03.b Toelichting_Henschotermeer.pdf
Tekst van het document
Adromi B.V.
sz/R202256/2202
Pagina 25 van 51
Bestemmingsplan ‘Buitengebied, Henschotermeer’ Woudenberg
6.
Milieu
Bij het opstellen van een ruimtelijk plan, dient aangetoond te worden dat de ontwikkeling die mogelijk wordt gemaakt ruimtelijke aanvaardbaar is vanuit het oogpunt van milieu. Het gaat hier om de volgende aspecten: 1. bedrijven en milieuzonering (paragraaf 6.1); 2. geluid (paragraaf 6.2); 3. geurhinder (paragraaf 6.3); 4. luchtkwaliteit (paragraaf 6.4); 5. externe veiligheid (paragraaf 6.5); 6. kabels en leidingen (paragraaf 6.7); 7. bodem (paragraaf 6.8); 8. duurzaamheid (paragraaf 6.9); 9. Besluit milieueffectrapportage en gezondheid (paragraaf 6.10). 6.1. Bedrijven en milieuzonering Wet- en regelgeving Bedrijvigheid is een milieubelastende activiteit. Ten gevolge van aanwezige bedrijvigheid kan mogelijk hinder voor de omgeving optreden met betrekking tot de milieuaspecten geluid, geur, stof en gevaar. Nieuwe situaties, waarin milieubelastende activiteiten en milieugevoelige functies met elkaar worden gecombineerd, moeten worden beoordeeld op mogelijke hindersituaties. Daarbij wordt getoetst aan de Wet milieubeheer, Algemene Maatregelen van Bestuur onder de Wet milieubeheer en de brochure Bedrijven en Milieuzonering (VNG, 2009). Bedrijven en Milieuzonering geeft richtafstanden per categorie en per type bedrijvigheid aan. Binnen deze richtafstanden is bij een gemiddelde bedrijfsvoering hinder van het bedrijf te verwachten.
De gegeven afstanden zijn richtafstanden en geen harde afstandsnormen en dienen als handvat om concrete situaties maatwerk te kunnen leveren. In de directe omgeving van onderhavig plan is sprake van diverse verblijfs- en dagrecreatieve functies (Vakantiepark De Heigraaf, Europarcs Resort Utrechtse Heuvelrug, Camping ’t Boerenerf, Camping Eijckelenburg, Eben-Haëzer) en een zorginstelling (Reinaerde). Verder is een nieuwe verblijfsrecreatieve functie beoogd (YMCA) op het voormalige terrein van NCC. Nieuwe bedrijfsactiviteiten nabij milieugevoelige functies De voorgenomen ontwikkeling in het plangebied betreft het toevoegen van zelfstandige horeca binnen de grenzen van het bestaande recreatiepark en het huidige bouwvlak. Verder wordt een beheerderswoning en een expositieruimte mogelijk gemaakt welke in deze context minder relevant zijn. De afstand van de nieuwe horeca tot nabijgelegen woningen van derden bedraagt meer dan 100 meter. Er is daarbij geen sprake van zware horeca, maar van een restaurant. Om die reden behoeft niet te worden gevreesd voor milieuhinder. Binnen het plangebied vinden verder evenementen plaats welke met dit bestemmingsplan beter gereguleerd worden. De APV is van toepassing op dit terrein omdat sprake is van een openbare plaats (krachtens de bestemming en/of vast gebruik door publiek).
Adromi B.V.
sz/R202256/2202
Pagina 26 van 51
Bestemmingsplan ‘Buitengebied, Henschotermeer’ Woudenberg
Nieuwe milieugevoelige functies nabij bestaande bedrijven In de omgeving is geen sprake van risicovolle bedrijvigheid of andere milieuhinderlijke functies die zouden kunnen conflicteren met onderhavige ontwikkeling. De beoogde beheerderswoning is op ruim voldoende afstand van bedrijvigheid in de omgeving gelegen. 6.2. Geluid Wegverkeerslawaai Wegverkeerslawaai kan de leefkwaliteit van een gebied sterk beïnvloeden. Mensen die veelvuldig worden blootgesteld aan een hoog niveau van wegverkeerslawaai kunnen hier lichamelijke en psychische klachten door oplopen. De Wet geluidhinder (Wgh) verplicht ertoe onderzoek uit te voeren naar de geluidsbelasting op geluidsgevoelige bestemmingen binnen vastgestelde onderzoeksgebieden (zones) langs wegen (art. 74-75 Wgh). Tevens stellen de Wgh en het Besluit geluidhinder regels aan de maximale geluidsbelasting op deze bestemmingen. Onder geluidsgevoelige bestemmingen wordt verstaan (Art. 1 Wgh): • Woningen • Onderwijsgebouwen • Ziekenhuizen en verpleeghuizen • Geluidsgevoelige terreinen (bij onderwijsgebouwen, ziekenhuizen, verpleeghuizen en woonwagenstandplaatsen) Voor deze bestemmingen gelden voorkeursgrenswaarden. Deze voorkeursgrenswaarden worden mede bepaald door de locatie van de gevoelige bestemmingen en het type weg.
Bij realisatie van nieuwe geluidsgevoelige bestemmingen dient de geluidsbelasting ten hoogste de voorkeursgrenswaarde te bedragen. Indien bij de realisatie van nieuwe geluidsgevoelige bestemmingen niet aan de voorkeursgrenswaarde kan worden voldaan, kan worden geconcludeerd dat de locatie niet zonder meer geschikt is voor de beoogde ontwikkeling. Onder voorwaarden kunnen hogere waarden worden vastgesteld tot de maximale grenswaarde uit de Wgh. Voor de onderhavige locatie is de N224 bepalend. Deze weg wordt in het kader van artikel 74, lid 1 onder b ten 1e van de Wet geluidhinder aangemerkt als een weg bestaande uit twee rijstroken buiten stedelijk gebied. Voor een dergelijke weg geldt een geluidzone van 250 meter. Beoordeling De nieuwe beheerderswoning ligt binnen de zone van de weg De Heygreaff. Akoestisch onderzoek wegverkeer is ten behoeve hiervan uitgevoerd om een goed- woon en leefklimaat te garanderen3. Uit het onderzoek blijkt dat de geluidsbelasting ten gevolge van wegverkeerslawaai ter plaatse van de nieuwe woonbestemming voldoet aan de voorkeursgrenswaarde uit de Wet geluidhinder. Er zijn geen verdere procedures in het kader van de Wet geluidhinder nodig. 3
Sain, Geluidsbelasting vanwege wegverkeerslawaai De Heygraeff 2 (gebouw B), Woudenberg, 25 november 2021, Bijlage 4
Adromi B.V.
sz/R202256/2202
Pagina 27 van 51
Bestemmingsplan ‘Buitengebied, Henschotermeer’ Woudenberg
Industrielawaai Op grond van artikel 40 van de Wgh kunnen industrieterreinen een zone hebben. In het gebied waar dit wijzigingsplan betrekking op heeft is géén industrieterrein gelegen met een zone op grond van artikel 40 Wgh. Voor bedrijven die niet zijn gelegen op geluidgezoneerd industrieterrein is dient aandacht te worden besteed aan de individuele geluidvoorschriften die gelden op basis van het Activiteitenbesluit milieubeheer of een aan het bedrijf verleende omgevingsvergunning milieu. Beoordeling Er liggen geen bedrijfsterreinen of bedrijven in de relevante omgeving van het plangebied. Verder is geen sprake van een bijzondere te verwachten geluiduitstraling naar de omgeving toe, mede gelet op het feit dat aan de afstandseisen van de VNG handreiking wordt voldaan. In het licht hiervan zijn er geen belemmeringen te verwachten voor wat betreft het aspect industrielawaai. Railverkeer en overig Op grond van artikel 1 Wgh hebben spoorwegen een zone. Beoordeling Het plangebied ligt niet in een zone van een spoorweg. Spoorwegverkeerslawaai is daarom niet relevant voor het plangebied. Evenmin is sprake van relevante geluidbronnen vanwege scheepvaartverkeer of luchtverkeer 6.3. Geurhinder Bij een functiewijziging dient in bepaalde gevallen rekening te worden gehouden met de geurhinder van eventueel aanwezige veehouderijbedrijven.
Sinds 1 januari 2013 geldt het Activiteitenbesluit voor agrarische bedrijven. Voor wat betreft geurhinder wordt in het Activiteitenbesluit een normafstand van 50 meter aangehouden vanaf het dichtstbijzijnde emissiepunt tot de dichtstbijzijnde geurgevoelige objecten buiten stedelijk gebied. Krachtens gemeentelijk beleid mag deze afstand worden gereduceerd. De nieuwe beheerderswoning kan als geurgevoelig object beschouwd worden. In de directe omgeving rond het plangebied bevinden zich evenwel geen veehouderijen binnen een afstand van 50 meter. Van de met dit plan toe te laten lichte, niet agrarische, bedrijvigheid behoeft geen geurhinder te worden verwacht. 6.4. Luchtkwaliteit Indien mensen met regelmaat luchtverontreinigende stoffen inademen kan dit leiden tot effecten op de lichamelijke gezondheid. Daarom moet bij ruimtelijke planvorming rekening worden gehouden met de effecten van de plannen op de luchtkwaliteit en de luchtkwaliteit ter plaatse. Van belang hierbij is de invloed van het bouwplan op de plaatselijke luchtkwaliteit alsook de invloed van kwaliteit van de omgevingslucht op het bouwplan.
Adromi B.V.
sz/R202256/2202
Pagina 28 van 51
Bestemmingsplan ‘Buitengebied, Henschotermeer’ Woudenberg
Wettelijk kader De Wet luchtkwaliteit (artikel 5.16, eerste lid, Wet milieubeheer, hierna ook: Wm) stelt dat een ruimtelijke plan of project doorgang kan vinden indien: 1. een project niet tot het overschrijden van een grenswaarde leidt; 2. de luchtkwaliteit ten gevolge van het project (per saldo) verbetert of ten minste gelijk blijft; 3. een project “niet in betekenende mate” (NIBM) bijdraagt aan de concentratie van relevante stoffen in de buitenlucht (De NIBM bijdrage is gedefinieerd als een toename van de concentraties van zowel fijn stof (PM10) als stikstofdioxide (NO2) met minder dan 3% van de grenswaarde (1,2 µg/m3 PM10 of NO2 en 0,75 µg/m3 PM2.5 jaargemiddeld); 4. een project is opgenomen of past binnen het Nationaal Samenwerkingsprogramma Lucht (NSL). (Het programma bevat een pakket maatregelen dat erop gericht is om grote ruimtelijke projecten tijdig aan de grenswaarden te laten voldoen.) Sinds 2011 zijn de grenswaarden (jaargemiddelde en 24-uursgemiddelde concentratie) voor PM10 in werking. Voor NO2 geldt dat vanaf 2015 moet worden voldaan aan de (jaargemiddelde en uurgemiddelde) grenswaarden. Beoordeling Het onderhavige plan is zodanig kleinschalig dat hierop het Besluit niet in betekenende mate bijdragen (luchtkwaliteit) van toepassing is (hierna ook: NIBM). De grens op grond van dit besluit is immers meer dan 1.500 woningen4.
Uit de NIBM-tool5 blijkt dat pas vanaf 1.280 motorvoertuigen per dag extra, in betekenende mate wordt bijgedragen aan een verslechtering van de luchtkwaliteit. Tevens is een stikstofdepositieberekening uitgevoerd6. Kortom wordt aan de gebruikelijke luchtkwaliteitsnormen voldaan, ook tijdens de bouw. 6.5. (Externe) veiligheid Wettelijk kader Activiteiten met gevaarlijke stoffen leveren risico’s op voor de omgeving. Het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi), Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb) en het Besluit externe veiligheid transportroutes (BEVT) vormen het wettelijk kader voor het omgaan met deze risico’s. Door het stellen van eisen aan afstanden tussen de activiteiten met gevaarlijke stoffen en (beperkt) kwetsbare objecten (woningen, kantoren, scholen, enz.) worden de eventuele gevolgen van deze risico’s zoveel mogelijk beperkt. Plaatsgebonden risico (PR) Als “harde” afstandseis voor externe veiligheid geldt een contour voor het plaatsgebonden risico (PR 10 6 ), die wordt aangegeven als een afstand ten opzichte van de activiteit met gevaarlijke stoffen (risicobron). Binnen deze PR 10-6 contour mogen geen (beperkt) kwetsbare objecten aanwezig zijn of worden geprojecteerd.
4
Bijlage 3a, voorschrift 3A2 van de Regeling niet in betekenende mate bijdragen (luchtkwaliteitseisen) – uitgaande van een bepalende ontsluitingsweg. 5 https://www.nsl-monitoring.nl/ 6 Zie bijlage 5 bij deze toelichting.
Adromi B.V.
sz/R202256/2202
Pagina 29 van 51
Bestemmingsplan ‘Buitengebied, Henschotermeer’ Woudenberg
Groepsrisico (GR) Afhankelijk van de aard van de risicobron is er sprake van een bepaald invloedsgebied. Binnen dit invloedsgebied moet worden onderzocht hoe groot de kans per jaar is dat een groep van ten minste 10 (zich binnen dit invloedsgebied bevindende) personen overlijdt ten gevolge van een ramp of zwaar ongeval met de betreffende risicobron. De uitkomst van dit onderzoek geeft de hoogte van het GR weer en wordt uitgedrukt in een curve, waarbij als norm voor het GR een oriënterende waarde is vastgesteld. De hoogte van het GR moet door middel van een bestuurlijke afweging worden verantwoord. Als binnen het invloedsgebied (beperkt) kwetsbare bestemmingen worden geprojecteerd, geldt ook voor de hiermee samenhangende toename van het GR een bestuurlijke verantwoordingsplicht. (Beperkt) kwetsbare objecten Er moet getoetst worden aan het Bevi en de richtlijnen voor vervoer gevaarlijke stoffen wanneer bij een ontwikkeling (beperkt) kwetsbare objecten worden toegestaan. (Beperkt) kwetsbare objecten zijn o.a. woningen, scholen, ziekenhuizen, hotels restaurants. Ook de standplaatsen kunnen worden worden beschouwd als kwetsbare objecten. Risicovolle inrichtingen In de directe omgeving (ten oosten) van het plangebied is ‘Vakantiepark De Heigraaf’ aangemerkt als risicovolle inrichting. Dit vanwege een propaantank van 13 m3.
Deze bovengrondse tank staat echter op zeer ruime afstand van het plandeel Henschotermeer en de daar beoogde ontwikkelingen. Een nadere berekening of verantwoording is niet aan de orde. Buisleidingen Ten westen van het plangebied bevindt zich een buisleiding voor transport van gevaarlijke stoffen. Dit betreft een hogedruk aardgasleiding (buisleiding A-510, 36 inch, 66 bar) en heeft invloedsgebied van 430 meter. Het plangebied op meer dan 500 meter en daarmee buiten het invloedsgebied. Een nadere berekening of verantwoording is niet aan de orde. Vervoer van gevaarlijke stoffen Over de Randweg, de N224, vindt vervoer voor gevaarlijke stoffen plaats tot aan de Slappedel. Voor deze weg geldt een PR 10-7 risicocontour van 140 meter. De weg vormt geen risico voor onderhavige locatie aangezien deze op ruim 900 meter van het plangebied verwijderd ligt. Vluchtmogelijkheden Mocht er een gevaarlijke situatie ontstaan door een calamiteit, waaronder ook een andere calamiteit dan die welke specifiek volgen uit de regelgeving op het vlak van externe veiligheid, dan kan gesteld worden dat voldoende overzicht en ruimte beschikbaar is om het gebied te ontvluchten. Daarbij dienen de Heygraeff en de Randweg/N224 primair als vluchtroutes.
Natuurbrand De APV is van toepassing op dit terrein omdat sprake is van een openbare plaats (krachtens de bestemming en/of vast gebruik door publiek) daarnaast zijn het ‘Besluit Brandveilig gebruik en basis hulpverlening overige plaatsen’ van toepassing. Een relevante calamiteit op dit vlak is een natuurbrand. Aangezien jaarlijks veel bezoekers het Henschotermeer bezoeken, is sprake van en verhoogd
Adromi B.V.
sz/R202256/2202
Pagina 30 van 51
Bestemmingsplan ‘Buitengebied, Henschotermeer’ Woudenberg
natuurbrandrisico. Door klimaatverandering neemt het risico op natuurbranden toe, mede nu de natuur in het warme hoogseizoen extra droog zal kunnen zijn. Natuurbrand in een gebied met grote hoeveelheden recreërende mensen vraagt bijzondere aandacht voor wat betreft evacuatie in relatie tot de capaciteit van afvoerwegen. Zodoende heeft de Veiligheidsregio Utrecht het Henschotermeer aangeduid als een risicofocusgebied en is het Project Natuurbrandbestrijding opgezet om de (brand)veiligheid in het natuurgebied te optimaliseren. Alhoewel het niet de bedoeling is om met onderhavig bestemmingsplan de bezoekersaantallen te vergroten (zie onder meer paragraaf 4.2) vormt het plan wel een goede aanleiding om de veiligheidsaspecten opnieuw tegen het licht te houden en bij het ontwerp van de nieuwe gebouwen en de (gedeeltelijke) herinrichting van het terrein optimaal rekening te houden met het risico van een natuurbrand. Door het aantal bezoekers, ook tijdens evenementen, te maximeren worden het natuurbrandrisico en de gevolgen daarvan, zo klein en beheersbaar mogelijk gehouden. Verwezen wordt naar paragraaf 4.2. Het Henschotermeer zal in geval van een brand bluswater kunnen bieden. De aanwezige bebouwing kan mede vanwege de half verdiepte ligging dienen als opvang- en schuilmogelijkheid.
Met de Veiligheidsregio Utrecht vindt afstemming plaats over de ontsluiting voor de hulpdiensten, vluchtmogelijkheden en de inrichting van de bebouwing om hierin langere of kortere tijd te kunnen schuilen. Verder zijn afspraken gemaakt over de aanplant van inheemse vegetatie met lager brandrisico dan dat van de aanwezige sparren die hun oorsprong hebben als mijnhoutplantage (bosbouw). Op het vlak van communicatie zullen ook maatregelen worden genomen. Op het terrein zal worden voorzien van bebording om bezoekers erop te wijzen dat roken en open vuur verboden is. Verder zullen vluchtroutes alsook ontsluitingen voor de hulpdiensten worden aangeduid zodat deze worden vrijgehouden. Medewerkers zullen worden geïnstrueerd hoe te handelen in geval van een natuurbrand en er zullen periodiek oefeningen worden gehouden met medewerkers. Een ander relevant veiligheidsrisico vormt het risico op omwaaiende bomen en afwaaiende takken tijdens een storm. Aangezien sprake is van openbaar toegankelijk gebied vindt actief natuurbeheer plaats waarbij bomen worden gecontroleerd op afgestorven takken en andere ziekten. Dit zodat ongezonde bomen nabij routes en verblijfplaatsen van mensen tijdig kunnen worden geruimd. Op overige plekken kan meer extensief beheer plaatsvinden.
Door bij aanplant van nieuwe bomen te kiezen voor inheemse bladverliezende soorten wordt dit veiligheidsrisico ook verkleind, aangezien bladverliezende inheemse bomen minder wind vangen in het stormseizoen. 6.6. Kabels en leidingen Beoordeling Er zijn in de omgeving (binnen een km) geen hoogspanningslijnen aanwezig waarvan de indicatieve magneetveldzones (0,4 µT) tot het plangebied reiken. Uit de gegevens op de website www.antenneregister.nl blijkt dat in de omgeving van het plangebied geen zendmasten aanwezig zijn die overschrijdingen van de geldende blootstellingslimieten voor elektrische en magnetische veldsterkten veroorzaken. De zendmast aan de Zeisterweg bevindt zich op ruim voldoende afstand van het plangebied.
Adromi B.V.
sz/R202256/2202
Pagina 31 van 51
Bestemmingsplan ‘Buitengebied, Henschotermeer’ Woudenberg
Daarnaast zijn binnen het plangebied in het geldende bestemmingsplan geen dubbelbestemmingen opgenomen voor leidingen. 6.7. Bodem Wettelijk kader De bodemkwaliteit is in het kader van een bestemmingsplan van belang indien er sprake is van functieveranderingen of een ander gebruik. De bodem moet geschikt zijn voor de nieuwe functie. Een verontreinigde bodem kan zorgen voor gezondheidsproblemen en tast de kwaliteit van het natuurlijk leefmilieu aan. Daarom is het belangrijk om bij ruimtelijke plannen de bodemkwaliteit mee te nemen in de overwegingen. De Wet bodembescherming (Wbb), het Besluit bodemkwaliteit en de Woningwet stellen grenzen aan de aanvaardbaarheid van verontreinigingen. Indien bij planvorming blijkt dat (ernstige) verontreinigingen in het plangebied aanwezig zijn, wordt op basis van de aard en omvang van de verontreiniging en de aard van de ruimtelijke plannen beoordeeld welke gevolgen dit heeft (Wbb): • Niet saneren Indien de verontreiniging voor het beoogde doel niet hoeft te worden gesaneerd kan het ruimtelijke plan voor wat betreft deze verontreiniging zonder meer doorgang vinden. • Saneren Indien de verontreiniging moet worden gesaneerd dient een saneringsplan te worden opgesteld en ingediend bij de Omgevingsdienst Midden-Holland. In sommige gevallen kan worden volstaan met het indienen van een zogenaamde BUS-melding (Besluit Uniforme Saneringen).
Na goedkeuring door het bevoegd gezag kan de sanering doorgang vinden. Na afloop dient de sanering te worden geëvalueerd en ook dit verslag dient ter goedkeuring te worden voorgelegd. Tijdens de saneringsprocedure kan de ruimtelijke procedure worden voortgezet. Echter, een omgevingsvergunning voor het onderdeel bouwen kan pas inwerking treden nadat is vastgesteld dat er geen sprake is van een ernstige en spoedeisende sanering (art. 6.2. c. Wabo). Het doel van de Wet Bodembescherming is het behoud en de verbetering van de milieuhygiënische bodemkwaliteit. In geval van graafwerkzaamheden is een bodemonderzoek aan de orde om te bepalen of eventuele vervuilde grond gesaneerd dient te worden. Voor een aantal situaties geldt een vrijstelling voor het aanleveren van een bodemonderzoek: 1. gebouwen waarin (nagenoeg) niet voortdurend mensen verblijven, bijvoorbeeld een loods waar niet langer dan 2 uur per dag mensen verblijven; 2. bouwwerk dat geen gebouw is, bijvoorbeeld een brug; 3. bouwwerken die de grond niet raken, bijvoorbeeld een dakkapel; 4. bij interne verbouwingen. Bij een bouwwerk met een oppervlak van meer dan 50 m² moet, indien het een verblijfsruimte betreft (verblijf van mensen met meer dan 2 uur per dag), altijd een verkennend bodemonderzoek (conform NEN 5740) worden uitgevoerd.
Bij bouwwerken met een kleiner oppervlakte moet een verkennend bodemonderzoek uitgevoerd worden indien de bodem verdacht is op bodemverontreiniging.
Adromi B.V.
sz/R202256/2202
Pagina 32 van 51
Bestemmingsplan ‘Buitengebied, Henschotermeer’ Woudenberg
Beoordeling Voor de locatie Henschotermeer is in 2020 door Lawijn een historisch bodemonderzoek uitgevoerd, in verband met de voorgenomen herinrichting van het terrein7. Het onderzoek is gericht op de geplande bouwlocaties op het terrein van het recreatiegebied. Op basis van de resultaten van het historisch bodemonderzoek, wordt het volgende geconcludeerd: •
•
• • •
De onderzoekslocatie was tot het einde van de 19e eeuw in gebruik als zandvlakte en heidegebeid. Aan het einde van de 19e eeuw is de zandvlakte met plaggen bedekt en is het bosgebied aangeplant. In de jaren ’30 van de 20e eeuw is gestart met de aanleg van de zandwinplas; In 1973 is de locatie officieel in gebruik genomen als recreatieterrein. In verband met de gebruikswijziging zijn op het terrein enkele gebouwen gerealiseerd, betreffende een kantoor /clubhuis, een EHBO-post, een kiosk en enkele toiletvoorzieningen; Ter plaatse van de onderzoekslocaties (zes planlocaties) is geen sprake van buitentoepassingen van asbesthoudende materialen; Ter plaatse van de onderzoekslocaties bevinden zich geen (voormalige) olietanks of opslagplaatsen voor vloeistoffen of chemicaliën; Ter plaatse van de onderzoekslocaties is geen sprake van de aanwezigheid van voormalige sloten of specifieke ophooglagen. Ter plaatse van de planlocaties 1, 3 en 5 is een terreinverharding aanwezig, bestaande uit klinkers en tegels. Volgens oude bouwtekeningen uit 1971 en 1975 bevond zich aan de westzijde van planlocatie 2 in het verleden een asfaltverharding.
Aan de hand van de verzamelde historische bodeminformatie is het westelijk deel van het plangebied aangemerkt als potentieel verdacht voor bodemverontreiniging vanwege een voormalige asfaltverharding (PAK, minerale olie). Op basis van de informatie uit het vooronderzoek is geen sprake van andere specifieke verdachte terreindelen ter plaatse van het plangebied. Vanwege de ligging binnen zone ‘Zandgrond’ (indeling gemeente Utrechtse Heuvelrug) kunnen in de boven- en de ondergrond diffuse licht verhoogde achtergrondgehaltes voor PCB worden gemeten. Het aspect bodemkwaliteit vormt geen belemmering voor de vaststelling van het bestemmingsplan. In het kader van de inviduele bouwaanvragen zal dit aspect uiteraard nader worden onderzocht middels verkennend bodemonderzoek. 6.8. Duurzaamheid Wettelijk kader Het Rijk wil het gebruik van hernieuwbare energiebronnen (de nieuwe term voor duurzame energie) stimuleren. De Europese doelstelling voor hernieuwbare energie is hiervoor leidend. De gemeente wil een duurzame ontwikkeling stimuleren door vooral in te zetten op energiebesparing.
7
Lawijn, Historisch bodemonderzoek Recreatiegebied Henschotermeer te Woudenberg/Maarn (De Heygraeff 2, maart 2020, bijlage 6
Adromi B.V.
sz/R202256/2202
Pagina 33 van 51
Bestemmingsplan ‘Buitengebied, Henschotermeer’ Woudenberg
De gemeente richt zich daarbij zowel op de eigen gemeentelijke organisatie (tevens voorbeeldfunctie), als op de samenleving. Beoordeling Met de beoogde ontwikkelingen wordt voorzien in het vervangen / renoveren van bestaande bebouwing. Hierna voldoet de bebouwing weer aan de laatste eisen. Tevens kunnen bij of boven de parkeerplaatsen zonnepanelen geplaatst worden waardoor laadpalen voor auto’s en fietsen gespijsd kunnen worden met lokaal opgewekte duurzame energie. 6.9. Besluit milieueffectrapportage In het Besluit milieueffectrapportage is bepaald dat een milieueffectrapportage uitgevoerd moet worden als een project belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu heeft. Het gaat dan om een project dat valt onder de bijlage onder C van het Besluit milieueffectrapportage of een plan waarbij projecten die vallen onder de bijlage onder D van het Besluit milieueffectrapportage. Voor een project dat valt onder D van het Besluit milieueffectrapportage dient een zogenaamde aanmeldnotitie te worden gedaan. Voor projecten die genoemd zijn de bijlage van het Besluit milieueffectrapportage maar die de drempelwaarde niet overschrijden dient in principe een milieueffectbeoordeling te worden uitgevoerd. Een dergelijke activiteit kan als MER-plichtig worden aangemerkt als rekening wordt gehouden met significante effecten op Natura 2000-gebieden.
De onderhavige ontwikkeling valt in principe onder de bijlage van het besluit onder D.9: een wijziging van een landinrichtingsproject, waaronder begrepen een functiewijziging naar recreatie. De drempel ligt hierbij bij 125 hectare of meer. In de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak d.d. 18 juli 2018 (ECLI:NL:RVS:2018:2414) wordt nader verduidelijkt wanneer een bepaalde ontwikkeling valt onder de bijlage van het Besluit milieueffectrapportage. Er dient rekening te worden gehouden met de concrete omstandigheden van het geval, waarbij onder meer aspecten als de aard en omvang van de voorziene wijziging van de ontwikkeling een rol spelen. Gelet op de kleine omvang van de ontwikkeling, de omstandigheid dat het plangebied al vrijwel wordt omsloten door gronden met een dagrecreatieve bestemming, de herontwikkelingen geen grote uitbreidingen inhouden en geen sprake is van relevante invloed op natuurgebieden en beschermde soorten is verdedigbaar dat de ontwikkeling niet kan worden beschouwd als een project in de zin van het Besluit milieueffectrapportage. Het valt te verwachten dat de milieu impact van de herontwikkelingen in het plangebied gering is, daar in de huidige situatie al sprake is van een recreatiegebied met faciliteiten. Aangezien de activiteit wel wordt genoemd in bijlage D van Besluit m.e.r. wordt beoordeeld of er een milieueffectrapport nodig is.
Dit dient plaats te vinden aan de hand van drie criteria, welke zijn opgenomen in bijlage III van genoemde richtlijn: − Kenmerken van het project; − Plaats van het project; Adromi B.V.
sz/R202256/2202
Pagina 34 van 51
Bestemmingsplan ‘Buitengebied, Henschotermeer’ Woudenberg
−
Kenmerken van het potentiële effect.
In het navolgende vindt een nadere beoordeling plaats aan de hand van de criteria uit de richtlijn. 6.9.1. Kenmerken van de projecten Bij de kenmerken van de projecten moet in het bijzonder in overweging worden genomen: a) de omvang van het project; Zoals in het voorgaande aan de orde is gesteld, betreft het onderhavige plan in hoofdzaak de vervanging van de bestaande bebouwing, toestaan van een horecabestemming, een beheerderswoning en een nieuwe brug. Het betreft kortom een project van geringe omvang. b) de cumulatie met andere projecten; Er is geen sprake van een cumulatie met andere projecten. c) het gebruik van natuurlijke hulpbronnen; Er is geen sprake van extra gebruik van natuurlijke hulpbronnen, buiten het gebruik van de grond als zodanig. d) de productie van afvalstoffen; Er zullen geen agrarische afvalstoffen, zoals mest, meer worden geproduceerd. De lichte bedrijvigheid (recreatie) zal niet meer dan regulier met communaal afval vergelijkbaar bedrijfsafval genereren. Dit afval zal op de gebruikelijke wijze gescheiden worden ingezameld en worden afgevoerd naar een erkend verwerker. Sanitair afvalwater zal via de gemeentelijke riolering worden afgevoerd naar de afvalwaterzuiveringsinstallatie. E) verontreiniging en hinder; Er hoeft geen rekening te worden gehouden met significant grotere hinder dan in de huidige situatie.
f) risico van ongevallen, met name gelet op de gebruikte stoffen of technologieën. Er is geen sprake van gebruik van risicovolle stoffen of technologieën. 6.9.2. Plaats van het project Bij de mate van kwetsbaarheid van het milieu in de gebieden waarop het project van invloed kan zijn, moet in het bijzonder in overweging worden genomen: a) het bestaande grondgebruik; Het bestaande grondgebruik betreft in hoofdzaak recreatief grondgebruik. De gronden zijn sinds jaar en dag al aangelegd met het oog op natuur en recreatie. Zie ook hoofdstuk 2, paragraaf 2. b) de relatieve rijkdom aan en de kwaliteit en het regeneratievermogen van de natuurlijke hulpbronnen van het gebied;
Adromi B.V.
sz/R202256/2202
Pagina 35 van 51
Bestemmingsplan ‘Buitengebied, Henschotermeer’ Woudenberg
Het aanwezige bos en het Henschotermeer blijven onaangeroerd. Er wordt enkel een nieuwe brug gerealiseerd over een klein deel van het meer. De overige ontwikkelingen vinden plaats waar thans al het zwaartepunt van de dagrecreatieve activiteiten ligt en/of reeds bebouwing aanwezig is. c) het opnamevermogen van het natuurlijke milieu, met in het bijzonder aandacht voor de volgende typen gebieden: a) wetlands Er is geen sprake van een wetland in het gebied. Het plan leidt evenmin tot een aantasting van het bestaande waterbergende en/of –afvoerende vermogen van het watersysteem. ii) kustgebieden Er is geen sprake van kustgebied. iii) berg- en bosgebieden Er is geen sprake van berggebied, wel van bosgebied. In dit bosgebied is reeds sprake van recreatief dubbelgebruik. Onderhavig plan zal geen verandering brengen in deze situatie. iv) reservaten en natuurparken Er is geen sprake van reservaten of natuurparken in het gebied. Wel is in de omgeving sprake van bos welke deels is aangeduid als NatuurNetwerk Nederland. Het onderhavige plan zal geen invloed hebben op de natuurkwaliteiten in het gebied, mede gelet op het huidige gebruik van het terrein en de uitgevoerde onderzoeken. Verwezen wordt naar paragraaf 7.1 en 7.2.
v) gebieden die in de wetgeving van de lidstaten zijn aangeduid of door die wetgeving worden beschermd; speciale beschermingszones, door de lidstaten aangewezen krachtens Richtlijn 2009/147/EG van het Europees Parlement en de Raad van 30 november 2009 inzake het behoud van de vogelstand (1) en Richtlijn 92/43/EEG van de Raad van 21 mei 1992 inzake de instandhouding van de natuurlijke habitats en de wilde flora en fauna (2). Er is geen sprake van reservaten of natuurparken in de directe omgeving die onder de Europese wetgeving vallen. Ten aanzien van het aspect stikstofdepositie wordt verwezen naar hoofdstuk 6. vi) gebieden waarin de bij wetgeving van de Unie vastgestelde normen inzake milieukwaliteit reeds worden overschreden Er is geen sprake van overschrijding van de milieukwaliteitsnormen in het gebied. Dit geldt ook voor de luchtkwaliteit, mede gelet op het NSL. Evenmin zijn in het plangebied invasieve soorten geconstateerd. vii) gebieden met een hoge bevolkingsdichtheid Het gebied kent geen bijzondere bevolkingsdichtheid. Het plan zal geen effecten hebben op de gezondheid van (toekomstige) bewoners. viii) landschappen van historisch, cultureel of archeologisch belang De historische en culturele kwaliteiten van het landschap komen aan de orde in hoofdstuk 7 van dit rapport. Op dit vlak is geen sprake van een bijzondere aantasting van deze belangen.
Bij de plannen van Adromi B.V.
sz/R202256/2202
Pagina 36 van 51
Bestemmingsplan ‘Buitengebied, Henschotermeer’ Woudenberg
onderhavig plan zal de grond niet zodanig geroerd worden dat dit een risico vormt voor mogelijk archeologische resten. Landschapsstructuren in de vorm van weidesingels, waar cultuurhistorische waarde aan is toegekend, zullen in stand gehouden worden. 6.9.3. Kenmerken van de potentiële effecten De toelichting van voorliggend bestemmingsplan is al ingegaan op de potentiële effecten van de beoogde ontwikkelingen. De behandelde milieuaspecten zijn bodemkwaliteit, geur, geluid, luchtkwaliteit, externe veiligheid, bedrijven en milieuzonering, ecologie, waterhuishouding, archeologie en cultuurhistorie én verkeer en parkeren Aan de hand van de criteria uit de Europese richtlijn zijn per milieuaspect getoetst of er belangrijke nadelige milieugevolgen kunnen worden uitgesloten. Op grond van deze analyse kan geconcludeerd worden dat, gelet op artikel 7.17, van de Wet milieubeheer, het plan niet leidt tot belangrijke nadelige milieueffecten. 6.9.4. SMB-Beoordeling In deze context dient verder te worden beoordeeld of de onderhavige ontwikkeling moet worden beschouwd als een zogenaamd ‘plan of programma’ als bedoeld in artikel 2, aanhef en onder a, van de Richtlijn 2001/42/EG van het Europees Parlement en de Raad van 27 juni 2011 (hierna ook: de SMB richtlijn). Immers artikel 7.2, lid 1, lid 2 en lid 5 van de Wet milieubeheer jo.
artikel 3, lid 3, van de bijlage bij het Besluit milieueffectrapportage (hierna ook: het Besluit mer) strekken mede ter uitvoering van het bepaalde in artikel 3, lid 2, aanhef en onder a, van de SMB-richtlijn. In kolom 3 van de onderdelen C en D van de bijlage bij het Besluit mer zijn op plannen benoemd waarvoor in het Nederlandse recht voor de uitvoering van het bepaalde in artikel 3, lid 2, aanhef en onder a, van de SMB-richtlijn een milieueffectrapportageplicht kan gelden. De met onderhavige bestemmingsregeling toe te laten nieuwe gebouwen kunnen worden beschouwd als kleine wijzigingen in de zin van artikel 2, lid 3 van de richtlijn welke verder geen significante milieueffecten hebben. Op dit vlak is immers nagegaan of sprake kan zijn van mogelijke aanzienlijke effecten zoals bedoeld in artikel 3, lid 5 jo. bijlage II van de SMB-richtlijn. In het nuvolgende wordt ingegaan op de mogelijke effecten zoals benoemd in deze bijlage, waarbij per mogelijk effect steeds in cursief een beoordeling is toegevoegd. 1.
De kenmerken van plannen en programma's, in het bijzonder gelet op: - de mate waarin het plan of programma een kader vormt voor projecten en andere activiteiten met betrekking tot de ligging, aard, omvang en gebruiksvoorwaarden alsmede wat betreft de toewijzing van hulpbronnen; ➢ In het kader van het bestemmingsplan kunnen de in het plan betrokken gronden worden beschouwd als hulpbron. Aan deze gronden zullen bouwmogelijkheden worden toegekend welke vergelijkbaar zijn met de huidige bouwmogelijkheden. Het plan zal verder zelfstandige horeca toelaten als nieuwe functie. Het bestemmingsplan zal het kader vormen voor het verlenen van omgevingsvergunningen. Er is sprake van een ontwikkeling die qua aard en omvang past in het dagrecreatieve gebied ter plaatse. Er is sprake van een voor deze ontwikkeling passende en algemeen geaccepteerde gebruiksvoorwaarden.
Adromi B.V.
sz/R202256/2202
Pagina 37 van 51
Bestemmingsplan ‘Buitengebied, Henschotermeer’ Woudenberg
-
-
-
-
de mate waarin het plan of programma andere plannen en programma's, met inbegrip van die welke deel zijn van een hiërarchisch geheel, beïnvloedt; ➢ Het bestemmingsplan zal geen andere plannen of programma’s beïnvloeden. De samenloop met de verplaatsing van YMCA is daarbij echter wel beoordeeld. de relevantie van het plan of programma voor de integratie van milieuoverwegingen, vooral met het oog op de bevordering van duurzame ontwikkeling; ➢ In het kader van deze toelichting wordt overeenkomstig het rijksbeleid en provinciale beleid al ingegaan op de relevante duurzaamheidsaspecten, waaronder zuinig ruimtegebruik. Verwezen wordt naar hoofdstuk 3.. milieuproblemen die relevant zijn voor het plan of programma; ➢ Voor een beoordeling van de relevante milieuaspecten wordt verwezen naar overige paragrafen van dit hoofdstuk. Op dit vlak is sprake van een milieubelasting die in algemene zin dient te worden verwacht bij een dagrecreatieve functie als de onderhavige. de relevantie van het plan of programma voor de toepassing van de milieuwetgeving van de Gemeenschap (bijv. plannen en programma's in verband met afvalstoffenbeheer of waterbescherming). ➢ Verwezen wordt naar de overige paragrafen van dit hoofdstuk alsook naar de hoofdstukken 5 en 7.
2. Kenmerken van de effecten en van de gebieden die kunnen worden beïnvloed, in het bijzonder gelet op: - de waarschijnlijkheid, duur, frequentie en omkeerbaarheid van de effecten; ➢ De betrokken ontwikkeling wordt als realiseerbaar beoordeeld in het kader van artikel 3.1.6 lid 1 onder f van het Besluit ruimtelijke ordening. Naar verwachting zal de nieuwbouw voor de voorzienbare toekomst aanwezig blijven en zal deze nieuwbouw continu worden gebruikt voor de daarvoor bestemde functies. Door sloop van de gebouwen en beëindiging van het gebruik zijn mogelijke effecten op gebieden in de omgeving omkeerbaar. - de cumulatieve aard van de effecten; ➢ Er is sprake van een op zichzelf staand initiatief. De cumulatieve invloed van de verplaatsing YMCA zijn in de beschouwing betrokken. - de risico's voor de menselijke gezondheid of het milieu (bijv. door ongevallen); ➢ Onderhavige ontwikkeling sluit geen risico’s in voor de omgeving. Andersom is er geen sprake van onaanvaardbare risico’s voor de toekomstige gebruikers en omwonenden. Verwezen wordt naar paragraaf 6.5. - de orde van grootte en het ruimtelijk bereik van de effecten (geografisch gebied en omvang van de bevolking die getroffen kan worden); ➢ Het ruimtelijke bereik van onderhavige ontwikkeling is zeer gering. De belangrijkste factor daarbij zal zijn dat de nieuwe bebouwing zichtbaar zal zijn voor de omgeving.
- de waarde en kwetsbaarheid van het gebied dat kan worden beïnvloed gelet op: • bijzondere natuurlijke kenmerken of cultureel erfgoed; ➢ Er is geen sprake van cultureel erfgoed. De natuurlijke kenmerken van het gebied zullen worden behouden en versterkt middels het beheersplan. • de overschrijding van de milieukwaliteitsnormen of van grenswaarden; ➢ Er worden geen milieukwaliteitsnormen overschreden.
Adromi B.V.
sz/R202256/2202
Pagina 38 van 51
Bestemmingsplan ‘Buitengebied, Henschotermeer’ Woudenberg
•
•
intensief grondgebruik; ➢ In overwegende mate zal sprake zijn van intensief grondgebruik. Dit is passend voor de onderhavige locatie en voor het overige ook in overeenstemming met het beleid dat is gericht op zuinig ruimtegebruik. Door te kiezen voor concentratie van de dagrecreatieve functie rondom het meer, wordt het NNN-gebied ontzien. de effecten op gebieden en landschappen die door een lidstaat, door de Gemeenschap, dan wel in internationaal verband als beschermd gebied zijn erkend. ➢ Er is geen sprake van relevante effecten op beschermde gebieden en landschappen. In de relevante omgeving is evenmin sprake van beschermde landschappen. Voor wat betreft de invloed op beschermde gebieden wordt verwezen naar hoofdstuk 7.
6.9.5. Conclusie Gelet op het voorgaande is er geen aanleiding om voor onderhavig project een m.e.r.-procedure te doorlopen, gelet op de schaal en omvang van het project, de te verwachten effecten op de omgeving en de aard van de omgeving.
Adromi B.V.
sz/R202256/2202
Pagina 39 van 51
Bestemmingsplan ‘Buitengebied, Henschotermeer’ Woudenberg
7.
Natuur
Wettelijk kader Sinds 1 januari 2017 is de Wet natuurbescherming van kracht. Deze vervangt drie wetten; de Natuurbeschermingswet 1998, de Boswet en de Flora- en Faunawet. Vanaf 1 januari 2017 bepalen de provincies voor hun gebied wat wel en niet mag in de natuur. Zij zijn verantwoordelijk voor de vergunningen en ontheffingen. De Rijksoverheid is dan alleen nog verantwoordelijk voor de ontheffingsaanvragen en de gedragscodes. 7.1. Soortbescherming De Wet natuurbescherming bevat een algemene zorgplicht voor alle in het wild levende dieren en planten. Daarnaast voorziet de wet in strikte verboden die gelden voor aangewezen beschermde inheemse diersoorten, waaronder alle van nature in Nederland voorkomende soorten vogels. De wet werkt volgens het ‘nee-tenzij’ principe ten aanzien van beschermde inheemse soorten: schadelijke handelingen zijn verboden, tenzij er een uitzondering voor is gemaakt. Het is niet toegestaan om vogels te doden, vangen, verwonden, verstoren, bezitten, verhandelen, de nesten en eieren te verstoren of te vernietigen. Uitzonderingen op deze verboden zijn onder voorwaarden mogelijk, onder andere voor veiligheid, schadebestrijding of onderzoek. De wet regelt ook de jacht in ons land.
Beoordeling Ten bate van de beoogde ontwikkeling van het Natuur en recreatiegebied Henschotermeer heeft in maart en april 2021 een integraal natuuronderzoek plaatsgevonden om inzicht te verkrijgen in aanwezige soorten en habitats (Terlouw R.J.S., 2021)8. In het natuuronderzoek zijn een aantal aanbevelingen geformuleerd. Deze aanbevelingen hebben betrekking op compenserende en mitigerende maatregelen voor dieren en habitats tijdens de ontwikkeling vanuit het voorzorgbeginsel. Uitkomst van het onderzoek is onder meer dat de actuele natuurkwaliteit de grootste waarde heeft in meest rustige delen van het gebied. Tevens is beoordeeld dat de beschikbaarheid van bomen met holten beperkt was wat zich vertaalde in een lage dichtheid aan holte bewonende vogels en dat de nectar beschikbaarheid en daarmee naar verwachting ook de insecten beschikbaarheid voedsel voor dieren laag was op grote delen van het gebied. Tenslotte bleek uit het onderzoek dat de beschikbaarheid aan liggend dood hout beperkt was, waardoor er minder schuilgelegenheden aanwezig zijn ten bate van reptielen en bodem bewonende ongewervelden. In de zomer 2023 heeft een actualisatie plaatsgevonden van het natuuronderzoek (Terlouw, R.J.S, 2023) 9 . Hierbij is specifiek de aandacht uitgegaan naar de das, aangezien de aanwezigheid van de das naar voren is gekomen uit andere onderzoeken welke in de omgeving zijn uitgevoerd.
Er zijn hierbij geen waarnemingen gedaan welke hebben geleid tot bijgestelde conclusies. Mede op basis van de uitkomsten van dit onderzoek is besloten om de voorgenomen recreatieve voorzieningen geheel buiten de NNN begrenzing te brengen. Deze keuze betekent niet dat de beide 8
Bui-TeGewoon, Natuuronderzoek locatie ontwikkeling Henschotermeer, november 2022, 2021/61-v3 (2e update), bijlage 7 9 Bui-TeGewoon, Natuuronderzoek locatie ontwikkeling Henschotermeer, augustus 2023, BTG-P.2022/16, bijlage 8
Adromi B.V.
sz/R202256/2202
Pagina 40 van 51
Bestemmingsplan ‘Buitengebied, Henschotermeer’ Woudenberg
functiegebieden los van elkaar worden gezien, integendeel. Om de samenhang te behouden en versterken worden de beide functiegebieden in het separaat opgestelde meerjaren beheerplan (Terlouw R.J.S., 2022)10 in relatie tot elkaar bezien. Separaat aan maatregelen die noodzakelijk zijn om zowel een exploitabele als een veilige zwem- en recreatievoorziening in stand te houden worden binnen de NNN begrenzing habitat versterkende maatregelen genomen. Dit betreft zowel habitat verbetering, inbrengen van ontbrekende of beperkt aanwezige omstandigheden en aanpassingen in het beheer. Met deze keuze is het mogelijk om zowel het recreatief gebruik vanuit de begrenzing als boven regionaal recreatiegebied, als de natuurdoelen binnen de NNN begrenzing maximaal te faciliteren en verstoring maximaal te beperken. Uitstraling van recreatieve activiteiten blijft immers geconcentreerd aan de zijde waar ook in de huidige situatie de meeste activiteiten zijn (nabij ingang –parkeren en bestaande voorzieningen). Door bij het beheer in een smalle zone de bosranden op de overgang tussen recreatiezone (strandligweide) en NNN (voornamelijk opgaande bostypen met beperkte ondergroei) meer aandacht te besteden aan een overgang volgens het principe “mantel en zoom” zal de habitat variatie toenemen en wordt de insectenfauna vergroot.
Dit zal zowel vanuit het terugzetten van enig opgaand hout als het inbrengen van gebiedseigen struweel met een brede bloeiboog en besdragende soorten kunnen plaatsvinden. Ten bate van bodem bewonende insecten en overwintering van reptielen wordt ernaar gestreefd om meer liggend doodhout en rillen van takhout in het NNN gebied te brengen. Deze soorten zullen echter ook profiteren van de toenemende insectenfauna. Hiermee wordt een grotere buffering voor geluid gerealiseerd en een moeilijker inloop buiten de paden door recreanten. Vanuit ecologie wordt de nu als (seizoen breed) beperkt aangemerkte beschikbaarheid van nectarbronnen en bessen in het najaar sterk verbeterd wat de voedselbeschikbaarheid in de volle breedte voor tal van dieren laat toenemen. Gelijktijdig zal de belevingswaarde voor recreanten toenemen door meer bloei en meer dieren in de randzone van het recreatiegebied. De komende jaren wordt het beheerplan verder uitgerold. Gedacht moet hierbij worden aan versterken van de insectenfauna door lokaal langs de paden meer zonlicht te bewerkstelligen en in te zetten op het op geschikte plaatsen aanbrengen van takkenrillen en liggend doodhout.
Dit hout zal daarbij kort na het ontstaan worden weggenomen op locaties waar vanuit recreatie minder kansen aanwezig zijn voor reptielenfauna of dood kroonhout vanuit veiligheid van recreanten binnen de valafstand van ligweide/strand en/of hoofdontsluiting voor recreanten (zie ook paragraaf 6.5). Binnen het plan wordt ernaar gestreefd om zo min mogelijk habitat van flora en fauna aan te tasten. Door bestaande open ruimten maximaal te benutten hoeven zo min mogelijk bomen te worden verwijderd om de gewenste voorzieningen te kunnen realiseren. Op basis van het uitgevoerde natuuronderzoek in 2021, de aangetroffen soorten en de tolerantie van deze soorten op recreatief medegebruik wordt geen afname van de natuurkwaliteit verwacht. Er zal geen aantasting van beschermde soorten in de Wet natuurbescherming en/of van tot de categorieën 10
Bui-TeGewoon, Beheervisie en beheerplan Henschotermeer 2023 - 2032, november 2022, bijlage 9
Adromi B.V.
sz/R202256/2202
Pagina 41 van 51
Bestemmingsplan ‘Buitengebied, Henschotermeer’ Woudenberg
‘bedreigd’, ‘ernstig bedreigd’ of ‘op het punt van verdwijnen’ gerekende soorten optreden, mits rekening wordt gehouden met de locaties van een jaarrond beschermd nest, de vliegroute van vleermuizen, mierenhopen en holtebomen worden gespaard of gecompenseerd tijdens de realisatie. De aanwezige bomen bieden beperkt natuurlijke holten voor vogels. Het vraagt een langere adem om meer natuurlijke holten in bomen te verkrijgen. Om die reden is in januari 2023 een nestkastenplan opgesteld. Ter uitvoering van dit plan worden er 35 nestkasten in vier verschillende typen ten bate van zeven holenbroedvogels in het gebied geplaatst. Op deze wijze wordt reeds concreet invulling gegeven aan één van de adviezen uit zowel het natuuronderzoek als het beheerplan. Tijdens de exploitatie dient passend te worden omgegaan met terreinverlichting. Deze aspecten zijn benoemd als mitigerende en compenserende maatregelen. Mooi Meer B.V. heeft de ambitie om naast het realiseren van een optimalisatie van het recreatieve voorzieningenniveau en de exploiteerbaarheid van het gebied Henschotermeer een bijdrage te leveren aan de ecologische kwaliteit. Van belang daarbij is dat de veiligheidsaspecten ten bate van recreanten voldoende gewaarborgd kunnen worden en dat de maatregelen binnen een realistisch financieringsniveau voor ontwikkeling en beheer kunnen plaatsvinden.
Om hier invulling aan te geven is voorzien in genoemd beheerplan wat zich mede richt op de situatie na de herontwikkeling van de recreatieve voorzieningen. 7.2. Gebiedsbescherming De Wet natuurbescherming bevat specifieke regels voor de aanwijzing, het beheer en de bescherming van Natura 2000-gebieden, waaronder een groot aantal gebieden die als essentieel leefgebied dienen voor vogels. De internationale verplichtingen uit de Vogel- en Habitatrichtlijn zijn vanaf 1 januari 2017 verwerkt in de Wet Natuurbescherming. Het Natuurnetwerk Nederland (NNN) is het Nederlands netwerk van bestaande en nieuw aan te leggen natuurgebieden. Voorheen was dit netwerk bekend als de Ecologische Hoofdstructuur (EHS). Het netwerk moet natuurgebieden beter verbinden met elkaar en met het omringende agrarisch gebied. Het Natuurnetwerk is de kern van het Nederlandse natuurbeleid. De provincies zijn verantwoordelijk voor de begrenzing en de ontwikkeling van dit natuurnetwerk. In of in de directe nabijheid van de NNN/EHS geldt het ‘nee, tenzij’- principe. In principe zijn er geen ontwikkelingen toegestaan als zij de wezenlijke kenmerken of waarden van het gebied aantasten. Beoordeling Het Henschotermeer gebied is aan de noord en westzijde geheel begrenst als Natuurnetwerk Nederland (NNN). Het als NNN begrensde gedeelte bestaat geheel uit bosvakken.
Het betreft het natuurbeheertype “Droog bos met productie” (N16.03). NNN gebied Henschotermeer maakt onderdeel uit van een groot en vrijwel aaneengesloten NNN gebied dat wordt doorsneden door enkele provinciale wegen. Aan de zuid- en oostzijde grenst het aan het buitengebied van Woudenberg en Maarn. De recreatieplas, met strand, de bestaande voorzieningen, de parkeerplaatsen en het zuidoostelijke deel zijn buiten de NNN begrenzing gelegen. De voorgenomen activiteiten bevinden zich geheel buiten de NNN begrenzing. Adromi B.V.
sz/R202256/2202
Pagina 42 van 51
Bestemmingsplan ‘Buitengebied, Henschotermeer’ Woudenberg
Er zullen geen effecten op de aangrenzende delen met een NNN status optreden anders dan vanuit het historisch en huidig gebruik reeds aanwezig zijn. Binnen het landgoed Den Treek-Henschoten is dit het gebied met belevingswaarde en recreatie concentratie, terwijl elders op het landgoed gekozen wordt voor meer ruimte en rust voor de natuur. Daarnaast is in het kader van gebiedsbescherming een stikstofdepositieberekening uitgevoerd voor zowel de gebruiksfase als voor gelijktijdige uitvoering van de bouwfase11. Hierbij is ook rekening gehouden met de invloed van de verplaatsing YMCA, een project dat min of meer gelijktijdig wordt uitgevoerd in het gebied. Uit de berekening volgt dat er geen depositieresultaten boven 0,00 mol/ha/jr. op de omliggende Natura 2000-gebieden is gemeten. Er kan geconcludeerd worden dat de beoogde ontwikkeling geen significante gevolgen heeft voor de Natura 2000-gebieden. De beoogde bouwplanning is daarbij ook in de planregels geborgd.
De stikstofdepositie die uitvoering van de plannen zal veroorzaken vormt een zodanig gering percentage van de kritische depositiewaarde van de meest kritische ter plaatse voorkomende stikstofgevoelige habitattypen, dat er ecologisch gezien geen zichtbare of meetbare effecten zullen optreden en er zeker geen sprake is van significante gevolgen waardoor de instandhoudingsdoelstellingen van de betrokken Natura 2000- gebieden in gevaar zouden kunnen komen. Concluderend vormt de natuurwetgeving geen beperking voor de ontwikkeling. Bij de feitelijke realisatie van gebouwen dient daarbij steeds te worden voldaan aan de zorgplicht op grond van de Wet natuurbescherming, waarbij indien nodig door middel van nader / actueel onderzoek dient te worden aangetoond dat geen sprake is van strijd met de natuurwetgeving. Ook de beheerplannen zorgen ervoor dat bij het dagelijkse gebruik en het terreinonderhoud voldaan zal worden aan de natuurwetgeving.
11
Verstoep, Memo Stikstof Bestemmingsplan “Henschotermeer”, 16 november 2022, Bijlage 5
Adromi B.V.
sz/R202256/2202
Pagina 43 van 51
Bestemmingsplan ‘Buitengebied, Henschotermeer’ Woudenberg
8.
Archeologie en cultuurhistorie
Wettelijk kader Erfgoedwet Met de Erfgoedwet beschermt de overheid het cultureel erfgoed in Nederland. Voor 2016 waren er verschillende wetten en regels voor behoud en beheer van cultureel erfgoed. Sinds juli 2016 zijn die allemaal samengegaan in 1 wet. In de Erfgoedwet is vastgelegd hoe met erfgoed wordt omgegaan, wie welke verantwoordelijkheden daarbij heeft en hoe het toezicht daarop wordt uitgeoefend. Overbodige regels zijn geschrapt en de verantwoordelijkheid voor de bescherming van het cultureel erfgoed ligt waar mogelijk bij het erfgoedveld zelf. Daarmee spreekt de regering het vertrouwen uit dat de sector voldoende kennis, deskundigheid en betrokkenheid heeft om de zorg voor ons cultureel erfgoed in de praktijk waar te maken. Beoordeling Archeologie De gemeente Woudenberg heeft een archeologische beleidskaart op laten stellen voor haar gebied. De verwachtingswaarden zijn doorvertaald in archeologische dubbelbestemmingen in de geldende bestemmingsplannen. In dit plan is sprake van drie dubbelbestemmingen voor archeologie, namelijk; Waarde – Archeologie 2, Waarde – Archeologie 3 en Waarde – Archeologie 4. Hiermee wordt de bescherming van de (verwachte) archeologische waarden gewaarborgd. Aangezien nog niet zeker is waar exact in het gebied gebouwd gaat worden, is nu volstaan met het overnemen van de bestaande archeologische verwachtingswaarden.
Dit ook omdat de positie van bebouwing ook zou kunnen worden aangepast naar aanleiding van de uitkomsten van archeologisch onderzoek. Ten tijde van omgevingsvergunningen voor het bouwen of aanleggen wordt getoetst aan de regels van de dubbelbestemming en zal zo nodig gericht onderzoek plaatsvinden. Cultuurhistorie Het plangebied maakt op basis van de Provinciale Ruimtelijke Verordening deel uit van de ‘Cultuurhistorische hoofdstructuur’ en van ‘Landschap Utrechtse Heuvelrug’. Andere cultuurhistorische waarden zijn niet aanwezig in het plangebied. De beoogde ontwikkelingen zijn niet van invloed op de kernelementen binnen het plangebied. Enkel de bestaande bebouwing wordt waar nodig vervangen en een brug wordt gerealiseerd. De andere ontwikkelingen zijn enkel op planologisch niveau en niet fysiek. Geconcludeerd wordt dat het aspect cultuurhistorie geen belemmering oplevert voor de beoogde ontwikkeling in het voorliggend bestemmingsplan.
Adromi B.V.
sz/R202256/2202
Pagina 44 van 51
Bestemmingsplan ‘Buitengebied, Henschotermeer’ Woudenberg
9.
Juridische toelichting
9.1. Algemeen Het juridisch bindende gedeelte van het bestemmingsplan bestaat uit de verbeelding (voorheen: plankaart) en de regels (voorheen: planvoorschriften). De regels zijn gerelateerd aan de verbeelding, zodat kaart en regels te allen tijde in onderlinge samenhang dienen te worden bezien en toegepast. De verbeelding heeft een ondersteunende rol voor toepassing van de regels alsmede de functie van visualisering van de bestemmingen. Op de verbeelding hebben alle gronden binnen het plangebied een bestemming gekregen. Binnen een bestemming kunnen nadere aanduidingen zijn aangegeven. Deze aanduidingen hebben slechts juridische betekenis indien, en voor zover, deze in de regels daaraan wordt gegeven. Soms heeft een aanduiding juridisch gezien geen enkele betekenis en is deze uitsluitend op de verbeelding aangegeven ten behoeve van de leesbaarheid (bijvoorbeeld topografische gegevens). De verbeelding vormt samen met de regels het voor de burgers en overheid bindende deel van het wijzigingsplan. De regels bevatten het juridisch instrumentarium voor het regelen van het gebruik van de gronden, bepalingen omtrent de toegelaten bebouwing, regelingen betreffende het gebruik van aanwezige en/of op te richten bouwwerken. De regels zijn onderverdeeld in meerdere hoofdstukken.
Voor onderhavig wijzigingsplan wordt zo veel mogelijk aangesloten op de regels van het moederplan en het bestemmingsplan ‘Buitengebied – Maarn’ van de Utrechtse Heuvelrug, waar zich het andere deel van het Henschotermeer bevindt. De toelichting heeft géén juridisch bindende werking, maar vervult een belangrijke functie bij de weergave en onderbouwing van het plan en ook bij de uitleg van bepaalde bestemmingen en regels. In de toelichting dienen derhalve duidelijk de beleidsintenties te worden aangegeven met betrekking tot het toekomstig grondgebruik. De toelichting heeft echter geen rechtstreeks bindende werking voor burgers. 9.2. Plansystematiek Net als in het geldende plan is sprake van een dagrecreatieve bestemming. Het gehele terrein mag worden gebruikt voor deze dagrecreatieve functie en bijbehorende activiteiten, waaronder evenementen. In de huidige situatie is het Henschotermeer voorzien van een groot bouwvlak waarbinnen overal alle voorzieningen mogen worden gebouwd. In onderhavig bestemmingsplan is gekozen voor een gedifferentieerde opzet waarbij middels specifieke bouwvlakken en aanduidingen de locatie van de verschillende bestaande en beoogde voorzieningen is vastgelegd. Op gronden buiten bouwvlak en zonder nadere functieaanduiding zijn de bouw- en gebruiksmogelijkheden beperkt.
Wat buiten deze bouwvlakken mag worden gebouwd betreft bijvoorbeeld voorzieningen in de vorm van sanitair, afvalinzameling, ambulante horeca en dergelijke. Binnen de bouwvlakken zijn per functie de maximale afmetingen van de bebouwing vastgelegd.
Adromi B.V.
sz/R202256/2202
Pagina 45 van 51
Bestemmingsplan ‘Buitengebied, Henschotermeer’ Woudenberg
De bedoelde functieaanduidingen zijn: Horeca tot en met categorie 2 Binnen deze functieaanduiding wordt de nieuwe zelfstandige horeca voorzien, met eveneens het centrale toegangsgebouw. Specifieke vorm van recreatie – kantoor en beheerderswoning Binnen deze functieaanduiding is het bestaande kantoor toegelaten, evenals een geïntegreerde beheerderswoning en bijgebouwen. Door deze bedrijfswoning woning te integreren bij het bestaande beheerderskantoor wordt bebouwing geclusterd en wordt tevens verzelfstandiging van deze woonfunctie tegen gegaan. Specifieke vorm van recreatie – expositieruimte Binnen deze functieaanduiding is een expositieruimte toegestaan. Deze is voorzien op het eiland. Specifieke vorm van recreatie – strandhoreca Deze functieaanduiding is opgenomen voor de bestaande strandhoreca aan het meer. Daarnaast is sprake van de volgende functie-aanduidingen. Natuur- en landschapswaarden Deze functieaanduiding maakt al onderdeel uit van het reeds geldende bestemmingsplan. Hier zijn voorschriften overgenomen. Het aanwezige reliëf met hoogteverschillen vormt een belangrijk element in de ter plaatse aanwezige landschapswaarden. Om die reden is ook gekozen voor een (bouw)peilsystematiek die enerzijds tegemoetkomt aan dit reliëf en anderzijds de mogelijkheid biedt om nieuwbouw in dit bestaande reliëf in te passen.
Blijkens diverse uitspraken12 moet de hoogte van bouwwerken worden gemeten vanaf het aan het bouwwerk afgewerkt aansluitend terrein. Dit in aansluiting op artikel 1, lid 2 onder b, van Bijlage II van het Besluit omgevingsrecht13. Daarbij is ook overwogen dat de hoogte moet worden gemeten vanaf het aan het bouwwerk aansluitend afgewerkt terrein. Zoals ook blijkt uit de nota van toelichting14, gaat het om de staat van het direct aan het bouwwerk aansluitend terrein zoals dat na voltooiing van de bouw is afgewerkt. Dit is anders in de situatie dat aangebrachte plaatselijke ophogingen of verdiepingen aan de voet van het bouwwerk niet bij het verdere verloop van het terrein passen en niet noodzakelijk zijn voor de bouw van het bouwwerk. In dat geval moeten die ophogingen of verdiepingen buiten beschouwing worden gelaten bij de bepaling van de hoogte van het bouwwerk. Gelet op voorgaande is in onderhavig bestemmingsplan gekozen voor een combinatie van maximaal toegelaten bouw- en goothoogten en een maximaal aantal bouwlagen dat zich volledig bovengronds mag bevinden. 12
ABRvS 31 maart 2021 ECLI:NL:RVS:2021:673) en 25 november 2020 (ECLI:NL:RVS:2020:2800) ABRvS 21 augustus 2019 (ECLI:NL:RVS:2019:281 1) 14 Stb.2010, 143, blz. 138 13
Adromi B.V.
sz/R202256/2202
Pagina 46 van 51
Bestemmingsplan ‘Buitengebied, Henschotermeer’ Woudenberg
Dubbelbestemmingen Op basis van de archeologische waarden in het gebied is een dubbelbestemming “Waarde – Archeologie” opgenomen. Deze is onderverdeeld in drie afzonderlijke bestemmingen, namelijk ‘Waarde – Archeologie – 2’, ‘Waarde – Archeologie – 3’ en ‘Waarde – Archeologie – 4. Afhankelijk van de verwachtingswaarde is een zwaardere bestemming opgelegd met zwaardere eisen voor ingrepen in de bodem.
Adromi B.V.
sz/R202256/2202
Pagina 47 van 51
Bestemmingsplan ‘Buitengebied, Henschotermeer’ Woudenberg
10.
Uitvoerbaarheid
10.1. Financiële uitvoerbaarheid Bij het opstellen van een bestemmingsplan dient de financiële haalbaarheid van het plan aangetoond te worden. Dit om te voorkomen dat recht gaat gelden dat niet realistisch blijkt te zijn. Op grond van artikel 6.12, lid 1, van de Wet ruimtelijke ordening (Wro) moet voor een bestemmingsplan een exploitatieplan worden vastgesteld indien er sprake is van een ‘bouwplan’. Artikel 6.2.1 van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) beschrijft wat een ‘bouwplan’ is. Als alternatief hiervoor kan een exploitatieovereenkomst worden afgesloten en daar is in onderhavige situatie voor gekozen. Het onderhavige plan betreft een particuliere ontwikkeling. De uitvoering komt niet ten laste van de publieke middelen. Er zijn geen gemeentelijke kosten aan verbonden. Gelet op de omstandigheid dat de huidige exploitant inmiddels ruim 4 jaar het beheer van het Henschotermeer heeft gevoerd, daarbij al de nodige investeringen heeft gedaan en waarbij ervaring is opgedaan met zowel de inkomsten als de kosten van onderhoud en beheer, is sprake van een financieel realiseerbare ontwikkeling. De ontwikkeling vormt een waardevolle aanvulling op de bestaande recreatieve voorzieningen. De investering in functieverbreding biedt zekerheid voor een duurzame exploitatie. Vanuit dit oogpunt bezien wordt het plan economisch uitvoerbaar geacht.