06 TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22b Lambalgseweg 19_MOTIVERING.pdf
Tekst van het document
4.14.4
Conclusie
Het aspect flora en fauna vormt geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling wanneer de hiervoor genoemde aanbevelingen en maatregelen in acht worden genomen. De genoemde aanbevelingen en maatregelen zullen worden (over)genomen.
4.15 Milieubelastende activiteiten 4.15.1
Wettelijk kader
De Omgevingswet zorgt voor een samenhangende benadering van de fysieke leefomgeving. In de Omgevingswet worden het ruimtelijk spoor en het milieuspoor verder geïntegreerd. Het gemeentelijke omgevingsplan is straks hét instrument waarin deze integratie op lokaal niveau plaatsvindt. Het beleid stelt zich ten doel een goede kwaliteit van het leefmilieu te handhaven en te bevorderen. Overal, maar voornamelijk ter plekke van bedrijven, kunnen milieubelastende activiteiten plaatsvinden die hinder opleveren voor gevoelige functies, zoals woningen. Daarom is het belangrijk om voldoende afstand te houden. Wat voldoende afstand is, is afhankelijk van de aard van de activiteiten. Meestal is geluid de belangrijkste factor, maar ook geur kan de afstand tot gevoelige functies bepalen. Gemeenten kunnen binnen de bandbreedte die het rijk geeft zelf bepalen wat aanvaardbare afstanden of aanvaardbare geluidof geurhinderniveaus zijn. Voor het bepalen welke activiteiten aanvaardbaar zijn, kan de VNG uitgave Activiteiten en milieuzonering Omgevingswet worden geraadpleegd. Kern van deze publicatie is om de toelating van bedrijven te reguleren op basis van een voor een locatie beschikbaar gestelde milieuruimte per bedrijf, aan de hand van concrete milieuwaarden. Niet meer met een vaste richtafstand per bedrijfstype, maar aan de hand van een
ruimte voor ontwikkeling
51
concrete waarde per activiteit wordt het ruimtebeslag bepaald.
4.15.2
Beoordeling
Voor onderhavig project dient te worden getoetst of de nieuwe functie mogelijk belemmeringen veroorzaakt voor bestaande functies in de omgeving en of de nieuwe functie mogelijk belemmeringen ondervindt als gevolg van de milieuhinder van naburige bedrijven en/of bedrijvigheid. Omgevingstype De locatie Lambalgseweg 19 ligt in het buitengebied van de gemeente Woudenberg. Milieubelastende functies liggen op ruime afstand van het plangebied. Daarnaast ligt het plangebied niet in de directe nabijheid van hoofdinfrastructuur. Gelet op voornoemde ligging is er sprake van het omgevingstype 'rustig buitengebied'. Externe werking Bij externe werking gaat het er om of de nieuwe functie in de omgeving past. De vraag dient beantwoord te worden of de voorgenomen ruimtelijke ontwikkeling tot een situatie leidt die, vanuit hinder of gevaar bezien, in strijd is te achten met een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. Het beoogde initiatief betreft het realiseren van woningen. Er is derhalve geen sprake van milieubelastende activiteiten op de omgeving. Daarmee mag er vanuit worden gegaan dat er in de beoogde nieuwe situatie sprake is van een goed woon- en leefklimaat ter plaatse van de omliggende milieugevoelige objecten. Interne werking Bij interne werking gaat het er om of de omgeving de nieuwe functie toelaat.
De vraag dient beantwoord te worden of nieuwe functies binnen het plangebied hinder ondervinden van bestaande functies in de omgeving en of bestaande functies andersom niet onevenredig worden belemmerd in de bedrijfsvoering. In de directe omgeving van het plangebied liggen geen milieubelastende functies. De dichtstbijzijnde milieubelastende functie betreft een opslagbedijf behorende tot maximaal categorie 2 van de Staat van Bedrijfsactiviteiten aan de Brinkkanterweg 17 op een afstand van ruim 350 meter van de beoogde nieuwbouw. Gelet op deze ruime afstand mag ter plaatse van het plangebied worden uitgegaan van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. Overige bedrijfsmatige functies bevinden zich op grotere afstand, waarbij dit een voldoende grote afstand is om milieuhinder te voorkomen. De bedrijfsactiviteiten in de directe omgeving van het plangebied leveren geen belemmering op voor de in dit plan besloten ruimtelijke ontwikkeling. Andersom geldt dat er reeds bestaande woningen op kortere afstand van percelen met een milieubelastende functie zijn gelegen. Daarmee leidt het initiatief niet tot een (verdere) beperking van omliggende milieubelastende activiteiten.
4.15.3
Conclusie
Met de beoogde functieverandering van agrarisch bedrijfsperceel naar wonen zal de (potentiële) milieuhinder afnemen en het woon- en leefklimaat verbeteren. Omliggende milieubelastende functies vormen geen belemmering voor de in dit plan besloten ruimtelijke ontwikkeling. Andersom leidt het realiseren van milieugevoelige bebouwing niet tot milieutechnische problemen voor de omliggende milieubelastende functies. Geconcludeerd kan worden dat er met de voorgenomen ontwikkeling sprake is van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.
52
TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22b Lambalgseweg 19
4.16 Duurzaamheid 4.16.1
Inleiding
Duurzame leefomgeving Een duurzame leefomgeving is belangrijk voor het goed functioneren van de natuur en mens. Voor ruimtelijke ontwikkelingen is het van belang te werken aan instandhouding en/of verbetering van de kwaliteit van de leefomgeving en moet schade en overlast voorkomen worden. Daarbij moet rekening worden gehouden met toekomstige veranderingen, verwachtingen en onzekerheden; denk daarbij aan klimaatveranderingen. Goede stedenbouwkundige plannen en bouwplannen geven hieraan een passende invulling. Daarbij wordt onderscheid gemaakt in klimaatbestendigheid en energietransitie. Klimaatbestendigheid Klimaatverandering is merkbaar en heeft steeds meer een effect op ons dagelijks leven. De zomers worden heter, langer en droger, en áls er regen valt dan komt die vaak in grote hoeveelheden. De winters worden warmer en natter. Dit heeft effect op het woon- en leefklimaat door hittestress, periodes van droogte en een verandering van de biodiversiteit. Door met het stedenbouwkundig plan en bouwplan rekening te houden met het veranderende klimaat, kan overlast worden voorkomen en is er sprake van een klimaatbestendige ontwikkeling. Energietransitie Nederland heeft de ambitie om in 2050 energieneutraal te zijn en om de uitstoot van CO2 drastisch te verminderen. Om dit te kunnen realiseren zijn grote en kleine veranderingen nodig: de energietransitie.
De omschakeling van het gebruik van fossiele brandstoffen naar meer duurzame vormen van energie is de grootste omslag, maar we zullen er ook bewust van moeten zijn dat we anders moeten gaan kijken naar ons energieverbruik. De energietransitie heeft ook een ruimtelijke inslag: het bestaand stedelijk gebied en buitengebied moeten (steden)bouwkundig worden aangepast en nieuwe ontwikkelingen worden toekomstbestendig ontwikkeld.
4.16.2
Beoordeling
Met de beoogde transformatie van agrarisch bedrijfsperceel naar wonen zal de (potentiële) milieubelasting afnemen. De woningen zullen voldoen aan de wettelijke duurzaamheidseisen, worden naar verwachting voorzien van zonnepanelen en krijgen geen gasaansluiting. Met de beoogde ontwikkeling krijgt het plangebied een fors groenere inrichting dan in de bestaande situatie het geval is. Het verhard oppervlak neemt af, wat ook positief is voor wat betreft de klimaatadaptatie. Naast het aanbrengen van groen is in de nadere uitwerking van het bouwplan ook aandacht voor het aanbrengen van natuurinclusieve elementen. Leidraad in deze nadere uitwerking is het feit dat gemeente Woudenberg het 'Convenant Duurzame Woningbouw' van de provincie Utrecht heeft ondertekend op niveau brons.
4.16.3
Conclusie
Voorliggend plan draagt bij aan het bevorderen van een duurzame leefomgeving.
4.17 Parkeren en verkeer 4.17.1
Parkeren
Aan de hand van de kencijfers 'CROW 744 parkeerkencijfers 2024' kan inzicht worden verkregen in de parkeersituatie. Er is gekeken naar de kencijfers behorende bij 'weinig stedelijk' en 'buitengebied'. Voor een vrijstaande woning in het buitengebied in een weinig stedelijk gebied geldt een minimale parkeernorm van 1,7 parkeerplaats.
ruimte voor ontwikkeling
53
De beoogde drie vrijstaande woningen aan de Lambalgseweg 19 krijgen op eigen terrein elk de beschikking over minimaal twee parkeerplaatsen. Daarmee wordt voldaan aan het gestelde minimum aantal parkeerplaatsen.
4.17.2
Verkeer
De verkeersaantrekkende werking van de nieuwe woningen, is eveneens te bepalen aan de hand van de kencijfers 'CROW 744 parkeerkencijfers 2024'. Zoals aangegeven wordt rekening gehouden met de kencijfers behorende bij 'weinig stedelijk' en 'buitengebied'. De ontsluiting van het plangebied blijft met de beoogde ontwikkeling ongewijzigd rechtstreeks op de Lambalgseweg plaatsvinden. Er wordt gebruik gemaakt van de bestaande ontsluiting van het agrarisch bedrijf. Vanaf de Lambalgseweg kan via de Brinkkanterweg en de Laagerfseweg de Stationsweg Oost (N224) worden bereikt. Voor een vrijstaande woning in het buitengebied in een weinig stedelijk gebied wordt uitgegaan van een maximale verkeersgeneratie van 8,6 motorvoertuigen per etmaal. Op basis van het programma met drie vrijstaande woningen resulteert het aantal verkeersbewegingen per dag in de beoogde nieuwe situatie in maximaal 25,8 verkeersbewegingen als gevolg van de herontwikkeling. Hierbij is nog geen rekening gehouden met de bestaande functie in de vorm van een pluimveehouderij. Per saldo zal er met de beoogde nieuwe functie geen sprake zijn van een (relevante) toename van het aantal verkeersbewegingen. Door het beëindigen van de pluimveehouderij zal er geen sprake meer zijn van zwaar agrarisch verkeer, hetgeen een positief effect heeft op de verkeerssituatie in de directe omgeving van de locatie Lambalgseweg 19.
4.17.3
Conclusie
De beoogde ontwikkeling zal niet leiden tot verkeerskundige en/of parkeertechnische problemen.
4.18 Kabels en leidingen Planologisch relevante leidingen en hoogspanningsverbindingen dienen te worden gewaarborgd. Tevens dient rond dergelijke leidingen rekening te worden gehouden met zones waarbinnen mogelijke beperkingen gelden. Planologisch relevante leidingen zijn leidingen waarin de navolgende producten worden vervoerd: gas, olie, olieproducten, chemische producten, vaste stoffen/goederen; aardgasleidingen afhankelijk van druk; defensiebrandstoffen; warmte en afvalwater, ruwwater of halffabricaat voor de drink- en industriewatervoorziening met een diameter groter of gelijk aan 18 inch. Uit het geldende Omgevingsplan Woudenberg is op te maken dat er geen planologisch relevante kabels en leidingen in het plangebied of in de directe omgeving daarvan aanwezig zijn. Voor de verdere realisatie van het plan zal indien nodig een KLIC-melding gedaan worden om te achterhalen of er relevante kabels en leidingen in het plangebied of in de directe omgeving daarvan aanwezig zijn.
4.19 Milieueffectrapportage 4.19.1
Wettelijk kader
De wet- en regelgeving omtrent de m.e.r. is geen puur nationale aangelegenheid. De verplichting om in bepaalde gevallen een soort m.e.r. op te stellen volgt uit het Europese recht, te weten de m.e.r.-richtlijn en de Europese richtlijn voor Strategische Milieubeoordeling (SMB-richtlijn). De m.e.r.-regelgeving wordt onder de Omgevingswet geïmplementeerd in afdeling 16.4 van de Omgevingswet en hoofdstuk 11 en bijlage V van het Omgevingsbesluit. Aangezien de regelgeving moet blijven voldoen aan de Europese richtlijnen verandert er relatief weinig met de inwerkingtreding van de
54
TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22b Lambalgseweg 19
Omgevingswet. In bijlage V bij het Omgevingsbesluit in 1 lijst zijn zowel de mer-plichtige als de mer-beoordelingsplichtige gevallen opgenomen en de daarvoor benodigde besluiten.
4.19.2
Beoordeling
Voorliggende ontwikkeling kan gezien worden als een 'stedelijk ontwikkelingsproject' (J.11 uit bijlage V Ob), waardoor beoordeeld moet worden of er sprake zal zijn van aanzienlijke milieueffecten. Bij deze beoordeling is rekening gehouden met de relevante criteria van bijlage III bij de mer-richtlijn (de kenmerken van het project, de plaats van het project en de kenmerken van het potentiële effect). Kenmerken van het project Het initiatief ziet op het omzetten van de bestaande agrarische bedrijfsfunctie op het perceel Lambalgseweg 19 naar een woonfunctie. De bestaande bedrijfsbebouwing behorende bij de pluimveehouderij wordt gesloopt en de agrariscche bedrijfsfunctie wordt gewijzingd naar (onder meer) een reguliere woonfunctie met in totaal drie vrijstaande woningen. Er is sprake van een geringe omvang van het plangebied, terwijl er geen cumulatie is met andere projecten. De ontwikkeling ziet niet op productie van afvalstoffen en/of verontreiniging. Hinder wordt ondervangen door voldoende afstand te houden van nabijgelegen milieubelastende functies. Risico van ongevallen speelt eveneens niet bij het voorgenomen initiatief. Locatie van het project Het plangebied ligt in het buitengebied van Woudenberg en ligt niet binnen de invloedssfeer van een Natura 2000-gebied. Het dichtstbijzijnde stikstofgevoelige habitat ligt op circa 8,5 kilometer afstand.
De ontwikkeling leidt verder niet tot een aantasting van historische, culturele of archeologische belangen. Kenmerken van het potentiële effect Het project heeft in samenhang met de hiervoor genoemde criteria geen aanzienlijke effecten op het milieu. Evenmin is er sprake van een grensoverschrijdend karakter. De complexiteit is gering, gelet op de omvang van het plangebied. Door het beëindigen van een intensieve veehouderij in de directe nabijheid van reguliere woningen, wordt een kwaliteitsverbetering voor de directe omgeving bereikt.
4.19.3
Conclusie
De kenmerken, plaats en potentiële effecten van de ontwikkeling geven op basis van het voorgaande geen aanleiding ernstige milieugevolgen te verwachten die het nodig maken om een m.e.r-procedure te doorlopen.
ruimte voor ontwikkeling
55
Hoofdstuk 5 5.1
Juridisch kader TAM-omgevingsplan
Algemeen
In de voorgaande hoofdstukken is ingegaan op het plangebied, het relevante beleid en de milieu- en omgevingsaspecten. De informatie uit deze hoofdstukken is gebruikt om keuzes te maken bij het maken van het juridische deel van voorliggend TAM-omgevingsplan: de verbeelding en de regels. In dit hoofdstuk wordt dieper ingegaan op de opzet van dit juridische deel. Daarnaast wordt een verantwoording gegeven van de gemaakte keuzes op de verbeelding en in de regels. Dat betekent dat er wordt aangegeven waarom een bepaalde functie ergens is toegestaan en waarom bepaalde bebouwing daar acceptabel is.
5.2
Opbouw regels
5.2.1 Algemeen Voorliggend plan betreft een TAM-omgevingsplan. TAM-IMRO is bedoeld voor gemeenten die nog geen gebruik kunnen maken van het planvormingsdeel van het DSO. Bijvoorbeeld doordat de plansoftware nog niet alle daarvoor benodigde functies biedt. Het kan ook zijn dat de gemeente te weinig tijd rest om het planproces goed te beproeven. Of dat er nog onvolkomenheden zijn in de landelijke voorziening. Met TAM-IMRO kunnen gemeenten toch hun omgevingsplan wijzigen. Kort gezegd houdt TAM-IMRO in dat de huidige techniek voor planvorming tijdelijk kan worden gebruikt onder de Omgevingswet. Deze techniek betreft de bestaande uitwisselingsstandaard IMRO (Informatiemodel Ruimtelijke Ordening) en de bestaande voorziening Ruimtelijke Plannen. IMRO is een bekende en functionerende techniek. De TAM-IMRO vraagt niet om alternatieve software. Het gaat meer om langduriger gebruik van de bestaande systemen en koppelingen. De regels en verbeelding van voorliggend TAM-omgevingsplan zijn dan ook opgesteld conform de Standaard Vergelijkbare Bestemmingsplannen (SVBP). De SVBP geeft normen voor de opbouw van de planregels en voor de digitale verbeelding van een bestemmingsplan. Dit TAM-omgevingsplan is opgesteld conform de normen van de SVBP2012. Het juridisch bindend gedeelte van het TAM-omgevingsplan bestaat uit planregels en bijbehorende verbeelding waarop de functies zijn aangegeven.
Deze verbeelding kan zowel digitaal als analoog worden verbeeld. De verbeelding en de planregels dienen in samenhang te worden bekeken. De regels zijn onderverdeeld in vier hoofdstukken: Inleidende bepalingen; Functies en activiteiten; Algemene bepalingen; Overgangsrecht.
5.2.2 Preambule voor hoofdstuk artikelnummering De IMRO-standaarden maken het niet mogelijk om een regeling te beginnen met een ander hoofdstuk dan hoofdstuk 1. De naamgeving van het hoofdstuk kan worden gewijzigd, maar hoofdstuk 1 blijft altijd zichtbaar. De IMRO-standaarden bieden ook geen mogelijkheid tot het gebruik van paragrafen. Ook voor de artikelen geldt dat deze in IMRO automatisch worden genummerd en dat de nummering dus bij ‘artikel 1’ begint. Voor het TAM-IMRO omgevingsplan is de IMRO hoofdstuk- en artikelnummering onhoudbaar, omdat het omgevingsplan van rechtswege al een hoofdstuk 1 en een artikel 1 kent. Deze nummers zijn dus al bezet. Om duidelijk te maken hoe een TAM-IMRO omgevingsplan zich verhoudt tot de rest van het omgevingsplan, stelt de VNG voor om na het object Regels en voor het toevoegen van het object Hoofdstuk een preambule op te nemen. De preambule geeft aan hoe het TAM-IMRO omgevingsplan in
56
TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22b Lambalgseweg 19
samenhang met de rest van het omgevingsplan gelezen moeten worden. Als het TAM-IMRO omgevingsplan wordt geraadpleegd, is de preambule direct zichtbaar boven de regels.
5.2.3 Juridisch ponsen Het voor een bepaalde locatie vaststellen van nieuwe regels in een TAM-IMRO omgevingsplan zorgt er niet voor dat de oude regels op die locatie automatisch vervallen. Met andere woorden: het is niet mogelijk om in een TAM-IMRO omgevingsplan te ‘ponsen’. Om te voorkomen dat op een bepaalde locatie zowel nieuwe als oude regels gelden, wordt in dit TAM-omgevingsplan een toepassingsbereikbepaling opgenomen in artikel 1 van de inleidende regels: Artikel 1 (Toepassingsbereik) 1. De besluiten op grond van artikel 22.1, onder a, van de Omgevingswet zijn niet van toepassing voor zover het gaat over regels opgenomen in een besluit als bedoeld in artikel 4.6, eerste lid, onder a, b, c, g, h, i, j, k, l of m, van de Invoeringswet Omgevingswet op de locatie, bedoeld in het derde lid. 2. De regels in afdeling 22.2, met uitzondering van paragraaf 22.2.7.3, en afdeling 22.3 zijn niet van toepassing voor zover die regels in strijd zijn met regels in dit hoofdstuk. 3. De regels in dit hoofdstuk zijn van toepassing op de locatie Lambalgseweg 19, waarvan de geometrische bepaalde planobjecten zijn vervat in het GML-bestand NL.IMRO.0351.TAMLambalgseweg19-ow01zoals vastgelegd op https://www.ruimtelijkeplannen.nl.
5.2.4 Algemene regels Hoofdstuk 3 bevat de algemene regels. Deze regels gelden voor het gehele plangebied. Dit hoofdstuk is opgebouwd uit: Anti-dubbeltelregel (Artikel 12) Deze regel is opgenomen om een ongewenste verdichting van de bebouwing te voorkomen. Deze verdichting kan zich met name voordoen, indien een perceel of een gedeelte daarvan, meer dan één keer betrokken wordt bij de berekening van een maximaal bebouwingspercentage. Algemene bouwregels (Artikel 13) In dit artikel worden de algemene bouwregels beschreven. In dit artikel is tevens een bepaling opgenomen omtrent de beoordeling van het uiterlijk van bouwwerken (welstand). De verplichting om een bouwplan te toetsen aan redelijke eisen van welstand is geregeld in paragraaf 22.2.7.2 van het omgevingsplan (bruidsschat - Welsandsnota). Om de gewenste beeldkwaliteit van bouwwerken binnen het plangebied te borgen is in de betreffende bepaling opgenomen dat, in aanvulling op het bepaalde in artikel 22.29, lid 1, onder b, van de regels van het omgevingsplan, de omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 22.26 alleen wordt verleend als het uiterlijk of de plaatsing van het bouwwerk niet in strijd is met de redelijke eisen van welstand, beoordeeld volgens de criteria van het Beeldkwaliteitsplan Lambalgseweg 19.
Het Beeldkwaliteitsplan Lambalgseweg 19 zal door de gemeenteraad van Woudenberg worden vastgelegd als een wijziging van de Welstandsnota en als beleidsregels in de zin van artikel 4.19 Omgevingswet. Op die manier gaat dit beeldkwaliteitsplan deel uitmaken van de Welstandsnota en kan het als toetsingskader voor bouwaanvragen dienen. Algemene afwijkingsregels (Artikel 14) In dit artikel worden de algemene afwijkingsregels beschreven. Deze regels maken het mogelijk om op ondergeschikte punten van de regels in het TAM-omgevingsplan af te wijken. Parkeeractiviteiten (Artikel 15) In de overige regels zijn voorschriften opgenomen om te voorzien in voldoende parkeergelegenheid en/of voldoende laad- en losruimte.
ruimte voor ontwikkeling
57
5.2.5 Overgangsregels In hoofdstuk 4 van de regels staan de overgangsregels. In de overgangsregels is aangegeven wat de juridische consequenties zijn van bestaande situaties die in strijd zijn met deze wijziging van het omgevingsplan.
5.3
Verantwoording van de regels
Een TAM-Omgevingsplan geeft aan welke functies waar zijn toegestaan en welke bebouwing mag worden opgericht. Bij het opstellen van dit TAM-omgevingsplan zijn keuzes gemaakt over welke functies waar worden mogelijk gemaakt en is gekeken welke bebouwing stedenbouwkundig toegestaan kan worden. In deze paragraaf worden de gemaakte keuzes nader onderbouwd. Hierbij zullen functies in dezelfde volgorde als in de regels worden behandeld. Voor onderhavig TAM-omgevingsplan is zoveel mogelijk aansluiting gezocht bij de regels en bepalingen voor vergelijkbare functies en activiteiten uit het tijdelijk deel omgevingsplan Woudenberg (bestemmingsplan 'Buitengebied Woudenberg 2010'). Deze zijn wel dusdanig omgevormd dat deze voldoen aan de regels van de Omgevingswet. Agrarisch (Artikel 7) De gronden centraal in het plangebied zijn aangewezen als 'Agrarisch'. Het betreft de gronden direct ten noorden van de beoogde nieuwe woonpercelen. Locaties die zijn aangewezen als 'Agrarisch' hebben in hoofdzaak een functie ten behoeve van agrarische bedrijvigheid in combinatie met het behoud, herstel en de ontwikkeling van zowel het waterhuishoudkundig systeem als de landschapsstructuur. Als gevolg van de functieverandering is geen bouwvlak meer opgenomen. De in deze functie opgenomen beoordelingsregels zijn beperkt.
Er mogen uitsluitend erf- en terreinafscheidingen en bouwwerken, geen gebouwen, teeltondersteunende voorzieningen en overkappingen zijnde, ten behoeve van het agrarisch bedrijf en ten behoeve van extensieve dagrecreatie zoals zitbanken en routeborden, worden gebouwd met een maximale hoogte van 2 meter. Agrarisch met waarden - Landschapswaarden - Reliëf (Artikel 8) Het noordelijk deel van het plangebied is aangewezen als 'Agrarisch met waarden - Landschapswaarden Reliëf'. De begrenzing en mogelijkheden zijn overgenomen uit het tijdelijk deel omgevingsplan Woudenberg (bestemmingsplan 'Buitengebied Woudenberg 2010') Verkeer (Artikel 9) De gronden waarop de (gezamenlijke) ontsluitingsweg is beoogd, zijn aangewezen als 'Verkeer'. Wonen (Artikel 10) Het zuidelijk deel van het plangebied, bestaande uit de drie nieuwe woonpercelen met bijbehorende voorzieningen, is aangewezen als 'Wonen'. Locaties die zijn aangewezen als 'Wonen' hebben in hoofdzaak een functie ten behoeve van het wonen. In verband met de gewenste zichtlijnen over de kavels op het landschap heeft een deel van de woonpercelen, door middel van de functieaanduiding 'landschapswaarden', mede een functie ten behoeve van de instandhouding van de aanwezige dan wel daaraan verbonden landschappelijke en cultuurhistorische waarden.
In de beoordelingsregels is opgenomen dat per bouwvlak één woning mag worden gebouwd met een maximale inhoud van 800 m3. Aan- en uitbouwen zijn niet toegestaan, waardoor het een aaneengesloten hoofdvolume betreft. De maximale goot- en bouwhoogte van woningen is vastgelegd op respectievelijk 4,5 meter en 10 meter. Bijgebouwen, overkappingen, erf- en terreinafscheidingen en overige bouwwerken, geen gebouwen zijnde, mogen tevens buiten het bouwvlak worden gebouwd. Teneinde de zichtlijnen over de kavels op het landschap te borgen is het bouwen van bijgebouwen en overkappingen ter plaatse van de functieaanduiding 'landschapswaarden' niet toegestaan. Erf- of terreinafscheidingen mogen ter plaatse van deze functieaanduiding maximaal 1 meter hoog zijn.
58
TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22b Lambalgseweg 19
In artikel 22.36 van de bruidsschat (onderdeel van het tijdelijk deel van het omgevingsplan) zijn regels opgenomen die het mogelijk maken om vergunningvrij bouwwerken op te richten die niet aan de andere regels van het omgevingsplan hoeven te voldoen. De gewenste zichtlijnen en de gewenste compacte bebouwing kunnen niet worden geborgd als er dergelijke mogelijkheden voor vergunningvrij bouwen bestaan. Om die reden is in de regels van dit TAM-omgevingsplan onder het toepassingsbereik van de functie Wonen bepaald dat, in afwijking van het algemene toepassingsbereik, artikel 22.36 onder a en b niet van toepassing is op de locaties die zijn aangewezen als 'Wonen'. Daardoor kan ter plaatse alleen vergunningvrij gebouwd worden op grond van de regeling die in artikel 22.27 van de bruidsschat is opgenomen, alsmede de algemene landelijke regeling voor vergunningvrij bouwen uit artikel 2.29 van het Besluit bouwwerken leefomgeving (Bbl). Vergunningvrij bouwen op basis van artikel 22.27 kan alleen als er naast de regels uit dat artikel ook voldaan wordt aan de regels die in het TAM-omgevingsplan zijn opgenomen. Bouwwerken dienen in dat geval dus zowel te voldoen aan de regels uit artikel 22.27 als aan de regels uit het TAM-omgevingsplan.
Aangezien het TAM-omgevingsplan ter plaatse van de functieaanduiding 'landschapswaarden' geen bijgebouwen en overkappingen toestaat, kunnen deze ook niet vergunningvrij via artikel 22.27 worden gerealiseerd. Aan- en uitbouwen kunnen eveneens niet vergunningvrij worden gerealiseerd nu het TAM-omgevingsplan hier geen mogelijkheden voor biedt. In de beoordelingsregels is verder bepaald dat de maximale oppervlakte aan bijgebouwen en overkappingen, op de locaties waar dit wel is toegestaan, 70 m2 bedraagt. De eerste 80 m2 (van het totaal van 150 m2 ) aan vergunningvrije bijbehorende bouwwerken is immers toegevoegd aan het hoofdvolume. Doordat artikel 22.36 onder a en b niet van toepassing is, is vergunningvrij bouwen enkel mogelijk op basis van artikel 22.27 waarbij tevens voldaan dient te worden aan de regels die in het TAM-omgevingsplan zijn opgenomen. Nu in het TAM-omgevingsplan een maximum oppervlakte van 70 m2 is opgenomen kan er via het vergunningvrij bouwen nooit een grotere oppervlakte aan bijgebouwen en overkappingen worden gerealiseerd. Teneinde de sloop van de bestaande bedrijfsbebouwing en de beoogde landschappelijke inpassing zeker te stellen, is hiervoor in de specifieke functieregels een voorwaardelijke verplichting opgenomen.
Waarde - Archeologie - 2 (Artikel 11) De gronden binnen het gebied 'Waarde - Archeologie 2' zijn, behalve voor de andere daar voorkomende functies, aangewezen voor het beschermen en veilig stellen van de op en/of in deze gronden te verwachten archeologische waarden.
ruimte voor ontwikkeling
59
Hoofdstuk 6 Economische en maatschappelijke uitvoerbaarheid 6.1
Economische uitvoerbaarheid
De planontwikkeling komt geheel voor rekening en risico van de initiatiefnemer. De ontwikkeling zal geschieden conform hetgeen bepaald is in de Omgevingswet. De verwezenlijking van het plan is dan ook niet afhankelijk van gemeentelijke investeringen. De kosten voor de ambtelijke afhandeling van de procedure worden verrekend op basis van de daarvoor geldende leges. Voor wat betreft nadeelcompensatie zal de gemeente indien nodig met initiatiefnemer een (anterieure) overeenkomst afsluiten. Het plan wordt dan ook economisch haalbaar geacht.
6.2
Maatschappelijke uitvoerbaarheid
6.2.1 Participatie Onderstaand is een beknopte samenvatting opgenomen van de omgevingsdialoog die tot nu toe heeft plaatsgevonden. Overleg met omwonenden Op basis van de Participatiewijzer van de gemeente Woudenberg is op onderhavig initiatief het participatielevel 'gemiddelde participatie' van toepassing. Conform de betreffende Participatiewijzer zijn omwonenden door middel van een brief op de hoogte gesteld van de beoogde plannen en uitgenodigd voor een inloopavond welke op 17 februari 2025 heeft plaatsgevonden (Bijlage 6). Het doel van de inloopavond was enerzijds het informeren van de betrokkenen en anderzijds om van hen te horen wat zij van belang vinden en hoe daar met de beoogde ontwikkeling op kan worden ingespeeld. Als bijlage bij deze motivering is een memo omgevingsdialoog opgenomen met daarin een verslag van de inloopavond (Bijlage 7).
6.2.2 Procedure Het ontwerp TAM-omgevingsplan en de bijbehorende stukken liggen voor een periode van zes weken voor een ieder ter inzage. Binnen deze zes weken vanaf het moment van terinzagelegging van het ontwerp-omgevingsplan kan een ieder zienswijzen inbrengen. Dit kan schriftelijk of mondeling plaatsvinden. Er zijn PM zienswijzen op het ontwerp TAM-omgevingsplan ingediend, allen binnen de termijn van ter visielegging. Deze zienswijzen en ambtshalve wijzigingen (eveneens opgenomen in bijlage PM) zijn verwerkt in het TAM-omgevingsplan.
60
TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22b Lambalgseweg 19