04 Ontwerp Bestemmingsplan Hoevelaar fase 2.pdf
Tekst van het document
Er zal sprake zijn van een acceptabel woon‐ en leefklimaat. Wel wordt aanbevolen de dimensionering van de gevelmaatregelen te baseren op de geluidbelasting na realisatie van fase 2 en vooruitlopend ook op fase 3. Opgemerkt wordt dat er voor de woningen in fase 1 voor 10 woningen hogere waarden zijn voorgesteld. Onbekend is of deze ook zijn vastgesteld. Deze aanvraag lijkt gebaseerd op het feit dat alleen het eerste deel van de interne weg (bij de aansluiting op de Stationsweg Oost) 50 km/uur wordt en het vervolg 30 km/uur. Dit sluit dan aan op de aanname van 30 km/uur op de interne weg in fase 2. Conclusie In het plangebied fase 2 is sprake van een aanvaardbaar akoestisch woon‐ en leefklimaat. De realisatie van de woningen ondervindt geen akoestische belemmeringen.
4.5
Bodem
Normstelling en beleid Op grond van het Besluit ruimtelijke ordening dient in verband met de uitvoerbaarheid van een plan rekening gehouden te worden met de bodemgesteldheid in het plangebied. Bij functiewijziging dient te worden bekeken of de bodemkwaliteit voldoende is voor de beoogde functie en moet worden vastgesteld of er sprake is van een saneringsnoodzaak. In de Wet bodembescherming is bepaald dat indien de desbetreffende bodemkwaliteit niet voldoet aan de norm voor de beoogde functie, de grond zodanig dient te worden gesaneerd dat zij kan worden gebruikt door de desbetreffende functie (functiegericht saneren). Ten behoeve van ruimtelijke plannen dient ten minste het eerste deel van het verkennend bodemonderzoek, het historisch onderzoek, te worden verricht. Indien uit het historisch onderzoek wordt geconcludeerd dat op de betreffende locatie sprake is geweest van activiteiten met een verhoogd risico op verontreiniging dient een volledig verkennend bodemonderzoek te worden uitgevoerd. Onderzoek Vanwege de functiewijziging naar wonen is een verkennend bodemonderzoek uitgevoerd, zie bijlage 6. Uit het onderzoek blijkt dat de milieuhygiënische bodemkwaliteit geen belemmering vormt voor het voorgenomen gebruik (wonen).
Rho adviseurs voor leefruimte
035100.20201245
34
Conclusie Op basis van de uitgevoerde bodemonderzoek blijkt dat het onderzochte deel van het plangebied geschikt is voor de beoogde bestemming.
4.6
Bedrijven en milieuhinder
Normstelling en beleid In het kader van een goede ruimtelijke ordening is het van belang dat bij de aanwezigheid van bedrijven in de omgeving van milieugevoelige functies zoals woningen: ter plaatse van de woningen een goed woon‐ en leefmilieu kan worden gegarandeerd; rekening wordt gehouden met de bedrijfsvoering en milieuruimte van de betreffende bedrijven. Om in de bestemmingsregeling de belangenafweging tussen bedrijvigheid en nieuwe woningen in voldoende mate mee te nemen, wordt in dit plan gebruikgemaakt van de VNG‐publicatie Bedrijven en milieuzonering (editie 2009). In deze publicatie is een lijst opgenomen waarin de meest voorkomende bedrijven en bedrijfsactiviteiten zijn gerangschikt naar mate van milieubelasting. Voor elke bedrijfsactiviteit is de maximale richtafstand ten opzichte van milieugevoelige functies aangegeven op grond waarvan de categorie‐indeling heeft plaatsgevonden. De richtafstanden gelden ten opzichte van het omgevingstype 'rustige woonwijk'. Milieuzonering beperkt zich tot de milieuaspecten met een ruimtelijke dimensie: geluid, geur, gevaar en stof. Onderzoek Het plangebied is, gezien de ligging direct naast woningen, aan te merken als omgevingstype 'rustige woonwijk'. In figuur 4.1 zijn de relevante bedrijven in de omgeving van het plangebied weergegeven. Bij de aanwezige agrarische bedrijven is het adres groen omkaderd.
In tabel 4.3 zijn de gegevens van de bedrijven met bijbehorende richtafstanden zoals opgenomen in de VNG‐publicatie weergegeven.
Figuur 4.1 Ligging relevante (agrarische)bedrijven in de omgeving van het plangebied Bij de inrichting van het plangebied dient tussen de beoogde woningen en bestaande bedrijven rekening te worden gehouden met de richtafstanden in tabel 4.2. De afstand wordt gemeten tussen de gevel of het bouwvlak van de beoogde woning tot aan de bestemmingsgrens van het bedrijf. Indien de woningen op kortere afstand gerealiseerd worden dan de aangegeven richtafstand dient onderzocht te worden of de bedrijfsbelangen niet belemmerd worden en of ter plaatse van de woningen een goed woon‐ en leefklimaat gegarandeerd kan worden.
Rho adviseurs voor leefruimte
035100.20201245
35
In de verbeelding voor dit bestemmingsplan is het vlak woongebied ingetekend op dusdanige wijze dat er geen beperkingen voor bedrijven plaatsvinden. Tevens geldt een goed woon‐ en leefklimaat voor het aangegeven vlak woongebied. In paragraaf 4.7 wordt nog extra aandacht besteed aan het aspect geur. Tabel 4.2 Bedrijven in de omgeving van het plangebied Bedrijf Adres Type Afstand tot plangebied 1. 2.
V.O.F. F. Laagerfseweg Hazeleger 12a J.T.M. Holding Stationsweg B.V. Oost 203
3.
E. Moesbergen Stationsweg & Zn bv Oost 281
4.
J.C. van den Berg & Zn bv J. de Kruif
5. 6.
7.
8.
9.
10.
Stationsweg Oost 263 Stationsweg Oost 239 Westermeijer Zegheweg 4a 's Beheer BV
Pluimveehoud erij Groothandel 180 m modelauto's, opslag en verkoop vuurwerk Transportbedri 110 m jf/Warehousin g Export auto's 85 m
Afstanden VNG (rustige woonwijk) Geur Stof Geluid Gevaar zie paragraaf 4.7 0
0
30
0
0
0
50
30
0
0
30
0
Veehouderij
zie paragraaf 4.7
Tijdelijke 240 m opslag bouwmaterial en en kantoorinrichti ng Sanitair en 190 m installatie
0
0
30
0
0
0
30
0
Bouwbedrijf
100 m
0
30
30
0
Aannemersbe drijf J.J. Ravenhorst Zegheweg 15 Pluim‐ en 230 m rundveehoude rij J.C. van Ekris Rumelaarseweg Veehouderij 440 m en J.G. van 3 Ekris‐Fokker
0
0
30
0
G. Hek Sanitair Zegheweg 6 en installaties BV Timmer & Zegheweg 8a bouwbedrijf Pater BV* Van Dijk Zegheweg 8
zie paragraaf 4.7
zie paragraaf 4.7
Rioolgemaal Aan de Zegheweg is ter hoogte van het plangebied een rioolgemaal aanwezig. De richtafstand van een rioolgemaal is 30 meter in een rustige woonwijk. Het bouwvlak ligt op 10 meter van de perceelsgrens van het rioolgemaal. Hiervoor is een geuronderzoek uitgevoerd, zie bijlage 7. Uit de berekening blijkt dat de grenswaarde van 0,5 ouE/m3 als 98‐percentiel voor zuiveringstechnische werken op een afstand van 10 meter niet wordt overschreden. Het rioolgemaal staat de realisatie van de woningen niet in de weg. Conclusie Het aspect milieuhinder staat de beoogde ontwikkelingen niet in de weg. Rho adviseurs voor leefruimte
035100.20201245
36
4.7
Milieuhinder agrarische bedrijven
Normstelling en beleid De Wet geurhinder en veehouderij (Wgv) bevat het beoordelingskader voor geurhinder van veehouderijen die vergunningplichtig zijn op basis van de Wet milieubeheer (Wm). Het beoordelingskader is als volgt: voor diercategorieën waarvan de geuremissie per dier is vastgesteld (in de Regeling geurhinder en veehouderij (Rgv)) geldt een maximale geurbelasting op een geurgevoelig object; voor andere diercategorieën geldt een minimale afstand van de dierenverblijven ten opzichte van geurgevoelige objecten. Daarbij wordt onderscheid gemaakt tussen concentratiegebieden (conform Reconstructiewet) en niet‐concentratiegebieden en tussen situaties binnen de bebouwde kom en buiten de bebouwde kom. De wet beschrijft in artikel 3 de maximale norm voor geurbelasting van een veehouderij ten opzichte van een gevoelig object in vier situaties, deze zijn weergegeven in tabel 4.3. Tabel 4.3 Overzicht geurnormen Wgv Locatie Categorie Concentratiegebied binnen bebouwde diercategorieën Rgv max. 3 ouE/m³ kom andere diercategorieën min. 100 m t.o.v. geurgevoelig object buiten diercategorieën Rgv max. 14 ouE/m³ bebouwde kom andere diercategorieën min. 50 m t.o.v. geurgevoelig object
Niet‐concentratiegebied max. 2 ouE/m³ min. 100 m t.o.v. geurgevoelig object max. 8 ouE/m³ min. 50 m t.o.v. geurgevoelig object
Voor alle stallen gelden minimumafstanden tussen de buitenzijde van het dierenverblijf en de buitenzijde van een geurgevoelig object (artikel 5 Wgv). Voor buiten de bebouwde kom gelegen geurgevoelige objecten geldt een minimumafstand van 25 meter en voor binnen de bebouwde kom gelegen geurgevoelige objecten geldt een minimumafstand van 50 meter. Activiteitenbesluit milieubeheer Per 1 januari 2013 zijn agrarische activiteiten onder de werkingssfeer van het Activiteitenbesluit gebracht. In het Activiteitenbesluit zijn voor alle agrarische activiteiten, waaronder akkerbouwbedrijven en veehouderijen, eisen opgenomen. Voor de veehouderijen is aangesloten bij de systematiek uit de Wgv, dat wil zeggen dat in bepaalde gevallen maximaal toegestane geurbelastingen gelden (diercategorieën waarvoor een geuremissiefactor is vastgesteld, bijvoorbeeld varkens en pluimvee) en in andere gevallen vaste afstandseisen gelden (diercategorieën waarvoor geen geuremissiefactor is vastgesteld, waaronder melkrundvee). Onderzoek In het kader van de komende Omgevingswet heeft de gemeente Woudenberg een analyse op het geurbeleid laten uitvoeren. Uit de analyse blijkt dat: Leefklimaat is acceptabel; De aanwezige veehouderijen hebben over het algemeen nog voldoende ontwikkelingsmogelijkheden; Geen reden om op grond van de huidige wet‐ en regelgeving van de gestelde normen af te wijken.
Rho adviseurs voor leefruimte
035100.20201245
37
In figuur 4.2 is de uitsnede van de achtergrondbelasting ter hoogte van het plangebied opgenomen. Hieruit blijkt dat de achtergrondbelasting van het plangebied zeer goed tot goed is.
Figuur 4.2 Uitsnede kaart achtergrondbelasting Conclusie Op basis van de (cumulatieve) achtergrondbelasting is er met betrekking tot geur sprake van een goed tot zeer goed woon‐ en leefklimaat. Ter plaatse van de beoogde woningen zal sprake zijn van een aanvaardbaar woon‐ en leefklimaat.
4.8
Ecologie
Bij de voorbereiding van een ruimtelijk plan dient onderzocht te worden of de Wet natuurbescherming (hierna: Wnb) en het beleid van de provincie ten aanzien van de bescherming van dier‐ en plantensoorten en de bescherming van het Natuurnetwerk Nederland de uitvoering van het plan niet in de weg staan. In elk geval moet aannemelijk zijn dat vergunning of ontheffing van de van de bij of krachtens deze wet geldende verbodsbepalingen kan worden verkregen voor de activiteiten die met dit bestemmingsplan mogelijk worden gemaakt. Dit is anders indien uit de Wnb voortvloeit dat een passende beoordeling moet worden gemaakt. Deze dient te zijn verricht ten tijde van vaststelling van het bestemmingsplan.
Rho adviseurs voor leefruimte
035100.20201245
38
Normstelling en beleid Met de Wnb zijn alle bepalingen met betrekking tot de bescherming van natuurgebieden en dier‐ en plantensoorten samengebracht in één wet. De Wnb implementeert diverse Europeesrechtelijke regelgeving, zoals de Vogelrichtlijn en de Habitatrichtlijn in de Nederlandse wetgeving. Gebiedsbescherming De Wnb kent diverse soorten natuurgebieden, te weten: Natuurnetwerk Nederland (NNN); Natura‐2000 gebieden. Natura 2000‐gebieden De Minister van Economische Zaken (EZ) wijst gebieden aan die deel uitmaken van het Europese netwerk van natuurgebieden: Natura 2000. Een dergelijk besluit bevat de instandhoudingsdoelstellingen voor de leefgebieden van vogelsoorten (Vogelrichtlijn) en de instandhoudingsdoelstellingen voor de natuurlijke habitats en habitats van soorten (Habitatrichtlijn). Een bestemmingsplan dat afzonderlijk of in combinatie met andere plannen of projecten significante gevolgen kan hebben voor een Natura 2000‐gebied, kan uitsluitend vastgesteld worden indien uit een passende beoordeling de zekerheid is verkregen dat het plan, onderscheidenlijk het project de natuurlijke kenmerken van het gebied niet zal aantasten. Indien deze zekerheid niet is verkregen, kan het plan worden vastgesteld, indien wordt voldaan aan de volgende drie voorwaarden: 1. alternatieve oplossingen zijn niet voor handen; 2.
het plan is nodig om dwingende redenen van groot openbaar belang, met inbegrip van redenen van sociale of economische aard, en 3. de nodige compenserende maatregelen worden getroffen om te waarborgen dat de algehele samenhang van het Natura 2000‐netwerk bewaard blijft. De bescherming van deze gebieden heeft externe werking, zodat ook ingrepen die buiten deze gebieden plaatsvinden verstoring kunnen veroorzaken en moeten worden getoetst op het effect van de ingreep op soorten en habitats. Bijzondere nationale natuurgebieden De Minister van Economische Zaken (EZ) kan buitenom de gebieden die deel uitmaken van het Europese netwerk van natuurgebieden Natura 2000, ook gebieden aanwijzen als Bijzonder nationaal natuurgebied wanneer het gebied is opgenomen op een lijst als bedoeld in artikel 4, eerste lid, van de Habitatrichtlijn of het gebied onderwerp is van een procedure als bedoeld in artikel 5 van de Habitatrichtlijn. De beschermende werking die geldt voor gebieden die behoren tot Natura 2000, geldt in dat geval ook voor het bijzondere nationaal natuurgebied. Natuurnetwerk Nederland (NNN) Gebieden die deel uitmaken van het Natuurnetwerk Nederland (NNN) worden aangewezen in de provinciale verordening. Voor dit soort gebieden geldt het 'nee, tenzij' principe, wat inhoudt dat binnen deze gebieden in beginsel geen nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen mogen plaatsvinden.
Soortenbescherming In de Wnb wordt een onderscheid gemaakt tussen: a. soorten die worden beschermd in de Vogelrichtlijn; b. soorten die worden beschermd in de Habitatrichtlijn; en c. de bescherming van overige soorten. De Wnb bevat onder andere verbodsbepalingen ten aanzien van het opzettelijk vernielen of beschadigen van nesten, eieren en rustplaatsen van vogels als bedoeld in artikel 1 van de Vogelrichtlijn. Gedeputeerde Staten (hierna: GS) kunnen hiervan ontheffing verlenen en bij verordening kunnen
Rho adviseurs voor leefruimte
035100.20201245
39
Provinciale Staten (hierna: PS) vrijstelling verlenen van dit verbod. De voorwaarden waaraan voldaan moet worden om ontheffing of vrijstelling te kunnen verlenen zijn opgenomen in de Wnb en vloeien direct voort uit de Vogelrichtlijn. Verder is het verboden in het wild levende dieren van soorten, genoemd in bijlage IV, onderdeel a, bij de Habitatrichtlijn, bijlage II bij het Verdrag van Bern of bijlage I bij het Verdrag van Bonn, in hun natuurlijk verspreidingsgebied opzettelijk te doden of te vangen of te verstoren. GS kunnen hiervan ontheffing verlenen en bij verordening kunnen PS vrijstelling verlenen van dit verbod. De gronden voor verlening van ontheffing of vrijstelling zijn opgenomen in de Wnb en vloeien direct voort uit de Habitatrichtlijn. Ten slotte is een verbodsbepaling opgenomen voor overige soorten. Deze soorten zijn opgenomen in de bijlage onder de onderdelen A en B bij de Wnb. De provincie kan ontheffing verlenen van deze verboden. Verder kan bij provinciale verordening vrijstelling worden verleend van de verboden. De noodzaak tot ontheffing of vrijstelling kan hierbij ook verband houden met handelingen in het kader van de ruimtelijke inrichting of ontwikkeling van gebieden.
Uitwerking Verordening uitvoering Wet natuurbescherming Utrecht In de provincie Utrecht in het kader van de ruimtelijke inrichting of ontwikkeling van gebieden, vrijstellingen verleend ten aanzien van de soorten genoemd in bijlage II bij deze verordening. Het betreft aardmuis, bastaardkikker, bosmuis, bunzing, bruine kikker, dwergmuis, dwergspitsmuis, egel, gewone bosspitsmuis, gewone pad, haas, hermelijn, huisspitsmuis, kleine watersalamander, konijn, meerkikker, ondergrondse woelmuis, ree, rosse woelmuis, tweekleurige bosspitsmuis, veldmuis, vos, wezel en woelrat. Onderzoek Gebiedsbescherming Het plangebied is geen onderdeel van een Natura 2000‐gebied (Vogel‐ of Habitatrichtlijngebieden). In de omgeving van het plangebied ligt een aantal Natura 2000‐ gebieden, te weten het Binnenveld, Uiterwaarden Rijntakken en Kolland & Overlangbroek. Alle gebieden zijn aangewezen als Habitatrichtlijngebied. De Uiterwaarden Rijntakken zijn daarnaast ook aangewezen als Vogelrichtlijngebied. De gebieden maken derhalve deel uit van het Europese netwerk van natuurgebieden (Natura 2000). In figuur 4.3 zijn deze gebieden ten opzichte van het plangebied weergegeven.
Figuur 4.3 Ligging plangebied t.o.v. Natura 2000 gebieden (bron: AERIUS calculator)
Rho adviseurs voor leefruimte
035100.20201245
40
Het plangebied is ook geen onderdeel van het Natuur Netwerk Nederland zoals vastgelegd in de Provinciale Ruimtelijke Structuurvisie 2013‐2028 (herijking 2016) en weergegeven in figuur 4.4. Het dichtstbijzijnde NNN‐gebied ligt op 360 meter. Er vindt geen ruimtebeslag plaats op een NNN gebied. De werkzaamheden zullen niet leiden tot aantasting van de wezenlijke kenmerken en waarden. Er vindt geen externe werking plaats op het NNN‐gebied of op kwalificerende soorten vanwege de afstand en de demping van het tussengelegen landschap. Negatieve effecten worden daarom uitgesloten.
Figuur 4.4 Ligging plangebied t.o.v. NNN (bron: Provinciale Ruimtelijke Structuurvisie 2013‐2028) Het plangebied is buiten beschermde natuurgebieden gelegen. Directe effecten zoals areaalverlies en versnippering kunnen hierdoor worden uitgesloten. Gezien afstand kunnen tevens verstoring van het natuurgebied als verandering van de waterhuishouding worden uitgesloten. Qua stikstofdepositie genereert het plan geen problemen, het dichtstbijzijnde stikstofgevoelig habitat ligt op een afstand van circa 14 kilometer. In de effectenindicator Natura 2000‐gebieden (Ministerie van Economische Zaken, 2017) is gekozen voor de activiteit ’woningbouw’, omdat deze activiteit het best vergelijkbaar is met de ontwikkeling. De effectenindicator geeft aan dat mogelijke effecten van ’woningbouw’ op Natura 2000‐gebied ‘Kolland en verlangbroek’ worden veroorzaakt door oppervlakteverlies; versnippering; verontreiniging; verdroging; optische verstoring en verstoring door mechanische effecten. Van deze effecten is in het huidige project geen sprake, aangezien de effecten zeker niet tot het Natura 2000‐gebied zullen reiken. Het Natura 2000‐gebied ligt daarvoor op een te grote afstand met daarnaast tussenliggende demping van landschap en bebouwing. Effecten op de instandhoudingsdoelstellingen voor het betreffende gebied zijn niet aan de orde.
Soortenbescherming Voor de realisatie van de woonwijk is een quickscan flora en fauna uitgevoerd, zie bijlage 8. Uit de quickscan blijkt dat de voorgenomen ontwikkeling naar verwachting in strijd is met het onderdeel soortbescherming uit de Wet natuurbescherming. Er is een potentiële essentiële vliegroute voor vleermuizen aanwezig in het plangebied en er kan verstoring op verblijfplaatsen van vleermuizen in het onderzoeksgebied optreden. Daarnaast kan het plangebied deel uitmaken van het leefgebied van steenuil en kerkuil. Tevens kunnen zich in de toekomst 'vogels zonder jaarrond beschermd nest' binnen het plangebied vestigen, als er geen voorzorgsmaatregelen worden genomen.
Rho adviseurs voor leefruimte
035100.20201245
41
Nader onderzoek naar de mogelijke aanwezigheid van bovengenoemde soorten is nodig. Dit onderzoek wordt in een latere fase van het plan uitgevoerd. Indien blijkt dat mitigerende maatregelen nodig zijn worden deze opgevolgd. Conclusie Uit de quickscan blijkt dat nader onderzoek naar vleermuizen, steenuilen en kerkuilen nodig is. Dit onderzoek wordt in een latere fase van het plan uitgevoerd. Indien blijkt dat mitigerende maatregelen nodig zijn worden deze opgevolgd. Voor het overige vormt het aspect ecologie geen belemmering voor voorgenomen ontwikkelingen.
4.9
Water
Waterbeheer en watertoets De initiatiefnemer dient in een vroeg stadium overleg te voeren met de waterbeheerder over een ruimtelijke planvoornemen. Hiermee wordt voorkomen dat ruimtelijke ontwikkelingen in strijd zijn met duurzaam waterbeheer. Het plangebied ligt binnen het beheersgebied van het Waterschap Vallei & Veluwe, verantwoordelijk voor het waterkwantiteits‐ en waterkwaliteitsbeheer. Bij het tot stand komen van het bestemmingsplan is overleg gevoerd met de waterbeheerder over de waterparagraaf. Beleid duurzaam stedelijk waterbeheer Op verschillende bestuursniveaus zijn de afgelopen jaren beleidsnota's verschenen aangaande de waterhuishouding, allen met als doel een duurzaam waterbeheer (kwalitatief en kwantitatief). Deze paragraaf geeft een overzicht van de voor het plangebied relevante nota's, waarbij het beleid van het waterschap nader wordt behandeld. Europa: Kaderrichtlijn Water (KRW) Nationaal: Nationaal Waterplan (NW) Waterbeleid voor de 21ste eeuw (WB21) Nationaal Bestuursakkoord Water (NBW) Waterwet Provinciaal Provinciaal Waterplan Provinciale Omgevingsvisie Provinciale Omgevingsverordening Waterschapsbeleid Per 1 januari 2022 geldt het nieuwe waterbeheerprogramma: Blauw Omgevingsprogramma 2022 ‐ 2027 (BOP). Dit is een concretisering van de Blauwe Omgevingsvisie voor het beheergebied. Het BOP kent vijf thema's: 1. Waardevolle leefomgeving. 2.
Klimaatverandering. 3. Energietransitie. 4. Circulaire economie. 5. Biodiversiteit. In het programma zijn voorts verschillende doelen gesteld. De BOP‐doelen zijn samen met de partners opgesteld met de Blauwe Omgevingsvisie als vertrekpunt. Ze laten zien waar het waterschap voor staat in de periode 2022‐2027. Daarbij is rekening gehouden met de wettelijke taken van het waterschap: waterveiligheid en schoon en voldoende oppervlaktewater.
Rho adviseurs voor leefruimte
035100.20201245
42
De BOP‐doelen zijn gebiedsgericht vertaald en gecategoriseerd in vijf onderwerpen: Waterveiligheid. Watersysteem. Wonen Zuiveren. Circulaire economie. Energietransitie. Huidige situatie Algemeen Het plangebied ligt ten oosten van Woudenberg en bestaat hoofdzakelijk uit landbouwgronden en agrarische bebouwing. De hoogte van het maaiveld (www.ahn.nl) varieert van 3,5 tot 4,4 m +NAP. Bodem en grondwater Volgens de Bodemkaart van Nederland bestaat de bodem ter plaatse van het plangebied grotendeels uit hoge zwarte enkeerdgronden. Een klein deel aan de noordwest kant van het plangebied bestaat uit beekeerdgronden. De ondiepe leemlaag die hier aanwezig is kan de infiltratie van neerslag hinderen en mogelijk effect hebben op drainage (als die dieper ligt). De gemiddelde grondwaterstanden worden aangegeven door middel van zogenaamde grondwatertrappen (I t/m VII). Ter plaatse is de gemiddeld hoogste grondwaterstand tussen de 20 en 40 cm onder maaiveld voor de natste delen. Dit komt overeen met grondwatertrap IIIb waarbij wordt uitgegaan van 25 ‐ 40 cm onder maaiveld. Heel lokaal zijn er nattere plekken met een gemiddelde hoogste grondwaterstand van minder dan 25 cm. Verder is ook grondwatertrap VI aanwezig.
Dit betekent dat de gemiddeld hoogste grondwaterstand tussen 40 ‐ 80 cm onder maaiveld ligt en de gemiddeld laagste grondwaterstand dieper dan 120 cm beneden maaiveld wordt aangetroffen. Waterkwantiteit Binnen en in de directe omgeving van het plangebied zijn diverse watergangen aanwezig. In figuur 4.5 is een uitsnede opgenomen van de legger wateren van het Waterschap Vallei & Veluwe. Voor oppervlaktewaterlichamen A geldt een beschermingszone aan beide zijden van 5 meter, gemeten vanuit de insteek van het oppervlaktewaterlichaam. Deze categorie watering is niet gelegen binnen of in de directe omgeving van het plangebied. Hier zijn voornamelijk C‐watergangen aanwezig. De zuidrand van het plangebied wordt begrensd door een B‐watergang. Voor deze watergangen gelden geen beschermingszones.
Figuur 4.5 Legger wateren (Waterschap Vallei & Veluwe)
Rho adviseurs voor leefruimte
035100.20201245
43
Veiligheid en waterkeringen In de directe omgeving van het plangebied zijn geen primaire‐ of regionale waterkeringen aanwezig. Het plangebied is dan ook niet gelegen binnen de kern‐ of beschermingszone van een waterkering. Ook ligt het gebied niet in een drinkwaterbeschermingsgebied. Afvalwaterketen en riolering Het plangebied is deels aangesloten op de aanwezige gemeentelijke riolering. Toekomstige situatie Algemeen De exacte inrichting van het plangebied is nog niet bekend. Als gevolg van de ontwikkeling zal een groot deel van het plangebied verhard worden. Voor waterberging in stedelijk gebied is volgens de uitgangspunten van het waterschap 600 m3 berging per hectare verharding nodig. De exacte inrichting van het plangebied is nog onbekend. Hierdoor is de oppervlakte verharding en benodigde watercompensatie in deze planfase lastig te bepalen. Naast de benodigde watercompensatie als gevolg van de toename in verharding dient ook het oppervlak aan te dempen watergangen gecompenseerd te worden. Het te graven oppervlak dient minimaal gelijk te zijn aan het te dempen oppervlak. In de algemene uitgangspunten notitie van het waterschap is aangegeven dat voor situaties waar in de eerste fase van het proces de exacte oppervlakte aan verharding nog onbekend is een vuistregel kan worden gehanteerd.
Het waterschap adviseert om in dit geval 10% van het oppervlak van het plangebied te 'reserveren' voor waterberging. Uit de praktijk blijkt dit vaak nodig is om de benodigde hoeveelheid water in het plangebied te kunnen vasthouden en zo de afvoer vanuit het gebied niet te laten toenemen. Door het 'reserveren' van ruimte voor waterberging (al dan niet in combinatie met groen) worden moeilijke keuzes later in het proces voorkomen. Het plangebied en directe omgeving betreft een deel van het watersysteem waar geen waterpeilen zijn vastgelegd (geen peilbesluit). Er is hoofdzakelijk sprake van een systeem. Een goed werkend watersysteem in Hoevelaar fase 2 moet voldoen aan het volgende: Voldoende doorstroming in gangbare en drogere perioden; Voldoende waterbergingscapaciteit bij hevige buien; Voldoende ruimte voor onderhoud.
Uitwerking waterberging Ten behoeve van de ontwikkeling is een waterhuishoudkundig plan opgesteld, zie bijlage 15. Uit het waterhuishoudkundig plan blijkt dat de waterberging wordt voorzien in:
Berging in wadi’s; Berging in (nieuw) oppervlaktewater met deels een plasdraszone; erging in zakgreppel aan de zuidzijde van het gebied.
Watersysteemkwaliteit en ecologie Ter voorkoming van diffuse verontreinigingen van water en bodem geldt een verbod op het toepassen van zink, lood, koper en PAK's‐houdende bouwmaterialen. Veiligheid en waterkeringen De beoogde ontwikkeling is niet van invloed op de waterveiligheid in de omgeving.
Rho adviseurs voor leefruimte
035100.20201245
44
Afvalwaterketen en riolering Conform de Leidraad Riolering en vigerend waterschapsbeleid is het voor nieuwbouw gewenst een gescheiden rioleringsstelsel aan te leggen zodat schoon hemelwater niet bij een rioolzuiveringsinstallatie terecht komt. Afvalwater wordt aangesloten op de bestaande gemeentelijke riolering. Voor hemelwater wordt de volgende voorkeursvolgorde aangehouden: hemelwater vasthouden voor benutting; (in‐) filtratie van afstromend hemelwater; afstromend hemelwater afvoeren naar oppervlaktewater. Waterbeheer Voor aanpassingen aan het bestaande watersysteem dient bij het waterschap vergunning te worden aangevraagd op grond van de "Keur". Dit geldt dus bijvoorbeeld voor het graven van nieuwe watergangen, het aanbrengen van een stuw of het afvoeren van hemelwater naar het oppervlaktewater. In de Keur is ook geregeld dat een beschermingszone voor watergangen en waterkeringen in acht dient te worden genomen. Dit betekent dat binnen de beschermingszone niet zonder ontheffing van het waterschap gebouwd, geplant of opgeslagen mag worden. De genoemde bepaling beoogt te voorkomen dat de stabiliteit, het profiel en/of de veiligheid wordt aangetast, de aan‐ of afvoer en/of berging van water wordt gehinderd dan wel het onderhoud wordt gehinderd. Ook voor het onderhoud gelden bepalingen uit de "Keur".
Het onderhoud en de toestand van de (hoofd)watergangen worden tijdens de jaarlijkse schouw gecontroleerd en gehandhaafd. Conclusie De ontwikkeling heeft naar verwachting geen negatieve gevolgen voor het waterhuishoudkundige systeem ter plaatse.
4.10
Luchtkwaliteit
Normstelling en beleid In het kader van een goede ruimtelijke ordening wordt bij het opstellen van een ruimtelijk plan uit het oogpunt van de bescherming van de gezondheid van de mens rekening gehouden met de luchtkwaliteit. Het toetsingskader voor luchtkwaliteit wordt gevormd door hoofdstuk 5, titel 5.2 van de Wet milieubeheer. Dit onderdeel van de Wet milieubeheer (Wm) bevat grenswaarden voor zwaveldioxide, stikstofdioxide en stikstofoxiden, fijn stof, lood, koolmonoxide en benzeen. Hierbij zijn in de ruimtelijke ordeningspraktijk langs wegen vooral de grenswaarden voor stikstofdioxide (jaargemiddelde) en fijn stof (jaar‐ en daggemiddelde) van belang. De grenswaarden van de laatstgenoemde stoffen zijn in tabel 4.4 weergegeven. Tabel 4.4 Grenswaarden maatgevende stoffen Wm Stof Toetsing van Grenswaarde stikstofdioxide jaargemiddelde 40 µg/m³ (NO2) concentratie fijn stof (PM10) jaargemiddelde 40 µg/m³ concentratie 24‐uurgemiddelde max. 35 keer p.j. meer dan concentratie 50 µg / m³ fijn stof (PM2,5) jaargemiddelde 25 µg /m³ concentratie Op grond van artikel 5.16 van de Wm kunnen bestuursorganen bevoegdheden die gevolgen kunnen hebben voor de luchtkwaliteit onder andere uitoefenen indien de bevoegdheden/ontwikkelingen niet leiden tot een overschrijding van de grenswaarden of de bevoegdheden/ontwikkelingen niet in betekende mate bijdragen aan de concentratie in de buitenlucht.
Rho adviseurs voor leefruimte
035100.20201245
45
Besluit niet in betekende mate In dit Besluit niet in betekende mate is bepaald in welke gevallen een project vanwege de gevolgen voor de luchtkwaliteit niet aan de grenswaarden hoeft te worden getoetst. Hierbij worden 2 situaties onderscheiden: een project heeft een effect van minder dan 3% van de jaargemiddelde grenswaarde NO2 en PM10 (= 1,2 µg/m³); een project valt in een categorie die is vrijgesteld aan toetsing aan de grenswaarden; deze categorieën betreffen onder andere woningbouw met niet meer dan 1.500 woningen bij één ontsluitingsweg en 3.000 woningen bij twee ontsluitingswegen, kantoorlocaties met een bruto vloeroppervlak van niet meer dan 100.000 m2 bij één ontsluitingsweg en 200.000 m2 bij twee ontsluitingswegen. In het kader van een goede ruimtelijke ordening wordt bij het opstellen van een ruimtelijk plan uit het oogpunt van de bescherming van de gezondheid van de mens rekening gehouden met de luchtkwaliteit. Onderzoek Het bestemmingsplan maakt de realisatie van maximaal 275 woningen mogelijk. Het aantal woningen valt ruim onder de drempelwaarde van 1.500 woningen, die is vrijgesteld aan toetsing aan de grenswaarden voor luchtkwaliteit. Er wordt dan ook voldaan aan de luchtkwaliteitseisen en nader onderzoek is niet noodzakelijk. In het kader van een goede ruimtelijke ordening is een indicatie van de luchtkwaliteit ter plaatse van het plangebied gegeven.
Dit is gedaan aan de hand van de NSL‐monitoringstool 2020 die bij het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit hoort. De dichtstbijzijnde maatgevende weg betreft de Stationsweg Oost (N224), ten zuiden van het plangebied. Uit de NSL‐monitoringstool blijkt dat direct langs deze weg in 2020 de jaargemiddelde concentraties stikstofdioxide en fijn stof ruimschoots onder de grenswaarden uit de Wet milieubeheer zijn gelegen. De concentraties luchtverontreinigende stoffen bedragen 19,7 µg/m3 voor NO2, 20,3 voor PM10 (met 7,9 overschrijdingsdagen per jaar) en 11,5 voor PM2,5. De concentraties luchtverontreinigende stoffen nemen af naar gelang de afstand tot de weg. Ter hoogte van de locatie van het plangebied is hierdoor sprake van een aanvaardbaar woon‐ en leefklimaat. Conclusie Het aspect luchtkwaliteit vormt geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling in het plangebied. Ter plaatse is sprake van een aanvaardbaar woon‐ en leefklimaat.
4.11
Externe veiligheid
Normstelling en beleid Bij ruimtelijke plannen dient ten aanzien van externe veiligheid naar verschillende aspecten te worden gekeken, namelijk: bedrijven waar activiteiten plaatsvinden die gevolgen hebben voor de externe veiligheid; vervoer van gevaarlijke stoffen over wegen, spoor, water of door buisleidingen. Voor zowel bedrijvigheid als vervoer van gevaarlijke stoffen zijn twee aspecten van belang, te weten het plaatsgebonden risico (PR) en het groepsrisico (GR). Het PR is de kans per jaar dat een persoon dodelijk wordt getroffen door een ongeval, indien hij zich onafgebroken (dat wil zeggen 24 uur per dag gedurende het hele jaar) en onbeschermd op een bepaalde plaats zou bevinden. Het PR wordt weergegeven met risicocontouren rondom een inrichting dan wel infrastructuur. Het GR drukt de kans per jaar uit dat een groep van minimaal een bepaalde omvang overlijdt als direct gevolg van een ongeval waarbij gevaarlijke stoffen betrokken zijn. De norm voor het GR is een oriëntatiewaarde. Het bevoegd gezag heeft een verantwoordingsplicht als het GR toeneemt en/of de oriëntatiewaarde overschrijdt.
Rho adviseurs voor leefruimte
035100.20201245
46
Risicovolle inrichtingen Het Besluit externe veiligheid inrichtingen (hierna: Bevi) geeft een wettelijke grondslag aan het externe veiligheidsbeleid rondom risicovolle inrichtingen. Op basis van het Bevi geldt voor het PR een grenswaarde voor kwetsbare objecten en een richtwaarde voor beperkt kwetsbare objecten. Beide liggen op een niveau van 10‐6 per jaar. Bij de vaststelling van een bestemmingsplan moet aan deze normen worden voldaan, ongeacht of het een bestaande of nieuwe situatie betreft. Het Bevi bevat geen norm voor het GR; wel geldt op basis van het Bevi een verantwoordingsplicht ten aanzien van het GR in het invloedsgebied van de inrichting. De in het externe veiligheidsbeleid gehanteerde norm voor het GR geldt daarbij als oriëntatiewaarde. Circulaire effectafstanden LPG tankstations Per 29 juni 2016 is de 'Circulaire effectafstanden externe veiligheid LPG‐tankstations voor besluiten met gevolgen voor de effecten van een ongeval' in werking getreden. In deze circulaire wordt het bevoegd gezag voor LPG‐tankstations gevraagd om naast het hanteren van de risicoafstanden uit de Revi rekening te houden met de effectafstanden uit deze circulaire.
De circulaire maakt deel uit van een pakket aan maatregelen dat bestaat uit drie onderdelen, te weten het verkleinen van de afstanden in de Revi, een effectgerichte benadering in de circulaire en een Safety Deal met betrekking tot de hittewerende bekleding. De circulaire is niet van toepassing op besluiten die geen of uitsluitend positieve veiligheidsconsequenties hebben in relatie tot bepaalde effecten van ongevalsscenario's. Daarnaast is de circulaire niet van toepassing op LPG‐tankstations voor zover op basis van het Bevi de risicoafstanden worden bepaald door middel van een kwantitatieve risicoanalyse (QRA), bijvoorbeeld als er sprake is van een combinatie van Bevi‐plichtige activiteiten. Vervoer van gevaarlijke stoffen Per 1 april 2015 is het Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt) en de regeling Basisnet in werking getreden. Het Bevt vormt de wet‐ en regelgeving, en de concrete uitwerking volgt in het Basisnet. Het Basisnet beoogt voor de lange termijn (2020, met uitloop naar 2040) duidelijkheid te bieden over het maximale aantal transporten van, en de bijbehorende maximale risico's die het transport van gevaarlijke stoffen mag veroorzaken. Het Basisnet is onderverdeeld in drie onderdelen: Basisnet Spoor, Basisnet Weg en Basisnet Water. Het Bevt en het bijbehorende Basisnet maakt bij het PR onderscheid in bestaande en nieuwe situaties.
Voor bestaande situaties geldt een grenswaarde voor het PR van 10‐5 per jaar ter plaatse van kwetsbare en beperkt kwetsbare objecten en een streefwaarde van 10‐6 per jaar. Voor nieuwe situaties geldt de 10‐6 waarde als grenswaarde voor kwetsbare objecten, en als richtwaarde bij beperkt kwetsbare objecten. In het Basisnet Weg en het Basisnet Water zijn veiligheidsafstanden (PR 10‐6 contour) opgenomen vanaf het midden van de transportroute. Tevens worden in het Basisnet de plasbrandaandachtsgebieden benoemd voor transportroutes. Hiermee wordt geanticipeerd op de beperkingen voor ruimtelijke ontwikkelingen die samenhangen met deze plasbrandaandachtsgebieden. Het Basisnet vermeldt dat op een afstand van 200 meter vanaf de rand van het tracé in principe geen beperkingen hoeven te worden gesteld aan het ruimtegebruik. Er geldt een oriënterende waarde voor het groepsrisico en onder voorwaarden een verantwoordingsplicht tot 200 meter binnen de transportroute. Besluit externe veiligheid buisleidingen In het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb) wordt aangesloten bij de risicobenadering uit het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) zodat ook voor buisleidingen normen voor het PR en het GR gelden.
Op grond van het Bevb dient zowel bij consoliderende bestemmingsplannen als bij ontwikkelingen inzicht te worden gegeven in de afstand tot het PR en de hoogte van het GR als gevolg van het transport van gevaarlijke stoffen door buisleidingen.
Rho adviseurs voor leefruimte
035100.20201245
47
Onderzoek In de directe omgeving van het plangebied zijn diverse risicovolle inrichtingen aanwezig, zoals weergegeven in figuur 4.6. Ook zijn er in de omgeving twee hoge druk aardgastransportleidingen aanwezig, waarvan één door het plangebied loopt. Tot slot worden er gevaarlijke stoffen vervoerd over de N224. Ten behoeve van het bestemmingsplan van fase 1 is een quickscan externe veiligheid opgesteld, zie bijlage 9.
Figuur 4.6 Uitsnede professionele risicokaart ter hoogte van het plangebied De volgende risicovolle bronnen zijn beoordeeld in de quickscan: Van Apeldoorn B.V. Parallelweg 6: bedrijf waar gevaarlijke stoffen worden opgeslagen, getransporteerd en afgevuld. Autobedrijf Van Aalten, Parallelweg 24: tankstation waar onder andere LPG wordt verhandeld. V.O.F. F. Hazeleger Laagerfseweg 12a: pluimveehouderij waar propaan is opgeslagen (24 m3) Provinciale weg N224: weg waarover transport van gevaarlijke stoffen met stofcategorie code (LF1, LF2 (brandbare en zeer brandbare vloeistoffen) en GF3 (licht ontvlambare gassen) plaats vindt. Hoge druk aardgastransportleidingen: buisleidingen waardoor aardgas wordt getransporteerd met een maximale werkdruk van 40 bar, in beheer bij Gasunie Transport Services BV. Uit de quickscan blijkt dat voor alle beoordeelde bronnen geldt dat de contour voor het plaatsgebonden risico van 10‐6 per jaar het plangebied niet overlapt. Hieronder wordt per risicobron ingegaan op het groepsrisico waarbij wordt uitgegaan van maximaal 280 woningen, de uitbreiding van het bedrijf aan de Zegheweg 6 en de begrenzing van het plangebied in dit bestemmingsplan. Van Apeldoorn B.V. Voor Van Apeldoorn is een QRA opgesteld. Als gevolg hiervan is geen noemenswaardige stijging van het groepsrisico waarneembaar.
Dit bedrijf stop in april 2022 met de op‐ en overslag van gevaarlijke stoffen. Autobedrijf Van Aalten Voor het tankstation is de doorzet aan LPG beperkt tot maximaal 1.000 m3 per jaar. Voor het plaatsgebonden risico van 10‐6 per jaar gelden de afstanden uit tabel 4.5.
Rho adviseurs voor leefruimte
035100.20201245
48
Tabel 4.5 Veiligheidsafstanden voor het PR, bijlage 1 van de Revi Afstand (m) vanaf Afstand (m) vanaf Afstand (m) vanaf Doorzet (m3 per jaar) vulpunt ondergronds of ingeterpt afleverzuil reservoir 1.000 of meer 110 25 15 500 ‐ 1000 45 25 15 Voor het groepsrisico moet rekening worden gehouden met een invloedsgebied van 150 meter. Daarnaast wordt in de Circulaire LPG‐tankstations verzocht om naast het hanteren van de afstanden voor het plaatsgebonden risico bij het nemen van een nieuw ruimtelijk besluit rekening te houden met een effectafstand van 60 meter als gevolg van een fakkelbrand tot (beperkt) kwetsbare objecten. Dit wil zeggen dat deze afstand in beginsel aangehouden moet worden, maar dat gemotiveerd afwijken is toegestaan op grond van veiligheidsargumenten. Daarnaast wordt verzocht om rekening te houden met een effectafstand van 150 meter als gevolg van een BLEVE tot zeer kwetsbare objecten. De effectafstanden worden gemeten vanaf het vulpunt van het LPG‐tankstation. Aangezien het tankstation op ruim 200 meter afstand van het plangebied is gelegen, wordt er ruim voldaan aan bovengenoemde afstanden. V.O.F. F. Hazeleger Laagerfseweg 12a Het plangebied ligt buiten het invloedsgebied van de aanwezige opslagtank (25 meter).
Provinciale weg N224 In de Handleiding Risicoanalyse Transport (HART) zijn vuistregels opgenomen waarmee inzicht kan worden gegeven in de risicosituatie langs transportroutes zoals de N224. Op basis van de vuistregels volgt dat 10% van de oriëntatiewaarde van het groepsrisico niet wordt overschreden. Het groepsrisico dient wel verantwoord te worden. Hoge druk aardgastransportleidingen De hogedruk aardgasleiding W‐520‐01 heeft een invloedsgebied van 95 meter. Deze leiding is op circa 150 meter afstand gelegen en vormt dan ook geen belemmering. De hogedruk aardgasleiding W‐520‐01 ligt in het plangebied en heeft een invloedsgebied van 200 meter. Door LievenseCSO is daarom een QRA uitgevoerd. Daaruit blijkt dat het groepsrisico 0,022 * de oriëntatiewaarde bedraagt. Deze toename van het aantal personen leidt niet tot een overschrijding van de oriëntatiewaarde. Verantwoording groepsrisico Voor het groepsrisico geldt geen harde norm maar een oriëntatiewaarde en een verantwoordingsplicht. Omdat het groepsrisico in geen van de beschouwde situaties hoger is dan 0,1 * de oriëntatiewaarde is geen volledige verantwoording van het groepsrisico noodzakelijk. Wel dient aandacht te worden besteedt aan de aspecten zelfredzaamheid en bestrijdbaarheid. In het kader van het wettelijk vooroverleg is over deze aspecten aanvullend advies ingewonnen bij de Veiligheidsregio Utrecht, zie bijlage 10.
Bestrijdbaarheid en bereikbaarheid De bestrijdbaarheid is afhankelijk van de inzetbaarheid van hulpverleningsdiensten, in hoeverre zij in staat zijn hun taken goed uit te kunnen voeren en om daarmee verdere escalatie van een incident te voorkomen. Hierbij kan gedacht worden aan het voldoende/ adequaat aanwezig zijn van aanvalswegen en bluswatervoorzieningen, maar ook de brandweerzorgnorm wordt hier onder geschaard. Ten aanzien van de aspecten bereikbaarheid en bluswatervoorziening hanteert de regionale brandweer de richtlijnen zoals beschreven in de NVBR publicatie “Handleiding bluswatervoorziening en bereikbaarheid”.
Rho adviseurs voor leefruimte
035100.20201245
49
Via de beoogde verkeersstructuur kunnen hulpdiensten het gebied bereiken via de Stationsweg Oost. Daarnaast wordt via fase 1 een calamiteitenroute gerealiseerd die aansluit op de Zegheweg. De bewoners en andere gebruikers van het gebied kunnen bij calamiteiten gebruik maken van deze wegen en tevens via andere fietsverbindingen. Zelfredzaamheid Het uitganspunt is dat de meerderheid van de aanwezige personen binnen het plangebied zelfredzaam zullen zijn. Aanwezige kinderen en ouderen worden beschouwd als minder zelfredzame personen. Er wordt uitgegaan van het feit dat de ouders/verzorgers de kinderen en ouderen kunnen begeleiden zodat zij gezamenlijk kunnen vluchten. In het kader van een effectieve zelfredzaamheid kan het hulpsysteem 'Hartveilig Wonen' gehanteerd worden waarbij vrijwilligers opgeroepen kunnen worden om iemand te reanimeren in afwachting van een ambulance.
4.12
Kabels en leidingen
Normstelling en beleid Planologisch relevante leidingen en hoogspanningsverbindingen dienen te worden gewaarborgd. Tevens dient rond dergelijke leidingen rekening te worden gehouden met zones waarbinnen mogelijke beperkingen gelden. Onderzoek In paragraaf 4.11 is reeds ingegaan op in de omgeving aanwezige risicorelevante leidingen. In het plangebied is een hogedruk aardgastransportleiding van de Gasunie aanwezig. Door middel van het opnemen van de dubbelbestemming 'Leiding ‐ Gas' worden de belangen van het Gasunie en de aanwezige leiding beschermd. Tevens is in het plangebied een rioolpersleiding van het Waterschap Vallei en Veluwe aanwezig. Door middel van het opnemen van de dubbelbestemming 'Leiding ‐ Riool' worden de belangen van het Waterschap Vallei en Veluwe en de aanwezige leiding beschermd. Er zijn verder geen overige planologisch relevante buisleidingen, hoogspanningsverbindingen of straalpaden aanwezig. Er wordt geconcludeerd dat het aspect kabels en leidingen de uitvoering van het plan niet in de weg staat.
4.13
Archeologie en cultuurhistorie
Normstelling en beleid Erfgoedwet Sinds 1 juli 2016 is de Wet op de archeologische monumentenzorg vervangen door de Erfgoedwet. De uitgangspunten uit het 'Verdrag van Malta' blijven in de Erfgoedwet de basis van de Nederlandse omgang met archeologie. De Erfgoedwet regelt de bescherming van archeologisch erfgoed in de bodem, de inpassing ervan in de ruimtelijke ontwikkeling en de financiering van opgravingen. Voor gebieden waar archeologische waarden voorkomen of waar reële verwachtingen bestaan dat ter plaatse archeologische waarden aanwezig zijn, dient door de initiatiefnemer voorafgaand aan bodemingrepen archeologisch onderzoek te worden uitgevoerd. De uitkomsten van het archeologisch onderzoek dienen vervolgens volwaardig in de belangenafweging te worden betrokken. Het belangrijkste doel is de bescherming van het archeologische in de bodem (in situ) omdat de bodem doorgaans de beste garantie biedt voor een goede conservering. Er wordt uitgegaan van het basisprincipe de 'verstoorder' betaalt voor het opgraven en het documenteren van de aangetroffen waarden als behoud in de bodem niet tot de mogelijkheden behoort.
Rho adviseurs voor leefruimte
035100.20201245
50
Besluit ruimtelijke ordening Op basis van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) dient in de toelichting van elk bestemmingsplan een beschrijving te worden gegeven van de aanwezige cultuurhistorische en archeologische waarden van het plangebied. Omgevingswet De omgang met het cultureel erfgoed in onze leefomgeving wordt straks geregeld in de Omgevingswet (voorlopige inwerkingtreding 01‐07‐2022). Daarin worden onder meer de volgende zaken ondergebracht: vergunning (archeologische) rijksmonumenten; (aanwijzen) stads‐ en dorpsgezichten; aanstellen van een monumentencommissie; rekening houden met cultureel erfgoed bij een omgevingsplan; en het aanwijzen van provinciale en gemeentelijke monumenten. De aanwijzing en omgang met beschermde stads‐ en dorpsgezichten gebeurt na inwerkingtreding op grond van de Omgevingswet. Gemeentelijk beleid Voor het grondgebied van de gemeente Woudenberg en de gemeente Renswoude is een archeologische verwachtings‐ en beleidsadvieskaart opgesteld (RAAP 2010). Onderzoek en conclusie Explosieven In het kader van het bestemmingsplan is een vooronderzoek uitgevoerd naar het risico op het aantreffen van conventionele explosieven in het plangebied, zie bijlage 11. Het was namelijk niet bekend of er rekening gehouden dient te worden met het aantreffen van conventionele explosieven uit de Tweede Wereldoorlog in deze gebieden.
Op basis van de geraadpleegde bronnen, de beoordeling en evaluatie van de indicaties is vastgesteld dat er geen indicaties gevonden zijn die erop wijzen dat binnen het onderzoeksgebied oorlogshandelingen hebben plaatsgevonden, waardoor conventionele explosieven in de bodem kunnen zijn achtergebleven. Cultuurhistorie Binnen het plangebied zijn geen cultuurhistorische waardes aanwezig. Archeologie In verband met de beoogde ontwikkeling is een verkennend archeologisch onderzoek uitgevoerd, zie bijlage 12. Tijdens het onderzoek is geconstateerd dat er in plangebied alleen archeologische waarden worden verwacht in de waterbron en op, en mogelijk rondom, de noordwestelijke en noordoostelijke dekzandkop. In figuur 4.7 zijn de gebieden voor nader onderzoek weergegeven.
Rho adviseurs voor leefruimte
035100.20201245
51
Figuur 4.7 Uitsnede verdeling resultaten verkennend archeologisch onderzoek Op basis van de resultaten van het verkennend onderzoek wordt een proefsleuvenonderzoek uitgevoerd in de zones waarvoor een archeologische verwachtingswaarde geldt op basis van een door de gemeente goedgekeurd Programma van Eisen. Eventueel daaruit voortvloeiende maatregelen, zoals (vervolg)onderzoek of voorwaarden gericht op behoud kunnen in de vergunningsvoorschriften worden opgenomen. Hierdoor vormt het aspect archeologie geen belemmering voor de bestemmingswijziging.
Rho adviseurs voor leefruimte
035100.20201245
52
Rho adviseurs voor leefruimte
035100.20201245
53
Hoofdstuk 5
5.1
Juridische planbeschrijving
Inleiding
Voor het bestemmingsplan is gebruik gemaakt van de in de Wet ruimtelijke ordening opgenomen standaardvorm van de Standaard Vergelijkbare Bestemmingplannen 2012 (SVBP 2012). Dit bestemmingsplan bestaat uit een verbeelding, planregels en een toelichting. De verbeelding en de planregels vormen samen het juridisch bindende gedeelte van het bestemmingsplan. Beide planonderdelen moeten in onderlinge samenhang worden bezien en toegepast. Op de verbeelding zijn de bestemmingen aangewezen. Aan deze bestemmingen zijn bouwregels en regels betreffende het gebruik gekoppeld. De toelichting heeft geen rechtskracht, maar vormt niettemin een belangrijk onderdeel van het plan. De toelichting van dit bestemmingsplan geeft een weergave van de beweegredenen, de onderzoeksresultaten en de beleidsuitgangspunten die aan het bestemmingsplan ten grondslag liggen. Tot slot maken de bijlagen bij de toelichting en regels onlosmakelijk onderdeel uit van het bestemmingsplan.
5.2
Juridische planbeschrijving
De juridische regeling bestaat uit vier hoofdstukken. Het eerste hoofdstuk bevat de definities van begrippen die voor het algemene begrip, de leesbaarheid en uitleg van het plan van belang zijn. In dit eerste hoofdstuk is ook uitleg over de wijze van meten opgenomen. In het tweede hoofdstuk wordt op de bestemmingen en hun gebruik ingegaan. Het derde hoofdstuk gaat in op de algemene regels, zoals een algemene regel voor het gebruik van de gronden die op vrijwel alle bestemmingen van toepassing zijn. De overgangs‐ en slotregels maken onderdeel uit van het vierde hoofdstuk. 5.2.1 Inleidende regels Conform SVBP 2012 en de gemeentelijke standaard bevatten de inleidende regels artikelen met de begripsbepalingen en de wijze van meten. 5.2.2 Bestemmingsregels In deze paragraaf komen alle (enkel)bestemmingen aan de orde. Het betreft een indeling van bestemmingen in hoofdgroepen waarin de meest voorkomende functies kunnen worden ondergebracht. De indeling in hoofdgroepen maakt het raadplegen van een bestemmingsplan en het zoeken naar bepaalde functies eenvoudiger. De gronden van het gehele plangebied hebben een positieve bestemming. Een positieve bestemming betekent dat gebruik van de gronden voor de verschillende bestemmingen direct mogelijk is.
Bovendien betekent het dat oprichting van gebouwen direct mogelijk is nadat het bevoegd gezag een omgevingsvergunning voor de activiteit bouwen heeft verleend. Hieronder volgt per toegepaste bestemming een korte toelichting.
Rho adviseurs voor leefruimte
035100.20201245
54
Artikel 3 Agrarisch Deze bestemming wordt gebruikt voor cultuurgrond (weilanden e.d.) binnen het plangebied. Qua regeling is op hoofdlijnen aangesloten op het vigerende bestemmingsplan en het bestemmingsplan buitengebied. Artikel 4 Groen Deze bestemming is opgenomen voor de noord‐ en zuidranden van het gebied welke vrij dienen te blijven van bebouwing en groen moeten worden ingericht. Langzaamverkeerverbindingen zijn toegestaan. Het bouwen van gebouwen is niet toegestaan. het bouwen van bouwwerken, geen gebouwen zijnde, is aan beperkt toegestaan. Artikel 5 Tuin Om het landschappelijke en open karakter van de Zegheweg te behouden is een strook van 6 meter langs de weg bestemd voor Tuin en niet voor Woongebied. Tevens is de aanduiding 'erf uitgesloten' voor de betreffende strook opgenomen. Dit om te voorkomen dat gronden beschouwd dienen te worden als erf in de zin van artikel 1 van bijlage II behorende bij het Besluit omgevingsrecht, zodat vergunningvrije bouwwerken ter plaatse niet mogelijk zijn. Artikel 6 Water Binnen deze bestemming zijn de belangrijke waterlopen en ‐partijen ondergebracht. Op deze gronden zijn qua bouwwerken uitsluitend keermuren, steigers en vlonders toegestaan. Ook bruggen en overkluizingen mogen aangelegd worden.
Artikel 7 Woongebied Ten behoeve van de gewenste flexibiliteit ten aanzien van de toekomstige inrichting van het nieuwe woongebied, is in dit bestemmingsplan gekozen voor de bestemming 'Woongebied'. De bestemming 'Woongebied' betreft een globale eindbestemming. Binnen de bestemming zijn de gronden bestemd voor woondoeleinden, maar ook voor andere doeleinden die binnen het woongebied passen, zoals wegen en paden, groenvoorzieningen, water en openbare nutsvoorzieningen. Voorzieningen ten behoeve van het opwekken, transporteren en vasthouden van duurzame energie zijn tevens expliciet toegestaan binnen deze bestemming. De maximale goot‐ en bouwhoogte bedraagt respectievelijk 6 meter en 11 meter. In de regels is een afwijkingsbevoegdheid opgenomen om hiervan af te wijken voor het realiseren van appartementengebouwen met maximaal 4 lagen. In het oosten van het plangebied ter plaatse van de aanduiding 'specifieke bouwaanduiding ‐ 1, bedraagt de maximale bouwhoogte echter 11 meter. Voor de plaatsing van bijbehorende bouwwerken, bouwwerken geen gebouwen zijnde (zoals overkappingen) en erf‐ en terreinafscheidingen zijn regels opgenomen ten aanzien van locatie, hoogte en/of oppervlakte. Ook ten behoeve van aan‐huis‐gebonden beroepen en kleinschalige bedrijfsmatige activiteiten zijn regels opgenomen in dit bestemmingsplan.
Artikel 8 Leiding ‐ Gas Binnen deze dubbelbestemming valt de leiding zelf alsmede de bebouwingsvrije zone van 4 meter die aan weerszijden van het hart van de leiding aangehouden moet worden. Op deze gronden mogen geen gebouwen en/of bouwwerken worden gerealiseerd die niet ten diensten staan van de leiding. Van deze bouwregels kan met een omgevingsvergunning worden afgeweken. Hiervoor dient vooraf advies ingewonnen te worden bij de leidingbeheerder.
Rho adviseurs voor leefruimte
035100.20201245
55
Artikel 9 Leiding ‐ Riool Binnen deze dubbelbestemming valt de leiding zelf alsmede de bebouwingsvrije zone van 3,0 m die aan weerszijden van de leiding aangehouden moet worden. Op deze gronden mogen geen gebouwen en/of bouwwerken worden gerealiseerd die niet ten diensten staan van de rioolpersleiding. Van deze bouwregels kan met een omgevingsvergunning worden afgeweken. Hiervoor dient vooraf advies ingewonnen te worden bij de leidingbeheerder. Artikel 10 Waarde ‐ Archeologie 2 Deze dubbelbestemming is opgenomen ter bescherming van mogelijk aanwezige archeologische waarden in het plangebied. 5.2.3 Algemene regels De algemene regels betreffen regels die voor het hele plangebied gelden en bestemmingsoverschrijdend zijn. Het gaat hierbij om de algemene bouwregels, de algemene gebruiksregels, algemene afwijkingsregels, algemene wijzigingsregels en overige regels. Artikel 11 Anti‐dubbeltelregel Deze regel is opgenomen om te voorkomen dat, wanneer volgens een bestemmingsplan bepaalde gebouwen en bouwwerken niet meer dan een bepaald deel van een bouwperceel mogen beslaan, het opengebleven terrein nog eens meetelt bij het toestaan van een ander gebouw of bouwwerk, waaraan een soortgelijke eis wordt gesteld. Artikel 12 Algemene bouwregels In dit artikel zijn twee algemene regels opgenomen met betrekking tot bestaande maatvoering en ondergronds bouwen.
Artikel 13 Algemene gebruiksregels In dit artikel zijn algemene bepalingen over strijdig gebruik opgenomen. Artikel 14 Algemene aanduidingsregels In dit artikel is de regeling voor de aanduiding 'milieuzone ‐ boringsvrije zone' opgenomen. Dit is een boringsvrije zone voor de instandhouding en bescherming van de kleilaag diep in de bodem ten behoeve van de drinkwatervoorziening in het zuidoosten van het plangebied. Artikel 15 Algemene afwijkingsregels In dit artikel zijn algemene afwijkingsregels opgenomen met betrekking tot maatvoering, antenne‐installaties en kleine gebouwen. Artikel 16 Algemene wijzigingsregels In dit artikel is een wijzigingsbevoegdheid opgenomen ter plaatse van de bedrijfsgronden aan de Stationsweg 211‐213 en ter plaatse van een gedeelte van de bestemming Woongebied. Bij beëindiging van de bedrijfsactiviteiten en indien alle aanwezige bebouwing wordt gesloopt, mogen hier, na vaststelling van een wijzigingsplan, ook grondgebonden woningen gerealiseerd worden. Ten behoeve van een betere positionering van deze woningen is het onder andere toegestaan de bouwvlakken te wijzigen. Tevens is een algemene wijzigingsbevoegdheid opgenomen om, onder voorwaarden, de bestemmingsgrenzen te wijzigen. Artikel 17 Overige regels In dit artikel zijn bepalingen opgenomen wat betreft het moeten voorzien in voldoende parkeergelegenheid binnen de verschillende enkelbestemmingen.
Rho adviseurs voor leefruimte
035100.20201245
56
5.2.4 Overgangs‐ en slotregel In artikel 3.2.1 van het Bro zijn standaardregels opgenomen met betrekking tot het overgangsrecht voor bouwwerken en gebruik. Deze maken onderdeel uit van dit bestemmingsplan. De slotregel geeft aan op welke wijze de regels van het bestemmingsplan kunnen worden aangehaald.
Rho adviseurs voor leefruimte
035100.20201245
57
Hoofdstuk 6
6.1
Uitvoerbaarheid
Maatschappelijke uitvoerbaarheid
Voortraject Het is van belang dat burgers, bedrijven en maatschappelijke organisaties worden betrokken bij de totstandkoming van een bestemmingsplan. In het voortraject van de planvorming is in het kader van het opstellen van het Masterplan overleg plaatsgevonden met stakeholders (grondeigenaren, aangrenzende bedrijven) en overlegpartners. Voor omwonenden is een inloopavond met betrekking tot het Masterplan georganiseerd. De avond was positief, over het algemeen is er draagvlak voor de woningbouwontwikkeling. In het proces van het opstellen van het stedenbouwkundig plan voor fase 1 zijn drie werksessies georganiseerd waar diverse overlegpartners aan deel hebben genomen. Daarnaast is er met omliggende bedrijven en omwonenden individueel overleg geweest over het op te stellen stedenbouwkundig plan en bestemmingsplan. Overleg ex artikel 3.1.1 Bro Het voorontwerpbestemmingsplan is in het kader van het wettelijke vooroverleg ex artikel 3.1.1 lid 1 Bro toegezonden aan de overlegpartners zoals de Provincie Utrecht en het Waterschap. De ingekomen reacties zijn samengevat en van beantwoording voorzien in een nota, zie bijlage 13. Inspraak Het voorontwerpbestemmingsplan ligt gedurende 6 weken ter inzage. De ingekomen reacties worden samengevat en van beantwoording voorzien in een nota, zie bijlage 13. Zienswijzen Het ontwerpbestemmingsplan wordt gedurende 6 weken ter inzage gelegd.
De ingekomen reacties op het ontwerpbestemmingsplan worden samengevat en van beantwoording voorzien in een nota.
6.2
Economische uitvoerbaarheid
Grondexploitatie, verwerving en kostenverhaal Regelgeving Belangrijk onderdeel van de Wet ruimtelijke ordening (Wro) zijn de regels omtrent grondexploitatie. Daarin wordt een exploitatieplan verplicht gesteld indien nieuwe bouwplannen rechtstreeks mogelijk worden gemaakt door middel van een bestemmingsplan en er voor de gemeente sprake is van verhaalbare kosten (kostensoortenlijst Besluit ruimtelijke ordening). Een exploitatieplan is niet vereist indien het kostenverhaal anderszins is verzekerd (bijvoorbeeld door het sluiten van overeenkomsten van grondexploitatie met alle eigenaren in het exploitatiegebied, waar bouwmogelijkheden gerealiseerd kunnen worden of volledig grondeigendom).
Rho adviseurs voor leefruimte
035100.20201245
58
Kostenverhaal Met de beoogde ontwikkelaars van het plangebied zal een privaatrechtelijke overeenkomst worden gesloten waarin de (financiële) afspraken over het plan zijn vastgelegd, inclusief kostenverhaal. Deze overeenkomst wordt aangemerkt als anterieure overeenkomst. Het is derhalve niet nodig om een exploitatieplan vast te stellen. Financiële uitvoerbaarheid Regelgeving In artikel 3.1.6. van het Bro is bepaald dat in de toelichting van het bestemmingsplan inzicht moet worden gegeven in de uitvoerbaarheid. Hieronder wordt mede de financiële uitvoerbaarheid verstaan. Toetsing De kosten voor de uitvoering van de bouwplannen liggen volledig bij de ontwikkelende partijen. Kosten voor de nog uit te voeren onderzoeken zoals het archeologisch onderzoek liggen bij de gemeente zelf. Hier zijn financiële middelen beschikbaar voor gesteld. Geconcludeerd wordt dat er voldoende middelen zijn om de ontwikkeling tot uitvoering te brengen. Het plan is daarmee financieel uitvoerbaar.