Natuurdoelanalyse 127 Markiezaat.pdf
Tekst van het document
5.5.3.2
Voorkomen en verspreiding
De brandgans is in het Markiezaat waargenomen als slapende individuen en broedvogel, zie ook Figuur 5-15.
5.5.3.3
Trend
In Figuur 5-18 is de trend weergegeven voor de brandgans als watervogel in het Markiezaat. Voor de periode vanaf 1985 is de trend significante toename, >5% per jaar. De trend voor de laatste 12 jaar is geen trend aantoonbaar. Figuur 5-19 geeft de trend voor de brandgans als slaapplek binnen Markiezaat. Voor deze telling is nog geen trend aantoonbaar. In 2018/2019 bedroeg het seizoensgemiddelde 219 foeragerende individuen, gegevens uit 2019/2020 gaven 235 foeragerende individuen als seizoensgemiddelde. Daarmee wordt voldaan aan het seizoensgemiddelde van 130 individuen. In 2018/2019 bedroeg het seizoensgemiddelde 4032 slapende individuen, gegevens uit 2019/2020 gaven 1384 foeragerende individuen als seizoensgemiddelde. In 2021/2022 werden in de maanden december, januari en februari gemiddeld 1970 slapende individuen waargenomen (van Straalen et al., 2022). Deze slaapplaatsen zijn weergegeven in Figuur 5-15. Daarmee wordt ruim voldaan aan het seizoensgemiddelde van 130 individuen.
Figuur 5-18. Seizoensgemiddelde van de brandgans als niet-broedvogel in het Natura 2000-gebied Markiezaat. Het aantal in het totale Vogelrichtlijngebied is weergegeven (bron: https://stats.sovon.nl/stats/gebied/1000127, geraadpleegd augustus 2022).
66
NATUURDOELANALYSE
Figuur 5-19. Seizoensgemiddelde van brandgans als slaapplaats in het Natura 2000-gebied Markiezaat. Het aantal in het totale Vogelrichtlijngebied is weergegeven (bron: https://stats.sovon.nl/stats/gebied/1000127, geraadpleegd augustus 2022).
5.5.3.4
Omvang en kwaliteit leefgebied
Het profielendocument (Ministerie van LNV, 2008k) beschrijft de leefgebieden van de brandgans als volgt: “Brandganzen zijn planteneters en foerageren op diverse grassen, ook wel op blad, stengels of wortels van biezen of russen en andere kruidachtige planten. Hun lichaamsbouw en verteringssysteem is sterk aangepast aan eiwitrijke en goed verteerbare vegetatie. Bij grasland, kwelders en schorren heeft de brandgans voorkeur voor percelen die al afgegraasd zijn door bijvoorbeeld vee. Ze houden vooral van door schapen beweide percelen, omdat dat resulteert in een zeer korte en eiwitrijke grasmat. De brandgans benut vooral in najaar en voorjaar ook andere kwelderbegroeiingen. In agrarisch gebied foerageert de soort overwegend op intensief agrarisch cultuurgrasland, in oktober-november ook in toenemende mate op oogstafval van vooral suikerbieten. In de winter foerageert de brandgans plaatselijk ook op ingezaaid wintergraan; in het late voorjaar eveneens incidenteel op winter- en zomergraanpercelen. Dat gebeurt vooral indien door droogte en/of lage temperaturen, de ontwikkeling van de vegetatie op kwelders en schorren traag op gang komt.” Voor de brandgans geldt ook dat het Markiezaat verschillende biotopen als foerageergebied biedt. Er zijn zowel zones met moeras met riet als graslanden op de randen van het Markiezaat.
De graslanden in het Markiezaat worden jaarrond begraasd en lijken daarmee geschikt als afgegraasd perceel. Daarnaast liggen rond het Markiezaat nog landbouwpolders. Daarmee lijkt het Markiezaat te voldoen. Voor de slaapplaats is rust van groot belang. De brandgans is gevoelig voor diverse verstoringen. Verstoring door recreanten is in Markiezaat niet aan de orde. Wel is de soort gevoelig voor laagvliegende vliegtuigen en helikopters en houdt de soort ten opzichte van andere ganzen grotere afstand tot windmolens. Daarnaast kunnen windmolens en hoogspanningsleidingen een barrière vormen tussen foerageergebied en slaapplaats.
5.5.4
A050 Smient
De instandhoudingsdoelstelling van deze soort voor slaap- en rustplaats en foerageergebied is behoud van de omvang en kwaliteit leefgebied met een draagkracht voor een populatie van gemiddeld 1600 smienten (seizoensgemiddelde).
67
NATUURDOELANALYSE
5.5.4.1
Beschrijving smient
De volgende tekst is afkomstig uit het profieldocument voor deze soort (Ministerie van LNV, 2008): “De smient is een vrij kleine eenden soort die herkenbaar is aan een kastanjebruine kop met een goudgeel voorhoofd. In Nederland is de soort vooral in de winter aanwezig, maar kleine aantallen (hooguit enkele tientallen) broeden ook in Nederland. De wintervogels arriveren grotendeels in september en oktober, en zijn vooral afkomstig uit Scandinavië en Europees Rusland, in mindere mate ook van IJsland en de Britse Eilanden. De aantallen van de smient zijn in ons land het hoogst in de overwinteringsperiode van november t/m maart, in april zijn de meeste vogels weer vertrokken. De smient is een grondeleend die niet duikt en als zodanig gebonden is aan ondiepten, oeverzones en aangrenzende landerijen. In het eerste deel van het overwinteringsseizoen bevindt zich een relatief groot deel van de populatie in de zoute gebieden: de aantallen ‘pieken’ daar een maand eerder dan in de zoete gebieden.”
5.5.4.2
Voorkomen en verspreiding
De smient is op basis van beschikbare telgegevens via de NDFF alleen op kaart vastgesteld als broedvogel.
5.5.4.3
Trend
In Figuur 5-20 is de trend weergegeven voor de smient als watervogel in het Markiezaat. Vanaf 1983 tot nu is de trend significante afname, <5% per jaar. De trend voor de laatste 12 jaar is significante afname, >5% per jaar. Landelijk is tussen 1980 en 2019 een significante toename van <5% per jaar waargenomen (zie Figuur 5-21). De laatste twaalf jaar, echter, was er geen significante aantalsverandering. Zowel landelijk als in het Markiezaat is een piek waar te nemen in het gemiddelde aantal vogels in de jaren ‘90. Echter lijkt de initiële afname na die piek op landelijk niveau te stagneren, terwijl de afname in het Markiezaat doorzet. De oorzaak van deze afname is onbekend. Mogelijke verklaring is dat lang aanhoudende strenge vorst (waardoor groot deel van binnenwateren dichtvriest) en langdurige sneeuwval (wat voedsel voor smienten onbereikbaar maken) kan erin resulteren dat smienten wegtrekken richting Frankrijk of Engeland (Zomerdijk 2011, Tanger 2020). Milder winterweer kan tevens van invloed zijn op het voorkomen van smienten in Nederland, aangezien het vogels mogelijk maakt om dichter bij de broedgebieden te overwinteren (Hornman, 2020). Ook vogelgriep speelt als factor mee in trends van de smient. Deze groep wordt nogal eens hard geraakt door ziektegevallen.
In 2018/2019 bedroeg het seizoensgemiddelde 293 slapende/foeragerende individuen, gegevens uit 2019/2020 gaven 271 slapende/foeragerende individuen als seizoensgemiddelde. Daarmee wordt niet voldaan aan het seizoensgemiddelde van 1600 individuen.
68
NATUURDOELANALYSE
Figuur 5-20. Seizoensgemiddelde van de smient in het Markiezaat in de periode 1975 – 2019. Deze grafiek is gebaseerd op het Meetnet Watervogels (seizoen juli t/m juni). Weergegeven is het seizoensgemiddelde (rode punten), de trendlijn (donkerblauwe lijn) en het 95% betrouwbaarheidsinterval van de trendlijn (lichtblauwe lijn). De groene lijn geeft de instandhoudingsdoelstelling voor de soort weer en de oranje lijn geeft het gemiddelde over de laatste vijf seizoenen weer (bron: https://stats.sovon.nl/stats/gebied/1000127, geraadpleegd op 08-06-2022).
Figuur 5-21. Seizoensgemiddelde van de smient in Nederland in de periode 1975 – 2019. Deze grafiek is gebaseerd op het Meetnet Watervogels (seizoen juli t/m juni). Weergegeven is het seizoensgemiddelde (rode punten), de trendlijn (donkerblauwe lijn) en het 95% betrouwbaarheidsinterval van de trendlijn (lichtblauwe lijn). De groene lijn geeft de instandhoudingsdoelstelling voor de soort weer en de oranje lijn geeft het gemiddelde over de laatste vijf seizoenen weer (bron: https://stats.sovon.nl/stats/soorten, geraadpleegd op 08-06-2022).
69
NATUURDOELANALYSE
5.5.4.4
Omvang en kwaliteit leefgebied
Het profielendocument (Ministerie van LNV, 2008k) beschrijft de leefgebieden van de smient als volgt: “De smienten verblijven in estuaria, ‘wetlands’ en graslanden die in de nabijheid van vaarten, plassen en meren liggen. Vooral in het eerste deel van het najaar/winterseizoen is hij veel te zien in estuaria en getijdengebieden. Daarna zoekt de soort steeds meer het open agrarische gebied in het binnenland op. Smienten rusten daar overdag op vaarten, plassen en meren, en vliegen dan ‘s avonds bij het invallen van de duisternis naar de voedselgebieden in cultuurgrasland. Rustplaatsen en voedselgebieden liggen soms wel op 10 km afstand van elkaar, mogelijk ook verder. Overdag foerageert een deel van de vogels ook in de directe nabijheid van de rustplaats (taluds, oevers, aangrenzende percelen). Smienten zijn planteneters die op een grote verscheidenheid aan planten, zaden en wortels kunnen foerageren. Aan de kust behoren diverse algensoorten tot het menu, in het binnenland wordt veel gras gegeten. In estuaria en getijdengebieden zoeken ze deels aquatisch voedsel zoals groenwieren of zeegras (indien beschikbaar). Op kwelders en schorren eten ze de zaden van o.a. zeekraal.” Voor de smient geldt ook dat het Markiezaat verschillende biotopen als foerageergebied biedt. Er zijn zowel zones met moeras met riet, graslanden, onderwater vegetatie en schorren met pioniervegetatie.
Daarnaast liggen rond het Markiezaat nog landbouwpolders. Daarmee lijkt het Markiezaat te voldoen. De smient is gevoelig voor verstoring door vooral recreatie. Verstoring door recreanten is in Markiezaat niet aan de orde. Daarnaast kunnen windmolens en hoogspanningsleidingen een barrière vormen tussen foerageergebied en slaapplaats.
5.6
Huidige situatie en trend niet-broedvogels – vogels van de slikken
5.6.1
A048 Bergeend
De instandhoudingsdoelstelling van deze soort voor foerageergebied is behoud van de omvang en kwaliteit leefgebied met een draagkracht voor een populatie van gemiddeld 250 bergeenden (seizoensgemiddelde).
5.6.1.1
Beschrijving bergeend
De volgende tekst is afkomstig uit het profieldocument voor deze soort (Ministerie van LNV, 2008): “De bergeend is een vrij grote, gansachtige eend en opvallend bontgekleurd. In Nederland is de soort het gehele jaar door aanwezig. De bergeend broedt in heel laag Nederland (inclusief het rivierengebied) met ca. 11.000 paar (1998-2000). Na de broedtijd vertoont de bergeend sterke trek naar de concentraties van ruiende vogels, waarbij vogels uit geheel NWEuropa zich traditioneel voor de rui verzamelen in de Duitse Waddenzee. De Nederlandse aantallen zijn daardoor in augustus (nog steeds) minimaal. Tegenwoordig verzamelen zich echter steeds meer bergeenden (recent meer dan tienduizend) ook in ruiconcentraties in de Nederlandse Waddenzee en in de Zoute Delta. De landelijke aantallen van de bergeend zijn in de zogenoemde ‘monitoringsgebieden’ waar de vogelstand gevolgd wordt, het grootst in oktober en november. Dan keren de Nederlandse broedvogels na de rui terug uit de Duitse Waddenzee en arriveren vogels uit o.a. Zweden, Denemarken, Duitsland en Polen om hier te overwinteren. De bergeend is een kustvogel die niet duikt, maar grondelend, zwemmend of lopend foerageert in ondiep water en op slikvlakten. Karakteristiek is een heen en weer zwaaiende halsbeweging waarbij de toplaag van het slib wordt uitgezeefd.”
5.6.1.2
Voorkomen en verspreiding
De bergeend is in het Markiezaat zowel op het water als op de oever waargenomen.
5.6.1.3
Trend
Figuur 5-22 geeft trend voor de bergeend als watervogel in het Markiezaat. Voor de periode vanaf 1983 geldt een significante afname, <5% per jaar. De trend voor de laatste 12 jaar is geen significante aantalsverandering. In de jaren ’80 werd het Markiezaat van de Oosterschelde gescheiden, waardoor directe invloeden van het getij en zoutwater verdwenen (zie paragraaf 3.3). Het verdwijnen zoet-zoute overgangszones en de dynamiek heeft waarschijnlijk invloed gehad op de biodiversiteit van onder andere het bodemleven in het Natura 2000-gebied. De bergeend is voor voedsel afhankelijk van voedselrijk slik en eet onder andere kleine schelpdieren, slakjes en garnalen (Vogelbescherming, z.d.-d). De afsluiting van het Markiezaat van de Oosterschelde zou daarom een verklaring kunnen zijn van de afname van de soort in het Markiezaat. 70
NATUURDOELANALYSE
In 2018/2019 bedroeg het seizoensgemiddelde 55 individuen, gegevens uit 2019/2020 gaven 259 foeragerende individuen als seizoensgemiddelde. Daarmee wordt in 2020 voldaan aan het seizoensgemiddelde van 250 individuen. Deze voorlopig incidentele stijging is niet te verklaren en onduidelijk is of hier mogelijk sprake is van een trendbreuk.
Figuur 5-22. Seizoensgemiddelde van de bergeend als niet-broedvogel in het Natura 2000-gebied Markiezaat. Het aantal in het totale Vogelrichtlijngebied is weergegeven (bron: https://stats.sovon.nl/stats/gebied/1000127, geraadpleegd augustus 2022).
5.6.1.4
Omvang en kwaliteit leefgebied
Het profielendocument (Ministerie van LNV, 2008k) beschrijft de leefgebieden van de bergeend (foerageergebied) als volgt: “De bergeend leeft voornamelijk in zoute wateren in estuaria en waddengebieden. De aanwezigheid in zoet water is beperkt tot grotere ‘wetlands’ (IJsselmeer, Oostvaardersplassen, Randmeren). De soort is slechts incidenteel te zien in andere wateren. De bergeend foerageert bij voorkeur in zacht sediment of slikken met een dun laagje water. De bergeend volgt in het getijdengebied min of meer het getijdenritme, maar concentreert zich nauwelijks op hoogwatervluchtplaatsen en foerageert ook bij vloed. De soort houdt er specifieke gebieden op na om de vleugelrui door te maken, in Nederland is dat vooral in de westelijke Waddenzee en in de Westerschelde.” In het Markiezaat zijn in de oeverzones zacht sediment of slikken aanwezig om te kunnen foerageren op bodemdieren. In hoeverre die bodemdieren nog voorkomen in het brakke milieu ondanks de afsluiting met de zee is niet duidelijk. Bergeenden zijn gevoelig voor recreatie. Dit is binnen het Markiezaat geen knelpunt doordat dit gebied niet toegankelijk is voor recreatie.
5.6.2
A132 Kluut
De instandhoudingsdoelstelling van deze soort voor foerageergebied is behoud van de omvang en kwaliteit leefgebied met een draagkracht voor een populatie van gemiddeld 140 kluten (seizoensgemiddelde). 71
NATUURDOELANALYSE
5.6.2.1
Beschrijving kluut
De volgende tekst is afkomstig uit het profieldocument voor deze soort (Ministerie van LNV, 2008): ”De kluut is een ranke gracieuze zwart-wit getekende waadvogel met een opvallend opgewipte snavel. Kenmerkend is de maaiende beweging van de snavel bij het voedsel verzamelen terwijl de vogel door ondiep water waadt. De soort is een steltloper van schaars begroeide terreinen nabij ondiepe (vooral zoute) wateren met een zachte slibrijke bodem. Bij de kluut worden geen ondersoorten onderscheiden. De broedgebieden liggen in de gematigde en warme klimaatzones van de oude wereld, in West-Europa, het Middellandse Zeegebied en Zuidoost-Europa, het Midden-Oosten en OostAfrika, Centraal (Oost-) Azië en Zuid-Afrika. De West-Europese vogels overwinteren in de Oost-Atlantische kustgebieden, zuidelijk tot in Mauritanië, Senegal en Gambia. De Nederlandse populatie overwintert in ZuidwestEuropa en Noord-Afrika. Buiten de broedtijd treden concentraties van kluten op in de slibrijke delen van intergetijdengebieden.”
5.6.2.2
Voorkomen en verspreiding
De kluut is in het Markiezaat vooral rond de oeverzones waargenomen.
5.6.2.3
Trend
Figuur 5-23 geeft de trend voor de kluut als niet-broedvogel in Markiezaat. Te zien is dat na 2015 geen nieuwe gegevens meer zijn verwerkt in de tabel. Vanaf 1986 is de trend een significante afname, <5% per jaar. Voor de laatste twaalf jaar is dit een significante afname, >5% per jaar, waarbij dus rekening gehouden dient te worden met dat van de afgelopen zeven jaar geen nieuwe gegevens beschikbaar zijn. Landelijk heeft tussen 1980 en 2019 geen significante aantalsverandering van de kluut als niet-broedvogel plaatsgevonden. De laatste twaalf jaar is daarentegen een significante afname van <5% gemeten. Het onderzoek naar de trend van kluten in Nederland focust zich met name op de kluut als broedvogel. De precieze oorzaak voor de achteruitgang van de kluut als niet-broedvogel in Nederland is dus niet bekend. In de jaren ’80 werd het Markiezaat van de Oosterschelde gescheiden, waardoor directe invloeden van het getij en zoutwater verdwenen (zie paragraaf 3.3). Het verdwijnen zoet-zoute overgangszones en de dynamiek heeft waarschijnlijk invloed gehad op de biodiversiteit van onder andere het bodemleven in het Natura 2000-gebied. Ook zorgt het gebrek aan dynamiek voor een snellere successie van vegetatie. De kluut haalt vaak voedsel vaak uit het slik.
Daarnaast is het een soort die alleen voorkomt bij korte vegetaties en verdwijnt de kluut wanneer successie van vegetatie optreedt (Vogelbescherming, z.d.-c). De afsluiting van het Markiezaat van de Oosterschelde is daarom een zeer aannemelijke verklaring voor de afname van de soort in het Markiezaat. Verder zijn bedreigingen voor overwinteringsgebieden in heel Europa onder andere landaanwinning, vervuiling en verstoring. Daarnaast zijn kluten gevoelig voor botulisme en vogelgriep (Vogelbescherming, z.d.-c). Het is niet bekend of deze problemen ook spelen bij de kluten in het Markiezaat. Daarnaast is de wintertrek van vogels sterk onder invloed staat van klimaateffecten (NIOZ, PRW & Vogelbescherming Nederland, 2020). Van de laatste jaren zijn ook geen actuele gegevens beschikbaar. Onduidelijk is daarmee of wordt voldaan aan het seizoensgemiddelde van 140 individuen.
72
NATUURDOELANALYSE
Figuur 5-23. Seizoensgemiddelde van de kluut in het Markiezaat als wintergast in de periode 1975 – 2016. Deze grafiek is gebaseerd op het Meetnet Watervogels (seizoen juli t/m juni). Weergegeven is het seizoensgemiddelde (rode punten), de trendlijn (donkerblauwe lijn) en het 95% betrouwbaarheidsinterval van de trendlijn (lichtblauwe lijn). De groene lijn geeft de instandhoudingsdoelstelling voor de soort weer en de oranje lijn geeft het gemiddelde over de laatste vijf seizoenen weer (bron: https://stats.sovon.nl/stats/gebied/1000127, geraadpleegd op 08-06-2022).
Figuur 5-24. Seizoensgemiddelde van de kluut in het Nederland als wintergast in de periode 1975 – 2019. Deze grafiek is gebaseerd op het Meetnet Watervogels (seizoen juli t/m juni). Weergegeven is het seizoensgemiddelde (rode punten), de trendlijn (donkerblauwe lijn) en het 95% betrouwbaarheidsinterval van de trendlijn (lichtblauwe lijn). De groene lijn geeft de instandhoudingsdoelstelling voor de soort weer en de oranje lijn geeft het gemiddelde over de laatste vijf seizoenen weer (bron: https://stats.sovon.nl/stats/soorten, geraadpleegd op 08-06-2022).
73
NATUURDOELANALYSE
5.6.2.4
Omvang en kwaliteit leefgebied
Het profielendocument (Ministerie van LNV, 2008k) beschrijft de leefgebieden van de kluut (niet-broedvogel) als volgt: “Het voorkomen van doortrekkers, nazomerpleisteraars (inclusief ruiende vogels) en overwinteraars van de kluut is gebonden aan getijdengebieden en in mindere mate aan grote moerasgebieden (Oostvaardersplassen). De voedselbiotoop zijn slibrijke intergetijdenplaten, de oevers van kreken of prielen en gebieden met 0-15 cm diep water in getijdengebieden en in zoetwatermoerassen, bijvoorbeeld inlagen en grote moerasgebieden. Kluten zoeken bij voorkeur voedsel op kleiige slikken (met een lutumgehalte van meer dan 17%). Gebieden met zandige bodems worden niet gemeden maar zijn minder goede voedselgebieden voor de kluten omdat de soort hier met de kenmerkende voedingstechniek niet uit de voeten kan (maaiende bewegingen in de bovenste water- en bodemlaag). In de ruitijd verzamelen de kluten zich op slibrijke intergetijdenplaten zoals die voorkomen in de kwelderwerken en in de Dollard, of in grote ondiepe, vaak beschutte wateren. De rustbiotoop bestaat uit ondiep water. In getijdegebieden bepalen eb en vloedritme de dagindeling, de vogels ‘overtijen’ dan op speciale hoogwatervluchtplaatsen. Buitendijks rusten kluten tijdens de hoogwaterperioden vooral in grote groepen langs randen van kwelders.
De hoogwatervluchtplaatsen zijn meestal in ondiep water vóór de rand van bijv. kwelders gelegen, na stormvloeden of regenval gebruiken de kluten daarvoor ook ondiepe poelen en plassen op de kwelder zelf. Binnendijks rusten de kluten in inlagen en open moerassen. Specifieke slaapplaatsen worden in het binnenland niet gebruikt. In het binnenland rusten kluten soms in voor- en najaar ook op vloeivelden en grotere wateren, indien het water 0-15 cm diep is of er slikkige strandjes aanwezig zijn (vaak in beschutte bochten). De kluut brengt de ruitijd in de nazomer deels in grote concentraties in optimaal voedselrijk habitat door (in Nederland vooral in de Dollard). In zoetwatermoerassen kunnen voedselgebieden voor de kluut verdwijnen door een verhoging of verlaging van het waterpeil waarbij slikken onbereikbaar worden of uitdrogen. De soort verblijft slechts in enkele gebieden in Nederland tijdens de rui en die plaatsen kunnen ongeschikt worden door kunstmatige ingrepen zoals de Deltawerken. Waterpeilveranderingen kunnen grote gevolgen hebben voor de soort. Het aantal kluten is in zoetwatermoerassen sterk afhankelijk van het waterpeil; grote aantallen treden alleen op bij waterstanden die het voedsel zoeken mogelijk maken. Verder zijn kluten gevoelig voor botulisme (een ziekte), en voor verstoring van vliegroutes door hoge bouwwerken, zoals hoogspanningsleidingen en windmolens.
Het is mogelijk dat de soort ook gevoelig is voor landschappelijke veranderingen in getijdengebieden door werkzaamheden en ingrepen. Zo heeft bijvoorbeeld het verlies van slikken en schorren door de erosie die optrad na de aanleg van de stormvloedkering in de Oosterschelde waarschijnlijk invloed op de populatie gehad. Gevoeligheid van de kluut voor klimaatsveranderingen is ook mogelijk, in verband met een zeespiegelrijzing en verlies van kleiige slikken. Effecten van gaswinning en bodemdaling door gaswinning in het kustgebied zijn bij de kluut niet te verwachten maar de ontwikkelingen dienen goed te worden gevolgd. Ook veranderende omstandigheden in de buitenlandse overwinterings- en doortrekgebieden (door landaanwinningswerken, vervuiling of jacht) beïnvloeden de klutenpopulatie.” Binnen het Markiezaat zijn zandplaten aanwezig, die dus minder geschikt zijn als foerageergebied, maar ook meer kleiige slikken. In hoeverre er kwantitatief voldoende foerageergebied voor de kluut is, is onduidelijk. Door de aanleg van de Markiezaatkade is de dynamiek verdwenen en is een groter landschap van slikken en schorren verloren gegaan. Het is daarmee de vraag in hoeverre Markiezaat nog geschikt is als foerageergebied voor de kluut. De kluut is een vogel die snel verstoord raakt door o.a. recreanten maar ook door laagvliegende vliegtuigen of helikopters.
Verstoring door betreding van de mens in Markiezaat is zeer beperkt doordat het gebied niet toegankelijk is. Maar laagvliegend materieel van de Luchtmachtbasis vormt mogelijk wel een knelpunt. Daarnaast kunnen windmolens en hoogspanningslijnen verstorend werken op vliegroutes tussen broedlocatie en foerageergebied.
5.6.3
A137 Bontbekplevier
De instandhoudingsdoelstelling van deze soort voor slaap- en rustplaats is behoud van de omvang en kwaliteit leefgebied met een draagkracht voor een populatie van gemiddeld 360 bontbekplevieren (seizoensmaximum).
5.6.3.1
Beschrijving bontbekplevier
De volgende tekst is afkomstig uit het profieldocument voor deze soort (Ministerie van LNV, 2008): “De bontbekplevier is één klein steltlopertje dat nestelt op schaars begroeide plekken, meestal in kustgebieden. De broedgebieden liggen langs de kusten van de gematigde noordelijke klimaatzones van Noordwest-Europa (ondersoort hiaticula), in de arctische zone van Noordoost-Europa en Aziatisch Rusland (tundrae) en in Noordoost-Canada, Groenland, IJsland en op de Faroer eilanden (psammodroma). De Nederlandse broedvogels behoren tot de ondersoort hiaticula, die overwintert in West-Europa, het Middellandse Zeegebied en in Noord-Afrika. De in Nederland broedende bontbekplevieren overwinteren merendeels in Afrika. 74
NATUURDOELANALYSE
Niet-broedvogels van zowel deze ondersoort als van de ondersoort tundrae en mogelijk ook psammodroma trekken door Nederland in augustus en september. In het voorjaar zijn doorgaans twee doortrekpieken in ons land te onderscheiden. In maart passeren bontbekplevieren van de ondersoort hiaticula. In mei trekken de noordelijke bontbekplevieren door ons land die in West-Afrika hebben overwinterd, het kunnen dan vogels van de twee ondersoorten tundrae en psammodroma zijn. In de winter zijn de aantallen bontbekplevieren in Nederland laag.”
5.6.3.2
Voorkomen en verspreiding
De bontbekplevier is in het Markiezaat vooral rond de oeverzones waargenomen.
5.6.3.3
Trend
In Figuur 5-25 is de trend weergegeven voor de bontbekplevier als watervogel in het Markiezaat. Voor zowel de laatste 12 jaar als vanaf 1994 heeft een significante afname van >5% per jaar plaatsgevonden. Landelijk is over dezelfde periodes echter een significante toename van <5% gemeten, zie Figuur 5-26. Onderzoek naar de trend van bontbekplevieren in Nederland is met name gefocust op de bontbekplevier als broedvogel. De oorzaken van de landelijke toename van de soort als wintergast en van de afname van de soort als wintergast in het Markiezaat is daardoor niet bekend. Zoals ook bij andere vogels van de slikken is beschreven, kan de scheiding van het Markiezaat en de Oosterschelde in de jaren ’80 (zie paragraaf 3.3) mogelijk een oorzaak zijn van de afname van de soort als wintergast in het gebied. Deze afsluiting heeft geleid tot het verdwijnen van zoet-zoute overgangszones en dynamiek. Dit heeft waarschijnlijk invloed gehad op de biodiversiteit van onder andere het bodemleven in het Natura 2000-gebied. Ook zorgt het gebrek aan dynamiek en mogelijk stikstofdepositie voor een snellere successie van vegetatie. De bontbekplevier leeft van ongewervelde dieren uit slik. Daarnaast is het een soort die alleen voorkomt bij korte vegetaties en verdwijnt de bontbekplevier wanneer successie van vegetatie optreedt (Vogelbescherming, z.d.-e).
De afsluiting van het Markiezaat van de Oosterschelde zou daarom een verklaring kunnen zijn van de afname van de soort in het Markiezaat. Ook is bekend dat de wintertrek van vogels sterk onder invloed staat van klimaateffecten (NIOZ, PRW & Vogelbescherming Nederland, 2020). Klimaatverandering kan dus ervoor zorgen dat de bontbekplevier minder vaak langs het Markiezaat trekt ’s winters. In 2018/2019 bedroeg het seizoensmaximum 60 individuen, gegevens uit 2019/2020 gaven 46 individuen als seizoensmaximum. Daarmee wordt in 2020 niet voldaan aan het seizoensmaximum van 360 individuen. .
75
NATUURDOELANALYSE
Figuur 5-25. Seizoensgemiddelde van de bontbekplevier als niet-broedvogel in het Natura 2000-gebied Markiezaat. Weergegeven is het seizoensmaximum (rode punten), de trendlijn (donkerblauwe lijn) en het 95% betrouwbaarheidsinterval van de trendlijn (lichtblauwe lijn). In groen wordt de instandshoudingsdoelstelling voor de soort weergegeven. De oranje lijn geeft het gemiddelde over de laatste vijf seizoenen (bron: https://stats.sovon.nl/stats/gebied/1000127, geraadpleegd op 24-10-2022).
Figuur 5-26. Seizoensgemiddelde van de bontbekplevier als niet-broedvogel in Nederland in de periode 1975-2019. Deze grafiek is gebaseerd op het Meetnet Watervogels (seizoen juli t/m juni). Weergegeven is het seizoensgemiddelde (rode punten), de trendlijn (donkerblauwe lijn) en het 95% betrouwbaarheidsinterval van de trendlijn (lichtblauwe lijn) (bron: https://stats.sovon.nl/stats/soorten, geraadpleegd op 24-10-2022).
76
NATUURDOELANALYSE
5.6.3.4
Omvang en kwaliteit leefgebied
Het profielendocument (Ministerie van LNV, 2008k) beschrijft de leefgebieden van de bontbekplevier (niet-broedvogel) als volgt: “De bontbekplevier is sterk gebonden aan intergetijdengebieden. De meeste vogels volgen het getijdenritme, al foerageert een deel van de vogels ook op de rustplaatsen tijdens hoogwater. Een beperkt aantal doortrekkers van de bontbekplevier maakt gebruik van in het binnenland gelegen ‘wetlands’. De voedselbiotopen van de bontbekplevier zijn de drooggevallen vaak zandige getijdenplaten waarbij de voorkeur uitgaat naar harde bodems in het wad met veel darmwier (Enteromorpha). Bontbekplevieren zoeken hun voedsel veelal hoog op de getijdenplaten, vaak dicht tegen de kwelders en schorren aan. Favoriete voedselgebieden zijn hoger gelegen delen van zandplaten op korte afstand van de hoogwatervluchtplaatsen. Tijdens hoog water ziet men bontbekplevieren vaak ook foeragerend op de kwelders en schorren. Binnendijks zoeken bontbekplevieren voedsel op zandige oevers en drooggevallen slikken in bijvoorbeeld moerassen, op ondergelopen bollenvelden en in inlagen. De rustbiotopen of gezamenlijke hoogwatervluchtplaatsen zijn gelegen op zandplaten, stranden, maar ook op kwelders en schorren en binnendijks in inlagen of op kale akkers. Op akkers ziet men bontbekplevieren vooral tijdens stormvloed. Hoogwatervluchtplaatsen kenmerken zich door geringe vegetatiebedekking.
Voedselgebieden kunnen verloren gaan door landschappelijke veranderingen in getijdengebieden ten gevolge van werkzaamheden en ingrepen waarbij verlies van slikken en schorren optreedt zoals na de aanleg van de stormvloedkering in de Oosterschelde. Ook baggeractiviteiten en klimaatsveranderingen (met zeespiegelrijzing) kunnen het leefgebied van de bontbekplevier aantasten. Hindernissen zoals bijv. windmolenparken kunnen het op en neer vliegen tussen voedselgebied en hoogwatervluchtplaats belemmeren.” Het Markiezaat betreft een brakmilieu, maar is wel een geschikte hoogwatervluchtplaats voor o.a. de bontbekplevier. De bontbekplevier lijkt voor het foerageergebied afhankelijk van een dynamisch biotoop met droogvallende platen. Binnen Markiezaat is dit dynamische biotoop verdwenen door de afsluiting van de zee. Daarmee is ook onduidelijk in hoeverre er nog kleine insecten en kreeftachtige in de bodem zitten om op te foerageren. De bontbekplevier is gemiddeld gevoelig voor verstoring, maar wel zeer gevoelig voor verstoring van zijn leefgebied. Potentiële leefgebieden worden niet gebruikt vanwege recreatieve druk. Dit is in het Markiezaat niet aan de orde doordat het gebied niet toegankelijk is en daarmee geen knelpunt. Wel kunnen hoogspanningsmasten en windmolens een belemmering zijn voor vluchten tussen broedlocatie en foerageergebied.
5.6.4
A141 Zilverplevier
De instandhoudingsdoelstelling van deze soort voor slaap- en rustplaats is behoud van de omvang en kwaliteit leefgebied met een draagkracht voor een populatie van gemiddeld 1300 zilverplevieren (seizoensmaximum).
5.6.4.1
Beschrijving zilverplevier
De volgende tekst is afkomstig uit het profieldocument voor deze soort (Ministerie van LNV, 2008): “De zilverplevier is een steltloper die broedt in de hoogarctische toendra’s van Rusland, Alaska en Canada. De soort wordt in Nederland alleen aangetroffen als doortrekker en als overwinteraar in kleine tot middelgrote aantallen, het meest in intergetijdengebieden. Hij overwintert langs de zeekusten, in gematigde en tropische klimaatzones over de hele wereld.”
5.6.4.2
Voorkomen en verspreiding
Voor de zilverplevier zijn geen verspreidingsgegevens beschikbaar voor het Markiezaat. Op basis van de beschikbare telgegevens in de NDFF kan geen specifiek beeld verkregen worden van de verspreiding van de zilverplevier.
5.6.4.3
Trend
In Figuur 5-27 is de trend voor de zilverplevier als niet-broedvogel weergegeven. Vanaf 1994 is er geen trend aantoonbaar. De trend voor de laatste 12 jaar betreft een significante afname van <5% per jaar. Landelijk is vanaf 1980 een significante toename van <5% gemeten van de zilverplevier als niet-broedvogel, zie Figuur 5-28. De afgelopen twaalf jaar is geen significante aantalsverandering gemeten. Onderzoek naar de trend van zilverplevieren in Nederland is met name gefocust op de zilverplevier als broedvogel. De oorzaken van de landelijke toename van de soort als wintergast en van de afname van de soort als wintergast in het Markiezaat is daardoor niet bekend. 77
NATUURDOELANALYSE
De zilverplevier komt in Nederland vooral voor in getijdengebieden en leeft in de winter van ongewervelden uit de boden, zoals zeepieren, wadslakjes en garnalen (Vogelbescherming, z.d.-f). Zoals ook bij andere vogels van de slikken is beschreven, kan de scheiding van het Markiezaat en de Oosterschelde in de jaren ’80 (zie paragraaf 3.3) mogelijk een oorzaak zijn van de afname van de soort als wintergast in het gebied. Deze afsluiting heeft geleid tot het verdwijnen van zoet-zoute overgangszones en dynamiek. Dit heeft waarschijnlijk invloed gehad op de biodiversiteit van onder andere het bodemleven in het Natura 2000-gebied en daarmee het voedselaanbod van de zilverplevier. Ook is bekend dat de wintertrek van vogels sterk onder invloed staat van klimaateffecten (NIOZ, PRW & Vogelbescherming Nederland, 2020). Klimaatverandering kan dus ervoor zorgen dat de zilverplevier minder vaak langs het Markiezaat trekt in de winter. Daarnaast speelt dat de landelijke toename vooral wordt veroorzaakt door een positieve ontwikkeling in de Waddenzee, in de zoute Delta zijn de aantallen op de lange termijn stabiel. Mogelijk dat gunstige voedselomstandigheden in de Waddenzee voor wormeneters als de Zilverplevier hieraan ten grondslag.
In 2017/2018 en 2018/2019 bedroegen de seizoensmaxima respectievelijk 1060 en 575 individuen, gegevens uit 2019/2020 geven echter aan dat er toen geen individuen zijn waargenomen. Daarmee wordt niet voldaan aan het seizoensmaximum van 1300 individuen.
Figuur 5-27. Seizoensgemiddelde van de zilverplevier als niet-broedvogel in het Natura 2000-gebied Markiezaat. Deze grafiek is gebaseerd op het Meetnet Watervogels (seizoen juli t/m juni). Weergegeven is het seizoensmaximum (rode punten), de trendlijn (donkerblauwe lijn) en het 95% betrouwbaarheidsinterval van de trendlijn (lichtblauwe lijn). In groen wordt de instandshoudingsdoelstelling voor de soort weergegeven. De oranje lijn geeft het gemiddelde over de laatste vijf seizoenen (bron: https://stats.sovon.nl/stats/gebied/1000127, geraadpleegd op 24-10-2022).
78
NATUURDOELANALYSE
Figuur 5-28. Seizoensgemiddelde van de zilverplevier als niet-broedvogel in Nederland. Deze grafiek is gebaseerd op het Meetnet Watervogels (seizoen juli t/m juni). Weergegeven is het seizoensgemiddelde (rode punten), de trendlijn (donkerblauwe lijn) en het 95% betrouwbaarheidsinterval van de trendlijn (lichtblauwe lijn) (bron: https://stats.sovon.nl/stats/soorten, geraadpleegd op 24-102022).
5.6.4.4
Omvang en kwaliteit leefgebied
Het profielendocument (Ministerie van LNV, 2008k) beschrijft de leefgebieden van de zilverplevier (niet-broedvogel) als volgt: “De rui-, doortrek- en overwinteringsgebieden van de zilverplevier zijn vrijwel uitsluitend zoutwatermilieus. Tijdens de trek komt de soort soms voor in grotere zoetwatersystemen in het binnenland. De zilverplevier zoekt zijn voedsel op drooggevallen getijdenplaten, die kunnen zowel slibrijk als zandig zijn. De soort gebruikt gemeenschappelijke hoogwatervluchtplaatsen in open, vlakke en schaars begroeide terreinen nabij de voedselbiotoop. Hij neemt dan zijn toevlucht tot bijvoorbeeld kwelders en schorren, zandplaten, stranden en inlagen, soms strijkt hij ook massaal neer op dammen van landaanwinningswerken. Bij stormvloeden wacht hij ook op binnendijkse schaars begroeide akkers het zakken van water af. De zilverplevier foerageert voornamelijk als eenling of in kleine groepjes van hooguit 30 individuen. Sommige zilverplevieren verdedigen langdurig een winter-territorium op het wad.” Het Markiezaat betreft een brakmilieu, maar is wel een geschikte hoogwatervluchtplaats voor o.a. zilverplevier. Het beschreven foerageergebied is in beperkte mate ook beschikbaar binnen het Markiezaat, echter doordat de getijdenplaten niet dagelijks droogvallen, is niet duidelijk wat dat betekent voor de zilverplevier.
Verder foerageert de soort vooral op zeeduizendpoten en andere soorten wormen en slakken. In hoeverre die nog aanwezig zijn in het Markiezaat is niet bekend. De zilverplevier is gevoelig voor verstoring door o.a. recreanten met boten, wandelaars of watersporters. Dit is binnen het Markiezaat geen knelpunt door het ontbreken van toegang voor recreanten. Verder is de zilverplevier ook gevoelig voor vliegverkeer, waarvan sprake kan zijn vanuit de luchtmachtbasis. In hoeverre windmolenparken een barrière vormen tussen foerageergebied en rustgebied is niet duidelijk, maar dit kan mogelijk aan de orde zijn binnen Markiezaat.
79
NATUURDOELANALYSE
5.6.5
A143 Kanoetstrandloper
De instandhoudingsdoelstelling van deze soort voor slaap- en rustplaats is behoud van de omvang en kwaliteit leefgebied met een draagkracht voor een populatie van gemiddeld 1600 kanoetstrandlopers (seizoensmaximum).
5.6.5.1
Beschrijving kanoetstrandloper
De volgende tekst is afkomstig uit het profieldocument voor deze soort (Ministerie van LNV, 2008): “De kanoet is een steltloper die broedt in de hoogarctische toendra’s van Siberië, Alaska, Canada en Groenland. In Nederland zijn twee populaties van kanoeten tijdelijk aanwezig. De ene populatie (ondersoort Calidris canutus canutus) trekt in de nazomer door ons land als ze van het broedgebied in centraal Siberië naar de overwinteringsgebieden in West-Afrika vliegt. Bij de terugkeer in omgekeerde richting in het voorjaar pleistert deze populatie maar nauwelijks binnen onze landsgrenzen en wordt alleen een (zeer snelle) doortrek van langsvliegende vogels vastgesteld. De andere populatie (ondersoort Calidris canutus islandica) broedt in Noord-Canada en Groenland en is van de nazomer tot in mei in ons land om (langdurig) te ‘overwinteren’. Kanoeten zijn in ons land alleen te vinden in kustgebieden. Ze vertonen voorkeur voor grote open wadlandschappen en vormen vaak grote concentraties. Op sommige plaatsen, bijv. op Griend, de Richel en Vliehors en het Balgzand, vormen kanoeten groepen van tienduizenden vogels.”
5.6.5.2
Voorkomen en verspreiding
Voor de kanoetstrandloper zijn geen verspreidingsgegevens beschikbaar voor het Markiezaat. Op basis van de beschikbare telgegevens in de NDFF kan geen specifiek beeld verkregen worden van de verspreiding van de kanoetstrandloper.
5.6.5.3
Trend
In Figuur 5-29 is de trend weergegeven voor de kanoetstrandloper als niet-broedvogel in het Markiezaat. Voor zowel de laatste 12 jaar is geen trend aantoonbaar. Vanaf 1994 is de trend significante afname, >5% per jaar. Landelijk is vanaf 1980 een significante toename <5% van het aantal kanoetstrandlopers als niet-broedvogel gemeten, zie Figuur 5-29. De laatste twaalf jaar is geen significante aantalsverandering waargenomen. Omdat er geen gegevens van het seizoensgemiddelde van de vogel in het Markiezaat van voor 1994 zijn, is niet vast te stellen of de aanwezigheid van de vogel is afgenomen in het gebied, of dat de soort er altijd al nauwelijks voorkwam. Het verschil tussen de trend in het Markiezaat en de landelijke trend is daardoor niet te verklaren. Wel is het bekend dat de soort in de winter met name kleine schaaldieren eet (Vogelbescherming, z.d.-g). Het is dus aannemelijk dat deze vogelsoort, net als andere vogels van de slikken, problemen ondervindt van de scheiding van het Markiezaat en de Oosterschelde, waarbij de natuurlijke dynamiek en zoet-zoute overgangszones grotendeels zijn verdwenen. Ook is bekend dat de wintertrek van vogels sterk onder invloed staat van klimaateffecten (NIOZ, PRW & Vogelbescherming Nederland, 2020). Klimaatverandering kan dus ervoor zorgen dat de kanoetstrandloper minder vaak langs het Markiezaat trekt ’s winters.
In 2017/2018 en 2018/2019 bedroegen de seizoensmaxima respectievelijk 315 en 1 individu(en), gegevens uit 2019/2020 geven echter aan dat er toen 0 individuen zijn waargenomen. Daarmee wordt niet voldaan aan het seizoensmaximum van 1600 individuen.
80
NATUURDOELANALYSE
Figuur 5-29. Seizoensgemiddelde van de kanoetstrandloper als niet-broedvogel in het Natura 2000-gebied Markiezaat. Deze grafiek is gebaseerd op het Meetnet Watervogels (seizoen juli t/m juni). Weergegeven is het seizoensmaximum (rode punten), de trendlijn (donkerblauwe lijn) en het 95% betrouwbaarheidsinterval van de trendlijn (lichtblauwe lijn). In groen wordt de instandshoudingsdoelstelling voor de soort weergegeven. De oranje lijn geeft het gemiddelde over de laatste vijf seizoenen (bron: https://stats.sovon.nl/stats/gebied/1000127, geraadpleegd op 24-10-2022).
Figuur 5-30. Seizoensgemiddelde van de kanoetstrandloper als niet-broedvogel in Nederland. Deze grafiek is gebaseerd op het Meetnet Watervogels (seizoen juli t/m juni). Weergegeven is het seizoensgemiddelde (rode punten), de trendlijn (donkerblauwe lijn) en het 95% betrouwbaarheidsinterval van de trendlijn (lichtblauwe lijn) (bron: https://stats.sovon.nl/stats/soorten, geraadpleegd op 24-10-2022).
81
NATUURDOELANALYSE
5.6.5.4
Omvang en kwaliteit leefgebied
Het profielendocument (Ministerie van LNV, 2008k) beschrijft de leefgebieden van de kanoetstrandloper (nietbroedvogel) als volgt: “De kanoet is in ons land vrijwel geheel gebonden aan de zoutwatermilieus en het getijdenritme van de Waddenzee en de Zoute Delta, en incidenteel (bijv. bij dichtvriezen van de Waddenzee) ook in de Noordzeekustzone. Zijn voedselbiotoop bestaat uit zandige of slikkige getijdenplaten. De kanoeten vormen bij het foerageren grote compacte groepen die in een enkele getijdencyclus een grote oppervlakte aan wadplaten afzoeken. Omdat hij is gespecialiseerd op kleine tweekleppigen is de kanoet min of meer gebonden aan getijdenplaten met grote dichtheden aan schelpdieren in de bovenste bodemlaag. Kanoeten gebruiken gemeenschappelijke hoogwatervluchtplaatsen. Ze concentreren zich daarbij meestal maar in enkele grote groepen op specifieke locaties: onbewoonde kale hooggelegen zandplaten die bij hoog water droog blijven. Rust in deze gebieden is van groot belang.” Het Markiezaat betreft een brakmilieu, maar is wel een geschikte hoogwatervluchtplaats voor o.a. kanoetstrandloper. Het beschreven foerageergebied is in beperkte mate ook beschikbaar binnen het Markiezaat, echter doordat de getijdenplaten niet dagelijks droogvallen, is niet duidelijk wat dat betekent voor de kanoetstrandloper.
Verder foerageert de soort vooral op kleine tweekleppigen en is niet bekend in hoeverre die nog voorkomen in het Markiezaat. De kanoetstrandloper is vrij gevoelig voor verstoring door o.a. recreanten met boten, wandelaars of watersporters. Dit is binnen het Markiezaat geen knelpunt door het ontbreken van toegang voor recreanten. Verder is de kanoetstrandloper ook gevoelig voor vliegverkeer, waarvan sprake kan zijn vanuit de luchtmachtbasis.
5.6.6
A149 Bonte strandloper
De instandhoudingsdoelstelling van deze soort voor slaap- en rustplaats is behoud van de omvang en kwaliteit leefgebied met een draagkracht voor een populatie van gemiddeld 6400 bonte strandloper (seizoensmaximum).
5.6.6.1
Beschrijving bonte strandloper
De volgende tekst is afkomstig uit het profieldocument voor deze soort (Ministerie van LNV, 2008): “De bonte strandloper is een steltloper die broedt in de toendra’s van gematigde en arctische klimaatzones in Scandinavië, de Baltische Staten en West-Rusland maar ook hoogarctische broedgebieden kent in Centraal- en Oost- Azië. De bonte strandloper komt in Nederland voor als doortrekker en als overwinteraar en het is een van de meest talrijke vogelsoorten in de Waddenzee en in de Delta. Op sommige plaatsen concentreren zich groepen van enkele tienduizenden bonte strandlopers. De soort kan in veel kleinere aantallen ook worden aangetroffen in het binnenland, langs rivieren, meren, plassen en dergelijke. De vogels die door Nederland trekken overwinteren in wadgebieden en estuaria langs de kusten van Noordwest- en Zuidwest-Europa en in West-Afrika.”
5.6.6.2
Voorkomen en verspreiding
Voor de bonte strandloper zijn geen verspreidingsgegevens beschikbaar voor het Markiezaat. Op basis van de beschikbare telgegevens in de NDFF kan geen specifiek beeld verkregen worden van de verspreiding van de bonte strandloper.
5.6.6.3
Trend
Figuur 5-31 geeft de trend voor de bonte strandloper als watervogel in het Markiezaat. Voor zowel de periode vanaf 1994 als de laatste 12 jaar is geen trend aantoonbaar. Landelijk is er sinds 1980 een significante toename <5% waargenomen, zie Figuur 5-32. Over de laatste twaalf jaar is geen significante aantalsverandering gemeten. Er zijn geen gegevens bekend over de lokale en landelijke trend. De bonte strandplevier leeft buiten de broedtijd van onder andere borstelwormen, mollusken en schelpdieren (Vogelbescherming, z.d.-h). Mogelijk ondervindt deze vogelsoort, net als andere vogels van de slikken, daardoor problemen van de scheiding van het Markiezaat en de Oosterschelde, waarbij de natuurlijke dynamiek en zoet-zoute overgangszones grotendeels zijn verdwenen. Echter is dit niet duidelijk terug te zien in de trend. Ook is bekend dat de wintertrek van vogels sterk onder invloed staat van klimaateffecten (NIOZ, PRW & Vogelbescherming Nederland, 2020). Klimaatverandering kan dus ervoor zorgen dat de bonte strandloper minder vaak langs het Markiezaat trekt ’s winters. 82
NATUURDOELANALYSE
In 2018/2019 bedroeg het seizoensmaximum 3000 individuen, gegevens uit 2019/2020 gaven 1120 individuen als seizoensmaximum. Daarmee wordt niet voldaan aan het seizoensmaximum van 6400 individuen.
Figuur 5-31. Seizoensgemiddelde van de bonte strandloper als niet-broedvogel in het Natura 2000-gebied Markiezaat. Deze grafiek is gebaseerd op het Meetnet Watervogels (seizoen juli t/m juni). Weergegeven is het seizoensmaximum (rode punten), de trendlijn (donkerblauwe lijn) en het 95% betrouwbaarheidsinterval van de trendlijn (lichtblauwe lijn). In groen wordt de instandshoudingsdoelstelling voor de soort weergegeven. De oranje lijn geeft het gemiddelde over de laatste vijf seizoenen (bron: https://stats.sovon.nl/stats/gebied/1000127, geraadpleegd op 24-10-2022).
Figuur 5-32. Seizoensgemiddelde van de bonte strandloper als niet-broedvogel in Nederland. Deze grafiek is gebaseerd op het Meetnet Watervogels (seizoen juli t/m juni). Weergegeven is het seizoensgemiddelde (rode punten), de trendlijn (donkerblauwe lijn) en het 95% betrouwbaarheidsinterval van de trendlijn (lichtblauwe lijn (bron: https://stats.sovon.nl/stats/soorten, geraadpleegd op 24-10-2022). 83
NATUURDOELANALYSE
5.6.6.4
Omvang en kwaliteit leefgebied
Het profielendocument (Ministerie van LNV, 2008k) beschrijft de leefgebieden van de bontbekplevier (niet-broedvogel) als volgt: “De bonte strandloper komt vooral voor in getijdengebieden en estuaria. Kleine aantallen bonte strandlopers zijn te zien in zoetwater-’wetlands’ in het binnenland. De voedselbiotopen zijn zandige maar ook zeer slikkige platen in getijdengebieden en alle gradaties daar tussenin. De bonte strandlopers zoeken ook voedsel in drooggevallen slikken in moerassen of op slikkige oevers van rivieren, in plassen en andere wateren. Vooral na hevige regenval komen bonte strandlopers ook foeragerend voor op akkers en in weilanden. De soort zoekt zowel overdag als 's nachts naar voedsel. Tijdens hoogwater gaat de soort soms door met voedsel zoeken op hooggelegen delen van de getijdenplaten, aan de kwelder- of dijkrand of op drassige plaatsen binnendijks. De bonte strandlopers gebruiken doorgaans kwelders, zand- en modderbanken, stranden en inlagen als gezamenlijke hoogwatervluchtplaatsen en deelt die plaatsen vaak met andere vogelsoorten. Het rusten en afwachten van het eb (‘overtijen’) gebeurt bij voorkeur op locaties met weinig vegetatie.” Het Markiezaat betreft een brakmilieu, maar is wel een geschikte hoogwatervluchtplaats voor o.a. bonte strandloper.
Het beschreven foerageergebied is in beperkte mate ook beschikbaar binnen het Markiezaat, echter doordat de getijdenplaten niet dagelijks droogvallen, is niet duidelijk wat dat betekent voor de bonte strandloper. De bonte strandloper foerageert verder op bodemfauna zoals wormen, kleine schelpdieren en kreeftachtigen. In hoeverre deze nog voorkomen in het Markiezaat is niet bekend. De bonte strandloper is vrij gevoelig voor verstoring door o.a. recreanten met boten, wandelaars of watersporters. Dit is binnen het Markiezaat geen knelpunt door het ontbreken van toegang voor recreanten. Verder is de bonte strandloper ook gevoelig voor vliegverkeer, waarvan sprake kan zijn vanuit de luchtmachtbasis.
5.6.7
A161 Zwarte ruiter
De instandhoudingsdoelstelling van deze soort voor slaap- en rustplaats is behoud van de omvang en kwaliteit leefgebied met een draagkracht voor een populatie van gemiddeld 210 zwarte ruiters (seizoensmaximum).
5.6.7.1
Beschrijving zwarte ruiter
De volgende tekst is afkomstig uit het profieldocument voor deze soort (Ministerie van LNV, 2008): “Zwarte ruiters broeden in subarctische en arctische gebieden in Finland, Scandinavië en Rusland en overwinteren in Afrika, zowel langs de kusten als in zoetwatergebieden ten zuiden van de Sahel. De zware ruiter is in Nederland alleen aanwezig als doortrekker en wintergast in zeer klein aantal. In de wintermaanden worden in Nederland gemiddeld slechts 95 zwarte ruiters waargenomen, meestal in het Deltagebied. De soort komt zowel in zoute intergetijdengebieden als in het binnenland voor. De grootste concentraties zwarte ruiters zijn te vinden tijdens de doortrek in het najaar en in het voorjaar in het intergetijdengebied, vooral langs de vastelandskust van de Waddenzee. In de Delta zijn de aantallen lager dan in de Waddenzee.”
5.6.7.2
Voorkomen en verspreiding
Voor de zwarte ruiter zijn geen verspreidingsgegevens beschikbaar voor het Markiezaat. Op basis van de beschikbare telgegevens in de NDFF kan geen specifiek beeld verkregen worden van de verspreiding van de zwarte ruiter.
5.6.7.3
Trend
Figuur 5-33 geeft de trend voor de zwarte ruiter als watervogel in het Markiezaat. Voor de periode vanaf 1994 is de trend significante afname, >5% per jaar. Voor de laatste 12 jaar is geen trend aantoonbaar. Landelijk zowel vanaf 1980 als in de laatste twaalf jaar een significante afname <5% gemeten, zie Figuur 5-34. De trend van de soort als niet-broedvogel in het Markiezaat volgt redelijk de landelijke trend. De soort is wereldwijd in aantal afgenomen. Bedreigingen vormen verlies van leefgebied op trek en overwinteringsgebieden, als gevolg van verdroging, vervuiling, inpoldering en niet-duurzame schelpdiervisserij (Vogelbescherming, z.d.-h). De trend van het Markiezaat, sluit dus redelijk aan op de landelijke trend. De soort leeft van waterdiertjes uit het slik (Vogelbescherming, z.d.-i). Het is dus aannemelijk dat deze vogelsoort, net als andere vogels van de slikken, problemen ondervindt van de scheiding van het Markiezaat en de Oosterschelde, waarbij de natuurlijke dynamiek en zoet-zoute overgangszones grotendeels zijn verdwenen.
84
NATUURDOELANALYSE
Ook is bekend dat de wintertrek van vogels sterk onder invloed staat van klimaateffecten (NIOZ, PRW & Vogelbescherming Nederland, 2020). Klimaatverandering kan dus ervoor zorgen dat de zwarte ruiter minder vaak langs het Markiezaat trekt ’s winters. In zowel 2016/2017 als 2017/2018 werden drie individuen als seizoensmaximum geteld. In 2018/2019 en 2019/2020 werden geen zwarte ruiters waargenomen. Daarmee wordt niet voldaan aan het seizoensmaximum van 210 individuen.
Figuur 5-33. Seizoensgemiddelde van de zwarte ruiter als niet-broedvogel in het Natura 2000-gebied Markiezaat. Deze grafiek is gebaseerd op het Meetnet Watervogels (seizoen juli t/m juni). Weergegeven is het seizoensmaximum (rode punten), de trendlijn (donkerblauwe lijn) en het 95% betrouwbaarheidsinterval van de trendlijn (lichtblauwe lijn). In groen wordt de instandshoudingsdoelstelling voor de soort weergegeven. De oranje lijn geeft het gemiddelde over de laatste vijf seizoenen (bron: https://stats.sovon.nl/stats/gebied/1000127, geraadpleegd op 24-10-2022).
85
NATUURDOELANALYSE
Figuur 5-34. Seizoensgemiddelde van de zwarte ruiter als niet-broedvogel in Nederland. Deze grafiek is gebaseerd op het Meetnet Watervogels (seizoen juli t/m juni). Weergegeven is het seizoensgemiddelde (rode punten), de trendlijn (donkerblauwe lijn) en het 95% betrouwbaarheidsinterval van de trendlijn (lichtblauwe lijn) (bron: https://stats.sovon.nl/stats/soorten, geraadpleegd op 24-102022).
5.6.7.4
Omvang en kwaliteit leefgebied
Het profielendocument (Ministerie van LNV, 2008k) beschrijft de leefgebieden van de zwarte ruiter (niet-broedvogel) als volgt: “Het leefgebied van de zwarte ruiter is in ons land voornamelijk het intergetijdengebied. Soms komt de zwarte ruiter ook voor in waterrijke biotopen met slikkige oevers of ondiep water in het binnenland van Nederland, zoals in ondiepe sloten, vloeivelden, plas-draslanden en oevers van meren en plassen. Zijn voedselbiotopen zijn in getijdengebieden de droogvallende slikken, bij voorkeur de zeer slikkige delen met ondiepe plasjes of de plasjes op mosselbanken. Soms zoeken de zwarte ruiters ook voedsel terwijl ze in dieper water zwemmen, veelal doen ze dat in een sociaal verband met soortgenoten. Binnendijks voedsel zoeken ze voedsel in inlagen, karrenvelden en ondiepe brakke sloten. De zwarte ruiter gebruikt gemeenschappelijke rust- en hoogwatervluchtplaatsen, vaak zijn dat vaste, traditionele locaties. Die rustplaatsen kunnen op enige afstand van voedselgebieden liggen. Het zijn altijd terreinen met lage vegetaties, zoals die zijn te vinden op randen van kwelders en schorren en aan de oevers van binnendijkse brakwatermeren.” Het Markiezaat betreft een brakmilieu, maar is wel een geschikte hoogwatervluchtplaats voor o.a. zwarte ruiter.
Het beschreven foerageergebied is in beperkte mate ook beschikbaar binnen het Markiezaat, echter doordat de getijdenplaten niet dagelijks droogvallen, is niet duidelijk wat dat betekent voor de zwarte ruiter. De bonte strandloper is vrij gevoelig voor verstoring door o.a. recreanten met boten, wandelaars of watersporters. Dit is binnen het Markiezaat geen knelpunt door het ontbreken van toegang voor recreanten. Het windmolenpark kan verder een barrière vormen voor vliegbewegingen tussen het foerageergebied en rustgebied. Verder is de zwarte ruiter ook gevoelig voor vliegverkeer, waarvan sprake kan zijn vanuit de luchtmachtbasis.
86
NATUURDOELANALYSE
5.7
Huidige situatie en trend niet-broedvogels – vogels die foerageren in ondiep water
5.7.1
A051 Krakeend
De instandhoudingsdoelstelling van deze soort voor foerageergebied is behoud van de omvang en kwaliteit leefgebied met een draagkracht voor een populatie van gemiddeld 280 krakeenden (seizoensgemiddelde).
5.7.1.1
Beschrijving krakeend
De volgende tekst is afkomstig uit het profieldocument voor deze soort (Ministerie van LNV, 2008): “De krakeend is een middelgrote eend met een overwegend grijsbruin voorkomen en een opvallende witte vlek op de vleugel. In Nederland is de soort het gehele jaar door aanwezig. Het aantal broedparen is sinds de jaren zeventig ongeveer vertienvoudigd, het werd in 1998-2000 geschat op 6000-7000 paren. In ons land overwinterende krakeenden komen uit Rusland, Zuid-Zweden, Noord-Duitsland en Polen. Waarschijnlijk blijft ook een groot deel van onze eigen broedvogels hier ‘s winters hangen en die vogels vormen daarbij mogelijk een niet onbelangrijk deel van de totale aantallen overwinteraars. De aantallen krakeenden zijn het hoogst in september t/m december. De krakeend is een grondeleend die niet of nauwelijks duikt en als zodanig gebonden is aan ondiepten, oevergebieden en aangrenzende landbouwgebieden. Voor broeden is de krakeend afhankelijk van ruigere oevervegetatie voor de bescherming van het op de grond gelegen nest tegen roofdieren (predatoren). In de ruiperiode (augustus), wanneer de soort niet in staat is tot vliegen, is de krakeend afhankelijk van grote waterrijke gebieden met goede schuilmogelijkheden in de oevervegetatie.”
5.7.1.2
Voorkomen en verspreiding
De krakeend is in het Markiezaat hoofdzakelijk op het water waargenomen, waar deze rust.
5.7.1.3
Trend
In Figuur 5-35 is de trend weergegeven voor de krakeend als watervogel in het Markiezaat. Vanaf 1986 is de trend een significante toename, <5% per jaar. Voor de laatste 12 jaar is de trend geen significante aantalsverandering. In 2018/2019 bedroeg het seizoensgemiddelde 310 individuen, gegevens uit 2019/2020 gaven 429 individuen als seizoensgemiddelde. Daarmee wordt voldaan aan het seizoensgemiddelde van 280 individuen.
87
NATUURDOELANALYSE
Figuur 5-35. Seizoensgemiddelde van de krakeend als niet-broedvogel in het Natura 2000-gebied Markiezaat. Het aantal in het totale Vogelrichtlijngebied is weergegeven (bron: https://stats.sovon.nl/stats/gebied/1000127, geraadpleegd augustus 2022).
5.7.1.4
Omvang en kwaliteit leefgebied
Het profielendocument (Ministerie van LNV, 2008k) beschrijft de leefgebieden van de bontbekplevier (niet-broedvogel) als volgt: “De krakeend heeft een voorkeur voor ondiepe, voedselrijke (eutrofe) zoete wateren. Het kan stilstaand water zijn of zwakstromend water. De soort komt ook voor in brak water, maar mijdt zoute wateren. De grootste aantallen krakeenden worden aangetroffen in grote moerasgebieden (zoals Lauwersmeer en Oostvaardersplassen) en grote ‘wetlands’ zoals het IJsselmeergebied en de Beneden-Rivieren. Minder algemeen is de krakeend in de uiterwaarden van de grote rivieren en hij is vrijwel afwezig in agrarisch gebied. Na de oogsttijd gaan de krakeenden soms 's nachts op stoppelvelden foerageren. De krakeend foerageert vaak bij of op harde oeversubstraten zoals strekdammen, vooroeververdedigingswerken en betonwanden. Daardoor ziet men hem soms ook in de buurt van menselijke activiteiten, in havens en sluizen. Hoewel de krakeend vooral een waterplanten- en algeneter is, is hij toch minder gevoelig voor vermesting dan andere zwemeenden.” Het Markiezaat voldoet als ondiep, voedselrijk en brak water. Met name de algenbloei kan bijdragen aan het foerageergebied, het aandeel waterplanten als voedsel zal beperkter zijn. Daarnaast liggen rondom Markiezaat diverse landbouwpolders waar de krakeend kan foerageren. De krakeend is vrij gevoelig voor verstoring voor recreanten.
Dit is binnen Markiezaat geen knelpunt omdat het gebied niet toegankelijk is voor recreatie.
5.7.2
A052 Wintertaling
De instandhoudingsdoelstelling van deze soort voor foerageergebied is behoud van de omvang en kwaliteit leefgebied met een draagkracht voor een populatie van gemiddeld 700 wintertalingen (seizoensgemiddelde).
88
NATUURDOELANALYSE
5.7.2.1
Beschrijving wintertaling
De volgende tekst is afkomstig uit het profieldocument voor deze soort (Ministerie van LNV, 2008): “De wintertaling is een kleine eend. Het mannetje heeft een bruine kop met een opvallende groene streep in de oorstreek. In Nederland is de soort het gehele jaar door aanwezig. Het aantal broedparen werd in 1998-2000 geschat op 2000-2500. Dat is een lager aantal dan de 2300-5000 geschat voor 1970-1980. De in ons land overwinterende vogels komen uit Rusland, de Baltische staten, Scandinavië, Duitsland en Polen. De aantallen wintertalingen zijn in Nederland het hoogst in september t/m november. Waarschijnlijk blijft ook een groot deel van onze eigen broedvogels hier ‘s winters hangen, maar de omvang van de Nederlandse broedpopulatie is erg beperkt vergeleken met de totale aantallen wintervogels. De wintertaling is een grondeleend die niet of nauwelijks duikt en als zodanig gebonden is aan ondiep water, oevergebieden en aangrenzende landbouwgebieden. Hij verblijft graag in kleinschalige, ondiepe wateren in ‘wetlands’ met periodiek terugkerende, of permanent aanwezige pioniervegetaties.”
5.7.2.2
Voorkomen en verspreiding
De wintertaling is in het Markiezaat hoofdzakelijk in de oeverzone waargenomen als broedvogel.
5.7.2.3
Trend
In Figuur 5-36 is de trend voor de wintertaling als watervogel weergegeven. Voor zowel de periode vanaf 1986 als de laatste 12 jaar, is er geen significante aantalsverandering te zien in de trend. In 2018/2019 bedroeg het seizoensgemiddelde 407 individuen, gegevens uit 2019/2020 gaven 675 foeragerende individuen als seizoensgemiddelde. Daarmee wordt niet voldaan aan het seizoensgemiddelde van 700 individuen.