04. Uitvoerings- en handhavingsstrategie Woudenberg 2024.pdf
Tekst van het document
Uitwerking beleid Gemeente Woudenberg
Uitvoerende partij RUD
Gemeente Woudenberg Gemeente Woudenberg Gemeente Woudenberg
RUD/Gemeente Woudenberg (signalerend) RUD RUD
De samenwerkingsafspraken tussen de RUD en de gemeente Woudenberg liggen vast in een dienstverleningsovereenkomst (hierna: DVO). De RUD rapporteert ieder kwartaal en ook jaarlijks over de voortgang van de uitvoering van haar taken voor de gemeente. Ook stelt de RUD jaarlijks een jaarprogramma op. Het
jaarverslag en het uitvoeringsprogramma worden door het college vastgesteld en ter kennisname aan de gemeenteraad aangeboden. Daarnaast is de RUD een samenwerkingspartner in de uitvoering van het takenpakket dat zij namens het bevoegd gezag van de provincie Utrecht uitvoeren, onder andere op het gebied van de voormalige Wet natuurbescherming. Tot slot voert de RUD de taken voor advisering op vergunningverlening en toezicht op gebied van archeologie op afroep uit voor onze gemeente.
4.3.2 Veiligheidsregio Utrecht (VRU) De VRU is een samenwerkingsverband van en voor alle 26 Utrechtse gemeenten in de provincie. Ze hebben 71 brandweerposten in de regio. Via het Veiligheidsinformatiecentrum (VIC) worden de kwetsbaarheden, risico’s en kansen in de regio onderzocht, om zoveel mogelijk incidenten te voorkomen en om snel en effectief te kunnen optreden en door de samenleving te informeren over wat zij zelf kunnen doen om risico’s te verkleinen, gevolgen te beperken en zelfredzaamheid te vergroten.
De VRU zet zich ook in voor crisisbeheersing bij sluimerende, dreigende of langdurige crises, zoals corona of de opvang van vluchtelingen. Zij proberen de effecten van de crises zoveel mogelijk te minimaliseren en daarmee de weerbaarheid van de samenleving te vergroten, door zich op de kerntaken te focussen en zich op de coördinatie en regie te richten, om zo snel mogelijk terug te keren naar een stabiele situatie, en de taak weer over te dragen aan de partij die hier primair voor is toegerust. Dit doen zij met centralisten op de 112-meldkamer, de brandweermensen, de collega’s van risicobeheersing, crisisbeheersing, de geneeskundige hulpverleningsorganisatie in de regio (GHOR) en de ondersteunende diensten. De VRU adviseert de gemeente Woudenberg in het kader van de vergunningverlening op het gebied van brandveilig gebruik. Daarnaast voert de VRU op dit gebied het toezicht uit. Tevens adviseert de VRU in het kader van Bevi bedrijven en de ruimtelijke inrichting van gebieden, onder andere in de voorbereiding van de brandbestrijding. De samenwerkingsafspraken tussen de VRU en de gemeente Woudenberg liggen ook vast in een Taakuitvoeringsovereenkomst (TUO). De VRU rapporteert jaarlijks over de uitgevoerde werkzaamheden en stelt jaarlijks in overleg met de gemeente Woudenberg een jaarplan op.
4.3.3 Provincie Utrecht (de provincie) De provincie beslaat zo’n 1560 km2, kent 26 gemeenten met samen ca. 1,36 miljoen inwoners. Utrecht is een groene provincie, maar het wegennet is het drukste en meest gebruikte wegennet van Nederland. Het centraal station van Utrecht verwerkt evenveel reizigers als Schiphol: 57 miljoen per jaar. Daar is beleid op nodig. Om gezamenlijk effectief en efficiënt te kunnen opereren, is samenwerking tussen de voornoemde samenwerkingspartners verplicht gesteld. De provincie heeft op grond van afdeling 18.3 van de Omgevingswet de wettelijke taak
gekregen om deze samenwerking tussen alle organisaties die zich bezighouden met omgevingsrecht te coördineren. Hiertoe dienen zij een of meerdere overlegorganen in te stellen. Tenslotte is de provincie op grond van dezelfde afdeling van de Omgevingswet de wettelijke regisseur kwaliteitseisen en ziet zij erop toe dat hieraan voldaan wordt. Op provinciaal vlak is het doel binnen het domein van U&H het verbeteren en bewaken van de kwaliteit en veiligheid van de fysieke leefomgeving van de provincie. Zoals aangegeven streven de verschillende samenwerkingspartners (alle Utrechtse gemeenten, de RUD, de VRU, de waterschappen, het openbaar ministerie en de politie) dit doel na op basis van hun eigen (wettelijke) taken en rollen. Daarnaast is de provincie bevoegd gezag op een aantal wetgevingen en op haar eigen verordeningen. De uitvoering vindt deels via de RUD en deels via eigen personeel van de provincie plaats.
4.3.4 Interbestuurlijk toezicht (IBT) De provincies hebben een rol gekregen in het kader van het interbestuurlijk toezicht op de uitvoering van medebewindstaken. Voorheen werd deze rol uitgevoerd door de Inspectie leefomgeving & Transport (ILT). Daarvoor werd het gedaan door de VROM-inspectie. Primair heeft de gemeenteraad de taak het college te controleren op het juist uitvoeren van haar taken op het gebied van het omgevingsrecht. Dit wordt horizontaal toezicht genoemd. De provincie voert in principe haar taak in het kader van het verticale toezicht terughoudend uit. In het beleidskader IBT 2021-2024 staat hoe de provincie de komende periode invulling geeft aan deze toezichthoudende rol. Daarnaast haken ze aan bij landelijke ontwikkelingen, zoals opgenomen in de ‘Agenda Toekomst van het Toezicht’ (ATT), en de provinciale ontwikkelingen in de vorm van het programma Sterk Utrechts Bestuur. Dit programma richt zich op de verbetering en versterking van de samenwerking tussen de provincie en lokale overheden.
4.3.5 Waterschap Vallei en Veluwe De gemeente Woudenberg ligt bijna geheel1 binnen het Beheergebied van waterschap Vallei en Veluwe. Op 1 januari 2024 is van waterschap Vallei en Veluwe een Waterschapsverordening in werking getreden. Hiermee is de Keur Waterschap Vallei en Veluwe 2013 vervallen en vervangen. Daarnaast heeft gemeente Woudenberg in 2019 in samenwerking met gemeente Scherpenzeel een Waterplan 2020-2024 opgesteld. Dit is een beleidsplan waarin wordt beschreven hoe water wordt beheerd binnen de grenzen van het grondgebied van de twee gemeenten en wie waarvoor verantwoordelijk is. Hierin wordt voorgesorteerd op de wet- en regelgeving zoals die bij de inwerkingtreding van de Omgevingswet gelden. De RUD houdt toezicht op lozingen binnen Woudenberg en handhaaft als dat nodig is. Verder verlenen onze eigen medewerkers vergunningen, bijvoorbeeld een omgevingsvergunning. Toezicht op de vereisten in de vergunningen gebeurt ook door de medewerkers van de gemeente.
1
Voor een zeer klein deel valt Woudenberg ook binnen het werkgebied van Hoogheemraadschap De Stichtse Rijnlanden.
4.3.6 Politie Op het gebied van strafrechtelijke milieuzaken zijn de milieu-agenten het eerste aanspreekpunt voor de gemeente. Daarnaast zijn de wijkagenten van Woudenberg het vaste aanspreekpunt voor de gemeente. Afhankelijk van de positionering van de overtreding in de interventiematrix van de Landelijke Handhavingsstrategie Omgevingsrecht (LHSO)2, welke in oktober 2022 is opgesteld, kan het Milieuteam op enig moment in beeld komen.
2
De Landelijke Handhavingsstrategie Omgevingsrecht (LHSO) door het Bestuurlijk Omgevingsberaad vastgesteld. De LHSO vervangt diens voorganger de Landelijke Handhavingsstrategie (LHS) uit 2014.
4.3.7 Openbaar Ministerie (OM) In het geval strafrechtelijk optreden is vereist, zal ook via de politie contact worden gezocht met het OM. Dit zal bijvoorbeeld moeten gebeuren bij geconstateerde milieuovertredingen, waarbij het vermoeden bestaat dat er sprake is van een economisch delict. Handhaven op Wet op de Economische Delicten kan alleen op basis van de artikelen in de Omgevingswet. Daarbij kan gedacht worden aan een professioneel bedrijf dat sloopwerkzaamheden uitvoert waarbij asbest vrijkomt, maar er geen verplichte sloopmelding inclusief asbestinventarisatierapport wordt ingediend. In dergelijke gevallen vindt afstemming plaats met het Functioneel Parket, aangezien die afdeling zich in het bijzonder toelegt op de bestrijding van onder andere milieucriminaliteit. De vervolging van overtredingen op het gebied van openbare ruimte zal worden afgehandeld door het OM Midden-Nederland.
4.3.8 Omgevingsdienst Utrecht (ODRU) De ODRU verzorgt voor onze gemeente de archeologische advisering en handhaving bij herziening van bestemmingsplan/tijdelijk omgevingsplan, en ook bij aangevraagde omgevingsvergunningen, waarbij vanwege de vereisten uit het tijdelijke omgevingsplan archeologisch onderzoek moet worden beoordeeld.
4.3.9 Mogelijke fusie tussen RUD Utrecht en de ODRU. De RUD Utrecht en de ODRU hebben op 13 januari 2022 een intentieovereenkomst voor versterkte samenwerking gesloten. Al langere tijd is er tussen de twee organisaties sprake van samenwerking, zoals bij de voorbereiding op de inwerkingtreding van de Omgevingswet, het toezicht op energiebesparing en de Uitvoerings- en Handhavingsstrategie. Deze intentie is verder geconcretiseerd in november 2023, in de “Routekaart naar één robuuste omgevingsdienst in Utrecht”. Hierop is ons college op 8 december 2023 over de start van het fusietraject geïnformeerd. In juni 2024 zal tijdens een vervolgbijeenkomst nader ingegaan worden op de eerste contouren van de Omgevingsdienst Utrecht, en in september 2024 besluiten de algemeen besturen over het richtingsplan, waarna de besluitvorming in colleges en raden/staten volgt.
4.4 Bereikbaarheid Artikel 13.9, lid 2 onder d, stelt dat de uitvoeringsorganisatie van de U&Hstrategie moet garanderen dat de bestuursorganen in ieder geval bereikbaar en beschikbaar zijn, ook buiten kantooruren. Bij calamiteiten is er een gemeentelijk noodnummer beschikbaar wat buiten kantooruren kan worden gebeld, te weten (033) 277 6700. Voor wat betreft acute klachten over bedrijven die tot het basistakenpakket van de RUD behoren, is de organisatie bereikbaar en beschikbaar via de milieuklachtenlijn, te weten (0800) 0225510.
5. Omgevingsanalyse 5.1 Inleiding De gemeente Woudenberg ligt centraal in Nederland, op de grens van de Utrechtse Heuvelrug en de Gelderse Vallei, gelegen tussen de stedelijke regio’s Utrecht, Amersfoort en Veenendaal. De gemeente telt 14.633 inwoners in 2024, en heeft een oppervlakte van 36,72 km2. Binnen de gemeentegrenzen liggen geen andere dorpen. Het dorpscentrum van Woudenberg is het winkelgebied van de gemeente. Het bedrijventerrein wordt door de nieuwbouwwijk Hoevelaar verbonden, waar ca. 925 woningen gebouwd worden. Het dorp kenmerkt zich door de ligging aan twee provinciale wegen: de N226 en de N224. Vanuit de oude kern met lintbebouwing langs de toegangswegen, is het dorp wijkgericht uitgebreid sinds de jaren 60. De wijken bestaan hoofdzakelijk uit grondgebonden eengezinswoningen. De niet-grondgebonden gebouwen zijn voornamelijk appartementencomplexen uit eind jaren 80 (Westerwoud), de jaren 90 en begin 2000 (Centrum, Zeeland en De Schans). Bijzondere functies zijn verzorgingstehuis Groenewoude en De Schans. De bedrijventerreinen zijn een mix van transport- en opslagbedrijven en industrie, vanouds in vrijstaande gebouwen, maar in toenemende mate aangevuld met bedrijfsverzamelgebouwen. De belangrijkste bestaansbronnen zijn zakelijke dienstverlening, handel, zorg en bouwnijverheid.
Daarnaast vormen transport en logistiek, landbouw en nijverheid, ook belangrijke sectoren. Verspreid over de dorpskern en het buitengebied komen rijks- en gemeentelijke monumenten voor, zoals het gemeentehuis. Binnen de gemeentegrenzen van Woudenberg liggen diverse landgoederen: Geerestein, De Boom, Bruinenburg, Lambalgen, Rumelaar/Ringelpoel en Den Treek-Henschoten. De landgoederen hebben op de eerste plaats een landschappelijke, agrarische en ecologische waarde. Er ligt een aantal ecologische verbindingen in Woudenberg. Het gaat om de verbindingszones Heijgraaf, Valleikanaal (groen-blauwe verbinding) en de spoordijk. Woudenberg is een aantrekkelijke woongemeente. De onderscheidende woonkwaliteit is met name het voor gezinnen aantrekkelijk aanbod in rustige en groene wijken, met voldoende voorzieningen in de dorpskern voor zowel kinderen, jeugd als ouderen. Het recreatiegebied Henschotermeer, een voormalige zandafgraving, is in de regio zeer geliefd. Net als de Pyramide van Austerlitz, een 17 meter hoge piramide van aarde, gebouwd in 1804 door napoleontische soldaten, een van de hoogste punten van de Utrechtse Heuvelrug. Het Henschotermeer heeft (incl. omliggende bosgebied) een totaal oppervlak van 75 ha. het een belangrijke plek voor vrijetijdsbesteding vanuit Woudenebrg en de regio.
Het gebied ligt zowel op grondgebied van de gemeente Woudenberg als op het grondgebied van de gemeente Utrechtse Heuvelrug. Direct naast het
Henschotermeer bevinden zich meerdere campings. Het verbinden van het Henschotermeer via het centrum van Woudenberg naar de Grebbelinie zorgt voor het aantrekken van Henschotermeer bezoekers naar andere delen van Woudenberg. Te denken valt aan verbeteringen van fietsmogelijkheden en verkeersveiligheid, het integraal verbeteren van de kwaliteit van het centrum en het aantrekkelijker maken van de fietsverbinding op de as “Pyramide tot Grebbelinie”. In het buitengebied is het agrarisch gebruik van groot belang. Dit geeft in combinatie met de cultuurhistorie en de natuur- en landschapswaarden het buitengebied een veelzijdig karakter met een recreatieve aantrekkingskracht. In de gemeente komen de Utrechtse Heuvelrug en de Gelderse Vallei samen. De bebouwing ligt verspreid in het gebied. Naast de agrarische bebouwing staan in het buitengebied ook diverse woningen. Het agrarisch gebied en gebruik heeft te maken met een grote transitie opgave. Het Nationaal Natuurnetwerk Nederland loopt globaal door de gemeente over de zuid- en westkant. Er liggen diverse aardgastransportleidingen in de gemeente Woudenberg. Aan de Ekris is een gasdruk- en regelstation aanwezig. Aan de zuidkant van de gemeente loopt een hoogspanningsleiding. In dat gebied ligt tevens de spoorlijn en de A12. Direct ten zuiden van de Stationsweg West ligt een waterwingebied met een boringsvrije zone.
5.2 Probleemanalyse De probleemanalyse bestaat uit een risicoanalyse en een omgevingsanalyse voor de U&H-taken in het kader van de Omgevingswet. Samen met de prioriteiten vormen de risico- en omgevingsanalyse het uitgangspunt en toetsingskader voor het uitvoeren van het U&H-beleid in de uitvoeringsprogramma’s. Het beleidsveld ‘milieu’ is niet meegenomen in de risico- en omgevingsanalyse. Gemeenten in de provincie Utrecht en de RUD hebben samengewerkt aan een regionale risico- en omgevingsanalyse voor milieubelastende activiteiten uit het Besluit activiteiten leefomgeving (hierna: Bal). De regionale risico- en omgevingsanalyse is opgenomen in de Uniforme U&H-strategie 2022-2023 die is verlengd tot en met 31 december 2025. Voor een duidelijk en weloverwogen U&H-strategie is het noodzakelijk om prioriteiten te stellen. Door het stellen van prioriteiten kunnen de beschikbare middelen en capaciteit efficiënt worden ingezet. Opgemerkt wordt dat de probleem- en risicoanalyse wordt gebruikt dat voor het voormalige VTH-beleid 2020 is opgesteld. Wij zetten de analyse uit 2020 voort en werken komen jaren aan een update. Wel is bezien of de analyse 2020 op onderdelen anders zou moeten zijn, door ervaringen afgelopen 4 jaar. Dit is niet het geval. In hoofdlijnen kan onderscheid gemaakt worden in drie gebieden: de dorpskern, bedrijventerreinen en het buitengebied.
Elk gebied kent zijn eigen problematiek en de daaraan verbonden risico’s. Bij de toets vooraf en toezicht en handhaving achteraf wordt nauw samengewerkt met de RUD.
5.2.1 Probleemanalyse dorpskern (bebouwde kom) Binnen de dorpskern is het van belang om een juiste balans te vinden tussen de soms grote diversiteit aan voorkomende functies en activiteiten. Levendigheid en bedrijvigheid staan soms haaks op de leefbaarheid van de omgeving. Het gaat hier bijvoorbeeld om functies als het gemeentehuis, scholen, de sportgelegenheden, het partycentrum en winkels. De leefbaarheid wordt bijvoorbeeld verminderd door geluidsoverlast van horeca-activiteiten en laad- en los activiteiten bij winkels. Gebouwen met een openbare functie worden door veel mensen (tegelijk) bezocht. De brandveiligheid en constructieve veiligheid binnen en rondom gebouwen met een dergelijke functie zijn van groot belang. Naast deze categorie gebouwen, hebben we in de dorpskern ook te maken met woningbouw. Hierbij is onderscheid te maken in grondgebonden en gestapelde woningbouw, de laatste categorie soms met een verscheidenheid aan functies op de begane grond. Bij grondgebonden woningbouw is veelal sprake van een gering risico. Bij gestapelde woningbouw zijn vooral constructieve veiligheid en brandveiligheid van belang.
5.2.2 Probleemanalyse bedrijventerreinen Bedrijventerreinen kennen een eigen problematiek. Ook hier is het van belang om een juiste balans te vindentussen de verschillende voorkomende functies. De reikwijdte is hier echter wel kleiner dan binnen de dorpskern: de voorkomende functies zijn in principe allen aanwezig in het kader van bedrijvigheid. De gebieden Parallelweg en Klein Landaas zijn de twee bedrijventerreinen in Woudenberg. Deze liggen aan de oostkant van de dorpskern. Woudenberg heeft daarnaast enkele inrichtingen die vallen onder het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi). Het bedrijventerrein Klein Landaas ligt tegen woningen aan. Op dit bedrijventerrein zijn enkele bedrijfswoningen aanwezig. Op Klein Landaas zijn bedrijven tot en met categorie 2 toegestaan. Het bedrijventerrein Parallelweg is divers. Hier is de maximale categorie 3 en in sommige gevallen categorie 4 toegestaan. Er zijn een aantal (bedrijfs-)woningen op het bedrijventerrein gevestigd. Daarnaast zijn er enkele detailhandelgerichte bedrijven gevestigd aan de rand van het bedrijventerrein, zoals een supermarkt.
5.2.3 Probleemanalyse buitengebied In het buitengebied zijn enkele belangrijke functies in hoofdzaak te onderscheiden. De agrarische en de recreatieve sector zijn hier breed vertegenwoordigd. De recreatie kent een concentratie rond het Henschotermeer. Daarnaast vindt in het buitengebied (veelal solitair gelegen) bedrijvigheid plaats, wordt er (solitair) gewoond en lopen er belangrijke transportleidingen van gas, water, elektra en infrastructurele hoofdverbindingen doorheen. Het buitengebied is een grootschalig gebied met een grote diversiteit aan functies. Deze functies staan soms opgespannen voet met elkaar, waardoor een zorgvuldige afweging op zijn plaats is. De veranderingen in de landbouw en de omvang van met name de aanwezige schuren maakt dat het soms moeilijk te overzien is op welke plekken illegale
bebouwing of strijdig gebruik ontstaat. Het risico van ondermijning is in het buitengebied, gelijk aan andere gemeenten, groot. Tevens ontstaat door de verandering van de landbouw en het al dan niet gedwongen stoppen van ondernemers een risico dat vanuit de leegkomende bedrijfsgebouwen andere functies ontstaan, bijvoorbeeld met de wet strijdende activiteiten, zoals criminele activiteiten. De recreatieve sector is een belangrijke sector in onze gemeente: er werken veel mensen en er komen veel mensen recreëren. Het gebruik van de gronden en de gebouwen voor recreatieve doeleinden wijkt af van de overige functies: de recreant maakt relatief kort gebruik van de voorzieningen en is niet altijd bekend met het gebouw of de omgeving waar men is. Ook zijn veel recreatieve gebouwen geschikt voor het (kortstondig) ontvangen van grote groepen mensen. Het is niet toegestaan om (permanent) in een recreatief verblijf te wonen. Hiervoor is met de recreatieve ondernemers een convenant afgesloten. De agrarische sector is vanouds rijk vertegenwoordigd in de gemeente Woudenberg. Het buitengebied is voor een groot deel in gebruik door al dan niet grondgebonden agrariërs. Dit gebruik kan op gespannen voet staan met de landschappelijke, natuurlijke en cultuurhistorische waarden van het gebied.
Aanwezige kwetsbare(natuur)gebieden en functies als wonen kunnen daarentegen de mogelijkheden van het agrarisch bedrijf beperken. De risico’s in de agrarische sector hebben vooral te maken met milieuaspecten van het bedrijf en de omgeving. Door de ruimte voor ruimte regeling toe te passen voor de vrijgekomen agrarische bedrijfsbebouwing vindt er geleidelijk een verschuiving plaats van een gebied met overwegend actieve agrarische inrichtingen naar een gebied met meerdere burgerwoningen, dan wel ander type van bedrijvigheid. Door deze verschuiving krijgt het gebied ook een ander beschermingsregime vanuit milieuwet en regelgeving. De gemeente Woudenberg speelt in op bovenstaande ontwikkelingen in het buitengebied door de functies van oude agrarische gebouwen te herzien in de op te stellen ruimtelijke plannen. De kwaliteiten van het landelijk gebied moeten beschermd worden en om die reden wordt terughoudend omgegaan bij de vestiging van nieuwe stedelijke functies in het landelijk gebied. De risico’s op verrommeling, ongewenste functiemenging en ondermijning moeten worden beperkt. Het VAB (vrijgekomen agrarische bebouwing) beleid moet dit risico van ondermijning verkleinen. De afgelopen jaren is er flink geïnvesteerd in de aanpak van georganiseerde ondermijnende criminaliteit binnen de regio.
Samen met de gemeenten Zeist, Bunnik en Leusden heeft de gemeente Woudenberg een Integraal Veiligheidsplan op voor de periode 2024-2027 opgesteld. Samen met de gebiedsofficier van justitie van het Openbaar Ministerie en teamchefs van de politie vormen zij de basisteamdriekhoek ZBLW. Door het integraal aanpakken van toezichtcontroles wordt de pakkans vergroot, en tegelijkertijd efficiënt handhavend opgetreden door alle betrokken partijen.
6. Risicogerichte U&H Het verlenen van vergunningen, het houden van toezicht op de naleving en het handhaven van regels spelen samen een belangrijke rol om de maatschappelijke doelen van de Omgevingswet te kunnen bereiken. Deze doelen staan in artikel 1.3 van de Omgevingswet: “Deze wet is, met het oog op duurzame ontwikkeling, de bewoonbaarheid van het land en de bescherming en verbetering van het leefmilieu, gericht op het in onderlinge samenhang: a) bereiken en in stand houden van een veilige en gezonde fysieke leefomgeving en een goede omgevingskwaliteit, ook vanwege de intrinsieke waarde van de natuur, en b) het doelmatig beheren, gebruiken en ontwikkelen van de fysieke leefomgeving ter vervulling van maatschappelijke behoeften.” Voor de meest voorkomende U&H-taken binnen de fysieke leefomgeving is een risicoanalyse uitgevoerd. Deze is echter niet geactualiseerd, en komt uit de periode voor 2020. Blijkens de ervaring van de afgelopen 4 jaar hebben we echter geoordeeld dat de analyse nog actueel genoeg is voor deze kortlopende beleidsperiode. De aankomende periode analyseren we de resultaten van de inwerkingtreding van de Omgevingswet, samen met verdere ontwikkelingen in de samenleving, welke met behulp van nieuw onderzoek naar de effecten en kansen van overtredingen, leidt tot een actuelere risicoanalyse.
6.1 Risicoanalyse Het is onmogelijk om in onze samenleving alle risico’s uit te sluiten. Het spreekt voor zich dat risicogerichte prioriteitenstelling nodig is voor het efficiënt en effectief inzetten van middelen en capaciteit. Daarom worden doordachte keuzes gemaakt in wat wel en niet wordt uitgevoerd en in welke mate. Dit gebeurt op basis van een inventarisatie van de risico’s en de weging hiervan. Door middel van de formule “risico = kans x effect” is bepaald welke taken een hoge, gemiddelde of lage prioriteit hebben. De risicoanalyse gaat dus om de ongewenste effecten van een overtreding, verbonden met de kans dat deze overtreding zich zal voordoen. Deze resulteert in een matrix waarin de omvang van het risico van de verschillende activiteiten inzichtelijk is gemaakt, zowel voor vergunningverlening als voor toezicht en handhaving. Met plantoetsers en toezichthouders zijn prioriteitenmatrices ingevuld. De score die hieruit is voortgevloeid is vervolgens bepalend voor de hoogte van prioritering.
Figuur 3: Risicomatrix
6.2 Prioritering De prioriteiten in dit hoofdstuk zijn gebaseerd op de huidige risicoanalyse, en zijn derhalve ook de prioritering zoals we die tijdens de vorige beleidsperiode reeds gebruiken. Welke risico’s wegen het zwaarst en verdienen daarom de hoogste prioriteit? Voor een overzicht van welke overtredingen de meest negatieve effecten veroorzaken, en een volledige weergave van de risicoprioritering, inclusief de aantallen, wordt verwezen naar bijlage 2. Hierbij is het de bedoeling dat de kans dat de overtreding zich voordoet wordt bezien ten opzichte van de ernst van het effect dat deze overtreding heeft. Het effect wordt gemeten op verschillende gebieden. Daarbij heeft het effect op de fysieke veiligheid de hoogste ernst, waarna het effect op de volksgezondheid volgt. Daarna volgt de mate van hinder en de verstoring van de leefbaarheid. Vervolgens wordt beoordeeld bij welke objecten de kans van overtreding het hoogst is. Opgemerkt wordt dat de kans dat een overtreding voorkomt bij een bepaald object, dit niet noodzakelijkerwijs betekent dat die overtreding ook onmiddellijk een ernstig effect heeft op de fysieke leefomgeving. De aard en omvang van de overtreding moet daarbij in rekening genomen worden. Gezien het bovenstaande, in combinatie met een analyse van deze lijst brengt ons tot de volgende prioriteitenstelling.
6.2.1 Vergunningverlening Bij de prioritering bij vergunningverlening wordt, gebaseerd op het mogelijke effect voor de gebruikers en de volksgezondheid, de hoogste prioriteit gegeven aan de volgende categorieën objecten. 1. Bedrijfsgebouwen (gevolgklasse II of III), en/of welke voor het publiek toegankelijk zijn. 2. Woon-3 en logiesgebouwen, bedrijfsgebouwen en kantoren. 3
Woongebouwen zijn gebouwen met verschillende woningen, zoals appartementsgebouwen of flats.
Een gemiddelde prioriteit wordt gesteld voor de volgende soorten objecten. 3. Agrarische bebouwing. 4. Kleine bouwwerken of verbouwingen bij andere dan woonfuncties. Een lage prioriteit is voor de volgende objecten. 5. Grote bouwwerken geen gebouw zijnde. 6. Kleine bouwwerken of verbouwingen bij woonfuncties. 7. Grondgebonden woningen4 en bedrijfsgebouwen (gevolgklasse I). 8. Sloop.
6.2.2 Toezicht Voor toezicht wordt een hoge prioriteit toegewezen aan: 1. Constructieve veiligheid (voor zover de Wkb niet van toepassing is verklaard) 2. Brandpreventieve veiligheid 3. Bouwplaats veiligheid Een gemiddelde prioriteit is toegewezen aan: 4. Illegale bewoning van (bedrijfs- of agrarische) bebouwing, niet bedoeld voor bewoning. 5. Ruimtelijke en/of uiterlijke afwijking van een vergunning. 6. Gebruik in strijd met het bestemmingsplan. Een lage prioriteit is toegewezen aan: 7. Relatief kleine bouwafwijkingen van wat is toegestaan (verwaarloosbaar). 8. Afwijkingen bij kleine bouwwerken geen gebouw zijnde. 9. Aanleg.
6.2.3 Handhaving Uit de prioriteitenstelling bij toezicht, volgen de constateringsrapporten op basis waarvan wij handhavend optreden. 5 Bij handhaving krijgen de volgende situaties een spoedeisende prioriteit: 1. Acuut gevaar bij overtreding van constructieve of brandpreventieve aard met gevolgen voor de fysieke veiligheid van de gebruikers/bijstanders van de overtreding. 2. Acuut gevaar bij overtreding van bouwplaats beveiliging of bescherming met gevolgen voor de bouwers, directe omstanders en/of voorbijgangers. Een hoge prioriteit is voor de volgende situaties: 3. Verzoeken om handhaving. 4. Overtredingen die gevaar kunnen opleveren voor de fysieke leefomgeving of de volksgezondheid. 4
Grondgebonden woningen zijn woningen met de ingang op de begane grond (zoals rijtjeswoningen). 5 Het Regionale Informatie en Expertise Centrum (RIEC) Midden Nederland ondersteunt gemeente Woudenberg bij de aanpak van georganiseerde criminaliteit. Onze toezichthouders worden desgewenst betrokken bij integrale controles. Tijdens deze controles geconstateerde overtredingen krijgen automatisch een hoge prioriteit. Zie ook ons Integraal Veiligheidsplan 2024-2027.
5. Overtredingen die ontzettend zichtbaar zijn voor de omgeving. 6. Overtredingen door een individu die herhaaldelijk regels blijft overtreden. Een gemiddelde prioriteit: 7. Afwijking van een vergunning (of bijbehorende voorwaarden). 8. Afwijking van het bestemmingsplan (bebouwing). 9. Afwijking van het bestemmingsplan (gebruik). Een lage prioriteit6: 10. Kleine bouwwerken geen gebouw zijnde zonder vergunning.
6.3 Impact op risicogerichte werkwijze U&H 6.3.1 Vergunningverlening Hoe toetsen we vergunningsaanvragen en wat zijn de diepgangniveaus? De probleemanalyse van vergunningverlening laat zien dat de negatieve effecten leidend zijn bij vergunningen en meldingen. Door risico gestuurd te kijken naar verschillende vergunningsaanvragen en meldingen, wordt inzichtelijk waar de negatieve effecten het meest beïnvloed kunnen worden door een grondige diepgaandere toets. Door diepgangsniveaus in de toetsing toe te passen, wordt zowel de grootste kans op dit negatieve effect als de grootte van het negatieve effect ervan, strategisch beïnvloed, en worden onze vergunningverleners daar ingezet waar de invloed op het risico het grootst is. Met behulp van een prioritering wordt ‘top-down’ gewerkt. Naar mate de berekende effectscores afnemen, neemt ook de inspanning (diepgangsniveau) van de toets af. Onderstaande tabel geeft een overzicht van de toetsingsniveaus met bijbehorende omschrijving. Nr 0
Omschrijving toetsingsniveau Geen toetsing
1 2
Toetsen op uitgangspunten Globale toetsing (visuele hoofdlijnen) Gemiddelde toetsing (representatief toetsen) Grondig (integraal: op alle onderdelen)
3 4
Nadere uitwerking Wat is ingediend wordt gearchiveerd. Diagonaal doornemen. Per aspect uitgangspunten controleren. Informatiecheck en controle berekeningen. Complete toets van alle documenten.
6.3.2 Toezicht Hoe wordt controle van een verleende vergunning uitgevoerd? Evenals bij vergunningverlening werken we bij toezicht op verleende vergunningen met behulp van een prioritering op diepgangsniveau van de controle daarop. Het onderstaande tabel geeft een overzicht van de toezichtniveaus met bijbehorende omschrijving. 6
Wanneer veel overtredingen met lage prioriteit op één perceel worden gevonden, worden deze gezamenlijk onder een hoge prioriteit aangepakt.
Nr 0
Omschrijving toezichtniveau vergunningen Geen toetsing
1
Toetsen op uitgangspunten
2
Globale toetsing (visuele hoofdlijnen) Gemiddelde toetsing (representatief toetsen) Grondig (integraal: op alle onderdelen)
3 4
Nadere uitwerking Niet beoordelen, administratief afronden. Minimaal toezicht, alleen veiligheidscontrole. Basisniveau, visuele controle op afwijkingen. Controle obv metingen en berekeningen. Complete toets van alle documenten.
6.3.3 Toezicht Hoe wordt regulier toezicht (zonder vergunning) uitgevoerd? In de toekomst wordt bij het programmatisch oppakken van regulier toezicht, op basis van een bepaald onderwerp of wijk/gebied controles uitgevoerd. We kunnen op dit moment al per thema of wijk bepalen wat het toezichtniveau is, afhankelijk van het reeds bepaalde handhavingsbehoefte van die wijk of dat onderwerp. Wanneer een bepaalde overtreding wordt geconstateerd kan per bouwwerk/gebruik worden bepaald hoe dit wordt geregistreerd. Dit kunnen we ook toepassen op hoe we met (al dan niet anonieme) meldingen omgaan. Aanvullend zal controle uitgevoerd worden op BAG-niveau, waarbij met behulp van luchtfoto’s wordt geconstateerd welke bouwwerken zijn gerealiseerd. Nr 0 1 2 3 4
Omschrijving reguliere toezichtniveau Geen toezicht (onduidelijk/geen overtreding) Minimaal toezicht (melding lage prio) Globale toezicht (melding gem. prio) Gemiddelde toezicht (melding hoge prio) Spoedeisende toezicht (veiligheid in geding)
Eerste aanleg Niet bezoeken, alleen noteren in CLO. Alleen langsgaan voor foto’s voor administratie. Basisniveau, gesprek (constateringsrapport). Controle via metingen/berekeningen (rapport). Complete toets (mogelijk bouwstop).
6.3.4 Handhaving Hoe wordt een overtreding benaderd? Wanneer een overtreding wordt gedetecteerd, wordt dit beoordeeld, besproken en bezien of er spoed bij is. Op basis daarvan wordt deze op een bepaalde plek op de handhavingslijst geplaatst en de bij die prioriteit horende actie uitgevoerd. Het is passend om een handhavingsniveau toe te passen die correspondeert met het toezichtniveau dat hierboven is opgesteld. Ondanks dat uiteindelijk op elk niveau een zelfde soort proces wordt gevolgd als blijkt dat er dwangmiddelen nodig zijn, is de aanvang van dat proces te vangen in ons handhavingsniveau. Nr 0
Omschrijving handhavingsniveau Melding: geen overtreding
Eerste aanleg Alleen administratief (niet op de
1 2 3 4
Overtreding met lage prioriteit Overtreding met gemiddelde prioriteit Overtreding met hoge prioriteit Overtreding met hoge spoed (onveiligheid)
lijst). Geen controle, alleen op de lijst. Controle, op lijst, vriendelijk verzoek. Controle, op lijst, voornemen tot handhaving. Op lijst, direct handhavingsbesluit (bouwstop).
6.3.5 Extra opmerking Hierbij moet worden opgemerkt dat er mogelijk maatschappelijke, bestuurlijke en politieke belangen kunnen ontstaan, aanvullend op de genoemde risicoprioritering. Alhoewel deze ook aandacht verdienen tijdens de uitvoering van de U&H-taken, kunnen er mogelijk ook manieren worden bedacht, die losstaan van het risicoprofiel. Wanneer voor welke aanpak wordt gekozen, moet per situatie worden ingeschat. Echter, hoe minder er ingrijpend er wordt gewijzigd in de risicoprioritering, des te beter de uitkomst te voorspellen is, en des te transparanter erover kan worden gecommuniceerd.
7. Vergunningenstrategie In artikel 13.5 en 13.6 van het Ob worden instructies gegeven over de inhoud van de U&H-strategie op gebied van vergunningverlening. In navolging daarvan wordt de volgende vergunningenstrategie opgesteld. Het brengt alle kaders en uitgangspunten met zich mee die van alle bevoegde overheden mogen worden gesteld. In deze strategie wordt onder de taken van vergunningverlening verstaan: het afgeven, weigeren, wijzigen of intrekken van een omgevingsvergunning namens het college, waarbij aan een bedrijf, particulier, instelling of organisatie toestemming wordt verleend om een bepaalde activiteit (die zonder vergunning verboden is en niet mag worden uitgevoerd) toch uit te voeren (al dan niet voor een bepaalde tijd).
7.1 Professionele vergunningverlening Overheidsbeschikkingen vergen een zorgvuldige en transparante afweging, die voldoet aan de essentiële vereisten. De vergunningplicht bestaat op grond van de wet en/of ter uitvoering van ons beleid, vastgelegd in verordeningen en het omgevingsplan. Het doel van het vergunningenstelsel uit de Omgevingswet is om de activiteiten die de meeste invloed kunnen uitoefenen op de fysieke leefomgeving, in te kaderen en onder toezicht te laten ontwikkelen binnen de samenleving. In deze strategie bespreken wij alleen de vergunningsplicht voor de bouwactiviteit, omgevingsplanactiviteit en de aanlegactiviteit, alsook de monumentactiviteit, de melding sloop en asbestverwijdering en de melding voor het brandveilig gebruik. Het is in de toekomst denkbaar dat andere vergunbare en handhaafbare activiteiten in de fysieke leefomgeving ook in dit of een dergelijk document op deze manier worden beschreven. Maar voor nu houden we het bij deze elementaire zaken. Om de uit de wet opgelegde verplichte vergunningenstel op de juiste manier uit te werken, hebben wij een aantal doelstellingen geformuleerd, waaraan vergunningverlening wat ons betreft aan moet voldoen.
7.1.1. Goede dienstverlening Een vergunningaanvraag wordt via een goede, snelle, en zoveel mogelijk digitale, dienstverlening - gekoppeld aan een zorgvuldige inhoudelijke afhandeling van de vergunningaanvraag - zo goed mogelijk begeleid naar een tijdige, deugdelijk gemotiveerde beschikking. Deze wordt voor, tijdens en na het vergunningenproces ondersteund door een deskundige en vriendelijke tussentijdse informatievoorziening.
7.1.2. Betrouwbaarheid Gelijke gevallen worden gelijk behandeld en de wettelijke rechtsbeschermingsregels wordt altijd in acht genomen. Ook worden beschikkingen in duidelijk te begrijpen taal beschreven en uitgebreid gemotiveerd, zodat helder is aan welke maatstaven wordt getoetst, en wat is toegestaan.
Verder wordt voldaan aan de termijnen van orde vanuit de wet. Als hier niet aan kan worden voldaan, bijvoorbeeld door de complexiteit van de aanvraag, of omdat de aanvrager zelf meer tijd nodig heeft, dan kan in onderling overleg de beslistermijn worden opgeschort. Als dit niet wordt gedaan, en men overschrijdt de termijn toch nog onverhoopt, dan wordt hierover helder gecommuniceerd naar de aanvrager, met daarbij de mogelijke rechtsgevolgen die dit voor de burger heeft. Daarbij worden fouten zoveel mogelijk voorkomen, door te werken met de collegiale toets bij de conceptbeschikking. Deze toets is – net als de soort aanvraag – onderhevig aan een diepgangsniveau op basis van de prioriteitenstelling. Bij de hogere prioriteit wordt niet alleen de conceptbeschikking gecheckt, maar ook de planologische en bouwtechnische toets, adviezen van welstandscommissie en andere adviseurs. Bij de gemiddelde prioriteit wordt de conceptbeschikking en de planologische en bouwtechnische toets gecontroleerd. Bij de lage prioriteit wordt alleen de conceptbeschikking beoordeeld.
7.1.3. Oplossingsgerichtheid Bij de beoordeling van een aanvraag wordt gezocht naar mogelijkheden om de aangevraagde activiteit te vergunnen. Dit betekent dat de vergunningverlener pro-actief zoekt naar alternatieven, als de door de aanvrager aangedragen optie tot een afwijzing zou leiden. De focus ligt dus niet bij de beperkingen die voortvloeien uit de wet, maar naar wegen die – binnen de wet, en rekening houdend met de wensen aanvrager en omwonenden – de activiteit toch mogelijk zouden kunnen maken. Hierbij wordt opgemerkt, dat te vaak afwijken van het bestemmingsplan, in het bijzonder in gevallen waarin er zich een overtreding van het omgevingsrecht heeft voorgedaan, doordat de afwijking van het bestemmingsplan al illegaal (zonder vergunning) is gerealiseerd, zou kunnen leiden tot ongewenste impulsen. Zo zou de drempel om zich aan de regels te houden – en netjes vooraf een vergunning aan te vragen – laag gehouden worden, als in de regel blijkt dat de gemeente altijd zorgt voor een legalisatie. Natuurlijk is het niet zo dat planologische mogelijkheden moeten worden beperkt, wanneer men de legalisatie van een overtreding overweegt. Maar het feit is dat niet iedere verzoek tot afwijking van het bestemmingsplan gehonoreerd hoeft te worden.
Hiervoor is het noodzakelijk dat er een duidelijk overzicht is, of een beleidsregel, in welke gevallen de gemeente bereid is van het bestemmingsplan af te wijken, en in welke gevallen niet. Voor kleine afwijkingen hebben we ‘het afwijkingen beleid’, welke nu onderdeel is van ons omgevingsplan. Voor grotere afwijkingen geldt hetzelfde document, aangevuld met de Omgevingsvisie en Provinciaal beleid. Ook moeten er speciale argumenten zijn om mee te kunnen werken (afwijking omdat de aanvrager het wil, maakt het bestemmingsplan krachteloos, en dat lijkt me niet de bedoeling van de wetgever – en werkt bovendien doelstelling 2 tegen: waar burgers het bestemmingsplan lezen, en zich erop mogen vertrouwen dat dit ook echt geldt voor iedereen, niet alleen voor mensen die geen bestemmingsplanherziening aanvragen).
7.1.4. Gedeelde verantwoordelijkheid De aanvrager is zelf verantwoordelijk voor tijdige indiening van een complete aanvraag die naar waarheid wordt ingevuld, en vergezeld van tekeningen en berekeningen die voldoen aan de wettelijke indieningsvereisten. Als een aanvraag niet volledig of onduidelijk is, kan deze niet worden vergund. Als er feitelijk geconcludeerd kan worden dat er onwaarheden of onduidelijkheden in de aanvraag staan, kan de beschikking op verkeerde informatie zijn gebaseerd, waardoor een verleende vergunning mogelijk ingetrokken moet worden, met alle gevolgen van dien. Verder bepaalt de initiatiefnemer zelf of er eerst een vooroverleg wordt verzocht, om te komen tot een vergunbare aanvraag. De gemeente kan daartoe adviseren, maar de aanvrager bepaalt. Ook zijn initiatiefnemers zelf verantwoordelijk voor het creëren van draagvlak en acceptatie van de voorgenomen plannen bij belanghebbenden zoals buren, zoals ook voor het participatie-vraagstuk bij grotere aanvragen.
7.2 Toetsing Aan elke aanvraag wordt een behandelend ambtenaar toegewezen. De aanvrager beschikt hierdoor over één vast aanspreekpunt. De behandelend ambtenaar draagt zorg voor het vragen van interne en externe adviezen en de verwerking hiervan in de beschikking. Op deze manier ontstaat een integraal verleende vergunning, waarbij tegenstrijdige voorschriften in principe niet mogelijk zijn, omdat tegenstrijdige belangen al tegen elkaar zijn afgewogen in het vergunningverleningsproces. De aanvraag wordt aan verschillende kaders getoetst. Dit wordt getoetst aan het omgevingsplan. Dit houdt een toets in aan de bestemmingsplannen en overige beleidsrichtlijnen van de gemeente Woudenberg, inclusief de ‘Nota Ruimtelijke Kwaliteit’ (hierna: welstandsbeleid). Deze toets wordt afhankelijk van de prioriteit al dan niet zeer diepgaand uitgevoerd.
7.2.1 Toetsing aan het (tijdelijk) omgevingsplan De bouw- en gebruiksregels waar een aanvraag aan moet voldoen, staan omschreven in het bestemmingsplan, welke van rechtswege deel uitmaakt van het tijdelijke omgevingsplan, maar ook de regels ten aanzien van archeologie en mogelijk een aanlegvergunningenstelsel. Voldoet de aanvraag niet aan deze regels, dan wordt de aanvraag beschouwd als een verzoek om af te wijken van deze regels. Dit wordt alleen toegestaan als wordt voldaan aan bepaalde voorwaarden (opgenomen in het bestemmingsplan, de ‘beleidsregel planologische afwijkingen’ of het herzieningenbeleid). Elke aanvraag om af te wijken van het bestemmingsplan wordt individueel getoetst en vaak in mandaat afgehandeld.
7.2.2 Toetsing aan de redelijke eisen van welstand In het welstandsbeleid zijn kwaliteitscriteria opgesteld over het uiterlijk en de verschijningsvorm waaraan een bouwwerk moet voldoen, om aan redelijke eisen van welstand te voldoen. De loketcriteria kunnen worden gebruikt door de vergunningverleners, om te beoordelen wanneer een bouwwerk in ieder geval
voldoet aan deze eisen. Maar in gevallen het bouwwerk niet aan deze criteria voldoet, of wanneer de behandelend ambtenaar twijfelt, wordt alsnog het bouwplan voorgelegd aan de commissie ruimtelijke kwaliteit.
7.2.3 Toetsing aan bouwtechnische vereisten De inwerkingtreding van de Omgevingswet en de Wkb zorgt voor het vervallen van taken tijdens het vergunningenproces en voor een verschuiving van taken na vergunningverlening. Voor een aantal nieuw te bouwen bouwwerken voeren we vooraf geen bouwkundige toetsing meer uit. Wel zijn we verantwoordelijk voor het werkproces rondom de zogenaamde bouwmelding die initiatiefnemers van een project bij de gemeente moeten indienen. We verwachten dat we in 2024 meer tijd is besteed aan het beantwoorden van vragen van kwaliteitsborgers, aannemers en bouwers. Dit is echter nog niet gezegd. Verder is er een verschuiving in de taken van toezicht naar handhaving. Doordat we bijvoorbeeld een bouwproject moeten stilleggen vanwege de aanwezigheid van gebreken. Ook kan het zijn dat we ingebruikname van het bouwwerk moeten voorkomen, doordat de kwaliteitsborger geen goedkeuringsverklaring kan of wil overleggen. Ook hieraan verwachten we daarom meer tijd te besteden.
Voor alle overige bouwwerken geldt nog steeds dat tijdens het vergunningenproces vooraf moet worden getoetst aan het Besluit bouwwerken leefomgeving (Bbl), de opvolger van het Bouwbesluit 2012. Deze geeft landelijke regels voor de technische vereisten waaraan bouwwerken dienen te voldoen. In bijlage 3 wordt op basis van een prioriteitenstelling getoond op welke manier de constructieve veiligheid wordt getoetst. In bijlage 4 hetzelfde, maar dan voor de rest van het de bouwtechnische regelgeving.
7.2.4 Beoordelingskader monumenten Omdat verbouwing aan monumenten kan leiden tot onomkeerbare schade aan cultuurhistorisch erfgoed, is er altijd een vergunning voor nodig. Dergelijke aanvragen worden ter advisering voorgelegd aan de commissie ruimtelijke kwaliteit, aangevuld met de adviseur monumenten, die daarbij de beschrijvingen van de monumentale waarde als toetsingscriteria gebruikt. Verder wordt aangesloten bij de strategie voor aanvragen bij de activiteit bouwen. Voor rijksmonumenten is via de monumentencommissie en de adviseur monumenten van Mooi Sticht contact met de Rijksdienst.
7.2.5 Beoordelingskader bij meldingen van sloop en/of asbestverwijdering De wettelijke verplichte basistaak rondom asbest wordt uitgevoerd door de RUD, die deze taak uitvoeren in overeenstemming met het Uitvoeringsbeleid bedrijfsmatige asbestsanering regio Utrecht (hierna: Uitvoeringsbeleid Asbestsaneringen).
7.2.6 Beoordelingskader bij natuurbescherming volgens de Omgevingswet Als een bouwproject wordt geacht nadelige gevolgen te hebben voor de aanwezige flora en fauna, vanwege verstoring of vernietiging van de habitat of nestgebieden van diersoorten of planten, dient daarvoor een verklaring van geen bedenkingen te worden aangevraagd bij de provincie. Als hiervoor geen toestemming wordt verleend vanuit de provincie, kan de omgevingsvergunning niet worden verleend.
7.2.7 Melding voor het brandveilig gebruik In complexe of risicovolle situaties wordt de melding brandveilig gebruik uitgevoerd door de VRU. De eenvoudigere gevallen worden door de behandelend ambtenaar getoetst. In bijlage 5 wordt weergegeven in welke gevallen extern advies wordt ingewonnen bij de VRU.
7.3 Leges De gemeente Woudenberg heft leges voor de behandeling van verzoeken om vooroverleg, aanvragen om omgevingsvergunning, meldingen voor sloop of asbestverwijdering, en meldingen voor brandveilig gebruik, naar het wijzigen van monumentenvergunning, kapvergunning, uitwegvergunning, reclamevergunning, etc. De hoogte van de leges en de berekening daarvan is geregeld in de legesverordening van de gemeente. Bij de beoordeling van een aanvraag om omgevingsvergunning voor een reeds (illegaal) gerealiseerde activiteit worden
extra kosten geheven, vanwege de hogere kosten die een dergelijke toetsing met zich meebreng. Ook voor het wijzigen van een reeds verleende omgevingsvergunning, waarvan in afwijking wordt gebouwd, of wat in afwijking daarvan wordt gebruikt, worden ook leges geheven, bovenop de leges voor de al afgegeven vergunning. Jaarlijks wordt een legesverordening vastgesteld, waar wij kortheidshalve naar verwijzen.
8 Toezichtstrategie Het effect van een vergunningenstelsel wordt alleen gewaarborgd wanneer er ook op wordt gehandhaafd. Handhaving vindt plaats door het houden van toezicht. Zonder toezicht geen handhaving, en zonder handhaving geen effectief vergunningenstelsel. Wanneer deze toezichtstaak zou worden verwaarloosd, zou het vergunningenstelsel slechts papieren tijgers veroorzaken, en zou het doel ervan, om de fysieke leefomgeving te beschermen tegen nadelige gevolgen van bepaalde activiteiten, volledig worden gemist. Kortom: toezicht is een noodzakelijke schakel in de U&H-strategie. “De werkzaamheden die door of namens een bestuursorgaan worden verricht om na te gaan of voorschriften worden nageleefd, worden aangeduid als ‘toezicht op naleving van die voorschriften.“ – aldus de omschrijving uit “100 Ideeën voor de gemeentelijke regelgever”. Het is daarbij van belang toezicht te onderscheiden van opsporing, zowel met het oog op de rechten van de belanghebbende als met het oog op de verhouding tot het openbaar ministerie. Toezicht biedt, naast een grondslag voor handhaving, ook een preventieve werking. Toezicht houden betekent namelijk ook dat informatie wordt gegeven en uitgewisseld over bijvoorbeeld de interpretatie van regels of het voorkomen van overtredingen. Daarmee worden de naleving van wettelijke voorschriften gestimuleerd zonder het opleggen van sancties.
Overtredingen kunnen zo al in een vroegtijdig stadium worden voorkomen.
8.1 Adequaat toezicht Het is de vraag of er, omdat er een beginselplicht tot handhaving van het omgevingsrecht is opgelegd aan de gemeente, ook een beginselplicht tot het houden van toezicht bestaat. Het is niet haalbaar om alle overtredingen te constateren. Daarom wordt aangenomen dat er geen plicht tot het houden van toezicht bestaat, maar wel een plicht tot het houden van adequaat toezicht. Het hebben van een toezichtstrategie is dan ook van belang. Alhoewel we het liefst elke vergunning en elke melding zouden controleren, en daarnaast regulier toezicht te houden in het gehele gemeentelijke gebied. Echter, omdat onze capaciteit beperkt is, moeten ook hierin keuzes gemaakt worden. Toezicht bestaat uit het verzamelen van informatie over (het nalaten van) handelingen en het beoordelen daarvan, waarvan we de resultaten worden vastgelegd in een rapportage. Onder toezicht vallen daarnaast alle werkzaamheden die door of namens het bevoegd gezag worden verricht om te controleren of wet- en regelgeving wordt nageleefd. Het toezicht wordt uitgevoerd door daartoe aangestelde toezichthouders en boa’s. Adequaat toezicht houdt in dat op klachten van burgers serieus wordt gereageerd en dat regelmatig wordt gecontroleerd op momenten dat ook verwacht kan worden dat de situatie zich voordoet waarover wordt geklaagd en dat ook wordt gecontroleerd als de klacht binnenkomt.
Adequaat toezicht wordt kort samengevat in de volgende sleutelprincipes:
8.1.1 Selectiviteit Toezichthouders moeten zich het meest concentreren op de grootste maatschappelijke risico’s en op recidieven.
8.1.2 Slagvaardigheid Zacht als het kan, hard als het moet.
8.1.3 Samenwerking 1) Zoveel mogelijk één gezicht hebben vanuit verschillende toezichthouders naar het individuele persoon, bedrijf of instituut. 2) Zoveel mogelijk leren van andere toezichthouders.
8.1.4 Onafhankelijkheid Er moet voldoende afstand worden bewaard tot de organisatie of persoon die onder toezicht staat. Als de toezichthouder te veel ‘betrokken’ raakt bij de burger of ondernemer, gaat dit ontegenzeggelijk en vaak onbedoeld ten koste van de juiste uitoefening van toezicht.
8.1.5 Transparantie Voor geloofwaardig toezicht met gezag is noodzakelijk dat de toezichthouder transparant is tegenover degene waar toezicht op wordt gehouden. Het betreft de transparantie van de toezichthouder zelf en van het veld waarop toezicht wordt gehouden.
8.1.6 Professionaliteit De mate waarin de toezichthouder beschikt over inhoudelijke vakkennis, deskundigheid en vaardigheden, benodigd om het vak adequaat uit te voeren, in combinatie met effectieve communicatieve skills om deze informatie over te brengen op een manier die aankomt bij de betrokken persoon, zonder aan de overige sleutelprincipes te tornen.
8.2 Vormen van toezicht Toezicht kan op vele manieren plaatsvinden. In de ‘klassieke’ vorm van toezicht, het verticaal toezicht, komt een toezichthouder op bezoek, controleert de naleving van regelgeving, constateert of er tekortkomingen zijn, en zo ja, maant tot het oplossen van deze tekortkomingen. Het initiatief ligt hier uitsluitend bij de toezichthouder. In geval van de bouwwerken die onder de Wkb vallen, wordt de aanvrager, degene die onder toezicht staat, gestimuleerd om zelf naleving van de regelgeving te laten borgen door een eigen ingehuurde onafhankelijke kwaliteitsborger. Dit is een voorbeeld van horizontaal toezicht. In de praktijk vindt toezicht vaak plaats volgens een vooraf bepaald plan, op basis van een thema of programma. Dit wordt projecttoezicht genoemd. Een bepaald toezichtprogramma laat onverlet dat daarnaast ook altijd ad hoc toezicht moet worden uitgeoefend. In bijlage 7 wordt een overzicht gegeven van alle onderdelen waar een constateringsrapport uit dient te bestaan. Voor een overzicht van de handelingen
die een toezichthouder uitvoert tijdens zijn werk, verwijs ik u kortheidshalve naar alinea 6.3.
9. Handhavingsstrategie Het college is bevoegd handhavend op te treden volgens de Omgevingswet in combinatie met artikel 125 lid 1 van de Gemeentewet. Echter, uit vaststaande jurisprudentie is gebleken dat er ook een beginselplicht tot handhavend optreden geldt tegen geconstateerde overtredingen. Alleen onder bijzondere omstandigheden mag van het college worden gevergd dit niet te doen. Daarbij geldt tevens dat, “in gevallen waarin het bestuursorgaan in dat kader redelijk te achten beleid voert, bijvoorbeeld inhoudend dat het bestuursorgaan de overtreder in bepaalde gevallen eerst waarschuwt en gelegenheid biedt tot herstel voordat een handhavingsbesluit wordt voorbereid, dient het zich in beginsel aan dit beleid te houden.” – Aldus het VNG-artikel “Handhaving voor en door gemeenten. Omdat handhaving niet altijd mogelijk is, kan aan de hand van prioriteiten worden bepaald dat eerst de zaken worden aangepakt met de hoogste prioriteit. Dit laat echter onverlet dat handhavingszaken met een lagere prioriteit in periodes met een minder zware werklast wel aan bod dienen te komen.
9.1 Soorten strategieën Het doel van handhaving is naleving van wet- en regelgeving, zodat de daarmee gestelde doelen bereikt kunnen worden. Naleving kan worden bereikt met gebruik van verschillende strategieën. Op dit moment wordt vooral gebruik gemaakt van de toezichtstrategie en de sanctiestrategie. In de toekomst willen wij meer de nadruk leggen op de preventiestrategie
9.1.1 Preventieve strategie Om te voorkomen dat burgers en ondernemers de wet- en regelgeving niet naleven, wordt preventief ingespeeld, bijvoorbeeld op aandacht voor actieve informatieverstrekking over wat precies wel en niet is toegestaan. Ook het publiceren van genomen handhavingsbeschikkingen heeft een preventieve (afschrikkende) werking. Om tot een goede preventieve strategie te komen, moet wet- en regelgeving voldoende handhaafbaar zijn opgesteld. De regels moeten helder en makkelijk te begrijpen zijn, en acceptabel overkomen. Hiervoor moet goed gecommuniceerd worden:
Tijdens het vergunningen- en/of toezichtproces met de betrokkenen. Gebruikmaking van het gemeentenieuws (algemene bekendmaking). Media-aandacht voor handhavingszaken (bijvoorbeeld bij toepassing bestuursdwang). Openbaar maken van beleid, met name de U&H-strategie. Over toepasbare regels: een vragenboom in duidelijke taal waarbij elke leek eenvoudig kan bezien wat wel en niet mag.
9.1.2 Toezichtstrategie Het is mogelijk om toezicht in te zetten als een manier om te voorkomen dat sancties opgelegd worden. Minnelijke handhaving betreft de inspanningen gericht op het ongedaan maken van ongewenste situaties, zonder
handhavingsinstrumenten toe te passen. Dit kan beperkt blijven tot het aanspreken of informeren van een overtreder. Anderzijds kan dit ook een langdurig proces betreffen waarbij meerdere malen wordt overlegd met overtreders over het beëindigen van ongewenste situaties. De achtergrond bij deze wijze van handhaving is echter het gegeven dat er reeds een overtredingssituatie bestaat, of dat deze zich zal aandienen. Behalve situaties waarin legaliseren of gedogen is aangezegd, geldt dat deze overtredingen dienen te worden beëindigd. De wijze waarop dit dient te gebeuren, alsook de consequenties wanneer dit niet (juist) gebeurt, en ook de (on)mogelijkheden van legalisatie, worden met de overtreder besproken. Ook een brief met een vriendelijk verzoek om de geconstateerde overtreding ongedaan te maken, valt onder deze strategie – zelfs als deze brief niet van de hand van de toezichthouder komt. De betrokkene wordt dan de mogelijkheid geboden om binnen een bepaald termijn de overtreding ongedaan te maken. Er wordt niet met een sanctie gedreigd, maar er wordt wel al afgewogen wat de meest kansrijke vervolgactie is. De burger wordt wel op de hoogte gesteld van de gemeentelijke beginselplicht tot handhaving, zodat duidelijk is dat negeren geen goed idee is.
Op deze manier kan de formele wijze van handhaving voorkomen worden, terwijl het beoogde effect op een voor alle partijen aangename manier kan worden bereikt. Aanspreken en informeren op deze manier is vooral effectief bij goedwillende overtreders die onbedoeld regels niet naleven, en die intrinsiek gemotiveerd zijn om dit zo snel mogelijk zelf ongedaan te maken.
9.1.3 Sanctiestrategie De officiële toepassing van dwanginstrumenten waar de gemeente vanuit de wet bevoegd is deze toe te passen, wordt de sanctiestrategie genoemd. Deze strategie wordt alleen ingezet als de overige strategieën niet heeft geleid tot het gewenste effect: naleving van de regelgeving. Professionele handhaving kenmerkt zich o.a. door consequente uitvoering bij geconstateerde overtredingen. Naast de corrigerende en preventieve werking biedt deze strategie ook de mogelijkheid om te bestraffen. De sanctiestrategie kan worden verdeeld in drie stappen: 1. De vooraankondiging van de last onder sanctie. Dit is een brief waarin wordt overwogen of de overtreding mogelijk gelegaliseerd kan worden. Ook wordt overwogen welk dwangmiddel toegepast wordt (last onder dwangsom of bestuursdwang zijn daarin herstelsancties, inclusief de begunstigingstermijn). In deze brief wordt de overtreder in de gelegenheid gesteld om a) een aanvraag in te dienen, mocht legalisatie mogelijk zijn, b) een zienswijze in te dienen tegen de voorgenomen sanctie, en c) binnen de zienswijzetermijn alsnog de overtreding ongedaan te maken. 2. De tweede stap kan uit twee verschillende reactie van de betrokkene bestaan. Er kan een aanvraag zijn ingediend, in welk geval het handhavingstraject tijdelijk wordt opgeschort, in afwachting van de loop van het vergunningenproces.
Maar er kan ook een zienswijze worden ingediend, met de reden(en) waarom betrokkene niet eens is met het voornemen van de gemeente. In dat geval
worden alle zienswijzen serieus overwogen, om te beoordelen of in dit geval moet worden afgezien van handhavend optreden. Als de overtreding ongedaan gemaakt wordt, wordt het handhavingstraject afgerond. 3. De last onder sanctie. Dit is een brief, waarin de zienswijze meegewogen is, maar waarin alsnog blijkt dat de beginselplicht tot handhaving in dit geval stand houdt. Het heeft de voorkeur om te blijven bij de sanctie en begunstigingstermijn zoals gesteld in de vooraankondiging, aangezien dit meer betrouwbaarheid van de overheid zal uitstralen. Het is bij de sanctiestrategie van het allerhoogste belang om na oplegging van de last ook daadwerkelijk de sanctie op te leggen, als de overtreding niet op tijd ongedaan is gemaakt. Dit draagt bij aan de betrouwbaarheid van de overheid, en zal een gevoel van meer rechtszekerheid zelfs onder de betrokkenen verspreiden. Hierbij moet worden opgemerkt, dat in situaties waarbij sprake is van acuut gevaar, een onmiddellijke sanctiebesluit op zijn plek is. Ook bij de mogelijkheid tot onherstelbare schade, zoals werkzaamheden bij (archeologische) monumenten, kan sprake zijn van een versnelde sanctiestrategie. Tot slot zijn er ook bestraffende sancties. Een bestuurlijke boete mag alleen worden opgelegd als deze vanuit de wet mogelijk wordt verklaard, zoals in het geval van herhaaldelijk slopen zonder sloopmelding.
In bijlage 8 is een schema uitgewerkt met de basiswerkwijze wanneer het college moet optreden tegen overtredingen door de eigen gemeentelijke organisatie.
9.1.4 Gedoogstrategie In die gevallen waarin de beginselplicht tot handhaving niet opgaat, wordt een overtreding ‘gedoogd’. Gedogen is het niet optreden tegen overtredingen door een bestuursorgaan dat tot zodanig optreden juridisch bevoegd is. Dit gebeurt derhalve wanneer sprake is van concreet zicht op legalisatie. Het gedogen is dan tijdelijk. Ook kan handhavend optreden zodanig onevenredig zijn in verhouding tot de daarmee te dienen belangen, dat van handhavend optreden in die concrete situatie helemaal moet worden afgezien. In voorkomend geval, waarbij juridisch gesproken geen sprake is van ‘concreet zicht op legalisatie’, maar waarbij gewenst is om eerst een legalisatieonderzoek af te wachten, kan ervoor worden gekozen gedurende het onderzoek niet over te gaan op handhaving. Dit kan zich voordoen wanneer een bepaalde illegaal (zonder vergunning) uitgevoerde activiteit toch planologisch en/of ruimtelijk zodanig wenselijk is om te behouden, dat moet worden onderzocht (bijvoorbeeld via een principeverzoek) of in dit geval van het bestemmingsplan afgeweken kan worden. Het nadeel is dat er geen wettelijke termijnen gelden voor een principeverzoek, dan alleen een termijn van orde van 8 weken. Wordt deze termijn niet gehaald, dan kan een handhavingszaak dat tot nader orde is opgeschort in afwachting hiervan, onbehaaglijk lang voortduren, met alle complicaties van dien.