CConstaterende datwoensdrecht
Koppel je AI →
Document · PDF

Natuurdoelanalyse 127 Markiezaat.pdf

Themabijeenkomst 30 maart 2023, gemeente woensdrechtBij agendapunt: 20.30-21.00 uur: Inzoomen op gebied: stikstof op de Brabantse Wal en Markiezaat38.317 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 5 van 5

Figuur 5-36. Seizoensgemiddelde van de wintertaling als niet-broedvogel in het Natura 2000-gebied Markiezaat. Het aantal in het totale Vogelrichtlijngebied is weergegeven (bron: https://stats.sovon.nl/stats/gebied/1000127, geraadpleegd augustus 2022).

89

NATUURDOELANALYSE

5.7.2.4

Omvang en kwaliteit leefgebied

Het profielendocument (Ministerie van LNV, 2008k) beschrijft de leefgebieden van de wintertaling (niet-broedvogel) als volgt: “Het leefgebied van de wintertaling beslaat zowel zoete als zoute wateren. Belangrijke voorwaarde is dynamiek in de water-land overgangen, bijvoorbeeld door getij in slikken, kwelders en schorren. Of dynamiek door inundatie in uiterwaarden, door wisselingen in waterpeilen in rivieren en moerasgebieden of hevige regenval. Deze voorkeur hangt enerzijds samen met het foerageergedrag: het bestaat uit het filteren van slikkig sediment en van ondiep water. Anderzijds is de soort ook afhankelijk van de vegetatie van dynamische pioniermilieus. De wintertaling komt nauwelijks voor in agrarisch gebied, maar is soms in de nazomer op stoppelvelden te zien. De soort kan grote concentraties vormen wanneer gunstige voedselomstandigheden ontstaan, bijv. door het droogvallen van een moerasgebied. Beteugelen van de dynamiek leidt tot verlies van de kwaliteit van zijn leefgebied, zowel in termen van foerageermogelijkheden als vermindering van draagkracht door afname van zaadproducerende pioniervegetatie.” De dynamiek in de water-land overgang is beperkt, doordat er geen getij is en de platen alleen over een langere periode droogvallen. Verder is in het Markiezaat veel slikkig sediment aanwezig in ondiep water.

Onduidelijk is in hoeverre er nog voldoende dynamiek is voor de wintertaling. Rond het Markiezaat zijn verder landbouwpolders aanwezig waar ook nog gefoerageerd kan worden. Ten aanzien van rust, is de wintertaling gevoelig voor verstoring door water- en oeverrecreatie. Dit is echter binnen Markiezaat geen knelpunt doordat het gebied niet toegankelijk is. Wel is vormen de windmolens nog een mogelijk knelpunt omdat de wintertaling deze lijkt te vermijden.

5.7.3

A054 Pijlstaart

De instandhoudingsdoelstelling van deze soort voor slaap- en rustplaats is behoud van de omvang en kwaliteit leefgebied met een draagkracht voor een populatie van gemiddeld 480 pijlstaarten (seizoensmaximum).

5.7.3.1

Beschrijving pijlstaart

De volgende tekst is afkomstig uit het profieldocument voor deze soort (Ministerie van LNV, 2008): “De pijlstaart is een relatief grote eend. Hij valt op door de tekening van zijn chocoladebruin met witte kop en keel en door zeer lange staartpennen. In Nederland is de pijlstaart het hele jaar aanwezig. Het is in ons land een schaarse broedvogel. In 1998-2000 werd het aantal paren geschat op 20-30, dat is ongeveer even veel als rond 1970-1980. Deze aantallen van de eigen broedpopulatie vallen in het niet bij de totalen in de winter. Het merendeel van de in ons land overwinterende vogels komen uit Rusland, de Baltische staten en Scandinavië en die arriveren hier omstreeks september. De aantallen van de pijlstaart zijn in ons land hoog van oktober t/m februari en in april vertrekken de laatste vogels. De pijlstaart is een grondeleend die weinig duikt en als zodanig gebonden is aan ondiep water, oevergebieden en aangrenzende landbouwgebieden. Hij kan echter met zijn lange hals dieper water aan dan andere grondeleenden. De pijlstaart is vooral een soort van grote ‘wetlands’ met ondiep water en periodiek terugkerende, of permanent aanwezige pioniervegetaties.”

5.7.3.2

Voorkomen en verspreiding

Voor de pijlstaart zijn geen verspreidingsgegevens beschikbaar voor het Markiezaat. Op basis van de beschikbare telgegevens in de NDFF kan geen specifiek beeld verkregen worden van de verspreiding van de pijlstaart.

5.7.3.3

Trend

In Figuur 5-37 is de trend weergegeven voor de pijlstaart als watervogel in het Markiezaat. Vanaf 1994 is geen significante aantalsverandering zichtbaar in de trend. Voor de laatste twaalf jaar is geen trend aantoonbaar. Landelijk is vanaf 1980 een significante toename van <5% per jaar waargenomen, zie Figuur 5-38. De laatste twaalf is geen significante aantalsverandering gemeten. Pijlstaarten als niet-broedvogel verblijft vooral tijdens milde winters in Nederland (Vogelbescherming, n.d.-j).

90

NATUURDOELANALYSE

Als gevolg van klimaatverandering komen milde winters steeds vaker voor in Nederland 4. Mogelijk verklaart dit de initiële landelijke toename van de soort als niet-broedvogel. Zo’n effect is echter niet terug te zien in de trend van de vogel in het Markiezaat. In 2018/2019 bedroeg het seizoensgemiddelde 337 individuen, gegevens uit 2019/2020 gaven 123 foeragerende individuen als seizoensgemiddelde. Daarmee wordt niet voldaan aan het seizoensgemiddelde van 480 individuen.

Figuur 5-37. Seizoensgemiddelde van de pijlstaart als niet-broedvogel in het Natura 2000-gebied Markiezaat. Deze grafiek is gebaseerd op het Meetnet Watervogels (seizoen juli t/m juni). Weergegeven is het seizoensmaximum (rode punten), de trendlijn (donkerblauwe lijn) en het 95% betrouwbaarheidsinterval van de trendlijn (lichtblauwe lijn). In groen wordt de instandshoudingsdoelstelling voor de soort weergegeven. De oranje lijn geeft het gemiddelde over de laatste vijf seizoenen (bron: https://stats.sovon.nl/stats/gebied/1000127, geraadpleegd op 24-10-2022).

4

https://www.knmi.nl/over-het-knmi/nieuws/zo-n-zachte-winter-wordt-heel-gewoon

91

NATUURDOELANALYSE

Figuur 5-38. Seizoensgemiddelde van de pijlstaart als niet-broedvogel in Nederland. Deze grafiek is gebaseerd op het Meetnet Watervogels (seizoen juli t/m juni). Weergegeven is het seizoensgemiddelde (rode punten), de trendlijn (donkerblauwe lijn) en het 95% betrouwbaarheidsinterval van de trendlijn (lichtblauwe lijn) (bron: https://stats.sovon.nl/stats/soorten, geraadpleegd op 24-102022).

5.7.3.4

Omvang en kwaliteit leefgebied

Het profielendocument (Ministerie van LNV, 2008k) beschrijft de leefgebieden van de bontbekplevier (niet-broedvogel) als volgt: ”De pijlstaart leeft in zowel zoete als zoute wateren. De soort bezoekt vooral in het najaar kwelders, zandplaten en slikken in estuaria, evenals akkerland (stoppelvelden) in het agrarische gebied. Het akkerland wordt uitsluitend ‘s nachts bezocht, waarbij de vogels overdag op open water rusten en grotere afstanden afleggen om geschikte akkers te vinden. In het voorjaar zijn ook ondiepe zoetwaterplassen en geïnundeerde of vochtige graslanden voor de pijlstaart van belang. Omdat ze graag foerageren op pionierplanten en de daarin levende bodemfauna in een vochtige tot natte omgeving, vertonen de pijlstaarten voorkeur voor gebieden met dynamiek (door getij of peilfluctuaties). Daarbij zwemmen of grondelen ze in ondiep water en duiken ze incidenteel dieper, tot op circa 1 m diepte.” Het Markiezaat is als ondiep water en zacht substraat geschikt als foerageergebied. De echte dynamiek van het getij is echter niet meer aanwezig bij het Markiezaat. Pioniervegetatie komt in de oeverzones voor en in de zuidkant zijn meer moerassige stroken aanwezig waar ook zaden en worteldelen gevonden kunnen worden. Daarnaast eet de pijlstaart ook kleine insecten, zowel aquatisch als terrestrisch.

De pijlstaart kent een gemiddelde verstoringsgevoeligheid voor recreatie zoals wandelaars. Deze verstoring is echter niet van toepassing op het Markiezaat doordat het gebied niet toegankelijk is. De windturbines zorgen mogelijk wel voor een lokale verstoring.

5.7.4

A056 Slobeend

De instandhoudingsdoelstelling van deze soort voor foerageergebied is behoud van de omvang en kwaliteit leefgebied met een draagkracht voor een populatie van gemiddeld 150 slobeend (seizoensgemiddelde).

92

NATUURDOELANALYSE

5.7.4.1

Beschrijving slobeend

De volgende tekst is afkomstig uit het profieldocument voor deze soort (Ministerie van LNV, 2008): “De slobeend is een middelgrote eend met een bont kleurpatroon, het mannetje heeft een donkergroene kop, witte borst en kastanjebruine flanken. Beide geslachten hebben een opvallend verbrede snavel. In Nederland is de soort het hele jaar door aanwezig. Het aantal broedparen werd in 1998-2000 geschat op 8000-9000, iets lager dan in 1970-1980), dus een aanzienlijk deel van de totale aantallen in Nederland. De in ons land overwinterende vogels komen vooral uit Rusland en Scandinavië. Een deel daarvan, mogelijk met een deel van onze broedvogels, gaat verder richting Frankrijk. Het seizoensverloop vertoont min of meer het patroon van een doortrekker, met hoge aantallen in september t/m november en in maart en april, en veel lagere aantallen in december t/m februari. De slobeend is een grondeleend die niet of nauwelijks duikt en als zodanig gebonden is aan ondiepten, oevergebieden en aangrenzende landbouwgebieden.”

5.7.4.2

Voorkomen en verspreiding

De slobeend is in het Markiezaat op basis van beschikbare gegevens via de NDFF alleen in de oeverzones waargenomen als broedvogel.

5.7.4.3

Trend

Figuur 5-39 geeft de trend van slobeend als watervogel in het Markiezaat. De slobeend kent vanaf 1983 een significante toename, <5% per jaar. De trend van de laatste 12 jaar betreft ook een significante toename, <5% per jaar. In 2018/2019 bedroeg het seizoensgemiddelde 269 individuen, gegevens uit 2019/2020 gaven 271 foeragerende individuen als seizoensgemiddelde. Daarmee wordt voldaan aan het seizoensgemiddelde van 150 individuen.

Figuur 5-39. Seizoensgemiddelde van de slobeend als niet-broedvogel in het Natura 2000-gebied Markiezaat. Het aantal in het totale Vogelrichtlijngebied is weergegeven (bron: https://stats.sovon.nl/stats/gebied/1000127, geraadpleegd augustus 2022). 93

NATUURDOELANALYSE

5.7.4.4

Omvang en kwaliteit leefgebied

Het profielendocument (Ministerie van LNV, 2008k) beschrijft de leefgebieden van de slobeend (niet-broedvogel) als volgt: “De slobeend komt voornamelijk op zoet water voor. De soort mijdt grote estuaria en het intergetijdengebied. De voedselhabitat bestaat uit zoetwatermoerassen, natte natuurgebieden, rivierarmen, plassen en meren. De slobeend foerageert bij voorkeur in ondiepere bochten en andere beschutte waterpartijen. Concentraties van ruiende vogels worden eveneens in op zulke plekken aangetroffen. De brede spatelvormige snavel van de slobeend is speciaal aangepast op het filteren van het wateroppervlak en/of dunne sliblagen om kleine diertjes en zaden te bemachtigen.” Het Markiezaat als brakmeer behoort niet tot de specifiek beschreven voedselhabitats. Wel heeft het meer ondiepe en beschutte waterpartijen waar de slobeend kan foerageren naar diverse waterinsecten maar ook zaden en plantenresten. De slobeend is vrij gevoelig voor verstoring door o.a. waterrecreatie. Dit is binnen het Markiezaat niet van toepassing omdat het gebied niet toegankelijk is voor recreatie.

5.7.5

A125 Meerkoet

De instandhoudingsdoelstelling van deze soort voor foerageergebied is behoud van de omvang en kwaliteit leefgebied met een draagkracht voor een populatie van gemiddeld 920 meerkoet (seizoensgemiddelde).

5.7.5.1

Beschrijving meerkoet

De volgende tekst is afkomstig uit het profieldocument voor deze soort (Ministerie van LNV, 2008): “De meerkoet is een zwarte ralachtige met een witte snavel en voorhoofd. De broedgebieden liggen in gematigde klimaatszone van Europa en Azië, maar ook in Noord-Afrika, India en Australië. In West-Europa rijkt het broedgebied van ZuidScandinavië tot aan de Middellandse Zee, waarbij de verspreiding in het zuiden schaarser is. De noordelijke en oostelijke populaties trekken in het najaar naar warmere streken in het westen en zuiden. De meerkoeten die in ons land komen overwinteren, komen daarvandaan en kunnen uit Moskou vandaan komen. De in Nederland broedende meerkoeten trekken deels in zuidelijke richting, waarbij sommige vogels Spanje bereiken.”

5.7.5.2

Voorkomen en verspreiding

De meerkoet is in het Markiezaat voornamelijk in de oeverzones waargenomen, met een concentratie van waarnemingen rond het zoetwatermoeras.

5.7.5.3

Trend

Figuur 5-40 geeft de trend van meerkoet als watervogel in het Markiezaat. De meerkoet kent vanaf 1985 een significante afname, <5% per jaar. De trend van de laatste twaalf jaar betreft een significante afname, >5% per jaar. Landelijk is vanaf 1980 geen significante aantalsverandering gemeten, zie Figuur 5-41. De trend over de laatste twaalf jaar is daarentegen positief, met een significante toename van <5% per jaar. Landelijk lijken veranderingen in de aanwezigheid van meerkoet met name samen te hangen met voedselbeschikbaarheid en daarmee indirect met waterkwaliteit (Ministerie van LNV, 2006). De trend in het Markiezaat laat echter een afname zien, daardoor zijn de trends tegenstrijdig. Omdat de meerkoet deels zoekt naar eten door te duiken, kan het slechte doorzicht van het Markiezaat hier een negatieve invloed op hebben. In 2016/2017 bedroeg het seizoensgemiddelde 1023 individuen, gegevens uit 2018/2019 gaven 451 foeragerende individuen als seizoensgemiddelde. Gegevens uit de jaren 2017/2018 en 2019/2020 zijn niet beschikbaar. Maar gezien de laatste gegevens uit 2018/2019 is het onwaarschijnlijk dat wordt voldaan aan het seizoensgemiddelde van 920 individuen.

94

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=woensdrecht&id=54a8ee1d-f1e4-4de5-b547-e365b33352fa