CConstaterende datWoudenberg
Koppel je AI →
Document · PDF

01.b Koersnotitie.pdf

Raadscommissie 5 september 2023, gemeente WoudenbergBij agendapunt: 6: Ingekomen stukken21.482 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 3

Juist hier is het goed om te zoeken naar combinatie van opgaven (meervoudig doelbereik) of naar een geheel andere vorm van landbouw die is aangepast aan zeer natte omstandigheden, ­zoals bijvoorbeeld ‘Boeren op Hoog Water’ of ‘natte teelten’. Deze zijn echter nog in het stadium van praktijkproeven. Omzetting naar natuur of natuurinclusieve landbouw met hoge grondwaterstanden (afgewaardeerde gronden) is hier ook een goede mogelijkheid. Deze koers zoals aangegeven in de RVS komt wat richting betreft goed overeen met een belangrijk sturend principe uit de Kamerbrief Water- en Bodem Sturend (WBS, november 2022) waarin voor de laagveengebieden in Nederland ­gesproken wordt over een grondwaterstand van 20-40cm onder maaiveld om de bodem­ daling te minimaliseren en de uitstoot van broeikasgassen te verminderen. ­Tegelijkertijd wordt met de Water- en Bodem Sturend brief ook gevraagd om de inlaat van water te minimaliseren. Dit kan door het overschot van regenwater in de winter vast te houden (waterbuffering), echter daarvoor is veel ruimte nodig,

Koersnotitie Utrechts Programma Landelijk Gebied

dus op die plekken zou dat ook een transitie vragen. Voor de sterkere vernatting en waterbuffering zal gekozen moeten worden voor slimme plekken. Daarbij is het logisch om te kijken naar de plekken waar de grootste effecten voor de reductie van broeikas­gasemissies zijn te halen (sterk dalende en/of natte gebieden), de kleinste ­negatieve effecten op waterkwaliteit optreden (dus niet in de fosfaat­ verzadigde percelen) en/of daar waar combinaties zijn te maken met andere ­opgaven ­zoals de aanpak van stikstof bij de N2000 gebieden, de ontwikkeling van nieuwe weide­vogelkerngebieden vanuit de VHR-opgaven en de ­meekoppelkansen bij de ­energietransitie (verhogen grondwaterstanden is goed te combineren met ­zonnepanelen).

4.5 Landbouw De Provinciale Staten hebben in 2018 de ‘Landbouwvisie 2018: landbouw met perspectief’ vastgesteld. Het doel van deze visie staat nog steeds overeind: een duurzame en rendabele landbouw in de provincie Utrecht. In deze paragraaf gaan we in op de huidige landbouwstructuur, de uitdagingen waar de agrarische ­sector met de NPLG-opgaven voor staat en de kansen die dit biedt. Tot slot geven we een beeld van de PAS-melders in de provincie Utrecht: agrariërs die sinds de ­uitspraak van de Raad van State in 2019 over het Programma Aanpak Stikstof (PAS) ­momenteel over geen benodigde natuurvergunning beschikken.

4.5.1 Huidige landbouwstructuur Voor de landbouw is een analyse gemaakt van de huidige landbouwstructuur in de provincie Utrecht gebaseerd op cijfers van het CBS uit 2020. Daaruit blijkt het volgende: • Er zijn 2.338 primaire land- en tuinbouwbedrijven, waarvan 75% in de graasdierhouderij (met 45% van het totaal aantal bedrijven in de melkveehouderij), 7% met een gespecialiseerd fruitbedrijf (landelijk 3%), 5% ­hokdierbedrijf (landelijk 6%) en 13% overige bedrijven zoals ­akkerbouw, tuinbouw en combinatiebedrijven (landelijk 41%). De laatste jaren is er een sterke toename in geitenhouderijen en in mindere mate van de ­schapen- en vleesveehouderij. Nuancering bij de toename van geiten­houderijen is dat nieuwe bouwvergunningen ten behoeve van de ­geitenhouderijen op basis van de bouwstop in de Omgevingsverordening niet meer mogelijk zijn.

22

• De primaire agrarische bedrijven hebben ruim 70.000 hectare grond in de provincie Utrecht in gebruik (de totale oppervlakte van de provincie is 150.000 hectare). • Het aantal bedrijven met een bedrijfshoofd dat ouder is dan 50 jaar en geen opvolger heeft, betreft 39% van het totaal. Dit aandeel is vergelijkbaar met dat van Nederland als geheel. Deze potentiële stoppers hebben 29% van het landbouwareaal in gebruik (ruim 20.000 hectare). • Verbredingsactiviteiten spelen een belangrijke rol op de landbouw­ bedrijven in Utrecht. Op 1.341 of 58% worden één of meer verbredingsactiviteiten uitgeoefend. Landelijk is dit percentage met 43% aanzienlijk lager. Vooral het aantal bedrijven met huisverkoop, agrarisch natuur­ beheer en stalling van goederen en dieren nam toe. • In economisch opzicht zijn de Utrechtse agrariërs gemiddeld kleiner dan in de rest van het land, de gemiddelde opbrengst is slechts iets meer dan 60% van het landelijk gemiddelde. • De landbouwstructuur in het westen en oosten van de provincie vertonen duidelijke verschillen: • Het overgrote deel van de 1.375 landbouwbedrijven in het ­westelijk deel van Utrecht (met name het veenweidegebied) bestaat uit graasdierbedrijven.

Dit zijn voor het grootste deel ­gespecialiseerde melkveebedrijven, maar daarnaast zijn er ook veel overige ­graasdierbedrijven, zoals vleesvee-, schapen-, geiten- en gemengde graasdierbedrijven. • In het oostelijk deel van Utrecht (Gelderse Vallei, Kromme Rijnstreek, Utrechtse Heuvelrug en Eemland) bestaat van de 955 landbouw­ bedrijven 67% uit graasdierbedrijven (637). Dit zijn voornamelijk melkveebedrijven, maar er zijn ook relatief veel overige graasdierbedrijven. De melkveehouderij in het oosten is intensiever dan in het westelijk deel van de provincie. Daarnaast zijn er relatief veel hokdierbedrijven (82), fruitbedrijven (77) en overige bedrijven (153).

Koersnotitie Utrechts Programma Landelijk Gebied

4.5.2 Uitdagingen Uit de analyses van de opgaven voor natuur (en stikstof), water en klimaat blijkt dat zij gevolgen zullen hebben voor de landbouw. De belangrijkste uitdagingen voor de agrarische sector zijn als volgt samen te vatten: • Aanpassen van de agrarische bedrijfsvoering voor de opgaven en doelen op het gebied van water, natuur en klimaat. Dit betekent: verminderen uitstoot stikstof en broeikasgassen, verminderen af- en uitspoeling van nutriënten en landbouwgerelateerde stoffen, ecologisch beheer van de watergangen, aanpassingen aan een meer klimaatbestendig en ­natter landelijk gebied, met name in de Veenweiden, op de flanken van de Utrechtse Heuvelrug en in de beekdalen van de Gelderse Vallei. • Het benutten van nieuwe mogelijkheden voor de agrarische bedrijfs­ voering (met een nieuw verdienmodel) zoals verbreding van de landbouw, agroforestry, agrarisch natuurbeheer en de realisatie van landschaps­ elementen (groenblauwe dooradering). • Het op specifieke plekken transformeren van landbouwgebied naar ­andere functies (bijvoorbeeld natuur, wateropvang, wonen/werken, ­recreatie, opwekken duurzame energie).

Uit Landbouwbrief 28 november 2022: Omschakelen door nieuwe producten en diensten aan te bieden en over te gaan op een andere bedrijfsvoering, zoals: • biologische landbouw en natuurinclusieve landbouw; • het produceren van nieuwe producten zoals hernieuwbare energie (bijvoorbeeld vergisting van mest), het telen van gewassen om in nieuwe vragen te voorzien (bijvoorbeeld nieuwe eiwitten of vezelgewassen voor de productie van biobased bouwmaterialen); • maatschappelijke diensten (bijvoorbeeld beheer van watergangen, natuurbeheer en natuurontwikkeling door boeren). Voor landbouwgrond met een substantiële natuurfunctie wordt, conform het Coalitieakkoord, het instrument ‘landschapsgrond’ geïntroduceerd; • multifunctionele landbouw: combinatie van landbouw met recreatie, agrotoerisme, zorg, boerderijeducatie, agrarische kinderopvang, of een boerderijwinkel.

23

4.5.3 Kansen Op het eerste gezicht lijken de NPLG-opgaven de complexiteit van de vraag­ stukken voor de landbouwsector alleen maar te vergroten. Het gaat immers niet meer alleen over de stikstofopgave, maar veel breder over de opgaven voor natuur, ­water en klimaat. Het goede hiervan is dat we hiermee de vraagstukken in het ­landelijk gebied in samenhang kunnen benaderen, meer vanuit een ­systeembenadering dan vanuit losse individuele vraagstukken. We kunnen ­hiermee een ontwikkeling in gang zetten die gericht is op een landbouwsysteem dat wat m ­ ilieubelasting betreft meer in balans is en daardoor bijdraagt aan een ­gezondere leefomgeving en duurzame maatschappij. De rol van de agrarische sector wordt hierdoor breder: niet alleen voedselproducent maar ook landschapsbeheerder en leverancier van ecosysteemdiensten. Bij dit alles horen nieuwe verdienmodellen zodat de boer vanuit deze bredere rol ook nog steeds een goede boterham kan verdienen. De afspraken in het Landbouwakkoord, waar in deze periode nog volop over wordt onder­handeld, moet hiervoor de basis bieden. Het vraagt een bijdrage van de ­gehele keten. Deze vraagstukken zijn complex. Er zijn voortdurend onzekerheden en nieuwe uitdagingen. Pasklare oplossingen zijn er niet. Het is als rijden in de mist maar wel ongeveer weten welke kant je uit wilt gaan.

De grote kans en die we nu hebben is om gezamenlijk flinke stappen te zetten. De urgentie is groot en het besef van de benodigde transitie is bij alle partijen aanwezig. Het gaat nu vooral om het hoe. De grote winst voor de agrarische sector is dat dit deze transitie naar een meer circulaire, natuurinclusieve en klimaatneutrale landbouw een grote kans biedt voor een stevig toekomstperspectief met langjarige duidelijkheid over ­essentiële ­zaken, een sector die maatschappelijk gewaardeerd wordt en economisch ­rendabel is.

4.5.4 PAS-melders Utrecht heeft ongeveer 150 PAS-melders, bijna uitsluitend agrarische bedrijven, en een onbekend aantal interimmers. Deze bedrijven hebben buiten hun schuld geen natuurvergunning. Het is van groot belang dat deze bedrijven gelegaliseerd ­worden. Primair is dit een verantwoordelijkheid van het Rijk, maar de ­provincie Utrecht wil hier waar mogelijk aan bijdragen. Legalisatie is tot nu toe lastig ­gebleken, het verkrijgen van stikstofruimte is lastig, maar ook extern salderen is nauwelijks mogelijk omdat dan voldaan moet zijn aan het additionaliteitsvereiste

Koersnotitie Utrechts Programma Landelijk Gebied

(er moet onderbouwd worden dat de stikstofruimte niet nodig is voor ­instand­houding van de natuur en ingezet kan worden voor legalisatie).

4.6 Overige thema’s Naast de opgaven vanuit het Nationaal Programma Landelijk Gebied zijn er andere ruimtelijke opgaven die gevolgen hebben voor de toekomstige inrichting van het landelijk gebied. In onze analyse hebben we deze daarom meegenomen.

4.6.1 Wonen, werken en groen op de grens van stad en land Een aantal meer stedelijke opgaven uit de provinciale Omgevingsvisie en ­afspraken met Utrechtse regio’s en het Rijk hebben gevolgen voor de inrichting van het landelijk gebied. Het gaat dan om de uitbreiding van steden en dorpen met woon- en werklocaties, inclusief mobiliteit, maar ook over het toevoegen van groen en landschap rondom stad en dorp ten behoeve van recreatie en ­klimaatadaptatie (Groen groeit mee). Al deze ontwikkelingen brengen een claim op de ruimte met zich mee. Voor de eerste provinciale ruimtelijke doorrekeningen van deze ruimteclaims zie het ‘Memo ruimtegebruik nu en in de toekomst’, ­vastgesteld door GS 20-12-2022). In bijna alle Utrechtse landschappen speelt deze ­verstedelijkingsopgave op de grens van stad en land, zowel meer grootschalig in regio’s als Utrecht-Amersfoort en Foodvalley als kleinschaliger bij uitbreidingen van dorpen. In het Memo ruimtegebruik nu en in de toekomst wordt ingegaan op de omvang van de ruimtelijke opgaven die op het landelijk gebied afkomen. Daarbij wordt gekeken naar zowel de opgaven op middellange (tot 2030) als lange termijn (2030 en verder).

4.6.2 Zoeklocaties opwekken duurzame energie In het Klimaatakkoord hebben overheden, bedrijven en maatschappelijke ­partners afgesproken dat 30 regio’s een Regionale Energiestrategie (RES) opstellen. In de provincie Utrecht gaat het om drie Regionale Energiestrategieën: regio U16, regio Foodvalley en de regio Amersfoort. In de Regionale Energiestrategieën ­maken ­regionale overheden en maatschappelijke organisaties afspraken over het ­opwekken van duurzame energie op land, de verdeling van duurzame warmte­ bronnen en de daarvoor benodigde opslag en energie-infrastructuur.

24

Voor het opwekken van duurzame energie op land zijn zoeklocaties aangewezen. Deze zoeklocaties liggen grofweg in de volgende gebieden: • Gelderse Vallei, met name voor windenergie. • Veenweidengebied (met uitzondering van Vijfheerenlanden), met name voor zonne-energie. • Kromme Rijngebied, met name wind rondom stad Utrecht, met name zon in rivierengebied • Vijfheerenlanden (zuidelijk deel veenweidengebied), met name voor ­windenergie • Langs snelwegen en spoor A1, A12, A28, spoor, zowel wind als zon Geconstateerd wordt dat er nu te weinig perspectief is dat we de doelen uit de RES’sen halen. Er is een evenwichtige combinatie van opwekking via zon en wind nodig om jaarrond over voldoende duurzame energie te beschikken en om de netinfrastructuur optimaal te benutten. Er zijn nu te weinig locaties voor wind. Er wordt (mede op basis van een PlanMER) onderzocht waar in de ­provincie ­windturbines mogelijk zijn.

4.7 Dynamiek per Utrechts landschap Op basis van bovenstaande analyse zien we dat in de Utrechtse landschappen vanuit de verschillende NPLG-opgaven er meer of minder verandering en dynamiek te verwachten is. In deze paragraaf gaan we in op de analyse van de stapeling van de opgaven per type landschap:

Figuur 3, Karakteristieke landschappen provincie Utrecht (Omgevingsvisie provincie Utrecht, 2021)

1. Veenweidengebieden: Utrechts deel Groene Hart en Eemland 2. Utrechtse Heuvelrug 3. Kromme Rijnstreek 4. Gelderse Vallei De relatieve grote hoeveelheid landschappen in Utrecht met veel ­stapeling van opgaven en veel veranderingen (de zogenaamde hoog dynamische ­gebieden) komt overeen met de conclusies uit de landelijke studie ‘Naar een ­ontspannen Nederland’ (2021). Hierin wordt aangegeven dat het oplossen van de ­stikstofproblematiek via een ruimtelijke benadering een hefboom kan zijn voor het aanpakken van de andere grote opgaven en zo een nieuw perspectief kan ­opleveren voor het landelijk gebied (zie kader).

Koersnotitie Utrechts Programma Landelijk Gebied

25

Rapport ‘Naar een ontspannen Nederland’ (2021) Jan-Willem Erisman (de’ stikstofprofessor’) heeft in 2021 het rapport ‘Naar een ontspannen Nederland’ uitgebracht. Het is een pleidooi om de stikstofproblematiek ruimtelijk te benaderen en daarmee als hefboom voor de aanpak van andere grote opgaven te benutten. Op die manier kan het een nieuw perspectief opleveren voor het landelijk gebied. Uitgangspunt is om structureel uit de crises te komen en niet het risico te lopen steeds weer op slot te raken omdat wij niet aan onze internationale verplichtingen kunnen voldoen. Dit is ook een belangrijk uitgangspunt voor het NPLG. Door met een brede, ruimtelijke blik naar de stikstofopgave te kijken en na te denken over integrale lange termijn oplossingen, kan een maximaal maatschappelijk rendement verkregen worden op de forse overheidsinvesteringen die hoe dan ook hiervoor moeten worden gedaan. Van groot belang daarbij is het benutten van synergiekansen en het verbinden van de korte en lange termijn. “Door de stikstof-, klimaat- en waterdoelen centraal te stellen, de juiste instrumenten en middelen en voldoende uitvoeringscapaciteit te organiseren, nodigen wij uit tot een systeemverandering in de landbouw in Nederland met ruim voldoende perspectief. Daarbij zullen we anders moeten gaan denken en handelen en zullen de gebiedskarakteristieken meer centraal en richtinggevend moeten worden.

Goede landbouwgrond wordt daarbij voor landbouw behouden. Dit zijn gronden die met weinig extra input hoge producties kunnen leveren.

Koersnotitie Utrechts Programma Landelijk Gebied

In andere gebieden zijn, naast voedselproductie, meerdere functies voor de landbouw weggelegd, zoals landschap en natuuronderhoud, leveren van allerlei (betaalde) diensten als koolstofopslag, schoonwater, recreatie et cetera. In deze gebieden kan invulling gegeven worden aan de bossenstrategie, duurzame energieproductie, recreatie en natuur. Versterking van de sociaal-maatschappelijke interacties in het landelijk gebied zorgen voor meer integratie van de landbeheerders en hun omgeving. Op deze manier creëren we op korte termijn ruimte en winnen we wat tijd om op de langere termijn door een structurele aanpak aan de meeste doelen te voldoen.” In het rapport is in kaart gebracht waar de grootste stikstofwinst te behalen valt, met inachtneming van de andere grote opgaven (KRW, klimaat et cetera). Voor de korte termijn levert dit het volgende voorstel voor prioritering: 1. Ammoniak-emissiereductie in de Gelderse Vallei en de ­­­ Veluwe-enclave. 2. Gerichte uitkoop van specifieke intensieve bedrijven (piekbelasters) op zandgronden. 3. Extensivering van de landbouw in het Groene Hart.

26

4.7.1 Veenweiden: hoog dynamisch gebied In het grotendeels agrarische veenweidegebied (Utrechtse deel Groene Hart en Eemvallei) komt een flink aantal opgaven vanuit het UPLG bij ­elkaar. De ­opgaven met de grootste impact op het agrarisch gebruik zijn de ­reductie van ­broeikasgassen uit veenbodems (met name de veenbodems met ­kleine of geen kleilaag) met daarbij een aangepast waterbeheer gericht op een ­hogere ­grondwaterstand, het verbeteren van de waterkwaliteit, stikstof­reductie ­rondom de Natura 2000-­gebieden, de VHR-opgave voor weidevogels en ­moeras en de ­realisatie Aanvalsplan Grutto. Deze opgaven kunnen (met maatwerk) goed ­gecombineerd worden. De opgave voor de uitbreiding van het Natuurnetwerk Nederland (NNN) is hier relatief beperkt en richt zich vooral op de ­uiterwaarden van de rivieren, de verbinding met de Natura 2000-gebieden, vernatting van veenweiden voor weidevogels en versterking van landgoederen. Nieuw bos ­(Bossenstrategie) is in dit gebied relatief weinig kansrijk, omdat bos zich niet goed laat combineren met de open weidevogelgebieden in de veen­ weiden. ­Bovendien zijn grote delen van het Utrechtse veenweidengebied in de ­provinciale ­Omgevingsvisie vanuit cultuurhistorisch oogpunt aangewezen als Agrarisch ­cultuurlandschap. Openheid is hier een landschappelijke ­kernkwaliteit die ­behouden moet blijven.

De grootste kansen voor het ­realiseren van bos in het Utrechtse veenweidengebied zijn aan de westkant van de stad Utrecht en het voorbeeldproject Hollandse IJssel (Groen groeit mee). Tot slot zijn er in de ­veenweide zoeklocaties voor windenergie (met name in Vijfheerenlanden maar ook gemeenten als Lopik en Woerden zoeken geschikte plekken) en ­zonne-energie (het overige deel van het veenweidengebied) en zijn er aan de rand van het Groene Hart en Eemland (Amersfoort) plannen voor wonen en ­werken.

4.7.2 Utrechtse Heuvelrug met flanken: hoog dynamisch gebied Een groot deel van dit gebied bestaat uit natuur- en recreatiegebieden. ­Daarnaast is het vanuit cultuurhistorisch oogpunt een zeer gelaagd en waardevol gebied met de buitenplaatsenzone en het militair erfgoed. Uit de analyse komt dat de ­opgaven voor water en natuur grote impact hebben op de toekomst van dit ­gebied, met name op de flanken van de Heuvelrug. Op deze flanken komt een aantal ­opgaven bij elkaar: herstel van het water- en bodemsysteem, functie­verandering ten ­behoeve van het Natuurnetwerk Nederland, potentie voor de ­realisatie van bos (­ Bossenstrategie) en herstel van kwel- en stikstofgevoelige Natura 2000-­gebieden (Kolland&Overlangbroek op de flanken en Oostelijke Vechtplassen en Binnenveld in de aangrenzende landschappen). Koersnotitie Utrechts Programma Landelijk Gebied

In het Langbroekerweteringgebied is de stapeling van opgaven zo groot dat dit gevolgen zal hebben voor het toekomstige ruimtegebruik waarbij het huidig peilbeheer voor zowel landbouw als natuur suboptimaal is.. In dit ­gebied is er een sterke verwevenheid tussen natuur en landbouw. Voor de ­­­instandhouding van de natuur en volhoudbaar waterbeheer is een robuuster water­ systeem nodig, ­waarbij meer ­water wordt v­ astgehouden en minder wordt ­afgevoerd. Ook is het ­belangrijk dat de ­kwelstromen vanuit de Heuvelrug ­voldoende ter beschikking komen van de ­kwelafhankelijke natuur in dit gebied. Tenslotte is het belangrijk de ­natuurgebieden onderling beter te ­verbinden. Deze stapeling van opgaven noopt tot een natuurinclusiever en ­wellicht ook ­extensiever landgebruik. Op de ­Heuvelrug zelf liggen grote opgaven voor met name de kwaliteit van het bos. Ook op ­andere plekken langs de flanken zullen ­aanpassingen in het ­ruimtegebruik ­nodig zijn. Tot slot zal de uitbreiding van wonen en werken in de aangrenzende ­stedelijke gebieden van de regio’s U16, Amersfoort en Foodvalley een toename van de ­recreatieve druk op het gebied tot gevolg hebben. Nieuw recreatief groen en landschap (Groen groeit mee) in en rondom de Utrechtse Heuvelrug is daarom gewenst. Daarmee kan tevens de recreatiedrukte van de Utrechtse Heuvelrug ­worden afgeleid.

4.7.3 Utrechtse deel Gelderse Vallei: hoog dynamisch gebied De belangrijkste combinatie van opgaven in de Gelderse Vallei heeft betrekking op de beekdalen op hoge zandgronden. Hier komen de opgaven vanuit water, ­natuur en klimaat bij elkaar zoals verbetering van de waterkwaliteit, het klimaat­ bestendig inrichten van het beekdallandschap, functieverandering ten behoeve van ­Natuurnetwerk Nederland, de realisatie van bos (bijvoorbeeld ­habitattype ­beek­begeleidend bos) en de reductie van stikstof en methaan in de landbouw. Deze stapeling van opgaven heeft waarschijnlijk gevolgen voor het huidig ­landgebruik. Direct ten zuiden van het gebied met de beekdalen ligt het ­huidige landbouwontwikkelingsgebied Woudenberg-Renswoude. Gezien de ­r­elatief hoge veedichtheid in dit gebied, is de opgave voor de reductie van stikstof en methaan, maar ook van nutriënten, gewasbeschermingsmiddelen en andere ­landbouwgerelateerde stoffen, hier relatief groot. Voor het Natura2000-gebied het Binnenveld liggen er natuuropgaven waaronder verbetering van de hydrologische situatie en de aanleg van ecologische verbindingen.

27

Tot slot is de verstedelijkingsopgave hier aanzienlijk (uitbreiding wonen en werken Veenendaal en Rhenen) en zijn er zoeklocaties voor wind aangewezen.

4.7.4

Westelijk deel Kromme Rijnstreek: minder dynamisch gebied

In het westelijk deel van het Kromme Rijngebied komen relatief minder opgaven samen. Er zijn wel opgaven vanuit natuur, water en klimaat, maar de impact hiervan is waarschijnlijk beperkt. Generieke opgaven zoals de reductie van methaan en stikstof en de uitbreiding van de groenblauwe dooradering spelen hier ook.

Koersnotitie Utrechts Programma Landelijk Gebied

28

5 Structurerende principes 5.1 Inleiding Dit hoofdstuk geeft een aantal structurerende principes aan de hand van drie thema’s. De eerste twee thema’s omvatten de doelen die centraal staan in deze Koersnotitie en zijn een nadere uitwerking van twee van de zeven thema’s zoals benoemd in de Provinciale Omgevingsvisie (maart 2021). Het derde thema voegt de andere thema’s van de Omgevingsvisie samen in termen van ‘koppelkansen’: 1. klimaatbestendig en waterrobuust; 2. toekomstbestendige natuur en landbouw; 3. koppelkansen en randvoorwaarden vanuit de andere thema’s.

Toekomstbestendige natuur en landbouw

Levend landschap, erfgoed en cultuur

Het landelijk gebied in Utrecht kent een grote verscheidenheid. Het vraagt een gebiedsgerichte doorvertaling, aanpak en samenwerking om tot concrete resultaten te komen.

Stad en land gezond

Gezonde en veilige leefomgeving

Duurzaam, gezond en veilig bereikbaar

Klimaatbestendig en waterrobuust

Duurzame energie Vitale steden en dorpen

Figuur 3, de 7 thema’s uit de Omgevingsvisie Provincie Utrecht (2021)

Koersnotitie Utrechts Programma Landelijk Gebied

29

5.2 Thema Omgevingsvisie ‘Klimaatbestendig en waterrobuust’ Het veranderend klimaat met extreme weersituaties vraagt om aanpassingen in het watersysteem, grondgebruik en ruimtelijke inrichting. Er zijn keuzes en inzet nodig voor het realiseren van voldoende water, schoon water, een vitale bodem en ruimte voor water. Daarbij passen de volgende structurerende principes.

5.2.1 Structurerende principes schoon water 1. Schoon en voldoende water: voldoen aan de wettelijke normen van de ­Kaderrichtlijn Water • We zetten ons maximaal in om ervoor te zorgen dat de grondwater- en oppervlaktewaterlichamen in 2027 voldoen aan de wettelijke normen zoals vastgelegd in de Kaderrichtlijn Water. • De grondwaterafhankelijke Natura 2000-gebieden zijn in 2027 hydrologisch op orde zodat ze voldoen aan de KRW-doelen.

Voor het oppervlaktewater gaat het zowel om de oppervlaktewaterlichamen als de categorie ‘overige wateren’. Het is onzeker of alle KRW-doelen tijdig in 2027 ­gehaald zullen zijn, zowel voor grond- als oppervlaktewater. In 2024 zal onder leiding van het ministerie van Infrastructuur en Waterstaat een tussenevaluatie voor de KRW worden uitgevoerd. Dan zal blijken of aanvullende KRW-maatregelen nodig zijn om de KRW-doelen te halen. Het UPLG vormt een belangrijke impuls om de waterkwaliteit nog verder te verbeteren, naast de KRW-maatregelen. Hiertoe doen we het volgende (oppervlaktewater): • G  oede landbouwpraktijk: We zetten maximaal in op het uitbreiden van een goede landbouwpraktijk met ecologische slootbeheer en minimale uitspoeling van nutriënten, gewasbeschermingsmiddelen en andere landbouwgerelateerde stoffen, onder andere via het Deltaprogramma Agrarisch Waterbeheer (DAW) en de subsidiemogelijkheden van het Agrarisch ­Natuuren Landschapsbeheer (ANLB) en andere subsidiemogelijkheden uit het ­Nationaal Strategisch Plan (NSP/GLB). Om te zorgen dat dit bij alle boeren de standaard is, zetten we richting het Rijk maximaal in op uitbreiding van de mogelijkheden voor beheer via het ANLB (aanvullende financiering is nodig). • Aanvullende beheervoorschriften bufferstroken: We zetten in op aanvullende

Koersnotitie Utrechts Programma Landelijk Gebied

beheervoorschriften voor de verplichte bufferstroken om de waterkwaliteit te verbeteren. Het gaat om beheervoorschriften over het niet leggen of ­laten liggen van maaisel in de bufferstrook, geen kerende grondbewerking en een permanente vegetatie passend bij de droog-nat gradiënt van sloot naar ­perceel. Voor grondwater gaat het over de grondwaterlichamen en in het bijzonder de ­doelen van de beschermde gebieden, namelijk de Natura 2000-gebieden en ­gebieden met grondwater dat bestemd is voor menselijke consumptie. • Goede landbouwpraktijk: idem zie oppervlaktewater. • Stimuleren: aanvullen en vergroten van de grondwatervoorraad Utrechtse Heuvelrug door water langer vast te houden en meer te infiltreren. • Instellen grondwaterontrekkingsplafond voor het behouden van de ­goede kwantitatieve staat van de grondwaterlichamen en het versterken van grondwaterafhankelijke functies (waaronder Natura 2000-­gebieden en drinkwaterwingebieden). In de kabinetsbrief ‘Water en Bodem Sturend’ is aan provincies gevraagd om de noodzaak van een grondwateronttrekkingenplafond te onderbouwen in verband met effecten op ­grondwaterafhankelijke functies. Voor het eventueel instellen van een grondwateronttrekkingenplafond starten we als provincie een apart ­provinciebreed project op.

Bij het instellen van een grondwater­ onttrekkingenplafond is het cumulatieve effect van alle onttrekkingen op ­grondwaterafhankelijke functies maatgevend. Daarbij ligt er dus een sterke relatie met maatregelen die in het kader van het UPLG worden ­genomen om de hydrologie van natuurgebieden te versterken. Indien de natuurdoelen met andere maatregelen bereikt kunnen worden is de ­opgave voor het grondwateronttrekkingenplafond beperkt.

5.2.2 Structurerende principes robuust en klimaatbestendig ­water- en bodemsysteem Deze principes sluiten aan op de structurerende keuzes uit de Kamerbrief ‘Water en bodem sturend’. 2. Omgaan met droogte We zetten in op lokaal en regionaal meer water vasthouden en bufferen voor tijden van droogte (in bodem, oppervlakte- en grondwater).

30

Om lokaal meer water vast te houden is een vitale bodem van belang. Dit sluit aan bij de samenwerking ten behoeve van een goede landbouwpraktijk. Om in tijden van droogte minder afhankelijk te zijn van de rivieraanvoer willen we ook op ­regionale schaal in ons eigen gebied meer water vasthouden ­(waterbuffers). We gaan samen met de waterbeheerders, de agrarische sector en andere ­relevante stakeholders aan de slag om dit verder uit te werken en de ­ruimtelijke component hiervan nader te duiden en een plek te geven in de provinciale ­Omgevingsvisie en ander ruimtelijk instrumentarium. Op de zandgronden van de Utrechtse Heuvelrug en de beekdalen zijn daarvoor mogelijkheden, waarbij dit wel gevolgen zal hebben voor het hele hydrologische systeem en lokaal ook voor het landgebruik. Ook voor het vernatten van de veenweiden onderzoeken we of het mogelijk is om in het gebied zelf meer water te bufferen zodat er in droge perioden minder water van elders aangevoerd hoeft te worden. Uit eerste ­berekeningen blijkt dat volledige onafhankelijkheid van het hoofdwatersysteem niet ­mogelijk is, omdat dit onder andere een onevenredig grote ruimtevraag ­betekent. In het ­veenweidengebied zal daarom aanvoer vanuit het hoofdwatersysteem ­waarschijnlijk altijd in meer of mindere mate nodig blijven. Zie verder hoofdstuk 6. 3.

Omgaan met piekbuien We zetten in op lokaal meer ruimte voor het opvangen van water bij piekbuien en enkele zoekgebieden voor regionale piekberging.

We moeten leren omgaan met vaker voorkomende piekbuien, die niet meer met aanpassingen in het watersysteem zijn op te vangen. We zoeken daarom, met name in de lage delen, naar meer ruimte om bij piekbuien het water daar waar het valt beter vast te houden en daarbij kortdurend te bergen. Daarbij gaat het vooral om lokale mogelijkheden, hoewel er ook enkele zoekgebieden zijn voor piekberging op (boven)regionaal schaalniveau voor de extreme situaties. Daarnaast onderzoeken we samen met het Rijk en de waterschappen of het wenselijk en ­mogelijk is om de normen voor wateroverlast aan te passen in samenhang met het inzetten op het verlenen van schadevergoedingen en het kiezen van slimme plekken voor vernatting. Het is immers onver­mijdelijk dat er op meer locaties ­tijdelijk water op het land geaccepteerd zal moeten worden.

Koersnotitie Utrechts Programma Landelijk Gebied

4. Vermindering emissie broeikasgassen uit veenbodems ­(veenweidengebied) We zetten in op het vernatten van het Utrechtse veenweidengebied: • We gaan voort op de reeds ingezette weg, door in het veenweidengebied in gesprek te gaan met de agrarische ondernemers over het verhogen van de (grond)waterstand in hun percelen naar ca. 40 cm onder maaiveld • In een klein deel van het veenweidengebied streven we naar hogere grondwaterstanden tot 20 cm onder maaiveld (op slimme plekken, bijvoorbeeld in de gebieden met de sterkste bodemdaling of waar combinaties met andere opgaven mogelijk zijn).

Toelichting: In de Regionale Veenweiden Strategie (RVS) Utrechtse veenweiden (2022) is ­aangegeven dat deze verhoging van de (grond)waterstanden nodig is om de ­indicatieve provinciale doestelling van 0,09Mton CO2eq in 2030 te halen. In de praktijk blijkt dat een verhoging van de grondwaterstand tot -40cm ­grotendeels haalbaar is met technische maatregelen zoals waterinfiltratiesystemen ­zonder dat grote aanpassingen in de agrarische bedrijfsvoering nodig zijn. Bij blijvend landbouwkundig gebruik zijn dergelijke technische maatregelen te beschouwen als een no regret. De hogere grondwaterstanden vergen echter nog wel moeilijke keuzes vanwege het vraagstuk van voldoende beschikbaar hebben van zoetwater in combinatie met de ambitie minder afhankelijk te worden van gebiedsvreemd inlaatwater (zie kamerbrief Water en bodem sturend, november 2022). Ook zal de wateroverlast toenemen, omdat er bij hogere grondwaterstanden minder ruimte is voor de opvang van piekbuien. Daarnaast is het goed te beseffen dat het veenweidengebied een grote variatie in bodemtypen heeft. Deze varieert van klei op veen tot puur veen. Ook zijn er hoogteverschillen. Dit betekent dat de hier genoemde uitdagingen vragen om een aanpak met maatwerk per gebied. Zo zal in klei op veen gebieden het grondwater opgezet kunnen worden tot aan de kleilaag.

31

5. Verankeren drinkwateropgaven met andere opgaven in het ­landelijk ­gebied • Duurzaam inpassen bestaande en nieuwe drinkwaterwinningen als onderdeel van een robuust en klimaatbestendig watersysteem. • Duurzaam inpassen bestaande en nieuwe drinkwaterwinningen voor herstel en versterking van de natuur.

De drinkwatervoorziening staat steeds meer onder druk door een groeiende ­bevolking, de wens voor een robuustere (grond)watersystemen en toenemende verontreinigingen van bronnen. Drinkwaterwinning heeft een directe relatie met de inrichting van de ruimte en het watersysteem. De functies van ­drinkwaterwinning en natuur kunnen onder bepaalde randvoorwaarden goed samengaan. De ­mogelijkheden hiervoor willen we verkennen vanuit twee invalshoeken: • Benutten van de potentie van drinkwaterwingebieden om de natuur te ­versterken (bv via maatregelen die de (grond)waterkwaliteit beschermen). • In situaties waar drinkwaterwingebieden op gespannen voet staan met de gewenste hydrologische situatie vanuit natuurbelang oplossingen in gang zetten om deze situaties te verbeteren.

5.3 Thema Omgevingsvisie ‘Toekomstbestendige natuur en landbouw’ Natuur en landbouw leveren, als grootste ‘ruimtegebruikers’ in het ­landelijk ­gebied, een belangrijke bijdrage aan maatschappelijke functies zoals een ­aantrekkelijk en kwalitatief hoogwaardig landelijk gebied dat beleefd kan ­worden. De volgende principes zijn nodig om de kwaliteit van de natuur in de provincie Utrecht te verbeteren en de transitie naar een duurzame landbouw te ­ondersteunen.

Koersnotitie Utrechts Programma Landelijk Gebied

5.3.1 Structurerende principes natuur De structurerende principes voor natuur zijn gebaseerd op de verschillende ­soorten opgaven voor natuur: Natura 2000-gebieden, Natuurnetwerk Nederland, Vogel- en habitatrichtlijn, Bossenstrategie en Groenblauwe Dooradering. Het is goed ons hierbij te realiseren dat een aantal natuuropgaven slim te ­combineren is. Zo kan de aanleg van bos gecombineerd worden met de uitbreiding van Natuur­ netwerk Nederland, bijvoorbeeld op de flanken van de Utrechtse Heuvelrug of de versterking van landgoederen. De indicatieve opgave voor de Vogel- en ­habitatrichtlijn kan deels een plek krijgen in het huidige en nog uit te breiden ­Natuurnetwerk Nederland. 6. ­Maatregelen buiten (de overgangszones) en binnen ­Natura 2000-­gebieden We nemen de benodigde maatregelen binnen en buiten de ­Natura2000gebieden voor het realiseren van de goede staat van instandhouding van de via de Vogel- en Habitat Richtlijn beschermde soorten en habitats binnen de Natura2000-gebieden.

Dit betekent het volgende: • De maatregelen uit de Natuurdoelanalyses worden uitgevoerd. Indien het advies van de Ecologische Autoriteit tot wijzigingen in de maatregelen leidt, voeren we die uit. • De benodigde maatregelen binnen en buiten de N2000-gebieden, zoals in de Natuurdoelanalyses aangegeven, werken we uit in een concreet plan samen met betrokken gebiedspartijen en betrokken grond­eigenaren. Deze maatregelen leggen we vast in het beheerplan behorend bij het ­betreffende Natura 2000-gebied. • Met uitzondering van een overgangszone voor reductiemaatregelen stikstof, is er geen sprake van een standaard overgangszone, immers per maatregel zal de breedte van de overgangszone verschillen. Het is altijd gebiedsgericht maatwerk, want de ene maatregel ligt ver buiten het N2000-gebied en de andere misschien veel dichterbij. • De grondwaterafhankelijke Natura 2000-gebieden zijn zo snel als ­mogelijk, maar uiterlijk in 2027 hydrologisch op orde, waarmee we tevens voldoen aan de KRW-doelen.

32

7. Natuurnetwerk Nederland en Groene Contour We integreren de realisatie van het Natuurnetwerk Nederland en de Groene Contour met de opgaven voor Natura 2000-gebieden en de VHR.

Dit betekent het volgende: • We realiseren de NNN-opgave en vullen de resterende hectaren zoveel ­mogelijk in met de doelen van de VHR. • We zetten de resterende hectares Groene Contour in om de VHR-opgave te realiseren.

bij de landelijke Bossenstrategie in het Klimaatakkoord is ­afgesproken. De provincie Utrecht week daarbij dus af van het landelijk beleid. We z­ etten nu in op versnelling van de realisatie zodat we weer in lijn ­komen met de landelijk geldende streefdatum (2030). Dit sluit ook beter aan bij het NPLG-traject. Realisatie van de Bossenstrategie is overigens een inspanningsverplichting en geen resultaatverplichting. • De uitvoering van de Bossenstrategie doen we zoveel mogelijk in ­combinatie met andere opgaven zoals realisatie NNN (incl. Groene ­Contour), groenblauwe dooradering, de (extra) VHR-opgave, agroforestry en Groen Groeit Mee. 10. Groenblauwe dooradering (GBDA)

8. Vogel- en Habitatrichtlijn (aanvullend op de NNN- en N2000-gebieden) We anticiperen op de aanstaande EU-verordening Natuurherstel door de VHR-opgaven mee te nemen in het UPLG op basis van de indicatieve opgaven.

Dit betekent het volgende: • De provinciale indicatieve opgaven werken we uit in een concreet plan in samenspraak met de betrokken gebiedspartijen en vooruitlopend op de kamerbrief van oktober 2023. • We anticiperen op de aanstaande EU-verordening Natuurherstel die naar verwachting vanaf 2024 in werking treedt. 9. Bossenstrategie We gaan versneld aan de slag met de opgaven van de Bossenstrategie om 1.500 hectare meer bos te realiseren en het bestaande bos te revitaliseren en gaan daarover in gesprek met de Staten om de geldende ambitie uit onze Bossenstrategie wat betreft tijdpad conform de Landelijke Bossenstrategie en het Klimaatakkoord te laten verlopen (dus 2030 als realisatiejaar aanhouden in plaats van 2040).

Dit betekent het volgende: • Bij de vaststelling van onze provinciale Bossenstrategie (mei 2022) is ­besloten uit te gaan van 2040 als realisatiejaar in plaats van 2030 zoals

Koersnotitie Utrechts Programma Landelijk Gebied

We zetten ons maximaal in voor het realiseren van de groenblauwe dooradering in het landelijk gebied: 5% in 2030 (in de drie NPLG-prioritaire gebieden 10% in 2030), 10% in 2050.

Dit betekent het volgende: • Het primair doel van de GBDA is versterking van de biodiversiteit. Maar er liggen veel kansen voor het combineren met andere doelen ­zoals ­natuurinclusieve landbouw, aanleg bos, verbeteren waterkwaliteit, ­verminderen broeikasgassen. Daarnaast draagt het bij aan versterking van de landschappelijke kwaliteiten en versterkt het de mogelijkheden voor recreatie en klimaatadaptatie. Meervoudig ruimtegebruik is daarmee vanzelfsprekend bij de GBDA. • Specifiek voor de blauwe dooradering liggen er koppelkansen met de aanleg van verplichte bufferstroken, de realisatie van de KRW-doelen voor ‘overig water’ en otterverbindingen. Dit betekent dat we inzetten op natuurvriendelijke inrichting van oevers op plekken waar dat veel oplevert (biodiversiteit of tegengaan uitspoeling). • We ontwikkelen nieuwe instrumenten om de aanleg van nieuwe ­landschapselementen te stimuleren. • We zetten in op uitbreiding van beheer (ANLB). Enerzijds moeten de nieuw aangelegde elementen en structuren beheerd worden en anderzijds is er aanvullend een enorme potentie, vooral in ecologisch beheer van sloten en oevers.

33

5.3.2 Structurerende principes stikstof 11. Ruimtelijke differentiatie in de stikstof aanpak We gaan uit van ruimtelijke differentiatie voor het behalen van de reductiedoelstelling van 46% gemiddeld binnen de provincie Utrecht. We gaan in gesprek met de agrarische sector over de verschillende varianten (zie hoofdstuk 4).

In de Startnotitie NPLG van juni 2022 heeft het Rijk richtinggevende r­ eductiedoelen voor stikstof geformuleerd. Voor Utrecht betreft dit een ­reductiedoelstelling van 46% ammoniakemissie uit de landbouw in 2030 ten opzichte van het referentiejaar 2018. Dit richtinggevende reductiedoel voor ­ammoniak dient in het UPLG vertaald te ­worden in een (richting­gevende) ­ruimtelijke vertaling van de benodigde stikstof­ reductie. Hiervoor zijn als t­ heoretische verkenning drie varianten geformuleerd, die elk gebaseerd zijn op enkele structurerende principes Maar uiteraard zijn ook andere varianten denkbaar en bespreekbaar als de doelstellingen maar worden gehaald: • Als basis gaan we overal uit van circa 30% reductie omdat bekend is dat met voer- en managementmaatregelen dit percentage relatief eenvoudig te halen is (bron: Aanpak Praktijknetwerk Landbouw) mits dit aantoonbaar effectief is en goedgekeurd is door het Ministerie van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit. • In gebieden waar meerdere opgaven spelen, zoals (in een deel van) de veenweiden, de beekdalen en in de Langbroekerwetering, kan de reductie hoger omdat we vanuit andere opgaven hier ook al een flinke omslag in de agrarische bedrijfsvoering nastreven (meervoudig doelbereik).

• In de overgangszones rondom Natura 2000-gebieden (de 1km-zones) is het logisch om uit te gaan van een nog wat hoger percentage vanwege de grotere effectiviteit van de maatregelen dichtbij. Om die reden gaan we uit van in totaal tot 70% reductie, net als in variant 2.

Dit betekent: • Dit betekent dat agrariërs die al relatief duurzaam produceren een ­minder grote opgave hebben dan agrariërs waarvoor dit in mindere mate geldt. Voor de grondgebonden veehouderij hanteren we generiek een streefwaarde voor de emissie van ammoniak van maximaal 40 kg/ha/jr op ­bedrijfsniveau. Hiertoe wordt op alle grondgebonden veehouderijbedrijven toegewerkt naar een Goede Landbouw Praktijk (management van voer, meststoffen, bodem en gewassen) met inzet van de Monitor duurzame veehouderij. We roepen het Rijk op een emissienorm horende bij een ­emissiearme bedrijfsvoering vast te stellen. • Voor de niet-grondgebonden veehouderij werken we met een maximale emissie per dierplaats voor stallen, op basis van de Beste Beschikbare Technieken, in combinatie met managementmaatregelen. Zie voor verdere toelichting en kanttekening bijgevoegd kader op de volgende pagina.

Zie voor verdere toelichting hoofdstuk 4.4.1 12. Inzetten op doelsturing Ten behoeve van individuele agrarische bedrijven zetten we bij de reductie van de ammoniakemissie in op doelsturing met absolute getallen in plaats van percentages.

Koersnotitie Utrechts Programma Landelijk Gebied

34

5.3.3 Structurerende principes landbouw Inzetten op doelsturing (recht doen aan koplopers) Belangrijke kanttekening bij het inzetten op doelsturing ten behoeve van individuele agrarische bedrijven geldt vooralsnog dat we dit zien als streefwaarden en niet als absolute doelen. Deze streefwaarden zijn van toepassing 1:1 op het individuele agrarische bedrijf. Andere doelen, zoals de eerdergenoemde 60% en 70% zijn van toepassing op gebiedsniveau.

Om de transitie in de landbouw mogelijk te maken en een toekomstbestendige landbouw te realiseren (aansluitend op de Voedselvisie) zijn diverse landelijke en regionale instrumenten nodig.

In het kader van het NPLG is de Rijksoverheid op zoek naar onontkoombaarheid in het halen van doelen, anderzijds is het (nu nog beperkt beschikbare) instrumentarium uitsluitend gericht op vrijwilligheid. Bovendien ligt er nu nog geen landbouwakkoord. Dit maakt dat het voor ons als provincie niet mogelijk is om harde afspraken te maken over doelbereik.

We maken gebruik maken van het natuurlijk verloop van stoppers in de agrarische sector. De verwachting is dat circa 40% van de agrariërs stopt de komende jaren 10 tot 15 jaar (dit betreft circa 30%, zo’n 20.000 hectare, van de agrarische gronden). We zetten instrumentarium en financiële middelen in om emissies te verminderen en we gaan een actief grondbeleid en vergunningenbeleid voeren om ervoor te zorgen dat we als provincie regie op de vrijkomende gronden en vergunningen krijgen.

Er zijn veel manieren om op basis van generieke normering en beprijzing het doelbereik meer onontkoombaar te maken. Het ligt voor de hand dat het Rijk hierin het voortouw neemt, omdat alleen dan sprake is van een gelijk speelveld. Als deze doelsturing tijdig wordt ingezet kunnen bedrijven er voldoende rekening mee houden in de bedrijfsvoering en op eigen wijze invulling geven aan de manier waarop de doelen bereikt worden. In de gebiedsprocessen gaan wij uit van vrijwilligheid, dit kan niet anders omwille van het benodigde draagvlak. Per gebied wordt inzichtelijk gemaakt welke opgaven er liggen. Zoveel als mogelijk worden de opgaven vertaald naar wat dit betekent op bedrijfsniveau. Voor de gebieden moet duidelijk zijn welke mogelijkheden er zijn om te ondersteunen bij invulling van de opgaven, via regelingen, advisering, grond, kavelruil, etc. Gebiedsgericht wordt bekeken wat mogelijk is met het beschikbare instrumentarium. Dit betekent dat gewerkt wordt op basis van gebiedsgericht maatwerk, ondernemers krijgen daarmee de mogelijkheid een richting te kiezen die het meest bij hen past.

Koersnotitie Utrechts Programma Landelijk Gebied

13. Aansluiten bij natuurlijk verloop stoppers

Dit betekent het volgende: • Beschikbare landelijke regelingen benutten we optimaal, zoals de ­Landelijke Beëindigingsregelingen (LBV+- en LBV-regeling); • De grond van stoppende agrariërs zetten we in via gebiedsprocessen onder andere voor de verduurzaming en extensivering van blijvende ­agrarische bedrijven (via bijvoorbeeld kavelruilprocessen). Hiertoe kopen we provinciebreed actief grond op van stoppende agrariërs en nemen we productierechten uit de markt. 14. Inzet van Kritische Prestatie Indicatoren (KPI’s) Om doelsturing voor agrarische ondernemers en overheden hanteerbaar te maken, gaan we werken met Kritische Prestatie Indicatoren (KPI’s).

Dit betekent het volgende: • We ontwikkelen en implementeren zo snel mogelijk een systeem van KPI’s. Met de sectoren en onze gebiedspartners kiezen we de KPI’s en bijbehorende drempel- en streefwaarden. • Borging van de Indicatoren en erkenning door de Rijksoverheid en ­provincies is een randvoorwaarde.

35

• We zetten in op een beloningsregeling vanaf 2024 waaraan ook andere overheden deelnemen. • Ook andere partijen stimuleren we om boeren te belonen op basis van KPI’s.

17. Ondersteuning van de individuele ondernemer Individuele ondernemers ondersteunen we bij de verduurzaming van hun bedrijfsvoering.

15. Uitbreiding mogelijkheden Ecosysteemdiensten: Agrariërs krijgen meer mogelijkheden om gebruik te maken van ecosysteemdiensten.

Dit betekent het volgende: • Uitbreiding van agrarisch natuurbeheer en mogelijkheden als agroforestry dragen bij aan het verdienmodel van de landbouw. Het huidige budget agrarisch natuurbeheer is ontoereikend voor de opgaven waar we nu voor staan. Knelpunt is dat het op dit moment niet mogelijk lijkt om extra budget ­hiervoor te vragen vanuit het Transitiefonds Landelijk gebied omdat dit transitiefonds bedoeld is als incidenteel geld en niet als structureel geld. • Stimuleren inzet van GLB-NSP ‘Samenwerking regeling veenweiden en overgangsgebieden Natura 2000-gebieden’. • Inzet van instrument Landschapsgronden (nog in ontwikkeling). 16. Stimuleren ontwikkelen nieuwe verdienmodellen De provincie ondersteunt de ontwikkeling van aanvullende verdienmodellen voor natuurinclusieve kringlooplandbouw.

Naast de beloningsmogelijkheden op basis van de Kritische Prestatie ­Indicatoren (structurerend principe 14) en de grotere mogelijkheden voor vergoeding van ­ecosysteemdiensten zet de provincie in op meerdere instrumenten om het ­verdienmodel voor een natuurinclusie kringlooplandbouw te versterken, ­daarbij rekening houdend met de drie pijlers van waaruit een boer zijn verdienmodel kan versterken: • Reductie van de kosten; • Meerwaarde realiseren op de producten; • Verbreding van de bedrijfsvoering.

Koersnotitie Utrechts Programma Landelijk Gebied

Het is belangrijk om individuele agrariërs te ondersteunen bij de verduurzaming van hun bedrijfsvoering. Zo komen we tot de gewenste transitie naar een duur­ zame én rendabele landbouw. In aanvulling op de gebiedsgerichte aanpak richten wij ons hierbij ook op individuele ondernemers. Dit willen we doen door: • Het aanbieden van een 1 loketfunctie; • Het aanbieden van onafhankelijke advisering gericht op kennis over ­onderwerpen die voor de realisatie van de UPLG-doelen van belang zijn zoals verduurzaming van de bedrijfsvoering, verbreding van de landbouw; • Het aanbieden van (onafhankelijke) coaching (onder andere voortzetting van het huidige project landbouwcoaches).

5.3.4 Structurerende principes klimaat, onderdeel ­­­Methaan-emissies veehouderij 18. Reductie methaanemissie uit veehouderij We zetten in op een gecombineerde aanpak van het terugbrengen van de uitstoot van stikstof en methaan vanwege de overlap in de te nemen maatregelen.

De opgave kan behaald worden vanuit een combinatie van zowel generieke ­maatregelen (vaak via voer- en managementmaatregelen) als gebiedsspecifieke maatregelen (krimp van de veestapel). Dit betekent het volgende: a. Door het Rijk is aangegeven dat een deel van deze reductie door gene­ rieke maatregelen zal worden ingevuld. De resterende provinciale ­opgave zal daardoor kleiner worden. De generieke maatregelen die het Rijk wil nemen worden nog nader uitgewerkt. Dit gebeurt onder andere in het kader van het Landbouwakkoord. Daarbij gaat het om bijvoorbeeld ­verplichte voer- en managementmaatregelen of mogelijk regels rondom grondgebondenheid;

36

b. We zetten in op een gecombineerde aanpak van in het terugbrengen van de uitstoot van stikstof en methaan vanwege de overlap in de te nemen maatregelen. Waar bedrijven stoppen en/of er geëxtensiveerd wordt, zal een krimpende veestapel immers niet alleen leiden tot minder ­ammoniakemissies, maar ook methaanemissies reduceren. Zo wordt optimaal gebruik gemaakt van het autonome proces van stoppers om de opgave te halen; c. Gebiedsspecifieke maatregelen zijn daarnaast naar verwachting nog ­nodig via krimp van de veestapel. Daar waar extensivering zal plaatsvinden, is het gemakkelijker ook methaanemissies te reduceren. In de toedeling van de opgave naar gebieden zullen we daarom kijken naar een ruimtelijke differentiatie van de opgave.

5.4 Overige thema’s Omgevingsvisie 19. Combineren van ruimte vragende opgaven In het UPLG combineren we de doelen van het NPLG met andere relevante ruimte vragende ambities en opgaven, zoals Groen Groeit Mee en de energietransitie.

20. Versterken relatie stad en land Via het UPLG zetten we in op versterking van de stad-landrelatie. We zoeken in het kader van het UPLG nadrukkelijk naar de verbinding tussen landelijk en stedelijk gebied.

Dit betekent het volgende: • We versterken de groenblauwe en recreatieve structuren en linten die stad en land verbinden, passend bij het bodem- en watersysteem. ­Landschap en cultuurhistorie vormen hiervoor veelal de basis. Doel is om de groenblauwe dooradering van stedelijk en landelijk gebied beter op ­elkaar aan te sluiten. Groene scheggen, rivieren en andere oppervlaktewateren door ­stedelijk gebied, groene werklocaties, ­ecologische woonwijken etc. dragen bij aan biodiversiteit, en ook aan een ­klimaatbestendige en gezonde ­leefomgeving en recreatie. • We werken aan een landbouw die dicht bij de inwoners staat, waarbij de agrariërs regionaal voedsel en circulaire bouwmaterialen produceren, en bijdragen aan landschap, erfgoed, gezonde leefomgeving etc. • Via het UPLG dragen we bij aan de versterking van de stad-landrelatie via onder meer de inzet op bodem en water sturend, 10 % groenblauwe ­dooradering van het landelijk gebied, het strategisch bosbeleid, circulaire en natuurinclusieve landbouw en nieuwe VHR-natuur.

Dit betekent het volgende: De komende jaren komen veel opgaven op het landelijk gebied af die om ­ruimte vragen. Opgaven vanuit het UPLG om de internationale doelstellingen voor ­natuur, klimaat en water te behalen en te komen tot een toekomstperspectief voor ­agrariërs, bezien we in samenhang met de opgaven voor woningbouw, ­werken en mobiliteit, Groen Groeit Mee, recreatie, klimaatadaptatie en ­duurzame ­energie. Deze opgaven vragen ook ruimte in het landelijk gebied. Via meer­voudig ­ruimtegebruik kunnen ze deels gecombineerd worden met de opgaven voor het UPLG. Deels hebben ze overlappende doelstellingen met het UPLG. Als de ­opgaven gekoppeld worden met het UPLG, geldt als voorwaarden dat de gestelde UPLG-doelen tijdig en binnen budget behaald worden. Bekostiging vanwege de andere opgaven zal veelal vanuit andere financieringsbronnen moeten komen.

Koersnotitie Utrechts Programma Landelijk Gebied

37

21. Koppeling met recreatie Het UPLG draagt bij aan beleefbaar en toegankelijk groen.

Dit betekent het volgende: In de Omgevingsvisie is als ambitie opgenomen om het (recreatie)groen in gelijke tred te ontwikkelen met de verstedelijkingsopgave. Via vijf groene waarden geven we hier vanuit het Programma Groen Groeit Mee (GGM) invulling aan: ­toegankelijk groen, duurzame landbouw, veerkrachtige natuur, beleefbaar landschap en zichtbaar water. Het UPLG draagt bij aan al deze waarden, mits de recreatieve ­waarde ook nadrukkelijk wordt meegenomen. Het gaat over het beleefbaarheid en ­toegankelijkheid maken van groen en aanwezigheid van recreatievoorzieningen, zoals wandel- en fietspaden, een speelbos, (picknick)banken, horeca etc. Hierbij moet uiteraard rekening worden gehouden met de natuurwaarden, waarvoor een bepaalde rust en ruimte nodig is. Ook recreanten gaan vaak naar buiten om de rust op te zoeken. Uitloopgebieden nabij steden en dorpen helpen vanwege de (te) grote recreatiedruk op de Utrechtse Heuvelrug en andere natuurgebieden.

• (Transparante) zonnevelden zijn te combineren met fruitteelt en andere landbouwgewassen, en het houden van schapen en kippen. • Duurzame energiebronnen op een deel een agrarisch bedrijf kunnen ­bijdragen aan een duurzaam verdienmodel voor het gehele bedrijf. • Zonnevelden kunnen tijdelijk in groene contourgebieden worden ­gerealiseerd mits de grond daarna als natuur wordt ingericht. • De omgeving kan profiteren (lokaal eigendom) van zonnevelden en ­windturbines, bijvoorbeeld door financiële participatie en/of het ­voeden van gebiedsfondsen waarmee investeringen in de kwaliteit van de ­leefomgeving worden gedaan. Dit kan tot groenontwikkeling leiden. • Het is belangrijk om bij deze ontwikkelingen rekening te houden met de structuur van het landschap. Deze kan mogelijk versterkt worden. Aan coulisselandschappen kunnen bijvoorbeeld vanwege nieuwe ­zonnevelden of clusters van windturbines coulissen worden ­toegevoegd. Het in stand houden van het bodemleven en de waterkwaliteit is ­belangrijk, evenals het voorkomen van bodemverdichting, erosie etc.

22. Opwekken duurzame energie Voor nieuwe zonnevelden en windturbines zetten we in op meervoudig ruimtegebruik, waarbij een combinatie met de opgaven van het UPLG gelegd wordt. De kwaliteiten van de omgeving worden daarbij meegenomen, bijvoorbeeld de kwaliteiten van landschap, bodem en water.

Dit betekent het volgende: • Functiecombinaties tussen de opgaven van het UPLG en de ­realisatie van duurzame energiebronnen worden onder meer gezien in de ­veenweidengebieden met het verhogen van de grondwaterstanden voor het verminderen van broeikasgassen uit de veenbodems en voor ­waterberging bij piekbuien en vanwege droogte. • Ook zijn combinatiemogelijkheden aan de orde met nieuw bos, de ­groenblauwe dooradering van het landelijk gebied, en bloemrijk grasland dat vlinders, bijen en andere insecten trekt.

Koersnotitie Utrechts Programma Landelijk Gebied

38

6 Structurerende principes ­prioritaire gebieden Aan het einde van hoofdstuk 4 zijn de landschappen genoemd waar we veel ­opgaven bij elkaar komen en we veel dynamiek verwachten. Deze gebieden ­komen deels overeen met de prioritaire gebieden van het Rijk: overgangs­gebieden ­Natura2000, veenweidengebieden en beekdalen op zandgronden. Gezien de te verwachte dynamiek voegen we hieraan het landschap van de Utrechtse ­Heuvelrug met flanken toe. Dit hoofdstuk gaat in op de structurerende principes in deze vier prioritaire gebieden.

6.1 Overgangsgebieden Natura 2000-gebieden Voor de Natura 2000-gebieden Binnenveld, Kolland & Overlangbroek, ­Uiterwaarden Lek, Zouweboezem, Nieuwkoopse plassen en de Haeck (­Schraallanden langs de Meije), Botshol en Noorderpark als onderdeel van ­Oostelijke ­Vechtplassen en de Oostelijke Vechtplassen zijn Natuurdoelanalyses opgesteld. Voor de gebieden ­Rijntakken en Lingegebied & Diefdijk worden de NDA’s in juni afgerond. Alle ­gebieden zijn ten behoeve van de natuurdoelanalyses getoetst op de aanwezigheid van drukfactoren volgens Martens en & Ten Holt, 2020)

Figuur 5 Drukfactoren natuur Martens en Ten Holt (2020)”

Koersnotitie Utrechts Programma Landelijk Gebied

39

Daaruit blijkt dat de te nemen maatregelen, die nodig zijn voor het realiseren van de goede staat van instandhouding van de via de Vogel- en Habitatrichtlijn ­beschermde soorten en habitats binnen die Natura 2000-gebieden, verschillen. Zie voor een toelichting daarop hoofdstuk 4 en structurerend principe nummer 6 in hoofdstuk 5.

6.2 Veenweidengebieden 23. Combineren van de klimaatopgave met andere opgaven: De uitvoering van de Regionale Veenweidenstrategie biedt mogelijkheden om in de gebiedsprocessen de opgaven op het gebied van verminderen emissies broeikasgassen uit veenbodems met andere opgaven te combineren.

24. Kaderrichtlijn Water De KRW-opgave is randvoorwaardelijk bij de uitvoering van maatregelen in het veenweidegebied.

We spannen ons in om de achteruitgang van de waterkwaliteit te vermijden door rekening te houden met locaties met een grote kans op fosfaatuitspoeling. Als grondwater tot in de bovenste 20-30 cm van een fosfaatrijke bodem stijgt is de kans op uitspoeling van daar aanwezig mobiel fosfaat groot en ontstaat risico op achteruitgang van de waterkwaliteit van het oppervlaktewater en dus voor het halen van de doelen voor de KRW. Ook zou de verslechterde kwaliteit van het ­oppervlaktewater kunnen leiden tot een verhoogde methaanuitstoot uit sloten. In bepaalde gevallen is er hierdoor een dilemma tussen het behalen van KRW-doelstellingen en de klimaatdoelstellingen. 25. Tijdelijke opslag van water (waterberging)

Hierbij kan gedacht worden aan: • Extensivering veestapel ten behoeve van verminderen methaanuitstoot en stikstofuitstoot: bij minder koeien per ha kan de grondwaterstand wat hoger zijn. Dit zal vooral spelen in de overgangsgebieden bij N2000-­gebieden. • Bij bosaanleg zou de grondwaterstand verhoogd kunnen worden. Er is dan zelfs kans op veengroei (bosveen) waarbij extra broeikasgas kan ­worden vastgelegd. • Uitbreiding van de habitat voor weidevogels (voor opgave Vogel- en ­Habitatrichtlijn) en realisatie Aanvalsplan Grutto. Bij het opzetten peilen ten behoeve van de uitstootreductie van broeikasgassen ontstaan op sommige plekken kansen voor optimalisatie van het weidevogelbeheer. • Bij het inrichten van nieuwe natuur kan ter plekke kan de grondwaterstand omhoog gebracht worden en dus de bodemdaling en broeikas­ gasuitstoot geremd. Dit zou vooral kunnen spelen in de overgangs­ gebieden rond N2000. • Als op een terrein zonnepanelen worden geplaatst, zou de grond­ waterstand omhoog kunnen. • Binnen de uitvoering van de gebiedsprocessen besteden we aandacht aan de bijkomende effecten van het verhogen van de grondwaterstand, te weten effecten op waterkwaliteit, wateroverlast en wateraanvoer.

Koersnotitie Utrechts Programma Landelijk Gebied

We zoeken naar ruimte om piekbuien op te vangen om wateroverlast te beperken.

Bij het verhogen van de grondwaterstand neemt de kans op wateroverlast bij ­piekbuien toe omdat bodem en oppervlaktewater minder water kunnen bergen. Dit kan mogelijk voor een deel lokaal worden opgelost (daar waar het water valt). Maar het vraagt ook voorzieningen om water tijdelijk te kunnen opslaan ­(bergen) op een plek waar dat geen schade geeft. Hiervoor worden zoekgebieden ­aangewezen voor bovenregionale piekberging uit het Amsterdam-Rijnkanaal en regionale water­berging zoals langs de Hollandse IJssel. Het vraagt anderzijds om tot ­goede afspraken te komen over wateroverlast, waarbij toegewerkt moet ­worden naar meer acceptatie van kortdurend water op het land. Het dilemma is dat zulke v­ oorzieningen voor waterberging ruimte kosten en acceptatie van water op land een cultuuromslag vraagt (van alles is maakbaar naar adaptatie). Hierover gaan we met het Rijk en de waterschappen in gesprek mede in relatie tot de ­normen voor wateroverlast.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://gemeentebestuur.woudenberg.nl/api/v1/meetings/2188/documents/46634