01.b Koersnotitie.pdf
Tekst van het document
Koersnotitie Utrechts Programma Landelijk Gebied Vastgesteld door Gedeputeerde Staten op 30 mei 2023
Inhoudsopgave 1
Inleiding
4
2 Opgaven en doelen 2.1 Drie (inter)nationale doelen staan centraal 2.2 Van nationale doelen naar provinciale doelen 2.3 Het Rijk geeft een set aan structurerende keuzes mee 2.4 De provincie Utrecht voegt perspectief voor de landbouw als voorwaarde toe
6 6 7 9 9
3 Utrechtse ambitie en denklijnen 3.1 Ambitie 3.2 Denklijnen
10 10 11
4 Analyse landelijk gebied Utrecht 13 4.1 Water 13 4.1.1 Waterkwaliteit (Kaderrichtlijn Water) 13 4.1.2 Klimaatbestendigheid provincie Utrecht: naar een robuust water- en bodemsysteem 15 4.2 Natuur 16 4.2.1 Natuurherstel Natura 2000-gebieden 17 4.2.2 Natuurnetwerk Nederland (NNN) 18 4.2.3 Vogel- en Habitatrichtlijngebieden (met name buiten Natuurnetwerk Nederland) 19 4.2.4 Bossenstrategie 19 4.2.5 Groenblauwe dooradering 19 4.3 Stikstof 20 4.3.1 Varianten ruimtelijke differentiatie 20 4.4 Klimaat 21 4.4.1 Reductie uitstoot methaan veehouderij 21 4.4.2 Vermindering emissie broeikasgassen uit veenbodems (veenweidengebied)22 4.5 Landbouw 22 4.5.1 Huidige landbouwstructuur 22 4.5.2 Uitdagingen 23 4.5.3 Kansen 24 4.5.4 PAS-melders 24
Koersnotitie Utrechts Programma Landelijk Gebied
4.6 4.6.1 4.6.2 4.7 4.7.1 4.7.2 4.7.3
Overige thema’s Wonen, werken en groen op de grens van stad en land Zoeklocaties opwekken duurzame energie Dynamiek per Utrechts landschap Veenweiden: hoog dynamisch gebied Utrechtse Heuvelrug met flanken: hoog dynamisch gebied Utrechtse deel Gelderse Vallei: hoog dynamisch gebied
24 24 24 25 27 27 27
5 Structurerende principes 5.1 Inleiding 5.2 Thema Omgevingsvisie ‘Klimaatbestendig en waterrobuust’ 5.2.1 Structurerende principes schoon water 5.2.2 Structurerende principes robuust en klimaatbestendig water- en bodemsysteem 5.3 Thema Omgevingsvisie ‘Toekomstbestendige natuur en landbouw’ 5.3.1 Structurerende principes natuur 5.3.2 Structurerende principes stikstof 5.3.3 Structurerende principes landbouw 5.3.4 Structurerende principes klimaat, onderdeel Methaan-emissies veehouderij 5.4 Overige thema’s Omgevingsvisie
29 29 30 30 30 32 32 34 35 36 37
6 Structurerende principes prioritaire gebieden 6.1 Overgangsgebieden Natura 2000-gebieden 6.2 Veenweidengebieden 6.3 Beekdalen op zandgronden 6.4 Utrechtse Heuvelrug en flanken
39 39 40 41 41
7 Vervolgproces
43
Bijlage 1, Belangrijkste conclusies uit de natuurdoelanalyses per N2000-gebied
44
Bijlage 2, Structurerende keuzes uit Nationaal Programma Landelijk Gebied en Kamerbrief Water en bodem sturend
46
2
Voorwoord
trecht is trots op haar U landelijk gebied Utrecht is een provincie om trots op te zijn. Gevarieerd, bruisend en met een rijke historie. Met een grote verscheidenheid aan levensstijlen, culturen en persoonlijke voorkeuren. De prachtige natuur- en recreatiegebieden, fraaie cultuurlandschappen, centrale ligging en mooie kunst en cultuur zorgen ervoor dat veel mensen graag in onze provincie willen wonen, werken en recreëren. Tegelijkertijd heeft de provincie met grote uitdagingen te maken; de verschraling van natuur en biodiversiteit én klimaatverandering vragen om actie. De urgentie is groot, ook in het landelijk gebied.
Voorwoord
Utrecht is trots op haar landelijk gebied De prachtige natuur- en recreatiegebieden, fraaie cultuurlandschappen, centrale ligging en mooie kunst en cultuur zorgen ervoor dat veel mensen graag in onze provincie willen wonen, werken en recreëren.
Daarom wil Utrecht werken aan een vitaal landelijk gebied, waarin een gezonde natuur, een klimaatbestendig landschap en een economisch rendabele en duurzame landbouw hand in hand gaan. Alleen zo kan het Utrechtse landelijk gebied aantrekkelijk zijn en blijven om te wonen, te werken, om voedsel te produceren en om te recreëren. Dit is in lijn met het gedachtegoed zoals beschreven in het Nationaal Programma Landelijk Gebied (NPLG). Met het NPLG heeft het Rijk de stikstofopgave verbreed naar natuur (breder dan alleen Natura 2000-gebieden), water, klimaat en bodem. Het NPLG heeft duidelijk gemaakt dat deze opgaven onlosmakelijk met elkaar verbonden zijn. Met het Utrechts Programma Landelijk Gebied willen we samen met onze gebiedspartners komende tijd op zoek naar een goede balans tussen een gezonde natuur en een duur zame, rendabele landbouw in ons landelijk gebied. Na de aftrap met de Startnotitie UPLG volgt deze Koersnotitie UPLG. Deze Koersnotitie is de 50%-versie van het UPLG en brengt de belangrijke principes in beeld voor de toekomst van het Utrechtse landelijk gebied. We zijn hierbij niet over één nacht ijs gegaan. We hebben verschillende analyses en verkenningen gedaan. We hebben een aantal hackathons georganiseerd: intensieve werkdagen waarin deelnemers in teamverband vraagstukken proberen op te lossen.
Hierbij hebben de andere overheden, waterschappen, gemeenten en rijk met ons meegedacht. Hartelijk dank daarvoor! Hopelijk nodigt deze Koersnotitie onze gebiedspartners uit verder met ons mee te denken. We zijn benieuwd wat jullie van deze uitgezette koers voor het Utrechts landelijk gebied vinden! Mirjam Sterk Gedeputeerde provincie Utrecht
Koersnotitie Utrechts Programma Landelijk Gebied
3
1 Inleiding Samenwerken aan een vitaal landelijk gebied in Utrecht Als provincie Utrecht werken we samen met onze gebiedspartners aan een vitaal landelijk gebied, waarin een gezonde natuur, een klimaatbestendig water systeem en een economisch rendabele en duurzame landbouw hand in hand gaan. Alleen zo kan het Utrechtse landelijk gebied aantrekkelijk zijn en blijven om te wonen, te werken, om voedsel en biogrondstoffen te produceren en om te recreëren. Dit is ook de inzet van het Nationaal Programma Landelijk Gebied (NPLG). Met het NPLG heeft het Rijk de stikstofopgave in relatie gebracht met de opgaven voor natuur (breder dan alleen Natura 2000-gebieden), water en klimaat. Het NPLG heeft duidelijk gemaakt dat deze opgaven onlosmakelijk met elkaar verbonden zijn. Het aanpakken van de NPLG-opgaven betekent dat het landelijk gebied in de provincie Utrecht flink zal moeten veranderen. We kunnen dat als provincie niet alleen en we zijn ons ervan bewust dat de aanpak van de opgaven veel vraagt van ons allen: agrarische ondernemers, bewoners, belangen organisaties en overheden in het landelijk gebied. Dat er op meerdere vlakken grote, deels nog onduidelijke stappen moeten worden gezet, maakt het proces complex. Het Landbouwakkoord dat binnenkort wordt verwacht zal hierbij ook sterk bepalend zijn.
Het Rijk vraagt aan de provincies een gebiedsprogramma landelijk gebied
Het Utrechtse provinciale gebiedsprogramma noemen we het Utrechts Programma Landelijk Gebied, afgekort het UPLG.
Koersnotitie Utrechts Programma Landelijk Gebied
Het Rijk vraagt aan alle provincies om op 1 juli 2023 een Provinciaal Gebieds programma aan te leveren bij het Rijk waarin beschreven staat hoe zij de NPLG- opgaven gaan realiseren. In deze gebiedsprogramma’s worden ook de gebiedsplannen voor stikstofgevoelige Natura 2000-gebieden geïntegreerd. Na toetsing door het Rijk zal dit concept naar verwachting dit najaar worden omgezet in een definitief gebiedsprogramma en ter vaststelling worden aangeboden aan Gedeputeerde Staten en Provinciale Staten. De provinciale gebiedsprogramma’s vormen de basis waarmee het Rijk haar middelen vanuit het Transitiefonds Landelijk Gebied toedeelt aan de provincies.
4
De Koersnotitie van het Utrechts Programma Landelijk Gebied Het Utrechtse provinciale gebiedsprogramma noemen we het Utrechts Programma Landelijk Gebied, afgekort het UPLG. Voor u ligt de Koersnotitie van het UPLG. Deze Koersnotitie is het vervolg op de Startnotitie UPLG die recent door GS is vastgesteld (9 mei 2023). De Koersnotitie geeft aan welke structurerende principes leidend zijn om tot het uiteindelijke UPLG 1.0 (conceptversie 1 juli 2023) te komen. In deze Koersnotitie bouwen we voort op de inhoud van de Startnotitie: de minimale eisen vanuit het Rijk, de opgaven en doelen, de ambitie en denk
lijnen en de gebiedsgerichte toepassing van de denklijnen. We gaan hierbij uit van de vijf karakteristieke Utrechtse landschappen zoals in onze provinciale Omgevingsvisie (2021) beschreven: veenweidengebied Groene Hart, Eemland, Utrechtse Heuvelrug, Kromme Rijnstreek en Gelderse Vallei. De belangrijkste inhoudelijke toevoegingen in deze Koersnotitie zijn de analyses en verkenn ingen én de sturende principes. Op basis van de analyses en verkenningen en werkateliers met deskundigen en gebiedspartners (onder andere in de vorm van een meerdaagse Hackathon) zijn we tot een set aan structurerende principes en daarmee een koers voor het UPLG gekomen.
Aanpak opstellen UPLG
Figuur 1, Stappenplan opstellen Utrechts Programma Landelijk Gebied (UPLG)
Koersnotitie Utrechts Programma Landelijk Gebied
5
2 Opgaven en doelen 2.1 Drie (inter)nationale doelen staan centraal Het NPLG geeft met de volgende figuur aan welke (inter)nationale doelen er zijn voor natuur, water en klimaat. Stikstofreductie is met het NPLG-onderdeel geworden van een bredere set aan (inter)nationale doelen.
Stikstof
Natuur
Water
Klimaat
Stikstofreductie
Schoon oppervlakte- en grondwater
Reductie van uitstoot broeikasgassen
Areaaluitbreiding
Goede toestand grondwaterlichamen
Koolstofvastelling
Instanthoudingsdoelen natuurkwaliteit
Goede zoetwaterbeschikbaarheid
Hydrologische doelen Groenblauwe dooradering
Figuur 2, Opgaven en doelen Nationaal Programma Landelijk Gebied (uit: Startnotitie NPLG, 10 juni 2022)
Bij deze doelen zijn de volgende opmerkingen van belang: • Internationale verplichtingen: Niet elk doel heeft hetzelfde gewicht. Doelen die rechtstreeks voortkomen uit internationale verplichtingen hebben de hoogste prioriteit. Rond de instandhouding van Natura 2000-gebieden is de situatie zeer urgent: de overbelasting met stikstof is in veel gebieden zo groot dat instandhouding van de natuur niet langer is gegarandeerd. Dit leidt tot een vergaande impasse in de vergunningverlening en een toenemend aantal juridische procedures rondom stikstof. De instandhouding van Natura 2000-gebieden is onderdeel van de Europese Vogel- en Habitatrichtlijn.
Koersnotitie Utrechts Programma Landelijk Gebied
6
Naast doelen voor gebieden zijn hier ook doelen in opgenomen om soorten en habitats in een gunstige staat te brengen. Ook de Kaderrichtlijn Water (KRW)-doelen (2027) en de klimaatdoelen (2030) zijn urgente internationale verplichtingen. • Korte en lange termijn doelen: De doelen richten zich op de korte en lange termijn. Hoewel de doelen op korte termijn meestal een meer verplichtend karakter hebben, is een doorkijk naar de lange termijn nodig om duurzame keuzes voor het landelijk gebied te maken. Het is immers niet gewenst dat keuzes (en de daarbij behorende investeringen) voor de korte termijn niet houdbaar en effectief blijken te zijn op de lange termijn (2050).
Aanvullend hierop heeft het ministerie van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit indicatief in beeld gebracht hoeveel extra areaal (agrarische) natuur per provincie nodig is om aan de doelstellingen in de Vogel- en Habitatrichtlijn te voldoen. Daarbij geldt dat in 2030 een doelbereik van 30% moet zijn. Het is nog onduidelijk wanneer deze indicatieve verdeling over de provincies een definitieve status krijgt. De Europese verordening natuurherstel, die naar verwachting per 2024 in werking treedt, zal een bindende planning verbinden aan de verplichtingen uit de Vogelen Habitatrichtlijn om populaties van beschermde soorten en habitats in een gunstige staat van instandhouding te brengen in 2050, met als tussenstap 30% doelbereik in 2030.
2.2 Van nationale doelen naar provinciale doelen Een deel van de nationale doelen is door het Rijk toebedeeld aan de provincies. Voor de provincie Utrecht gaat het om de volgende doelen: • Het realiseren van het Natuurnetwerk Nederland (NNN): in totaal 1.570 hectare functieverandering naar natuur en 4.264 hectare inrichting voor natuur (2027). • Het aanleggen van 1.500 hectare nieuw bos en revitaliseren van bestaand bos conform de landelijke Bossenstrategie. Hieraan is tevens een klimaatopgave gekoppeld, namelijk de vastlegging van CO2 via aanleg van bos: 0,0031 megaton in 2030 en 0,06 megaton in 2040. • Het realiseren van groenblauwe dooradering in het landelijk gebied: 5% in 2030, 10% in 2050 (in de drie NPLG-prioritaire gebieden 10% in 2030) • Reductie van de emissie van stikstof uit de landbouw: de totale stikstof emissie dient in 2030 met 46% gedaald te zijn ten opzichte van het referentiejaar 2018, dat wil zeggen binnen onze provincie een totale reductie met 2.359 kiloton stikstof (van 5.093 naar 2.734 kiloton stikstof in 2030). • Reductie van nutriënten en gewasbeschermingsmiddelen om de KRW-doelen te halen • Reductie methaan uit veehouderij: in 2030 0,3 megaton CO2eq ten opzichte van de Klimaat- en Energieverkenning 2021 (KEV 2021). • Reductie uitstoot broeikasgassen uit veenbodems: in 2030 een reductie van 0,09 megaton CO2eq/jaar.
Koersnotitie Utrechts Programma Landelijk Gebied
7
Thema
Subthema
Termijn
Provinciale doelen
Water
Kaderrichtlijn Water en Nitraatrichtlijn
2027
Concentraties nutriënten (P en N) in grond- en oppervlaktewaterlichamen voldoen aan wettelijke normen.
2027
Concentraties gewasbeschermingsmiddelen in grond- en oppervlaktewaterlichamen voldoen aan wettelijke normen.
2027
Grondwaterlichamen voldoen aan de norm voor een goede kwantitatieve toestand (2027)
2027
Hydrologische condities Natura 2000-gebieden op orde.
NNN
2027
Het realiseren van het Natuurnetwerk Nederland (NNN): in totaal 1.570 ha functieverandering naar natuur (uiterlijk 2027) In totaal 4.264 hectare inrichting voor natuur (uiterlijk 2027).
VHR-agrarische natuur (met agrarisch natuurbeheer)
2030-2050
indicatief 8.100 (2030) tot 27.000 (2050) extra hectare open grasland (voor weidevogels) indicatief 345 (2030) tot 1.1500 (2050) extra hectare open akkerland; indicatief 2.760 (2030) tot 9.200 (2050) extra hectare groenblauwe dooradering;
2030-2050
indicatief 848 (2030) tot 2.825 (2050) hectare nieuwe natuur buiten de huidige NNN, bedoeld voor moerassen, vochtige bossen en vochtige schraalgraslanden. indicatief 117 (2030) tot 391 (2050) hectare nieuwe natuur binnen de huidige NNN via omvorming, bedoeld voor moerassen, vochtige bossen en vochtige schraalgraslanden.
2040
Realiseren doelstellingen provinciale Bossenstrategie Aanleggen van 1.500 ha nieuw bos Revitaliseren van bestaand bos
Natuur
NB: doelen vanuit het Rijk voor de provincies zijn nog indicatief VHR-natuur NB: doelen vanuit het Rijk voor de provincies zijn nog indicatief Bos
Groenblauwe dooradering (GBDA)
Stikstof
Klimaat
Het realiseren van GBDA in het landelijk gebied: 5% in 2030 10% in 2050 (in de drie NPLG-prioritaire gebieden 10% in 2030). 2030
Reductie van de emissie van stikstof uit de landbouw: daling van de totale stikstofemissie met 46% ten opzichte van het referentiejaar 2018, dat wil zeggen binnen onze provincie een totale reductie van 5.093 kiloton stikstof (2018) naar 2.359 kiloton stikstof in 2030.
2025-2030
2025: 40% areaal met stikstof gevoelige habitats binnen Natura 2000-gebieden onder de kritische depositiewaarde. 2030: 74% areaal met stikstof gevoelige habitats binnen Natura 2000-gebieden onder de kritische depositiewaarde.
Methaan veehouderij
2030
Reductie methaan uit veehouderij: 0,3 megaton CO2eq ten opzichte van de Klimaat- en Energieverkenning 2021 (KEV 2021).
Broeikasgassen veenbodems in veenweidengebied
2030
Reductie uitstoot broeikasgassen uit veenbodems: in 2030 een reductie van 0,09 Mton CO2eq/jaar.
Landbouw
Transitie naar een circulaire, natuurinclusieve en klimaatneutrale landbouw
Tabel 1 Overzicht provinciale doelen gekoppeld aan het NPLG. Koersnotitie Utrechts Programma Landelijk Gebied
8
2.3 Het Rijk geeft een set aan structurerende keuzes mee Naast doelen geeft het Rijk een aantal belangrijke structurerende keuzes mee. Deze staan zowel in het Ontwikkeldocument Nationaal Programma Landelijk Gebied (november 2022) als in de kamerbrief Water en Bodem Sturend (november 2022). Het Rijk verwacht dat de provincies in de gebiedsprogramma’s uitwerking geven aan de structurerende keuzes (zie bijlage 2).
Wat zijn structurerende keuzes? Definitie Rijk (zie blz. 40 Ontwikkeldocument NPLG, 25 november 2022): ‘Structurerende keuzes bevatten ordenende principes die richting geven aan de ruimtelijke inrichting. De keuzes gaan in op de wenselijkheid en onwenselijkheid van (nieuwe) activiteiten in het landelijk gebied.’
In het Ontwikkeldocument Nationaal Programma Landelijk Gebied staan acht structurerende keuzes. De kamerbrief Water en Bodem Sturend geeft in totaal 33 structurerende keuzes voor water en bodem mee (zie Startnotitie UPLG).
2.4 De provincie Utrecht voegt perspectief voor de landbouw als voorwaarde toe We verwachten dat het behalen van de (inter)nationale doelen grote gevolgen heeft voor het gebruik en de inrichting van het landelijk gebied. Ons landelijk gebied is en moet aantrekkelijk zijn en blijven om te wonen, te werken, om voedsel en andere biobased materialen te produceren en om te recreëren. Van oudsher speelt de landbouw een belangrijke rol in ons landelijk gebied. De provincie Utrecht stelt het realiseren van een toekomstbestendig en vitaal platteland, met blijvend ruimte voor een duurzame en rendabele landbouw, expliciet als belangrijke voorwaarde om het UPLG te kunnen realiseren. We voegen om die reden de landbouw als 4e doel voor het UPLG toe. Dat wil zeggen dat we ons richten op een landbouwsector met toekomstperspectief. Dit betekent een ontwikkeling naar een circulaire, natuurinclusieve en klimaatneutrale landbouw die economisch rendabel is en door de maatschappij gewaardeerd. De zogenaamde PAS-melders in Utrecht proberen we samen met de rijksoverheid zo snel mogelijk te legaliseren.
Koersnotitie Utrechts Programma Landelijk Gebied
9
3 Utrechtse ambitie en denklijnen 3.1 Ambitie In de UPLG-Startnotitie hebben we de volgende ambitie opgenomen:
Ambitie UPLG (uit: Startnotitie UPLG, door GS vastgesteld op 9 mei 2023) We zetten met onze gebiedsgerichte aanpak samen met onze partners de komende jaren in op een ontwikkeling naar een vitaal, toekomstbestendig en duurzaam landelijk gebied waar de grote opgaven op het gebied van natuur, water en klimaat zijn gerealiseerd en met toekomstperspectief voor de landbouw.
Deze ambitie betekent dat we ons met het UPLG richten op: • een gevarieerde en veerkrachtige natuur; • een klimaatbestendig en robuust water- en bodemsysteem met voldoende schoon en gezond water; • een sterke reductie van de broeikasgassen; • een duurzame landbouwsector met toekomstperspectief, dat wil zeggen met economisch rendabele bedrijven die circulair, natuurinclusief, klimaatneutraal en diervriendelijk zijn en dicht bij de inwoners staan (zie Omgevingsvisie pagina 120); • koppelkansen vanuit andere ruimte vragende opgaven zoals de energietransitie, Groen Groeit Mee en de woningbouwopgave. Het rijk geeft daarnaast als koppelkansen de volgende thema’s mee (zie O ntwikkeldocument NPLG, november 2022): volksgezondheid, zoönosen, geurhinder en fijnstof.
Koersnotitie Utrechts Programma Landelijk Gebied
10
3.2 Denklijnen Om deze ambitie voor elkaar te krijgen hebben we in de Startnotitie de hierna volgende denklijnen gepresenteerd. Ons beleid uit onze provinciale Omgevingsvisie (2021) is daarbij vertrekpunt. Hierin zijn twee centrale uitgangspunten opgenomen (zie kader). Centrale uitgangspunten Omgevingsvisie Provincie Utrecht (2021) Voor ons omgevingsbeleid hanteren wij in de provinciale Omgevingsvisie twee centrale uitgangspunten: • We kiezen gebiedsgericht voor integrale, toekomstgerichte oplossingen waarmee we de Utrechtse kwaliteiten per saldo behouden of versterken, zo nodig met compenserende maatregelen. • We concentreren en combineren nieuwe ontwikkelingen, om zorgvuldig om te gaan met schaarse ruimte en kwaliteiten en door ontwerp en innovatie te stimuleren. Er blijft ook ruimte beschikbaar voor lokale opgaven.
De denklijnen uit de UPLG-Startnotitie zijn de hiernavolgende. Grotendeels zijn ze letterlijk overgenomen of licht redactioneel aangepast. Een enkel onderdeel is ten opzichte van de Startnotitie nieuw, in dat geval is dat tussen haakjes aangegeven. 1. Water en bodem sturend • Het veranderend klimaat met extreme weersituaties vraagt om klimaatbestendige en water robuuste ruimtelijke ontwikkelingen die meer het natuurlijk bodem- en watersysteem leidend laten zijn. • Er zijn keuzes en inzet nodig voor realiseren van voldoende water, schoon water en ruimte voor water. • Behoud en versterken van de bodemstructuur, bodemleven en bodembiodiversteit, onder andere ten behoeve van opvang extreme droogte en neerslag. 2. Natuuropgaven • Biodiversiteit zowel binnen als buiten natuurgebieden versterken (o.a. vanuit de wettelijke verplichtingen Europese Vogel- en Habitat Richtlijn). • Stikstof is veelal één van de belangrijkste drukfactoren in relatie tot de instandhoudingsdoelen van de Natura 2000-gebieden en heeft overal een negatief effectief op de biodiversiteit.
Koersnotitie Utrechts Programma Landelijk Gebied
Vanwege het feit dat de stikstofdoelen wettelijk zijn vastgelegd betreft het één van de meest harde doelstellingen uit het NPLG. • Natuuropgaven in samenhang realiseren, dat wil zeggen waar mogelijk combineren van opgaven zoals Natuurnetwerk Nederland, Groene Contour, groenblauwe dooradering, Bossenstrategie en het Aanvalsplan Grutto. • In overgangsgebieden rondom Natura 2000-gebieden maatregelen nemen op basis van de Natuurdoelanalyses (onder andere hydrologie, stikstof, beheer). • Alle ruimtelijke ontwikkelingen zoveel als mogelijk natuurinclusief vormgeven. Dit draagt ook bij aan de samenhang tussen landelijk en stedelijk gebied in de provincie Utrecht. (conform Ruimtelijk voorstel Provincie Utrecht) 3. Klimaatopgave methaan veehouderij • Methaanreductie veehouderij in alle gebieden oppakken. • In overleg met de agrarische sector de mogelijkheden hiervoor bespreken (technische maatregelen, extensivering, meekoppelkansen) en afspraken maken over de te nemen maatregelen.. 4. Duurzaam agrarisch toekomstperspectief • We streven naar een circulaire, natuurinclusieve en klimaatneutrale landbouw die economisch rendabel is en die bovenal gewaardeerd wordt door boer en burger. Dit toekomstbeeld geeft richting aan de transities die nodig zijn.
• Duidelijkheid en een goede boterham: we zorgen voor vergunningen die op orde zijn en duidelijkheid voor de lange termijn, waarbij de blijvende boeren in bedrijfseconomisch opzicht een goed toekomstperspectief hebben. • Keuzemogelijkheden: we bieden ruimte voor verschillende bedrijfsmodellen. • Al geleverde prestaties tellen mee: veel bedrijven hebben al flinke stappen gezet. Deze koplopers geven het voorbeeld. Daarom zetten we waar mogelijk relatieve opgaven (zoals een reductiepercentage stikstof) om naar doelen in absolute getallen op bedrijfsniveau (zoals ammoniakemissie per hectare). • Grond: beschikbare grond zetten we zoveel mogelijk in de gebiedsprocessen in; • Instrumenten: een goed instrumentarium zien we als een randvoorwaarde (bijvoorbeeld het in ontwikkeling zijnde instrument Landschapsgrond).
11
• Generieke streefwaarden: we streven naar 30% generieke reductie van stikstof via voer- en managementmaatregelen (zie Praktijknetwerk Nederland) mits aantoonbaar effectief en goedgekeurd door het Ministerie van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit. • Landbouwakkoord (nog in onderhandeling): de afspraken uit het nog te verwachten Landbouwakkoord zijn een belangrijke randvoorwaarde voor een duurzaam agrarisch toekomstperspectief. De inhoud van het Landbouwakkoord is hierdoor erg bepalend hoe ver wij kunnen komen in de gebiedsprocessen en het realiseren van de verschillende natuur-, klimaat- en waterkwaliteitsdoelen.
7. Koppeling met het RO-traject: • Het UPLG is een belangrijke bouwsteen van het Provinciaal Ruimtelijk Voorstel Utrecht dat in oktober 2023 opgeleverd wordt. • We streven naar een slim gebruik van bestaande en nieuwe ruimtelijke ordeningsinstrumenten bij de totstandkoming.
5. We pakken de opgaven in samenhang op: • In samenhang zorgen we voor effectief doelbereik en ruimtebeslag met oog voor de vitaliteit van het gebied. Hierbij zetten we in op zoveel mogelijk meervoudig ruimtegebruik, waarbij we ook andere opgaven betrekken zoals de kansen voor Groen Groeit Mee en de energietransitie. • We gaan alvast met geen-spijt-maatregelen aan de slag. 6. We houden rekening met drie tijdvakken: gehele tekst is aangescherpt en verbeterd • Korte termijn (0 tot 3 jaar): intensiveren of op gang brengen van de uitvoering in gebieden en samen met de agrarische ondernemers. We proberen zoveel als mogelijk PAS-melders te legaliseren en de v ergunningverlening weer op gang te brengen. • Middellange termijn (3 tot 10 jaar): de opgaven met een ruimtelijke component worden opgepakt (bijvoorbeeld via inzet van het verkavelingsinstrument); focus op het realiseren van de KRW-opgaven (2027) en de NPLG-opgaven (2030). Dit vraagt snelheid en urgentie, een adaptieve aanpak en blijvend innoveren. • Lange termijn (10 tot 25 jaar): doorkijk naar 2050. Dat lijkt soms ver weg, maar is dat niet. Voor een gemiddeld boerenbedrijf is het nu al van belang – voor de financiering van bijvoorbeeld een nieuwe stal of gesprekken over de opvolging van het bedrijf – om perspectief te hebben over ‘later’.
Dit geldt uiteraard net zo goed voor andere sectoren, zoals de energiesector, de drinkwatervoorziening en de woningbouw. • We zijn transparant over later, in overleg over straks en pakken op waar we het nu al over eens zijn.
Koersnotitie Utrechts Programma Landelijk Gebied
12
4 Analyse landelijk gebied Utrecht Afgelopen maanden is voor het UPLG in beeld gebracht welk (provinciaal) beleid relevant is, zijn onderzoeken bekeken en verschillende verkenningen gedaan op de NPLG-thema’s. Dit hoofdstuk geeft op basis van deze analyse een beschrijving van de situatie in het Utrechtse landelijk gebied en de vraagstukken waar we mee te maken hebben. In de eerste paragrafen via een thematische insteek (water, natuur, stikstof, klimaat, landbouw, overige thema’s). Aan het einde van dit hoofdstuk wordt dit per landschapstype geïntegreerd; hier wordt aan de hand van de stapeling van opgaven een duiding gegeven over de mate van dynamiek die we verwachten voor de toekomst van het gebied.
4.1 Water
Utrecht streeft naar een langjarig toekomstperspectief voor de blijvende agrariërs in de provincie.
Voor het NPLG is als opgave benoemd dat beleid voor inrichting van en beheer van het landelijk gebied aangepast worden aan het veranderende klimaat. In de Brief ‘Water en bodem sturend’ (november 2022) staan structurerende keuzes voor voldoende water, schoon en gezond water, ruimte voor water en bodem (zie bijlage 2). Daarnaast is er een aantal keuzes opgenomen voor specifieke gebieden, waaronder veenweidengebieden en hoge zandgronden. Toepassing van de structurerende keuzes uit de Brief ‘Water en bodem sturend’ leiden in zijn algemeenheid tot het robuuster en natter maken van het landelijk gebied in de provincie Utrecht. De toepassing van de structurerende keuzes zijn in lijn met het vigerend provinciaal programma ‘Bodem en waterprogramma provincie Utrecht 2020-2027’, maar geven er wel een verdere invulling en kleuring aan.
4.1.1 Waterkwaliteit (Kaderrichtlijn Water) De Kaderrichtlijn Water (KRW) is een Europese richtlijn die in 2000 van kracht is geworden en als doel heeft de kwaliteit van oppervlakte- en grondwater in Europa te waarborgen. Het is onzeker of alle KRW-doelen tijdig in 2027 gehaald zullen zijn, zowel voor grond- als oppervlaktewater. In 2024 zal onder leiding van het ministerie van IenW een tussenevaluatie voor de KRW worden uitgevoerd.
Koersnotitie Utrechts Programma Landelijk Gebied
13
Uit deze evaluatie zal blijken of aanvullende KRW-maatregelen nodig zijn om de KRW-doelen te halen. De al ingezette KRW-maatregelen leiden tot een belangrijke verbetering van de (grond)waterkwaliteit. Aanvullend is een ander type landbouw en bedrijfsmanagement nodig om de emissies naar bodem en water te verminderen, met name in kwetsbare grondwaterbeschermingsgebieden en op de hoge zandgronden. Het UPLG is hiervoor een belangrijk instrument. Door integrale stikstofaanpak en de transitie van de landbouw kan een grote stap worden gezet. Oppervlaktewater De doelen voor oppervlaktewater zijn erop gericht om te zorgen voor schoon en ecologisch gezond water en het voorkomen van achteruitgang van de kwaliteit van het water. De KRW schrijft voor dat alle wateren in 2027 in een goede toestand zijn, wat nu nog niet het geval is. Er is de afgelopen jaren al veel gedaan aan het terugdringen van de emissie van nutriënten en gewasbeschermingsmiddelen, maar er is nog meer nodig om de ecologische doelen voor KRW en het overig water te kunnen halen. In Utrecht zijn 60 zogenaamde regionale KRW-oppervlaktewaterlichamen. Van deze waterlichamen scoren de meesten matig op kwaliteit (fosfor, stikstof en biologie) en ook een flink aantal ontoereikend of zelfs slecht.
De biologie van de waterlichamen ten oosten van de Utrechtse Heuvelrug is in zijn algemeenheid kwalitatief beter dan die ten westen van de Heuvelrug. In het UPLG speelt de belasting door nutriënten een belangrijke rol, omdat het een essentiële schakel vormt voor een goede waterkwaliteit. Streefwaarden voor ecologie-ondersteunende parameters, zoals nutriënten, temperatuur, zuurgraad en zuurstofconcentratie, zijn randvoorwaarden om de ecologische doelen te bereiken. In een groot deel van de provincie zijn de nutriënten bijna op orde, maar is er nog wel een restopgave. Soms is het voor een gezond evenwicht nodig om verder dan de norm voor nutriënten te gaan om het ecologisch systeem een duwt in de goede richting te geven. Ecologische inrichting en beheer van sloten en oevers biedt veel kansen Ook buiten de KRW-waterlichamen is het van belang dat de waterkwaliteit op orde is. Enerzijds omdat het water met elkaar in verbinding staat en anderzijds vanwege de risico’s bij gebruik van gebiedsvreemd water en waterberging. Daarom zijn
Koersnotitie Utrechts Programma Landelijk Gebied
ook ‘doelen overig water’ vastgesteld in het Bodem- en waterprogramma 2022-2027 (BWP). In Nederland is afgesproken dat hiervoor een inspannings verplichting geldt. Het NPLG/UPLG-traject biedt de kans om op het gebied van uit- en afspoeling en ook van inrichting en beheer in samenwerking met de landbouwsector tot extra (gebiedsgerichte) inzet te komen. Een voorbeeld is de aanpak Deltaplan Agrarisch Waterbeheer met bedrijfsbodem- en waterplannen en ecologische slotenplannen. Daarbij is een gebiedsbrede ‘goede landbouwpraktijk’ nodig, waarbij de uit- en afspoeling van nutriënten en gewasbeschermingsmiddelen minimaal is en alle sloten en oevers ecologisch worden beheerd. Op het gebied van inrichting en beheer zijn er kansen door het combineren van opgaven, zoals groenblauwe dooradering en de doelen overig water. Ecologisch beheer van sloten en oevers wordt gestimuleerd via het ANLB, maar het beschikbare budget is daar nu de beperkende factor. Er lijkt onder boeren veel draagvlak voor het realiseren van de blauwe dooradering via ecologisch beheer: het is een relatief eenvoudige ingreep met een groot effect. Daarbij komt dat een ecologisch beheerde, gezonde sloot diverse andere voordelen heeft: hoge biodiversiteit, habitat voor allerlei natuurdoelsoorten in Utrecht, hoge belevingswaarde, klimaatbestendig en een relatief lage uitstoot van broeikasgassen.
Bovendien beperkt het de schade aan oevers door de rivierkreeft en een stevig begroeide oever kalft minder snel af bij hogere of wisselende slootpeilen. Per 1 maart 2023 is het verplicht bufferstroken langs alle watergangen te hebben (op basis van het 7e Actieprogramma Nitraatrichtlijn). De breedte varieert per type watergang van 1 tot 5 meter. In deze bufferstroken mogen geen mest en bestrijdingsmiddelen gebruikt worden. Het is van groot belang dat aanvullend beheervoorschriften in deze bufferzones komen zodat ze ook langjarig ecologisch beheerd worden en daarmee bijdragen aan zowel waterkwaliteit als een natuurvriendelijke inrichting van watergangen en daarmee de groenblauwe dooradering. Via het ANLB kunnen agrariërs hier dan ook een vergoeding voor krijgen. Bufferzones, een belangrijke maatregel langs beken op de hoge zandgronden Aan de oostkant van de Utrechtse Heuvelrug, in de Gelderse Vallei, zijn zeven beken als KRW-waterlichamen aangewezen. Eén van de verplichte maatregelen uit het Addendum op het 7e AP is het realiseren van brede zones van 100-250m breed langs de KRW-beken.
14
In de Handreiking NPLG is aangegeven dat provincies met beekdalen op hoge zandgronden in het provinciaal programma landelijk gebied moeten vaststellen met welke combinatie van maatregelen de KRW-doelen kunnen worden behaald. Waar deze bufferzones komen te liggen wordt momenteel in samenwerking met het Waterschap Vallei en Veluwe en de provincie Gelderland uitgewerkt. Er wordt een combinatie gezocht met groenblauwe dooradering en de opgave Water en bodem sturend. Kaderrichtlijn Water, grondwater De doelen van de Kaderrichtlijn Water (KRW) voor grondwater zijn erop gericht om te zorgen voor voldoende schoon grondwater voor de productie van drinkwater, de natuurgebieden, schone oppervlaktewateren en het voorkomen van achteruitgang van de kwaliteit van het grondwater. Op het niveau van de grote grondwaterlichamen wordt voldaan aan de KRW-doelstellingen; chemie en grondwatervoorraad zijn op orde. Dit oordeel is gebaseerd op monitoringsgegevens uit het KRW-meetnet voor het hele grond waterlichaam en getoetst aan de normen voor de zes drempelwaardestoffen en de EU-stoffen nitraat en bestrijdingsmiddelen. De gewasbeschermingsmiddelen zijn vooral lokaal een probleem in drinkwaterwingebieden.
Maar de regionale deeltesten laten zien dat binnen de provincie Utrecht niet overal aan de doelen wordt voldaan: • de grondwaterafhankelijke beken in de Gelderse Vallei halen de oppervlaktewaterdoelen niet als glevolg van belasting vanuit het grondwater (nutriënten en bestrijdingsmiddelen); • de grondwaterafhankelijke N2000-gebieden zijn (hydrologisch) nog niet op orde; • de winningen Zeist en Lexmond vertonen voor enkele drempelwaardestoffen een stijgende trend in het (gemengde) ruwe water over de periode 2000 – 2018, arseen (Zeist) en bentazon (Lexmond). Deze test is mede bepalend voor het eindoordeel van de toestand voor de KRW (art.4); • de winningen Groenekan, Zeist en Amersfoort Berg vertonen stijgende trends voor enkele andere stoffen. Dit betreft de stoffen chlooretheen (Groenekan en Zeist), tetrachlooretheen, cis- en trans dichlooretheen (Zeist) en alleen cis-dichlooretheen in Amersfoort Berg. Deze stoffen vallen onder de uitgebreidere drinkwatertest (art 7.3) die toetst op “alle” stoffen en kan gezien worden als een risico voor de zuiveringsinspanning op termijn. De stijgende trend en dalende trend in Zeist en Amersfoort
Koersnotitie Utrechts Programma Landelijk Gebied
Berg zijn te verklaren als een gevolg van de grondwatersanering. In beide gevallen betreft het een sanering van stoffen door middel van afbraak van de betreffende stof. De restproducten vertonen een, verwachte, stijgende trend.
4.1.2 Klimaatbestendigheid provincie Utrecht: naar een robuust water- en bodemsysteem We hebben de laatste jaren te maken gehad met droge zomers en daardoor schade aan onder andere landbouw en (reeds verdroogde) natuur. Met het veranderend klimaat zullen langere perioden van droogte vaker voorkomen, en de rivierafvoer afnemen. Terwijl we juist meer water nodig hebben voor het afremmen van bodemdaling in veenweidegebieden en we ook te maken hebben met een toenemende vraag naar drinkwater. We zullen dus moeten veranderen van een systeem dat ingericht is op het zo snel mogelijk afvoeren van water, naar het meer laten infiltreren van water waar het valt en het beter vasthouden van water in de bodem en het oppervlaktewater. Voor een deel kan dit door kleinschalige maatregelen (in het watersysteem, in de ruimtelijke en door te zorgen voor een gezonde bodem en een passende vegetatie), maar ook zal moeten worden gezocht naar grootschaligere waterbuffers. Naast het vaker voorkomen van langere droge perioden, ontstaan er ook vaker piekbuien. Voor het opvangen van deze buien zal het water beter vastgehouden moeten worden waar het valt (om overlast elders te voorkomen). Dit moet nog verder worden uitgewerkt, in samenhang met het doorrekenen van de nieuwste klimaatscenario’s van het KNMI, wat in 2023 gebeurt.
Ook zullen er (boven)regionale waterbergingen aangewezen moeten worden om tijdelijk (enkele dagen) water op te slaan. Daarvoor zijn zoekgebieden in beeld voor berging van water uit het Amsterdam-Rijnkanaal, en voor regionale waterberging waaronder langs de Gekanaliseerde Hollandse IJssel. Omgaan met wateroverlast en droogte vraagt een samenhangende aanpak. De aanpak vraagt ook een gebiedsspecifieke invulling afhankelijk van de bodemopbouw en het gebruik van het land. De vraagstukken die in de lage delen van de provincie (veenweiden en rivierengebied) spelen zijn anders dan in de hogere delen (heuvelrug en vallei met de beekdalen). Inzoomend op enkele landschapstypen daarover het volgende.
15
Het veenweidengebied (Utrechtse deel Groene Hart en Eemland) In de structurerende keuzes van water en bodem sturend is door het Rijk opgenomen dat de veenweiden moeten vernatten naar een waterstand van 40 tot 20 cm beneden maaiveld ten behoeve van de reductie van de uitstoot van broeikasgassen uit de veenbodems. In het UPLG vertalen wij dit als de zomergrondwaterstand (zie ook de Regionale Veenweidestrategie Utrechtse veenweiden, 2022). Bij het vernatten van de veenweiden komt een aantal uitdagingen in het water beheer naar voren, indien maatregelen tegen de uitstoot van broeikasgassen worden genomen, te weten: • Waterbeschikbaarheid: is er voldoende water beschikbaar om het veen in het Groene Hart in droge tijden nat te houden? • Wateroverlast bij piekbuien: de wateroverlast zal toenemen, omdat er minder ruimte voor waterberging in het systeem is bij vernatting. • Waterkwaliteit: het opzetten van waterpeilen leidt (tijdelijk, maar toch enkele jaren) tot meer uitspoeling van nutriënten uit de veenbodem naar de sloot, en bij onvoldoende oeverkwaliteit kan het ook leiden tot meer baggervorming en daarmee grotere methaanuitstoot uit sloten. • Daarnaast is het goed te beseffen dat de samenstelling van de bodem in het veenweidegebied niet overal hetzelfde is; deze varieert van klei op veen tot puur veen. Ook zijn er hoogteverschillen aanwezig.
Dit betekent dat de hier genoemde uitdagingen vragen om een aanpak met maatwerk per gebied. De Utrechtse Heuvelrug en flanken (Utrechtse Heuvelrug, noordelijke deel Kromme Rijngebied, overgang naar Gelderse Vallei) Er zijn meerdere opgaven in dit gebied die het nodig maken om in het UPLG integraal te gaan werken aan een robuust en toekomstbestendig watersysteem. Klimaatverandering maakt deze opgaven steeds urgenter. In grote lijnen bestaan de wateropgaven uit: • Het tegengaan van verdroging van de natuur op de Heuvelrug en zijn flanken. • Het beperken van schade door droogte aan landbouw en erfgoed. • Het voorkomen van wateroverlast. • Het inpassen van een duurzame drinkwatervoorziening bij een toenemende vraag. • Robuuster maken van het watersysteem op de flanken, zoals in het Langbroekerweteringgebied
Koersnotitie Utrechts Programma Landelijk Gebied
Om de opgaven en oplossingen hiervoor in beeld te brengen werkt een brede coalitie van gebiedspartners samen aan de Blauwe Agenda Utrechtse Heuvelrug. De uitvoeringsagenda Blauwe Agenda is op 25 april 2023 vastgesteld door GS (en ook door de andere gebiedspartners). Hier komen maatregelen aan de orde zoals het vergroten van infiltratie van regenwater, het vasthouden van water in de hogere flanken, het beter benutten van het kwelwater door kwelherstel naar natuurgebieden en het wegleiden van oppervlakkig afstromend water om wateroverlast te voorkomen. Al deze opgaven hebben waarschijnlijk gevolgen voor het huidig ruimtegebruik op de flanken van de Heuvelrug (zoals de Langbroekerwetering en Oostelijke Vechtplassen). Het rivierengebied (zuidelijk deel Kromme Rijngebied) In het rivierengebied is de noodzaak voor ingrijpen in het watersysteem en landgebruik minder groot, vanwege de ligging langs de rivier en omdat het watersysteem al robuuster gemaakt wordt door de in gang gezette dijkversterkingen (vrijwel alle dijken langs de Nederrijn en Lek worden tot circa 2030 versterkt). Dit betekent niet dat er geen aanpassingen nodig zijn in relatie tot de klimaatverandering. In dit gebied is een aantal zoekgebieden voor waterberging. Een aandachtspunt is ook de toekomstige watervoorziening voor de fruitteelt.
4.2 Natuur De analyses vanuit natuur gaan over de Natura 2000-gebieden, het Natuurnetwerk Nederland, de opgaven vanuit de Vogel- en Habitatrichtlijn zowel binnen als buiten de Natura 2000-gebieden, de Bossenstrategie en de groenblauwe dooradering van het agrarisch gebied. Deze opgaven zijn vaak goed te combineren en vallen deels ook samen. Ook vallen de natuuropgaven vaak samen met een aantal belangrijke wateropgaven, zoals het herstel van het kwelwatersysteem of het herstel van de beekdalen of met klimaatopgaven (reductie broeikasgassen uit veenbodems). In paragraaf 4.7 en verder gaan we dieper in op die verwevenheid.
16
4.2.1 Natuurherstel Natura 2000-gebieden Uit de Wet stikstofreductie en natuurverbetering (2021) is de resultaatsverplichting opgenomen om tot reductie van stikstofdepositie in de Natura 2000-gebieden te komen. De onlangs bij de Ecologische Autoriteit ingediende Natuurdoelanalyses laten voor de stikstofgevoelige Natura 2000-gebieden in Utrecht zien dat er nog te veel stikstof in de natuur komt en dat ook verdroging en versnippering maken dat de natuur nog steeds achteruitgaat. De maatregelen die de grootste impact hebben op de omgeving van de Natura 2000-gebieden zijn: • Het terugbrengen van de stikstofuitstoot in een zone rondom het Natura 2000-gebied. • Het herstel van het hydrologisch systeem (hogere waterstanden in de omgeving of meer dynamiek in het waterpeil). • Het realiseren van ecologische verbindingen tussen natuurgebieden en uitbreiding van het areaal natuurgebieden (meer ruimte nodig voor natuur). • Intensiever of geoptimaliseerd beheer en aanpak van invasieve exoten. De stikstofgevoelige Natura 2000-gebieden liggen verspreid over de provincie Utrecht, vaak langs de grens met één van onze buurprovincies. Zo liggen in het veenweidengebied de laagveengebieden van Botshol en Noorderpark (het Utrechts deel van de Oostelijke Vechtplassen), de Nieuwkoopse Plassen & De H aeck en het moerasgebied de Zouweboezem.
Langs de rivieren liggen de twee Natura 2000-gebieden Uiterwaarden Lek en Linge & Diefdijk. In het Kromme Rijngebied liggen de landgoederen Kolland en Overlangbroek (nabij de Langbroekerwetering) en de Rijntakken langs de Nederrijn. Tot slot liggen in de Gelderse Vallei op de grens van Utrecht en Gelderland de blauwgraslanden van Natura 2000-gebied het Binnenveld.
Kaart 1, Natura 2000-gebieden in en grenzend aan de Provincie Utrecht.
In de bijlagen achteraan dit document zijn de belangrijkste maatregelen per Natura 2000-gebied samengevat weergeven.
Koersnotitie Utrechts Programma Landelijk Gebied
17
4.2.2 Natuurnetwerk Nederland (NNN) De NNN-opgave is totaal 1.570 ha functieverandering en 4.264 ha inrichting en moet in 2027 gerealiseerd zijn. De Groene Contour (GC) opgave is totaal 3.000 ha en moet in 2040 gerealiseerd zijn. De realisatie blijft echter achter bij de verwachte voortgang. Daarom is de Realisatiestrategie natuuropgave provincie Utrecht opgesteld (vastgesteld door GS 13-12-2023). Met deze strategie geven wij aan waar en op welke manier wij meer tempo willen maken met het realiseren van nieuwe natuur ten behoeve van de NNN- en Groene Contour-opgave. We kiezen er voortaan voor de NNN-opgave nu ook in de Groene Contour en de agrarische percelen in het NNN te laten landen zodat de NNN-opgave versneld uitgevoerd kan worden. De NNN-opgave krijgt hiermee voorrang op de GC-opgave. Hiermee wordt het zoekgebied voor de ontwikkeling van nieuwe natuur uitgebreid met bijna 3.000 hectare. Het zoekgebied had een omvang van 1.000 hectare en wordt nu 4.800 hectare. Deze gronden liggen vooral in of bij de volgende gebieden: • Langs de rivieren (Lek, Hollandse IJssel, Linge, Vecht en Rijn). • In het veenweidegebied Groene Hart voor vernatting ten behoeve van weidevogels. • Op de flanken van de Utrechtse Heuvelrug (inclusief het gebied Langbroekerwetering). • Aangrenzend aan de verschillende Natura 2000-gebieden voor het vergroten en verbinden van natuur.
• Versterking van de landgoederen: het landgoederengebied van de Gelderse Vallei, landgoed Linschoten en diverse landgoederen op de flanken van de Utrechtse Heuvelrug.
Koersnotitie Utrechts Programma Landelijk Gebied
Kaart 2, NatuurNetwerk Nederland (inclusief zoekgebieden)
18
Aandachtspunt bij het reeds aanwezige Natuurnetwerk Nederland zijn de omvangrijke plannen van het Ministerie van Defensie voor de defensieterreinen in de omgeving Soesterberg. Deze plannen vragen aandacht in relatie tot het behoud van het robuuste natuurnetwerk op de Utrechtse Heuvelrug.
4.2.3 Vogel- en Habitatrichtlijngebieden (met name buiten Natuurnetwerk Nederland) Vanuit de Europese Vogel- en Habitatrichtlijn (VHR) hebben we als lidstaat Nederland de verplichting om beschermde soorten en habitats in een gunstige staat van instandhouding te brengen. De uitvoering van de VHR-opgave is in het Decentralisatieakkoord Natuur (2011) belegd bij de provincies. De Europese verordening natuurherstel, die naar verwachting per 2024 in werking treedt, zal hier een bindende planning aan verbinden. In deze verordening is de doelstelling opgenomen voor 100% doelbereik in 2050. In het NPLG is ervoor gekozen om in 2030 de overbrugging van 30% van het gat tussen de huidige staat van instandhouding en een gunstige staat van instandhouding voor alle VHR-beschermde habitattypen en soorten te realiseren. In opdracht van het Ministerie van LNV is indicatief in beeld gebracht wat nodig is om soorten en habitats in een gunstige staat te brengen. Hoewel het nog onduidelijk is wanneer deze indicatieve verdeling over de provincies een definitieve status krijgt, is het wel duidelijk dat het om een grote opgave gaat. Het is daarom verstandig hier nu al op te anticiperen, zodat we dit kunnen meenemen in de integratieslag en we later niet nog met aanvullende omvangrijke maatregelen hoeven te komen.
De indicatieve opgave voor de VHR in de provincie is, onder voorbehoud, als volgt: • Agrarische natuur (met agrarisch natuurbeheer): - open grasland (voor weidevogels), circa 8.100 (2030) tot 27.000 (2050): deze opgave is met name voor de veenweidegebieden en betreft tot 2050 een zeer groot deel van het veenweidegebied. - open akkerland, circa 345 (2030) tot 1.500 (2050) extra hectare: deze opgave speelt met name op de flanken van de Utrechtse Heuvelrug, in het Kromme Rijngebied en in de Gelderse Vallei. - groenblauwe dooradering, circa 2.760 (2030) tot 9.200 (2050): deze opgave kan in het gehele agrarisch gebied van de provincie Utrecht landen. Zie paragraaf 4.3.5 voor een verdere toelichting.
Koersnotitie Utrechts Programma Landelijk Gebied
• Natuur: - nieuwe natuur buiten de huidige NNN, 848 (2030) tot 2.825 (2050) hectare: bedoeld voor bijvoorbeeld moerassen, vochtige bossen en vochtige schraalgraslanden. Deze opgave kan in verschillende landschapstypen een plek krijgen zoals in de Gelderse Vallei (beekdalen, blauwgraslanden en landgoederen), de veenweiden (bijvoorbeeld de moerassen) en het Kromme Rijngebied. - nieuwe natuur binnen de huidige NNN via omvorming van natuur, 117 (2030) tot 391 (2050) hectare: deze opgave betreft eveneens verschillende habitattypen en kan in verschillende landschapstypen een plek krijgen zoals in de Gelderse Vallei (beekdalen, blauwsgraslanden en landgoederen), de veenweiden (bijvoorbeeld de moerassen) en het Kromme Rijngebied.
4.2.4 Bossenstrategie In het Klimaatakkoord is afgesproken dat er 10% meer bos komt in Nederland. Dit heeft het Rijk samen met de provincies nader uitgewerkt in de landelijke Bossenstrategie “Bos voor de toekomst” (2020). Het Strategisch bosbeleid van provincie Utrecht (2022) betreft een provinciale uitwerking tot 2040 met als overkoepelende visie: “Meer, vitaal, toekomstbestendig, beschermd en maatschappelijk gewaardeerd bos”. Om dit te bereiken is het onder andere nodig 1.500 hectare nieuw bos in de provincie Utrecht tot 2040 te realiseren, waarbij tot 2030 900-950 hectare gerealiseerd moet zijn. Er is een analyse gemaakt welke gebieden in Utrecht kansrijk zijn voor de ontwikkeling van nieuw bos. In de volgende gebieden is de ontwikkeling van bos het meest van toegevoegde waarde: • De landgoederen rondom de beekdalen in de Gelderse Vallei. • De flanken van de Utrechtse Heuvelrug. • De westzijde van de regio Utrecht, aangrenzend aan het stedelijk gebied.
4.2.5 Groenblauwe dooradering Uit de recente analyse van de groenblauwe dooradering in de provincie Utrecht blijkt dat in tenminste 3% van het Utrechtse agrarisch gebied al lijnvormige landschapselementen aanwezig zijn. In de praktijk zal het iets meer zijn omdat niet alle gegevens beschikbaar zijn. Deze landschapselementen kunnen verschillend van vorm zijn: houtig (houtwallen/-singels, hagen en knotbo-
19
men), nat (natuurvriendelijke oevers en poelen) en rand (bloem- en kruidenrijke graslanden van bermen en dijken). Wat ze gemeen hebben, is dat ze allemaal in het agrarisch gebied liggen met als doel de biodiversiteit hier te verbeteren (Deltaplan Biodiversiteitsherstel, 2018). De kansen voor deze elementen verschillen per Utrechts landschap: de houtige elementen sluiten beter aan bij de landschappen in het oosten (Gelderse Vallei, flanken van de Utrechtse Heuvelrug en Kromme Rijngebied), terwijl de natte elementen passen bij het landschap in het westen (veenweiden). Bij de p rioritering voor het ontwikkelen van extra groenblauwe dooradering is het logisch om te zoeken naar gebieden waar veel (natuur)opgaven samen komen, zoals NNN, KRW-doelen overig water (waternatuur) en verbindingszones voor de otter. En in het prioritaire veenweidengebied zorgen natuurvriendelijke oevers voor een v erbetering van de waterkwaliteit, omdat dan minder sprake is van afkalving van de oevers. Per 1 maart 2023 is het verplicht bufferstroken langs alle watergangen te hebben (op basis van het 7e Actieprogramma Nitraatrichtlijn); de breedte varieert per type watergang van 1 tot 5 meter. In deze bufferstroken mogen geen mest en bestrijdingsmiddelen gebruikt worden. Dit biedt kansen voor een natuur vriendelijke inrichting van deze watergangen en daarmee voor de groenblauwe dooradering.
Naast inrichting van watergangen is het belangrijk om te kijken naar beheer. Utrecht heeft zeer veel kilometers sloot, waar ecologisch beheer kan zorgen voor het versterken van biodiversiteit, klimaatrobuustheid en reductie broeikasgassen (een gezondere sloot kan beter tegen de effecten van weersextremen en stoot minder methaan uit). Ook de belevingswaarde wordt groter naarmate de sloten ecologisch gezonder zijn. Er blijkt onder boeren veel draagvlak voor het realiseren van de blauwe dooradering via ecologisch beheer van de sloten, het is een relatief eenvoudige ingreep met een groot effect.
4.3 Stikstof In maart 2022 is het Handelingskader gebiedsgerichte aanpak stikstof vastgesteld door Provinciale Staten. Het Handelingskader ging ook al uit van een integrale aanpak op gebiedsniveau, breder dan uitsluitend een aanpak gericht op stikstof reductie. Wel beperkte de aanpak in het Handelingskader zich tot de gebieden in de directe omgeving van de Natura-2000 gebieden. In juni 2022 kwam het Rijk met de startnotitie NPLG. Hiermee werd de scope van de gebiedsgerichte aanpak sterk verbreed en in feite uitgebreid tot het hele landelijk gebied van de provincie. In de inleiding is dit al toegelicht. Koersnotitie Utrechts Programma Landelijk Gebied
In de startnotitie NPLG van juni 2022 heeft het Rijk richtinggevende reductie doelen voor stikstof geformuleerd. Voor Utrecht betreft dit een reductiedoel stelling van 46% ammoniakemissie uit de landbouw in 2030 ten opzichte van het referentiejaar 2018. De overige sectoren moeten ook hun stikstofemissie reduceren. Het Rijk ontwikkelt hiervoor een aanpak. Dit richtinggevende reductiedoel voor ammoniak dient in het UPLG vertaald te worden in een (richtinggevende) ruimtelijke vertaling van de benodigde stikstof reductie. Deze inzet is onderdeel van de totale stikstofreductie die nodig is voor de landelijke doelen, hiervoor gelden de volgende omgevingswaarden: • 40% areaal met stikstof gevoelige habitats binnen Natura 2000-gebieden onder de kritische depositiewaarde (2025) • 74% areaal met stikstof gevoelige habitats binnen Natura 2000-gebieden onder de kritische depositiewaarde (2030) Het lijkt erop dat voor de meeste Utrechtse Natura-2000 gebieden boven genoemde omgevingswaarden binnen bereik zijn. Echter, de verspreiding van stikstof beperkt zich niet tot de directe omgeving van de bron, maar ook in de verdere omgeving. Daarom is een belangrijke opgave om ook de zogenaamde stikstofdeken te verdunnen.
4.3.1 Varianten ruimtelijke differentiatie Ter invulling van de richtinggevende ruimtelijke vertaling zijn als theoretische verkenning drie varianten geformuleerd, die elk gebaseerd zijn op enkele structurerende principes: Variant 1: geen ruimtelijke differentiatie. Dit betekent voor de gehele agrarische sector in de provincie een gelijke doelstelling van 46% reductie van de ammoniakemissie, ongeacht de ligging ten opzichte van de Natura2000-gebieden of andere natuurgebieden. Variant 2: beperkte ruimtelijke differentiatie. Dit betekent het volgende: • Rondom het Habitatrichtlijn gedeelte van de Natura 2000-gebieden hanteren we een overgangszone van 1 km met een hoge doelstelling van 70% emissiereductie omdat we weten dat maatregelen dicht bij (binnen een kilometer) een veel groter effect hebben dat maatregelen
20
v erder weg. Binnen die 1km zone gaan we uit van een 500 meter zone, direct grenzend aan het Natura 2000-gebied, waar alleen zeer extensief grondgebruik mogelijk is. Dat wil zeggen een veebezetting van maximaal 1 GVE/ha en toepassing van een beperkte hoeveelheid vaste mest in b alans met de bodem en in de veenweidegebieden in balans met weidevogelbeheer. Binnen de Natura 2000 gebieden mag alleen begrazing plaatsvinden voor zover dat nodig is voor het beheer. • In de rest van de provincie (dus buiten de overgangszones) geldt dan een doelstelling van 44% emissiereductie om in totaliteit op de 46% gemiddeld voor de gehele provincie uit te komen.
4.4 Klimaat Klimaatdoelen In Nederland zijn indicatief vastgesteld in het coalitieakkoord en het ontwerp-beleidsprogramma Klimaat. Daarin is afgesproken om 55 procent broeikasgasemissiereductie te realiseren in 2030, met een beleidsinzet van 60 procent reductie ten opzichte van 1990. Alle sectoren dragen hieraan bij. Voor de landbouw geldt een indicatieve restemissieopgave van 18,9 megaton CO2 eq. (equivalenten) in 2030. Daarbij geldt landelijk een reductieopgave van 5 Megaton CO2 eq. (waarvan 3,8 megaton methaanreductie conform afspraken Global M ethane Pledge) voor de veehouderij (inclusief mestaanwending) gekoppeld aan de gecombineerde aanpak.
Variant 3: sterke ruimtelijke differentiatie. In deze variant worden de reductiedoelstellingen voor stikstof gedifferentieerd op basis van de andere opgaven, veelal een stapeling van opgaven, die leidend zijn in verschillende gebieden. De reductiedoelen voor stikstof zijn hier dus volgend en worden ‘meegekoppeld’ met andere opgaven. Dit betekent: • Als basis gaan we overal uit van circa 30% reductie, omdat bekend is dat met voer- en managementmaatregelen dit percentage relatief eenvoudig te halen is (bron: Aanpak Netwerk Praktijkbedrijven). • In gebieden waar meerdere opgaven spelen, zoals bijvoorbeeld in de veenweiden, de beekdalen en in de Langbroekerwetering, kan de r eductie hoger omdat we vanuit andere opgaven hier ook al een flinke omslag in de agrarische bedrijfsvoering nastreven (meervoudig doelbereik). Hier lift als het ware de stikstofopgave mee met andere opgaven. Omdat hier meerdere opgaven spelen, zijn hier waarschijnlijk ook meer mogelijk heden voor compenserende maatregelen. Hier gaan we uit van in totaal ca 60% reductie (dus inclusief de basis van 30%). • In de overgangszones rondom N2000-gebieden (de 1km-zones) is het logisch om uit te gaan van een nog wat hoger percentage vanwege de grotere effectiviteit van de maatregelen dichtbij de stikstofgevoelige natuur. Om die reden gaan we hier uit van in totaal tot 70% reductie, net als in variant 2.
Variant 3 leidt tot een totaal gemiddelde van ca. 44% reductie voor de hele provincie. (2% verwijderd van de 46% stikstofreductie voor de gehele provincie Utrecht).
Koersnotitie Utrechts Programma Landelijk Gebied
De klimaatopgave tot 2030 is slechts een tussenstap tot 2050. De klimaatopgave voor het landelijk gebied in Utrecht betreft de reductie van broeikasgassen uit veenbodems (veenweidengebied), de methaanreductie in de veehouderij en het vastleggen van CO2 via aanleg van bos. Het laatste onderwerp is hiervoor meegenomen in de paragraaf Natuur-Bossenstrategie.
4.4.1 Reductie uitstoot methaan veehouderij Twee derde van de methaanemissie in Nederland is afkomstig uit de veehouderij. Binnen de veehouderij is 77% van de uitstoot van methaan afkomstig uit de melkvee- en rundveehouderij en 14% uit de mestopslagen van de varkenshouderij. De Nederlandse land- en tuinbouw stootte in 2020 in totaal 14,5 megaton CO2 equivalenten aan methaan uit, waarvan 13,4 megaton uit de veehouderij en de akkerbouw. In de veehouderij en akkerbouw is methaanuitstoot te herleiden naar stallen, mestopslag, weidebemesting, maag- en darm fermentatie en mest bewerking. De indicatieve opgave voor Utrecht is 0,3 megaton CO2 equivalenten. Methaanemissie in de veehouderij komt met name vrij bij het verteringsproces van herkauwers (bijvoorbeeld runderen, schapen, geiten) en tijdens de opslag van mest. De opgave kan behaald worden vanuit een combinatie van zowel generieke maatregelen (vaak via voer- en managementmaatregelen) als gebiedsspecifieke maatregelen (krimp van de veestapel). Op welke locaties precies de reductie van de methaanemissie wordt gerealiseerd, is voor het behalen van de klimaatopgave niet belangrijk. Een koppeling met andere opgaven (bijvoorbeeld de stikstofopgaven) ligt voor de hand.
21
Het realiseren van deze reductie is nadrukkelijk een gezamenlijke opgave van Rijk en provincies met een mix van generieke en gebiedsgerichte maatregelen die een plek krijgen in de gebiedsprogramma’s.
4.4.2 Vermindering emissie broeikasgassen uit veenbodems (veenweidengebied) Vanuit het Klimaatakkoord (2019) is de landelijke doelstelling 2030 voor het terugdringen van de jaarlijkse uitstoot van broeikasgassen uit veenbodems met 1 megaton (Mton) CO2 -equivalenten. De zes veenweidenprovincies hebben ieder een indicatieve doelstelling toegewezen gekregen die daarvan is afgeleid. De Utrechtse indicatieve doelstelling voor de reductie van de jaarlijkse broeikasgasuitstoot is 0.09 megaton CO2-eq. In de Regionale Veenweiden Strategie (RVS) Utrechtse veenweiden (2022) is aangegeven dat deze doelstelling g rotendeels te halen is met technische maatregelen om de zomergrond waterstand te verhogen. Een voorbeeld van technische maatregelen zijn waterinfiltratiesystemen in combinatie met hogere slootpeilen. Dit is goed te combineren met een gangbare melkveehouderij. In een klein deel van het veenweidengebied is echter meer nodig om in zijn totaliteit tot die 0.09 Mton reductiedoelstelling te komen. Hier hebben we het over een sterkere vernatting via het verhogen van de zomergrondwaterstand (en slootpeilen) tot 20cm onder maaiveld. Dit betekent een sterke transitie in landgebruik. De gangbare melk veehouderij is hier niet meer mee te combineren.