CConstaterende datWoudenberg
Koppel je AI →
Document · PDF

06 TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22b Lambalgseweg 19_MOTIVERING.pdf

Raadscommissie 16 september 2025, gemeente WoudenbergBij agendapunt: 15: Omgevingsplan Lambalgseweg 1922.192 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 3

TAM-Omgevingsplan Hoofdstuk 22b Lambalgseweg 19 Gemeente Woudenberg

TAM-Omgevingsplan Hoofdstuk 22b Lambalgseweg 19 Gemeente Woudenberg

PLANGEGEVENS IDN Projectnummer Titel Projectleider Auteur

DETAILS NL.IMRO.0351.TAMLambalgseweg19-ow01 K24408 TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22b Lambalgseweg 19 C.J.M. Hanse MSc C.J.M. Hanse MSc

STATUS Concept Voorontwerp Ontwerp Vastgesteld

DATUM 14 april 2025 23 juni 2025

Inhoudsopgave

MOTIVERING

6

Hoofdstuk 1

Inleiding

6

Aanleiding Toelichting op TAM-omgevingsplan Ligging en begrenzing planlocatie Vigerend omgevingsplan Leeswijzer

6 6 7 7 9

Beschrijving van de situatie

10

Analyse landschap Historische situatie Huidige situatie Omgeving Planlocatie Toekomstige situatie Erfopzet Landschappelijke inpassing Beeldkwaliteit

10 11 12 12 13 15 16 18 20

Beleidskader

23

Rijksbeleid Nationale Omgevingsvisie (NOVI) Besluit kwaliteit leefomgeving Provinciaal beleid Omgevingsvisie Provincie Utrecht Omgevingsverordening provincie Utrecht Conclusie Regionaal beleid Afwegingskader functieveranderingsbeleid 2024 Gemeentelijk beleid Structuurvisie Woudenberg 2030 (inclusief oplegger 2019) Woonvisie Woudenberg 2024-2030

23 23 23 24 24 26 28 29 29 32 32 33

Effecten op en van de fysieke leefomgeving

34

Omgevingsveiligheid Wettelijk kader Beoordeling Conclusie

34 34 35 36

1.1 1.2 1.3 1.4 1.5 Hoofdstuk 2 2.1 2.2 2.3 2.3.1 2.3.2 2.4 2.4.1 2.4.2 2.4.3 Hoofdstuk 3 3.1 3.1.1 3.1.2 3.2 3.2.1 3.2.2 3.2.3 3.3 3.3.1 3.4 3.4.1 3.4.2 Hoofdstuk 4 4.1 4.1.1 4.1.2 4.1.3

2

TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22b Lambalgseweg 19

4.2

Water 4.2.1 Wettelijk kader 4.2.2 Beleidskader 4.2.3 Beoordeling 4.2.4 Conclusie 4.3 Gezondheid en milieu 4.4 Luchtkwaliteit 4.4.1 Wettelijk kader 4.4.2 Beoordeling 4.4.3 Conclusie 4.5 Geluid 4.5.1 Wettelijk kader 4.5.2 Beoordeling 4.5.3 Conclusie 4.6 Trilling 4.6.1 Wettelijk kader 4.6.2 Beoordeling 4.6.3 Conclusie 4.7 Slagschaduw bij windturbines 4.7.1 Wettelijk kader 4.7.2 Beoordeling en conclusie 4.8 Bodem 4.8.1 Wettelijk kader 4.8.2 Beoordeling 4.8.3 Conclusie 4.9 Geur 4.9.1 Wettelijk kader 4.9.2 Beoordeling 4.9.3 Conclusie 4.10 Landschappelijke of stedenbouwkundige waarden en cultureel erfgoed 4.11 Ladder voor duurzame verstedelijking 4.11.1 Wettelijk kader 4.11.2 Beoordeling 4.11.3 Conclusie 4.12 Cultuurhistorie en archeologie 4.12.1 Wettelijk kader 4.12.2 Beoordeling archeologie 4.12.3 Beoordeling cultuurhistorie 4.12.4 Conclusie 4.13 Ruimte voor toekomstige functies, infrastructuur en openbare buitenruimte 4.13.1 Wettelijk kader 4.13.2 Beoordeling en conclusie 4.14 Flora en fauna 4.14.1 Wettelijk kader 4.14.2 Gebiedsbescherming 4.14.3 Soortenbescherming

ruimte voor ontwikkeling

36 36 36 37 39 39 39 39 39 40 40 40 41 41 41 41 41 42 42 42 42 42 42 42 43 43 43 43 44 45 45 45 45 46 46 46 46 47 48 48 48 48 48 48 49 50

3

4.14.4 Conclusie 4.15 Milieubelastende activiteiten 4.15.1 Wettelijk kader 4.15.2 Beoordeling 4.15.3 Conclusie 4.16 Duurzaamheid 4.16.1 Inleiding 4.16.2 Beoordeling 4.16.3 Conclusie 4.17 Parkeren en verkeer 4.17.1 Parkeren 4.17.2 Verkeer 4.17.3 Conclusie 4.18 Kabels en leidingen 4.19 Milieueffectrapportage 4.19.1 Wettelijk kader 4.19.2 Beoordeling 4.19.3 Conclusie Hoofdstuk 5 5.1 5.2 5.2.1 5.2.2 5.2.3 5.2.4 5.2.5 5.3 Hoofdstuk 6 6.1 6.2 6.2.1 6.2.2

Juridisch kader TAM-omgevingsplan

56

Algemeen Opbouw regels Algemeen Preambule voor hoofdstuk artikelnummering Juridisch ponsen Algemene regels Overgangsregels Verantwoording van de regels

56 56 56 56 57 57 58 58

Economische en maatschappelijke uitvoerbaarheid

60

Economische uitvoerbaarheid Maatschappelijke uitvoerbaarheid Participatie Procedure

60 60 60 60

Bijlagen bij motivering Bijlage 1

Digitale watertoets

Bijlage 2

Akoestisch onderzoek wegverkeerslawaai

Bijlage 3

Verkennend bodemonderzoek

Bijlage 4

Verkennend onderzoek flora en fauna

4

51 51 51 52 52 53 53 53 53 53 53 54 54 54 54 54 55 55

TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22b Lambalgseweg 19

Bijlage 5

Stikstofdepositieberekening

Bijlage 6

Uitnodiging participatie

Bijlage 7

Memo omgevingsdialoog

ruimte voor ontwikkeling

5

MOTIVERING Hoofdstuk 1 1.1

Inleiding

Aanleiding

Op het perceel Lambalgseweg 19 in Woudenberg wordt een pluimveehouderij geëxploiteerd. Er is een bedrijfsgebouw voor pluimvee aanwezig, welke in drie langgerekte volumes haaks op de weg staat. De oppervlakte van het bedrijfsgebouw bedraagt in totaal 3.147,15 m2 . Ten behoeve van de pluimveehouderij is een bouwvlak van circa 4.250 m2 opgenomen. Daarnaast beschikt de eigenaar over de planologische mogelijkheid om een bedrijfswoning te realiseren. Om de bedrijfswoning te kunnen realiseren heeft het college van burgemeester en wethouders van gemeente Woudenberg op 23 mei 2023 het wijzigingsplan 'Lambalgseweg 19' vastgesteld, waarmee een vormverandering van het bouwvlak mogelijk is gemaakt. Met de komst van de Landelijke beëindigingsregeling veehouderijlocaties met piekbelasting (Lbv-plus) heeft de eigenaar een andere keuze gemaakt voor het bedrijf en de bedrijfswoning niet gerealiseerd. De eigenaar heeft besloten om zijn bedrijf te beëindigen. Om te voorzien in een nieuwe duurzame functie voor het perceel Lambalgseweg 19 in Woudenberg, is initiatiefnemer voornemens om functieverandering toe te passen. Hierbij wordt alle bestaande bedrijfsbebouwing gesloopt en wordt de agrarische bedrijfsfunctie gewijzigd naar een reguliere woonfunctie met in totaal drie vrijstaande woningen.

Het betreft de nog te bouwen bedrijfswoning (welke wordt gebouwd als reguliere vrijstaande woning) en twee ruimte-voor-ruimte woningen. De functieverandering vindt plaats op basis van de Ruimte-voor-Ruimte regeling van de provincie Utrecht in combinatie met het op 26 september 2024 door de gemeenteraad van Woudenberg vastgestelde 'Afwegingskader functieveranderingsbeleid 2024'. Het doel van de functieverandering is enerzijds het bereiken van een ruimtelijke kwaliteitsverbetering in het buitengebied door onder meer de sloop van (vrijkomende) agrarische bedrijfsbebouwing en de landschappelijke inpassing van de nieuwe ontwikkeling. Anderzijds leidt de functieverandering tot een versterking van de economische en sociale vitaliteit van het landelijk gebied door de herbestemming van een (voormalige) agrarische locatie voor wonen. Het initiatief kan niet worden gerealiseerd op grond van het omgevingsplan. Om een en ander planologisch-juridisch mogelijk te maken, moet het omgevingsplan van de gemeente Woudenberg worden gewijzigd. Voorliggend TAM-omgevingsplan zorgt voor de gewenste planologische kaders en toont aan dat het voornemen voorziet in een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.

1.2

Toelichting op TAM-omgevingsplan

Het Digitaal Stelsel Omgevingswet (DSO) ondersteunt bij het werken volgens de Omgevingswet. Er zijn tijdelijke alternatieve maatregelen (TAM) voor organisaties die bij de voorbereiding en inwerkingtreding van de wet nog geen gebruik kunnen maken van lokale of landelijke onderdelen van het DSO. Deze vangnetten zorgen ervoor dat deze organisaties de belangrijkste uitvoeringsprocessen kunnen blijven uitvoeren, totdat ze het DSO wel kunnen gebruiken. Een van de tijdelijke alternatieve maatregelen is de TAM-IMRO ofwel het TAM-Omgevingsplan. Kort gezegd houdt TAM-IMRO in dat de huidige techniek voor planvorming tijdelijk kan worden gebruikt onder de Omgevingswet. Deze techniek betreft de bestaande uitwisselingsstandaard IMRO (Informatiemodel Ruimtelijke Ordening) en de bestaande voorziening Ruimtelijke Plannen. IMRO is een bekende en functionerende techniek. De TAM-IMRO vraagt niet om alternatieve software. Het gaat meer om langduriger gebruik van de bestaande systemen en koppelingen.

6

TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22b Lambalgseweg 19

1.3

Ligging en begrenzing planlocatie

De gemeente Woudenberg ligt in het oosten van de provincie Utrecht. De planlocatie maakt onderdeel uit van het buitengebied en ligt in het zuidoostelijk deel daarvan. Het plangebied ligt in de Gelderse Vallei op de overgang naar de Utrechtse Heuvelrug tussen de dorpen Woudenberg en Scherpenzeel. De kortste afstand tot de bebouwde kom van beide dorpen bedraagt hemelsbreed circa 1 kilometer. De directe omgeving van het plangebied kenmerkt zich als buitengebied met verspreid liggende reguliere (vrijstaande) woningen. Deels is er daarbij sprake van voormalige agrarische bedrijven waar in het verleden reeds functieverandering heeft plaatsgevonden. Direct ten noorden, oosten en westen van het plangebied bevinden zich onbebouwde agrarische gronden. Ten westen van het plangebied bevindt zich op deze gronden een veldschuur. Direct ten zuiden van het plangebied loopt de Lambalgseweg. Deze weg loopt vanaf de voormalige spoorlijn Amersfoort-Kesteren naar landgoed Lambalgen. Het plangebied Lambalgseweg 19 is kadastraal bekend als gemeente Woudenberg, sectie G, nummer 733 met een totale oppervlakte van circa 18.885 m2 . In onderstaande figuur is de begrenzing van het plangebied globaal weergegeven.

Globale ligging plangebied (bron: www.kadastralekaart.com)

1.4

Vigerend omgevingsplan

Het plangebied ligt in het omgevingsplan van de gemeente Woudenberg. Ter plaatse van het plangebied is sprake van het tijdelijk deel van het omgevingsplan, zoals in werking getreden op 1 januari 2024. Het tijdelijke omgevingsplan bestaat uit bestaande ruimtelijke besluiten, waaronder plaatselijke verordeningen. Daarnaast bestaat het tijdelijk omgevingsplan uit de bruidsschatregels. Dit zijn de voormalige rijksregels die met de inwerkingtreding van de Omgevingswet over zijn gegaan naar decentrale overheden. De bestaande bouw- en gebruiksactiviteiten die voor het plangebied gelden zijn deels opgenomen in het wijzigingsplan 'Lambalgseweg 19' welke op 23 mei 2023 door het college van burgemeester en wethouders van gemeente Woudenberg is vastgesteld. Voor een ander deel van het plangebied worden de toegestane bouw- en gebruiksactiviteiten bepaald door het bestemmingsplan 'Buitengebied Woudenberg 2010'. Dit bestemmingsplan is op 23 september 2010 door de gemeenteraad van Woudenberg

ruimte voor ontwikkeling

7

vastgesteld. Met het bestemmingsplan 'Buitengebied 2013 (herziening)', vastgesteld op 27 juni 2013, is het voornoemde bestemmingsplan op onderdelen herzien. In het omgevingsplan kent het plangebied de bestemmingen 'Agrarisch' en 'Agrarisch met waarden Landschapswaarde - Relief'. Binnen de bestemming 'Agrarisch' is een bouwvlak met een oppervlakte van circa 4.250 m2 opgenomen. Ter plaatse van de bestemming 'Agrarisch' zijn de gronden bestemd voor grondgebonden agrarische bedrijven met bijbehorende voorzieningen. Bedrijfsbebouwing dient binnen het bouwvlak te worden gerealiseerd. Per bouwvlak is één bedrijfswoning toegestaan met een maximum inhoud van 600 m3, inclusief aan- en uitbouwen. Ter plaatse van de bestemming 'Agrarisch met waarden Landschapswaarde - Relief' is geen bouwvlak opgenomen. Deze gronden zijn eveneens bestemd ten behoeve van grondgebonden agrarische bedrijven. Verder is op het hele plangebied de gebiedsaanduiding 'reconstructiewetzone landbouwontwikkelingsgebied' van toepassing. Hierdoor is ter plaatse van het plangebied tevens een intensieve veehouderij toegestaan. Tot slot is op een deel aan de westzijde van het plangebied de dubbelbestemming 'Waarde - Archeologie - 2' van toepassing.

Conclusie De beoogde ontwikkeling past niet binnen de regels van het het omgevingsplan, omdat een functiewijziging naar regulier wonen met bijbehorende (drie) vrijstaande woningen niet mogelijk is binnen de regels van de bestemmingen 'Agrarisch' en 'Agrarisch met waarden - Landschapswaarde - Relief'.

Uitsnede verbeelding bestemmingsplan 'Buitengebied Woudenberg 2010'

8

TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22b Lambalgseweg 19

Verbeelding wijzigingsplan 'Lambalgseweg 19'

1.5

Leeswijzer

Na dit hoofdstuk wordt in hoofdstuk 2 een beschrijving van de bestaande en toekomstige situatie gegeven, waarbij wordt ingegaan op de gewenste ontwikkeling en op de ruimtelijke en functionele inpassing daarvan in de bestaande structuur. Hoofdstuk 3 geeft een beschrijving van het van belang zijnde beleidskader, waarna in hoofdstuk 4 een toetsing aan de milieuaspecten volgt. Wanneer deze van toepassing zijn, worden daarbij de uitgangspunten voor het TAM omgevingsplan genoemd. In hoofdstuk 5 volgt een toelichting op de werking van het TAM omgevingsplan en de daarin opgenomen juridische regeling. Tenslotte gaat hoofdstuk 6 in op de uitvoerbaarheid van het TAM omgevingsplan, waarbij aandacht wordt besteed aan de maatschappelijke en economische uitvoerbaarheid.

ruimte voor ontwikkeling

9

Hoofdstuk 2 2.1

Beschrijving van de situatie

Analyse landschap

Kampenlandschap Het plangebied ligt in het kampenlandschap waar houtwallen en houtsingels (lijnvormen) belangrijke elementen zijn. Deze vorm van landschap is herkenbaar aan onregelmatige kavelvormen. In het Landschapsontwikkelingsplan (LOP) wordt het gebied aangeduid als een diffuus kampenlandschap omdat het kenmerkende karakter niet meer duidelijk aanwezig is. Door laanbeplantingen en erfbeplantingen te stimuleren kan de structuur van het kampenlandschap versterkt worden. Het landschap in de directe omgeving van het plangebied maakt onderdeel uit van het agrarisch gebied van de Gelderse Vallei, dat globaal ligt tussen de Woudenbergse Grift in het westen tot de Grebbelinie in het oosten, met de bebouwingsgrenzen van Woudenberg en Renswoude als noordgrens en met de A12 bij Maarsbergen en het Valleikanaal en onderdelen van de voormalige Liniedijk bij Overberg als zuidgrens. De Gelderse Vallei heeft een voornamelijk agrarisch landschap met grote afwisseling van bebouwing, bosjes, lanen en agrarische percelen met houtwallen en - singels. De open ruimten verschillen van maat en schaal. Verborgen in de Vallei liggen lijnstructuren als beken, kanalen, griften, de Grebbelinie en de Ponlijn. Ook landgoederen, kastelen en forten liggen min of meer verscholen in het landschap. Het gebied biedt goede kansen aan landbouw, wonen, werken, natuur en recreatie. Dit leidt tot veel dynamiek.

De Gelderse Vallei is onderverdeeld in drie deelgebieden met elk een eigen identiteit: mozaïek; stroken; binnenveld. De kernkwaliteiten van de Gelderse Vallei bestaat uit de rijk gevarieerde kleinschaligheid, het stelsel van beken, griften en kanalen, de Grebbelinie en de overgang van Vallei naar stuwwal. De ambitie voor de Gelderse Vallei is het versterken van de meest onderscheidende kenmerken van het gebied ten opzichte van andere Utrechtse landschappen. Dit betekent: het versterken van de gebiedsidentiteiten in de drie deelgebieden; het behouden van de verborgen structuren; bijzondere aandacht voor de drie gebieden. Het perceel Lambalgseweg 19 is gelegen in het mozaïeklandschap. In essentie is dit een halfopen landschap met een grote diversiteit aan beplantingselementen. Steeds in maat en vorm variërende ruimten vormen een mozaïek van kamers. Bomenrijen, lanen, bospercelen, houtwallen en boomgroepen wisselen elkaar voortdurend af en omkaderen akkers, weilanden, tuinbouwpercelen en kwekerijen. Beplante wegen en verscholen beken slingeren door dit mozaïek. Dorpen en erven met oude en nieuwe gebouwen door elkaar liggen verscholen tussen het groen.

10

TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22b Lambalgseweg 19

Landschap omgeving plangebied (bron: Arcom BV)

2.2

Historische situatie

Op de historische kaart van 1875 staat de voormalige spoorlijn Amersfoort-Kesteren, welke ten westen van het plangebied ligt, nog niet aangegeven. Het gebied is landelijk en de mozaïekverkaveling is duidelijk te herkennen. De randen van het mozaïek zijn veelal voorzien van bomenrijen. Om landgoed Lambalgen is sprake van meer bospercelen. Ook is daar de Post bij de Grebbelinie goed te herkennen. Rond de eeuwwisseling is de spoorlijn aangelegd en zijn er wegen om die reden gewijzigd. Het lijkt erop dat elk van de percelen nu omgeven is door een bomenrand.

Ontwikkeling ruimtelijke structuur 1875-1900 (bron: Arcom BV) In 1975 zijn de bomenrijen verdwenen, alleen om Lambalgen zijn nog bosschages te zien. Hierdoor is wel duidelijk te zien dat veel boerderijen die niet direct aan de doorgaande weg liggen een eigen oprijlaan hebben. Soms met het karakter van een openbare, maar doodlopende weg. Ook is te zien dat verschillende bebouwing slechts te bereiken is via de inrit van een ander, aan de openbare weg liggend perceel. Pas op de laatste kaarten (vanaf 2009) is de kippenschuur ter plaatse van het plangebied op de kaart te vinden. Een vrij groot bebouwd oppervlak, zoals in de omgeving met de schaalvergroting meer te vinden is.

ruimte voor ontwikkeling

11

Ontwikkeling ruimtelijke structuur 1975-2023 (bron: Arcom BV)

2.3

Huidige situatie

2.3.1 Omgeving De gemeente Woudenberg ligt in het oosten van de provincie Utrecht. De planlocatie maakt onderdeel uit van het buitengebied en ligt in het zuidoostelijk deel daarvan. Het plangebied ligt in de Gelderse Vallei op de overgang naar de Utrechtse Heuvelrug tussen de dorpen Woudenberg en Scherpenzeel. De kortste afstand tot de bebouwde kom van beide dorpen bedraagt hemelsbreed circa 1 kilometer.

Ligging plangebied in bredere omgeving (bron: Arcom BV) De directe omgeving van het plangebied kenmerkt zich als buitengebied met verspreid liggende reguliere (vrijstaande) woningen. Deels is er daarbij sprake van voormalige agrarische bedrijven waar in het verleden reeds functieverandering heeft plaatsgevonden. Direct ten noorden, oosten en westen van het plangebied bevinden zich onbebouwde agrarische gronden. Ten westen van het plangebied bevindt zich op deze gronden een veldschuur. Direct ten zuiden van het plangebied loopt de Lambalgseweg. Deze weg loopt vanaf de voormalige spoorlijn Amersfoort-Kesteren naar landgoed Lambalgen. De voormalige spoorlijn Amersfoort-Kesteren ligt als zeer herkenbaar element in het landschap.

12

TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22b Lambalgseweg 19

Ligging plangebied in directe omgeving (bron: Arcom BV) Gelet op het voorgaande is er sprake van een overwegend agrarische omgeving met een enkel bijzonder element. Vanouds liggen hier veel boerderijen, verspreid in het landschap op enige afstand van elkaar. De boerderijen liggen even vaak aan een doorgaande weg als verder weg in het landschap. In het laatste geval worden ze ontsloten met en lange oprijlaan. De boerderij ten westen van de bedrijfslocatie Lambalgseweg 19 heet 'Egdom' (Lambalgseweg 9) en is op oude kaarten terug te vinden. De schuur achter de boerderij heeft geen agrarische functie meer. Achter de historische woonboerderij is een tweede woonboerderij nieuw gebouwd. Deze woonboerderij is enkel over het erf van 'Egdom' te bereiken. In de bocht van de Lambalgseweg ten westen van het plangebied zijn in het begin van de vorige eeuw een aantal reguliere vrijstaande woningen zonder enige relatie met een agrarisch bedrijf gerealiseerd.

2.3.2 Planlocatie Het plangebied bestaat uit het bouwvlak van de pluimveehouderij aan de Lambalgseweg 19 in Woudenberg met de direct omliggende onbebouwde agrarische gronden. Het agrarische bouwvlak kent een oppervlakte van circa 4.250 m2 . De bedrijfslocatie bestaat uit een utilitair vormgegeven bedrijfsgebouw voor pluimvee, welke in drie langgerekte volumes haaks op de weg staat. De schuren staan circa 3 meter los van elkaar, maar zijn aan zowel de voor- als de achterzijde met korte tussenleden verbonden. De oppervlakte van het bedrijfsgebouw bedraagt in totaal 3.147,15 m2 .

ruimte voor ontwikkeling

13

Luchtfoto bestaande situatie Lambalgseweg 19 Woudenberg (bron: www.kadastralekaart.com) Aan de oostzijde staan twee voersilo's tegen het bedrijfsgebouw aan. Achterop het terrein is een opslag van bestratingsmaterialen. De bomen aan de Lambalgseweg en op de kavelgrenzen onttrekken het gebouw gedeeltelijk aan het zicht. Daarnaast beschikt de eigenaar over de planologische mogelijkheid om een bedrijfswoning te realiseren. Om de bedrijfswoning te kunnen realiseren heeft het college van burgemeester en wethouders van gemeente Woudenberg op 23 mei 2023 het wijzigingsplan 'Lambalgseweg 19' vastgesteld, waarmee een vormverandering van het bouwvlak mogelijk is gemaakt. Met de komst van de Landelijke beëindigingsregeling veehouderijlocaties met piekbelasting (Lbv-plus) heeft de eigenaar van de bedrijfslocatie Lambalgseweg 19 de keuze gemaakt om de bedrijfswoning niet (meer) te realiseren en zijn bedrijf te gaan beëindigen.

14

TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22b Lambalgseweg 19

Aanzicht plangebied vanaf Lambalgseweg, westzijde (bron: Google Street View)

Aanzicht plangebied vanaf Lambalgseweg, zuidzijde (bron: Google Street View)

2.4

Toekomstige situatie

De agrarische bedrijfsactiviteiten van de pluimveehouderij Lambalgseweg 19 zullen in de toekomstige worden gestaakt. Om het perceel een nieuwe duurzame functie te geven is initiatiefnemer voornemens om alle bestaande bedrijfsbebouwing te slopen en de agrarische bedrijfsfunctie te wijzigen naar een reguliere woonfunctie met in totaal drie vrijstaande woningen. Het betreft de nog te bouwen bedrijfswoning (welke wordt gebouwd als reguliere vrijstaande woning) en twee ruimte-voor-ruimte woningen. De functieverandering vindt plaats op basis van de Ruimte-voor-Ruimte regeling van de provincie Utrecht in combinatie met het op 26 september 2024 door de gemeenteraad van Woudenberg vastgestelde 'Afwegingskader functieveranderingsbeleid 2024'. Het doel van de functieverandering is enerzijds het bereiken van een ruimtelijke kwaliteitsverbetering in het buitengebied door onder meer de sloop van (vrijkomende) agrarische bedrijfsbebouwing en de landschappelijke inpassing van de nieuwe ontwikkeling. Anderzijds leidt de functieverandering tot een versterking van de economische en sociale vitaliteit van het landelijk gebied door de herbestemming van

ruimte voor ontwikkeling

15

een (voormalige) agrarische locatie voor wonen.

Situatietekening beoogde nieuwe situatie (bron: Arcom BV)

2.4.1 Erfopzet Voor de nieuwe erfopzet wordt uitgegaan van het principe van erfbebouwing aan één gezamenlijke inrit. Erfbebouwing komt in deze agrarische omgeving uiteraard veel voor. In hoofdzaak zijn er twee vormen waar te nemen: A. huis met gebouwen ernaast, geclusterd om een relatief ondiepe inrit; B. huis met gebouwen erachter, de gezamenlijke inrit loopt diep naar achteren door. Het kavel is zeer ruim en het naastgelegen kavel is ingericht met een erf type B. Om variatie in het straatbeeld te maken is op deze plek voor een erf type A gekozen. Er is ruimte om 3 vrijstaande woningen te bouwen. Op korte afstand van de straat ligt het huidige bouwvlak. Daarom wordt het erf een hoofdhuis (boerderij) met ondergeschikte gebouwen ernaast, geclusterd om een relatief ondiepe inrit.

16

TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22b Lambalgseweg 19

Typen erfbebouwing (bron: Arcom BV) Voor wat betreft de opzet en inrichting van het kavel is gebruik gemaakt van de Kwaliteitskatern Gelderse Vallei. Het katern geeft aan dat nieuwbouw in het landelijke gebied het best in de vorm van een erf kan worden gebouwd. Een erf betekent meerdere gebouwen aan één inrit met een gezamenlijke bestrating, maar in tegenstelling tot een landgoed is er geen klassieke hiërarchie. Het grootste gebouw is niet automatisch het meest belangrijk. Alleen het zuidelijke, aan de straat gelegen deel van het kavel wordt bebouwd. Het noordelijke gedeelte wordt opgeruimd en blijft zijn agrarische functie behouden. De inrit ligt a-symmetrisch en ontsluit eerst het boerderij-volume, verderop de andere woningen. Het volume van elk van de drie vrijstaande woningen bedraagt maximaal 800 m3. De vergroting ten opzichte van het toegestane volume van circa 574 m3 conform het 'Afwegingskader functieveranderingsbeleid 2024' (en het standaard-volume van 600 m3 voor vrijstaande woningen in het buitengebied), vindt zijn grondslag in het feit dat de eerste 80 m2 (van het totaal van 150 m2 ) aan vergunningvrije bijbehorende bouwwerken wordt toegevoegd aan het hoofdvolume. Er resteert derhalve nog maximaal 70 m2 aan bijbehorende bouwwerken per kavel. Op deze wijze wordt voorzien in een zo compact mogelijk erf.

Eén en ander is juridisch geborgd in de regels van dit TAM-omgevingsplan. Teneinde de zichtlijnen over de kavels op het landschap te borgen, blijven de tuinen aan weerszijden gevrijwaard van bebouwing. Ter bescherming van de landschappelijke waarden, is op dit deel van de kavels het realiseren van gebouwen en overkappingen zowel met als zonder vergunning (vergunningvrij) uitgesloten. De afscheiding van het erf naar de omgeving is vrij open. Hoge bomenrijen langs de zuid- oost- en westranden van het erf, terwijl vanwege het gewenste doorzicht aan de noordzijde een open hek als afrastering wordt aangebracht. De percelen onderling krijgen een ondergeschikte scheiding vanwege privacy; hagen van maximaal 1,20 m hoog. De drie gebouwde volumes krijgen elk een karakteristieke vormgeving mee.

ruimte voor ontwikkeling

17

Beoogde erfopzet nieuwe situatie (bron: Arcom BV) De drie woningen hebben één gezamenlijke ontsluiting. De uitvoering van drie woningen met een verschillende footprint en met een verschillende materialisering, maar met een gelijk volume voegt de drie woningen samen. Door het handhaven van de hoge bomen aan de rand van het kavel of nieuw aanplanten worden deze drie kavels één erf.

Impressie beoogde nieuwe situatie (bron: Arcom BV)

2.4.2 Landschappelijkeinpassing Ten behoeve van de ontwikkeling is een landschappelijk inpassingsplan opgesteld. De uitvoering hiervan is juridisch geborgd in de regels van dit TAM-omgevingsplan. Uit de inventarisatie in het kader van het landschappelijk inpassingsplan is gebleken dat het plangebied in het kampenlandschap ligt. Van oudsher was hier veel opgaande beplanting aanwezig. Inmiddels zijn veel van deze landschapselementen verdwenen en spreekt men van een diffuus kampenlandschap. Het perceel heeft een langgerekte en onregelmatige vorm. Die onregelmatige vorm is kenmerkend voor het kampenlandschap. Aan de randen van het plangebied staat al redelijk wat opgaande beplanting. Langs de

18

TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22b Lambalgseweg 19

Lambalgseweg staan, ter hoogte van nummer 19, een rij elzen. Aan weerszijden van de bestaande stallen staan eiken. Achter de stallen staat aan de westkant van het perceel nog een bosje. De invenrisatie heeft geleid tot het volgende landschappelijk inpassingsplan:

Landschappelijk inpassingsplan Lambalgseweg 19 Woudenberg (bron: Buro Binnenveld) De landschappelijke inpassing kent als uitgangspunt da er sprake is van een drietal woningen rondom een gezamenlijk erf, waarbij er sprake is van een verhoging van de ruimtelijke kwaliteit van het perceel door de afname van verharding en bebouwing. Met de beoogde inpassing wordt het landschappelijk raamwerk versterkt door de perceelgrenzen rijker te beplanten en klassieke landschapselementen toe te voegen, zoals een hoogstamboomgaard, solitaire bomen, een rij met knotbomen en een houtsingel op de perceelgrens. De houtsingel brengt een historische lijn terug. De toevoeging van een vogelbosje (wat aansluit op bestaand struweel) geeft een extra impuls aan de biodiversiteit. Bij de soortkeuze van de beplanting worden soorten gekozen die dan wel gebiedseigen zijn of bijdragen aan het vergroten van de biodiversiteit.

ruimte voor ontwikkeling

19

Landschappelijk inpassingsplan Lambalgseweg 19 Woudenberg, ingezoomd (bron: Buro Binnenveld)

2.4.3 Beeldkwaliteit Ten behoeve van de ontwikkeling is een beeldkwaliteitsplan opgesteld (Bijlage 1). Hierin is onder meer het volgende opgenomen. Voor de nieuwbouw op het kavel wordt uitgegaan van een erf-cluster. De gebouwen, woningen op het terrein dienen te worden ontsloten vanaf één inrit vanaf de Lambalgseweg en dienen door hun positie ten opzichte van elkaar samenhang te vertonen, maar in materialisatie juist verscheidenheid, als doorgaans bij een erf het geval is. Het eindresultaat is dat de verschillende gebouwen samen geloofwaardig een erf representeren. Dit wordt uitgevoerd door regels waaraan de gebouwen op het erf moeten voldoen. De erfbebouwing bestaat uit drie woningen met elk hun eigen kavel. Eén van de drie staat zelfstandig, de andere twee zijn aanelkaar verwant en staan dichter bij elkaar. Samen liggen ze aan dezelfde inrit en aan weerszijden van de erfbestrating. Boerderijvolume Het rechter gebouw moet opgevat worden als Boerderijvolume. Deze wordt gepositioneerd naast de inrit naar het erf en heeft een zelfstandig karakter. De kavelgrens ligt in het verlengde van de linkerzijgevel, zodat deze niet opvalt.

Alle bijkomende bebouwing (vergunningplichtig en vergunningsvrij) dient achter het aangegeven boerderijvolume te worden gerealiseerd; er mag op het boerderijkavel geen bebouwing naast of voor het bouwvlak van dit volume worden gerealiseerd Karakteristiek aan de woonboerderij, het Boerderijvolume, is de verbinding met de openbare weg. Voordeur en gevelopeningen zijn op het erf of de openbare weg georiënteerd, privétuin opzij of achter het hoofdvolume. Het boerderijvolume is uitgevoerd als enkelvoudig volume in baksteen in natuurlijke kleur met een qua kleur aansluitend pannengedekt of rieten zadeldak haaks op as van de straat. Dakkapellen zijn in beperkte mate toegestaan, evenals een enkel schoorsteenachtig element. Dit om ervoor zorg te dragen dat het nieuwe volume het vaak vrij sobere karakter van boerderijen op het platteland weerspiegelt.

20

TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22b Lambalgseweg 19

Eventuele bijgebouwen (vergunningplichtig of vergunningsvrij) bevinden zich in het verlengde van de achtergevel ( dit is de gevel die volledig van de Lambalgseweg is afgekeerd). Deze bijgebouwen bij het boerderijvolume dienen zich als schuur te manifesteren en daarom een gelijksoortige materialisatie en uitstraling te hebben.

Referenties boerderijvolume (bron: Arcom BV) Schuurvolume De beide linker gebouwen worden opgevat als Schuurvolume. Deze worden gepositioneerd aan de linkerkant van de erfbestrating. Deze volumes dienen in afmetingen en uitstraling verwant te zijn. Dit wordt bereikt door het gelijk houden van goot- en nokhoogte van beide volumes alsook het gelijk houden van dakbedekking, gevelafwerking en detaillering. Beide volumes staan op enige afstand van elkaar aan de erfbestrating, dit gebied dient als entreegebied voor beide woningen. Alle bijkomende bebouwing (vergunningplichtig en vergunningsvrij) dient achter de achtergevel van elk van de volumes te worden gepositioneerd; bebouwing voor, ter linker-of rechterzijde van de volumes is niet toegestaan. Karakteristiek aan de Schuurvolumes, is de verbinding met de openbare weg. Voordeur en gevelopeningen

ruimte voor ontwikkeling

21

zijn op het erf of de omgeving georiënteerd, privétuin opzij of achter het hoofdvolume. De schuurachtige volumes zijn uitgevoerd als enkelvoudige volumes in naturel of zwart hout met rieten of grijze-pannen dekking. De schuurvolumes mogen niet worden voorzien van dakkapellen of schoorstenen, incidentele verbijzonderingen aan de goot (gedeeltelijk verhoogd) zijn toegestaan. Dit om ervoor zorg te dragen dat de nieuwe volumes het vaak basale en utilitaire karakter van schuren bij boerderijen op het platteland weerspiegelen. Eventuele bijgebouwen (vergunningplichtig of vergunningsvrij) bevinden zich in het verlengde van de achtergevel (dit is de gevel die volledig van de Lambalgseweg is afgekeerd). Deze bijgebouwen bij de schuurachtige volumes dienen zich als schuur te manifesteren en daarom een gelijksoortige materialisatie en uitstraling te hebben.

Referenties schuurvolume (bron: Arcom BV)

22

TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22b Lambalgseweg 19

Hoofdstuk 3 3.1

Beleidskader

Rijksbeleid

3.1.1 NationaleOmgevingsvisie(NOVI) De Nationale Omgevingsvisie (NOVI) is de langetermijnvisie voor een duurzame fysieke leefomgeving in Nederland. De NOVI vervangt onder andere de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (SVIR). Nederland staat voor een aantal urgente maatschappelijke opgaven, die zowel lokaal als regionaal, nationaal en internationaal spelen. Grote en complexe opgaven zoals klimaatverandering, energietransitie, circulaire economie, bereikbaarheid en woningbouw zullen Nederland flink veranderen. Nederland heeft een lange traditie van zich aanpassen. Deze opgaven worden benut om vooruit te komen en tegelijkertijd het mooie van Nederland te behouden voor de generaties na ons. De NOVI biedt een perspectief om deze grote opgaven aan te pakken, om samen Nederland mooier en sterker te maken en daarbij voort te bouwen op het bestaande landschap en de (historische) steden. Omgevingskwaliteit is het kernbegrip: dat wil zeggen ruimtelijke kwaliteit én milieukwaliteit. Met inachtneming van maatschappelijke waarden en inhoudelijke normen voor bijvoorbeeld gezondheid, veiligheid en milieu. In dat samenspel van normen, waarden en collectieve ambities, stuurt de NOVI op samenwerking tussen alle betrokken partijen. De NOVI heeft de maatschappelijke opgaven samengevat in 4 prioriteiten: 1. Ruimte voor klimaatadaptie en energietransitie; 2.

Duurzaam economisch groeipotentieel; 3. Sterke en gezonde steden en regio's; 4. Toekomstbestendige ontwikkeling van het landelijk gebied. Onder deze prioriteiten hangen 21 nationale belangen die het lokale, regionale en provinciale niveau overstijgen. Deze belangen hebben onder andere betrekking op het realiseren van een goede leefomgevingskwaliteit, zorgt dragen voor een woningvoorraad die aansluit op woonbehoeften, het beperken van klimaatverandering, et cetera. De verantwoordelijkheid van het omgevingsbeleid ligt voor een groot deel bij provincies, gemeenten en waterschappen, waardoor inhoudelijke keuzes in veel gevallen ook het beste regionaal kunnen worden gemaakt. Met de NOVI wordt het proces in gang gezet waarmee de keuzes voor de leefomgeving sneller en beter gemaakt kunnen worden. Conclusie Onderhavig initiatief betreft een ontwikkeling van beperkte omvang zonder strijdigheid met rijksbelangen. De ontwikkeling is passend binnen de NOVI.

3.1.2 Besluit kwaliteit leefomgeving Het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) is een van de vier algemene maatregelen van bestuur (amvb's) en bevat specifieke regels waar lagere overheden zich aan moeten houden. In hoofdstuk 5 zijn regels opgenomen voor het opstellen van een omgevingsplan en het beoordelen van een omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit. Deze instructieregels hebben betrekking op de volgende onderwerpen (afdeling 5.1): Waarborgen van de veiligheid; Beschermen van de waterbelangen; Beschermen van de gezondheid en van het milieu; Beschermen van landschappelijke of stedenbouwkundige waarden en cultureel erfgoed (waaronder de ladder voor duurzame verstedelijking); Behoud van ruimte voor toekomstige functies; Behoeden van de staat en werking van infrastructuur of voorzieningen voor nadelige gevolgen van activiteiten; en Bevorderen van de toegankelijkheid van de openbare buitenruimte voor personen.

ruimte voor ontwikkeling

23

In bijzondere gevallen is het mogelijk dat minister ontheffing verleend van de instructieregels. Conclusie Met deze wijziging wordt, met inachtneming van de beleidsdoelen zoals verwoord en uitgewerkt in rijksbeleid en -regelgeving, tot een evenwichtige toedeling van functies aan locaties gekomen. Deze motivering geeft de onderbouwing hiervan. In hoofdstuk 4 van deze motivering wordt ingegaan op de onderwerpen die van belang zijn voor deze ontwikkeling, en wordt onder meer getoetst aan de instructieregels uit het Bkl.

3.2

Provinciaal beleid

3.2.1 OmgevingsvisieProvincieUtrecht Provinciale Staten hebben de Omgevingsvisie van de provincie Utrecht op 10 maart 2021 vastgesteld. Dat betekent dat de provincie Utrecht - vooruitlopend op de Omgevingswet - vanaf 1 april 2021 aan de slag is gegaan met de uitvoering van het omgevingsbeleid, zoals verwoord in de Omgevingsvisie. De Omgevingswet staat voor een goede balans tussen het benutten en beschermen van de fysieke leefomgeving en geeft mee dat lokale afwegingen mogelijk zijn als een veilige en gezonde omgeving daarbij gebaat is. Het beleid voor die gezonde en veilige leefomgeving is in de Omgevingsvisie opgedeeld in zeven beleidsthema's. De sociale en veilige leefomgeving loopt als een rode draad door de beleidsthema's heen. Het betreft de volgende beleidsthema's: 1. Stad en land gezond; 2. Klimaatbestendig en waterrobuust; 3. Duurzame energie; 4. Vitale steden en dorpen; 5. Duurzaam, gezond en veilig bereikbaar; 6. Levend landschap, erfgoed en cultuur; 7. Toekomstbestendige natuur en landbouw. De volgende onderwerpen uit de Omgevingsvisie zijn direct relevant voor onderhavige ontwikkeling. Planspecifiek Nieuwe functies voor stoppende agrarische bedrijven In paragraaf 4.7.2 van de Omgevingsvisie is opgenomen dat het beleid van de provincie Utrecht in principe gericht is op het duurzaam toekomstperspectief geven aan de agrarische bedrijven.

Daar waar de bouwpercelen gunstig liggen ten opzichte van de goede landbouwgrond is in het geval een agrarisch bedrijf stopt, het behoud van een agrarisch bouwperceel voor de landbouw wenselijk. Door het grote aantal bedrijven dat stopt, en de soms ongunstige ligging van bouwperceel ten opzichte van veldpercelen is dit echter vaak niet haalbaar. Als een agrarisch bouwperceel geheel vrijkomt is het beleid gericht op sloop van overbodig geworden bedrijfsbebouwing. Wij bieden via onze Omgevingsverordening in het landelijk gebied ruimte voor de bouw van één tot drie woningen (ruimte-voor-ruimte). Daarbij is het uitgangspunt dat alle bedrijfsmatige bebouwing moet worden gesloopt. Naar mate er meer wordt gesloopt, is er meer ontwikkelruimte. We hanteren standaard normen. Hiervan kan door gemeenten worden afgeweken, indien een evenredige kwaliteitswinst anders dan sloop van gebouwen wordt bereikt. Zo ontstaat ruimte voor maatwerk: bijvoorbeeld meer dan 1 tot 3 woningen, woningen op een andere plek dan het agrarisch bouwvlak, combineren van sloop van meerdere bouwvlakken of vestiging van een groter niet-agrarisch bedrijf. We monitoren het gebruik van de regels en het daarin geboden maatwerk en passen dit zo nodig aan voor een groter doelbereik.

Bij de beoordeling van evenredige kwaliteitswinst, anders dan door sloop, kunnen onder andere de volgende aspecten een rol spelen: herstel van landschapselementen, versterking van de cultuurhistorische

24

TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22b Lambalgseweg 19

hoofdstructuur (agrarisch cultuurlandschap), oplossingen voor de wateropgave, realisering van wandel- en recreatievoorzieningen, de verbetering van het woonmilieu in een aangrenzende kern en extra, compact gebouwde woningen die aantoonbaar in een plaatselijke woningbehoefte voorzien. De beoordeling of sprake is van meer ruimtelijke kwaliteit is primair een verantwoordelijkheid van de gemeente. Gemeenten kunnen een eigen afweging maken om een andere, evenredige vorm van ruimtelijke kwaliteitswinst mogelijk te maken. Wij faciliteren gemeenten graag bij de invulling van het kwaliteitsbegrip. Wij stimuleren daarbij de samenwerking tussen gemeenten, bijvoorbeeld om tot uitwisseling van sloopmeters te komen. Daarmee voorkomen we verrommeling en dragen we bij aan ontstening. Beschermingszone drinkwaterwinning De locatie Lambalgseweg 19 valt binnen de aanduiding 'beschermingszone drinkwaterwinning'. Drinkwaterbedrijven en overheden zijn samen verantwoordelijk voor het duurzaam veiligstellen van de openbare drinkwatervoorziening. Dit wordt ook wel de ‘zorgplicht drinkwater’ genoemd. Voor de bescherming van de bestaande drinkwaterwinningen in onze provincie hebben wij een beschermingszone drinkwaterwinning. Vanwege de bevolkingsgroei en de toenemende bedrijvigheid hebben we tot 2050 extra drinkwater nodig, waarvoor oppervlakte- en grondwater wordt onttrokken.

Hiervoor ontwikkelen we samen met de drinkwaterbedrijven nieuwe grondwaterwinningen en breiden we bestaande grondwaterwinningen uit. Het is van belang om daarnaast een deel van het grondwater te beschermen, om ook de groei van de drinkwatervraag op te kunnen vangen op de langere termijn en in extreme situaties (zoals nu nog niet voorziene extra sterke bevolkingsgroei of een veel hoger verbruik per persoon). Daartoe beschermen we het gebied dat we de strategische grondwatervoorraad noemen (in onder andere de landelijke Structuurvisie Ondergrond (STRONG) wordt dit de Aanvullende Strategische Voorraden genoemd). Bij onttrekkingen uit deze grondwatervoorraden geldt als uitgangspunt dat deze voorraden niet worden uitgeput. Het beoogde plan is relatief kleinschalig en zal geen invloed hebben op de kwaliteit van het grond- en oppervlaktewater voor drinkwaterwinning. Landbouwontwikkelingsgebied Het hele plangebied Lambalgseweg is aangeduid als 'landbouwontwikkelingsgebied' In Landbouwontwikkelingsgebied heeft de niet-grondgebonden veehouderij het primaat. Deze heeft hier net als de landbouw elders in algemene zin de ruimte om door te groeien tot een bouwperceel van maximaal 1,5 hectare.

Alleen in het landbouwontwikkelingsgebied is doorgroei van een niet-grondgebonden bedrijf naar een bouwperceel van 2,5 hectare mogelijk onder voorwaarden van goede landschappelijke inpassing, verbetering dierenwelzijn, vermindering milieubelasting en verbetering volksgezondheid. In het bestemmingsplan 'Buitengebied Woudenberg' is opgenomen dat extra vrijstaande woningen niet zijn toegestaan in het Landbouwontwikkelingsgebied (artikel 20.6.5). De basis voor het Landbouwontwikkelingsgebied wordt gevormd door het reconstructieplan Gelderse Vallei. Het voornaamste doel was om het gebied waar nog sprake was van milieu- en groeiruimte voor de intensieve veehouderij, vrij te houden van nieuwe geur- of geluidgevoelige functies om zo de ontwikkelruimte vor bedrijven te beschermen en gevoelige functies te beschermen door ze niet toe te staan. De aanduiding Landbouwontwikkelingsgebied past bij de huidige pluimveehouderij aan de Lambalgseweg 19. Het gebruiken maken van de Lbv-plus regeling laat echter ook zien dat het actuele beeld anders is dan in 2010. Daarbij wordt meegewogen dat de grens tussen verwevingsgebied en ontwikkelgebied direct ten oosten van de pluimveehouderij ligt. Ten noorden van de pluimveehouderij zijn geen agrarische bouwvlakken meer aanwezig. Alleen ten zuiden van de Lambalgseweg zijn actieve agrarische bedrijven aanwezig, met een kortste afstand van circa 450 meter.

Gelet op het voorgaande is de aanduiding Landbouwontwikkelingsgebied voor deze locatie niet meer actueel en wordt derhalve niet meer opgenomen. Landschap Gelderse Vallei De locatie Lambalgseweg 19 valt binnen de aanduiding 'Landschap Gelderse Vallei'. De Omgevingsvisie geeft aan dat een landschap geen statisch plaatje is: landschap is altijd in ontwikkeling en dynamiek hoort

ruimte voor ontwikkeling

25

daarin. In het werken met landschapskwaliteit wordt uitgegaan van een samenspel tussen beeld (wat zie je), functies (wat gebeurt er) en robuuste structuren (samenhang, relaties). Voor elke ontwikkeling in het landelijk gebied moet aansluiting gevonden worden bij de kernkwaliteiten. Voor het landschap Gelderse Vallei wil de provincie Utrecht de volgende kernkwaliteiten behouden en versterken: rijk gevarieerde kleinschaligheid; stelsel van beken, griften en kanalen; Grebbelinie; overgang van Vallei naar stuwwal (luwe Flank). Deze kernkwaliteiten hebben in de verschillende deelgebieden van de Gelderse Vallei verschillende accenten. Ontwikkeling van een groenblauwe en recreatieve structuur Het plangebied Lambalgseweg 19 valt binnen de aanduiding 'Ontwikkeling van een groenblauwe en recreatieve structuur'. De provincie Utrecht werkt aan het ontwikkelen van een samenhangend groenblauw netwerk. Mensen zijn aantoonbaar gezonder als ze in een bruikbare en bereikbare groene omgeving wonen. Zo’n omgeving maakt ontspanning mogelijk en stimuleert bewegen en ontmoeten. Door de grote druk op de ruimte is het noodzakelijk om onze groenblauwe ruimte efficiënt en multifunctioneel in te delen en te benutten.

Wij richten ons daarom op de ontwikkeling van groenblauwe structuren en gebieden die meerdere van onze doelen ondersteunen, zoals een gezonde leefomgeving, klimaatbestendige leefomgeving, natuur/biodiversiteit en recreatie, en die passen bij het bodem- en watersysteem. Deze groenblauwe structuren vormen ook een belangrijke basis voor ons andere beleid. Overstroombaar gebied Het plangebied Lambalgseweg 19 valt binnen de aanduiding 'overstroombaar gebied'. Eén van de belangrijkste risico’s van klimaatveranderingen in de delta Nederland is een overstroming. In de Richtlijn Overstromingsrisico (ROR) hebben alle Europese lidstaten afspraken gemaakt om de overstromingsrisico’s te beperken. De provincie zorgt voor de overstromingsrisicokaarten. De provincie Utrecht geeft het overstroombaar gebied aan, waarbinnen we met gemeenten, waterbeheerders en de Veiligheidsregio Utrecht samenwerken aan de gevolgenbeperking bij overstromingen. Daarnaast is in de Omgevingsverordening een regel opgenomen om in overstroombaar gebied rekening te houden met overstromingsrisico’s.

3.2.2 OmgevingsverordeningprovincieUtrecht Op 1 januari 2024 is de Omgevingsverordening van de provincie Utrecht in werking getreden. Op 7 februari 2024 hebben Provinciale Staten de eerste wijziging Omgevingsverordening vastgesteld. Op 1 maart 2024 is deze eerste wijziging in werking getreden. In de Omgevingsverordening staan de regels voor de fysieke leefomgeving. Zo’n twintig verordeningen, regelingen en besluiten zijn in 2021 samengevoegd in één provinciale (Interim) Omgevingsverordening. De Omgevingsverordening bevat de juridische uitwerking van de plannen en ambities uit de provinciale Omgevingsvisie. De volgende onderwerpen uit de Omgevingsverordening zijn direct relevant voor onderhavige ontwikkeling. Planspecifiek Landelijk gebied De locatie Lambalgseweg 19 behoort in de Omgevingsverordening provincie Utrecht tot het landelijk gebied. De regels hierover zijn bedoeld om de kwaliteit en vitaliteit van het landelijk gebied te behouden. Ten eerste bepaalt artikel 9.3 van de Omgevingsverordening dat een omgevingsplan dat betrekking heeft op locaties binnen het landelijk gebied geen verstelijking toelaat. Om de kwaliteit en vitaliteit van het landelijk gebied te behouden, moet een ongebreidelde uitwaaiering van stedelijke functies voorkomen worden. Binnen deze context zijn nieuwe vormen van verstedelijking niet toelaatbaar.

26

TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22b Lambalgseweg 19

Op dit verbod zijn in de Omgevingsverordening provincie Utrecht uitzonderingen mogelijk. Voor onderhavig initiatief is in hoofdzaak de uitzondering in artikel 9.13 van de Omgevingsverordening van belang. Artikel 9.13 Instructieregel functiewijziging (voormalig) agrarisch bedrijfsperceel naar woonfunctie met extra woningen ('ruimte voor ruimte') 1. Een omgevingsplan dat betrekking heeft op locaties binnen Landelijk gebied kan regels bevatten die op agrarische bedrijfspercelen waar het agrarisch gebruik is beëindigd de bouw van één of meerdere nieuwe woningen toestaan, mits voldaan is aan de volgende voorwaarden: a. het bouwperceel is niet optimaal gesitueerd en uitgerust voor de grondgebonden landbouw of, in geval van een glastuinbouwbedrijf, het bouwperceel ligt niet in een Concentratiegebied glastuinbouw; b. alle bedrijfsbebouwing op de betrokken bouwpercelen wordt gesloopt, tenzij het gaat om historisch waardevolle of karakteristieke bebouwing of bedrijfswoning. De historisch waardevolle of karakteristieke bebouwing krijgt een passende functie die bijdraagt aan dat behoud. Wanneer 750 m2 tot 2.500 m2 aan bebouwing wordt gesloopt, is de bouw van één nieuwe woning toegestaan. Wanneer 2.500 m2 tot 4.000 m2 aan bebouwing wordt gesloopt, is de bouw van twee woningen toegestaan. Wanneer er 4.000 m2 of meer aan bebouwing wordt gesloopt, is de bouw van drie woningen toegestaan.

Voor kassen geldt dat er 5.000 m2 aan bedrijfsbebouwing wordt gesloopt voor één woning. Afwijking van de vereiste sloopoppervlakten, het aantal te bouwen woningen en van de verplichting om het totaal aan bedrijfsbebouwing te slopen, is mogelijk mits dit leidt tot verhoging van de ruimtelijke kwaliteit; c. de nieuwe woning of woningen worden gesitueerd binnen de voormalige bouwpercelen, in samenhang met de te handhaven boerderij of bedrijfswoning, de betrokken bouwpercelen worden evenredig verkleind en de woningen worden landschappelijk goed ingepast, tenzij situering van de nieuwe woning op een andere locatie in het landelijk gebied leidt tot verhoging van de ruimtelijke kwaliteit; en d. de omliggende agrarische bedrijven worden niet in hun bedrijfsvoering belemmerd. 2. De motivering van een omgevingsplan bevat een onderbouwing waaruit blijkt dat aan de genoemde voorwaarden is voldaan. Sub a) De locatie Lambalgseweg 19 valt onder het begrip 'piekbelaster' en derhalve beoogt men deel te nemen aan de Lbv-plus regeling. Hierdoor is het perceel aan de Lambalgseweg 19 dan ook niet langer geschikt voor de grondgebonden landbouw. Op de locatie zal na onderhavige wijziging van het omgevingsplan, en deelname aan de Lbv-plus regeling geen veehouderij meer opgericht kunnen worden. Sub b) Binnen het plangebied staat geen historisch waardevolle of karakteristieke bebouwing.

Het bestaande bedrijfsgebouw kent een oppervlakte van in totaal 3.147,15 m2 welke volledig zal worden gesloopt. Dit biedt conform de instructieregel de mogelijkheid voor het realiseren van twee woningen. De derde woning betreft de nog te bouwen bedrijfswoning welke als reguliere vrijstaande woning wordt gebouwd. Sub c) De nieuwe woningen aan de Lambalgseweg 19 worden binnen het voormalige agrarische bouwvlak gerealiseerd, op een wijze die passend is in het landschap en bij de omliggende woningen. Het nieuwe woonerf wordt voorzien van een goede landschappelijke inpassing. Sub d) De omliggende (agrarische) bedrijven zullen niet worden belemmerd in hun exploitatie en/of bedrijfsontwikkelingsmogelijkheden. De afstand tot het dichtstbijzijnde agrarisch bouwperceel bedraagt circa 450 meter. De effecten zullen met name liggen in een beperkte toename van woonverkeer op de

ruimte voor ontwikkeling

27

omliggende woningen, maar dat zal minder of vergelijkbaar zijn met het huidige agrarische verkeer. Grondwaterbeschermingszone Het plangebied Lambalgseweg 19 is gelegen in een beschermingszone drinkwaterwinning met een matig kwetsbare strategische grondwatervoorraad. Met betrekking tot deze gronden stelt artikel 3.10 van de Omgevingsverordening dat een omgevingsplan rekening houdt met de bescherming van de kwaliteit van het grondwater voor de grondwaterwinning voor menselijke consumptie. Onderhavig plan voorziet in een woonfunctie wat geen verontreinigingsrisico met zich mee brengt. De voorgenomen ontwikkeling is in overeenstemming met de Omgevingsverordening. Landschap Gelderse Vallei Het plangebied is gelegen in het Landschap Gelderse Vallei. Met betrekking tot deze gronden stelt artikel 7.11 van de Omgevingsverordening dat een omgevingsplan dat betrekking heeft op locaties gelegen in onder meer het Landschap Gelderse Vallei, regels ter bescherming van de voorkomende kernkwaliteiten bevat. Een omgevingsplan mag geen regels bevatten die nieuwe activiteiten toestaan die de kernkwaliteiten onevenredig aantasten. De kernkwaliteiten voor het landschap Gelderse Vallei zijn als volgt: 1. rijk gevarieerde kleinschaligheid; 2. Stelsel van beken, griften en kanalen; 3. Grebbelinie; 4. overgang van Vallei naar stuwwal (luwe Flank).

Deze kernkwaliteiten hebben in de verschillende deelgebieden van de Gelderse Vallei verschillende accenten. Onderhavig initiatief houdt rekening met de kernkwaliteiten en versterkt deze. Door te voorzien in stevige erfbeplanting, wordt het contrast tussen openheid en beslotenheid vergroot. Daarmee leidt het initiatief tot een versterking van het kampenlandschap en de bijbehorende rijk gevarieerde kleinschaligheid. Overstroombaar gebied Het plangebied is gelegen in een overstroombaar gebied. Met betrekking tot deze gronden stelt artikel 2.16 van de Omgevingsverordening dat een omgevingsplan dat betrekking heeft op locaties binnen 'overstroombaar gebied' regels bevat die rekening houden met overstromingsrisico's. Binnendijks is dit van toepassing op kwetsbare en vitale objecten en woonwijken en bedrijventerreinen. Buitendijks is dit ook van toepassing op individuele woningen en bedrijven. Door een goed bedachte locatiekeuze en inrichting kunnen gevolgen van een overstroming aanzienlijk beperkt worden. In dit kader is de ‘Handreiking Overstromingsrobuust Inrichten’ opgesteld. Bij het verdere ontwerp van het erf wordt rekening gehouden met de richtlijnen zoals gesteld in de handreiking om gebieden met overstromingsrisico’s veiliger te maken.

3.2.3 Conclusie Onderhavig initiatief voorziet in een nieuwe functie voor een stoppend agrarisch bedrijf. Het initiatief draagt bij aan de wens om overbodig geworden bedrijfsbebouwing te slopen, zoals verwoord in de Omgevingsvisie. Als gevolg van de functieverandering is er sprake van een ruimtelijke kwaliteitsverbetering van het landelijk gebied. Verder is uiteengezet dat het initiatief voldoet aan de regels uit de Omgevingsverordening. Het initiatief is dan ook passend binnen het beleid van de provincie Utrecht.

28

TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22b Lambalgseweg 19

3.3

Regionaal beleid

3.3.1 Afwegingskader functieveranderingsbeleid2024 Het 'Afwegingskader functieveranderingsbeleid 2024' is op 26 september 2024 door de gemeenteraad van Woudenberg vastgesteld. Het betreft een regionaal beleidsdocument (regio Foodvalley, regio Amersfoort) waarin de voorwaarden voor functieverandering zijn vastgelegd. Bijvoorbeeld hoeveel sloopmeters nodig zijn voor een nieuwe functie en op welke manier gewerkt kan worden aan landschappelijke inpassing op het erf en landschapsversterking in de wijdere omgeving. Door op interregionale schaal afspraken te maken is er een kader waardoor op een gelijke wijze gewerkt wordt met sloopmeters, groencompensatie, voorwaarden voor herbestemming en kwaliteitsverbetering van het landelijk gebied. Gemeenten worden vooral uitgedaagd om een ruimtelijke afweging te maken welke functies in welk gebied gewenst zijn. Hiervoor geeft het kader handvatten om tot een gemeentelijke uitwerking te komen. Inleiding Het landelijk gebied is continue in ontwikkeling. Denk daarbij aan veranderingen bij agrarische bedrijven, nieuwbouw aan dorpsranden, aanleg recreatieve routes, inspelen op klimaatverandering, ingrepen in het watersysteem en nieuwe natuuraanleg. Deze ontwikkelingen hebben impact hebben op het landschap: vervlakking dreigt, landschappelijke variatie verdwijnt en verstening neemt toe.

Kortom, de eigenheid en herkenbaarheid van het landschap neemt af. Dat raakt de kwaliteit van de leefomgeving en daarmee de vitaliteit van beide mooie regio’s. Ook de beëindiging van agrarische bedrijvigheid heeft zijn impact. Bedrijfsbebouwing die niet meer in gebruik is kan verpauperen. Leegstaande gebouwen kunnen aanleiding zijn voor ondermijning van de maatschappij door gebruik voor criminele activiteiten. Daarnaast draagt de agrarische sector zorg voor het onderhoud en beheer van het landschap. Het veranderen van deze functie heeft daarmee ook gevolgen voor het landschapsbeheer. Al met al leiden veranderingen in de agrarische sector op verschillende vlakken tot impact op de omgevingskwaliteit van het landelijk gebied. Als een agrariër besluit zijn agrarisch onderneming te beëindigen, dan dient een functieverandering plaats te vinden. De agrarische functie komt immers te vervallen. Het functieveranderingsbeleid geeft twee mogelijkheden voor herbestemmen: functieverandering naar ‘Wonen’ of functieverandering naar ‘Werken’. Hieraan zitten voorwaarden verbonden. Bij een functieverandering van functie 'Agrarisch' naar functie 'Wonen' stopt de agrarische onderneming. Na functieverandering mogen op het perceel geen bedrijfsmatige agrarische activiteiten meer worden uitgevoerd. Hobbymatig mogen nog wel dieren gehouden worden. Het aantal is beperkt en afhankelijk van de diersoort.

De vrijkomende (of overtollige) agrarische bedrijfsbebouwing dient hierbij te worden gesloopt. Dit noemen we de slooplocatie. Daarnaast is het mogelijk om op de slooplocatie - of elders afhankelijk van gemeentelijke uitwerking - woonvolume toe te voegen. Hiervoor geldt de sloopmetersystematiek, zoals in het onderstaande wordt toegelicht. De functie Wonen betreft een aantrekkelijke vervangende functie teneinde de omgevingskwaliteit te verbeteren. Systematiek Zodra een wens tot functieverandering kenbaar is gemaakt aan de gemeente kunnen de sloopmeters berekend worden. De gemeente berekent deze aan de hand van de legale aanwezige vrijkomende agrarische bedrijfsbebouwing. Inzetbare sloopmeters kunnen ontwikkelingen op eigen locatie mogelijk maken, worden verhandeld en/of elders worden ingezet. De sloopmetersystematiek is gericht op het waarderen van de sloop van overtollige bedrijfsbebouwing. Daarbij gaat het om de footprint van het gebouw. De waardering in sloopmeters is niet gebaseerd op de productiecapaciteit van de stal. Ter verduidelijking gaat het bij een stal met een verdiepingsvloer alleen om de footprint, niet om het oppervlak van beide vloerdelen samen. Om de oppervlakte aan bebouwing in het landelijk gebied niet toe te laten nemen werken we met een omrekening van de sloopmeters.

Hiervoor passen we een afroming toe bij het omzetten van vrijkomende agrarische bedrijfsbebouwing naar inzetbare sloopmeters. De afroming is afhankelijk van de grootte van de slooplocatie. Hiervoor hanteren we de volgende verdeling:

ruimte voor ontwikkeling

29

Op de locatie Lambalgseweg 19 is in totaal 3.147,15 m2 aan bedrijfsbebouwing aanwezig. Na toepassing van de staffel met afroming is er conform het beleid 2.323,575 m2 beschikbaar als inzetbare sloopmeters. Aantal sloopmeters in m 2 Oppervlakte bebouwing aanwezig

Achterliggende rekensom

3.147,15

(3.147,15-2.000)*50%

2

- 573,575

(2.000-1000)*25%

Bebouwing 1.000 - 2.000 m 2 (afroming 25%)

-250

Bebouwing >2.000 m (afroming 50%)

Bebouwing < 1.000 m 2 (geen afroming) Inzetbare sloopmeters

0 2.323,575

Voorwaarden functieverandering naar Wonen Sloopcompensatie Het toevoegen van een woonvolume is mogelijk volgens de onderstaande rekenregels. In de berekening wordt een basis gehanteerd bestaande uit het 'woonrecht' uitgedrukt in sloopmeters. Aanvullend hierop volgt een berekening van de maximaal te realiseren m3 per woning (van de in totaal twee ruimte-voor-ruimte woningen).

Uitgaande van 2 woningen:

Aantal sloopmeters in m 2

Achterliggende rekensom 2*300 m 2

Woonrecht voor 2 vrijstaande woningen

600

Maximaal te realiseren m 3 (2 vrijstaande woningen)

1.149,05

(2.323,575-600)/1,5

Maximaal te realiseren m 3 per woning

574,525

1.149,05/2

Gelet op het voorgaande bedraagt het maximum toegestane volume per woning, op basis van het aantal sloopmeters, circa 574 m3. Initiatiefnemer wenst voor de drie nieuwe vrijstaande woningen elk een maximum inhoud van 800 m3 te hanteren. Van belang is dat in het functieveranderingsbeleid voor wat betreft bijgebouwen wordt aangesloten bij hetgeen in het omgevingsplan is bepaald. Voor woningen in het buitengebied van Woudenberg geldt een maximum oppervlakte van 80 m2 aan bijgebouwen per woning. Vergunningvrij kan op de beoogde woonpercelen een oppervlakte van in totaal 150 m2 aan bijbehorende bouwwerken worden opgericht. Voor de betreffende mogelijkheden zijn geen sloopmeters benodigd. Aangezien het ruimtelijk gewenst is om een zo compact mogelijk erf te creëren, is ervoor gekozen om de de eerste 80 m2 (van het totaal van 150 m2 ) aan vergunningvrije bijbehorende bouwwerken toe te voegen aan het hoofdvolume. Op deze wijze wordt tevens de vergroting naar 800 m3, ten opzichte van het toegestane volume van circa 574 m3 (en het standaard-volume van 600 m3 voor vrijstaande woningen in het buitengebied), mogelijk gemaakt. Er resteert derhalve nog een relatief beperkte oppervlakte van maximaal 70 m2 aan bijbehorende bouwwerken per kavel. Eén en ander is juridisch geborgd in de regels van dit TAM-omgevingsplan.

Ten aanzien van sloopcompensatie zijn in het Afwegingskader 2 basisprincipes opgenomen: 1.

30

TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22b Lambalgseweg 19

"Ter plaatse van de vrijgekomen bedrijfsbebouwing geldt voor het toevoegen een maximum van één woonvolume. Onder één woonvolume verstaan we één vrijstaande woning of één woongebouw met twee wooneenheden. De hoeveelheid m2 bijgebouwen wordt bepaald door het omgevingsplan;" Uitgangspunt van het beleid is derhalve dat op de slooplocatie, naast de bedrijfswoning, maximaal één woongebouw kan worden toegevoegd. Het Afwegingskader laat de ruimtelijke afweging of het toevoegen van meerdere woonvolumes op een locatie ruimtelijk aanvaardbaar is aan de gemeenten. Gemeenten worden uitgenodigd omh hiervoor een uitwerking te maken. Bij de vaststelling van het Afwegingskader door de gemeenteraad van Woudenberg op 26 september 2024, is besloten dat het gewenst is om een visie op het buitengebied op te laten stellen om te bepalen op welke plekken woonfuncties passend zijn en waar minder, gelet op het totale functioneren van het buitengebied. Gelijktijdig kan dan worden bepaald waar meer of andere (neven)bedrijfsvormen passend zijn en waar niet. Om te voorkomen dat op plannen moeten wachten, wordt het geldende beleid als uitgangspunt genomen en wordt gelijktijdig samen met Renswoude en Leusden een nadere visie Buitengebied als uitwerking opgesteld. De beoogde visie op het buitengebied is momenteel nog niet beschikbaar.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://gemeentebestuur.woudenberg.nl/api/v1/meetings/3260/documents/67902