01.b Koersnotitie.pdf
Tekst van het document
40
26. Langdurige opslag van water (waterbuffering): Voor de lange termijn zoeken we naar aanpassing van het watersysteem én grondgebruik zodat er voldoende water gebufferd kan worden.
Het verhogen van de grondwaterstand geeft een verhoogde watervraag in de zomer, terwijl volgens diverse klimaatscenario’s in de zomer juist minder (rivier) water beschikbaar is. Dit noopt tot voorzieningen om water, dat in de winter over is, op te slaan voor de zomer (waterbuffers) en om tot goede regionale en landelijke afspraken te komen over de verdeling van het schaarse water. Het dilemma is dat zulke voorzieningen zeer veel ruimte kosten en dat vraagt moeilijke keuzes. We moeten met het Rijk afspraken maken voor het beschikbaar zijn van voldoende water voor de veenweiden op de korte termijn bij hogere grondwaterstand.
6.3 Beekdalen op zandgronden 27. Herstel beekdallandschap We verbeteren de waterkwaliteit van de beken en anticiperen op de verandering van het klimaat door in te zetten op een breed pakket van maatregelen om tot een meer robuust water- en bodemsysteem te komen op de hoge zandgronden. We maken ook een combinatie met groenblauwe dooradering en Bossenstrategie.
In de provincie Utrecht bevinden zich vooral benedenlopen van de beken. Voor het halen van de normen op nutriënten voor de KRW zijn met name boven stroomse maatregelen in de provincie Gelderland bepalend. Kijkend naar het KRW-doel ecologie (zie ook structurerend principe 1 van waterkwaliteit) en om te anticiperen op het veranderend klimaat stellen we voor om in te zetten op een robuust b odem- en watersysteem. Belangrijke generieke maatregelen zijn het verminderen van afspoeling door het realiseren van bufferstroken en het zorgen voor meer (natuurlijke) weerstand op het maaiveld, het verminderen van uitspoeling door het verhogen van de ontwateringsbasis. Om vanuit het watersysteem ook bij te dragen aan herstel en vergroting van de biodiversiteit zijn structuurverbetering en een aangepaste inrichting van de watergangen en de zone daaromheen nodig. Dit brengt meer variatie in de stroomsnelheid en watertemperatuur,
Koersnotitie Utrechts Programma Landelijk Gebied
voorkomt (volledige) droogval en dempt de afvoerdynamiek. Met de voorgestelde aanpak worden ook meerdere structurerende keuzes uit de Kamerbrief Water en Bodem Sturend integraal meegenomen. Dit zijn onder andere de structurerende keuzes voor hoge zandgronden, inzetten op grootschalig herstel beekdalen, ruimte creëren voor het langer vasthouden van water en minder afvoeren van water, het herstellen van de sponswerking van de bodem en het bereiken van een robuust grondwatersysteem. Daarnaast zal ook flankerende maatregelen op het boerenbedrijf nodig zijn, zoals goede landbouwpraktijk, de transitie naar een meer circulaire, natuurinclusieve en klimaatneutrale landbouw.
6.4 Utrechtse Heuvelrug en flanken 28. Vasthouden van water en hydrologische ontvlechting Voor het vergroten van de zoetwatervoorraad en het herstel van verdrogingsgevoelige natuur houden we meer water vast in de Heuvelrug en de flanken door extra infiltratie én we zorgen voor een hydrologische ontvlechting van de lage flanken voor een robuuster watersysteem.
De grenzen van het water- en bodemsysteem zijn bereikt. Voldoende zoetwater is niet vanzelfsprekend en we hebben vaker te maken met wateroverlast. Op de Utrechtse Heuvelrug en de flanken speelt dit nog sterker dan elders, én hier ligt ook een belangrijke oplossing. Omgang met droogte en wateroverlast vraagt om een samenhangende aanpak. Het watersysteem is nu vooral ingericht op snel afvoeren, maar we moeten weer meer water vasthouden en infiltreren om de zoetwatervoorraad te vergroten en meer water beschikbaar te hebben bij droogte. En ín de Heuvelrug is daarvoor in de zandpakketten veel ruimte, dus daar kunnen we beter gebruik van maken. Daarmee vergroten we ook de regionale kwel ten behoeve van de verdrogingsgevoelige natuur. Op de lage flanken zorgen we voor een robuuster en toekomstbestendig watersysteem door het ontvlechten van het landgebruik met tegengestelde wensen over het waterpeil.
41
29. Natuurherstel We kiezen voor revitalisering van bos en natuur op de Utrechtse Heuvelrug en breiden bos en natuur op de flanken uit, omdat daarmee meerdere natuur- en wateropgaven gerealiseerd kunnen worden. We willen samen met het gebied onderzoeken hoe deze opgaven kunnen samengaan met de invulling van andere opgaven zoals die van stikstof en methaan.
We zien de Utrechtse Heuvelrug en de flanken als prioritair gebied vanwege de vele opgaven die hier samenkomen. Door verzuring, een te hoge stikstofdepositie (1400 mol/ha/jaar), versnippering en verdroging zijn de bossen op de Utrechtse Heuvelrug niet meer vitaal en veerkrachtig. Hierdoor sterven planten en diersoorten uit en zijn bomen gevoeliger voor droogte en meer vatbaar voor ziekten en plagen (bijvoorbeeld letterzetter). Revitalisering van het bos is nodig door vergroten en verbinden van het bos, hydrologisch herstel en versterken van de bosstructuur. Op de Heuvelrug en de flanken is veel natuur aanwezig, maar er is ook een grote verweving van landbouw en natuur. We kiezen hier voor herstel én uitbreiding van natuur, omdat dit invulling geeft aan een groot aantal natuur- en wateropgaven: • Verbinden, uitbreiden en revitaliseren bos voor vitaliteit en toekomst bestendigheid van bossen en invulling Bossenstrategie. • Verbinden Natura 2000-gebieden, uitbreiden areaal en hydrologisch herstel (overgangszone volgend uit Natuurdoelanalyse). • Invulling uitbreiding NNN-gebied (groene contour) en hydrologisch herstel • Realiseren doelen overig water (waterkwaliteit) in gebied met hoge potentie waternatuur. • Realiseren groenblauwe dooradering.
• Realiseren doelen Vogel- en Habitatrichtlijn om populaties van beschermde soorten en Habitats in een gunstige staat van instandhouding te brengen. Daarnaast is het behalen van de KRW-doelen een belangrijk aandachtspunt. Dit betreft naast kwantiteit onder andere de kwaliteit van het oppervlaktewater en de grondwaterkwaliteit en dan in het bijzonder in de omgeving van kwetsbare drinkwaterwinningen. De functies rondom deze gebieden zouden geen belemmering moeten vormen voor het behalen van de doelen
Koersnotitie Utrechts Programma Landelijk Gebied
42
7 Vervolgproces Met deze Koersnotitie zijn we inhoudelijk een eind op weg richting het UPLG. Ontbrekende hoofdstukken om te komen tot de conceptversie die we op 1 juli indienen bij het Rijk zijn nog: • Maatregelenpakketten • Instrumenten • Sociaaleconomische Impactanalyse (SEIA) • Kostenraming (tot aan 2030) • Onderzoek en monitoring • Uitvoering en randvoorwaarden Deze hoofdstukken hopen we komende weken toe te kunnen voegen. Ondertussen gaan we ook door met het voeren van gesprekken met onze partners over de hoofdlijnen van het UPLG: waterschappen en gemeenten, landbouworganisaties, natuurorganisaties en drinkwaterbedrijven. Ook de rol van het Rijk is essentieel. Daarnaast lopen er in het landelijk gebied al processen zoals in de gebiedsgerichte aanpak landelijk gebied (onder andere in Eemvallei, Vijfheerenlanden en Utrechtse Venen) en de pilotgebieden van Groen Groeit Mee. We maken graag gebruik van de input uit deze gebieden in de eerste versie van het UPLG. De gesprekken eindigen niet met het indienen van het concept-UPLG op 1 juli. Integendeel. Veel zaken vragen om nadere uitwerking als vervolgstap en daarvoor hebben we onze gebiedspartners hard nodig. Om samen met hen via en met de betrokken agrarische ondernemers via gebiedsprocessen daadwerkelijk tot uitvoering te komen.
We doen het samen! Tot slot: Een door alle partijen gedragen Landbouwakkoord is noodzakelijk als kapstok voor de koers die we in de provincie (en in de andere provincies) gaan varen. De u itkomsten van de onderhandelingen zijn sturend op de inhoud van het uiteindelijke UPLG die we Q1-2024 hopen vast te stellen.
Koersnotitie Utrechts Programma Landelijk Gebied
43
Bijlage 1, Belangrijkste conclusies uit de natuurdoelanalyses per N2000-gebied Hieronder volgen de belangrijkste maatregelen per Natura 2000-gebied. Binnenveld Het Binnenveld is afhankelijk van kwel van de Utrechtse Heuvelrug. Het overgangsgebied kan bijdragen aan de hydrologie en de connectiviteit ofwel het verbinden met andere natuurgebieden. Aanvullende maatregelen zijn nodig, zowel binnen als buiten het Natura 2000-gebied. Deze maatregelen zijn vooral gericht op: • Het terugbrengen van de stikstofdepositie tot de kritische depositiewaarde (KDW)het herstellen van het watersysteem: er moet weer meer grondwater naar het gebied stromen en het water moet hier langer worden vastgehouden en minder worden afgevoerd. • Daarnaast dient verbinding gemaakt te worden met nabij gelegen natuurgebieden om te zorgen dat uitwisseling van soorten plaats kan vinden in een groter en niet meer versnipperd gebied. • Het gebied [omschrijving] moet toegevoegd worden aan het Natura 2000-gebied • Om verzuring en verruiging tegen te gaan moet de stikstofdepositie verlagen en mogen de grondwaterpeilen in de zomer niet te laag zijn. • Exotenbeheer is een terugkerende beheerinspanning. Kolland & Overlangbroek Aanvullende maatregelen zijn nodig, zowel binnen als buiten het Natura 2000-gebied. Bij de inrichting moet rekening gehouden worden met het coulisselandschap.
• Deze maatregelen zijn vooral gericht op het herstellen van het kwelwatersysteem: er moet weer meer grondwater naar het gebied stromen en het water moet hier langer worden vastgehouden. • Daarnaast dient er één aaneengesloten natuurgebied gecreëerd te worden om te zorgen voor een groter en niet meer versnipperd gebied. • Om verruiging van de bodembegroeiing tegen te gaan moet doorgegaan worden met het aanplanten van soorten die zonlicht van de bosbodem af kunnen houden. Zodra het kan moet dit gebeuren met essen die resistent zijn voor de schimmel die essentaksterfte veroorzaakt. • De verruigde bodembegroeiing zoals braam moet vaker verwijderd worden.
Koersnotitie Utrechts Programma Landelijk Gebied
Uiterwaarden Lek Aanvullende maatregelen zijn nodig, zowel binnen als buiten het Natura 2000-gebied. De overgangszones zijn goed te gebruiken voor de connectiviteit. De aanvullende maatregelen zijn onder andere gericht op: • het beëindigen van intensieve landbouwpraktijken binnen het gebied; • het terugbrengen van de stikstofdepositie tot de kritische depositiewaarde (KDW); • het verschralen van te rijke bodem; • optimalisatie van het beheer; • het (deels) terugbrengen van de dynamische waterstanden; • als de benodigde oppervlaktes van de habitattypes niet binnen de begrenzing van het Natura 2000-gebied kunnen worden gerealiseerd, zal er buiten de begrenzing gezocht moet worden naar geschikte locaties; • Voor kamsalamander moeten de bestaande poelen verbeterd worden, moeten nieuwe poelen gerealiseerd worden en moet de verbinding met leefgebieden buiten Uiterwaarden Lek worden versterkt. Zouweboezem Aanvullende maatregelen zijn nodig, zowel binnen als buiten het Natura 2000-gebied. De overgangszones zijn goed te gebruiken voor de connectiviteit.
De aanvullende maatregelen zijn onder andere gericht op: • het terugbrengen van de stikstofdepositie tot de kritische depositie waarde (KDW) • verhogen van het peil en de peildynamiek • het verbeteren van de waterkwaliteit • het uitvoeren van specifiek beheer • het verminderen van de ganzenpopulatie in het gebied • het vergroten van de oppervlakten en het onderling verbinden van leefgebieden binnen en buiten de gebiedsgrenzen • Ook moet de stikstofdepositie verder worden teruggebracht. Botshol Voor Botshol kan een overgangszone gecombineerd worden om de waterkwaliteit te verbeteren en om wegstromen van oppervlaktewater te verminderen. Aanvullende maatregelen zijn nodig, zowel binnen en als buiten het Natura 2000-gebied, om de gunstige staat van instandhouding te realiseren.
44
Het waterbeheer, de bodem, de stikstofdepositie en het beheer en onderhoud van de habitattypen zelf zijn de belangrijkste stuurknoppen om de kwaliteit te verbeteren. • Het terugbrengen van de stikstofdepositie tot de kritische depositie waarde (KDW) • Het habitattype Meren met krabbenscheer en fonteinkruiden zal niet op eigen kracht kunnen terugkeren en zal moeten worden geherintroduceerd nadat de (a)biotische conditities op orde zijn. • Hiervoor dient aanvullend op de reeds geplande maatregelen onder andere de visstand van soorten zoals de brasem te worden gereduceerd. De overgangsvegetaties en drogere habitattypen zijn nog aanwezig, maar veelal van matige kwaliteit. • Vanwege het wegstromen van water is momenteel inlaat noodzakelijk, waardoor oplossingen zowel gezocht moeten worden in optimalisatie van het peilbeheer, de waterkwantiteit, als de waterkwaliteit van het in te laten water. Voor een robuust systeem is verbetering van al deze stuurknoppen noodzakelijk. • Ook is extra inzet nodig om het watersysteem te herstellen in het omliggende gebied, zoals het aanzienlijk verhogen van het peil om wegzijging te verminderen • De atmosferische stikstofdepositie moet verlaagd worden voor de ontwikkeling van de veenmosrietlanden. • De verruiging van terrestrische natuur dient te worden tegengegaan met adaptief verschralingsbeheer.
• Invasieve exoten dienen te worden aangepakt. • Veenmosrietlanden kunnen op gecontroleerde wijze worden geplagd • Moerasbossen kunnen worden omgevormd tot hoogveenbos en veenmosrietland. • Lichtvervuiling dient te worden aangepakt.
Aanvullende maatregelen zijn nodig om de gunstige staat van instandhouding te behalen: • Toename van bufferend grondwater is een belangrijke maatregel om plassen te krijgen met Kranswierwateren en Meren met krabbenscheer en fonteinkruiden, maar ook voor Trilvenen is aanvulling van grondwater een vereiste, waarbij ook het Blauwgrasland zal profiteren. Hier is nader onderzoek nodig om precies te kunnen bepalen welke maatregelen buiten en binnen het Natura 2000-gebied genomen dienen te worden. • Daarnaast is exotenbestrijding een belangrijk aandachtspunt. • Rietontwikkeling en aanleg van pioniersmoerassen met slikkige zones zijn nodig voor de verschillende soorten reigers en Porseleinhoen. Nieuwkoopse plassen en de Haeck incl schraalland langs de Meije Aanvullende maatregelen zijn nodig om de gunstige staat van instandhouding te behalen: • Inrichten van de bufferstrook • Aanleg van een siflon waarbij oppervlaktewater uit de Nieuwkoopse plassen kan worden aangevoerd. Rijntakken Komt na juni Lingegebied & Diefdijk Aanvullende maatregelen zijn nodig om de gunstige staat van instandhouding te behalen.
Noorderpark (onderdeel van N2000 Oostelijke Vechtplassen) In de NDA is niet gemeld dat een overgangszone nodig is voor het Vogelrichtlijn deel en mogelijk wel voor het Habitatrichtlijn deel. Relatie met de Blauwe agenda is aanwezig waarbij de hydrologische relatie met de Utrechtse Heuvelrug belangrijk is.
Koersnotitie Utrechts Programma Landelijk Gebied
45
Bijlage 2, Structurerende keuzes uit Nationaal Programma Landelijk Gebied en Kamerbrief Water en bodem sturend
Structurerende keuzes met directe doorwerking
bondige toelichting
Overgangsgebieden
Een gebied rondom stikstofgevoelige Natura 2000-gebieden waar functies en activiteiten een bijdrage moeten leveren aan natuurherstel
Bufferstroken langs beekdalen op hoge zandgronden
Voor waterkwaliteit ruimte bufferstroken in beekdalen op zandgronden realiseren, tevens bijdragend aaninfiltratie grondwater.
Peilopzet veenweide
Toewerken naar vernatting van veenweidegebieden om CO2 emissie en bodemdaling te beperken
Inpassing areaal agrarische natuur/landschapsgrond/nieuwe natuur
Richting voor de wijze waarop deze nieuwe arealen ingepast kunnen worden en welke eigenschappen van het gebied daarbij in ogenschouw moeten worden genomen
Ruimte voor waterberging
Langs waterkeringen en rivierbedden, en langs grote wateren vanwege peilfluctuaties. Betere ruimtelijke inrichting en voor het vaststellen van grenzen aan het gebruik van grond- en oppervlaktewater. Voldoende ruimte piekopvang
Waterbeschikbaarheid verzilte gebieden
Acceptatie van tijdelijke toename regionale verzitting en aanpassing van het landgebruik hierop
Invulling 10% groenblauwe dooradering
Uitleg over inpassingsmogelijkheden van landschapelementen die bijdragen aan het realiseren van 10% groenblauwe dooradering
Bescherming landbouwgrond
Beschermen van bruikbare landbouwgrond moet in de gebiedsprocessen nadrukkelijk aandacht krijgen om vruchtbare landbouwgrond te behouden voor de landbouw en voldoende grond beschikbaar te houden voor de extensiveringsopgave en agrarisch natuur-en landschapsbeheer
Tabel 2: Structurerende keuzes Handreiking Nationaal Programma Landelijk Gebied
Koersnotitie Utrechts Programma Landelijk Gebied
46
Thema
Structurerende keuzes
Voldoende water
1. Op basis van het huidige klimaatscenario, hanteren we voor het hoofdwatersysteem de ambitie om weerbaar te zijn tegen een droogte, die bij een scenario van grote klimaatverandering en sterke groei van economie en bevolking gemiddeld eens in de 20 jaar voorkomt. 2. De omvang van alle grondwateronttrekkingen wordt in beeld gebracht. Hiermee werken we toe naar een robuust grondwatersysteem en beperken we de nadelige effecten van grondwateronttrekking om ook in de toekomst zoveel mogelijk functies te faciliteren. We werken dit gezamenlijk met alle betrokkenen uit in het kader van NPLG. 3. We werken toe naar nieuwe en diverse drinkwaterbronnen. Hiermee zorgen we voor voldoende drinkwaterbronnen van voldoende kwaliteit. Provincies en drinkwaterbedrijven schalen daarbij op via regionale systemen naar een verbonden landelijk drinkwaternet. 4. We werken toe naar een drinkwatergebruik per hoofd van de bevolking van 100 liter in 2035 (thans 125 liter) en beperken laagwaardig gebruik van drinkwater. Grootverbruikers vragen we het drinkwatergebruik ook met 20% te reduceren. Zo beperken we het effect van toename van de watervraag in relatie tot de schaarsere beschikbaarheid van water.
Schoon en gezond water
5. We voeren maatregelen uit van de Kaderrichtlijn Water (KRW) Stroomgebiedbeheerplannen 2022-20278, het 7e Actieprogramma Nitraatrichtlijn 2022-2026 met bijbehorend addendum9, de derogatiebeschikking, de Programmatische Aanpak Grote Wateren (PAGW) en uitvoeringsprogramma’s zoals voor reducties van medicijnresten en andere chemische stoffen. Provincies geven in samenwerking met waterschappen en andere gebiedspartners bij het maken van hun gebiedsprogramma’s10 aan welke maatregelen waar nodig zijn om de doelen vanuit de KRW, de Nitraatrichtlijn, de Richtlijn duurzaam gebruik van gewasbeschermingsmiddelen en de Vogel- en Habitatrichtlijnen te halen. 6. We begrenzen de koelwaterlozingen op de grote rivieren. Daarmee blijft de temperatuur van het rivierwater op een acceptabel niveau.
Ruimte voor water
7. We creëren ruimte voor het vasthouden, bergen en afvoeren van water in onze ruimtelijke inrichting, landgebruik en landbeheer. Hiermee vergroten we de veerkracht van zowel het hoofdwatersysteem als regionale watersystemen. Dit wordt vanaf heden door het Rijk, de waterschappen, provincies en gemeenten uitgewerkt en in de gebiedsprogramma’s opgenomen. 8. We houden rekening met grote peilflucuaties en de optie van peilaanpassingen van het IJsselmeer en het Markermeer. Hiermee borgen we de zoetwatervoorziening vanuit het IJsselmeer en Markermeer in de toekomst. Het betreft de optie om de huidige zoetwaterbuffer van 20 cm naar 50 cm te vergroten, door het zomerpeil verder te laten uitzakken en eventueel hoger op te zetten bij verwachte langdurige droogte. Daarnaast willen we de waterafvoer naar de Waddenzee vanuit het IJsselmeer veilig stellen, ook als de zeespiegel stijgt. Dit betreft de optie om het winterpeil met 30 cm te laten meestijgen. 9. We staan geen nieuwe landaanwinning (eilanden) toe in het IJsselmeergebied, behalve voor overstroombare natuur en om te voldoen aan de Natura 2000-doelen en KRW. Partijen houden hier vanaf heden rekening mee en het Barro of de BKL onder de Omgevingswet11 wordt hierop in 2026 aangescherpt. Bestaande vergevorderde afspraken over uitbreidingsprojecten worden gerespecteerd.
De voorwaarden voor buitendijks bouwen op het bestaande land worden aangescherpt. 10. We staan in de uiterwaarden (die vallen onder de Beleidslijn grote rivieren) geen nieuwe bebouwing meer toe. Daarmee maken we onze rivieren klimaatrobuuster en voorkomen we toenemende schade. Partijen houden hier vanaf heden rekening mee. Er wordt onderzocht hoe de Beleidslijn grote rivieren (Bgr) wordt aangescherpt. Dit is niet van toepassing op ontwikkellocaties, waar met het Rijk reeds bestuurlijke (beleids)afspraken over zijn gemaakt. 11. We actualiseren de huidige reserveringszones rond primaire waterkeringen (dijken en kust). Daarmee reserveren we ruimte voor toekomstige dijk- en kustversterkingen, en maken ze zo blijvend mogelijk. Ruimtelijke plannen en instrumenten van de gemeenten en provincies worden hierop aangepast. Dit pakken we in 2023 samen met de waterschappen, provincies en gemeentes op. 12. We verzoeken provincies, waterschappen en gemeenten zowel op dijken de biodiversiteit te bevorderen, als binnendijks naar ruimte te zoeken voor natuurlijke achteroevers (PAGW en NPLG). Hiermee zorgen we voor robuuste watersystemen. 13. We reserveren de 5% tot 10% van diepe polders voor waterberging, bij voorkeur de diepste delen. We voorkomen hiermee wateroverlast als gevolg van aanhoudende regenval of piekbuien.
Hier is geen nieuwe bebouwing toegestaan, tenzij het niet ten koste gaat van het waterbergend vermogen. 14. We staan kustuitbreiding vooralsnog niet toe. Hiermee voorkomen we onnodige druk op onze zandvoorraad, die cruciaal is om de kust orde te houden met het oog op zeespiegelstijging.
Koersnotitie Utrechts Programma Landelijk Gebied
47
Thema
Structurerende keuzes
Bodem
15. We versterken de regie op de inrichting van de ondergrond. Daarmee bereiken we een efficiënte inrichting ervan, zodat ontwikkelingen als woningbouw en energietransitie mogelijk worden gemaakt zonder de bodem aan te tasten. Rijk en gemeenten ontwikkelen hiervoor een gezamenlijk instrument. 16. We streven bij verstedelijking en infrastructuur naar zo efficiënt mogelijk gebruik van ruimte, dekken de bodem zo min mogelijk af en herstellen de bodem waar mogelijk. Zo behouden we waardevolle organisch rijke landbouw- en natuurbodems en blijft de sponswerking van de bodem behouden. Samen met gemeenten en provincies zetten we in op beperking van onnodig landgebruik. 17. We sturen ook in bestaand bebouwd gebied op vermindering van onnodige bodemafdekking. De verstedelijkte omgeving wordt beter leefbaar als er minder hitte-stress is of wateroverlast tijdens piekbuien. Dit bereiken we door de bodem te herstellen en in te zetten op stedelijk groen. 18. We behouden ook voor de toekomst waardevolle landbouwgronden. Dit doen we door maatregelen uit te werken voor het beheer van landbouwgronden op het gebied van materieel, nutriënten, gewasbeschermingsmiddelen etc. Vanuit het Nationaal Programma Landbouwbodems trekken we samen met kennispartijen, de agrarische sector en de ketenpartijen op. Dit wordt in het Nationaal Strategisch Plan15 verankerd.
19. We gaan bodemverstoring door ontgraving tegen en hergebruiken grond hoogwaardig. Daarmee behouden we gezonde en vitale bodems. Samen met provincies en waterschappen start het Rijk hier als opdrachtgever zelf pilots voor. 20. We herijken de aanpak van bestaande en diffuse bodemverontreiniging. Dit doen we om de risico’s voor mens en milieu te beperken. Hiervoor is een gebiedsgerichte aanpak nodig, omdat geheel saneren praktisch vaak geen optie is.
Bebouwd gebied
21. We maken de risico’s van overstromingen, wateroverlast, bodemdaling en drinkwaterbeschikbaarheid sturend bij de locatiekeuze en inrichting van woningbouw. Hiermee voorkomen we dat we nieuwbouw gaan realiseren op locaties waar we later spijt van gaan krijgen. Provincies nemen in hun ruimtelijke arrangementen het (concept) richtinggevend kader mee. 22. We benutten locaties waar in de toekomst ruimte nodig is voor waterberging, rivierafvoer en toekomstige dijkversterkingen niet (meer) voor bebouwing. 23. We passen maatlat voor een klimaatadaptieve en natuurinclusieve bebouwde omgeving toe. Daarmee ontwikkelen we gebieden klimaatbestendiger. Deze maatlat is voorzien in december 2022. 24. We sturen als overheden op zo min mogelijk afdekking van de bodem. Daarmee behouden we buiten het bebouwd gebied goede landbouwgrond, reduceren we hittestress en bevorderen we waterinfiltratie binnen het bebouwd gebied. We werken dit samen met provincies en gemeenten uit en zetten in de ladder duurzame verstedelijking in op minder netto landgebruik.
Laagveengebieden
25. We bewegen toe naar een grondwaterstand van 20 cm tot 40 cm onder maaiveld, afhankelijk van de bodemcompositie, omstandigheden van het watersysteem en de behoeften van het gebied. Hiermee wordt bereikt dat bodemdaling wordt geminimaliseerd en uitstoot broeikasgassen wordt gereduceerd. Dit wordt in NPLG-gebiedsprocessen door alle betrokken partijen samen uitgewerkt. 26. We minimaliseren de aanvoer van gebiedsvreemd water. Daardoor houden we zoveel mogelijk zoetwater beschikbaar voor peilopzet en tegengaan van verzilting. De provincies en waterschappen maken in gebiedsprocessen ruimte voor het vasthouden en bergen van zoveel mogelijk gebiedseigen water. Met name in perioden van droogte zal externe aanvoer toch nodig blijven. 27. We beheren onze landbouwgronden duurzaam. In aanvulling op structurerende keuze 18 voorkomen we hiermee onomkeerbare oxidatie van veen en behouden we ook voor de toekomst waardevolle landbouwgronden. We werken maatregelen voor beheer van landbouwgronden op het gebied van materieel, nutriënten, gewasbeschermingsmiddelen etc. uit. Het Rijk vraagt provincies stevig in te zetten op het behoud van grasland.
Koersnotitie Utrechts Programma Landelijk Gebied
48
Thema
Structurerende keuzes
Verziltende kustgebieden
28. Het Rijk en waterschappen zetten zich in voor aanvoer van zoetwater, maar kunnen geen nieuwe maatregelen garanderen om verziltende gebieden te voorzien van zoetwater van elders. Omdat de aanvoer van extra (schaars) zoetwater van buiten het gebied niet altijd en overal kan worden gegarandeerd, zal er op termijn vaker sprake zijn van tijdelijke en regionale verzilting. 29. We vragen alle watergebruikers rekening te houden met en zelf maatregelen te nemen om beter bestand te zijn tegen periodes van extreme droogte, watertekorten en verzilting.
Hoge zandgronden
30. We houden water langer vast en voeren het minder snel af. We herstellen daarmee de sponswerking van de bodem en bereiken een robuust grondwatersysteem. Dit wordt in gebiedsprocessen geborgd. 31. We verhogen de grondwaterpeilen met mogelijk 10 cm tot 50 cm. Daardoor wordt op de hoge zandgronden verdroging bestreden. Omdat het hier maatwerk betreft, wordt dit in gebiedsprocessen verder uitgewerkt. 32. In de gebiedsprocessen zetten we in op grootschalig herstel van beekdalen op zandgronden voor het verbeteren van de waterkwaliteit. Hiermee halen we niet alleen de doelen voor de waterkwaliteit (vanuit de KRW en de Nitraatrichtlijn) maar kunnen we ook andere doelstellingen realiseren (zoals natuur, groenblauwe dooradering en waterberging). 33. We beperken de grondwateronttrekkingen rond Natura 2000-gebieden. Daarmee voorkomen we verdroging deze gebieden. Dit wordt in de gebiedsprocessen uitgewerkt.
Tabel 3: Structurerende keuzes uit Brief ‘Bodem en Water Sturend’
Koersnotitie Utrechts Programma Landelijk Gebied
49
Colofon Eindredactie Provincie Utrecht Vormgeving Vorm de Stad Mei 2023