CConstaterende datWoudenberg
Koppel je AI →
Document · PDF

03c. Zuiderbroek 18 en Griftdijk 31-33_TOELICHTING.pdf

Raadscommissie 9 november 2021, gemeente WoudenbergBij agendapunt: 6: Ingekomen stukken21.010 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 3

Daarnaast valt het nieuwe woonperceel Zuiderbroek 18 niet binnen het NNN en krijgen de gronden binnen het NNN een passende bestemming die strekt tot bescherming en instandhouding van de wezenlijke kenmerken en waarden en samenhang van het Natuurnetwerk Nederland. De voorgenomen ontwikkeling is in overeenstemming met de Interim omgevingsverordening.

Zuiderbroek 18 en Griftdijk 31-33

29

Uitsnede kaart 'Natuur, kaart 1' (Bron: Interim Omgevingsverordening) Buitenplaatszone De locatie Zuiderbroek 18 is gelegen in de 'historische buitenplaatszone'. Volgens artikel 7.7 van de Interim omgevingsverordening dient in een bestemmingsplan dat betrekking heeft op locaties gelegen in de Cultuurhistorische hoofdstructuur rekening te worden gehouden met de waarden van de Cultuurhistorische hoofdstructuur en worden regels gesteld ter bescherming en benutting van deze waarden. Zoals eerder aangegeven leidt het saneren van een intensieve veehouderij en het herinrichten van het perceel Zuiderbroek 18, tot een grote ruimtelijke kwaliteitsverbetering binnen het landgoed Geerestein. De cultuurhistorische waarde van de locatie als historisch erf binnen het landgoed wordt versterkt. Daarmee wordt voldaan aan de Interim omgevingsverordening. Daarnaast ligt de locatie Zuiderbroek 18 in de 'uitzondering verstedelijkingsverbod Landelijk gebied'. Artikel 7.8 bepaalt dat in afwijking van het verstedelijkingsverbod voor het landelijk gebied een bestemmingsplan verstedelijking kan toestaan in de Historische buitenplaatszone, onder de voorwaarde dat: a. kleinschalig is; b.

gericht is op het creëren van economische kostendragers ten behoeve van het behoud, herstel of de versterking, of een combinatie hiervan, van de cultuurhistorische waarde van de Historische buitenplaatszone dan wel het Militair erfgoed; en c. zorgvuldig wordt ingepast in de omgeving. In dit geval kan de toevoeging van de recreatiewoning op het perceel Zuiderbroek 18 onder dit artikel worden geschaard. Het betreft een kleinschalige verstedelijking. Daarnaast kan met de recreatiewoning het historisch erf aan de Zuiderbroek beter vorm worden gegeven en zorgt de recreatiewoning voor een betere erfuitstraling. De recreatiewoning geldt tevens als kostendrager in het behoud van de waarde van

Zuiderbroek 18 en Griftdijk 31-33

30

het landgoed. Het is op de lange termijn een inkomstenbron voor het instandhouden van het nieuwe erf. Ook zorgt een recreatiewoning voor levendigheid op het oude boerenerf. Vanouds was een agrarisch erf een levendig erf met dieren en beweging. Hierbij wordt met een recreatiewoning aansluiting gezocht. Tot slot wordt op deze wijze aan meer mensen de gelegenheid gegeven om te genieten van deze locatie en wordt voorkomen dat een besloten enclave, al dan niet met standaard tuin, in het landgoed ontstaat.

Uitsnede kaart 'Cultuurhistorie en landschap, kaart 1' (Bron: Interim Omgevingsverordening) Landschap Gelderse Vallei Het plangebied is gelegen in het Landschap Gelderse Vallei. Met betrekking tot deze gronden stelt artikel 7.9 van de Interim omgevingsverordening dat een bestemmingsplan bestemmingen en regels bevat ter bescherming van de voorkomende kernkwaliteiten en geen bestemmingen of regels die nieuwe activiteiten toestaan die de kernkwaliteiten onevenredig aantasten. Zoals eerder aangegeven omvat voorliggend plan de ontwikkeling van twee woningen en een recreatiewoning en wordt er agrarisch bebouwing met bijbehorende voorzieningen gesloopt. Het initiatief leidt tot een versterking van de cultuurhistorische waarden er wordt nieuwe natuur gerealiseerd. Er is zorgvuldig bezien hoe de nieuwbouw ingepast kan worden in het huidige landschap met een relatie naar het historische landschap. Hiervoor wordt ook verwezen naar Hoofdstuk 2. Door een goede landschappelijke inpassing en het realiseren van de kansen tot kwaliteitsverbetering wordt de aantasting van het halfopen strokenlandschap ter plaatse van de locatie 'Griftdijk 31-33' tot een minimum beperkt. Geconcludeerd wordt dat er geen kernkwaliteiten worden aangetast. De voorgenomen ontwikkeling is in overeenstemming met het gestelde in de Interim omgevingsverordening.

Zuiderbroek 18 en Griftdijk 31-33

31

3.3

Gemeentelijk beleid

3.3.1

Structuurvisie Woudenberg 2013 - 2030 en oplegger

Op 23 mei 2013 heeft de gemeenteraad van Woudenberg de Structuurvisie Woudenberg 2013 - 2030 vastgesteld. Op 24 januari 2019 is daarbij ook de oplegger vastgesteld. In de ruimtelijke visie wordt aangegeven hoe de gemeente denkt over de ruimtelijke invulling voor het wonen, werken en recreëren voor de jaren tot 2030. Met de oplegger is geconstateerd dat de huidige structuurvisie op hoofdlijnen nog voldoet, wel is deze geactualiseerd op een aantal onderdelen. Met betrekking tot de onderhavige planlocatie staan de volgende relevante zaken opgenomen in de Structuurvisie. Verbinden en combineren van kwaliteiten Richting 2030 zet Woudenberg in op het verbinden, combineren en vernieuwen van haar kwaliteiten. Een groot deel van deze kwaliteiten is opgehangen aan de landschappelijke en ruimtelijke (verkeers)structuur van Woudenberg, maar versterken elkaar op dit moment onvoldoende. Ze bestaan als het ware naast elkaar. Van west naar oost: recreatie rondom het Henschotermeer en de Pyramide van Austerlitz --> wonen en centrumvoorzieningen in de kern --> werken en horeca op bedrijventerrein Parallelweg en bij hotel Schimmel --> cultuurhistorie bij het Valleikanaal en de Grebbelinie en ten noorden en zuiden daarvan landbouw, natuur en landgoederen. Door het ruimtelijk verbinden en combineren van deze sectoren ontstaat een sterk raamwerk: het ruimtelijk economisch structuurbeeld voor 2030.

Hierin benut Woudenberg (de mogelijkheden van) haar kwaliteiten ten volle. Niet alleen door deze te verbinden en te combineren, maar ook door deze: Te vernieuwen: Centrum van Woudenberg tot aantrekkelijk boodschappen-, winkel- en verblijfsgebied voor bewoners en recreanten; Te transformeren te herstructureren en te herontwikkelen: verschillende bedrijventerreinen waarvan bedrijventerrein Parallelweg en de spoorzone de grootste zijn; Te versterken: woningbouw in Woudenberg Oost en op verschillende inbreidingslocaties; Te verbreden: landbouw met verschillende agrarische nevenfuncties; Te beschermen: de intrinsieke waarde van de natuur, landschap en cultuurhistorie. Indien mogelijk dan kunnen deze ook beter benutbaar en beleefbaar worden gemaakt. Cultuurhistorie en erfgoed Binnen de gemeentegrenzen van Woudenberg liggen diverse landgoederen: Geerestein, De Boom, Bruinenburg, Lambalgen, Rumelaar/Ringelpoel en Den TreekHenschoten. De landgoederen hebben op de eerste plaats een landschappelijke, agrarische en ecologische waarde. Deze historische elementen in het landschap bestaande uit bebouwing, tuinen, bos- en natuurterrein en landbouwgronden structureren mede het landschap. Alle landgoederen zijn vanwege de Natuurschoonwet openbaar toegankelijk.

Behoud van de landgoederen met hun eigen kwaliteiten en groenstructuren is het uitgangspunt, maar met name vanuit recreatief oogpunt is ook het meer beleefbaar maken, benutten en opstellen van de landgoederen een uitgangspunt. Aangezien de landgoederen in particulier eigendom zijn heeft de gemeente hierop geen directe invloed. Door overleg en samenwerking en door de juiste voorwaarde te scheppen worden hiertoe mogelijkheden geboden. Wonen Middels de oplegger is deze paragraaf komen te vervallen en wordt verwezen naar het Woningbehoefte onderzoek 2018 en het beleid zoals opgenomen in de Woonvisie 2019+. De Woonvisie 2019+ komt in paragraaf 3.3.2 aan bod. Het Woningbehoefteonderzoek is inmiddels geactualiseerd naar de versie 2020. In paragraaf 3.1.3 is de inhoud daarvan uitgebreid besproken. Er is geconcludeerd dat het realisatie van twee vrijstaande woningen voorziet in een behoefte. Ontwikkellocaties De structuurvisie vormt het ruimtelijk kader voor verschillende projecten in de gemeente en andere

Zuiderbroek 18 en Griftdijk 31-33

32

nieuwe initiatieven in de toekomst. Deze dragen bij aan de ontwikkeling van het ruimtelijk-economisch structuurbeeld 2030. Een deel van de projecten betreft concrete ontwikkellocaties. Dit zijn verschillende plekken in de gemeente waar de komende jaren ruimtelijke veranderingen plaatsvinden en/of gewenst zijn. Er wordt daarbij onderscheid gemaakt tussen grootschalige en kleinschalige ontwikkelingslocaties. Het onderhavige plangebied valt niet binnen één van de in de structuurvisie aangegeven ontwikkelingslocaties. Conclusie Onderhavige ontwikkeling draagt bij aan de ambities zoals verwoord in de Structuurvisie Woudenberg 2013-2030 en oplegger. Met het initiatief worden bestaande natuur-, landschappelijke en cultuurhistorische kwaliteiten immers behouden en verder versterkt. Er wordt een intensieve veehouderij midden in Natuurnetwerk Nederland (NNN) gesaneerd. Daarnaast is er sprake van een grote ruimtelijke kwaliteitsverbetering binnen het landgoed Geerestein. De cultuurhistorische waarde van de locatie als historisch erf binnen het landgoed wordt versterkt. Tot slot past het toevoegen van een recreatiewoning op de locatie Zuiderbroek 18 binnen de wens om landgoederen meer beleefbaar te maken. 3.3.2

Woonvisie Woudenberg 2019+

Op 24 januari 2019 is de Woonvisie 2019+ door de gemeenteraad vastgesteld. Veranderende marktomstandigheden, demografische ontwikkelingen en recente beleidswijzigingen vragen om een actualisatie van de laatste woonvisie (2013). De woonvisie is uitgewerkt aan de hand van vier focuspunten. Deze vormen samen de kern van de woonvisie 2019+. 1. Nieuwbouw op basis van behoeften; 2. Betaalbare woningvoorraad; 3. Wonen, zorg en welzijn laten aansluiten op ambities; 4. Duurzame en toekomstbestendige woningvoorraad. Op basis van het recent (2020) uitgevoerde woningbehoefteonderzoek, dat elke 2 jaar geactualiseerd wordt, blijkt dat er behoefte is aan nieuwbouw voor alle doelgroepen. De gemeente Woudenberg zet in op duurzame woningbouw door te kiezen voor een hoog kwaliteitsniveau en voor nieuwbouw die aansluit op de behoeften. Daarnaast geeft men ruimte aan experimenten en initiatieven vanuit de markt. Onderhavig project sluit aan bij de boodschap van de Woonvisie: flexibiliteit is gewenst en er dient kleinschaliger te worden ontwikkeld. Er is sprake van twee vrijstaande woningen die de lintbebouwing van de Griftdijk naar het noorden toe afmaken. De onderhavige ontwikkeling draagt bij aan de ambities uit de Woonvisie en sluit aan bij de vraag naar woningen, zoals deze naar voren komt in het woningbehoefteonderzoek.

Zuiderbroek 18 en Griftdijk 31-33

33

Hoofdstuk 4

Uitvoeringsaspecten

In dit hoofdstuk zullen de relevante uitvoeringsaspecten bij het plan worden besproken. Hierin is aandacht voor de verschillende milieuaspecten zoals flora en fauna en luchtkwaliteit, en is er aandacht voor milieuzonering, verkeer en parkeren en externe veiligheid. 4.1

Flora en fauna

4.1.1

Wettelijk kader

Wet natuurbescherming Op 1 januari 2017 is de Wet natuurbescherming in werking getreden. Deze wet heeft de Natuurbeschermingswet 1998, de Boswet en de Flora- en faunawet vervangen. Het doel is om met één wet en minder regels de wet makkelijker te kunnen toepassen. Vanaf 1 januari 2017 bepalen de provincies wat wel en niet mag in de natuur in hun gebied. Ook zorgen de provincies vanaf deze datum voor vergunningen en ontheffingen. De Rijksoverheid blijft verantwoordelijk voor het beleid van grote wateren, zoals het IJsselmeer. De Wet natuurbescherming regelt de bescherming van Natura 2000-gebieden. Ter bescherming van deze Natura 2000-gebieden voorziet de Wet natuurbescherming in een vergunningenregime voor het realiseren of verrichten van projecten en andere handelingen die de natuurlijke kenmerken van een aangewezen Natura 2000-gebied kunnen aantasten. Voorts voorziet de Wet natuurbescherming in de bescherming van planten- en diersoorten binnen en buiten de beschermde natuurgebieden. Het uitgangspunt is dat beschermde planten- en diersoorten geen schade mogen ondervinden. Voor het uitvoeren van werkzaamheden in de openbare ruimte is het niet altijd nodig een vrijstelling of een ontheffing aan te vragen.

Voor onder andere reguliere werkzaamheden of ruimtelijke ontwikkelingen geldt een vrijstelling voor beschermde soorten op voorwaarde dat gehandeld wordt volgens een goedgekeurde gedragscode. Verder worden vrijstellingsregelingen op de nationaal beschermde soorten per provincie vastgesteld. Wanneer het onmogelijk is schade aan streng beschermde planten en dieren tijdens ruimtelijke ontwikkelingen en inrichting te voorkomen, moet altijd een ontheffing worden aangevraagd. De voorwaarden verbonden aan een vrijstelling of een ontheffing zijn afhankelijk van de status van de plantenen diersoorten die in het plangebied voorkomen. Zorgplicht Voorts geldt bij uitvoering van werkzaamheden ten allen tijde een de algemene zorgplicht (artikel 1.11 Wet natuurbescherming). Deze schrijft voor dat nadelige gevolgen voor flora en fauna zoveel als mogelijk voorkomen moeten worden. Dit betekent dat wanneer tijdens uitvoering van de werkzaamheden een algemeen beschermde soort als konijn, veldmuis of gewone pad wordt aangetroffen zij de ruimte en tijd moet krijgen om een veilig heenkomen te zoeken. Indien nodig kunnen aangetroffen exemplaren verplaatst worden naar een naastgelegen ruimte waar geen werkzaamheden uitgevoerd worden. Natuurnetwerk Nederland Het Natuurnetwerk Nederland (NNN) is het Nederlands netwerk van bestaande en nieuw aan te leggen natuurgebieden.

Het netwerk moet natuurgebieden beter verbinden met elkaar en met het omringende agrarisch gebied. In het NNN liggen onder andere bestaande natuurgebieden en alle Natura 2000gebieden. Het NNN is op provinciaal niveau uitgewerkt en middels ruimtelijke nota's en verordeningen voorzien van juridische doorwerking. In sommige provincies bestaan er naast het NNN ook nog andere groene zones die een zekere mate van bescherming genieten.

Zuiderbroek 18 en Griftdijk 31-33

34

4.1.2

Gebiedsbescherming

De locatie Zuiderbroek 18 is deels binnen het Natuurnetwerk Nederland gelegen. De werkzaamheden vinden echter plaats in het gedeelte dat buiten beschermde natuurgebieden is gelegen. Directe effecten zoals areaalverlies en versnippering kunnen hierdoor worden uitgesloten. Voorgaande conclusie wordt bevestigd in de Quick scan Wet natuurbescherming en Interim Omgevingsverordening 2020 die door Ecoresult is uitgevoerd (Bijlage 2). Het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied is Kolland & Overlangbroek op 10,8 kilometer ten zuiden van het plangebied. Significante negatieve effecten van stikstofemissie, geluid, trilling of verlichting op nabijgelegen Natura 2000gebieden kunnen worden uitgesloten als gevolg van de aard van de werkzaamheden en afstand van het plangebied tot deze Natura 2000-gebieden. Het aanvragen van een ontheffing op de Wet natuurbescherming met betrekking tot gebiedsbescherming is niet nodig. Het plangebied is gedeeltelijk gelegen in een gebied van Natuurnetwerk Nederland (NNN). Het betreft een onderdeel van het NNN dat als onderdeel van de Heigraaf middels een duiker aanwezig is. Ingrepen vinden hier niet plaats. Hierdoor valt voorhand uit te sluiten dat de activiteiten geen negatieve effecten hebben op het Natuurnetwerk Nederland (NNN). Vanwege de ligging buiten Groene Contour en Weidevogelkerngebied treden geen schadelijke effecten op voor deze gebieden.

Nader onderzoek is niet noodzakelijk. Het aanvragen van een vergunning is niet nodig. Het plangebied bevindt zich buiten de bebouwde kom en er zijn voor zover bekend geen werkzaamheden gepland waarbij houtopstanden groter dan 10 are of 20 bomen in een rij of een deel ervan verwijderd worden. In dit geval is de Wet natuurbescherming, onderdeel houtopstanden niet van toepassing. Stikstofdepositie Sinds 2015 was het Programma Aanpak Stikstof (hierna: PAS) van kracht. Het programma bevatte een integrale beoordeling van de bron- en gebiedsgerichte maatregelen voor de aanpak van de stikstofproblematiek. Deze maatregelen werden getroffen in en nabij de Natura 2000-gebieden die onderdeel zijn van het PAS. Als gevolg van de uitspraak van de Raad van State van 29 mei 2019 (ECLI:NL:RVS:2019:1603) geldt het PAS voor geen enkel Natura 2000-gebied meer. Dit betekent ook dat de collectieve passende beoordeling via het PAS door de uitspraak is komen te vervallen. Met de AERIUS Calculator kunnen de effecten van ruimtelijke ontwikkelingen op Natura 2000-gebieden worden bepaald. Door de uitspraak is in het kader van onderhavige ontwikkeling ook gekeken naar de mogelijk te verwachten effecten. Het dichtstbijzijnde Natura-2000 gebied betreft Kolland & Overlangbroek. Dit gebied ligt op een afstand van circa 10,8 kilometer ten zuiden van de planlocatie.

Er is een stikstofdepositieberekening uitgevoerd met behulp van de AERIUS Calculator. Hieruit blijkt dat de gewenste ontwikkeling zowel in de gebruiksals bouwfase niet leidt tot een stikstofdepositie op Natura 2000-gebieden die hoger is dan 0,00 mol/ha/jaar. Daarmee zijn er voor wat betreft het aspect stikstofdepositie geen belemmeringen voor de realisatie van het plan. De stikstofdepositieberekening met bijbehorende bijlagen is opgenomen in Bijlage 3 bij deze toelichting. 4.1.3

Soortenbescherming

Quick scan Wet natuurbescherming en Interim Omgevingsverordening 2020 Om de effecten van de voorgenomen wijziging op de aanwezige flora en fauna te bepalen is in 2021 een Quick scan Wet natuurbescherming en Omgevingsverordening uitgevoerd door Ecoresult (Bijlage 2). Dit verkennend onderzoek zoomt in op de (mogelijke) schadelijke effecten door de activiteiten en op welke wijze in het kader van de wet gehandeld kan worden. Uit de Quick scan blijkt dat: De voorgenomen ontwikkelingen kunnen leiden tot schadelijke effecten op potentieel aanwezige verblijfplaatsen en functioneel leefgebied van de huismus, steenuil en kerkuil (locatie Zuiderbroek 18). Nader veldonderzoek is nodig. Indien huismus, steenuil en/of kerkuil aanwezig zijn en een

Zuiderbroek 18 en Griftdijk 31-33

35

overtreding van een verbodsbepaling niet kan worden voorkomen, dient een ontheffing of vergunning te worden aangevraagd. Overige Vogelrichtlijnsoorten met jaarrond beschermde nesten worden niet verwacht. De voorgenomen ontwikkelingen kunnen leiden tot schadelijke effecten op potentieel aanwezige verblijfplaatsen van boerenzwaluw (locatie Zuiderbroek 18). Nader veldonderzoek is nodig. Op basis van het aantal nesten kan worden bepaald of een overtreding van een verbodsbepaling niet kan worden voorkomen. Indien overtreding niet kan worden voorkomen dient een ontheffing of vergunning te worden aangevraagd en dienen mitigerende maatregelen getroffen te worden. Tijdelijke schadelijke effecten door uitvoering van de werkzaamheden op bezette nesten van overige vogels met niet jaarrond beschermde nesten zijn te voorkomen (in gebruik zijnde vogelnesten mogen in principe nooit worden verstoord) door buiten het broedseizoen te werken (buiten grofweg de periode 1 maart – 15 augustus). Tijdelijke schadelijke effecten door uitvoering van de werkzaamheden op bezette nesten van algemene vogels zijn te voorkomen (in gebruik zijnde vogelnesten mogen in principe nooit worden verstoord) door buiten het broedseizoen te werken (buiten grofweg de periode 1 maart – 15 augustus).

De voorgenomen ontwikkelingen leiden tot een negatief effect op potentieel aanwezige voortplantingsplaatsen en vaste rust- en verblijfplaatsen van gebouwbewonende vleermuizen op de locatie Zuiderbroek 18 (kleine dwergvleermuis, gewone dwergvleermuis, ruige dwergvleermuis, gewone grootoorvleermuis en/of laatvlieger). Hierdoor kunnen de verbodsbepalingen Art 3.5 lid 2 en 4 van de Wnb worden overtreden. Nader onderzoek is nodig. Indien voortplantings- en vaste rust- en verblijfplaatsen van vleermuizen aanwezig zijn én door de werkzaamheden een verbodsbepaling van de Wet natuurbescherming wordt overtreden dient een ontheffing of vergunning in bezit te zijn voordat met de werkzaamheden kan worden gestart. Overige Habitatrichtlijnsoorten worden niet verwacht. De Heigraaf is geschikt voor grote modderkruiper. Hierdoor kunnen de verbodsbepalingen Art 3.5 lid 2 en 4 van de Wnb worden overtreden. Nader onderzoek is nodig. Indien voortplantings- en vaste rust- en verblijfplaatsen van vleermuizen aanwezig zijn én door de werkzaamheden een verbodsbepaling van de Wet natuurbescherming wordt overtreden dient een ontheffing of vergunning in bezit te zijn voordat met de werkzaamheden kan worden gestart.

Het plangebied is geschikt voor Nationaal beschermde soorten waarvoor in de provincie Utrecht een vrijstelling geldt, zoals algemene (spits)muizen, egel, gewone pad en bruine kikker en kleine marterachtigen. Nader onderzoek naar deze soorten is niet noodzakelijk. Wel geldt ten alle tijde de zorgplicht. Dit houdt in dat indien mogelijk schadelijk effect zoveel mogelijk dient te worden voorkomen. Er is ook gekeken naar groeiplaatsen (voor zover waarneembaar) van exoten als Japanse duizendknoop en reuzenberenklauw. Er werden geen groeiplaatsen van deze soorten aangetroffen. 4.1.4

Aanvullendonderzoek

Gelet op het voorgaande dient er aanvullend onderzoek plaats te vinden voor wat betreft vleermuis, huismus, steenuil, kerkuil, boerenzwaluw (locatie Zuiderbroek 18) en grote modderkruiper (locatie Griftdijk 31-33). Deze aanvullende onderzoeken worden uitgevoerd in de periode april 2021 - april 2022. De aanvullende onderzoeken worden derhalve parallel aan de procedure uitgevoerd en zullen in ieder geval worden afgerond voor de sloop- en bouwwerkzaamheden. Indien nodig wordt eerst ontheffing van de Wet natuurbescherming aangevraagd. Initiatiefnemer draagt hiervoor zorg en neemt de verantwoordelijkheid dat voldaan wordt aan Wet natuurbescherming. 4.1.5

Conclusie

Gelet op het vorenstaande kan worden geconcludeerd dat er vanuit de Flora- en faunaregelgeving geen beperkingen worden opgelegd aan deze ontwikkeling wanneer de hiervoor genoemde aanbevelingen en maatregelen in acht worden genomen. De genoemde aanbevelingen en maatregelen zullen worden (over)genomen. Dit geldt tevens voor de aanbevelingen en maatregelen welke voortvloeien uit het aanvullend onderzoek zoals beschreven in paragraaf 4.1.4. Indien nodig wordt ontheffing van de Wet natuurbescherming aangevraagd bij de provincie Utrecht, waarbij wordt voorzien in vervangende tijdelijke en permanente verblijfplaatsen.

Zuiderbroek 18 en Griftdijk 31-33

36

4.2

Bodemkwaliteit

4.2.1

Wettelijk kader

De Wet Bodembescherming schrijft voor dat in het kader van een ruimtelijk planologische procedure moet worden aangetoond dat de kwaliteit van de bodem en het grondwater in het plangebied in overeenstemming zijn met het gewenste nieuwe gebruik. De bodemkwaliteit kan (negatief) van invloed zijn op de gewenste nieuwe ontwikkeling. Indien sprake is van een functiewijziging zal er in veel gevallen een bodemonderzoek moeten worden uitgevoerd op de planlocatie. Door middel van een dergelijk onderzoek kan in beeld worden gebracht of de bodemkwaliteit en de beoogde functie van het plangebied bij elkaar passen. Met voorliggend initiatief wordt een gebruik ten behoeve van het wonen toegestaan op gronden die in de huidige situatie voor agrarisch gebruik dienen. Er heeft dan ook een bodemonderzoek plaatsgevonden. 4.2.2

Resultaten onderzoek

PM 4.2.3

Conclusie

PM 4.3

Cultuurhistorie en archeologie

4.3.1

Wettelijk kader

Vanaf 1 juli 2016 is de Erfgoedwet van kracht. Doelstelling van de wet is de bescherming en het behoud van archeologische en cultuurhistorische waarden. In de Erfgoedwet is vastgelegd hoe met het erfgoed van nationaal belang wordt omgegaan, wie welke verantwoordelijkheden daarin heeft en hoe het toezicht wordt geregeld. Als gevolg van deze wet wordt in het kader van de ruimtelijke ordening het behoud van het erfgoed meegewogen zoals alle andere aspecten die bij de voorbereiding van het plan een rol spelen. 4.3.2

Cultuurhistorie

De woonboerderij Zuiderbroek 18 betreft een Rijksmonument. Ook de omgeving van Zuiderbroek 18 is een cultuurhistorisch waardevol gebied als onderdeel van het landgoed Geerestein. Met onderhavig initatief wordt de cultuurhistorische waarde van het object Zuiderbroek 18 en van het landgoed Geerestein versterkt. De huidige bedrijfsbebouwing op het perceel Zuiderbroek 18 doet afbreuk aan de cultuurhistorische waarden. Het saneren van een intensieve veehouderij en het herinrichten van het perceel Zuiderbroek 18, leidt tot een grote ruimtelijke kwaliteitsverbetering binnen het landgoed Geerestein. De cultuurhistorische waarde van de locatie als historisch erf binnen het landgoed wordt versterkt. Dit komt zowel ten goede aan het object Zuiderbroek 18 als aan het totale landgoed Geerestein. Ook de keuze om de ruimte-voor-ruimte woningen buiten het landgoed te plaatsen, draagt bij aan de verbetering van het functioneren en aanzien van het landgoed. De locatie Griftdijk 31-33 en directe omgeving is niet aan te merken als cultuurhistorisch waardevol, met uitzondering van het landschap. Er is zorgvuldig bezien hoe de woningen aan de Griftdijk ingepast kunnen worden in het huidige landschap met een relatie naar het historische landschap. Verwezen wordt naar Hoofdstuk 2. Hiermee wordt geen afbreuk gedaan aan cultuurhistorische structuren. 4.3.3

Archeologie

Gemeenten zijn verplicht om bij het vaststellen van bestemmingsplannen rekening te houden met de in de grond aanwezige dan wel te verwachten archeologische waarden.

Zuiderbroek 18 en Griftdijk 31-33

37

Voorts geldt een meldingsplicht bij het vinden van (mogelijke) waardevolle zaken. Dat melden dient terstond te gebeuren. Zowel aan de locatie Zuiderbroek 18 als aan de locatie Griftdijk 31-33 is in het geldende bestemmingsplan 'Buitengebied Woudenberg 2010' (in combinatie met het bestemmingsplan 'Buitengebied 2013 herziening') geen dubbelbestemming 'Waarde - Archeologie' toegekend. Dit houdt in dat deze gronden niet mede bestemd zijn voor het beschermen en het behouden van de op en/of in deze gronden voorkomende archeologische waarden. Verder toetst de gemeente Woudenberg initiatieven aan de archeologische beleidsadvieskaart. Op deze kaart geldt voor beide locaties een lage verwachting (AWV3) en is pas onderzoek nodig bij bodemingrepen dieper dan 30 cm over een oppervlakte groter dan 10.000 m2. Bij onderhavig initiatief zullen de bodemingrepen de oppervlaktegrens van 10.000 m2 niet overschrijden. Nader onderzoek in het kader van archeologie is dan ook niet noodzakelijk.

Uitsnede archeologische beleidsadvieskaart met aanduiding plangebied 4.3.4

Conclusie

Met de gewenste ontwikkeling worden cultuurhistorische waarden versterkt. Voorts vindt de ontwikkeling plaats in een gebied met een lage archeologische verwachting. De bodemingrepen overstijgen de onderzoeksgrens van 10.000 m2 niet, waardoor nader archeologisch onderzoek niet noodzakelijk is. Er zijn dan ook geen belemmeringen vanuit cultuurhistorie en archeologie voor onderhavig initiatief.

Zuiderbroek 18 en Griftdijk 31-33

38

4.4

Luchtkwaliteit

4.4.1

Wettelijk kader

Wet milieubeheer Nederland heeft de Europese regels ten aanzien van de luchtkwaliteit geïmplementeerd in de Wet milieubeheer (Wm). De in deze wet gehanteerde normen gelden overal, met uitzondering van een arbeidsplaats (hierop is de Arbeidsomstandighedenwet van toepassing). In de Wet milieubeheer zijn onder andere regels en grenswaarden opgenomen voor zwaveldioxide, stikstofdioxide en stikstofoxiden, fijnstof, lood, koolmonoxide en benzeen. Omdat titel 5.2 van de Wm ingaat op de luchtkwaliteit, staat dit ook wel bekend als de 'Wet luchtkwaliteit'. Hierin wordt gesteld dat ruimtelijke plannen doorgang kunnen vinden indien aan één van de onderstaande voorwaarden is voldaan: de plannen leiden niet tot het overschrijden van een grenswaarde; de luchtkwaliteit verbetert tengevolge van de plannen (per saldo) of blijft ten minste gelijk; de plannen dragen niet in betekenende mate (NIBM) bij aan de concentratie van NO2 en PM10 in de buitenlucht. Vanaf het in werking treden van het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit op 1 augustus 2009 wordt onder een NIBM bijdrage een bijdrage van minder dan 3% van de grenswaarde verstaan; het project is opgenomen of past binnen het Nationaal Samenwerkingsprogramma Lucht (NSL). AMvB en Regeling niet in betekenende mate (NIBM) De Wet luchtkwaliteit maakt onderscheid tussen grote en kleine ruimtelijke projecten.

Een project is klein als het niet in betekende mate (NIBM) leidt tot een verslechtering van de luchtkwaliteit. De grens ligt bij een toename van de NO2 en/of PM10 jaarconcentratie met maximaal 3% van de grenswaarden (of wel een toename van maximaal 1,2 ìg/m3 NO2 en/of PM10). NIBM projecten kunnen zonder toetsing aan de grenswaarden voor het aspect luchtkwaliteit uitgevoerd worden. Grotere projecten daarentegen kunnen worden opgenomen in het NSLprogramma, mits ook overtuigend wordt aangetoond dat de effecten van dat project worden weggenomen door maatregelen. De AMvB en Regeling NIBM bevatten criteria waarmee kan worden bepaald of een project van een bepaalde omvang wel of niet als NIBM moet worden beschouwd. Het betreft onder andere de onderstaande gevallen, waarbij een project als NIBM wordt beschouwd: Woningbouw: = 1500 woningen (netto) bij minimaal 1 ontsluitingsweg, en = 3000 woningen bij minimaal 2 ontsluitingswegen met een gelijkmatige verkeersverdeling. Kantoorlocaties: = 100.000 m2 bruto vloeroppervlakte bij minimaal 1 ontsluitingsweg, en = 200.000 m2 bruto vloeroppervlakte bij minimaal 2 ontsluitingswegen met een gelijkmatige verkeersverdeling.

Woningbouw en kantoorlocaties: 0,0008*aantal woningen+ 0,000012*bruto vloeroppervlak kantoren in m2 = 1,2 bij één ontsluitingsweg en 0,0004*aantal woningen+ 0,000006*bruto vloeroppervlak kantoren in m2 = 1,2 bij één ontsluitingsweg. Ook als het bevoegd gezag op een andere wijze, bijvoorbeeld door berekeningen, aannemelijk kan maken dat het geplande project NIBM bijdraagt, kan toetsing van de luchtkwaliteit achterwege blijven. Tevens is in artikel 5 van het Besluit NIBM een anticumulatie bepaling opgenomen, die zegt dat de effecten van beoogde ontwikkelingen in de omgeving van het plangebied moeten worden meegenomen in de beoordeling van het betreffende plan. Hiermee wordt voorkomen dat verschillende NIBM-projecten samen toch in betekenende mate bijdragen aan verslechtering van de luchtkwaliteit. 4.4.2

Beoordeling

De realisatie van twee vrijstaande woningen en een recreatiewoning kan, gezien de beperkte omvang, aangemerkt worden als een project dat niet in betekenende mate van invloed is op de luchtkwaliteit. Toetsing van het aspect luchtkwaliteit is daardoor, op grond van artikel 4 van de Regeling NIBM niet noodzakelijk. Er behoeft dus niet getoetst te worden aan de grenswaarden.

Zuiderbroek 18 en Griftdijk 31-33

39

4.4.3

Conclusie

Het project kan worden beschouwd als een NIBM-project. Nader onderzoek naar de luchtkwaliteit kan dan ook achterwege blijven. 4.5

Parkeren en verkeer

Zowel vanuit de ruimtelijke ordening als vanuit verkeer en vervoer is een goede ontsluiting van belang. Daarnaast dient voorzien te worden in voldoende parkeerplaatsen. Onderstaand volgt eerst een overzicht van het parkeren. Vervolgens worden de mobiliteitseffecten in beeld gebracht. 4.5.1

Parkeren

Aan de hand van de kencijfers 'CROW 381 toekomstbestendig parkeren' uit 2018 (voorheen: 'CROW 317 kencijfers parkeren en verkeersgeneratie') kan inzicht worden verkregen in de parkeersituatie. In onderstaande tabel is het benodigde aantal parkeerplaatsen weergegeven. Er is onderscheid gemaakt in de ontwikkeling op de locatie Zuiderbroek 18 en de ontwikkeling op de locatie Griftdijk 31-33. Er is rekening gehouden met de kencijfers behorende bij 'weinig stedelijk' en 'buitengebied'. Ontwikkeling Zuiderbroek 18 Omschrijving

Min.

Max.

Aantal (st)

Tot. min.

Tot. max.

Koop, huis, vrijstaand

2,0

2,8

1

2,0

2,8

Bungalow/recreatiewoning

2,0

2,2

1

2,0

2,2

4,0

5,0

Totaal aantal parkeerplaatsen

Tabel parkeren ontwikkeling Zuiderbroek 18 Gelet op bovenstaande tabel zijn in totaal minimaal 4 parkeerplaatsen benodigd. De vrijstaande woning aan de Zuiderbroek 18 en de recreatiewoning krijgen op eigen terrein elk de beschikking over minimaal twee parkeerplaatsen. Daarmee wordt voldaan aan het gestelde minimum aantal parkeerplaatsen. Ontwikkeling Griftdijk 31-33 Omschrijving

Min.

Max.

Aantal (st)

Tot. min.

Tot. max.

Koop, huis, vrijstaand

2,0

2,8

2

4,0

5,6

4,0

5,6

Totaal aantal parkeerplaatsen

Tabel parkeren ontwikkeling Griftdijk 31-33 Gelet op bovenstaande tabel zijn in totaal minimaal 4 parkeerplaatsen benodigd. De vrijstaande woningen aan de Griftdijk 31-33 krijgen op eigen terrein elk de beschikking over minimaal twee parkeerplaatsen. Daarmee wordt voldaan aan het gestelde minimum aantal parkeerplaatsen. 4.5.2

Verkeer

De verkeersaantrekkende werking van de nieuwe woningen, is eveneens te bepalen aan de hand van de kencijfers 'CROW 381 toekomstbestendig parkeren' uit 2018. Zoals aangegeven wordt rekening gehouden met de kencijfers behorende bij ‘weinig stedelijk ‘ en ‘buitengebied’. Ontwikkeling Zuiderbroek 18 De ontsluiting van dit deel van het plangebied vindt vanaf Zuiderbroek naar de Geeresteinselaan (N226) plaats. Op basis van de planopzet is de volgende inschatting te maken. Omschrijving

Min.

Max.

Aantal (st)

Tot. min.

Tot. max.

Koop, huis, vrijstaand

7,8

8,6

1

7,8

8,6

Bungalow/recreatiewoning

2,6

2,8

1

2,6

2,8

10,4

11,4

Totaal verkeersbewegingen/etmaal

Tabel verkeersgeneratie per dag nieuwe situatie, ontwikkeling Zuiderbroek 18

Zuiderbroek 18 en Griftdijk 31-33

40

Op basis van bovenstaande berekening resulteert het aantal verkeersbewegingen per dag in de beoogde nieuwe situatie in maximaal 12 verkeersbewegingen als gevolg van de ontwikkeling op het perceel Zuiderbroek 18. Hierbij is nog geen rekening gehouden met het feit dat de vrijstaande woonboerderij in de feitelijke situatie ook al aanwezig is. Daarnaast is nog geen rekening gehouden met de (zware) verkeersbewegingen van het agrarisch bedrijf dat in de huidige situatie mogelijk is. Per saldo zal er sprake zijn van een afname van het aantal verkeersbewegingen. De ontwikkeling heeft dan ook een positief effect op de verkeerssituatie in de directe omgeving van de locatie Zuiderbroek 18. Ontwikkeling Griftdijk 31-33 De ontsluiting van de twee nieuwe vrijstaande woningen vindt in zuidelijke richting plaats via de Griftdijk naar de N224. Op basis van de planopzet is de volgende inschatting te maken. Omschrijving

Min.

Max.

Aantal (st)

Tot. min.

Tot. max.

Koop, huis, vrijstaand

7,8

8,6

2

15,6

17,2

15,6

17,2

Totaal verkeersbewegingen/etmaal

Tabel verkeersgeneratie per dag nieuwe situatie, ontwikkeling Griftdijk 31-33 Op basis van bovenstaande berekening resulteert het aantal verkeersbewegingen per dag in de beoogde nieuwe situatie in maximaal 18 extra verkeersbewegingen als gevolg van de te realiseren vrijstaande woningen. Dit betreft een beperkte toename met een gering en verantwoord effect op de verkeerssituatie. 4.5.3

Conclusie

Voorgenomen initiatief zal niet leiden tot verkeerskundige en/of parkeertechnische problemen. 4.6

Geluidhinder

4.6.1

Wettelijk kader

Wegverkeer en railverkeer Langs alle (spoor)wegen – met uitzondering van 30 km/h-wegen en woonerven – bevinden zich op grond van de Wet geluidhinder (Wgh) geluidszones waarbinnen de geluidshinder vanwege de (spoor)weg getoetst moet worden. De breedte van de geluidszone is afhankelijk van het aantal rijstroken/spoorstaven en van binnen- of buitenstedelijke ligging. Op basis van jurisprudentie dient in het kader van een goede ruimtelijke ordening ook bij 30 km/h-wegen de aanvaardbaarheid van de geluidsbelasting te worden onderbouwd. Industrielawaai Gezoneerde industrieterreinen hebben een vaste geluidzone die wordt vastgelegd door middel van een bestemmingsplan. Buiten de geluidszone wordt de voorkeurswaarde van 50 dB(A) niet overschreden. De maximale ontheffingswaarde binnen de geluidszone bedraagt 55 dB(A) etmaalwaarde voor nieuwe situaties. In tegenstelling tot weg- en railverkeer wordt voor industrielawaai niet getoetst aan de Lden waarde maar aan de etmaalwaarde. De dosismaat Lden is voor wegverkeerslawaai en spoorweglawaai met ingang van 1 januari 2007 in de gewijzigde Wgh vastgelegd. Voor industrielawaai wordt Lden in het kader van de Wgh voorlopig niet ingevoerd. 4.6.2

Onderzoek / beoordeling

Met onderhavig initiatief wordt op de locatie Griftdijk 31-33 nieuwe geluidsgevoelige bebouwing mogelijk gemaakt in de vorm van twee nieuwe woningen. In de directe omgeving van het plangebied is geen sprake van railverkeer of industrielawaai. De locatie Griftdijk 31-33 ligt enkel binnen de zone van de Griftdijk (60 km/u). Strikt genomen zou daarmee een akoestisch onderzoek wegverkeerslawaai noodzakelijk zijn. De verkeersintensiteit op de Griftdijk ter plaatse van het plangebied is echter dermate laag dat op voorhand kan worden gesteld dat dit niet zal leiden tot een geluidbelasting hoger dan de voorkeurswaarde uit de Wet geluidhinder. Een akoestisch onderzoek wegverkeerslawaai is daarmee niet noodzakelijk.

Zuiderbroek 18 en Griftdijk 31-33

41

Op de locatie Zuiderbroek 18 wordt enkel een recreatiewoning toegevoegd. Dit geldt niet als nieuwe geluidgevoelige bebouwing in het kader van de Wgh. Bovendien ligt deze locatie op grote afstand van relevante wegen. 4.6.3

Conclusie

Vanuit akoestisch oogpunt zijn er geen belemmeringen voor onderhavig initiatief. 4.7

Bedrijven en milieuzonering

4.7.1

Wettelijk kader

Zowel de ruimtelijke ordening als het milieubeleid stelt zich ten doel een goede kwaliteit van het leefmilieu te handhaven en te bevorderen. Dit gebeurt onder andere door milieuzonering. Onder milieuzonering verstaan we het aanbrengen van een voldoende ruimtelijke scheiding tussen milieubelastende bedrijven of inrichtingen enerzijds en milieugevoelige functies als wonen en recreëren anderzijds. De ruimtelijke scheiding bestaat doorgaans uit het aanhouden van een bepaalde afstand tussen milieubelastende en milieugevoelige functies. Die onderlinge afstand moet groter zijn naarmate de milieubelastende functie het milieu sterker belast. Milieuzonering heeft twee doelen: het voorkomen of zoveel mogelijk beperken van hinder en gevaar bij woningen en andere gevoelige functies; het bieden van voldoende zekerheid aan bedrijven dat zij hun activiteiten duurzaam onder aanvaardbare voorwaarden kunnen uitoefenen. Voor het bepalen van de aan te houden afstanden wordt de VNG-uitgave 'Bedrijven en Milieuzonering' uit 2009 gehanteerd. Deze uitgave bevat een lijst, waarin voor een hele reeks van milieubelastende activiteiten (naar SBI-code gerangschikt) richtafstanden zijn gegeven ten opzichte van milieugevoelige functies. De lijst geeft richtafstanden voor de ruimtelijk relevante milieuaspecten geur, stof, geluid en gevaar.

De grootste van de vier richtafstanden is bepalend voor de indeling van een milieubelastende activiteit in een milieucategorie en daarmee ook voor de uiteindelijke richtafstand. De richtafstandenlijst gaat uit van gemiddeld moderne bedrijven. Indien bekend is welke activiteiten concreet zullen worden uitgeoefend, kan gemotiveerd worden uitgegaan van de daadwerkelijk te verwachten milieubelasting, in plaats van de richtafstanden. De afstanden worden gemeten tussen enerzijds de grens van de bestemming die de milieubelastende functie(s) toelaat en anderzijds de uiterste situering van de gevel van een milieugevoelige functie die op grond van het bestemmingsplan mogelijk is. Hoe gevoelig een gebied is voor milieubelastende activiteiten is mede afhankelijk van het omgevingstype. De richtafstanden van de onderstaande richtafstandenlijst gelden ten opzichte van het omgevingstype 'rustige woonwijk' dan wel 'gemengd gebied'. Milieucategorie

Richtafstand tot omgevingstype rustige woonwijk en rustig buitengebied

Richtafstand tot omgevingstype gemengd gebied

1

10 m

0m

2

30 m

10 m

3.1

50 m

30 m

3.2

100 m

50 m

4.1

200 m

100 m

4.2

300 m

200 m

5.1

500 m

300 m

5.2

700 m

500 m

5.3

1.000 m

700 m

6

1.500 m

1.000 m

Richtafstanden en omgevingstype

Zuiderbroek 18 en Griftdijk 31-33

42

Hiernaast gelden ten aanzien van bedrijven die onder de werkingssfeer van de Wet milieubeheer vallen, deze Wet en haar uitvoeringsbesluiten als toetsingskader voor de toegestane bedrijfshinder. 4.7.2

Onderzoek / beoordeling

Voor onderhavig project dient te worden getoetst of de nieuwe functie mogelijk belemmeringen veroorzaakt voor bestaande functies in de omgeving en of de nieuwe functie mogelijk belemmeringen ondervindt als gevolg van de milieuhinder van naburige bedrijven en/of bedrijvigheid. De locaties Zuiderbroek 18 en Griftdijk 31-33 liggen in het buitengebied van de gemeente Woudenberg. In de directe omgeving liggen slechts enkele milieubelastende functies. Gelet op deze ligging is er sprake van het omgevingstype 'rustig buitengebied. De volgende milieubelastende functies zijn in de directe omgeving van de locaties Zuiderbroek 18 en Griftdijk 31-33 gelegen: Zuiderbroek 22; John F. Kennedylaan 116; Griftdijk 29. Zuiderbroek 22 Ten zuidwesten van de locatie Zuiderbroek 18 bevindt zich een perceel met de bestemming 'Bedrijf' en de functieaanduiding 'specifieke vorm van bedrijf-ontwerpbedrijf'. Binnen de betreffende bestemming is op het perceel een advies- en ontwerpbedrijf met bijbehorende opslag en kleine werkplaats behorende tot maximaal categorie 2 van de Staat van Bedrijfsactiviteiten toegestaan. In rustig buitengebied is hiervoor een richtafstand van 30 meter van toepassing. De beoogde nieuwbouw op het perceel Zuiderbroek 18 bevindt zich op een afstand van circa 150 meter van het perceel met de bestemming 'Bedrijf'.

Daarmee is ter plaatse van het plangebied een aanvaardbaar woon- en leefklimaat gegarandeerd. John F. Kennedylaan 116 Ten oosten van de locatie Griftdijk 31-33 bevinden zich percelen met de bestemming 'Sport' (V.v. Woudenberg). Binnen de betreffende bestemming zijn in hoofdzaak sportvoorzieningen toegestaan. Conform de VNG-uitgave 'Bedrijven en Milieuzonering' valt een veldsportcomplex (met verlichting) in milieucategorie 3.1. In rustig buitengebied is hiervoor een richtafstand van 50 meter van toepassing. De beoogde nieuwbouw op het perceel Griftdijk 31-33 bevindt zich op een afstand van minimaal 50 meter van de milieubelastende activiteiten ter plaatse van het veldsportcomplex. Daarmee is ter plaatse van het plangebied een aanvaardbaar woon- en leefklimaat gegarandeerd. Daarnaast liggen er tussen het plangebied en het veldsportcomplex bosschages die een afschermende werking tot gevolg hebben. Griftdijk 29 Ten zuiden van de locatie 'Griftdijk 31-33' bevindt zich een perceel met de bestemming 'Recreatie-Verblijfsrecreatie'. Binnen de betreffende bestemming is een verblijfsrecreatieterrein voor recreatiewoningen en een theeschenkerij toegestaan. Gezien het aantal toegestane recreatiewoningen en de functie aan de zijde van de locatie Griftdijk 31-33, kan het perceel niet worden gezien als een kampeerterrein of vakantiecentrum.

Een theeschenkerij kan in dezelfde categorie worden geschaard als een restaurant, snackbar of ijssalon. Hiervoor is conform de VNG-uitgave 'Bedrijven en Milieuzonering' milieucategorie 1 van toepassing. In rustig buitengebied geldt een richtafstand van 10 meter. De beoogde nieuwbouw op het perceel Griftdijk 31-33 bevindt zich op een afstand van minimaal 10 meter van het perceel met de bestemming 'Recreatie-Verblijfsrecreatie'. Daarmee is ter plaatse van het plangebied een aanvaardbaar woon- en leefklimaat gegarandeerd. Nu voldaan wordt aan de richtafstanden geldt andersom dat onderhavig initiatief niet leidt tot een beperking van bedrijfsactiviteiten van omliggende bedrijven.

Zuiderbroek 18 en Griftdijk 31-33

43

4.7.3

Conclusie

Gelet op het voorgaande vormen de milieubelastende functies vanuit het oogpunt van milieuzonering geen belemmering voor de in dit plan besloten ruimtelijke ontwikkeling. Andersom leidt ontwikkeling van twee vrijstaande woningen op de locatie Griftdijk 31-33 en de ontwikkeling van een recreatiewoning op het perceel Zuiderbroek 18 niet tot milieutechnische problemen voor de omliggende milieubelastende functies. Geconcludeerd kan worden dat de voorgenomen ontwikkeling in overeenstemming is te achten met een goede ruimtelijke ordening. 4.8

Externe veiligheid

4.8.1

Wettelijk kader

Sommige activiteiten brengen risico's op zware ongevallen met mogelijk grote gevolgen voor de omgeving met zich mee. Externe veiligheid richt zich op het beheersen van deze risico's. Het gaat daarbij om onder meer de productie, opslag, transport en het gebruik van gevaarlijke stoffen. Dergelijke activiteiten kunnen een beperking opleggen aan de omgeving. Door voldoende afstand tot de risicovolle activiteiten aan te houden kan voldaan worden aan de normen. Aan de andere kant is de ruimte schaars en het rijksbeleid erop gericht de schaarse ruimte zo efficiënt mogelijk te benutten. Het ruimtelijk beleid en het externe veiligheidsbeleid moeten dus goed worden afgestemd. De wetgeving rond externe veiligheid richt zich op de volgende risico's: risicovolle (Bevi-)inrichtingen; vervoer gevaarlijke stoffen door buisleidingen; vervoer gevaarlijke stoffen over weg, water of spoor. Daarnaast wordt er in de wetgeving onderscheid gemaakt tussen de begrippen kwetsbaar en beperkt kwetsbaar en plaatsgebonden risico en groepsrisico. Kwetsbaar en beperkt kwetsbaar Kwetsbaar zijn onder meer woningen, onderwijs- en gezondheidsinstellingen, kinderopvang- en dagverblijven en grote kantoorgebouwen (>1.500 m²). Beperkt kwetsbaar zijn onder meer kleine kantoren, winkels, horeca en parkeerterreinen.

De volledige lijst wat onder (beperkt) kwetsbaar wordt verstaan is in het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) opgenomen. Plaatsgebonden risico en groepsrisico Het plaatsgebonden risico wordt uitgedrukt in een contour van 10-6 als grenswaarde. Het realiseren van kwetsbare objecten binnen deze contour is niet toegestaan. Het realiseren van beperkt kwetsbare objecten binnen deze contour is in principe ook niet toegestaan. Echter, voor beperkte kwetsbare objecten is deze 10-6 contour een richtwaarde. Mits goed gemotiveerd kan worden afgeweken van deze waarde tot de 10-5 contour. Het groepsrisico is gedefinieerd als de cumulatieve kansen per jaar dat ten minste 10, 100 of 1.000 personen overlijden als rechtstreeks gevolg van hun aanwezigheid in het invloedsgebied van een inrichting en een ongewoon voorval binnen die inrichting waarbij een gevaarlijke stof betrokken is. Het groepsrisico wordt niet in contouren vertaald, maar wordt weergegeven in een grafiek. In de grafiek wordt de groepsgrootte van aantallen slachtoffers (x-as) uitgezet tegen de cumulatieve kans dat een dergelijke groep slachtoffer wordt van een ongeval (y-as). Voor het groepsrisico geldt geen grenswaarde, maar een zogenaamde oriëntatiewaarde. Daarnaast geldt voor het groepsrisico een verantwoordingsplicht.

Het bevoegd gezag moet aangeven welke mogelijkheden er zijn om het groepsrisico in de nabije toekomst te beperken, het moet aangeven op welke manier hulpverlening, zelfredzaamheid en bestrijdbaarheid zijn ingevuld. Het bevoegd gezag moet tevens aangeven waarom de risico's verantwoord zijn, en de veiligheidsregio moet in de gelegenheid zijn gesteld een brandweeradvies te geven. Hierbij geldt hoe hoger het groepsrisico, hoe groter het belang van een goede groepsrisicoverantwoording. Risicovolle (Bevi-)inrichtingen Voor (de omgeving van) de meest risicovolle bedrijven is het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi)

Zuiderbroek 18 en Griftdijk 31-33

44

van belang. Het Bevi legt veiligheidsnormen op aan bedrijven die een risico vormen voor mensen buiten de inrichting. Het Bevi is opgesteld om de risico's, waaraan burgers in hun leefomgeving worden blootgesteld vanwege risicovolle bedrijven, te beperken. Het besluit heeft tot doel zowel individuele als groepen burgers een minimaal (aanvaard) beschermingsniveau te bieden. Via een bijhorende ministeriële regeling (Revi) worden diverse veiligheidsafstanden tot kwetsbare en beperkt kwetsbare objecten gegeven. Aanvullend op het Bevi zijn in het Vuurwerkbesluit en het Activiteitenbesluit (Besluit algemene regels inrichtingen milieubeheer) veiligheidsafstanden genoemd die rond minder risicovolle inrichtingen moeten worden aangehouden. Vervoer gevaarlijke stoffen door buisleidingen Met betrekking tot het beleid en de regelgeving voor het vervoer van gevaarlijke stoffen door buisleidingen is het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb) en de Structuurvisie buisleidingen van belang. Deze structuurvisie bevat een lange termijnvisie op het buisleidingentransport van gevaarlijke stoffen. Het Bevb en de bijbehorende Regeling externe veiligheid buisleidingen (Revb) zijn op 1 januari 2011 in werking getreden. Het Bevb regelt onder andere welke veiligheidsafstanden moeten worden aangehouden rond buisleidingen met gevaarlijke stoffen.

Op basis van het Bevb wordt het voor gemeenten verplicht om bij de vaststelling van een bestemmingsplan, op basis waarvan de aanleg van een buisleiding of een kwetsbaar object of een risicoverhogend object mogelijk is, de grenswaarde voor het plaatsgebonden risico in acht te nemen en het groepsrisico te verantwoorden. Vervoer gevaarlijke stoffen over weg, water en spoor Het Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt) stelt regels aan transportroutes en de omgeving daarvan. Zo moet een basisveiligheidsniveau rond transportassen (plaatsgebonden risico) en een transparante afweging van het groepsrisico worden gewaarborgd. Als onderdeel van het Bevt is op 1 april 2015 tevens het basisnet in werking getreden. Het basisnet verhoogt de veiligheid van mensen die wonen of werken in de buurt van rijksinfrastructuur (auto-, spooren vaarwegen) waarover gevaarlijke stoffen worden vervoerd. In de regeling ligt vast wat de maximale risico's voor omwonenden mogen zijn. Die begrenzing was er tot nu toe niet. Bovendien zorgt het basisnet ervoor dat gevaarlijke stoffen tussen de belangrijkste industriële locaties in Nederland en het buitenland vervoerd kunnen blijven worden.

Indien een bestemmingsplan betrekking heeft op een gebied dat geheel of gedeeltelijk gelegen is binnen 200 m van een (basisnet)transportroute voor gevaarlijke stoffen, moet in de toelichting ingegaan worden op de dichtheid van personen in het invloedsgebied van de transportroute op het tijdstip waarop het plan wordt vastgesteld. Hierbij moet rekening worden gehouden met de personen die a) in dat gebied reeds aanwezig zijn, b) in dat gebied op grond van het geldende bestemmingsplan redelijkerwijs te verwachten zijn en c) de redelijkerwijs te verwachten verandering van de dichtheid van personen in het gebied waarop dat plan betrekking heeft. 4.8.2

Onderzoek / beoordeling

Een woning betreft een kwetsbaar object, waardoor de gewenste ontwikkeling getoetst dient te worden aan de wetgeving omtrent externe veiligheid. Voor de beoordeling of in de omgeving van het plangebied risicovolle inrichtingen en/of transportroutes gevaarlijke stoffen aanwezig zijn, is de risicokaart geraadpleegd. Onderstaande afbeelding toont een uitsnede van deze kaart.

Zuiderbroek 18 en Griftdijk 31-33

45

Uitsnede risicokaart met aanduiding plangebied (bron: Risicokaart ArcGIS) Transport gevaarlijke stoffen Er ligt in de directe omgeving van het plangebied (binnen 200 meter) geen hoofdvaarweg, spoorbaan of autoweg waarover transport van gevaarlijke stoffen plaatsvindt. Er is wat dat betreft dus geen beperking voor het plangebied. Ook bevindt zich in of nabij het plangebied geen buistransportleiding met een PR 10-6 contour. Inrichtingen In de directe nabijheid van het plangebied zijn geen EV-relevantie inrichtingen gevestigd. Anderzijds is de voorgenomen planontwikkeling geen risicovolle inrichting in het kader van de BEVI en vormt de gewenste ontwikkeling geen gevaar voor de omgeving. 4.8.3

Conclusie

Er bestaat vanuit het thema externe veiligheid geen belemmering voor de voorgenomen ontwikkeling. 4.9

Kabels en leidingen

Planologisch relevante leidingen en hoogspanningsverbindingen dienen te worden gewaarborgd. Tevens dient rond dergelijke leidingen rekening te worden gehouden met zones waarbinnen mogelijke beperkingen gelden. Planologisch relevante leidingen zijn leidingen waarin de navolgende producten worden vervoerd:

Zuiderbroek 18 en Griftdijk 31-33

46

gas, olie, olieproducten, chemische producten, vaste stoffen/goederen; aardgasleidingen afhankelijk van druk; defensiebrandstoffen; warmte en afvalwater, ruwwater of halffabricaat voor de drink- en industriewatervoorziening met een diameter groter of gelijk aan 18 inch. Uit de toelichting en verbeelding van het geldende bestemmingsplan 'Buitengebied Woudenberg 2010' (in combinatie met het bestemmingsplan 'Buitengebied 2013 herziening') is op te maken dat er geen planologisch relevante kabels en leidingen in het plangebied of in de directe omgeving daarvan aanwezig zijn. Voor de verdere realisatie van het plan zal indien nodig een KLIC-melding gedaan worden om te achterhalen of er relevante kabels en leidingen in het plangebied of in de directe omgeving daarvan aanwezig zijn. 4.10

Water

4.10.1

Inleiding

Water en ruimtelijke ordening hebben veel met elkaar te maken. Aan de ene kant is water één van de sturende principes in de ruimtelijke ordening en kan daarmee beperkingen opleggen aan het ruimtegebruik zoals locaties voor stadsuitbreiding. Aan de andere kant kunnen ontwikkelingen in het ruimtegebruik ongewenste effecten hebben op de waterhuishouding. Op Europees en nationaal niveau heeft water een eigen plaats gekregen in de ruimtelijke besluitvorming via de verplichte 'watertoets'. Een watertoets geeft aan wat de gevolgen zijn van een ruimtelijk plan voor de waterhuishouding in het betreffende gebied. Zo'n waterparagraaf moet sinds 1 januari 2003 worden opgenomen in de toelichting bij ruimtelijke plannen. Doel van de watertoets is de relatie tussen planvorming op het gebied van de ruimtelijke ordening en de waterhuishouding te versterken. Een watertoets is verplicht als het gaat om een functieverandering en/of bestemmingswijziging. Op basis van informatie en randvoorwaarden vanuit waterbeheerder, het waterbeleid en relevante bodemgegevens worden de verschillende wateraspecten uitgewerkt in een waterparagraaf. De waterparagraaf beschrijft het huidige watersysteem alsmede de mogelijkheden en randvoorwaarden voor het toekomstig watersysteem. De waterparagraaf wordt afgestemd met de waterbeheerder. 4.10.2

Beleidskader

Op verschillende bestuursniveaus zijn de afgelopen jaren beleidsnota's verschenen aangaande de waterhuishouding. Deze paragraaf geeft een overzicht van de voor onderhavige ontwikkeling relevante nota's. De Europese Kaderrichtlijn Water (2003) De Europese Kaderrichtlijn Water gaat er vanuit dat water geen gewone handelswaar is, maar een erfgoed dat moet worden beschermd en verdedigd. Het hoofddoel van de richtlijn is daarop gebaseerd. De Kaderrichtlijn Water geeft het kader voor de bescherming van landoppervlaktewater, overgangswater, kustwater en grondwater. Dat moet ertoe leiden dat: aquatische ecosystemen en gebieden die rechtstreeks afhankelijk zijn van deze ecosystemen, voor verdere achteruitgang worden behoed; emissies worden verbeterd; duurzaam gebruik van water wordt bevorderd op basis van bescherming van de beschikbare waterbronnen op lange termijn; er wordt gezorgd voor een aanzienlijke vermindering van de verontreiniging van grondwater. Vierde Nota Waterhuishouding (Ministerie van Verkeer en Waterstaat, 1998) De Vierde Nota Waterhuishouding geeft het kader voor het waterbeheer voor Nederland, nu en in de toekomst. De hoofddoelstelling is "een veilig en goed bewoonbaar land en het in stand houden / versterken van gezonde en veerkrachtige watersystemen, waarmee een duurzaam gebruik blijft gegarandeerd".

Om de veerkracht van de watersystemen te vergroten dient de waterconservering en buffering te worden bevorderd en de afwenteling van (water-) problemen op naastgelegen gebieden te

Zuiderbroek 18 en Griftdijk 31-33

47

worden beperkt. Waterbeleid in de 21e eeuw (2000) De hoge waterstanden in de rivieren in 1995 en 1996 en de klimaatscenario's waarin naast de zeespiegelstijging ook meer en heviger buien worden voorspeld hebben geleid tot vernieuwde aandacht voor water. Nederland is met zijn lage ligging en hoge verstedelijkingsgraad kwetsbaar voor wateroverlast en de veiligheid is in de toekomst in het geding. Maar ook door de drogere zomers is er het risico van watertekorten en verdroging. De commissie "Waterbeheer 21e eeuw" heeft in opdracht van de regering duidelijk gemaakt dat we anders moeten omgaan met water en ruimte. Ruimte die nu beschikbaar is voor de bescherming tegen overstromingen en wateroverlast moet ten minste behouden blijven. De aanwezige ruimte mag niet sluipenderwijs verloren gaan bij de uitvoering van nieuwe projecten voor infrastructuur, woningbouw, landbouw of bedrijventerreinen. Provincie Utrecht In het Bodem-, Water- en Milieuplan 2016 - 2021 van de provincie Utrecht staat wat de provincie de komende jaren samen met haar partners wil bereiken op het gebied van bodem, water en milieu. De uitwerking van dit beleid staat beschreven in de Uitvoeringsagenda Bodem-, Water- en Milieuplan 2016 2021. De provincie Utrecht richt zich op het behouden en verbeteren van een aantrekkelijk woon-, werken leefklimaat.

De provincie Utrecht acht een duurzaam en robuust watersysteem nodig voor het waarborgen van een aantrekkelijke woon-, werk- en leefomgeving. Op basis van een toekomstverkenning onderscheidt de provincie drie hoofdthema's: Veiligheid: met aandacht voor preventie, gevolgenbeperking en rampenbeheersing bij overstromingen; Kwaliteit en kwantiteit: met aandacht voor voldoende en schoon oppervlakte- en grondwater en water voor natuur; Gebruik en Beleving: met aandacht voor mooier water, veilig vaar- en zwemwater. De provincie ontwikkelt in samenwerking met de waterschappen duurzame, robuuste watersystemen, die extreme situaties zoals langdurige droogte en een teveel aan water kunnen opvangen. Deze worden gerealiseerd door in de verschillende gebieden op de lange termijn in te zetten. Het beleid van de Provincie Utrecht is er op gericht om geen permanente kunstmatige ingrepen in de grondwaterstand toe te staan. Bij ondergrondse of halfverdiepte bouw betekent dit dat er geen bemaling is toegestaan om grondwateroverlast te voorkomen. Hier dient bij het ontwerp rekening mee te worden gehouden in vorm van waterdichte constructies. Waterbeheer 21e eeuw (WB21) Het thema "water als ordenend principe" loopt als een rode draad door het gehele plan. Dit houdt in dat, voordat er beslissingen worden genomen op ruimtelijk gebied, er wordt bekeken welke gevolgen die hebben voor watersystemen.

Dit waterplan valt onder het regime van de nieuwe waterwet (22 dec 2009). Waterbeheerprogramma 2016 – 2021 Waterschap Vallei en Veluwe Het algemeen bestuur van waterschap Vallei en Veluwe heeft op 30 september 2015 het waterbeheerprogramma vastgesteld. In het waterbeheerprogramma beschrijft het waterschap haar ambities en doelen voor het waarborgen van de waterveiligheid, het zorgen voor voldoende én schoon oppervlaktewater, het zuiveren van afvalwater en het verder ontwikkelen van de vele samenwerkings- en innovatiemogelijkheden. De waterbeheerder heeft het bovenregionale oppervlaktewaterbeleid vertaald naar regionale richtlijnen, normen en vergunningsvoorschriften. Toename van verhard oppervlak dient gecompenseerd te worden door het realiseren van voldoende extra waterberging. Ten aanzien van het afkoppelen van verhardoppervlak van het riool heeft het waterschap een afkoppelbeslisboom opgesteld. Indien het regenwater van de daken naar het oppervlaktewater wordt afgevoerd, of in de bodem geïnfiltreerd wordt mag er geen gebruik worden gemaakt van uitlogende materialen, zoals koper, lood en zink, voor dak-

Zuiderbroek 18 en Griftdijk 31-33

48

gevelbekleding en goten. 4.10.3

Watertoets

Om het voornemen te toetsen aan het waterbeleid, is zowel voor de locatie 'Zuiderbroek 18' als voor de locatie 'Griftdijk 31-33' de digitale watertoets uitgevoerd. Het resultaat is als bijlage bij deze toelichting gevoegd (Bijlage 4 en Bijlage 5). Initiatiefnemer houdt rekening met de aangegeven uitgangspunten en adviezen. De volgende onderwerpen zijn in ieder geval van belang. Watergangen Aan de noordzijde van het plangebied loopt een A-watergang met bijbehorende beschermingszone. Dit betreft de 'Heigraaf'. Met onderhavig initiatief blijft de betreffende watergang onaangetast. Er vinden geen fysieke ingrepen of wijzigingen plaats aan de watergang zelf. Wel zal een kwaliteitsverbetering worden bereikt door een deel van de watergang te voorzien van een natuurlijke/ecologische oever aan de zijde van het plangebied. Hiervoor wordt verwezen naar paragraaf 2.3. Initiatiefnemer heef hierover reeds afstemming gehad met het waterschap. De watergang blijft, net als in de huidige situatie en mede door de nieuwe natuurlijke/ecologische oever, voor onderhoud bereikbaar. De bestemming 'Water' valt net buiten het plangebied van onderhavig bestemmingsplan. Deze bestemming blijft dan ook onaangetast waarmee de waterschapsbelangen in verband met de A-watergang zijn geborgd. Verder loopt in het oostelijk deel van het plangebied nog een B-watergang.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://gemeentebestuur.woudenberg.nl/api/v1/meetings/1225/documents/33377