresultaten boven de 0,00 mol/ha/jaar zijn, is er geen belemmering voor een plan op het gebied van stikstofdepositie. Zorgplicht Ten tijde van de uitvoering van werkzaamheden geldt ten allen tijde de zorgplicht (artikel 11.6 en 11.27 Bal). Deze schrijft voor dat nadelige gevolgen voor flora en fauna en Natura 2000-gebieden zoveel als mogelijk voorkomen moeten worden. Concreet betekent dit dat iemand die een activiteit wil verrichten op een plek, eerst moet controleren of er aanwijzingen zijn dat op die plek of in de buurt bepaalde soorten of habitats voorkomen. Als er aanwijzingen zijn dat de beschermde soorten of habitats aanwezig zijn, dan is het verplicht om na te gaan of nadelige gevolgen voor die dieren of planten uit te sluiten zijn. Als nadelige gevolgen niet uit te sluiten zijn, moet degene die de activiteit verricht alle passende preventieve maatregelen treffen om nadelige gevolgen voor dier- en plantensoorten te voorkomen.

4.14.2

Gebiedsbescherming

Het plangebied ligt op circa 8,5 kilometer van het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied Kolland & Overlangbroek. Verder ligt het plangebied niet binnen het Natuurnetwerk Nederland (NNN) of de Groene contour (beoogd NNN).

ruimte voor ontwikkeling

49

Situering plangebied (zwarte cirkel) ten opzichte van het NNN en Groene contour (bron: Arcom BV) In het verkennend onderzoek flora en fauna welke in 2024 is uitgevoerd (Bijlage 4), wordt geconcludeerd dat: Directe effecten op aanwezige kwalificerende habitattypen, habitatrichtlijnsoorten, broedvogels en niet-broedvogels zijn uit te sluiten. De ontwikkeling wordt uitgevoerd op een reeds bestaand en bebouwd plangebied buiten Natura 2000 gebied. Ter plaatse zijn geen kwalificerende habitattypen, habitatrichtlijnsoorten, broedvogels en niet-broedvogels aanwezig en kunnen zich er ook niet ontwikkelen. Tijdens de werkzaamheden zal er tijdelijk sprake zijn van geluid, stof, trillingen en wellicht bemaling. De werkzaamheden zijn van dien aard dat negatieve effecten op de instandhoudingsdoelen van Natura2000 gebieden zijn uitgesloten. De onderzoeklocatie is niet in het Natuurwerk Nederland en/of in de Groene contour gelegen. Door het uitvoeren van de plannen worden geen negatieve effecten verwacht op de wezenlijke waarden en kenmerken van het NNN en Groene Contour gebied. Een toetsing aan het NNN of GC-beleid wordt niet noodzakelijk geacht. Verder zal er geen groen worden weggenomen en er zal niet worden gekapt op de locatie waardoor er geen effecten plaatsvinden in het kader van houtopstandenbescherming.

Stikstofdepositie Om te beoordelen wat de effecten op Natura 2000-gebieden zijn, is een stikstofdepositieberekening uitgevoerd met behulp van de AERIUS Calculator (Bijlage 5). Het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied betreft 'Kolland & Overlangbroek' en ligt op circa 8,5 kilometer afstand ten zuiden van het plangebied. Er is een berekening uitgevoerd voor zowel de sloop- en bouwfase als de gebruiksfase, na beëindiging van de veehouderij. Uit de berekening blijkt dat de gewenste ontwikkeling zowel in de gebruiks- als de sloop- en bouwfase niet leidt tot een stikstofdepositie op Natura 2000-gebieden die hoger is dan 0,00 mol/ha/jaar. Daarmee zijn er voor wat betreft het aspect stikstofdepositie geen belemmeringen voor de realisatie van het plan.

4.14.3

Soortenbescherming

Verkennend onderzoek flora en fauna Om de effecten van de voorgenomen wijziging op de aanwezige flora en fauna te bepalen is in 2024 een verkennend onderzoek flora en fauna uitgevoerd (Bijlage 4). Dit verkennend onderzoek zoomt in op de (mogelijke) schadelijke effecten door de activiteiten en op welke wijze in het kader van de wet gehandeld

50

TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22b Lambalgseweg 19

kan worden. Uit het verkennend onderzoek flora en fauna blijkt dat: De inrichting en het gebruik van het terrein maken het plangebied tot een weinig geschikt functioneel leefgebied van beschermde dieren en tot een ongeschikte groeiplaats van beschermde planten. Vleermuizen, vogels en amfibieën kunnen het erf benutten als foerageergebied. Grondgebonden zoogdieren bezetten er geen vaste rust- en voortplantingsplaats. Amfibieën bezetten er een geen (winter)rustplaats. Er nestelen geen vogels in het plangebied en vleermuizen bezetten er geen vaste rust- of voortplantingsplaats. In het kader van de zorgplicht is de initiatiefnemer verplicht om schadelijke gevolgen voor in het wild levende dieren en planten zo veel mogelijk te voorkomen. Voor sommige algemene veel voorkomende soorten is er in de provincie geen omgevingsvergunning vereist en nader onderzoek is niet noodzakelijk. Wel geldt voor deze soorten de algemene zorgplicht. In het kader van de algemene zorgplicht is het wel noodzakelijk om voldoende zorg te dragen voor eventueel passerende individuen. Te denken valt aan het verplaatsen van dieren naar veilige locaties buiten het werkgebied als ze aangetroffen worden tijdens de werkzaamheden.

Door de werkzaamheden uit te voeren buiten het broedseizoen van algemeen voorkomende vogelsoorten wordt voorkomen dat broedgevallen van broedvogels worden verstoord Het broedseizoen vangt aan onder bepaalde klimatologische omstandigheden en betreft indicatief de periode 15 maart t/m 15 juli. Voor het broedseizoen wordt echter geen standaardperiode gehanteerd, het gaat erom dat er geen broedende vogels worden verstoord. Het uitvoeren van de werkzaamheden gedurende het broedseizoen is alleen mogelijk wanneer door een ecoloog van tevoren is vastgesteld dat in het plangebied geen broedgevallen aanwezig zijn. Veel algemene en beschermde diersoorten (bijvoorbeeld vleermuizen) zijn vooral actief gedurende de vroege ochtend, late avond en nacht. Als er extra verlichting gebruikt gaat worden dan dient deze afgewend te worden van aanwezige bebouwing en groenstructuren in de omgeving om eventuele aanwezige soorten niet negatief te beïnvloeden en wordt geadviseerd in de nieuwe situatie natuurvriendelijk te verlichten door naar beneden schijnende lichtbronnen te gebruiken. Zorgplicht is altijd van toepassing.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://gemeentebestuur.woudenberg.nl/api/v1/meetings/3260/documents/67902