CConstaterende datwoensdrecht
Koppel je AI →
Document · PDF

Natuurdoelanalyse 127 Markiezaat.pdf

Themabijeenkomst 30 maart 2023, gemeente woensdrechtBij agendapunt: 20.30-21.00 uur: Inzoomen op gebied: stikstof op de Brabantse Wal en Markiezaat38.317 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 3 van 5

5.2.2.1

Beschrijving soort

De volgende tekst is afkomstig uit het profieldocument van deze soort (Ministerie van LNV, 2008): ‘’De lepelaar is een forse, overwegend witte, waadvogel, die zijn naam dankt aan de kenmerkende afgeplatte snavel. Het is een vogel van ondiepe wateren, zowel zoute als zoete en hij leeft van kleine vissen en garnalen. De broedkolonies liggen in moerassen en op eilanden. De lepelaar heeft een versnipperd broedgebied dat zich uitstrekt over Centraal- en Zuidoost-Europa, Centraal- en Zuidwest-Azië, Mauritanië en Noordoost-Afrika.’’

5.2.2.2

Voorkomen en verspreiding

De lepelaar broedt in het Markiezaat op de spuitkop. Dit eiland was doorgaans niet bereikbaar voor predatoren zoals vossen en vormt daarmee een belangrijk broedgebied voor de lepelaar. De nesten worden dan ook op de grond gemaakt, in opkomende vegetaties zoals in 2022 tussen het koninginnenkruid. Op basis van de beschikbare telgegevens in de NDFF kan geen specifiek beeld verkregen worden van de verspreiding van de lepelaar. Wel is duidelijk dat de broedlocatie beperkt is tot de spuitkop en omliggend water in het Markiezaat. De andere deltawateren worden gebruikt als foerageergebied en rustgebied.

5.2.2.3

Trend

De populatie lepelaars is vanaf de jaren 2000 flink gegroeid. Echter, daar waar in 2019 de kolonie in het Markiezaat nog de grootste van Nederland was met 279 broedparen, waren dit er in 2020 nog maar 125 (Blog Werkgroep Lepelaar, 2022). Deze behoorlijk stevige daling is mogelijk te danken aan toegenomen predatie door vos, welke door de lage waterstanden via de droogvallende platen het eiland kon bereiken. Deze afname in broedsucces is ook vastgesteld bij de grote meeuwensoorten die ook op de spuitkop broeden (Lilypally & Sluijter, 2022). Sinds 2021 wordt de broedkolonie beschermd door middel van stroomdraad om predatie van de vos te voorkomen. De trend van de lepelaar in het Markiezaat laat een significante sterke toename >5% per jaar zien (Figuur 5-1). Het gemiddelde aantal broedvogels voor de periode 2016-2020 is 183,8 broedvogels (Sovon.nl). Ondanks de scherpe daling in 2020 wordt de instandhoudingsdoelstelling van ten minste 20 broedparen echter nog steeds ruimschoots gehaald. Na de scherpe daling zijn de aantallen weer toegenomen tot boven de 200 broedparen in 2022 (pers. mededeling. E. de Jonge, BL, 28 november 2022). Daarnaast geven de gepresenteerde aantallen de broedparen in juni weer. Vaak gaan jongere lepelaars nog later broeden en neemt daardoor het totale aantal broedparen nog iets toe ten opzichte van de telling in juni (pers. mededeling. E.

de Jonge, BL, 28 november 2022). 43

NATUURDOELANALYSE

Figuur 5-1. Aantal territoria van de lepelaar als broedvogel in het Natura 2000-gebied Markiezaat. Het aantal in het totale Natura 2000-gebied zijn weergegeven. De groene lijn geeft de instandhoudingsdoelstelling voor de soort weer en de oranje lijn laat het gemiddelde over de laatste vijf jaren zien (bron: NEM (Sovon, CBS, provincies)).

5.2.2.4

Omvang en kwaliteit leefgebied

Het profielendocument (Ministerie van LNV, 2008k) beschrijft de leefgebieden van de lepelaar (broedvogel) als volgt: “De lepelaar heeft een voorkeur voor dynamische milieus op de overgang tussen zoet en zout en broedt daar op eilanden, in duinvalleien en kwelders. In het binnenland nestelt de lepelaar ook in uitgestrekte moerassen met veel waterriet en een wisselend waterpeil. De nestplaats ligt in uitgestrekte rietvelden, waar bodemnesten worden gemaakt op een kniklaag van oud, niet te dicht, maar sterk riet in ondiep water. Ook maken lepelaars nesten in wilgen- of andere struiken (wilg) gemaakt, incidenteel in moerasbos tussen blauwe reigers. De soort is in het verleden gevoelig gebleken voor bepaalde gifstoffen, en voor vermesting, resulterend in beperkt doorzicht van water. Verder is de lepelaar gevoelig voor een gebrek aan inundatiezones in rietlanden door kunstmatig waterpeilbeheer met een ‘onnatuurlijk’ patroon. Het verdwijnen van periodiek overstroomde laagten en rietzomen vergroot ook de toegankelijkheid van broedterreinen voor grondpredatoren zoals de vos. Van invloed op de keuze van de broedlocatie zijn voorts bijv. de al dan niet mogelijke intrek van vissen en verstoring, met name in vestigingsperiode. De soort blijkt zowel in broed- als trek- en overwinteringsgebieden sterk afhankelijk van soort- en habitatbescherming, wat hem kwetsbaar maakt “.

Van de omvang en kwaliteit van het leefgebied zijn voor de lepelaar geen specifieke gegevens bekend. Voor het broedsucces is het voor de soort van groot belang dat predatoren zoals de vos de Spuitkop niet kunnen bereiken of dat er nestbescherming plaatsvindt. Gezien de soort op de grond broedt op de Spuitkop zijn de invloeden van predatoren groot. Predatoren kunnen de Spuitkop alleen bereiken wanneer de waterstanden in het Markiezaat te laag zijn en ze via zandbanken en ondiepe zones naar de Spuitkop kunnen lopen. De droge zomers met neerslag tekorten hebben hier een negatieve bijdrage aan. Daarnaast kan een hoge aanvoer van water tijdens het broedseizoen problematisch zijn. Door de beperkte afvoercapaciteit van de stuw kan de broedzone onder water komen te staan en eieren en jongen verdrinken, zoals in 2016 is gebeurd (Witteveen+Bos, 2018). Het optreden van een van beide scenario’s is gezien de klimaatverandering, langere droge periodes of juist natte periodes, steeds aannemelijker. Het waterpeil en beheer daarvan is voor het broedsucces van de lepelaar essentieel en vormt een knelpunt. Door het Brabants Landschap worden al maatregelen getroffen om vospredatie te beperken. Met enige regelmaat worden draad- en turbineslachtoffers gevonden (pers. mededeling. E. de Jonge, BL, 28 november 2022).

Ondanks deze knelpunten nam tot 2020 de populatie gestaag toe, wat een teken kan zijn van verder gunstige omstandigheden. 44

NATUURDOELANALYSE

Verstoring door betreding van de mens is niet aan de orde doordat de Spuitkop niet toegankelijk is voor bezoekers. Hierdoor is rust gegarandeerd.

5.2.3

A132 Kluut

De instandhoudingsdoelstelling voor deze soort is behoud van de omvang en de kwaliteit van het leefgebied als bijdrage aan de draagkracht voor de populatie van het Deltagebied van ten minste 2.000 paren.

5.2.3.1

Beschrijving soort

De volgende tekst is afkomstig uit het profieldocument van deze soort (Ministerie van LNV, 2008): ‘’De kluut is een ranke gracieuze zwart-wit getekende waadvogel met een opvallend opgewipte snavel. Kenmerkend is de maaiende beweging van de snavel bij het voedsel verzamelen terwijl de vogel door ondiep water waadt. De soort is een steltloper van schaars begroeide terreinen nabij ondiepe (vooral zoute) wateren met een zachte slibrijke bodem. De broedgebieden liggen in de gematigde en warme klimaatzones van de oude wereld, in West-Europa, het Middellandse Zeegebied en Zuidoost-Europa, het Midden-Oosten en Oost-Afrika, Centraal (Oost-) Azië en Zuid-Afrika. De WestEuropese vogels overwinteren in de Oost-Atlantische kustgebieden, zuidelijk in Mauritanië, Senegal en Gambia. De Nederlandse populatie overwintert in Zuidwest-Europa en Noord-Afrika.’’

5.2.3.2

Voorkomen en verspreiding

De kluut komt verspreid voor in het Markiezaat maar is voor het broeden afhankelijk van pionier omstandigheden. Deze pionier omstandigheden zijn vaak te vinden op de droogvallende slikken. Het aantal kluten nam in 2019 en 2022 behoorlijk toe naar respectievelijk 17 en 65 broedparen. Dit is mogelijk te verklaren door de drogere jaren, waardoor het peil van het Markiezaat lager uitviel in het voorjaar en dus meer broedbiotoop aanwezig was (Bult, 2019; Bult, 2020b). In 2021 betrof het echter maar twee broedgevallen (Lilypally & Sluijter, 2022), waarbij mogelijk nesten zijn verdronken als gevolg van stijgend meerpeil of koud weer met buien in mei wat voor pullen catastrofaal kan zijn (Bult, 2021).

5.2.3.3

Trend

De broedvogeltrend van de kluut laat sinds 1990 een significante afname (>5%) per jaar zien (Figuur 5-2). Sinds 2008 is er geen trend aantoonbaar. Het gemiddelde aantal broedvogels van 2016 tot en met 2020 bedraagt 16,8 broedvogels (Sovon.nl). Uit Figuur 5-2 is duidelijk te herleiden dat de Kluut in het Markiezaat sterk is afgenomen na de afsluiting van het Markiezaat. Het is dan ook aannemelijk dat door gebrek aan dynamiek de pionier omstandigheden verder afgenomen zijn waardoor ook de broedbiotoop voor de kluut steeds verder verdwenen is (Witteveen+Bos, 2018). De trend voor kluut als broedvogel voor het Deltagebied in de periode 2016-2021 is stabiel en is sinds 1980 zelfs toegenomen (Lilypally & Sluijter, 2022). Landelijk is de trend van aantal kluten als broedvogel sinds 1980 negatief, met een afname van <5% per jaar (Figuur 5-3). De laatste twaalf jaar daarentegen was er geen significante aantalsverandering. De landelijke afname hangt samen met nestpredatie, vegetatiesuccessie waardoor broedplaatsen ongeschikt worden, het verdwijnen van tijdelijk geschikte broedlocaties en voedselproblemen. Daarnaast is de vogel gevoelig voor botulisme en vogelgriep (Vogelbescherming, z.d.-c). In Europa vormt watervervuiling door PCB’s, pesticiden, selenium en sommige metalen een bedreiging voor klutenpopulaties (Vogelbescherming, z.d.-c).

In de jaren ’80 werd het Markiezaat van de Oosterschelde gescheiden, waardoor directe invloeden van het getij en zoutwater verdwenen (zie paragraaf 3.3). Het verdwijnen zoet-zoute overgangszones en de dynamiek heeft waarschijnlijk invloed gehad op de biodiversiteit van onder andere het bodemleven in het Natura 2000-gebied. Ook zorgt het gebrek aan dynamiek voor een snellere successie van vegetatie. De kluut komt voor bij korte vegetaties en haalt zijn voedsel uit het slik. Indien er successie optreedt van de vegetatie verdwijnt de kluut (Vogelbescherming, z.d.c). De afsluiting van het Markiezaat van de Oosterschelde zou daarom een oorzaak kunnen zijn van de afname van de soort in het Markiezaat. In het Deltagebied werden 2478 broedparen vastgesteld in 2021. Dat is ruim boven het instandhoudingsdoel van 2000 paar voor het Deltagebied (Lilypally & Sluijter, 2022). Echter, er is ook vastgesteld dat het broedsucces in het Deltagebied, 0,28 vliegvlug jong/paar te laag is voor een stabiele populatie, waarvoor 1,13 vliegvlug jong/paar nodig is (Lilypally et al., 2022) 45

NATUURDOELANALYSE

De instandhoudingsdoelstelling van ten minste 2000 broedparen in het Deltagebied wordt ruimschoots gehaald.

Figuur 5-2. Aantal territoria van de kluut als broedvogel in het Natura 2000-gebied Markiezaat. Het aantal in het totale Natura 2000gebied is weergegeven. De oranje lijn laat het gemiddelde over de laatste vijf jaren zien (bron: NEM (Sovon, CBS, provincies)).

Figuur 5-3. Broedvogeltrend van de kluut in Nederland. Deze grafiek is gebaseerd op het Meetnet Broedvogels (kolonies en zeldzame broedvogels). Weergegeven is de jaarlijkse populatie-index, gebaseerd op de gehele populatie of aantallen in de belangrijkste broedgebieden (rode punten) en de trendlijn (donkergekleurde lijn) (bron: https://stats.sovon.nl/stats/gebied/1000127, geraadpleegd op 10-10-2022).

46

NATUURDOELANALYSE

5.2.3.4

Omvang en kwaliteit leefgebied

Het profielendocument (Ministerie van LNV, 2008k) beschrijft de leefgebieden van de kluut (broedvogel) als volgt: ”De kluut nestelt op kale of schaars begroeide, vaak buitendijkse terreinen, zoals kwelders, strandvlakten, zandplaten, afgesloten zeearmen, inlagen en kreken, opspuitterreinen en ingepolderde gebieden. In de kuststreek broeden kluten ook binnendijks op akkers en graslanden. De foerageergebieden en slaapplaatsen van de kluten bevinden zich in de buurt van het nest en bestaan uit ondiepe wateren met een zachte slibrijke bodem. De kluut verblijft daarbij zowel in zout als zoet water, in de Nederlandse situatie gaat het meestal om zout, tot 15 cm diep water. Op plaatsen waar veel kluten dicht bij elkaar broeden, kan de aanwezigheid van vossen een sterk nadelig effect hebben op het broedsucces. Ook begrazing met paarden kan een verstorend effect hebben omdat groepen paarden soms dwars door de aanwezige kolonies galopperen. Beide problemen doen zich vooral voor op de kwelders van de Fries-Groningse vastelandskust.” Voor de kluut zijn geen specifieke gegevens beschikbaar ten aanzien van omvang en kwaliteit leefgebied. Met name de beschikbaarheid van pionier omstandigheden lijkt in combinatie met ondiep water van groot belang voor het aantal broedvogels. Deze pionier omstandigheden zijn weer sterk afhankelijk van de waterstand.

Als gevolg van verzoeting in combinatie met vegetatiesuccessie is het leefgebied voor de kluut de laatste jaren sterk afgenomen (van der Winden et al., 2017). Ook is de soort, bij broedgelegenheid aan land gevoelig voor predatie of vertrapping door vee (Witteveen+Bos, 2018). De kluut is een vogel die snel verstoord raakt door o.a. recreanten, maar ook door laagvliegende vliegtuigen of helikopters. Verstoring door betreding van de mens in Markiezaat is zeer beperkt doordat het gebied niet toegankelijk is. Maar laagvliegend materieel van de Luchtmachtbasis vormt mogelijk wel een knelpunt. Daarnaast kunnen windmolens en hoogspanningslijnen verstorend werken op vliegroutes tussen de broedlocatie en het foerageergebied.

5.2.4

A137 Bontbekplevier

De instandhoudingsdoelstelling voor deze soort is behoud van de omvang en de kwaliteit van het leefgebied als bijdrage aan de populatie van het Deltagebied van ten minste 105 paren.

5.2.4.1

Beschrijving soort

De volgende tekst is afkomstig uit het profieldocument van deze soort (Ministerie van LNV, 2008): ‘’De bontbekplevier is een klein steltlopertje dat nestelt op schaars begroeide plekken, meestal in kustgebieden. De broedgebieden liggen langs de kusten van gematigde noordelijke klimaatzones van Noordwest-Europa (ondersoort hiaticula), in de arctische zone van Noordoost-Europa en Aziatisch Rusland (tundrae) en in Noordoost-Canada, Groenland, IJsland en op de Faroer eilanden (psammodroma). De Nederlandse broedvogels behoren tot de ondersoort hiaticula, die overwintert in West-Europa, het Middellandse Zeegebied en in Noord-Afrika. De in Nederland broedende bontbekplevieren overwinteren merendeels in Afrika.’’

5.2.4.2

Voorkomen en verspreiding

De soort broedt op kale tot schaars begroeide terreinen zoals stranden, dijken en dan vooral op de schelprijke strandjes langs de dijk. Ook in binnendijkse natuurbouw en akkers nabij de kust wordt gebroed. De volwassen vogels foerageren voornamelijk tijdens laagwater op de droogvallende slikken waar wormpjes een belangrijk deel van hun voedsel uitmaken. De jongen eten ook insecten en kleine ongewervelden die ze op het strand/zeedijk/akker en in de duinen bemachtigen (Arts et al., 2022). De bontbekplevier komt nog in lage aantallen voor in het Markiezaat. De soort is sterk afhankelijk van de beschikbaarheid van voldoende pioniersomstandigheden. Het aantal broedparen bontbekplevieren blijft de laatste jaren hangen rond één tot twee broedparen waarbij ook sommige jaren wordt overgeslagen. In 2021 betrof het twee broedgevallen (Lilypally & Sluijter, 2022), waarbij mogelijk nesten zijn verdronken als gevolg van stijgend meerpeil of koud weer met buien in mei wat voor pullen catastrofaal kan zijn (Bult, 2021).

5.2.4.3

Trend

Sinds 1980 is het aantal broedparen bontbekplevieren in het Markiezaat gestegen van 3 naar 29 in 1985 (Figuur 5-4). Vanaf 1990 is het aantal broedvogels echter per jaar significant (>5%) afgenomen. Vanaf 1996 is het aantal broedparen onder de 10 gezakt en sinds 2001 onder de 5. Vanaf 2008 is de trend niet meer aantoonbaar. Het gemiddelde aantal broedparen over de laatste jaren (2016-2020) bedraagt 0,4 broedparen (Sovon.nl). 47

NATUURDOELANALYSE

De afname van bontbekplevier heeft te maken met de afname van pionier omstandigheden als broedgebied, evenals gebrek aan dynamiek na het afsluiten van het Markiezaat (Witteveen+Bos, 2018). Daarnaast zorgen predatie en begrazing door vee voor een negatief effect op de populatie. Grazers houden daarentegen het broedbiotoop voor de bontbekplevier open, maar ze kunnen ook de nesten van de vogels vertrappen. De trend voor bontbekplevier als broedvogel voor het Deltagebied in de periode 2016-2021 is stabiel voor de laatste jaren, maar is vanaf 1980 afgenomen (Lilypally & Sluijter, 2022). De bijdrage van het Markiezaat aan de Deltadoelstelling is door de geringe aantallen dus zeer beperkt. In het Deltagebied werden 152 broedparen vastgesteld in 2021. Dat is ruim boven het instandhoudingsdoel van 105 paar voor het Deltagebied (Lilypally & Sluijter, 2022). Het broedsucces was met 0,63 vliegvlug jong/paar beter dan afgelopen drie jaren. Dit succes kan voor een deel toegeschreven worden aan actieve nestbescherming door vrijwilligers (Lilypally et al., 2022). De instandhoudingsdoelstelling van ten minste 105 broedparen voor het Deltagebied wordt ruimschoots gehaald.

Figuur 5-4. Aantal territoria van de bontbekplevier als broedvogel in het Natura 2000-gebied Markiezaat. Het aantal in het totale Natura 2000-gebied is weergegeven. De oranje lijn geeft het gemiddelde over de laatste vijf jaren (bron: NEM (Sovon, CBS, provincies)).

5.2.4.4

Omvang en kwaliteit leefgebied

Het profielendocument (Ministerie van LNV, 2008k) beschrijft de leefgebieden van de bontbekplevier (broedvogel) als volgt: “De bontbekplevier broedt bij voorkeur op schaars begroeide plekken, zoals stranden, duinranden, laagtes bij zeedijken, strandweiden en oevers van meren, plassen en rivieren, maar ook op akker- en weiland, kunstmatige zandafzettingen en opspuitterreinen. Geheel kale vlaktes worden gemeden. De voedselgebieden liggen vlak bij het nest en bestaan uit zand- en modderbanken en oeverzones van rivieren en plassen. De broedende bontbekplevieren zijn gevoelig voor verstoring door recreatie en om deze reden is de soort verdwenen uit een groot deel van het kustgebied. Windmolenparken langs de kust tussen foerageer- en rustgebieden vormen mogelijk verstorende factoren voor de populatie van de bontbekplevier vanwege het risico op sterfte (door ertegen aan vliegen) en het onbereikbaar maken van foerageergebied.” Voor de bontbekplevier zijn geen specifieke gegevens beschikbaar ten aanzien van omvang en kwaliteit leefgebied. Met name de beschikbaarheid van pionier omstandigheden lijkt van groot belang voor het aantal broedvogels. Deze pionier omstandigheden zijn weer sterk afhankelijk van de waterstand. Als gevolg van verzoeting in combinatie met vegetatiesuccessie is het leefgebied voor de bontbekplevier de laatste jaren sterk afgenomen (van der Winden et al., 2017).

Ook is de soort, bij broedgelegenheid aan land gevoelig voor predatie of vertrapping door vee (Witteveen+Bos, 2018).

48

NATUURDOELANALYSE

De bontbekplevier is gemiddeld gevoelig voor verstoring, maar wel zeer gevoelig voor verstoring van zijn leefgebied. Potentiële leefgebieden worden niet gebruikt indien de recreatieve druk te groot is. Dit is in het Markiezaat niet aan de orde doordat het gebied niet toegankelijk is en daarmee geen knelpunt. Wel kunnen hoogspanningsmasten en windmolens een belemmering zijn voor vluchten tussen broedlocatie en foerageergebied.

5.2.5

A138 Strandplevier

De instandhoudingsdoelstelling voor deze soort is behoud van de omvang en de kwaliteit van het leefgebied als bijdrage aan de draagkracht voor de populatie van het Deltagebied van ten minste 220 paren.

5.2.5.1

Beschrijving soort

De volgende tekst is afkomstig uit het profieldocument van deze soort (Ministerie van LNV, 2008): ‘’Van de twee kleine, vooral aan zout watergebonden pleviertjes, is de strandplevier het sterkst kustgebonden. Het is een klein steltlopertje dat nestelt op zand- en schelpenstranden en andere kale, beschutte plekken, meestal in de nabijheid van zoute en brakke wateren. Buiten de broedtijd is hij vooral aan te treffen op zandige platen. De broedgebieden van de strandplevier zijn verspreid over de gematigde streken van Eurazië, het Midden-Oosten en Noord-Afrika (ondersoort alexandrinus) en over Zuid- en Zuidoost-Azië, gematigd Noord-Amerika, Centraal-Amerika en de westkust van ZuidAmerika. De in Nederland broedende strandplevieren overwinteren in Afrika. De strandplevier is in Nederland een zomergast die in ons land verblijft van april tot in oktober.’’

5.2.5.2

Voorkomen en verspreiding

De soort broedt in kale tot schaars begroeide gebieden gelegen in een open landschap zoals stranden met primaire duintjes en zeedijken maar ook binnendijks als het maar schaars begroeid is. Volwassen vogels foerageren op droogvallende slikken en op vochtige natte delen van binnendijkse natuurbouwgebieden. De jongen zijn tijdens de eerste dagen afhankelijk van kleine insecten. Strandplevieren kunnen solitair broeden maar meestal broeden ze in los kolonieverband; 3-30 nesten bij elkaar (Arts et al., 2022). De strandplevier komt nog in lage aantallen voor rondom het Markiezaat. De soort is sterk afhankelijk van de beschikbaarheid van voldoende pioniersomstandigheden. Het aantal broedparen strandplevieren was in 2019 en 2020 respectievelijk vier en vijf. In 2021 betrof het vijf broedgevallen (Lilypally & Sluijter, 2022), waarbij mogelijk nesten zijn verdronken als gevolg van stijgend meerpeil of koud weer met buien in mei wat voor pullen catastrofaal kan zijn (Bult, 2021).

5.2.5.3

Trend

De broedvogeltrend van de strandplevier laat sinds 1990 een significante afname (>5%) per jaar zien (Figuur 5-5). Sinds 2008 is er geen trend aantoonbaar. Het gemiddelde aantal broedparen in de periode 2016-2020 bedraagt 2 broedpaartjes (Sovon.nl). De afname van strandplevier heeft te maken met de afname van pionier omstandigheden als broedgebied, als gebrek aan dynamiek na het afsluiten van het Markiezaat (Witteveen+Bos, 2018). De trend voor strandplevier als broedvogel voor het Deltagebied in de periode 2016-2021 is stabiel voor de laatste jaren, maar is vanaf 1980 sterk afgenomen (Lilypally & Sluijter, 2022). In het Deltagebied werden in 2021 164 broedparen vastgesteld. Dat is onder het instandhoudingsdoel van 220 paar voor het Deltagebied (Lilypally & Sluijter, 2022). Het broedsucces was met 0,36 vliegvlug jong/paar laag en slechter dan de periode 2018 t/m 2020 (Lilypally et al., 2022). De instandhoudingsdoelstelling van ten minste 220 broedparen in het Deltagebied wordt niet gehaald.

49

NATUURDOELANALYSE

Figuur 5-5. Aantal territoria van de strandplevier als broedvogel in het Natura 2000-gebied Markiezaat. Het aantal in het totale Natura 2000-gebied is weergegeven. De oranje lijn laat het gemiddelde over de laatste vijf jaren zien (bron: NEM (Sovon, CBS, provincies)).

5.2.5.4

Omvang en kwaliteit leefgebied

Het profielendocument (Ministerie van LNV, 2008k) beschrijft de leefgebieden van de strandplevier (broedvogel) als volgt: ” De strandplevier nestelt in kale of schaars begroeide open terreinen in de omgeving van grote open wateren, meestal zijn dat zoute of brakke wateren. Vaak broedt de vogel op rustige zandstranden, in zandduinen en op schelpenstranden. Oneffen terreinen en geheel onbeschutte stranden worden door deze soort gemeden. Tegenwoordig broedt de strandplevier in ons land vooral in het Deltagebied. Daarnaast komen kleinere aantallen tot broeden in het Waddengebied en langs de randen van het IJsselmeer. De huidige broedgebieden van de strandplevier zijn vooral drooggevallen platen en slikken en opgespoten terreinen, en verder, in mindere mate, binnendijkse natuurterreinen en getijdengebieden. De soort foerageert voornamelijk in de buurt van het nest, op vloedmerken en in de intergetijdengebieden. Vanwege de sterke voorkeur voor kale broedplaatsen is de soort zeer gevoelig voor successie waarbij de begroeiing dichter wordt en voor veranderingen in de balans tussen erosie en sedimentatie als gevolg van bijv. waterstaatkundige werken of klimaatsverandering” Voor de strandplevier zijn geen specifieke gegevens beschikbaar ten aanzien van omvang en kwaliteit leefgebied.

Met name de beschikbaarheid van pioniersomstandigheden lijkt van groot belang voor het aantal broedvogels. Deze pioniersomstandigheden zijn weer sterk afhankelijk van de waterstand. Als gevolg van verzoeting in combinatie met vegetatiesuccessie is het leefgebied voor de strandplevier de laatste jaren sterk afgenomen (van der Winden et al., 2017). Ook is de soort, bij broedgelegenheid aan land gevoelig voor predatie of vertrapping door vee (Witteveen+Bos, 2018). De strandplevier is net als de bontbekplevier gemiddeld gevoelig voor verstoring, maar wel zeer gevoelig voor verstoring van zijn leefgebied. Potentiële leefgebieden worden niet gebruikt vanwege recreatieve druk. Dit is in het Markiezaat niet aan de orde doordat het gebied niet toegankelijk is.

5.2.6

Samenvatting broedvogels

In Tabel 5-1 is een samenvatting opgenomen van de knelpunten van de vogelrichtlijnsoorten (broedvogels) in het Markiezaat. Uit de ecologische analyse van de vogelrichtlijnsoorten blijkt dat vertroebeling voor dodaars een knelpunt is en dat vegetatiesuccessie (mogelijk versneld door hoge stikstofdepositie) voor kluut, bontbekplevier en strandplevier het belangrijkste knelpunt is. Daarnaast zijn voor deze vier soorten de aantallen zo laag dat er geen trend bepaald kan worden en dat de bijdrage aan de instandhoudingsdoelstellingen beperkt is. 50

NATUURDOELANALYSE

Tabel 5-1. Samenvatting knelpunten vogelrichtlijnsoorten (broedvogels) in Markiezaat.

Code

Broedvogel

Doelstelling

Trend

A004

Dodaars

Onbekend

A034

Lepelaar

Behoud omvang en kwaliteit leefgebied met een draagkracht voor een populatie van ten minste 30 paren. Behoud omvang en kwaliteit leefgebied met een draagkracht voor een populatie van ten minste 20 paren. Behoud omvang en kwaliteit leefgebied als bijdrage aan de draagkracht voor de populatie van het Deltagebied van ten minste 2.000 paren.

Onbekend voor Markiezaat.

A132

A137

A138

Kluut

Bontbekplevier

Strandplevier

Positief (boven IHD)

Stabiel voor Deltagebied (boven IHD)

Behoud omvang en kwaliteit leefgebied als bijdrage aan de populatie van het Deltagebied van ten minste 105 paren.

Onbekend voor Markiezaat.

Behoud omvang en kwaliteit leefgebied als bijdrage aan de draagkracht voor de populatie van het Deltagebied van ten minste 220 paren.

Onbekend voor Markiezaat.

Stabiel voor Deltagebied (boven IHD)

Stabiel voor Deltagebied (boven IHD)

Knelpunten/ontbrekende informatie Knelpunt: Vertroebeling zorgt ervoor dat dodaars niet meer kan jagen in het Markiezaat.

Opgave

Knelpunt: De verhoogde predatiedruk doordat de Spuitkop bereikbaar is voor vossen.

Spuitkop onbereikbaar maken voor vossen voor behoud, want IHD wordt gehaald.

Ontbrekende informatie: In hoeverre het windpark en hoogspanningskabels een knelpunten vormen. Knelpunt: Oppervlakte pioniervegetatie neemt af (mogelijk versterkt door stikstofdepositie). Ontbrekende informatie: Mogelijk verstoring door laagvliegende helikopters en vliegtuigen van de luchtmacht. Mogelijk predatie of vertrapping van nesten door vee bij broeden aan land. Knelpunt: Oppervlakte pioniervegetatie neemt af (mogelijk versterkt door stikstofdepositie). Ontbrekende informatie: Mogelijk predatie of vertrapping van nesten door vee bij broeden aan land. Knelpunt: Oppervlakte pioniervegetatie neemt af (mogelijk versterkt door stikstofdepositie). Ontbrekende informatie: Mogelijk predatie of vertrapping van nesten door vee bij broeden aan land.

51

Verbeteren/ uitbreiden leefgebied want IHD wordt niet gehaald.

Pioniersomstandigheden verbeteren/ uitbreiden voor verbetering van de bijdrage aan de IHD voor het Deltagebied, welke wordt gehaald.

Pioniersomstandigheden verbeteren/ uitbreiden voor verbetering van de bijdrage aan de IHD voor het Deltagebied, welke wordt gehaald.

Pioniersomstandigheden verbeteren/ uitbreiden voor verbetering van de bijdrage aan de IHD voor het Deltagebied, welke wordt gehaald.

NATUURDOELANALYSE

5.3

Huidige situatie en trend niet-broedvogels – viseterszichtjagers

5.3.1

A005 Fuut

De instandhoudingsdoelstellingen van de soort is voor foerageergebied behoud van omvang en kwaliteit leefgebied met een draagkracht voor een populatie van 200 futen (seizoensgemiddelde).

5.3.1.1

Beschrijving fuut

De volgende tekst is afkomstig uit het profieldocument voor deze soort (Ministerie van LNV, 2008): “De fuut is in ons land de grootste soort van zijn geslacht. Het is een middelgrote duikende watervogel met in de broedtijd een opvallende kuif. In Nederland is de soort het gehele jaar aanwezig. Futen foerageren in het algemeen duikend, meestal laten ze korte duikbewegingen zien van minder dan 30 seconden. De fuut achtervolgt zijn prooi onder water. In plantenrijk, helder water foerageert hij echter soms vanaf het oppervlak. Hij kijkt dan met de kop onder water.”

5.3.1.2

Voorkomen en verspreiding

De fuut wordt in het Markiezaat waargenomen op openwater of oeverzones, waar deze jaagt op vissen en andere bodemfauna.

5.3.1.3

Trend

In Figuur 5-6 is de trend weergegeven voor de fuut als watervogel in het Markiezaat. Voor de laatste 12 jaar is geen trend aantoonbaar. Wel is duidelijk dat in het verleden, voor de aanleg van de Markiezaatkade, de aantallen hoger lagen en langzaam zijn afgenomen. Tussen 1975 en 1993 nam de landelijke trend in het aantal futen landelijk toe (zie Figuur 5-7). Hierna volgde een afname en vervolgens een stabilisatie. De afname in het aantal futen in het Markiezaat vond rond dezelfde periode plaats als de landelijke afname. De landelijke afname was echter kleiner en stabiliseerde daarna. Voor de landelijke achteruitgang is geen specifieke oorzaak gegeven (Witteveen+Bos, 2018). Voor het Markiezaat is het steeds verder vertroebelen van het water de voornaamste oorzaak van achteruitgang. Door het troebele water is het voor de fuut steeds lastiger jagen. In 2018/2019 bedroeg het seizoensgemiddelde 52 individuen, gegevens uit 2019/2020 waren niet beschikbaar. Daarmee wordt niet voldaan aan het seizoensgemiddelde van 200 individuen.

52

NATUURDOELANALYSE

Figuur 5-6. Aanwezigheid van de fuut in het Markiezaat in de periode 1975 – 2019. Deze grafiek is gebaseerd op het Meetnet Watervogels (seizoen juli t/m juni). Weergegeven is het seizoensgemiddelde (rode punten), de trendlijn (donkerblauwe lijn) en het 95% betrouwbaarheidsinterval van de trendlijn (lichtblauwe lijn). De groene lijn geeft de instandhoudingsdoelstelling voor de soort weer en de oranje lijn geeft het gemiddelde over de laatste vijf seizoenen weer. Bron: https://stats.sovon.nl/stats/gebied/1000127, geraadpleegd op 08-06-2022.

Figuur 5-7. Aanwezigheid van de fuut in Nederland in de periode 1975-2018. Deze grafiek is gebaseerd op het Meetnet Watervogels en systematische waarnemingen van trekkende vogels (seizoen juli t/m juni). Weergegeven is het seizoensgemiddelde per seizoen (rode punten), de trendlijn (donker gekleurde lijn) en het 95% betrouwbaarheidsinterval van de trendlijn (lichtblauwe lijn) (bron: https://stats.sovon.nl/stats/soorten, geraadpleegd op 06-10-2022).

5.3.1.4

Omvang en kwaliteit leefgebied

Het profielendocument (Ministerie van LNV, 2008k) beschrijft de leefgebieden van de fuut (foerageergebied) als volgt: “De fuut is een viseter van vooral kleine vis van 2-10 cm (max 25 cm). In het IJsselmeer bestaat een groot deel van zijn voedsel uit spiering, elders is vaak vooral blankvoorn belangrijk, en in sommige situaties stekelbaars. 53

NATUURDOELANALYSE

De aantallen reageren snel op afname van de voedselbeschikbaarheid. Zulk een afname kan bijvoorbeeld optreden als gevolg van veranderingen in waterkwaliteit en afname van doorzicht, als gevolg van visserij of klimaatsverandering. Een watertemperatuurverhoging heeft vooral effect op spiering.” Voor de fuut zijn geen specifieke gegevens beschikbaar ten aanzien van omvang en kwaliteit leefgebied. Uit de visstand bemonsteringen blijkt dat o.a. aal, brasem, giebel, karper en snoekbaars, rietvoorn in geschikte lengteklassen voor de fuut voorkomen. Echter vertegenwoordigen deze lengteklassen ongeveer 2,5 kg/ha, minder dan 2% van de totale geschatte biomassa vis (van de Ven & Koole, 2020). Voor de fuut is wel duidelijk dat het troebeler worden en de matige waterkwaliteit negatief is geweest. Het troebeler worden heeft ervoor gezorgd dat het vangen van prooien lastiger is geworden. De waterkwaliteit heeft waarschijnlijk zijn invloed gehad op kwantiteit en kwaliteit van prooidieren. In de huidige situatie wordt de fuut nog in beperkte aantallen waargenomen, waarbij ook een aantal waarnemingen zijn gedaan in Klein Markiezaat, een moeraszone met zoet kwelwater. Voor de fuut is rust in de ruitijd van belang omdat in deze periode het vliegvermogen beperkt is. De soort is vooral gevoelig voor water- en oeverrecreatie.

Binnen Markiezaat is hier echt maar zeer beperkt sprake van omdat het Markiezaat niet toegankelijk is. Rust is dan ook geen knelpunt voor de fuut.

5.3.2

A008 Geoorde fuut

De instandhoudingsdoelstellingen van de soort is voor foerageergebied behoud van omvang en kwaliteit leefgebied met een draagkracht voor een populatie van gemiddeld 50 geoorde futen (seizoensgemiddelde).

5.3.2.1

Beschrijving geoorde fuut

De volgende tekst is afkomstig uit het profieldocument voor deze soort (Ministerie van LNV, 2008): “De geoorde fuut is een kleine fuutachtige waarvan het mannetje in de broedtijd een donker verenkleed heeft en een opvallend contrasterende gele oorpluim. Het is een broedvogel van ondiepe wateren, vaak broedt de soort in heidevennen met een kokmeeuwenkolonie of in duinmeren. De geoorde fuut heeft een zeer ruim broedgebied: het strekt zich uit over het centrale deel van geheel Eurazië en over Noord- en Oost-Afrika (ondersoort nigricollis), west- en centraal NoordAmerika, en Zuid-Afrika. De geoorde futen die in Nederland verblijven, als broedvogel, doortrekker of overwinteraar, behoren tot de ondersoort nigricollis. Die ondersoort overwintert in West- en Zuid-Europa, het Midden-Oosten, Japan en Zuid-China. In Nederland is hij het gehele jaar aanwezig. Buiten het broedseizoen blijft de verspreiding vrijwel geheel beperkt tot brakke en zoute wateren. De broedplaatsen worden in de nazomer verlaten. De Nederlandse geoorde futen verzamelen zich dan op de grotere wateren samen met de vogels die uit o.a. Denemarken, Duitsland en waarschijnlijk in toenemende mate ook uit Oost-Europa komen. In ons land zijn de aantallen van deze soort verreweg het hoogst tijdens de najaarstrek in augustus-oktober.

De aantallen overwinteraars zijn veel lager en er is slechts een klein ‘doortrekpiekje’ in maart.”

5.3.2.2

Voorkomen en verspreiding

Voor de geoorde fuut zijn geen verspreidingsgegevens beschikbaar voor het Markiezaat. Op basis van de beschikbare telgegevens in de NDFF kan geen specifiek beeld verkregen worden van de verspreiding van de geoorde fuut.

5.3.2.3

Trend

In Figuur 5-8 is de trend weergegeven voor de geoorde fuut als watervogel in het Markiezaat. Voor zowel de laatste 12 jaar als vanaf 1986 is geen trend te bepalen. In 2018/2019 bedroeg het seizoensgemiddelde 8 individuen, gegevens uit 2019/2020 waren niet beschikbaar. In 2017 werd nog een toename gerapporteerd (van der Winden et al., 2017), maar deze lijkt niet meer actueel. Landelijk is het aantal geoorde futen van 1975 tot aan 2005 toegenomen en daarna is het aantal in de afgelopen 12 jaar weer significant afgenomen (zie Figuur 5-9). De trend van het Markiezaat loopt niet synchroon met de landelijke of Delta trend. Vanaf 2000 tot 2005 is de landelijke stand hoog, maar dalen de aantallen in het Markiezaat (Witteveen+Bos, 2018). Dit is mogelijk te wijten aan het steeds verder vertroebelen van het water waardoor zichtjagers problemen krijgen met jagen (Witteveen+Bos, 2018). In 2018/2019 bedroeg het seizoensgemiddelde 8 individuen, gegevens uit 2019/2020 waren niet beschikbaar. Daarmee wordt niet voldaan aan het seizoensgemiddelde van 50 individuen. 54

NATUURDOELANALYSE

Figuur 5-8. Aanwezigheid van de geoorde fuut in het Markiezaat in de periode 1975 – 2019. Deze grafiek is gebaseerd op het Meetnet Watervogels (seizoen juli t/m juni). Weergegeven is het seizoensgemiddelde (rode punten), de trendlijn (donkerblauwe lijn) en het 95% betrouwbaarheidsinterval van de trendlijn (lichtblauwe lijn). De groene lijn geeft de instandhoudingsdoelstelling voor de soort weer en de oranje lijn geeft het gemiddelde over de laatste vijf seizoenen weer (bron: https://stats.sovon.nl/stats/gebied/1000127, geraadpleegd op 08-06-2022).

Figuur 5-9. Aanwezigheid van de geoorde fuut in Nederland in de periode 1975 – 2019. Deze grafiek is gebaseerd op het Meetnet Watervogels (seizoen juli t/m juni). Weergegeven is het seizoensgemiddelde (rode punten), de trendlijn (donkerblauwe lijn) en het 95% betrouwbaarheidsinterval van de trendlijn (lichtblauwe lijn) (bron: https://stats.sovon.nl/stats/soorten, geraadpleegd op 06-102022).

55

NATUURDOELANALYSE

5.3.2.4

Omvang en kwaliteit leefgebied

Het profielendocument (Ministerie van LNV, 2008k) beschrijft de leefgebieden van de geoorde fuut (foerageergebied) als volgt: “Buiten het broedseizoen is de geoorde fuut vooral kustgebonden. Kleine aantallen zijn ook te vinden in waterrijke gebieden in het binnenland. De soort foerageert en rust in kustwateren vooral in geulen en prielen die tot 3 m diep zijn. Plaatselijk zijn geoorde futen in kustwateren relatief talrijk, zoals bijvoorbeeld in diverse bekkens in de Delta en lokaal langs de oostkust van Texel. Laatstgenoemde locatie is waarschijnlijk belangrijk voor de soort vanwege de aanwezigheid van (‘sublitorale’) mosselbanken en de daarbij behorende begeleidende fauna van kleine vissen en kreeftachtigen. Op brak- en zoetwatermeren zoekt de geoorde fuut zijn voedsel met name op ondiepe plaatsen of op de overgang van ondiep naar diep water.” Voor de geoorde fuut zijn geen specifieke gegevens beschikbaar ten aanzien van omvang en kwaliteit leefgebied. Wel voldoet het Markiezaat als ondiep water. In hoeverre nog voldoende waterinsecten, weekdieren, kreeftjes en vissen in het brakke Markiezaat voorkomen is onduidelijk. Daarnaast zorgt het troebeler worden van het water ook voor lastigere jacht omstandigheden. Het huidige troebele water en beperkt voedselaanbod zijn dus mogelijke een knelpunten voor de geoorde fuut.

De geoorde fuut is gemiddeld tot groot verstoringsgevoelig, met name voor waterrecreatie. Buiten het broedseizoen is de soort echter minder gevoelig, uitgezonderd de ruiperiode. Verstoring door o.a. waterrecreatie is niet aan de orde omdat het Markiezaat niet toegankelijk is. Rust is daarmee geen knelpunt voor de geoorde fuut.

5.3.3

A017 Aalscholver

De instandhoudingsdoelstellingen van de soort is voor slaap- en rustplaats behoud van omvang en kwaliteit leefgebied met een draagkracht voor een populatie van gemiddeld 680 aalscholvers (seizoensmaximum).

5.3.3.1

Beschrijving aalscholver

De volgende tekst is afkomstig uit het profieldocument voor deze soort (Ministerie van LNV, 2008): ”De aalscholver is een grote, donkergekleurde visetende watervogel, die in kolonies broedt in (moeras)bos met uitgestrekte visrijke wateren binnen vliegafstand. Het is een uitstekende duiker die echter zijn verenkleed na de duik moet laten drogen. Anders dan veel watervogels kan de aalscholver zijn veren niet waterafstotend maken door ze in te vetten – hij heeft geen vetklier. In Nederland is de vogel het gehele jaar aanwezig, als broedvogel, doortrekker of overwinteraar. Het is in ons land een broedvogel in grote en kleine kolonies, met naar schatting 18.000-20.000 paren in 1998-2000, een forse toename t.o.v. de 3000 broedparen in 1977. De broedgebieden van de aalscholver liggen langs de kusten van Noord-Amerika, Groenland en NWEuropa, in Midden- en Zuid-Europa, Midden-Oosten, Centraal en Zuid-Azië, langs de kust van NWAfrika, Oost- en Zuid-Afrika en Australië en Nieuw-Zeeland. De Nederlandse broedvogels en het overgrote deel van de niet-broedvogels die in ons land komen behoren tot de ondersoort P. c. sinensis. De meeste van de in Nederland broedende aalscholvers trekken in het najaar naar Frankrijk en verder naar het zuiden, tot aan Noord-Afrika. In Nederland verschijnen dan de Deense broedvogels en hun jongen.

Maximum aantallen bereikt de soort in ons land tijdens de najaarstrek in september. De aantallen in november-februari zijn relatief laag.”

5.3.3.2

Voorkomen en verspreiding

De aalscholver wordt in het Markiezaat vooral op het water waargenomen, waar deze jaagt, of op het land waar deze kan rusten.

5.3.3.3

Trend

In Figuur 5-10 is de trend weergegeven voor de aalscholver als watervogel in het Markiezaat. Voor zowel de laatste 12 jaar als vanaf 1994 is de trend significante afname <5% per jaar. De landelijke trend in het aantal aalscholvers is significant positief met een toename van <5% per jaar (zie Figuur 5-11). De laatste twaalf jaar daarentegen, is er geen significante aantalsverandering waargenomen. De initiële toename van de soort is te danken aan meer bescherming en verbetering van waterkwaliteit (Vogelbescherming, z.d.a).

56

NATUURDOELANALYSE

De trend in het Markiezaat en landelijk lopen daarmee niet parallel. Het is zeer aannemelijk dat de aalscholvers in het Markiezaat last hebben van verdere vertroebeling van het water, waardoor de soort minder goed kan jagen (Witteveen+Bos, 2018). Daarnaast kan de soort grote afstanden afleggen naar zijn foerageergebieden (tot 20 km buiten de broedtijd) en is het daarom aannemelijk dat de aalscholver zijn voedsel in nabijgelegen gebieden haalt. In 2018/2019 bedroeg het seizoensgemiddelde 178 individuen, gegevens uit 2019/2020 gaven 50 individuen als seizoensgemiddelde. Daarmee wordt niet voldaan aan het seizoensgemiddelde van 680 individuen.

. Figuur 5-10. Aanwezigheid van de aalscholver in Nederland in de periode 1975 – 2019. Deze grafiek is gebaseerd op het Meetnet Watervogels (seizoen juli t/m juni). Weergegeven zijn het seizoensmaximum (rode punten), de trendlijn (donkerblauwe lijn) en het 95% betrouwbaarheidsinterval van de trendlijn (lichtblauwe lijn). In groen wordt de instandshoudingsdoelstelling voor de soort weergegeven. De oranje lijn geeft het gemiddelde over de laatste vijf seizoenen (bron: https://stats.sovon.nl/stats/soorten, geraadpleegd op 08-06-2022).

57

NATUURDOELANALYSE

Figuur 5-11 Aanwezigheid van de aalscholver in Nederland in de periode 1975 – 2019. Deze grafiek is gebaseerd op het Meetnet Watervogels en systematische vliegtuigtellingen op de Noordzee (seizoen juli t/m juni). Weergegeven is het seizoensgemiddelde per seizoen (rode punten), de trendlijn (donkerblauwe lijn) en het 95% betrouwbaarheidsinterval van de trendlijn (lichtblauwe lijn) (bron: https://stats.sovon.nl/stats/soorten, geraadpleegd op 08-06-2022).

5.3.3.4

Omvang en kwaliteit leefgebied

Het profielendocument (Ministerie van LNV, 2008k) beschrijft de leefgebieden van de geoorde fuut (foerageergebied) als volgt: “In ons land zijn aalscholvers zowel te zien in zoete als zoute wateren met goede vispopulaties. De grootste aantallen bereikt de soort op grotere meren en plassen en in het Deltagebied, de Waddenzee en in de daaraan grenzende kustzone van de Noordzee. Bij beperkt doorzicht van het water gaan de aalscholvers groepsgewijs vissen. Deze manier van vissen levert per vogel soms meer op dan alleen vissen in helder water. Vermesting die resulteert in algenbloei leidt echter tot voor de aalscholver ongeschikt viswater. Het water heeft dan te weinig doorzicht en een te eenzijdig voedselaanbod. Brasems die te groot zijn om als voedsel voor de aalscholvers te dienen overheersen dan vaak. De aalscholver maakt gebruik van gemeenschappelijke rust- en slaapplaatsen, vaak zijn die goed herkenbaar door de ophoping van vogelmest (‘guano’). Meestal bevinden die locaties zich op grote afstand van potentiële verstoringsbronnen, het zijn bijv. eilandjes met bomen, in het water staande hoogspanningsmasten, onbewoonde waden zandplaten en rustig gelegen Noordzeestranden. De aalscholvers leggen grote afstanden af bij het op en neer vliegen tussen slaap- en rustplaats en voedselgebieden, soms vliegen ze daarbij tientallen kilometers ver.

Een deel van de aalscholvers is plaats trouw en gebruikt steeds dezelfde rust- en slaapplaats.” Gezien het doel als slaap- en rustplaats is afstand tot potentiële verstoringsbronnen van belang. Gezien het Markiezaat niet toegankelijk is en een afzonderlijk broedeiland met bomen kent, wordt hiermee voldaan. Het belang van Markiezaat als foerageergebied zal beperkt van belang zijn, gezien het zeer troebele water en dat aalscholver makkelijk kilometers kan vliegen voor goede foerageergebieden. De aalscholver vermijdt rust- en slaapplekken die regelmatig verstoord worden. Gezien het Markiezaat niet toegankelijk is, worden de rust- en slaapplekken ook niet verstoord en is rust geen knelpunt voor de aalscholver.

58

NATUURDOELANALYSE

5.4

Huidige situatie en trend niet-broedvogels – viseterswaadvogels

5.4.1

A034 Lepelaar

De instandhoudingsdoelstellingen van de soort voor foerageergebied zijn behoud van omvang en kwaliteit leefgebied met een draagkracht voor een populatie van gemiddeld 50 lepelaars (seizoensgemiddelde).

5.4.1.1

Beschrijving lepelaar

De volgende tekst is afkomstig uit het profieldocument voor deze soort (Ministerie van LNV, 2008): “De lepelaar is een forse, overwegend witte, waadvogel, die zijn naam dankt aan de kenmerkende afgeplatte snavel. Het is een vogel van ondiepe wateren, zowel zoute als zoete en hij leeft van kleine vissen en garnalen. De broedkolonies liggen in moerassen en op eilanden. De lepelaar heeft een versnipperd broedgebied dat zich uitstrekt over Centraal- en Zuidoost-Europa, Centraal- en Zuidwest-Azië, Mauritanië en Noordoost-Afrika. De ondersoort (‘nominate’ ondersoort leucorodia) die in Europa voorkomt overwintert rond de Middellandse Zee en langs de West-Afrikaanse kust tot in het noorden van tropisch Afrika. Onze Nederlandse broedvogels horen bij deze ondersoort en overwinteren in WestAfrika. “

5.4.1.2

Voorkomen en verspreiding

Voor de lepelaar is het voorkomen als broedvogel binnen het Markiezaat bekend. Het belang en functie van het Markiezaat als foerageergebied is niet specifiek beschreven in de beschikbare rapportages. Op basis van de beschikbare telgegevens in de NDFF kan geen specifiek beeld verkregen worden van de verspreiding van de lepelaar.

5.4.1.3

Trend

In Figuur 5-12 is de trend weergegeven voor de lepelaar als watervogel in het Markiezaat. Voor de laatste 12 jaar is de trend: geen significante verandering in aantal. Vanaf 1999 is de trend significante toename, <5% per jaar.

Figuur 5-12. Seizoensgemiddelde van de lepelaar als niet-broedvogel in het Natura 2000-gebied Markiezaat. Het aantal in het totale Vogelrichtlijngebied is weergegeven (bron: https://stats.sovon.nl/stats/gebied/1000127, geraadpleegd augustus 2022).

59

NATUURDOELANALYSE

De toename van de trend is mogelijk te verklaren door het succes van de broedkolonie lepelaars op de Spuitkop. Ook kunnen de andere kolonies die foerageren in het Markiezaat hier invloed op hebben, de foerageerafstand van de lepelaar is namelijk buiten het broedseizoen tot 15 km en in het broedseizoen 40 km. Het troebeler worden van het Markiezaat vormt niet tot nauwelijks een probleem voor de lepelaar, doordat de soort al wadend in ondiep water kan foerageren (Witteveen+Bos, 2018). In 2018/2019 bedroeg het seizoensgemiddelde 143 individuen, gegevens uit 2019/2020 gaven 101 individuen als seizoensgemiddelde. Daarmee wordt voldaan aan het seizoensgemiddelde van 50 individuen.

5.4.1.4

Omvang en kwaliteit leefgebied

Het profielendocument (Ministerie van LNV, 2008k) beschrijft de leefgebieden van de lepelaar (foerageergebied) als volgt: “De voedselbiotoop bestaat uit zoete en zoute waterpartijen met veel ondiep (10-30 cm), helder en visrijk water, bij voorkeur in moerasgebieden of in geulen en plassen op droogvallende platen in intergetijdengebied. De lepelaars zoeken hun voedsel evenwel ook veel op natte graslanden en in sloten in het boerenland. In de nazomer concentreren de lepelaars zich in gebieden met een gunstig voedselaanbod en veilige rustplaatsen zoals in de grotere ‘wetlands’, Lauwersmeer, Friese IJsselmeerkust, Oostvaardersplassen en Deltagebied. Ook concentreren ze zich in grote ondiepe plassen en merengebieden, vooral van de natuurterreinen. Op deze pleisterplaatsen brengen Lepelaars een deel van de rui door en bouwen ze reserves op voor de trek naar de Afrikaanse winterkwartieren. Geschikte voedselgebieden zijn gebieden met een vaste bodem, een matig dichte begroeiing en een hoge dichtheid aan prooidieren. Rustplaatsen en voedselgebieden van de niet-broedende lepelaars liggen meestal op korte afstand in hetzelfde gebied. Lepelaars zoek zowel overdag als ’s nachts naar voedsel, en volgen in het intergetijdengebied het getijdenritme.” Onduidelijk is in hoeverre het Markiezaat een bijdrage levert als foerageergebied.

Het gebied is wel ondiep en redelijk visrijk, maar betreft geen helder water. Uit eerdere onderzoeken en analyses blijkt dat de lepelaar wel helder water prefereert maar dit in het Markiezaat niet problematisch is omdat de soort al wadend kan foerageren (Witteveen+Bos, 2018). Daarnaast liggen andere geschikte foerageergebieden in de Delta op korte afstand en zijn deze goed bereikbaar. Verstoring door betreding van de mens is niet aan de orde, omdat het Markiezaat niet toegankelijk is voor bezoekers.

5.5

Huidige situatie en trend niet-broedvogels – graseters – vogels van akkers en graslanden

5.5.1

A037 Kleine zwaan

De instandhoudingsdoelstellingen van de soort voor foerageergebied is behoud van omvang en kwaliteit leefgebied met een draagkracht voor een populatie van gemiddeld 30 kleine zwanen (seizoensgemiddelde).

5.5.1.1

Beschrijving kleine zwaan

De volgende tekst is afkomstig uit het profieldocument voor deze soort (Ministerie van LNV, 2008): “De kleine zwaan is wat kleiner dan de knobbelzwaan en is verder herkenbaar aan een gele snavelbasis en een voor een zwaan relatief korte hals. In Nederland is de kleine zwaan alleen in de winter aanwezig. De soort arriveert in oktober vanuit arctisch Rusland na tussenstops in o.a. Estland in ons land en trekt afhankelijk van weersomstandigheden deels door naar Engeland. In Nederland worden de hoogste aantallen in november-januari aangetroffen. De kleine zwaan trekt weer weg naar het noorden in februari/maart.”

5.5.1.2

Voorkomen en verspreiding

De kleine zwaan wordt in het Markiezaat voornamelijk op openwater waargenomen waar de soort rust.

5.5.1.3

Trend

In Figuur 5-13 is de trend weergegeven voor de kleine zwaan als watervogel in het Markiezaat. Vanaf 1985 is de trend een significante toename, <5% per jaar. Voor de laatste 12 jaar is dit echter een significante afname, >5% per jaar. 60

NATUURDOELANALYSE

De landelijke trend van de hoeveelheid kleine zwanen was over de afgelopen twaalf jaar negatief met een afname van >5% per jaar (zie Figuur 5-12). De landelijke afname hangt samen met een tegenvallend broedsucces. Al vele jaren is het aandeel jongen in de wintergroepen onder de 12%. Dit betekent dat het aandeel jongen kleiner is dan de hoeveelheid volwassen vogels die jaarlijks sterft (Vogelbescherming, z.d.-b). Daarnaast verblijven kleine zwanen steeds korter in Nederland, wat in verband wordt gebracht met warmere winters (Sovon, 2020). Voor het lage broedsucces op de Russische toendra is nog geen precieze oorzaak gevonden (Sovon, 2016). Mogelijk hangt de recente afname van kleine zwanen in het Markiezaat samen met deze landelijke afname. In 2018/2019 bedroeg het seizoensgemiddelde 27 individuen, gegevens uit 2019/2020 gaven 4 individuen als seizoensgemiddelde. In 2021/2022 werden gemiddeld 57 individuen geteld in de maanden november, december en januari. Markiezaat is daarmee een relatief belangrijke plek voor kleine zwaan, zeker ten opzichte van de rest van de Delta (Straalen et al., 2022). Daarmee wordt voldaan aan het seizoensgemiddelde van 30 individuen.

Figuur 5-13. Seizoensgemiddelde van de kleine zwaan in het Markiezaat in de periode 1975 – 2019. Deze grafiek is gebaseerd op het Meetnet Watervogels (seizoen juli t/m juni). Weergegeven is het seizoensgemiddelde (rode punten), de trendlijn (donkerblauwe lijn) en het 95% betrouwbaarheidsinterval van de trendlijn (lichtblauwe lijn). De groene lijn geeft de instandhoudingsdoelstelling voor de soort weer en de oranje lijn geeft het gemiddelde over de laatste vijf seizoenen weer (bron: https://stats.sovon.nl/stats/gebied/1000127, geraadpleegd op 08-06-2022).

61

NATUURDOELANALYSE

Figuur 5-14. Seizoensgemiddelde van de kleine zwaan in Nederland in de periode 1975 – 2019. Deze grafiek is gebaseerd op het Meetnet Watervogels (seizoen juli t/m juni). Weergegeven is het seizoensgemiddelde (rode punten), de trendlijn (donkerblauwe lijn) en het 95% betrouwbaarheidsinterval van de trendlijn (lichtblauwe lijn). De oranje lijn geeft het gemiddelde over de laatste vijf seizoenen weer (bron: https://stats.sovon.nl/stats/soorten, geraadpleegd op 08-06-2022).

5.5.1.4

Omvang en kwaliteit leefgebied

Het profielendocument (Ministerie van LNV, 208) beschrijft de leefgebieden van de kleine zwaan (foerageergebied) als volgt: “De wilde zwanen leven in gebieden met een combinatie van grote wateren (hun slaapplaats) en uitgestrekte akkers, graslandpolders of uiterwaarden (hun foerageergebied). De voedselbiotoop bestaat bij voorkeur uit akkers en natte, vaak ondergelopen graslanden met een korte vegetatie. Vooral in het najaar en in de winter foerageert een klein deel van de wilde zwanen in het water, vooral op wortelstokken van oevervegetaties. Zijn rustbiotoop bestaat uit zoete of zoute wateren, ondergelopen boezemlanden en zomerpolders, zand- en modderbanken. De plaatsen moeten vrij zijn van verstoring en niet toegankelijk voor roofdieren zoals vossen. Ze kunnen tot op enkele tientallen kilometers van de foerageergebieden liggen.” Binnen het Markiezaat heerst voldoende rust doordat het gebied niet toegankelijk is. Daarnaast kunnen zowel de moerassen met rietvegetaties als de begraasde graslanden en mogelijk zelfs pioniervegetaties dienen als foerageergebied voor de kleine zwaan. Delen van het Markiezaat zijn in de winter lastig te bereiken voor vossen door de waterstand. Daarnaast liggen rondom het Markiezaat nog landbouwpolders en andere Delta wateren, wat een afwisselend geheel aan foerageergebieden biedt.

5.5.2

A043 Grauwe gans

De instandhoudingsdoelstelling van deze soort voor slaap- en rustplaats en foerageergebied is behoud van de omvang en kwaliteit leefgebied met een draagkracht voor een populatie van gemiddeld 510 grauwe ganzen (seizoensgemiddelde).

5.5.2.1

Beschrijving grauwe gans

De volgende tekst is afkomstig uit het profieldocument voor deze soort (Ministerie van LNV, 2008): “De grauwe gans is een grote ganzensoort. De bij ons voorkomende ondersoort is te herkennen aan een opvallende oranje snavel, roze poten en lichtgrijze voorvleugels. In Nederland is de soort het hele jaar door aanwezig. De broedpopulatie is toegenomen van 100-150 paar in 1977 tot 5.000 paren in 1998-2000. Dat is een forse aanwas, maar de broedpopulatie is nog steeds klein vergeleken met de doortrekkende en overwinterende aantallen. 62

NATUURDOELANALYSE

Deze grauwe ganzen zijn, afgezien van de Nederlandse broedvogels die grotendeels in eigen land overwinteren, vooral afkomstig uit de broedgebieden in Scandinavië en Duitsland. De overwinteraars arriveren in ons land vanaf september en een wellicht steeds kleiner wordend aandeel daarvan vliegt door naar Spanje. In februari en maart vertrekken de overwinteraars weer naar het noorden om te gaan broeden.”

5.5.2.2

Voorkomen en verspreiding

In Figuur 5-15 is de verspreiding van slaapplaatsen en bijbehorende vliegbewegingen van ganzen, waaronder grauwe gans in het Markiezaat weergegeven.

Figuur 5-15. Slaapplaatsen van vogels in het Markiezaat. Bron: Straalen et al., 2022.

63

NATUURDOELANALYSE

5.5.2.3

Trend

In Figuur 5-16 is de trend weergegeven voor de seizoensgemiddelde van de grauwe gans in het Markiezaat. Voor de periode vanaf 1980 is de trend een significante toename, >5% per jaar. De trend voor de laatste 12 jaar is stabiel. Figuur 5-17 geeft de trend voor de grauwe gans als slaapplek binnen Markiezaat. Voor deze telling is nog geen trend aantoonbaar. Waarschijnlijk als gevolg van de relatief korte telreeks. In 2018/2019 bedroeg het seizoensgemiddelde 320 foeragerende individuen, gegevens uit 2019/2020 gaven 553 foeragerende individuen als seizoensgemiddelde. Daarmee wordt net voldaan aan het seizoensgemiddelde van 510 individuen. Het is onduidelijk wat de oorzaak is van de toename van het aantal foeragerende ganzen tot net boven het instandhoudingsdoel. Dit maakt ook dat het onduidelijk is of hier mogelijk sprake is van een trendbreuk en het gebied mogelijk meer geschikt geraakt is voor grauwe gans of dat het gaat om een incidentele toename. In 2018/2019 bedroeg het seizoensgemiddelde 3121 slapende individuen, gegevens uit 2019/2020 gaven 1569 foeragerende individuen als seizoensgemiddelde. In 2021/2022 werden in de maanden november, december en januari gemiddeld 1087 slapende individuen waargenomen (van Straalen et al., 2022). Deze slaapplaatsen zijn weergegeven in Figuur 5-15. Daarmee wordt ruim voldaan aan het seizoensgemiddelde van 510 individuen.

Figuur 5-16. Seizoensgemiddelde van de grauwe gans als niet-broedvogel in het Natura 2000-gebied Markiezaat. Het aantal in het totale Vogelrichtlijngebied is weergegeven (bron: https://stats.sovon.nl/stats/gebied/1000127, geraadpleegd augustus 2022).

64

NATUURDOELANALYSE

Figuur 5-17. Seizoensgemiddelde van de grauwe gans voor slaapplaats in het Natura 2000-gebied Markiezaat. Het aantal in het totale Vogelrichtlijngebied is weergegeven (bron: https://stats.sovon.nl/stats/gebied/1000127, geraadpleegd augustus 2022).

5.5.2.4

Omvang en kwaliteit leefgebied

Het profielendocument (Ministerie van LNV, 2008k) beschrijft de leefgebieden van de grauwe gans als volgt: “De grauwe gans verblijft overwegend in agrarisch gebied. Meer dan andere ganzensoorten is de grauwe gans ook in moerassen en estuaria te zien. De soort is minder gebonden aan open landschappen. In de winter, in december en januari, leeft de soort zelfs overwegend in moerassen of ‘wetlands’. Voedselterreinen en slaapplaatsen liggen traditioneel vast, net als bij andere ganzen. De afstanden daartussen zijn bij de grauwe gans vaak relatief kort, in de regel kleiner dan 10 km. In het najaar, augustus-november, verblijven de grauwe ganzen in de akkergebieden en in november verhuizen ze naar de wetlands en graslanden. De vogels die niet broeden trekken zich voor de vleugelrui (eind mei-begin juli) terug op speciale ruiplaatsen in ontoegankelijke moerasgebieden of in waterplassen (o.a. Oostvaardersplassen en Middenlimburgse Maasplassen). Ze blijven daar ongeveer een maand.” Voor de grauwe gans geldt net als de kleine zwaan dat het Markiezaat verschillende biotopen als foerageergebied biedt. Er zijn zowel zones met moeras met riet als graslanden op de randen van het Markiezaat. Daarnaast liggen rond het Markiezaat nog landbouwpolders. Daarmee voldoet het Markiezaat als foerageergebied. Voor de slaapplaats is rust van groot belang.

De grauwe gans is relatief minder gevoelig voor verstoring, doordat deze vaak in kleine groepen voorkomt. Daarnaast is in het Markiezaat geen recreatie, wat zorgt voor voldoende rust. Wel wordt melding gemaakt van verstoring door windmolens, hoogspanningsleidingen en vliegverkeer. Die kunnen een barrière vormen tussen slaapplaats en foerageergebied en belangrijke leefgebieden verstoren.

5.5.3

A045 Brandgans

De instandhoudingsdoelstelling van deze soort voor slaap- en rustplaats en foerageergebied is behoud van de omvang en kwaliteit leefgebied met een draagkracht voor een populatie van gemiddeld 130 brandganzen (seizoensgemiddelde).

5.5.3.1

Beschrijving brandgans

De volgende tekst is afkomstig uit het profieldocument voor deze soort (Ministerie van LNV, 2008): “De brandgans is een opvallende gans met een zwarte hals en borst en daarmee contrasterende witte wangen. Tot voor kort was hij in Nederland alleen in de winter aanwezig, maar sinds 1984 is ook sprake van een broedpopulatie, die is toegenomen tot 2000-2500 vogels in 2002. 65

NATUURDOELANALYSE

De broedpopulatie is echter nog altijd klein vergeleken met de in Nederland overwinterende aantallen. Van de Russische en Baltische broedvogels arriveert vanaf oktober een zeer groot deel in Nederland. Ze overwinteren relatief lang in Nederland en vertrekken pas in april en mei weer naar de broedgebieden. In januari zijn de maximale aantallen aanwezig.”

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=woensdrecht&id=54a8ee1d-f1e4-4de5-b547-e365b33352fa