Natuurdoelanalyse 127 Markiezaat.pdf
Tekst van het document
Figuur 3-2. Het Markiezaat als onderdeel van de Oosterschelde (links) voor de aanleg van de Markiezaatkade en Oesterdam (rechts).
3.4
Landschapscomponenten
3.4.1
Klimaat
Door de diverse ingrepen in het verleden, zie ook paragraaf 3.3, ten behoeve van de waterveiligheid is de invloed van de zee in Markiezaat tot een minimum beperkt. Klimaatinvloeden die gerelateerd zijn aan de zee zijn daarom van ondergeschikt belang. In de huidige situatie kent het Markiezaat een onnatuurlijk peil. De aanvoer van water is hoofdzakelijk afhankelijk van regenwater en in mindere mate van zoete kwel en natuurlijke aanvoer van water via het beekje de Blaffert, beide vanaf de Brabantse Wal. Middels een stuw in het Markiezaat kan overtollig water uitgelaten worden. Met het extremer worden van het weer in Nederland, neemt ook de fluctuatie in het waterpeil van het Markiezaat toe. 20
NATUURDOELANALYSE
In de langer durende en drogere periodes kan het peil flink wegzakken als gevolg van verdamping en een afname van aanvoer van kwel en regenwater. Tussen 2003 en 2014 zijn peilfluctuaties van 50 cm beneden en 20 cm boven het gewenste streefpeil van 0,40 m boven NAP waargenomen (Provincie Noord-Brabant, 2014). Dit kan alleen verklaard worden als er ook andere oorzaken voor de daling aanwezig zijn, want gemiddeld maximaal neerslagtekort in de zomer is 175 mm*1,25 = 22 cm waterpeil daling, in 2018-2019 was maximaal neerslagtekort ’s zomer 300 mm*1,25 = 38 cm. Een daling 50-70 cm die alleen veroorzaakt zou worden door verdamping is onwaarschijnlijk. Er zijn ook drainerende waterlopen en kanaaltraject gelegen langs de noordwestkant van het Markiezaatsmeer die invloed hebben op de ondiepe waterstanden en stroming (pers. mededeling G. Schouten, P N-B, 2022). De meetgegevens van de afgelopen droge jaren zijn dus niet meegenomen in deze reeks. Mogelijk dat de daling van waterstanden dus nog groter is geweest. Naast droogte speelt ook de temperatuur een rol. Door het warmer wordende klimaat zal ook de gemiddelde watertemperatuur en daarmee ook verdamping in het Markiezaat toenemen. Als gevolg van deze temperatuur toename wordt het risico op o.a. algenbloei vergroot en kan eutrofiëring optreden.
3.4.2
Geologie
Op de geologische kaart (Figuur 3-3) is te zien dat het Natura 2000-gebied Markiezaat op de overgang ligt van de Pleistocene zand afzettingen waar kleiige delen in kunnen zitten, die de Brabantse Wal vormen, naar Holocene afzettingen die voornamelijk bestaan uit klei, veen, leem en zand rondom de Schelde, die een oude zeedelta vormde waar Markiezaat ooit onderdeel van was (Vos & Weerts, 2018). In het figuur zijn de holocene afzettingen opgenomen als getijdenafzettingen op kustveen en getijdengeulafzettingen. In de dwarsdoorsnede van het gebied (Figuur 3-4) is de overgang van Pleistocene afzetting naar Holocene afzetting duidelijk te zien. Dit geeft ook al inzicht in het hoogteverschil en de afstroom van water vanaf de hogere zandgronden uit de formatie van Boxtel (BX) naar de afzettingen in de zeedelta met klei, leem, veen en zand uit het Holoceen (HL). Aan de oostzijde van het Natura 2000-gebied Markiezaat is nog een kleine strook uit de formatie van Boxtel aanwezig op maaiveldniveau, wat goed terug te zien is in onder andere De Duintjes. Verder richting het Markiezaatmeer gaat dit over in Holocene afzettingen. Onder deze holocene laag loopt onder het Markiezaat de formatie van Boxtel nog wel door, waarna deze geleidelijk overgaat in de formatie van Koewacht (KW).
Over het algemeen zijn de afzettingen in de formatie van Koewacht wat grover, kalkrijker en minder humeus ten op zichtte van de formatie van Boxtel. Op grotere diepte (vanaf 15 meter en dieper) liggen nog de formaties van Peize en van Waalre (PZWA), formatie van Maasluis (MS), formatie van Oosterhout (OO) en de formatie van Breda (BR). In Figuur 3-5 is een dwarsdoorsnede uit GeoTOP opgenomen met meer details van de Holocene afzetting uit Figuur 3-4. Hierin is onder andere de oude geul van de Schelde terug te zien. Op de voormalige oevers zijn nog restanten van veen aanwezig in de formatie van Nieuwkoop uit de Basisveen laag. Deze liggen op de afzettingen uit de formatie van Boxtel (BX). Verder bestaan de oevers voornamelijk uit afzettingen uit de Formatie van Naaldwijk (NMNZ). Het gaat dan om de laagpakketten Zandvoort en Wormer. Laagpakket Zandvoort betreft matig tot grofkorrelig zand met schelpen. Het laagpakket van Warmer betreft zeer tot matig fijn grijs zand wat siltig of kleiig kan zijn en kalkrijk is. Op de afzettingen uit de Formatie van Naaldwijk liggen op de oude oevers nog afzettingen uit de formatie van Nieuwkoop, uit het Hollandveen pakket. Op deze veenlaag ligt weer een afzetting uit de formatie van Naaldwijk, die vervolgens ook de geul van de Schelde heeft opgevuld, het laagpakket van Walcheren. Deze afzetting betreft zeer tot matig grijs
21
NATUURDOELANALYSE
zand, wal kleiig of siltig kan zijn en kalkrijk is.
Figuur 3-3. Geologische kaart Markiezaat. Bron: Dinoloket, 2022.
Figuur 3-4. Dwarsdoorsnede van de geologische ondergrond in Markiezaat vanaf de Brabantse Wal naar de Oesterdam. Bron: DINO-loket, 2022.
22
NATUURDOELANALYSE
Figuur 3-5. Dwarsdoorsnede van de geologische ondergrond van Markiezaat met in detail de Holocene afzettingen (GeoTOP v1.4.1).
3.4.3
(Geo)Morfologie
Markiezaat is, zoals hierboven al aangegeven, een oude zeedelta die in de huidige situatie grotendeels gevormd is door afzettingen in de Holocene periode, maar ook door menselijke ingrepen. Dit is goed terug te zien in de geomorfologische kaart (). Rondom het Markiezaatmeer zijn deels onnatuurlijke kades aangelegd. Zo bestaat de Markiezaatkade uit aangelegde storthopen met grind-, zand-, kleigaten of ijzerkuilen. De overige oevers en landzones zijn het gevolg van natuurlijke afzettingen. Tegen de oostelijke grens, tegen de Brabantse Wal, ligt nog een klein gebied wat bestaat uit kustduinen met bijbehorende vlakten en laagten. Het gaat hier om begroeide en vastgelegde oude kustduinen, die duidelijk het gevolg zijn van zandafzettingen uit het Pleistoceen. Daaromheen liggen Welvingen in zandplaten, waarbij de zandplaten een welvend reliëf hebben. Vervolgens gaat deze zone richting het openwater over in een strandvlakte van zandplaten of slik. Het eiland Spuitkop, een klein deel van de Molenplaat en de oeverzones van landzones in het zuidelijk deel bestaan ook uit deze strandvlakte van zandplaten of slik. Doorgaans is deze landvormsubgroep aan dynamiek onderhevig als gevolg van de zee en getij en komen alleen pioniervegetaties tot ontwikkeling.
Als gevolg van aanleg van de Markiezaatkade en Oesterdam is deze dynamiek verdwenen en zou dit eigenlijk tot een landvormgroep van binnenwateren moeten horen. In het zuidelijk deel ligt landinwaarts nog een zone met Welvingen in getij-aanwassen. Binnen Markiezaat betreft het oude schorren en gorzen, die voorheen onder invloed van het getij stonden. De oude kreken zijn deels nog aanwezig of resten daarvan zichtbaar in het landschap. De hoogteligging van het gebied is al kort toegelicht vanuit de ontstaansgeschiedenis en geologie, maar is ook goed te zien in de hoogtekaart. In Figuur 3-7 is de hogere ligging van de Brabantse Wal duidelijk zichtbaar. De overgang tussen Markiezaat en Brabantse Wal is op kaart, maar ook in het veld goed zichtbaar. In een vrij korte afstand vindt een groot verval van hoogte plaats. In Figuur 3-8 zijn de hoogteverschillen binnen Markiezaat met meer detail weergegeven. In de oeverzones zijn de lagere delen die de slikkige oevers vormen en belangrijk zijn voor broedvogels van pionieromstandigheden. Verder zijn in het zuidelijk deel van Markiezaat de oude schorren en slikken met kreken nog goed zichtbaar. Een deel van de kreken voert nog water, maar ook oudere ‘verlande’ kreken zijn nog zichtbaar als laagte in het landschap.
Op de hoogtekaart zijn ook ´De Duintjes´ duidelijk zichtbaar in het oosten van het gebied of op de Geomorfologische kaart als Kustduinen. De Duintjes is een zandige afzetting vanaf de Brabantse Wal die wordt omgeven door holocene mariene afzettingen, die kunnen bestaan uit zand, leem of klei. Dit hoogteverschil zorgt voor een afwisseling in gradiënt in het verder relatief vlakke Markiezaat. De gradiënt loopt van hoger, droog en voedselarm zand naar een natte en meer voedselrijke kwelzone. Een andere kleinere gradiënt ligt tussen de slikken en schorren, waarbij de schorren de hoger gelegen delen zijn die droger zijn ten opzichte van de lager gelegen slikken.
23
NATUURDOELANALYSE
Figuur 3-6. Geomorfologische kaart Markiezaat. Bron: Rijksdienst voor Cultureel Erfgoed, 2018. GIS-laag: 8f52e76f-c96d-4df3a778-279c2164372b).
24
NATUURDOELANALYSE
Figuur 3-7. Hoogtekaart AHN3 maaiveld (0,5m 2014-2019) van Markiezaat, zonder vegetatie inclusief de Brabantse Wal. Bron: AHN3, 2020.
25
NATUURDOELANALYSE
Figuur 3-8. Hoogtekaart AHN3 maaiveld (0,5m 2014-2019) van Markiezaat. Bron: AHN3, 2022.
26
NATUURDOELANALYSE
3.4.4
Hydrologie
Het Markiezaatsmeer, dat bestaat uit ongeveer 1.100 hectare open water, is ontstaan door de aanleg van de Markiezaatkade rond 1983 waardoor het gebied sindsdien is afgesloten van de zoute Oosterschelde. Sinds de afsluiting van de Oosterschelde is de getijdewerking weggevallen, is de aan- en afvoerdynamiek van sediment veranderd en vindt geleidelijk verzoeting plaats (Witteveen+Bos, 2016). Aanvoer van water Voor de afsluiting van het Markiezaat was het gebied onderdeel van de Oosterschelde en was er een sterke getijbeweging van NAP -2 tot +2 m. Sinds de aanleg van de Markiezaatkade is deze dagelijkse getijdebeweging verdwenen en ligt het meer geïsoleerd. De voornaamste ingaande waterstroom is daardoor neerslag (75%), gevolgd door kwel (13%) (Witteveen+Bos, 2016). Ongeveer de helft van het kwelwater wordt lateraal aangevoerd vanaf de Brabantse wal vanwege de daar hoge grondwaterspiegel (Figuur 3-9). Hierdoor is in het zuidoosten sprake van kwel op plekken waar zandige afzettingen voorkomen in de lagere delen van het gebied. De bodemweerstand is op deze plekken beperkt waardoor de zoete kwelstroom dus relatief groot kan zijn. Op de zandige afzettingen hoog in het profiel op de schorren is amper sprake van waarneembare kwel door de relatief hoge maaiveldligging (Provincie Noord-Brabant, 2014).
Dit maakt dat de Brabantse Wal een belangrijk infiltratiegebied is voor aanvoer van water voor het doorspoelen en vasthouden van het waterpeil op het Markiezaat. De andere helft van de kwel wordt via de diepe kwel aangevoerd. Voor de laterale kwel geldt dat het om zoet water gaat, terwijl voor de diepe kwel op basis van het regionale grondwatermodel niet goed bepaald kan worden of het om zoet en/of zout water gaat. De kwelstroom stroomt vooral door zandige pakketten en komt vooral opwaarts waar de weerstand gering is. Kwel uit de formatie van Peize zanden kan veroorzaakt worden door een communicerend vat met de Oosterschelde. Bij een vloedstand van NAP+1,75 à 2,1 m kan voor de duur van enkele uren per dag een zoute kwelstroom ontstaan, zie ook Figuur 3-9. Tenslotte is er sprake van uitstroming van regenwater vanuit aanliggende slikken en schorren (7%) en wordt er water aangevoerd via De Blaffert (5%) (Witteveen+Bos, 2016). Op moment van schrijven is onduidelijk in hoeverre de omschreven situatie in Witteveen+Bos, 2016, nog actueel is. Door peilveranderingen, veranderingen in wateronttrekking en droogteperiodes kan de situatie zijn veranderd. In de omgeving van Markiezaat wordt grondwater onttrokken voor drinkwatervoorziening en industrie. De hoeveelheden die gewonnen worden zijn de laatste jaren afgenomen (Provincie Noord-Brabant, 2014).
Anderzijds zijn door de droge zomers de lokale onttrekkingen voor landbouw toegenomen. Mogelijk dat onttrekkingen op de flanken van de Brabantse Wal invloed hebben op de kwantiteit en kwaliteit van water wat naar het Markiezaat stroomt.
27
NATUURDOELANALYSE
Figuur 3-9. Hydrologische doorsnede van het Markiezaat met de globale geologische opbouw, de stromingsrichting van het diepe grondwater en het freatisch water (bron: dhr. G. Schouten, provincie Noord-Brabant, mond. med.).
Doordat de aanvoer van water beperkt is en de enige afvoer van water plaatsvindt via verdamping, wegzijging en de overlaat, levert dit een gemiddelde verblijftijd van het water van circa 2 jaar. Dit betekent dat in een gemiddeld jaar iets meer dan de helft van het aanwezige water in het Markiezaatsmeer (12 miljoen m3) wordt vervangen door vers water (Provincie Noord-Brabant, 2014). In drogere periodes, vanaf het voorjaar, vallen delen van de oevers droog. Doordat de oevers een flauwe helling hebben kunnen al snel relatief grote oppervlaktes droogvallen. Daarnaast kan in geval van hele droge en warme zomers het waterpeil nog verder wegzakken. Als gevolg van het zakkend peil neemt ook de predatiedruk van o.a. vos toe, doordat deze via de ondiepe of droogvallende platen, het normaal onbereikbare broedvogeleiland kunnen bereiken. Anderzijds kunnen de neerslagpieken in combinatie met de beperkte afvoer van water uit het Markiezaat zorgen voor hoge waterstanden waardoor het oppervlakte geschikt broedbiotoop sterk wordt beperkt of zelfs nesten kunnen verdrinken. Deze wisselende waterstanden hebben invloed op de broedgelegenheid voor diverse broedvogels en indirect op de waterkwaliteit, visstand en macrofaunagemeenschap welke van belang zijn voor diverse vogelsoorten die foerageren in het Markiezaat.
Daarnaast zorgen de warmere perioden en lage waterstanden voor een sneller verlies van zuurstof in het water, waardoor de kans op botulisme bij watervogels toeneemt. Waterpeil Momenteel kan het waterpeil in het Markiezaatsmeer vrij fluctueren en wordt er geen actief peilbeheer gevoerd. De aanwezige stuw, nabij de Molenplaat, is eigenlijk te klein voor het hanteren van een stabiel peil in perioden waarin veel water wordt aangevoerd. Ondanks de stuw, die de laatste jaren op NAP +0,40 m heeft gestaan, is het waterpeil de afgelopen jaren tot maximaal NAP +0,58 m gestegen, wat dus betekent dat er meer water wordt aangevoerd dan via de stuw het gebied verlaat. Hierdoor kent het peil een jaarlijkse variatie van 0,25 tot 0,40 m (Figuur 3-10). Dit is niet een dagelijkse getijbeweging, maar een seizoensgebonden schommeling van de waterstand. Doordat de oevers van het Markiezaat flauw hellen, heeft deze seizoensgebonden fluctuatie een sturend effect op de verhouding water/land in het Markiezaatsmeer. Bij een jaarlijks peil tussen de NAP +0,20 en +0,60 m ontstaat dan ook een seizoensmatig droogvallende en weer onderlopende zone van circa 125 ha, oftewel 12 % van het vaste wateroppervlak van 1025 ha. Het meer bevat overigens ook diepere gebieden van circa 4 m diep, waardoor de gemiddelde diepte gelijk is aan 2,1 m (Witteveen+Bos, 2016). 28
NATUURDOELANALYSE
Figuur 3-10. Hoogte- en dieptekaart van het Markiezaat op basis van een waterpeil van 0.55m +NAP. Bron: Witteveen+Bos, 2016.
Nutriëntenbelastingen en doorzicht De nutriëntenbelastingen die plaatsvinden in het Markiezaatsmeer zijn de stikstof- en fosforbelasting. Stikstofbelasting wordt veroorzaakt door atmosferische depositie via neerslag en in mindere mate via kwel, uitspoeling, inlaat vanuit de Blaffert en door watervogels. Via neerslag kwamen & komen stikstofverbindingen en sulfaat/sulfideverbindingen in het water, waarbij sulfaat en sulfide verbindingen lang aanwezig kunnen blijven. Fosforbelasting vindt vooral plaats via watervogels gevolgd door kwel en uitspoeling. Er vindt nauwelijks fosforbelasting plaats via neerslag. Deze externe nutriëntenbelastingen hebben altijd binnen de theoretische kritische grenzen gelegen voor het Markiezaatsmeer. In deze theoretische kritische grens is echter geen rekening gehouden met de omvang van oppervlaktewateren. Doordat het Markiezaat een grote strijklengte kent is de invloed van wind erg hoog. De wind zorgt voor op wervelingen van bodemsediment, wat het water troebeler maakt dan gemiddelde wateren waarvoor de kritische grenzen zijn berekend. Door de vertroebeling door de wind is in de praktijk de kritische grens voor externe nutriëntenbelasting dus hoger, waardoor het gebied gevoeliger is voor externe nutriëntenbelasting. Deze vertroebeling is in de periode van 2012 tot 2018 ook verder toegenomen.
In 2012 was het doorzicht nog 40 cm en in 2018 was het nog 25 cm. (Witteveen+Bos, 2016; Witteveen+Bos, 2018). Momenteel is een onderzoek gaande naar de stikstofgevoeligheid van het Markiezaat. Indien blijkt dat het Markiezaat stikstofgevoelig is, vormt dit een mogelijk knelpunt. In de periode van 1993 tot 1995 was de chlorofyl-a concentratie laag, waren de bedekkingen van waterplanten (schedefonteinkruid en snavelruppia) hoog en was de gemiddelde zichtdiepte meer dan 0,8 m. De totale fosfor- en fosfaatconcentraties lieten een seizoenmatig patroon zien waarbij de totale fosfor-concentraties in de zomer opliepen tot circa 1 mg/l. In deze periode is de invloed van diepere kwel met fosfaat groter, doordat in de lente en zomermaanden weinig neerslag valt en daarmee de verhouding regenwater en kwelwater sterk verschuift. De lage totaal stikstof/fosfor-ratio’s in het oppervlaktewater (3-10 g/g) laten zien dat de algenproductie in deze heldere periode vermoedelijk gelimiteerd werd door stikstof waardoor de algen geen gebruik konden maken van de verhoogde fosforconcentraties in het groeiseizoen. Daarnaast voorkwamen de hoge chlorideconcentraties in het brakke watersysteem waarschijnlijk de bloei van zoetwater algen (Witteveen+Bos, 2016).
29
NATUURDOELANALYSE
Sinds de zomer van 1995 waren de chlorofyl-a concentraties in het groeiseizoen hoger met circa 100 μg/l, de bedekkingen met waterplanten lager en is het doorzicht veel slechter geworden (circa 0,4 m in 2012). De vermoedelijke oorzaak van de verhoogde algenbiomassa is een dalende chlorideconcentratie gevolgd door een herverdeling van nutriënten (Witteveen+Bos, 2016). De afgelopen 20 jaar is het Markiezaatsmeer troebel gebleven en is het huidige doorzicht erg beperkt met circa 0,25 m. De externe belastingen zijn in de huidige situatie te hoog om voor een autonome omslag van troebel naar helder water te zorgen. Vooral in het diepste gedeelte van het meer, waar een voedselrijke sliblaag aanwezig is, vinden nutriëntenpompen plaats die een nalevering van fosfor veroorzaken als gevolg van hoge zwavelconcentraties en snelle afbraaksnelheid van organisch materiaal. Indien geen aanvullende maatregelen genomen worden zal het Markiezaatsmeer vermoedelijk troebel blijven (Witteveen+Bos, 2016). Waterkwaliteit De waterkwaliteit in het Markiezaatsmeer wordt, in de zomer, met name bepaald door de kwaliteit van kwelwater en processen in de bodem. Doordat de bodem van het meer nog niet volledig ontzilt is, zorgt het kwelwater voor een aanvoer van chloride. Ook vinden naleveringen van stikstof en fosfaat uit de waterbodem plaats die zorgen voor hoge concentraties aan fosfor en stikstof.
De hoge nutriëntenconcentraties in het Markiezaatsmeer zorgen voor een extreme algenbloei wat leidt tot troebelwater en slechte condities voor waterplanten. De ecologische toestand van het water is daardoor beoordeeld als ontoereikend volgens de Kader Richtlijn Water-doelstellingen en de omstandigheden voor vissen zijn ontoereikend en voor macrofauna en overige waterflora zijn deze matig. De verwachting is dat de nutriëntenconcentraties voor koper, fosfor, chloride en stikstof te hoog blijven als geen maatregelen genomen worden. (Provincie Noord-Brabant, 2014; Waterschap Brabantse Delta, 2021). Door de optredende langzame verzoeting is het zoutgehalte van circa 13.000 mg Cl/I in 1983 gegaan naar 4.000 mg Cl/I in 1993 naar zwak brakke condities waarbij de chlorideconcentratie gelijk is aan circa 700 mg/I in 2015. De verzoeting zal naar verwachting blijven steken op circa 600 mg Cl/l vanwege het lage waterpeil (circa +0,5 m) en brakke kwel vanuit de bodem die lokaal nog zout is (Witteveen+Bos, 2016). De meetgegevens van het Waterschap (meetpunt Markiezaatsmeer midden, 2015-2021) laten een seizoen fluctuatie zien. Hierbij nemen de chloridegehaltes toe in de zomer en nemen af in de winter. Een mogelijke verklaring hiervoor is een relatie met het waterpeil, wanneer het waterpeil zakt in de zomer door o.a. minder neerslag, neemt het chloridegehalte toe.
Wanneer in de winter meer regen valt en het zoute kwelwater meer vermengd wordt neemt het chloridegehalte weer af. In hoeverre de processen plaatsvinden in aerobe of anaerobe omstandigheden is niet helemaal duidelijk. In eerdere rapportage (Witteveen+Bos, 2016) worden vooral natuurlijke processen gegeven (afbraak plantaardig materiaal, warme periode) voor afname van zuurstof. Het is echter mogelijk dat ook via de kwel zuurstofloos, sulfaat en chloride houdend water aangevoerd kan worden. Hiervoor geldt de volgende hypothese: De historische natte depositie en kwelwater dat door mariene zanden stroomt zorgde/zorgt voor relatief hoge sulfaatgehalten voor zoete watersystemen. Daarnaast kan diepe kwel ook historische fosfaatbelasting uit de landbouw aanvoeren. Bij variatie van zuurstofhoudende en zuurstofarme omstandigheden kan sulfide ontstaan dat giftig is voor diverse (zoete) planten (dhr. Schouten, provincie Noord-Brabant, mond. med.). Onduidelijk is in hoeverre deze hypothese van toepassing is op het Markiezaat.
3.4.5
Bodem
Grofweg zijn in het Markiezaat de zavel, klei, leem, veen en zandgronden uit het Holocene tijdperk aanwezig en zandgronden uit het Pleistocene tijdperk. In de lagere delen van het gebied is zandbodem te verwachten of liggen zandafzettingen vrij hoog in het profiel en daarmee vrij dicht op de waterbodem of het maaiveld. Deze zandbodems of zandafzettingen hoog in het profiel zorgen voor geringe bodemweerstand en faciliteren de zoete kwelstroom vanaf de Brabantse Wal (Provincie Noord-Brabant, 2014). In Figuur 3-11 is de bodemkaart van het Markiezaat weergegeven. Op deze kaart is te zien dat het overgrote deel van Markiezaat bestaat uit water. Op deze bodemkaart ontbreekt het broedvogeleiland Spuitkop. Verder bestaat het gebied langs de oost- en zuidzijde uit verschillende vaaggronden. De oeverzone van het Markiezaat bestaat uit slikvaaggronden in zeeklei. Deze zeekleigronden zijn niet-gerijpte minerale gronden. Onder de slikvaaggronden zit de zandlaag niet dieper dan 80 cm. De nesvaaggronden aan de oostzijde betreffen kalkrijke nesvaaggronden in zeeklei met zware zavel, zonder minerale eerdlaag. Richting het zuiden gaan de nesvaaggronden over in vlakvaaggronden. 30
NATUURDOELANALYSE
Deze vlakvaaggronden zijn leemarm of hebben zwak lemig fijn zand, zonder kalk en zonder minerale eerdlaag. In het zuidelijk deel liggen gorsvaaggronden. De gorsvaaggronden bestaan uit niet gerijpte zeeklei en zware zavel. Zoutgehalte Voor het zoutgehalte is onderzoek gedaan naar de EGV-waarden (elektrische geleidbaarheid) door middel van bodemonderzoek. Dit bodemonderzoek bestaat uit genomen boorpunten verspreid door het gebied. Op een aantal locaties is de invloed van zout nog vrij sterk aanwezig, maar op andere locaties is ook de invloed van regenwater en/of kwel zichtbaar. Grofweg zijn deze in te delen in drie categorieën: 1. Locaties waar zowel in de bovenste 20 cm als in de diepere lagen relatief hoge zoutgehaltes aanwezig zijn, op deze locaties komen zoutminnende vegetatie voor; 2. Locaties waar in de bovenste 20 cm een relatief laag zoutgehalte aanwezig is, maar in de diepere lagen wel hoge concentraties aanwezig zijn, op deze locaties komt brakminnende vegetatie voor; 3. Locaties waar zowel in de bovenste 20 cm als in de diepere lagen relatief lage zoutgehaltes aanwezig zijn, op deze locaties komt zoetminnende vegetatie voor. Voor de locaties aangeduid met een 3 is het aannemelijk dat hier het zout is uitgespoeld door invloed van regenwater en daarmee het regenwater ook de standplaatsomstandigheden voor vegetatie bepaalt.
Voor locaties aangeduid met een 2 heeft wel uitspoeling van zout in de toplaag plaatsgevonden. Gezien de vegetatie vindt hier toch nalevering van zout tot de wortelzones van planten plaats, mogelijk door opstijgend brak grondwater (Witteveen+Bos, 2018). Kalk In het bodemonderzoek is door middel van pH-papier gekeken naar de zuurgraad op verschillende dieptes. Hiermee is aangetoond dat lokaal, op verschillende plekken in het gebied de zandige bodems (deels) ontkalkt zijn als gevolg van invloed van zuur regenwater. Op deze locaties schommelde de pH rond de 5-6 terwijl in de rest van het gebied de pH boven de 7 ligt (Witteveen+Bos, 2018). Voedselrijkdom Van voedselrijkdom is van de landdelen weinig bekend. Van de waterbodem is bekend dat deze voor een behoorlijke nalevering van fosfor (P) zorgt. Dit wordt waarschijnlijk veroorzaakt door twee verschillende processen die te koppelen zijn aan hoge concentraties sulfaat. Deze hoge concentraties sulfaat zijn nog een restant van het ooit zoute water, waar hoge sulfaatconcentraties natuurlijk zijn, of toestroom van fosfaatrijk water via het (diepe) grondwater. Doordat het Markiezaat maar geleidelijk verzoet, blijven de concentraties sulfaat relatief hoog. De hoge sulfaatconcentraties zorgen voor minder goede binding van fosfor aan ijzer, waardoor ophoping van sulfide plaatsvindt in de toplaag van de waterbodem.
Daarnaast verwacht men dat de hoge sulfaatconcentraties zorgen voor een versnelde afbraak van organisch materiaal. Deze twee processen zorgen voor een zogenaamde nutriëntenpomp, die zorgen voor een nalevering van fosfor vanuit de bodem (Witteveen+Bos, 2018).
31
NATUURDOELANALYSE
Figuur 3-11. Bodemkundige landschapskaart van Markiezaat. Bron: WUR, 2018. GIS-laag: ac3a9efe-2154-4a4c-aae3ea269044945d.
3.4.6
Vegetatie
Op basis van de eerdere paragrafen valt af te leiden dat het Markiezaat bestaat uit verschillende biotopen, met name de bodemsamenstelling is hierin bepalend voor de vegetatie. Het Markiezaatsmeer zelf kent begroeiing van waterplanten in de diepere delen en richting de oeverzones. Voor de diepere delen is met name de troebelheid van het water bepalend in hoeverre o.a. fonteinkruiden en mogelijk kranswieren zich kunnen ontwikkelen. Verder groeien op de niet of nauwelijks begraasde oevers rietkragen. Met name in de niet-begraasde delen kunnen deze uitgroeien tot een kraag van enkele meters breed. Op de oeverzones zijn op de meeste locaties slikkige oevers aanwezig. Hier groeit weinig tot geen vegetatie. Waar vroeger zeekraal domineerde op de slikkige oevers komen nu ook andere soorten grassen en kruiden voor van meer zoete milieus. De zoutminnende vegetaties worden hoofdzakelijk nog rond deze slikkige oevers aan de zuidzijde en in mindere mate aan de Molenplaat gevonden, als gevolg van nalevering van zout uit de bodem. Op basis van de vegetatiekartering uit 2017 gaat het hier hoofdzakelijk om de Associatie van Snavelruppia, Associatie van Kortarige zeekraal en kleine oppervlaktes van Associatie van Engels slijkgras, Associatie van Gewoon kweldergras en de Rompgemeenschap van Zulte/ Zeeaster.
De slikkige oevers worden opgevolgd door een meer ontwikkelde zone die afhankelijk van de begrazing bestaat uit korte grassen en kruiden, verruigde zones en zones waar struik- en boomopslag begint te domineren. Met name in de zuidwestelijke delen, waar minder of geen begrazing plaatsvindt, ontstaan ook aaneengesloten bosschages die langzaam bos, met o.a. wilg, berk en vlier, gaan vormen. Daarnaast vormen De Duintjes nog een apart biotoop binnen Markiezaat. In deze duinen is een gradiënt van droog en voedselarm naar nat en voedselrijk aanwezig wat een rijke flora oplevert. In de Duintjes zijn dan ook enkele typische strand- en duinsoorten aanwezig die ook wijzen op de aanwezigheid van een kalkrijke bodem zoals kattendoorn, kruipend stalkruid, gewone agrimonie, echt duizendguldenkruid, rond wintergroen, rimpelroos en strandduizend guldenkruid. 32
NATUURDOELANALYSE
3.4.7
Fauna
In Markiezaat komen naast de aangewezen vogelsoorten nog veel andere soorten voor. Door het proces van verzoeting en successie van vegetatie nemen aan pionier omstandigheden gebonden kustvogels af zoals kluut, bontbekplevier en strandplevier (Provincie Noord-Brabant, 2014). Wel vormt het gebied een belangrijke vluchtplaats voor verschillende soorten kustvogels. Wanneer periodiek sprake is van een hoge waterstand en springtij en veel vluchtplaatsen langs de kust overstromen vinden deze vogels een veilige plek in het Markiezaat. De successie zorgt voor een toename van met name moerasvogels, zoals geoorde fuut, grote- en kleine zilverreiger maar ook roerdomp en woudaap. Sinds enkele jaren komt in de langzaam verbossende strook, op de voormalige kreken, een broedpaar van de grauwe klauwier voor en o.a. zeearend lijkt zich in de omgeving te vestigen aangezien de soort veel aanwezig is in het gebied. Als foerageergebied voor visetende watervogels is het gebied minder geschikt geworden door een afname van doorzicht, ondanks dat er wel vissen van de juiste lengteklassen aanwezig zijn. Doordat het Markiezaat nagenoeg volledig is afgesloten voor recreatie heerst er een hoge mate van rust in het gebied. In combinatie met bosschages en bossen op de Brabantse Wal vormt het daarmee zeer geschikt leefgebied voor o.a. het ree.
Daarnaast komen verschillende andere soorten zoogdieren voor zoals vos, haas, konijn, mol, boommarter, hermelijn, wezel, bunzing en diverse soorten muizen. In het verleden kwamen tot meer dan 100 soorten loopkevers voor in het Markiezaat als gevolg van pionier omstandigheden en zoutinvloed, maar deze aantallen zijn waarschijnlijk teruggelopen door de afgenomen dynamiek en daarmee pionier omstandigheden en afgenomen invloed van zout. Als gevolg van afname van zoutwater is ook de visstand veranderd. Waar vroeger nog soorten van zoute en brakke omstandigheden voorkwamen zoals schol, bot en haring, wordt het water nu gedomineerd door soorten van zoetwater. De brasem is de meest voorkomende soort en vormt bijna 70% van de aanwezige biomassa vis. De brasem is een soort die graag in de bodem woelt op zoek naar voedsel en daarmee goed kan overleven in troebel water maar door het wroeten ook bijdraagt aan vertroebeling van het water. Voor wat betreft macrofauna is er momenteel beperkt inzicht over de diversiteit en de biomassa. Bij het waterschap zijn diverse rapportages met meetgegevens beschikbaar, deze kwamen echter te laat ter beschikking voor deze natuurdoelanalyse. Veel aangewezen (niet-)broedvogels foerageren in het Markiezaat en zijn daarvoor afhankelijk van specifieke of generieke groepen macrofauna zoals weekdieren of wormen.
Van oorsprong kwamen in de oeverzone soorten voor gebonden aan zoute milieus. Na het verzoeten is een brakke situatie ontstaan. Onduidelijk is in hoeverre dit gevolgen heeft gehad voor de diversiteit en biomassa van diverse macrofauna soorten.
3.4.8
De mens
In de huidige situatie is de invloed van de mens op het Markiezaat beperkt te noemen. Het beheer bestaat hoofdzakelijk uit lokaal (gecompartimenteerd) begrazingsbeheer door koeien en paarden. Voor de rest worden weinig tot geen grote beheeringrepen gedaan. Jacht is in het gebied niet toegestaan, waarbij alleen op het vogeleiland de vos wordt bejaagd op predatiedruk op broedvogels te verminderen. Verder is in het gebied nog een beroepsvisser aanwezig, die voornamelijk vist op paling die met regelmaat wordt bijgezet. Daarnaast worden in het najaar ook schieralen overgezet in de open zee in het kader van het Paling over de dijk (PODD) project. Ten aanzien van recreatie, in het gebied zijn twee vogelkijkhutten, zijn de zandduinen in De Duintjes toegankelijk en loopt er langs de rand een wandelpad. Verder zijn in het gebied geen recreatieve voorzieningen. Daarmee is de rust in het gebied zelf vrij hoog te noemen, wat ook van groot belang is voor de aanwezigheid van o.a. vogels. Verder liggen buiten het Natura 2000-gebied nog enkele factoren die effect kunnen hebben op voornamelijk de fauna van het Markiezaat. Ten zuidoosten ligt Vliegbasis Woensdrecht van Defensie (Figuur 3-12). Op deze vliegbasis worden o.a. piloten opgeleid wat leidt tot een hoge vluchtfrequentie met zowel helikopters als verschillende soorten vliegtuigen.
De verschillende aanvlieg- wegvliegroutes liggen nabij of door het Markiezaat. Dit betekent dat er ook vaak sprake is van laagvliegend luchtverkeer, waardoor periodiek verstoring optreedt op aanwezige vogels. Verder staan rond de Kreekraksluizen windmolens (Figuur 3-12). Deze windmolens staan daarmee tussen de zeedelta en het zoete Markiezaat, waar veel vogels migreren tussen foerageer-, nest-, of slaapplekken. In augustus 2022 en mogelijk in 2021 is een zeearend verongelukt tegen een windmolen op de Kreekraksluizen (pers. mededeling E. de Jonge, BL, 24 november 2022). De aangewezen vogelsoorten hebben geen stikstofgevoelige leefgebieden.
33
NATUURDOELANALYSE
Figuur 3-12. Overzicht van N2000-gebied Markiezaat en omliggende gebieden, met de windmolen locaties van windmolenpark Kreekraksluis en de ligging van militair vliegveld Woensdrecht.
3.5
Landschapsecologische functioneren en aangrijpingspunten voor systeemherstel
Markiezaat is een Natura 2000-gebied met instandhoudingsdoelen voor soorten van zowel zoete als zoute milieus. In de visie, hoofdstuk 4, is de keuze gemaakt voor een brak systeem. Het braksysteem is dan ook het uitgangspunt voor a als uitgangspunt voor aangrijpingspunten voor systeemherstel. 1. Optimalisatie van hydrologische systemen Een wisselende waterstand is voor broedvogels die afhankelijk zijn van pioniersomstandigheden van groot belang om te zorgen dat deze stroken in pionier toestand blijven en niet vergrassen of verbossen. Om voldoende doorspoeling van het meer te garanderen voor een betere waterkwaliteit, is toevoer van water met een goede kwaliteit van groot belang. Via oppervlaktewater, maar zeker ook vanuit (diepe) kwel vanuit de Brabantse Wal. Ten aanzien van de waterkwaliteit valt er winst te behalen met name op het gebied van voedselrijkdom. Dit kan ook indirect weer de troebelheid van het water verminderen (Witteveen+Bos, 2018). Voor hydrologie is dus de uiteindelijke ontwikkelvisie van belang waarin tevens aandacht dient te zijn voor behoud van slikkige oevers in pionier stadium en de troebelheid van het water. 2. Vergroten areaal en connectiviteit Afhankelijk van de ontwikkelvisie voor zoet of zout kan areaal en connectiviteit verbeterd worden. Hierbij moet wel opgemerkt worden dat het Markiezaat nu alleen aangewezen is voor vogels.
Op basis van de LESA is hier niet direct een aanknopingspunt voor.
34
NATUURDOELANALYSE
3. Vergroten dynamiek en diversiteit In de huidige situatie kennen de land delen van het gebied al een behoorlijke dynamiek als gevolg van begrazing. Dit uit zich in een diversiteit van verschillende stadia welke in mozaïeken voorkomen. Op basis van de LESA is hier niet direct een aanknopingspunt voor. De dynamiek en diversiteit voor water is reeds toegelicht onder 1. Optimalisatie van hydrologische systemen. 4. Verminderen input nutriënten en chemische stoffen en herstel van schade De grote hoeveelheden nalevering van fosfor, grotendeels ten gevolge van het verzoeten van het meer. In een zoet scenario is dit problematisch voor de langere termijn en dient gekeken te worden naar mogelijkheden om dit te verminderen. Mogelijke effecten van hoge stikstofdepositie zijn nog onbekend. 5. Herstel van biotische kwaliteit Afhankelijk van het ontwikkelscenario zoet of zout kan gekeken worden naar het systeem wat moet ontstaan en in hoeverre dat knelpunten oplevert voor specifieke soorten. Beschikbare kennis en meetgegevens van het waterschap inzetten voor een analyse naar macrofauna. 6. Aanpak exoten Op dit moment is het voorkomen van problematische invasieve exoten niet bekend.
3.6
Leemten in kennis
In het verleden zijn onderzoeken gedaan naar het watersysteem van Markiezaat (Witteveen+Bos, 2016; Witteveen+Bos, 2018). Voor een tweetal zaken is onduidelijk of deze onderzoeken wel volledig of nog actueel zijn. Daarnaast volgt uit de LESA een Leemte in kennis over klimaat, stikstof en macrofauna. De volgende leemten in kennis volgen hieruit: • Hoe is de waterbalans in de huidige situatie? Kwantitatieve en kwalitatieve gegevens over o.a. kwel ontbreken. Kan aanvoer van zoutwater door diepere lagen ten tijde van hoogwater, aangetoond worden? • In welke mate is klimaatverandering een bedreiging voor de waterbalans van het Markiezaat? • Welke processen spelen er rondom sulfide en sulfaat? Vinden er anaerobe of aerobe processen plaats en waar komen deze omstandigheden vandaan? • Is het Markiezaat stikstofgevoelig en welke effecten ondervindt het Markiezaat van de hoge atmosferische stikstofdepositie? • Wat is de staat van de macrofauna in het brakke Markiezaat en in hoeverre heeft dat invloed op de voedselbeschikbaarheid voor wadvogels?
35
NATUURDOELANALYSE
4
Visie op doelbereik en ecologische potentie
4.1
Inleiding
Voor Markiezaat is gekeken wat er aan doelbereik mogelijk is indien het systeem toekomstbestendig hersteld is aan de hand van potenties die in en rond het gebied aanwezig zijn. Hierbij is bewust geen rekening gehouden met andere belangen en functies, aangezien dat onderwerp zal zijn van het gebiedsproces. De natuurdoelanalyse vormt daarmee tevens een van de bouwstenen voor toekomstige ontwikkelingen. De visie zoals die hieronder gepresenteerd is, gaat dan ook over de lange termijn. De visie beschrijft hoe het Natura 2000-gebied (en omgeving) er in de toekomst uit zou kunnen zien. Hierbij hoeft het niet te gaan over één of twee beheerplanperiodes, maar de ambitie moet wel zijn om zo snel zijn het streefbeeld te bereiken of hier in ieder geval het fundament (abiotiek) voor te hebben gelegd. Op het moment van schrijven van deze natuurdoelenanalyse is nog onduidelijk tot welke (regionale) kwantificering van uitbreidings- en kwaliteitsverbeteringsdoelen de landelijke actualisatie van Natura 2000 doelen, die onder verantwoordelijkheid van het ministerie van LNV wordt uitgevoerd, zal leiden. Daarom is nog niet exact te zeggen wat er in dit gebied nodig is voor het bereiken van de landelijke gunstige staat van instandhouding.
Voor deze habitattypen en soorten is op basis van de visie van een hersteld systeem beoordeeld wat er aan doelbereik mogelijk is in het Natura 2000-gebied Markiezaat. Voor de vogelsoorten wordt uitgegaan van de aantallen die in het aanwijzingsbesluit zijn opgenomen.
4.2
Visie op systeemherstel
De kernopgave op landschapsniveau voor Markiezaat is een algemene doelstelling voor alle grote wateren en luidt: ‘’Behoud of herstel van de ruimtelijke samenhang tussen geulen, ondieptes, platen en kwelders (of schorren) en de bijbehorende sedimentatie- en erosieprocessen van groot belang zijn. Behoud openheid, rust en donkerte. Voor vogels betekent dit voldoende rust en ruimte om te foerageren en voldoende rustige hoogwatervluchtplaatsen op korte afstand van foerageergebieden in het intergetijdengebied’’ (Ministerie van LNV, 2006). Voor Markiezaat betekent dat het volgende: Optimalisatie hydrologische systemen Het hydrologische systeem van het Markiezaat heeft een duidelijke richting gekregen. Het Markiezaat blijft een brakwatersysteem zolang er aanvoer van zout blijft plaatsvinden en vormt een natuurlijke overgang van de hogere zandgronden naar de zeedelta. De aanvoer van water vanuit het achterland is versterkt. Er zijn meerdere zoetwaterverbindingen naar het Markiezaat met een goede waterkwaliteit aangelegd, namelijk via de Binnenschelde, de Augustapolder, dal van de Molenbeek, de Blaffert en de Agger. Daarnaast zijn stromingen met grondwater van goede kwaliteit vanaf de Brabantse Wal naar het Markiezaat versterkt. Door deze verschillende wateraanvoerbronnen blijft er in het Markiezaat voldoende water aanwezig en wordt het Markiezaat “schoongespoeld” met schoon zoetwater.
Bovendien hebben de zoetwaterverbindingen eraan bijgedragen dat de waterkwaliteit verbeterd is. Het waterpeil fluctueert niet vrij, maar wordt actief beheerd. In de winterperiode wordt het peil hooggehouden om broedgebied van vogels te laten overstromen en zo in pioniersstadia te houden. In het voorjaar wordt het peil lager gehouden en ontstaat er optimaal broedgebied voor (kale)grondbroeders. Het peil wordt dusdanig gereguleerd dat er bij droge zomers voldoende water in het Markiezaatsmeer aanwezig is en in de winter overtollig water wordt afgevoerd. De stuw tussen het Schelderijnkanaal en Markiezaat is aangepast om dit peilregime mogelijk te maken. Vergroten dynamiek en diversiteit De diversiteit in het gebied is verbeterd. In het meer is voldoende broedgelegenheid door o.a. de aanleg van broedeilanden die verschillen in vorm, hoogte, biotoop en successiestadia zodat het Markiezaat optimaal bijdraagt aan broedgebied in de delta. Daar waar peilbeheer onvoldoende is om successie tegen te gaan worden de eilanden begraasd en handmatig beheerd indien dat nodig is. Het gebied is optimaal ingericht als broed- rust en foerageergebied voor vogels. Vergroten areaal en connectiviteit Het Markiezaat is als systeem verbeterd zoals hierboven beschreven is, maar het gebied is daarnaast ook uitgebreid door natuurgebieden aan de rand van de oorspronkelijke grens erbij te betrekken.
Het gaat hierbij om de gebieden Molenplaat, Molenbeek, Blaffert, Prins Karelpolder en de Hogerwaardpolder. 37
NATUURDOELANALYSE
In deze gebieden zijn zoetwatermoerassen ontstaan die door verschillende waterbronnen gevoed worden, namelijk de Molenplaat door het Markiezaatsmeer, Molenbeek door de Brabantse wal en de Hogerwaardpolder door grondwater en wateraanvoer vanuit de Agger. De moerassen bevatten helder voedselrijk water met een rijke grassenvegetatie en veel waterplanten en vormen een belangrijk broedgebied voor de dodaars en andere moerasvogels. In de Hogerwaardpolder zijn de kreken hersteld en vormen nu een belangrijk leefgebied voor vele vogels waaronder de zichtjagers (zoals dodaars), amfibieën en bodemfauna. De zoetwaterverbindingen functioneren als ecologische verbindingszone tussen het Markiezaat en het achterland en er zijn geen barrières voor vogels tussen Markiezaat en Oosterschelde aanwezig. Maatregelen hebben geleid tot een vergroting van het areaal aan geschikt broedbiotoop. Verminderen input nutriënten en chemische stoffen en herstel van schade De waterkwaliteit is passend bij het brakke systeem waardoor de kans op botulisme en algenbloei klein is. In het water zijn geen schadelijke stoffen aanwezig die van invloed kunnen zijn op de voedselketen. De voedselrijkdom in het water en op land, zoals stikstofdepositie, zijn dermate laag dat deze geen negatieve gevolgen hebben voor de aangewezen instandhoudingsdoelen.
Herstel van biotische kwaliteit Ondanks dat Markiezaat al een lange tijd, door de Oesterdam en het Schelderijnkanaal, afgesloten is van de Oosterschelde is het nog steeds een belangrijk onderdeel van de Delta. Vogels die foerageren in de Oosterschelde rusten in Markiezaat. Markiezaat een rust- en broedgebied wat verstoringsvrij is. Daarmee is het ook in periodes van storm en springtij een veilige hoogwatervluchtplaats voor vogels. Door verbetering van de waterkwaliteit is de biomassa van bodemfauna en de draagkracht van het gebied toegenomen. Verschillende vogelsoorten, zoals steltlopers, profiteren hiervan. Het Markiezaat vormt een van de belangrijkste broedgebieden voor kale grondbroeders in de delta. Voor alle overige soorten zijn de omstandigheden optimaal en is doelbereik minimaal gerealiseerd. Predatie door landroofdieren vormt geen knelpunt meer voor de vele vogels die in het Markiezaat broeden. Rondom de broedvogeleilanden is een verdiepte zone aangelegd waardoor zelfs in droge jaren de eilanden onbereikbaar blijven voor landroofdieren. Aanpak exoten Eventueel aanwezige exoten vormen geen knelpunten voor de inheemse flora en fauna. Mocht dit toch het geval zijn dan wordt direct opgetreden om uitbreiding te voorkomen.
4.3
Visie op realisatie instandhoudingsdoelstellingen
4.3.1
Vogelrichtlijn – broedvogels
4.3.1.1
A004 Dodaars
Het doel voor de dodaars is behoud omvang en kwaliteit van het leefgebied met een draagkracht voor een populatie van ten minste 30 broedparen. De dodaars komt voor in ondiepe vennetjes met een rijke oevervegetatie. In en rondom het Markiezaat zijn meerdere zoetwatermoerassen gecreëerd en kreken hersteld waar de dodaars kan broeden. Hier heeft de soort ook voldoende rust om te kunnen broeden. Daarnaast heeft de dodaars, door de verbeterde waterkwaliteit in het Markiezaatsmeer, een geschikt foerageergebied gekregen. Door het nastreven van de visie worden de instandhoudingsdoelstellingen gehaald.
4.3.1.2
A034 Lepelaar
Het doel voor de lepelaar is behoud omvang en kwaliteit van het leefgebied met een draagkracht voor een populatie van ten minste 20 broedparen. Lepelaars broeden in moerassen en op eilanden. Het broedgebied van de lepelaar is uitgebreid door het creëren van zoetwatermoerassen en meerdere broedeilanden. Daarnaast is de predatiedruk op de eilanden verminderd doordat de landroofdieren zoals de vos de eilanden niet meer kunnen bereiken. Door het nastreven van de visie biedt het Markiezaat nog steeds voldoende draagkracht voor het behalen van de instandhoudingsdoelstellingen en liggen er kansen voor uitbreiding van de populatie. 38
NATUURDOELANALYSE
4.3.1.3
A132 Kluut
Het doel voor de kluut is behoud omvang en kwaliteit van het leefgebied als bijdrage aan de draagkracht voor een populatie van ten minste 2.000 broedparen in het gehele deltagebied. De kluut broedt op de oeverzones van het Markiezaat waar pioniersomstandigheden aanwezig zijn. Het areaal geschikt broedbiotoop van de kluut is vergroot door de aanleg van meerdere broedeilanden. De pioniersomstandigheden blijven behouden door het gerichte peilbeheer, begrazing en handmatige beheer waardoor de eilanden in pioniersstadia blijven. Daarnaast zorgt de verbeterde waterkwaliteit voor minder watervervuiling en botulisme, iets waar de soort gevoelig is en daardoor voor verbeterde foerageermogelijkheden. De omleidingen voor luchtverkeer buiten het Markiezaat zorgt voor meer rust in het gebied. Door het nastreven van de visie biedt het Markiezaat een belangrijke bijdrage aan de instandhoudingsdoelstellingen van het deltagebied.
4.3.1.4
A137 Bontbekplevier en A138 Strandplevier
Het doel voor de bontbekplevier is behoud omvang en kwaliteit van het leefgebied als bijdrage aan de draagkracht voor de populatie van ten minste 105 paren in het gehele deltagebied. Het doel voor de strandplevier is behoud omvang en kwaliteit leefgebied als bijdrage aan de draagkracht voor de populatie van het deltagebied van ten minste 220 paren. Beide soorten zijn kale grondbroeders en hebben door het nastreven van de visie meerdere plekken waar ze tot broeden kunnen komen, namelijk op de kale plekken op de oevers en op de broedeilanden die in wisselde successiestadia gehouden worden om optimaal in te spelen op de eisen die kale grondbroeders stellen aan hun broedgebied. Het behouden van de pioniersomstandigheden op deze plekken is voor beide soorten van belang. De sterke toename aan bodemfauna als gevolg van de verbeterde waterkwaliteit heeft ervoor gezorgd dat de bontbekplevier voldoende foerageermogelijkheden heeft. Door het nastreven van de visie levert het Markiezaat een grotere bijdrage aan de instandhoudingsdoelstellingen van het deltagebied dan voorheen.
4.3.2
Vogelrichtlijn – niet-broedvogels – viseters-zichtjagers
Het doel voor de viseters-zichtjagers is behoud omvang en kwaliteit van het leefgebied met een draagkracht voor een populatie van gemiddeld 200 futen, 50 geoorde futen en maximaal 680 aalscholvers. De soorten vinden in het Markiezaatsmeer, door de verbeterde waterkwaliteit en daarmee beter doorzicht, voldoende vissen. Daarnaast vindt de aalscholver een rustige plek om te rusten en te slapen in de bomen aan de oeverzones van het gebied. Met het nastreven van de visie wordt de kwaliteit van het leefgebied van deze vogelsoorten verbeterd en biedt het Markiezaat voldoende draagkracht voor het behalen van de instandhoudingsdoelstellingen.
4.3.3
Vogelrichtlijn – niet-broedvogels – viseters-waadvogels
Het doel voor de lepelaar is behoud omvang en kwaliteit van het leefgebied met een draagkracht voor een populatie van gemiddeld 50 lepelaars. De lepelaar kan in de zoetwatermoerassen en kreken voldoende plekken vinden in het Markiezaatsmeer om in ondiep water te foerageren op visjes en bodemfauna. Daarnaast kan de lepelaar in de deltawateren foerageren en het gebied benutten als hoogwatervlucht- en slaapplaats. Met het nastreven van de visie wordt de kwaliteit van het leefgebied van deze vogelsoorten verbeterd en biedt het Markiezaat voldoende draagkracht voor het behalen van de instandhoudingsdoelstellingen.
4.3.4
Vogelrichtlijn – niet-broedvogels – graseters-vogels van akkers en graslanden
Het doel voor de graseters-vogels van akkers en graslanden is behoud omvang en kwaliteit leefgebied met een draagkracht voor een populatie van gemiddeld 30 kleine zwanen, 510 grauwe ganzen, 130 brandganzen en 1.600 smienten. Deze soorten kunnen op de begraasde oeverzones en graslanden foerageren. Daarnaast hebben ze sinds het ontstaan van de zoetwatermoerassen meer foerageergebied gekregen in het Markiezaat. Ook buiten het Markiezaat kunnen de vogels op de omliggende landbouwpolders en in de andere deltawateren foerageren. Voor de ganzensoorten en de smient zijn er voldoende slaap- en rustplaatsen aanwezig zijn in de vorm van rustige en voldoende grote wateroppervlakten. Met het nastreven van de visie wordt de kwaliteit van het leefgebied van deze vogelsoorten verbeterd en biedt het Markiezaat voldoende draagkracht voor het behalen van de instandhoudingsdoelstellingen.
39
NATUURDOELANALYSE
4.3.5
Vogelrichtlijn – niet-broedvogels – vogels van de slikken
Het doel voor de vogels van de slikken is behoud omvang en kwaliteit van het leefgebied met een draagkracht voor een populatie van gemiddeld 250 bergeenden en 140 kluten en maximaal 360 bontbekplevieren, 1.300 zilverplevieren, 1.600 kanoetstrandlopers, 6.400 bonte strandlopers en 210 zwarte ruiters. De vogels foerageren in het ondiepe water en op de slibvlakten. De pioniersomstandigheden op de oeverzones en de verbeterde waterkwaliteit zorgen voor een geschikt foerageergebied voor deze vogelsoorten. Voor de vogels van de slikken zijn voldoende slaap- en rustplaatsen in de vorm van rustige, voldoende grote en ondiepe wateroppervlakten aanwezig. Met het nastreven van de visie wordt de kwaliteit van het leefgebied van deze vogelsoorten verbeterd en biedt het Markiezaat voldoende draagkracht voor het behalen van de instandhoudingsdoelstellingen.
4.3.6
Vogelrichtlijn – niet-broedvogels – vogels die foerageren in ondiep water
Het doel van de vogels die foerageren in ondiep water is behoud omvang en kwaliteit van het leefgebied met een draagkracht voor een populatie van gemiddeld 280 krakeenden, 700 wintertalingen, 480 pijlstaarten, 150 slobeenden en 920 meerkoeten. Pijlstaarten hebben in het Markiezaat genoeg slaap- en rustplaatsen in de vorm van rustige, voldoende grote en ondiepe wateroppervlakten. De overige vogelsoorten maken om te foerageren gebruik van de ondiepe, voedselrijke wateroppervlakten, oeverzones en zoetwatermoerassen met een rijke hoeveelheid waterplanten. Ook maken ze gebruik van de omliggende landbouwgebieden en Delta wateren buiten het Natura 2000-gebied. Met het nastreven van de visie wordt de kwaliteit van het leefgebied van deze vogelsoorten verbeterd en biedt het Markiezaat voldoende draagkracht voor het behalen van de instandhoudingsdoelstellingen.
40
NATUURDOELANALYSE
5
Huidige staat van instandhouding en trends
5.1
Inleiding en methodiek
In dit hoofdstuk worden de huidige situatie en trends weergegeven van voorkomen, omvang en kwaliteit van aangewezen habitattypen en leefgebieden van aangewezen soorten en wordt het voorkomen afgezet tegen de doelstelling. Daarbij eventuele knelpunten aangegeven in relatie tot negatieve ontwikkelingen.
Referentiesituatie Artikel 6 lid 2 van de Habitatrichtlijn geeft de verplichting dat ‘verdere’ verslechtering en significante verstoring moet worden voorkomen. Dit betekent dat de ecologische kenmerken van een Natura 2000-gebied niet slechter mogen worden dan het niveau ten tijde van de aanwijzing van een gebied als speciale beschermingszone (of, voor VR-gebieden, vanaf het moment dat de HR van kracht werd). Daarenboven stelt de Leidraad “Beheer van Natura 2000-gebieden” (versie 2018) dat als, na de peildatum, een betere staat van instandhouding binnen een Natura 2000-gebied is bereikt, deze verbeterde staat als referentie dient. De referentiesituatie (T0) is daarmee feitelijk de minimale verplichting die op het gebied ligt. Om een antwoord te kunnen geven of verslechtering optreedt en of instandhouding bereikt wordt is het van belang de referentiesituatie (T0) en de huidige stand in de gebieden te bepalen en te vergelijken. Een negatief verschil is een verslechtering ten opzichte van moment van aanwijzen. Daarnaast vergelijken we de huidige natuurkwaliteit met de uitbreidingsdoelstellingen om te toetsen aan de wenselijke situatie, namelijk het behalen van de instandhoudingsdoelstellingen. We voeren deze vergelijking uit voor Habitattypen, Habitat-richtlijnsoorten en Vogelrichtlijnsoorten.
Voor Markiezaat betekent dit dat voor de VR-soorten 10 juni 1994 1 geldt als referentiesituatie (https://www.bij12.nl/onderwerpen/stikstof-en-natura2000/natuur-monitoring-engebiedsgerichte-aanpak/natura-2000-gebieden/). Deze referentiesituatie is daarmee feitelijk de minimale verplichting dit op het gebied ligt, maar geeft nog geen antwoord of daarmee ook de landelijk gunstige staat van instandhouding bereikt wordt.
5.1.1
Methodiek broedvogels en niet-broedvogels
Voor het bepalen van de verspreiding en voorkomen van de vogelrichtlijnsoorten is gebruik gemaakt van openbare bronnen en niet openbare (broed)vogelgegevens opgevraagd bij de Nationale Databank Flora en Fauna (NDFF) van de periode 2011-2022. Deze gegevens bevatten de NEM-tellingen van broedende vogels, meetnet watervogels en meetnet van slaapplaatsen. Voor de trendanalyse van de broedvogels en niet-broedvogels zijn de gegevens op sovon.nl3 gebruikt. Voor de broedvogels is de som van het aantal broedterritoria per jaar gebruikt, voor de trendanalyse van niet-broedvogels is de som van het seizoensgemiddelde of het seizoensmaximum gebruikt voor respectievelijk de doelstellingen voor seizoensgemiddelde en seizoensmaximum.
3
https://stats.sovon.nl/stats/gebied/1000127
41
NATUURDOELANALYSE
Disclaimer vogeldata Voor het voorkomen en de verspreiding van vogels zijn alle beschikbare gegevens uit de NDFF gehaald, waarbij alleen data zijn opgenomen uit methodische tellingen zoals BMP, slaapplaatstellingen etc. Losse waarnemingen via o.a. waarneming.nl zijn niet meegenomen. De BMP-tellingen van de Vogelwerkgroep Bergen op Zoom beperkten zich tot de zogenaamde proefstrook en deze telling is niet gebiedsdekkend. Daarnaast zijn sommige tellingen ingevoerd door middel van vlakken i.p.v. punten. Wanneer van een gebied enkel vlakdata beschikbaar zijn, geeft dit vlak weer of de soort is waargenomen. Kaarten met punt-data uit de NDFF mogen niet publiekelijk gepubliceerd worden en zijn daarom niet in deze rapportage opgenomen. Alleen kaartmateriaal uit openbare rapportages is opgenomen. De kaarten bij voorkomen en verspreiding geven dus wel een indicatie van het voorkomen van de soort, maar het is onvoldoende duidelijk of dit een realistische weergave is, omdat de frequentie van monitoring, omvang monitoringsgebied en manier van vastleggen onvoldoende duidelijk is. Uitgezonderd de broedvogels, zijn geen begeleidende rapportages beschikbaar met analyses of verklaringen van vastgestelde aantallen. Door gebrek aan deze interpretaties is het niet mogelijk om in deze NDA een interpretatie te geven van de waargenomen aantallen.
De gegevens van 2020/2021 van Sovon waren te laat beschikbaar om mee te nemen in deze NDA.
5.2
Huidige situatie en trend broedvogels
5.2.1
A004 Dodaars
De instandhoudingsdoelstelling voor deze soort is behoud van omvang en kwaliteit van het leefgebied met een draagkracht voor een populatie van ten minste 30 paren.
5.2.1.1
Beschrijving soort
De volgende tekst is afkomstig uit het profieldocument van deze soort (Ministerie van LNV, 2008): ‘’De dodaars is onze kleinste fuutachtige vogel. Het is een broedvogel van ondiepe zoetwaterplassen, die leeft van vis en andere kleine waterdieren. De dodaars broedt in grote delen van Europa, het zuiden van Azië en Afrika.’’
5.2.1.2
Voorkomen en verspreiding
De dodaars worden, sinds 2011, binnen Markiezaat alleen nog waargenomen rondom de vogelkijkhut aan de noordoostelijke oever en omliggende moeraszone. In deze moeraszone met kwelwater zijn in 2020 nog vier broedparen gelokaliseerd (Bult, 2020a). In de rest van het Markiezaatsmeer is de dodaars al enige jaren afgenomen en uiteindelijk verdwenen (pers. Mededeling E. de Jonge, BL, 2022; Bult, 2021). Het verdwijnen van de soort in het Markiezaatsmeer wordt direct gekoppeld aan het vertroebelen van het meer. Na de aanleg van de Markiezaatkade koloniseerden tot 35 broedparen het Markiezaat. Aangezien de dodaars veelal voorkomt in heldere wateren waar deze op zicht jaagt op vissen, amfibieën en andere waterdieren, is door de jaren de populatie afgenomen als gevolg van vertroebeling. Door het vertroebelen is het zicht te beperkt geworden voor de dodaars om te kunnen foerageren. Daarmee is de soort verdwenen als broedvogel van het grote meer. In het ven rond de vogelkijkhut wordt de dodaars nog wel jaarlijks waargenomen tijdens broedvogeltellingen.
5.2.1.3
Trend
Er zijn onvoldoende gegevens beschikbaar voor de trendanalyse van de dodaars in het Markiezaat. Er zijn enkele aantallen in paren bekend namelijk 1 (1991), 17 (1996), 31 (2001), 32 (2004), 31 (2007), 5 (2010), 6 (2014), 0 (2020). De rest van de jaren vanaf 1990 zijn de aantallen onbekend (Sovon.nl). Na 2007 is wel een duidelijke afname van de dodaars te zien in de absolute aantallen. Bekend is dat de laatste jaren het water steeds troebeler is geworden. Gezien de dodaars afhankelijk is van doorzicht om te jagen, is het aannemelijk dat de soort zich in het begin, na het afsluiten van het Markiezaat, redelijk stand kon houden, maar dat door steeds toenemende vertroebeling de soort uiteindelijk, nagenoeg, is verdwenen (Witteveen+Bos, 2018). Deze ontwikkeling is niet in lijn met de ontwikkeling van de dodaars als broedvogel in Nederland. Als broedvogel kent de dodaars landelijk namelijk een significante toename, <5% per jaar (Sovon, 2022). Daarmee wordt niet voldaan aan de eis van 30 broedparen.
42
NATUURDOELANALYSE
5.2.1.4
Omvang en kwaliteit leefgebied
Het profielendocument (Ministerie van LNV, 2008k) beschrijft de leefgebieden van de dodaars (broedvogel) als volgt: “De broedbiotoop van de dodaars bestaat uit ondiepe, voedselarme tot matig voedselrijke zoete wateren met een weelderige oevervegetatie. Het zijn vaak vennen, duinplassen, wielen, oude kleiputten of kreken. De eerste verlandingsstadia zijn zeer geschikt om te nestelen. De dodaars bouwt zijn nest veelal te midden van riet- of zeggenvegetaties of op losse pollen van bijv. pitrus, in hooguit 1 m diep water. Vaak ligt het nest op 1-5 m afstand van de oever. Het leefgebied is daarbij doorgaans 2-5 ha groot, soms aanzienlijk kleiner. Voedsel zoekt de dodaars in 1-2 m diep water.” Informatie over de kwaliteit van leefgebieden en in hoeverre wordt voldaan aan voorstaande eisen is niet beschikbaar. Maar wel is duidelijk dat het grote Markiezaat ongeschikt is geworden als foerageergebied door de vertroebeling van het water. De dodaars wordt alleen nog maar waargenomen in een klein vennetje en daarmee is het leefgebied van zeer beperkt oppervlakte. De dodaars is gemiddeld gevoelig voor verstoring, waarbij beschikbaarheid van schuilgelegenheid van groot belang is. Gezien de betreding van de mens in Markiezaat beperkt is tot de vogelkijkhut wordt rust niet als belangrijk knelpunt beoordeeld.
5.2.2
A034 Lepelaar
De instandhoudingsdoelstelling voor deze soort is behoud van de omvang en kwaliteit van het leefgebied met een draagkracht voor een populatie van ten minste 20 paren.