CConstaterende datwoensdrecht
Koppel je AI →
Document · PDF

Natuurdoelanalyse 127 Markiezaat.pdf

Themabijeenkomst 30 maart 2023, gemeente woensdrechtBij agendapunt: 20.30-21.00 uur: Inzoomen op gebied: stikstof op de Brabantse Wal en Markiezaat38.317 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 5

Natuurdoelanalyse 127 Markiezaat Provincie Noord-Brabant 28 februari 2023

DISCLAIMER Voorliggende natuurdoelanalyse is onderdeel van de eerste cyclus natuurdoelanalyses. Deze analyse is opgesteld met de informatie die door de provincie Noord-Brabant aan Arcadis ter beschikking is gesteld, vrij beschikbaar was of tijdig door derden is aangeleverd. Met deze informatie is zo goed mogelijk geprobeerd om conclusies te trekken. In dit rapport is geprobeerd om zo duidelijk mogelijk te zijn over gebruikte bronnen (zie verwijzingen en lijst met referenties) om daarmee ook helder te zijn op basis van welke informatie conclusies zijn getrokken. Het beschikbaar komen van relevante informatie die bij het opstellen van deze doelanalyse niet beschikbaar was voor Arcadis of die te laat is aangeleverd om nog tijdig te kunnen verwerken, kan leiden tot nieuwe inzichten en andere conclusies. Voor de beoordeling van de kwaliteit van de habitattypen is gebruik gemaakt van de criteria die in de profieldocumenten zijn aangegeven. Totdat deze methodiek landelijk aangepast wordt is bij deze beoordeling uitgegaan van deze wetenschappelijke achtergronddocumenten die, tot op het moment van schrijven, het beleidsmatig kader vormen voor de aanwijzingsbesluiten en beheerplannen.

NATUURDOELANALYSE

Contactpersoon SJUUL VERHAEGH

Arcadis Nederland B.V. Postbus 1018 5200 BA 'sHertogenbosch Nederland

NATUURDOELANALYSE

Inhoudsopgave 1

2

3

4

Inleiding

1

1.1

Aanleiding

1

1.2

Doelstelling

2

1.3

Leeswijzer

2

Natuurdoelen

3

2.1

Inleiding

3

2.2

Kernopgaven

4

2.3

Doelen Vogelrichtlijnsoorten

5

2.3.1

A034 Broedvogels

5

2.3.2

Niet-broedvogels

7

Landschapsecologische Systeemanalyse (LESA)

17

3.1

Inleiding

17

3.2

Methode en opzet

17

3.3

Ontstaansgeschiedenis

19

3.4

Landschapscomponenten

20

3.4.1

Klimaat

20

3.4.2

Geologie

21

3.4.3

(Geo)Morfologie

23

3.4.4

Hydrologie

27

3.4.5

Bodem

30

3.4.6

Vegetatie

32

3.4.7

Fauna

33

3.4.8

De mens

33

3.5

Landschapsecologische functioneren en aangrijpingspunten voor systeemherstel

34

3.6

Leemten in kennis

35

Visie op doelbereik en ecologische potentie

37

4.1

Inleiding

37

4.2

Visie op systeemherstel

37

4.3

Visie op realisatie instandhoudingsdoelstellingen

38

4.3.1

Vogelrichtlijn – broedvogels

38

4.3.2

Vogelrichtlijn – niet-broedvogels – viseters-zichtjagers

39

i

NATUURDOELANALYSE

5

4.3.3

Vogelrichtlijn – niet-broedvogels – viseters-waadvogels

39

4.3.4

Vogelrichtlijn – niet-broedvogels – graseters-vogels van akkers en graslanden

39

4.3.5

Vogelrichtlijn – niet-broedvogels – vogels van de slikken

40

4.3.6

Vogelrichtlijn – niet-broedvogels – vogels die foerageren in ondiep water

40

Huidige staat van instandhouding en trends

41

5.1

Inleiding en methodiek

41

5.1.1

Methodiek broedvogels en niet-broedvogels

41

5.2

Huidige situatie en trend broedvogels

42

5.2.1

A004 Dodaars

42

5.2.2

A034 Lepelaar

43

5.2.3

A132 Kluut

45

5.2.4

A137 Bontbekplevier

47

5.2.5

A138 Strandplevier

49

5.2.6

Samenvatting broedvogels

50

5.3

Huidige situatie en trend niet-broedvogels – viseters-zichtjagers

52

5.3.1

A005 Fuut

52

5.3.2

A008 Geoorde fuut

54

5.3.3

A017 Aalscholver

56

5.4

Huidige situatie en trend niet-broedvogels – viseters-waadvogels

59

5.4.1

A034 Lepelaar

59

5.5

Huidige situatie en trend niet-broedvogels – graseters – vogels van akkers en graslanden

60

5.5.1

A037 Kleine zwaan

60

5.5.2

A043 Grauwe gans

62

5.5.3

A045 Brandgans

65

5.5.4

A050 Smient

67

5.6

Huidige situatie en trend niet-broedvogels – vogels van de slikken

70

5.6.1

A048 Bergeend

70

5.6.2

A132 Kluut

71

5.6.3

A137 Bontbekplevier

74

5.6.4

A141 Zilverplevier

77

5.6.5

A143 Kanoetstrandloper

80

5.6.6

A149 Bonte strandloper

82

5.6.7

A161 Zwarte ruiter

84

5.7

Huidige situatie en trend niet-broedvogels – vogels die foerageren in ondiep water

87

5.7.1

A051 Krakeend

87

5.7.2

A052 Wintertaling

88

5.7.3

A054 Pijlstaart

90 ii

NATUURDOELANALYSE

6

7

8

5.7.4

A056 Slobeend

92

5.7.5

A125 Meerkoet

94

5.8

Samenvatting niet-broedvogels

96

5.9

Analyse mogelijk doelbereik

99

5.10

Overzicht knelpunten en kennisleemtes

103

5.11

Synthese ecologische analyse en stikstofanalyse

104

Uitgevoerde en geplande maatregelen

107

6.1

Overzicht uitgevoerde maatregelen en effecten daarvan

107

6.2

Conclusie

108

Nieuwe maatregelen voor doelbereik

111

7.1

Mogelijke maatregelen voor doelbereik

111

7.2

Maatregelen noodzakelijk om (verdere) verslechtering te voorkomen

117

7.3

Maatregelen voor uitbreiding en verbetering conform aanwijzingsbesluit

117

7.4

Overige mogelijke maatregelen voor optimaal systeemherstel

117

Geraadpleegde bronnen

119

Colofon

123

iii

NATUURDOELANALYSE

1

Inleiding

1.1

Aanleiding

De directe aanleiding voor de uitvoering van natuurdoelanalyses is het opstellen van de gebiedsplannen van het Nationaal Programma Stikstofreductie en Natuurverbetering (PSN). In de Wet Stikstofreductie en Natuurverbetering (2021) was opgenomen dat de minister een Programma Stikstofreductie en Natuurverbetering (PSN) vast zou stellen: 1. Het verminderen van de depositie van stikstof op voor stikstofgevoelige habitats en leefgebieden in Natura 2000gebieden om te voldoen aan de omgevingswaarden volgens en in overeenstemming met de WSN. 2. Het bereiken van de instandhoudingsdoelstellingen voor deze habitats en leefgebieden. Daartoe worden in het PSN tussentijdse doelstellingen opgenomen met het oog op: 1. Het tijdig voldoen aan de omgevingswaarden; en 2. de in het programma opgenomen maatregelen voor het bereiken van de instandhoudingsdoelstellingen. De minister maakte op 24 mei 2022 het Ontwerpprogramma Stikstofreductie en Natuurverbetering bekend. Voor elk in het PSN opgenomen Natura 2000-gebied zal een natuurdoelanalyse worden opgesteld. Dit gebeurt door de voortouwnemers van de Natura 2000-gebieden, waaronder de provincies. In de natuurdoelanalyse wordt, op basis van beschikbare informatie, ecologisch (ex ante) beoordeeld of de te verwachten stikstofreductie voor dat gebied in samenhang met de natuurherstelmaatregelen leidt tot bereik van de instandhoudingsdoelstellingen.

Deze natuurdoelanalyses resulteren in een overzicht van resterende drukfactoren op het Natura 2000-gebied en geven mede richting aan verdere uitwerking van aanvullende (natuurherstel)maatregelen in gebiedsplannen. De natuurdoelanalyses zijn inhoudelijke ecologische analyses en rapportages, geen beleidsstukken. Pas wanneer maatregelen worden opgenomen in het (provinciale) gebiedsplan of in een Natura 2000-beheerplan krijgen ze een beleidsstatus. In het gebiedsplan moet worden beschreven wat het verwachte effect is van het totale pakket voorziene maatregelen op het realiseren van de omgevingscondities die nodig zijn voor het bereiken van de instandhoudingsdoelstellingen. Dat vraagt een samenhangende omvattende beoordeling van de effecten van alle stikstofbronmaatregelen en natuurmaatregelen op gebiedsniveau. De gezamenlijke natuurdoelanalyses vormen hiervoor de basis. Deze analyses maken uiteindelijk inzichtelijk of het geheel aan geplande en reeds in uitvoering zijnde maatregelen naar verwachting leiden tot realisatie van condities voor het bereiken van instandhoudingsdoelstellingen. Op 10 juni 2022 heeft de minister in de Startnotitie Nationaal Programma Landelijk Gebied (NPLG) een verdere invulling gegeven aan de in de wet opgenomen doelstellingen.

Volgend uit de afspraken in het PSN worden de stikstof- en natuurdoelen uiterlijk in juli 2023 verplicht en onontkoombaar ruimtelijk uitgewerkt en vastgelegd in een gebiedsplan. Vanuit de NPLG-ambitie wordt dit samen met de andere uitgewerkte doelen voor natuur, water en klimaat, en de wisselwerking met de verduurzaming van de landbouw en de sociaaleconomische ontwikkelingen, opgenomen in de eerste versie van de brede gebiedsprogramma’s. In het coalitieakkoord heeft het kabinet aangekondigd de huidige wettelijke omgevingswaarde voor stikstofdepositie voor 2035 uit de Wet stikstofreductie en natuurverbetering naar voren te halen. Dit betekent dat in 2030 74% van het stikstofgevoelig Natura 2000-areaal onder de kritische depositiewaarde moet zijn gebracht. In 2025 is dit conform de wettelijke verplichting 40% van dat areaal. Met de natuurdoelanalyses, die worden getoetst door een onafhankelijke ecologische autoriteit, wordt breed gekeken naar wat er nodig is voor een goede staat van instandhouding. De provincie Noord-Brabant stelt natuurdoelanalyses op voor de volgende gebieden: • Biesbosch • Brabantse Wal • Deurnsche Peel & Mariapeel • Groote Peel • Kampina & Oisterwijkse Vennen • Kempenland-West • Langstraat • Leenderbos, Groote Heide & De Plateaux • Loonse en Drunense Duinen & Leemkuilen

1

NATUURDOELANALYSE

• • • • • •

Markiezaat1 Oeffelter Meent Regte Heide & Riels Laag Strabrechtse Heide & Beuven Ulvenhoutse Bos Vlijmens Ven, Moerputten & Bossche Broek

1.2

Doelstelling

Middels voorliggende natuurdoelanalyse wil de provincie Noord-Brabant antwoord krijgen op de volgende vragen: 1. Wat is de huidige situatie van alle voor dit gebied aangewezen habitats en soorten? 2. Wat is de trend? 3. In geval van een (mogelijk verdere) verslechtering: welke maatregelen moeten, in aanvulling op de huidige maatregelen, genomen worden om achteruitgang te stoppen? Welke ecologische potenties zijn er in het gebied aanwezig, op basis van reeds bestaande potentie-inschattingen (in de beheerplannen 2). 4. Welke maatregelen zijn, in aanvulling op de huidige maatregelen, tot 2030 in ieder geval nodig om uitbreiding en verbetering mogelijk te maken. 5. Welke maatregelen zijn tot 2050 (of verder) nog meer mogelijk om het systeem en de daarbij behorende natuurwaarden verder te verbeteren?

1.3

Leeswijzer

In hoofdstuk 2 is ingegaan op de instandhoudingsdoelen van het Natura 2000-gebied Markiezaat en welke kernopgaven er voor dit gebied liggen. Hierna wordt in hoofdstuk 3 de landschapsecologische systeemanalyse weergeven aan de hand van de verschillende landschapscomponenten. Het hoofdstuk eindigt met een analyse van het landschapsecologisch functioneren en aangrijpingspunten voor systeemherstel (paragraaf 3.5) en leemten in kennis (paragraaf 3.6). In hoofdstuk 4 wordt de visie op mogelijk doelbereik en ecologische potentie aangegeven. Eerst wordt de visie op systeemherstel weergegeven (paragraaf 4.2) en vervolgens in paragraaf 4.3 de visie op de realisatie van de instandhoudingsdoelstellingen. De huidige staat van instandhouding en trends staan in hoofdstuk 5. Achtereenvolgens zijn in paragraaf 5.2 de Vogelrichtlijnsoorten broedvogels en tot slot in paragraaf 5.3 t/m 5.8 de Vogelrichtlijnsoorten niet-broedvogels. In paragraaf 5.9 staat de analyse mogelijk doelbereik en in paragraaf 5.10 een overzicht van knelpunten en kennisleemtes. Het hoofdstuk eindig met de synthese ecologische analyse en stikstofanalyse (5.11). Hoofdstuk 6 gaat in op de uitgevoerde maatregelen. In paragraaf 6.1 wordt een overzicht gegeven van alle uitgevoerde maatregelen en effecten daarvan.

In paragraaf 6.2 wordt per (leefgebied van) soort de eindconclusie getrokken ten aanzien van doelbereik conform de ondersteunende notitie van de Taakgroep Ecologische Onderbouwing. In hoofdstuk 7 staan de nieuwe maatregelen voor doelbereik. In paragraaf 7.1 worden mogelijke maatregelen voor doelbereik weergegeven. Van deze maatregelen wordt vervolgens aangegeven welke noodzakelijk zijn om (verdere) verslechtering te voorkomen (paragraaf 7.2), welke maatregelen ingezet kunnen worden voor uitbreiding en verbetering conform het aanwijzingsbesluit (paragraaf 7.3) en welke overige mogelijke maatregelen voor optimaal systeemherstel er zijn (paragraaf 7.4). Tot slot staan in hoofdstuk 8 alle geraadpleegde bronnen weergegeven.

1 Enige voortouwgebied van Noord-Brabant dat niet als stikstofgevoelig wordt aangemerkt en daarom niet in PSN opgenomen 2

Natura 2000-gebieden - Provincie Noord-Brabant

2

NATUURDOELANALYSE

2

Natuurdoelen

2.1

Inleiding

Markiezaat behoort tot het Natura 2000-landschap “Noordzee, Waddenzee en Delta”. Het Markiezaat bestaat uit het Markiezaatsmeer, het eiland Steenvliet / Spuitkop en het natuurreservaat Molenplaat (Figuur 2-1). Om het Markiezaat bevindt zich de Schelde-Rijnverbinding (Kreekrak), de nieuwbouwwijk Bergse Plaat en het zoetwatermeer Binnenschelde. Het Natura 2000-gebied Markiezaat is geheel aangewezen als Vogelrichtlijngebied (zie Figuur 2-2). De kernopgaven voor het Natura 2000-gebied Markiezaat zijn aangegeven in paragraaf 2.2. In het gebied gelden instandhoudingsdoelstellingen voor broedvogels (paragraaf 2.3.1) en niet-broedvogels (2.3.2). Deze zijn opgenomen in het Aanwijzingsbesluit (Ministerie van Economische Zaken [EZ], 2010). Het Wijzigingsbesluit Habitatrichtlijngebieden vanwege aanwezige waarden (Ministerie van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit [LNV], 2022) is niet van toepassing op het Natura 2000-gebied Markiezaat.

Figuur 2-1. Deelgebieden en toponiemen in Markiezaat.

3

NATUURDOELANALYSE

Figuur 2-2. Ligging en begrenzing Natura 2000-gebied Markiezaat met de status van het Natura 2000-gebied.

2.2

Kernopgaven

Als verdere invulling van het stellen van prioriteiten zijn voor de acht onderscheiden Natura 2000-landschappen kernopgaven geformuleerd op grond van de daar voorkomende habitattypen en soorten, de landelijke betekenis van deze waarden binnen het betreffende landschap, de belangrijkste verbeteropgaven en de beïnvloedingsmogelijkheden. Per landschap omvatten ze de belangrijkste behoud- en herstelopgaven. De kernopgaven stellen prioriteiten (“richting geven”) en geven overeenkomsten en verschillen tussen en binnen de gebieden aan. Zij hebben in het bijzonder betrekking op habitattypen en (vogel)soorten die sterk onder druk staan en/of waarvoor Nederland van groot of zeer groot belang is. De kernopgaven worden per Natura 2000-landschap behandeld en opgesomd in hoofdstuk 5 van het Natura 2000 doelendocument (Ministerie van LNV, 2006). Markiezaat maakt deel uit van het Natura 2000-landschap Noordzee, Waddenzee en Delta. Hieronder is de opgave landschappelijke samenhang en interne compleetheid voor het landschap Noordzee, Waddenzee en Delta en daaronder (Tabel 2-1) zijn de kernopgaven voor Markiezaat opgenomen.

Opgave landschappelijke samenhang en interne compleetheid landschap Noordzee, Waddenzee en Delta (Ministerie van LNV, 2006): • Behoud of herstel ruimtelijke samenhang diep water, kreken, geulen, ondiep water, platen, kwelders of schorren, stranden en bijbehorende sedimentatie- en erosieprocessen. • Behoud openheid, rust en donkerte. – Voor vogels betekent dit voldoende rust en ruimte om te foerageren en voldoende rustige hoogwatervluchtplaatsen op korte afstand van foerageergebieden in het intergetijdengebied.

4

NATUURDOELANALYSE

Tabel 2-1. Kernopgaven voor Markiezaat conform doelendocument (Ministerie van LNV, 2006). Passages die onderdeel zijn van de kernopgaven, maar niet van toepassing zijn voor Markiezaat zijn in grijs opgenomen. w = wateropgave volgens doelendocument, Ω = sense of urgency beheeropgave/ opgave m.b.t. watercondities volgens doelendocument, X = opgenomen in doelendocument. Bron: Ministerie van LNV, 2006.

Code

Kernopgave

1.12

Hoogwatervluchtplaats vogels: behoud en herstel ongestoorde hoogwatervluchtplaatsen.

Opgave

2.3

Doelen Vogelrichtlijnsoorten

2.3.1

A034 Broedvogels

X

Instandhoudingsdoelstelling In Tabel 2-2 zijn de doelen voor broedvogels samengevat. Voor elke broedvogelsoort van Markiezaat wordt de betekenis (relatieve bijdrage) van Markiezaat afgezet tegen de betekenis van de andere Vogelrichtlijngebieden binnen Nederland die aan de selectiecriteria voldoen, gebaseerd op het aandeel van de landelijke populatie dat (geregeld) in het gebied aanwezig is. In de laatste kolom is de toelichting uit het aanwijzingsbesluit opgenomen. Alle in de tabel gepresenteerde informatie is afkomstig uit het Aanwijzingsbesluit (Ministerie van EZ, 2010). Tabel 2-2. Instandhoudingsdoelstellingen broedvogelsoorten. Aangegeven is wat de relatieve bijdrage is van Markiezaat voor deze broedvogelsoorten binnen Nederland, gebaseerd op het aandeel van de landelijke populatie dat (geregeld) in het gebied aanwezig was ten tijde van de aanwijzing. Hiervoor is de volgende klasseindeling gehanteerd, A1 = 15-30%, A2 = 30-50%, A3 = 50-75% en A4 = >75% B1 = 2-6% en B2 = 6-15% C = <2%. In de eindkolom is een beknopte toelichting op de instandhoudingsdoelstelling opgenomen. Bron: Ministerie van EZ, 2010.

Code

Soort

Relatieve bijdrage

Doelstelling

Toelichting conform Aanwijzingsbesluit

A004

Dodaars

C (<2%)

Behoud omvang en kwaliteit leefgebied met een draagkracht voor een populatie van ten minste 30 paren.

A034

Lepelaar

C (<2%)

Behoud omvang en kwaliteit leefgebied met een draagkracht voor een populatie van ten minste 20 paren.

A132

Kluut

C (<2%)

Behoud omvang en kwaliteit leefgebied als bijdrage aan de draagkracht voor de populatie van het Deltagebied van ten minste 2.000 paren.

A137

Bontbekplevier

C (<2%)

Behoud omvang en kwaliteit leefgebied als bijdrage aan de

De dodaars is pas eind jaren negentig als broedvogel verschenen. De aantallen namen snel toe, tot een aantal van 30 paren in 1999. Het gemiddeld aantal paren van de periode 1999-2003 is 30 broedparen. Tellingen uit latere jaren ontbreken. Gezien de landelijk gunstige staat van instandhouding is behoud voldoende. Het gebied levert onvoldoende draagkracht voor een zelfstandige sleutelpopulatie, maar draagt wel bij aan de draagkracht in de regio West-Brabant ten behoeve van een regionale sleutelpopulatie. Het eerste broedgeval van de lepelaar vond plaats in 1995. De aantallen liggen sinds 2004 gemiddeld boven de 30 broedparen, met een (voorlopig) hoogste aantal paren in 2008: 65 paren. De kolonie bevindt zich op de Spuitkop, een voormalige plaat die door opspuitingen in 1983 permanent boven water is komen te liggen. Gezien de landelijk gunstige staat van instandhouding is behoud voldoende. Het gebied heeft voldoende draagkracht voor een sleutelpopulatie. De regionale doelstelling van het Deltagebied heeft betrekking op de volgende gebieden: Haringvliet, KrammerVolkerak, Grevelingen, Oosterschelde, Zoommeer, Westerschelde & Saeftinghe en Markiezaat. De populatie is alleen op regionaal niveau gedefinieerd vanwege het sterk wisselende voorkomen per gebied.

De kluut was ook voor de afsluiting in 1983 een geregelde broedvogel van de kuststrook met enkele tientallen paren (maximum 1979-1983 40 paar). Kort na de afsluiting ontstond op de droogvallende oevers veel geschikt broedgebied waardoor de aantallen zeer sterk toenamen. Het maximum werd bereikt in 1988 met 298 paren. Door vegetatiesuccessie werden de oevers snel ongeschikt waarna de aantallen sterk terugliepen; in de periode 1999-2003 kwamen jaarlijks tussen de 4 en 65 paren tot broeden. In de periode 1999-2008 broedde minimaal 0% en maximaal 3% van het regionale doelniveau van het Deltagebied in het onderhavige gebied. De regionale doelstelling van het Deltagebied heeft betrekking op de volgende gebieden: Haringvliet, KrammerVolkerak, Grevelingen, Zoommeer, Oosterschelde, 5

NATUURDOELANALYSE

Code

A138

Soort

Strandplevier

Relatieve bijdrage

B1 (2-6%)

Doelstelling

Toelichting conform Aanwijzingsbesluit

populatie van het Deltagebied van ten minste 105 paren.

Westerschelde & Saeftinghe en Markiezaat. De populatie is alleen op regionaal niveau gedefinieerd vanwege het sterk wisselende voorkomen per gebied. De bontbekplevier was ook voor de afsluiting in 1983 een geregelde broedvogel van de kuststrook met enkele paren (maximum 9 paren in 19791983). Kort na de afsluiting ontstond op de droogvallende oevers meer geschikt broedgebied waardoor de aantallen toe konden nemen tot 29 paren in 1985. Door vegetatiesuccessie worden de oevers steeds minder geschikt en liepen de aantallen geleidelijk terug tot 0 in 2002 en 2003. In de periode 1999-2008 broedde minimaal 0% en maximaal 5% van het regionale doelniveau van het Deltagebied in het onderhavige gebied. Het gebied levert onvoldoende draagkracht voor een zelfstandige sleutelpopulatie, maar draagt wel bij aan de draagkracht ten behoeve van een regionale sleutelpopulatie. De regionale doelstelling van het Deltagebied heeft betrekking op de volgende gebieden: Duinen Goeree & Kwade Hoek, Haringvliet, Krammer-Volkerak, Grevelingen, Oosterschelde, Zoommeer, Westerschelde & Saeftinghe en Markiezaat. De sleutelpopulatie is alleen op regionaal niveau gedefinieerd vanwege het sterk wisselende voorkomen per gebied. Ook voor de afsluiting in 1983 was de strandplevier een regelmatige broedvogel van de kuststrook met een twintigtal paren (maximum 24 paren in 1979-1983).

Kort na de afsluiting ontstond op de droogvallende oevers meer geschikt broedgebied waardoor de aantallen toe konden nemen tot ten minste 40 paren; een niveau dat tot 1997 (46 paren) werd gehandhaafd. Door vegetatiesuccessie worden de oevers steeds minder geschikt. In de jaren 1998-2003 nam het aantal paren jaarlijks af van 24 naar 7. In de periode 1999-2008 broedde minimaal 0% en maximaal 10% van het regionale doelniveau van het Deltagebied in het onderhavige gebied. Ondanks de landelijk zeer ongunstige staat van instandhouding is niet voor uitbreiding van de populatie gekozen gezien de onzekerheid in de ontwikkelingen in het Deltagebied. Mogelijkheden voor verbetering kwaliteit leefgebied zullen wel worden onderzocht

Behoud omvang en kwaliteit leefgebied als bijdrage aan de draagkracht voor de populatie van het Deltagebied van ten minste 220 paren.

De relatieve bijdrage van Markiezaat aan de landelijke instandhoudingsdoelen voor broedvogels is klein. Voor de strandplevier is de relatieve bijdrage het grootst, namelijk 2-6%. Broedvogels en hun leefgebied Voor Vogelrichtlijnsoorten zijn in het aanwijzingsbesluit al kwantitatieve doelen geformuleerd. De instandhoudingsdoelstellingen voor broed- en niet-broedvogels (doortrekkers en wintergasten) zijn geformuleerd in termen van behoud of herstel van de omvang en kwaliteit van het leefgebied voor een beoogd (populatie)aantal. Dat aantal betreft het aantal broedparen voor broedvogels. Het actueel aanwezige aantal (in paren bij broedvogels en als maximum of seizoensgemiddelde) geeft een eerste indicatie van de toestand in een Natura 2000-gebied. Het te zeer focussen op alleen het halen (of niet) van het instandhoudingsdoel op basis van een vergelijking van het actuele aanwezige aantal met het beoogde draagkracht aantal uit de doelomschrijving kan een onjuist beeld van de werkelijke draagkracht en duurzaamheid van de populatie geven. De omvang en kwaliteit van het leefgebied kan bijvoorbeeld voldoende zijn voor de gewenste draagkracht, maar de daadwerkelijke aantallen zijn toch niet (meer) aanwezig door invloeden buiten het Natura 2000-gebied (bijv. in het overwinteringsgebied, op de trekroute, door klimaatverandering).

Andersom kan het ook zo zijn dat de aantallen nog wel worden gehaald, terwijl de kwaliteit/omvang van het habitat al achteruitgaat waardoor de populatie een negatieve trend vertoont of onvoldoende jongen kunnen worden grootgebracht. In Tabel 2-3 zijn de leefgebieden voor broedvogels samengevat. In hoofdstuk 4 wordt nader ingegaan op de omvang en kwaliteit van het leefgebied in relatie indien er reden is om te veronderstellen dat hier mogelijk zaken niet op orde zijn.

6

NATUURDOELANALYSE

Tabel 2-3. Beschrijving van de leefgebieden voor broedvogels in Markiezaat. Bronnen: Bal et al., 2001; Smits & Bal 2016. Broedvogel Broedbiotoop1,2 Foerageerbiotoop1,2 A004 Dodaars Gebufferde poel en wiel 3.14 (va); Langzaam stromende midden- en Geïsoleerde meander en petgat 3.17 benedenloop 3.7 (a); Langzaam (va); Gebufferd meer 3.18 (va); Duinplas stromend riviertje 3.8 (a); Langzaam 3.20 (va); Zwakgebufferd ven 3.22 (va); stromende rivier en nevengeul 3.10 (a); Zuur ven 3.23 (va); Moeras 3.24 (va); Zoet getijdenwater 3.11 (a); Brak LG04 Zuur ven; stilstaand water 3.13 (a); Gebufferde H3160 poel en wiel 3.14 (va); Gebufferde sloot 3.15 (a); Dynamisch rivierbegeleidend water 3.16 (a); Geïsoleerde meander en petgat 3.17 (va); Gebufferd meer 3.18 (va); Kanaal en vaart 3.19 (a); Duinplas 3.20 (va); Zwakgebufferd ven 3.22 (va); Zuur ven 3.23 (va); Moeras 3.24 (va); LG04 Zuur ven; H3130; H3160; H7120 A034 Lepelaar Moeras 3.24 (va); Natte strooiselruigte Zoet getijdenwater 3.11 (a); Brak 3.25 (v); Natte duinvallei 3.26 (v); stilstaand water 3.13 (a); Gebufferde Wilgenstruweel 3.55 (va); ooibos 3.61 poel en wiel 3.14 (a); Gebufferde sloot (va); bos van voedselrijke, vochtige 3.15 (a); Gebufferd meer 3.18 (a); gronden 3.66 (va); Kwelder, slufter en Duinplas 3.20 (a); Moeras 3.24 (va); groen strand 3.40 (va); Wilgenstruweel Wilgenstruweel 3.55 (va); ooibos 3.61 3.55 (v) (va); bos van

voedselrijke, vochtige gronden 3.66 (va); Kwelder, slufter en groen strand 3.40 (va); A132 Kluut Moeras 3.24 (va); Kwelder, slufter en Zoet getijdenwater 3.11 (a); Brak groen strand 3.40 (va); Binnendijks zilt stilstaand water 3.13 (a); Gebufferde grasland 3.41 (va); Strand en stuivend poel en wiel 3.14 (a); Gebufferde sloot duin 3.48 (va); Rivierduin en - strand 3.15 (a); Dynamisch rivierbegeleidend 3.49 (va); water 3.16 (a); Gebufferd meer 3.18 (a); Duinplas 3.20 (a); Moeras 3.24 (va); Kwelder, slufter en groen strand 3.40 (va); Binnendijks zilt grasland 3.41 (va); Strand en stuivend duin 3.48 (va); Rivierduin en - strand 3.49 (va); A137 Bontbekplevier Moeras 3.24 (va); Natte duinvallei 3.26 Moeras 3.24 (va); Natte duinvallei 3.26 (va); Nat, matig voedselrijk grasland 3.32 (va); Nat, matig voedselrijk grasland 3.32 (va); Kwelder, slufter en groen strand (va); Kwelder, slufter en groen strand 3.40 (va); Binnendijks zilt grasland 3.41 3.40 (va); Binnendijks zilt grasland 3.41 (va); Strand en stuivend duin 3.48 (va); (va); Strand en stuivend duin 3.48 (va); Akker van basenarme gronden 3.51 (va); Akker van basenarme gronden 3.51 (va); H1310B; H1330A; H2110; H1330B LG08 Nat, matig en voedselrijk grasland; H1310B; H1330A; H2190B; H2190C; H2110; H1330B A138 Strandplevier Kwelder, slufter en groen strand 3.40 Moeras 3.24 (va); Kwelder, slufter en (va); Strand en stuivend duin 3.48

(va); groen strand 3.40 (va); Binnendijks zilt H1310B; H1330A; H2110; H1330B grasland 3.41 (va); Strand en stuivend duin 3.48 (va); H1310B; H2110; H1330B 1 v: het leefgebied wordt gebruikt voor de voortplanting, dat wil zeggen: het stadium van ei, larve of onvolwassen dier; a: het leefgebied wordt gebruikt voor activiteiten van het volwassen dier, zoals voedsel zoeken, slapen, schuilen; w: het leefgebied wordt gebruikt voor de winterrust van het volwassen dier. 2 Leefgebieden die zeker niet relevant zijn voor Markiezaat zijn in grijs opgenomen.

2.3.2

Niet-broedvogels

Instandhoudingsdoelen In Tabel 2-4 zijn de doelen voor niet-broedvogels opgenomen. Daarnaast is het aantal gebieden aangegeven dat voor deze niet-broedvogelsoort binnen Nederland is aangewezen, is het landelijke doel aangegeven en is de functie van het gebied voor de soort aangegeven. In de laatste kolom is de toelichting uit het aanwijzingsbesluit opgenomen. Alle in de tabel gepresenteerde informatie is afkomstig uit het Aanwijzingsbesluit (Ministerie van EZ, 2010).

7

NATUURDOELANALYSE

Tabel 2-4. Instandhoudingsdoelstellingen niet-broedvogels. Aangegeven is hoeveel gebieden voor de soort zijn aangewezen, wat het landelijk en gebiedsdoel is en wat de functie van het gebied is voor de soort. In de eindkolom is de toelichting op de instandhoudingsdoelstelling opgenomen zoals staat weergegeven in het aanwijzingsbesluit. Bron: Ministerie van EZ, 2010. Aantal Landelijk Toelichting conform Code Soort gebieden doel Doelstelling Functie Aanwijzingsbesluit A005 Fuut 24 10.900 Behoud omvang Foerageergebied Het gebied heeft voor de fuut en kwaliteit met name een functie als leefgebied met foerageergebied. Het een draagkracht aantalsverloop vertoont geen voor een populatie duidelijke trend, maar met van gemiddeld relatief hoge aantallen rond 200 vogels 1990. Behoud van de huidige (seizoenssituatie is voldoende want de gemiddelde). vermoedelijke oorzaak van de landelijk matig ongunstige staat van instandhouding ligt niet in dit gebied. A008 Geoorde fuut 2 1.640 Behoud omvang Foerageergebied De aantallen geoorde futen zijn en kwaliteit van nationale betekenis. Het leefgebied met gebied heeft voor de soort met een draagkracht name een functie als voor een populatie foerageergebied. Het gebied van gemiddeld 50 levert na de Grevelingen de vogels (seizoensgrootste bijdrage, maar is gemiddelde). daaraan sterk ondergeschikt.

Anders dan in de Grevelingen betreft het hier grotendeels lokale broedvogels (25 paren in 2003) met de hoogste aantallen kort voor en na het broedseizoen. Door de grote fluctuaties is er geen duidelijke trend. A017 Aalscholver 26 24.500 Behoud omvang Slaap- en Het gebied heeft voor de en kwaliteit rustplaats aalscholver met name een leefgebied met functie als slaapplaats. De een draagkracht aantallen fluctueren en zijn voor een populatie recentelijk relatief hoog. van gemiddeld 680 Gegevens zijn niet toereikend vogels (seizoensvoor een trendanalyse. Behoud maximum). van de huidige situatie is voldoende gezien de landelijk gunstige staat van instandhouding. A034 Lepelaar 22 1.225 Behoud omvang Foerageergebied De aantallen lepelaars zijn van en kwaliteit nationale en internationale leefgebied met betekenis. Het gebied heeft een draagkracht voor de soort met name een voor een populatie functie als foerageergebied. van gemiddeld 50 Recent komen aantallen voor vogels (seizoensvan enkele honderden vogels, gemiddelde). deels in relatie tot de vanaf 2000 sterk toegenomen broedpopulatie (26 paren in 2003). Behoud van de huidige situatie is voldoende gezien de landelijk gunstige staat van instandhouding. A037 Kleine zwaan 29 4.820 Behoud omvang Foerageergebied Het gebied heeft voor de kleine en kwaliteit zwaan met name een functie als leefgebied met foerageergebied.

De aantallen een draagkracht fluctueren, maar zijn sinds voor een populatie midden jaren negentig van gemiddeld 30 gemiddeld aanzienlijk hoger dan in de tien jaar daarvoor. Behoud 8

NATUURDOELANALYSE

Aantal gebieden

Landelijk doel

Grauwe gans

31

A045

Brandgans

A048

A050

Code

Soort

Doelstelling vogels (seizoensgemiddelde).

Functie

A043

86.300

Behoud omvang en kwaliteit leefgebied met een draagkracht voor een populatie van gemiddeld 510 vogels (seizoensgemiddelde).

Slaap- en rustplaats en foerageergebied

26

140.900

Behoud omvang en kwaliteit leefgebied met een draagkracht voor een populatie van gemiddeld 130 vogels (seizoensgemiddelde).

Slaap- en rustplaats en foerageergebied

Bergeend

14

48.900

Behoud omvang en kwaliteit leefgebied met een draagkracht voor een populatie van gemiddeld 250 vogels (seizoensgemiddelde).

Foerageergebied

Smient

46

258.200

Behoud omvang en kwaliteit leefgebied met een draagkracht voor een populatie van gemiddeld 1.600 vogels

Slaap- en rustplaats en foerageergebied

9

Toelichting conform Aanwijzingsbesluit van de huidige situatie is voldoende, de vermoedelijke oorzaken van de landelijk matig ongunstige staat van instandhouding liggen niet in dit gebied. Het gebied heeft voor de grauwe gans met name een functie als foerageergebied en slaapplaats. De draagkrachtschatting heeft betrekking op beide functies. De aantallen zijn na de afsluiting sterk toegenomen, net als in het Volkerak-Zoommeer en in veel andere gebieden. Behoud van de huidige situatie is voldoende gezien de landelijk gunstige staat van instandhouding. De doelstelling heeft geen betrekking op de eventuele functie van het gebied als broedgebied voor deze soort. Het gebied heeft voor de brandgans met name een functie als foerageergebied en slaapplaats. De draagkrachtschatting heeft betrekking op beide functies. De aantallen zijn na 1990 toegenomen, waarschijnlijk door vestiging van de soort als broedvogel (365 paren in 2003). Sinds eind jaren negentig is de populatie min of meer stabiel. Behoud van de huidige situatie is voldoende gezien de landelijk gunstige staat van instandhouding. De doelstelling heeft geen betrekking op de eventuele functie van het gebied als broedgebied voor deze soort. Het gebied heeft voor de bergeend met name een functie als foerageergebied.

Net als in het Volkerak-Zoommeer is de populatie waarschijnlijk toegenomen na de afsluiting, daarna opvallend stabiel. Behoud van de huidige situatie is voldoende gezien de landelijk gunstige staat van instandhouding. Het gebied heeft voor de smient met name een functie als slaapplaats en als foerageergebied. De draagkrachtschatting heeft betrekking op beide functies. De soort is een wintergast (hoewel recent ook broedgevallen in het

NATUURDOELANALYSE

Aantal gebieden

Landelijk doel

Krakeend

35

A052

Wintertaling

A054

A056

Code

Soort

Doelstelling (seizoensgemiddelde).

Functie

A051

10.200

Behoud omvang en kwaliteit leefgebied met een draagkracht voor een populatie van gemiddeld 280 vogels (seizoensgemiddelde).

Foerageergebied

24

21.000

Behoud omvang en kwaliteit leefgebied met een draagkracht voor een populatie van gemiddeld 700 vogels (seizoensgemiddelde).

Foerageergebied

Pijlstaart

25

7.850

Behoud omvang en kwaliteit leefgebied met een draagkracht voor een populatie van gemiddeld 480 vogels (seizoensmaximum).

Slaap- en rustplaats

Slobeend

39

5.850

Behoud omvang en kwaliteit leefgebied met een draagkracht voor een populatie van gemiddeld 150 vogels (seizoensgemiddelde).

Foerageergebied

10

Toelichting conform Aanwijzingsbesluit Markiezaat). Aantallen zijn na de afsluiting toegenomen, maar later weer afgenomen, net als in het Volkerak-Zoommeer, waarschijnlijk in relatie tot vegetatiesuccessie (gras). Behoud van de huidige situatie is voldoende gezien de landelijk gunstige staat van instandhouding. Het gebied heeft voor de krakeend met name een functie als foerageergebied. Na de afsluiting vertoonde de populatiegrootte een zeer sterke positieve reactie die niet uit de landelijke toename verklaard kan worden, net als in het Volkerak Zoommeer. Behoud van de huidige situatie is voldoende gezien de landelijk gunstige staat van instandhouding. Het gebied heeft voor de wintertaling met name een functie als foerageergebied. De populatie is sterk toegenomen na de afsluiting, daarna weer iets teruggezakt, maar met een tweede piek rond 2000, vergelijkbaar met het verloop in het Zoommeer. Behoud van de huidige situatie is voldoende, want er is geen landelijke herstelopgave geformuleerd. Aantallen pijlstaarten zijn van nationale betekenis. Het gebied heeft voor de soort met name een functie als slaapplaats. Er komen tot enkele honderden vogels voor die deels elders foerageren. Het Markiezaat levert één van de grootste bijdragen binnen het Natura 2000-netwerk. Gegevens zijn niet toereikend voor een trendanalyse.

Behoud van de huidige situatie is voldoende, want er is geen landelijke herstelopgave geformuleerd. Aantallen slobeenden zijn van internationale betekenis. Het gebied heeft voor de soort met name een functie als foerageergebied. Na de afsluiting is de populatie toegenomen, net als in het Volkerak-Zoommeer, met een piek rond 1990. In dit geval waren er ook relatief hoge aantallen in de tweede helft van de jaren negentig, daarna een afname. Behoud van de huidige

NATUURDOELANALYSE

Aantal gebieden

Landelijk doel

Meerkoet

23

A132

Kluut

A137

A141

Code

Soort

Doelstelling

Functie

A125

89.700

Behoud omvang en kwaliteit leefgebied met een draagkracht voor een populatie van gemiddeld 920 vogels (seizoensgemiddelde).

Foerageergebied

17

9.510

Behoud omvang en kwaliteit leefgebied met een draagkracht voor een populatie van gemiddeld 140 vogels (seizoensgemiddelde).

Foerageergebied

Bontbekplevier

10

2.260

Behoud omvang en kwaliteit leefgebied met een draagkracht voor een populatie van gemiddeld 360 vogels (seizoensmaximum).

Slaap- en rustplaats

Zilverplevier

8

27.600

Behoud omvang en kwaliteit leefgebied met een draagkracht voor een populatie

Slaap- en rustplaats

11

Toelichting conform Aanwijzingsbesluit situatie is voldoende gezien de landelijk gunstige staat van instandhouding. Het gebied heeft voor de meerkoet met name een functie als foerageergebied. Na de afsluiting is de populatie geleidelijk toegenomen, met een piek rond 1992-1993, daarna geleidelijk bijna een even sterke afname, net als in het Volkerak-Zoommeer. Dit proces weerspiegelt mogelijk vooral de ontwikkelingen van de ondergedoken vegetatie. Behoud van de huidige situatie is voldoende gezien de landelijk gunstige staat van instandhouding. Het gebied heeft voor de kluut met name een functie als foerageergebied. De aantallen vogels hebben waarschijnlijk gedeeltelijk betrekking op de lokale broedvogels, maar de beide trends wijken af, met sterke afname van de broedpopulatie na 1990, maar doorgaande toename van de niet-broedvogels tot het eind van dat decennium. Recent zijn ook de niet-broedvogel aantallen echter lager, wat mogelijk veroorzaakt wordt door vegetatiesuccessie als gevolg van de afsluiting. Behoud van de huidige situatie is voldoende, want er is geen landelijke herstelopgave geformuleerd. Aantallen bontbekplevieren zijn van nationale betekenis. Het gebied heeft voor de soort met name een functie als slaapplaats. Delen van het gebied dienen als hoogwatervluchtplaats voor soms enkele honderden vogels die grotendeels in de Oosterschelde foerageren.

Het Markiezaat levert één van de grootste bijdragen binnen het Natura 2000-netwerk. Gegevens zijn niet toereikend voor een trendanalyse. Behoud van de huidige situatie is voldoende gezien de landelijk gunstige staat van instandhouding. Aantallen zilverplevieren zijn van nationale betekenis. Het gebied heeft voor de soort met name een functie als slaapplaats. Delen van het

NATUURDOELANALYSE

Aantal gebieden

Landelijk doel

Kanoetstrandloper

5?

A149

Bonte strandloper

A161

Zwarte ruiter

Code

Soort

A143

Doelstelling van gemiddeld 1.300 vogels (seizoensmaximum).

Functie

60.000?

Behoud omvang en kwaliteit leefgebied met een draagkracht voor een populatie van gemiddeld 1.600 vogels (seizoensmaximum).

Slaap- en rustplaats

8

187.300

Behoud omvang en kwaliteit leefgebied met een draagkracht voor een populatie van gemiddeld 6.400 vogels (seizoensmaximum).

Slaap- en rustplaats

5

2.040

Behoud omvang en kwaliteit leefgebied met een draagkracht voor een populatie van gemiddeld 210 vogels (seizoensmaximum).

Slaap- en rustplaats

12

Toelichting conform Aanwijzingsbesluit gebied dienen als hoogwatervluchtplaats voor soms meer dan duizend vogels die grotendeels in de Oosterschelde foerageren. Het Markiezaat levert één van de grootste bijdragen binnen het Natura 2000-netwerk. Gegevens zijn niet toereikend voor een trendanalyse. Behoud van de huidige situatie is voldoende gezien de landelijk gunstige staat van instandhouding. Het gebied heeft voor de kanoetstrandloper met name een functie als slaapplaats. Delen van het gebied dienen als hoogwatervluchtplaats voor soms enkele honderden vogels die grotendeels in de Oosterschelde foerageren. Het Markiezaat levert één van de grootste bijdragen binnen het Natura 2000-netwerk. Gegevens zijn niet toereikend voor een trendanalyse. Behoud van de huidige situatie is voldoende want de vermoedelijke oorzaak van de landelijk matig ongunstige staat van instandhouding ligt niet in dit gebied. Het gebied heeft voor de bonte strandloper met name een functie als slaapplaats. Delen van het gebied dienen als hoogwatervluchtplaats voor soms enkele duizenden vogels die grotendeels in de Oosterschelde foerageren. Het Markiezaat levert één van de grootste bijdragen binnen het Natura 2000-netwerk. Gegevens zijn niet toereikend voor een trendanalyse. Behoud van de huidige situatie is voldoende gezien de landelijk gunstige staat van instandhouding.

Aantallen zwarte ruiters zijn van nationale betekenis. Het gebied heeft voor de soort met name een functie als slaapplaats. Het betreft een slaapplaatsfunctie/ hoogwatervluchtplaats voor soms enkele honderden vogels die grotendeels in de Oosterschelde foerageren. Het Markiezaat levert één van de grootste bijdragen binnen het Natura 2000-netwerk. Gegevens zijn niet toereikend

NATUURDOELANALYSE

Code

Soort

Aantal gebieden

Landelijk doel

Doelstelling

Functie

Toelichting conform Aanwijzingsbesluit voor een trendanalyse. Behoud van de huidige situatie is voldoende gezien de landelijk gunstige staat van instandhouding.

De relatieve bijdrage van Markiezaat aan de instandhoudingsdoelen voor niet-broedvogels is klein. Voor de geoorde fuut, lepelaar, krakeend en wintertaling is de relatieve bijdrage het grootst, namelijk 2-6%. In de huidige situatie blijkt uit de praktijk dat het Markiezaat van groter belang is in het behalen van instandhoudingsdoelen voor diverse soorten in de gehele delta, ten opzichte van het geschetste beeld in het aanwijzingsbesluit hierboven. Niet-broedvogels en hun leefgebied Voor Vogelrichtlijnsoorten zijn in het aanwijzingsbesluit al kwantitatieve doelen geformuleerd in termen van behoud of herstel van de omvang en kwaliteit van het leefgebied voor een beoogd (populatie)aantal. Dat aantal betreft een draagkrachtschatting in de vorm van seizoensgemiddelde of seizoensmaximum aantallen bij niet-broedvogels. Het actueel aanwezige aantal (als seizoensgemiddelde of seizoensmaximum) geeft een eerste indicatie van de toestand in een Natura 2000-gebied. Het te zeer focussen op alleen het halen (of niet) van het instandhoudingsdoel op basis van een vergelijking van het actuele aanwezige aantal met het beoogde draagkracht aantal uit de doelomschrijving kan een onjuist beeld van de werkelijke draagkracht en duurzaamheid van de populatie geven.

De omvang en kwaliteit van het leefgebied kan bijvoorbeeld voldoende goed zijn voor de gewenste draagkracht, maar de daadwerkelijke aantallen zijn toch niet (meer) aanwezig door invloeden buiten het Natura 2000-gebied (bijv. in het overwinteringsgebied, op de trekroute, door klimaatverandering). Andersom kan het ook zo zijn dat de aantallen nog wel worden gehaald, terwijl de kwaliteit/omvang van het habitat al achteruitgaat waardoor de populatie een negatieve trend vertoont. In Tabel 2-5 zijn de leefgebieden voor niet-broedvogels samengevat. In hoofdstuk 4 wordt nader ingegaan op de omvang en kwaliteit van het leefgebied indien er reden is om te veronderstellen dat hier mogelijk zaken niet op orde zijn. Tabel 2-5. Beschrijving van de leefgebieden voor niet-broedvogels in Markiezaat. Bronnen: Bal et al., 2001; Smits & Bal 2016.

Niet-broedvogel Foerageerbiotoop1,2 Slaap- en rustplaats1,2 Zoet getijdenwater 3.11 (a); Brak Zoet getijdenwater 3.11 (a); Brak A005 Fuut getijdenwater 3.12 (a); Brak stilstaand getijdenwater 3.12 (a); Brak stilstaand water 3.13 (a); Dynamisch water 3.13 (a); Dynamisch rivierbegeleidend water 3.16 (a); rivierbegeleidend water 3.16 (a); Geïsoleerde meander en petgat 3.17 (a); Geïsoleerde meander en petgat 3.17 (a); Gebufferd meer 3.18 (a) Gebufferd meer 3.18 (a) Gebufferde poel en wiel 3.14 (va); Gebufferde poel en wiel 3.14 (va); A008 Geoorde fuut Geïsoleerde meander en petgat 3.17 Geïsoleerde meander en petgat 3.17 (va); Gebufferd meer 3.18 (a); (va); Gebufferd meer 3.18 (a); Zwakgebufferd ven 3.22 (va); Zuur ven Zwakgebufferd ven 3.22 (va); Zuur ven 3.23 (va); Moeras 3.24 (a); 3.23 (va); Moeras 3.24 (a); LG04 Zuur ven; LG04 Zuur ven; H3130; H3160; H1720 H3130; H3160; H1720 Langzaam stromende rivier en Langzaam stromende rivier en A017 Aalscholver nevengeul 3.10 (a); Zoet getijdenwater nevengeul 3.10 (a); Zoet getijdenwater 3.11 (a); Dynamisch rivierbegeleidend 3.11 (a); Dynamisch rivierbegeleidend water 3.16 (a); Gebufferd meer 3.18 (a); water 3.16 (a); Gebufferd meer 3.18 (a); Moeras 3.24 (a); Moeras 3.24 (a); Strand en stuivend duin 3.48 (a); Rivierduin en - strand 3.49 (a); Ooibos 3.61 (a); Zoet getijdenwater 3.11 (a); Brak Natte strooiselruigte 3.25 (v); Natte A034

Lepelaar stilstaand water 3.13 (a); Gebufferde duinvallei 3.26 (v); Wilgenstruweel 3.55 poel en wiel 3.14 (a); Gebufferde sloot (v); Ooibos 3.61 (va); bos van 3.15 (a); Gebufferd meer 3.18 (a); voedselrijke, vochtige gronden 3.66 (va); Duinplas 3.20 (a); Moeras 3.24 (va); Kwelder, slufter en groen strand 3.40 (va); Zoet getijdenwater 3.11 (a); Dynamisch Zoet getijdenwater 3.11 (a); Gebufferd A037 Kleine zwaan rivierbegeleidend water 3.16 (a); meer 3.18 (a); Kanaal en vaart 3.19 (a); Geïsoleerde meander en petgat 3.17 (a); 13

NATUURDOELANALYSE

Niet-broedvogel

A043 Grauwe gans

A045 Brandgans

A048 Bergeend

A050 Smient

A051 Krakeend

A052 Wintertaling

A054 Pijlstaart

Foerageerbiotoop1,2 Gebufferd meer 3.18 (a); Kanaal en vaart 3.19 (a); Moeras 3.24 (va); Nat, matig voedselrijk grasland 3.32 (a); Bloemrijk grasland van het rivieren- en zeekleigebied 3.39 (a); Kwelder, slufter en groen strand 3.40 (a); Dynamisch rivierbegeleidend water 3.16 (a); Moeras 3.24 (a); Nat, matig voedselrijk grasland 3.32 (a); Bloemrijk grasland van het rivieren- en zeekleigebied 3.39 (a); Kwelder, slufter en groen strand 3.40 (a); Binnendijks grasland 3.41 (a) Moeras 3.24 (a); Nat, matig voedselrijk grasland 3.32 (va); Kwelder, slufter en groen strand 3.40 (a); Binnendijks zilt grasland 3.41 (a); Brak stilstaand water 3.13 (a); Gebufferd meer 3.18 (a); Moeras 3.24 (a); Kwelder, slufter en groen strand 3.40 (a); Binnendijks zilt grasland 3.41 (a); Strand en stuivend duin 3.48 (a); Langzaam stromende rivier en nevengeul 3.10 (a); Zoet getijdenwater 3.11 (a); Brak getijdenwater 3.12 (a); Brak stilstaand water 3.13(a); Dynamisch rivierbegeleidend water 3.16 (a) Geïsoleerde meander en petgat 3.17 (a); Gebufferd meer 3.18 (a); Kanaal en vaart 3.19 (a); Duinplas 3.20 (a); Moeras 3.24 (a); Nat, matig voedselrijk grasland 3.32 (a); Bloemrijk grasland van het zand- en veengebied 3.38 (a); Bloemrijk grasland van het rivieren- en zeekleigebied 3.39 (a); Kwelder, slufter en groen strand 3.40 (a); Binnendijks zilt grasland 3.41 (a) Langzaam stromende rivier en nevengeul 3.10

(a); Zoet getijdenwater 3.11 (a); Brak stilstaand water 3.13 (a); Dynamisch rivierbegeleid water 3.16 (a); Geïsoleerde meander en petgat 3.17 (a); Gebufferd meer 3.18 (a); Kanaal en vaart 3.19 (a); Duinplas 3.20 (a); Moeras 3.24 (a) Langzaam stromende rivier en nevengeul 3.10 (a); Zoet getijdenwater 3.11 (a); Brak getijdenwater 3.12 (a); Brak stilstaand water 3.13 (a); Dynamisch rivierbegeleidend water 3.16 (a); Geïsoleerde meander en petgat 3.17 (a); Gebufferd meer 3.18 (a); Kanaal en vaart 3.19 (a); Duinplas 3.20 (a); Moeras 3.24 (a); Nat, matig voedselrijk grasland 3.32 (a); Kwelder, slufter en groen strand 3.40 (a); Binnendijks zilt grasland 3.41 (a) Gebufferde poel en wiel 3.14 (a); Gebufferde sloot 3.15 (a); Geïsoleerde meander en petgat 3.17 (va); Gebufferd meer 3.18 (a); Duinplas 3.20 (a); Zwakgebufferd ven 3.22 (a); Moeras 3.24 (va); Natte duinvallei 3.26 (va); 14

Slaap- en rustplaats1,2

Geïsoleerde meander en petgat 3.17 (va); Gebufferd meer 3.18 (a);

Gebufferd meer 3.18 (a); Moeras 3.24 (a); Nat, matig voedselrijk grasland 3.32 (va); Kwelder, slufter en groen strand 3.40 (a); Binnendijks zilt grasland 3.41 (a); Brak stilstaand water 3.13 (a); Gebufferd meer 3.18 (a); Moeras 3.24 (a); Kwelder, slufter en groen strand 3.40 (a); Binnendijks zilt grasland 3.41 (a); Strand en stuivend duin 3.48 (a); Geïsoleerde meander en petgat 3.17 (a); Gebufferd meer 3.18 (a);

Nat, matig voedselrijk grasland 3.32 (a); Bloemrijk grasland van het rivieren- en zeekleigebied 3.39 (a)

Langzaam stromende rivier en nevengeul 3.10 (a); Zoet getijdenwater 3.11 (a); Brak getijdenwater 3.12 (a); Brak stilstaand water 3.13 (a); Dynamisch rivierbegeleidend water 3.16 (a); Geïsoleerde meander en petgat 3.17 (a); Gebufferd meer 3.18 (a); Kanaal en vaart 3.19 (a); Duinplas 3.20 (a); Moeras 3.24 (a); Nat, matig voedselrijk grasland 3.32 (a); Kwelder, slufter en groen strand 3.40 (a); Binnendijks zilt grasland 3.41 (a) Zoet getijdenwater 3.11 (a)

NATUURDOELANALYSE

Niet-broedvogel

A056 Slobeend

Foerageerbiotoop1,2 Dotterbloemgrasland van beekdalen 3.30 (va); Dotterbloemgrasland van veen en klei 3.31 (va); Nat, matig voedselrijk grasland 3.32 (va); Kwelder, slufter en groen strand 3.40 (va); H3130 Langzaam stromende rivier en nevengeul 3.10 (a); Zoet getijdenwater 3.11 (a); Brak getijdenwater 3.12 (a); Brak stilstaand water 3.13(a); Gebufferde poel en wiel 3.14 (a); Gebufferde sloot 3.15 (a); Dynamisch rivierbegeleidend water 3.16 (a); Geïsoleerde meander en petgat 3.17 (a); Gebufferd meer 3.18 (a); Kanaal en vaart 3.19 (a); Duinplas 3.20 (a); Moeras 3.24 (a) Langzaam stromende rivier en nevengeul 3.10 (a); Zoet getijdenwater 3.11 (a); Brak getijdenwater 3.12 (a); 3.13 (a); Dynamisch rivierbegeleidend water 3.16 (a); Geïsoleerde meander en petgat 3.17 (a); Gebufferd meer 3.18 (a); Kanaal en vaart 3.19 (a); Duinplas 3.20 (a); Moeras 3.24 (a); Nat, matig voedselrijk grasland 3.32 (a); Bloemrijk grasland van het zand- en veengebied 3.38 (a); Bloemrijk grasland van het rivieren- en zeekleigebied 3.39 (a)

Slaap- en rustplaats1,2

Moeras 3.24 (a), Dotterbloemgrasland van veen en klei 3.31 (a), Nat, matig voedselrijk grasland 3.32 (a)

Langzaam stromende rivier en nevengeul 3.10 (a); Zoet getijdenwater 3.11 (a); Brak getijdenwater 3.12 (a); 3.13 (a); Dynamisch rivierbegeleidend water 3.16 (a); Geïsoleerde meander en petgat 3.17 (a); Gebufferd meer 3.18 (a); Kanaal en vaart 3.19 (a); Duinplas 3.20 (a); Moeras 3.24 (a); Nat, matig voedselrijk grasland 3.32 (a); Bloemrijk grasland van het zand- en veengebied 3.38 (a); Bloemrijk grasland van het rivieren- en zeekleigebied 3.39 (a); Ooibos 3.61 (a); Bos van voedselrijke vochtige gronden 3.66 (a) Zoet getijdenwater 3.11 (a); Brak Zoet getijdenwater 3.11 (a); Brak A132 Kluut stilstaand water 3.13 (a); Gebufferde stilstaand water 3.13 (a); Gebufferde poel en wiel 3.14 (a); Gebufferde sloot poel en wiel 3.14 (a); Gebufferde sloot 3.15 (a); Dynamisch rivierbegeleidend 3.15 (a); Dynamisch rivierbegeleidend water 3.16 (a); Gebufferd meer 3.18 (a); water 3.16 (a); Gebufferd meer 3.18 (a); Duinplas 3.20 (a); Moeras 3.24 (va); Duinplas 3.20 (a); Moeras 3.24 (va); Kwelder, slufter en groen strand 3.40 Kwelder, slufter en groen strand 3.40 (va); Strand en stuivend duin 3.48 (va); (va); Binnendijks zilt grasland 3.41 (va); Rivierduin en - strand 3.49 (va); Moeras 3.24 (va); Natte duinvallei 3.26 Moeras 3.24 (va); Natte duinvallei 3.26 A137 Bontbekplevier (va); Nat, matig voedselrijk grasland 3.32 (va); Nat, matig voedselrijk grasland 3.32 (va); Kwelder, slufter en groen

strand (va); Kwelder, slufter en groen strand 3.40 (va); Binnendijks zilt grasland 3.41 3.40 (va); Binnendijks zilt grasland 3.41 (va); Strand en stuivend duin 3.48 (va); (va); Strand en stuivend duin 3.48 (va); Akker van basenarme gronden 3.51 (va); Akker van basenarme gronden 3.51 (va); H1310B; H1330A; H2110; H1330B LG08 Nat, matig en voedselrijk grasland; H1310B; H1330A; H2190B; H2190C; H2110; H1330B Kwelder, slufter en groen strand 3.40 (a); Kwelder, slufter en groen strand 3.40 (a); A141 Zilverplevier Strand en stuivend duin 3.48 (a) Strand en stuivend duin 3.48 (a) Kwelder, slufter en groen strand 3.40 (a); Kwelder, slufter en groen strand 3.40 (a); A143 Kanoetstrandloper Strand en stuivend duin 3.48 (a) Strand en stuivend duin 3.48 (a) Kwelder, slufter en groen strand 3.40 (a); Kwelder, slufter en groen strand 3.40 (a); A149 Bonte strandloper Strand en stuivend duin 3.48 (a) Strand en stuivend duin 3.48 (a) Brak getijdenwater 3.12 (a); Brak Brak getijdenwater 3.12 (a); Brak A161 Zwarte ruiter stilstaand water 3.13 (a); Moeras 3.24 stilstaand water 3.13 (a); Moeras 3.24 (a); Kwelder, slufter en groen strand 3.40 (a); Kwelder, slufter en groen strand 3.40 (a); Binnendijks zilt grasland 3.41 (a) (a); Binnendijks zilt grasland 3.41 (a) 1 v: het leefgebied wordt gebruikt voor de voortplanting, dat wil zeggen: het stadium van ei, larve of onvolwassen dier; a: het leefgebied

wordt gebruikt voor activiteiten van het volwassen dier, zoals voedsel zoeken, slapen, schuilen; w: het leefgebied wordt gebruikt voor de winterrust van het volwassen dier. 2 Leefgebieden die zeker niet relevant zijn voor Markiezaat zijn in grijs opgenomen.

A125 Meerkoet

15

NATUURDOELANALYSE

3

Landschapsecologische Systeemanalyse (LESA)

3.1

Inleiding

Centraal in de landschapsecologie staan de verbanden tussen de verschillende landschapscomponenten. De ene component vormt het kader waarbinnen de volgende component variaties kan aanbrengen; elke kleinere schil hangt dus af van de vorige grotere schil maar is daar ook weer op van invloed. De volgorde vormt de basis voor het stappenplan van de landschapsecologische analyse (Van der Molen et al., 2010). Daarnaast helpt deze volgorde te achterhalen hoe het systeem functioneert voor menselijk ingrijpen. Daarmee zijn de gevolgen daarvan later beter in te schatten.

Figuur 3-1. De verschillende landschapscomponenten en hun onderlinge relaties vrij vertaald op basis van Van de Molen et al., 2010.

In de onderstaande paragrafen worden de verschillende componenten uit Figuur 3-1 gebiedsspecifiek uitgewerkt.

3.2

Methode en opzet

In een landschapsecologische systeemanalyse (LESA) worden de abiotische processen achterhaald die op landschapsschaal sturend zijn voor de totstandkoming van de standplaatscondities van de vegetatie (Grootjans & Van Diggelen 2009, Kalkhoven 1999, Van der Molen et al., 2010, 2011; Besselink et al., 2017). Er wordt een beeld gevormd van zowel het historisch als het huidig abiotisch functioneren van een gebied en zijn omgeving door de samenhang tussen geologie, reliëf, grond- en oppervlaktewater, bodem, vegetatie en fauna te onderzoeken. De op grond van de LESA verkregen inzichten in het functioneren van het landschapsecologische systeem zijn een belangrijke basis voor de opstelling van dit beheerplan: • De LESA geeft inzicht in ruimtelijke patronen en sturende abiotische en biotische processen die bepalend zijn voor verspreiding en kwaliteit van habitattypen en leefgebieden. • Aan de hand van de LESA kunnen systeemgebonden knelpunten worden geïdentificeerd, die de realisatie van instandhoudingsdoelstellingen belemmeren. • De LESA vormt de grondslag voor het identificeren van doeltreffende (systeemgerichte) maatregelen om instandhoudingsdoelen te realiseren. De doelstellingen voor een Natura 2000-gebied én de toestand (mate van aantasting) van de samenstellende habitattypen en leefgebieden bepalen of maatregelen noodzakelijk zijn.

Is de toestand van een of meerdere habitattypen wat betreft kwaliteit of oppervlakte niet in overeenstemming met de doelstellingen, dan zijn er een of meerdere knelpunten en zijn maatregelen noodzakelijk. De keuze van (de combinatie van) de maatregelen is afhankelijk van de situatie ter plaatse van het Natura 2000-gebied. Om die vast te stellen is een landschapsecologische systeemanalyse (LESA) noodzakelijk. 17

NATUURDOELANALYSE

Op grond van deze analyse kan worden vastgesteld in welke opeenvolging(en) habitattypen en leefgebieden in een gebied voorkomen, hoe deze opeenvolging(en) functioneren in verleden en heden en wat de actuele kwaliteit is van habitattypen en leefgebieden, afzonderlijk en in hun onderlinge ruimtelijke samenhang. Uit dat vroegere en huidige functioneren kunnen de oorzaken van de gesignaleerde knelpunten worden vastgesteld. Het abiotisch functioneren van de kenmerkende ruimtelijke opeenvolgingen in een Natura 2000-gebied en de oorzaken van de geconstateerde knelpunten bepalen gezamenlijk welke maatregel(en) (en met welke maatvoering) genomen dienen te worden om de doelstellingen te realiseren.

Wetenschappelijke basis voor de LESA De habitattypen en de leefgebieden in Natura 2000-gebieden zijn onderdeel van het landschap. In het landschap liggen (hoogte)gradiënten, waar langs habitattypen en leefgebieden voorkomen in kenmerkende opeenvolgingen. Habitattypen (en de plantengemeenschappen waaruit ze zijn samengesteld) bezetten een standplaats die voor elk habitattype bestaat uit een kenmerkend bereik van standplaatsomstandigheden (standplaatscondities). De meest bepalende omstandigheden zijn grondwaterregime (vochttoestand), pH/basenverzadiging (zuur-basetoestand) en trofie (voedselrijkdom). Het zijn de abiotische processen op landschapsschaal die richtinggevend voor die kenmerkende bereiken van die set van standplaatscondities. De volgordes of kenmerkende posities in een gradiënt van habitattypen en leefgebieden geven dus ook informatie over de abiotische omstandigheden langs die gradiënt en hoe die binnen de gradiënt veranderen (Van der Maarel, 1976). De processen binnen een landschap worden gedreven door factoren die elkaar beïnvloeden volgens een bepaalde hiërarchie of rangorde. Deze hiërarchie is samengevat in het zogenoemde rangordemodel (Bakker et al., 1981; Figuur 1). Deze beïnvloeding is wederzijds, maar in de regel van ongelijk belang: een factor van een hogere orde heeft meer invloed op een van lagere orde dan andersom.

Op de standplaats heersen factoren of –condities die op de plantengroei direct werkzaam zijn, de zogenoemde "operationele" factoren (Figuur 2; Van Wirdum, 1979), zoals nutriënten- en vochtbeschikbaarheid. Deze operationele factoren worden gestuurd door zogenoemde "conditionele" factoren (Van Wirdum, 1979) zoals de zuurgraad in de wortelzone, het zuurstofgehalte van de bodem en het bodemtype, die op hun beurt weer in belangrijke mate worden bepaald door de waterstand en de chemische samenstelling van het grondwater. Deze conditionele factoren worden op hun beurt bepaald door de positie die ze innemen in het landschap, de zogenoemde "positionele factoren" (Van Wirdum, 1979). Deze positie bepaalt welke abiotische processen (in lucht, ondergrond en water) sturend zijn bij de totstandkoming van de conditionele factoren. Ten slotte onderscheidde Van Wirdum (1979) factoren die in het verleden zijn opgetreden maar ook nu nog van invloed zijn op de standplaats, de zogenoemde 'sequentiële factoren".

18

NATUURDOELANALYSE

Figuur 1. Het rangordemodel volgens Bakker et al. (1981).

Figuur 2. Relaties op verschillende schaalniveaus naar Van Wirdum (1979). Overgenomen uit Jalink & Jansen (1995).

3.3

Ontstaansgeschiedenis

Het Markiezaat ligt op de natuurlijke overgang van het pleistocene zandlandschap naar holocene getijdenlandschap. In het Holocene tijdperk, zo’n 10.000 jaar geleden, smolt veel landijs door een stijgende temperatuur en ontstond de Noordzee. In de Noordzee mondden rivieren als de Maas en Schelde uit. Doordat deze rivieren slib en zand aanvoerden ontstond zo’n 8000 tot 5000 jaar geleden een grote delta die nagenoeg aaneengesloten bestond uit duinen en zandbanken. Achter deze duinen en zandbanken ontstond een systeem met schorren en slikken, waar zeeklei kon ontstaan door het bezinken van slib. Als gevolg van het dichtslibben zijn een aantal gebieden afgesloten geraakt en nam de invloed van zoutwater af. Door aanvoer van zoetwater ontstonden zoetwatermoerassen waar veenvorming kon plaatsvinden. Toen de invloed van de zee weer toenam werden de zandbanken doorbroken en ontstonden kreekgeulen. De aanwezige veenlagen werden afgebroken of werden bedekt met een laag klei (Stichting de Oosterschelde, 2022). 19

NATUURDOELANALYSE

Tussen de jaren 300 en 700 na Chr. werd de Oosterschelde een echte getijdenstroom en werd het door het uitslijten een steeds bredere geul. In deze periode ontstonden ook de andere getijdengeulen in Zeeland. Vanaf de 17de eeuw raakte de Westerschelde verbonden met de rivier de Schelde waardoor de verbindingen tussen de Oosterschelde en de Westerschelde, de Kreekrak, uiteindelijk verzandde. In de (pre-) Romeinse tijd werd Zeeland bewoond en vanaf de Middeleeuwen werd gestart met de aanleg van dijken. Door het inpolderen van land werd de Oosterschelde weer smaller. In de 16de eeuw vonden 14 stormvloeden plaats die bepalend zijn voor het vormen van de Zeelandse delta zoals we die nu kennen. Door de stormen braken dijken, ging land verloren en uiteindelijk probeerde men dit weer te herstellen, maar niet al het land kon worden teruggewonnen van de zee. In de daaropvolgende eeuwen herhaalde zich dit proces nog vaker, maar werden de door de mens gebouwde dijken steeds beter waardoor de uiteindelijke effecten ook minder werden. De Markiezaatkade en de Oesterdam zijn nagenoeg tegelijk aangelegd en maakten onderdeel uit van het Deltaplan. De Markiezaatkade is eerst aangelegd met als doel problemen door stromingen vanuit de zee te voorkomen tijdens de aanleg van de Oesterdam.

In maart 1983 is de Markiezaatkade afgerond, Figuur 3-2, waardoor het Markiezaat van de Oosterschelde werd gescheiden en is de directe invloed van het getij en zoutwater verdwenen. Na de aanleg van de Markiezaatkade is de Oesterdam aangelegd, welke in 1986 gereed was. De Oesterdam is gebouwd om de delta wateren verder op te delen in compartimenten ten behoeve van zoetwaterhuishouding en scheepvaart. Tussen de Oesterdam en de Markiezaatkade liggen de Kreekraksluizen welke in 1975 in gebruik zijn genomen. In 1984 werd de Bergse Plaat aangelegd waarop een woonwijk is aangelegd en uiteindelijk is in 1988 de Binnenschelde ontstaan. (Provincie Noord-Brabant, 2014). Het overgebleven Markiezaat heeft een omvang van 1843 hectare.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=woensdrecht&id=54a8ee1d-f1e4-4de5-b547-e365b33352fa